Reportages
Een archief van eigen reportages.
Over bliksemjagers en voetbalveteranen,
klaroenblazers van de Last Post en autobestuurders die geen 1000 km per jaar rijden.
En natuurlijk nog Vele Anderen.
Het boek “Kind zonder winter” heeft zijn voorgeschiedenis. Een hele reeks winterreportages ging eraan vooraf; zie ‘Winterreportages’ (in de header) of zie onder October 2025 .
ARCHIEF
-
juli 2026
- 28 jul 2026 De bosbranden en vuurstormen van 2026 (en 1988)
- 23 jul 2026 25 juli 1966 : de bus die van de snelweg viel
-
juni 2026
- 28 jun 2026 De smeltende Alpen, een reisverhaal (1)
- 28 jun 2026 De smeltende Alpen, een reisverhaal - deel 2
- 28 jun 2026 De smeltende Alpen, een reisverhaal (3)
-
februari 2026
- 18 feb 2026 Antwerpse skiër overleeft sneeuwgraf in lawine
- januari 2026
- november 2025
-
oktober 2025
- 30 okt 2025 “Kind zonder winter” - eerdere winterreportages
-
mei 2025
- 16 mei 2025 R Antwerp FC: het einde van Tribune 2
- februari 2025
-
oktober 2024
- 20 okt 2024 Hoe Herman Selleslags België zag veranderen
- 19 okt 2024 Afscheid van Herman Selleslags
-
juli 2023
- 5 jul 2023 De kermisfotografen van de Kempen
-
mei 2023
- 26 mei 2023 Memoires van een Ijsboerke
- 26 mei 2023 Kaasfabriek Kempico : kroniek van een aangekondigde dood
- januari 2023
- september 2022
- juni 2022
- mei 2022
- februari 2022
-
september 2021
- 22 sep 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (4): tijd willen winnen in de non-stopmaatschappij (24/24)
- 22 sep 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt ? (3): het 'kopen' van andermans tijd (met o.a. de hondenuitlater en de ‘loopjongen’ voor je kleren)
- 22 sep 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (2): meer vrije tijd en toch meer opgejaagd
- 22 sep 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (1): het Vlaamse gezin en zijn dagelijkse 'rit tegen de tijd'
- 8 sep 2021 11 september (2): Mohammed Atta, de student stedenbouw die architect van de aanslagen werd
- 8 sep 2021 80 Vlaamse bakkers en “hun” 11 september
-
augustus 2021
- 30 aug 2021 Katrina (2): de boswachters als redders van New Orleans
- 30 aug 2021 Orkaan “Ida” - 16 jaar na de ravage van orkaan Katrina
- 24 aug 2021 20 jaar 'Zomerbeelden' op de VRT !
-
juli 2021
- 22 jul 2021 Tien jaar na Utøya (3): de ontreddering van de redders en de hulpverleners
- 22 jul 2021 Tien jaar na Utøya (2): de onderzoeksjournalist en de psychologe van de overlevenden
- 22 jul 2021 Tien jaar na de tragedie in Utøya (1): het relaas van de overlevenden
- 16 jul 2021 Zomeroverstromingen: het nieuwe normaal?
- 12 jul 2021 Na het EK Voetbal : het EK Minigolf in België
- juni 2021
-
mei 2021
- 1 mei 2021 Interview met de allereerste Mol (1999)
- april 2021
-
maart 2021
- 27 mrt 2021 Vogelspotten (2): blij met een levende mus
- 27 mrt 2021 Vogelspotten (1): een vroege-vogel-wandeling en de eerste Belg die vogelzang op vinyl zette
- 23 mrt 2021 De laatste dagen van Doel: kroniek van een aangekondigde dood
- 7 mrt 2021 Altijd wind mee: fietsenmakers over de demarrage van de elektrische fiets
-
februari 2021
- 23 feb 2021 Diefstal per brief: Bpost wil de postzegel in Belgische frank doen verdwijnen
- 9 feb 2021 <w> De marathonwinter van 1962-1963 (2) : de bevroren zee
- 9 feb 2021 <w> De marathonwinter van '62 -'63: de koudste winter sinds 1833
- 2 feb 2021 <w> De achtenveertig uur durende “blizzard” over zuidoost-België (1 februari 1953)
- 1 feb 2021 De overstromingsramp van 1953 (2) : de Belgische redders vanuit de lucht
- januari 2021
-
december 2020
- 27 dec 2020 Op kerststallentocht in de Kempen: een autocar van goede wil
- 18 dec 2020 De Grote Glühweinroute (revisited)
- 11 dec 2020 <w> Het kerstbomenbos: hoe de Nordmann de Ardennen inpalmt
- 8 dec 2020 <w> De winter in Lapland (2): Onze Man valt van de hondenslee
- 8 dec 2020 <w> De winter in Lapland (1): de Belgische die de jaarlijkse ijstijd en rendieren trotseert
- 4 dec 2020 Sint en Piet in het echt: uit koets gevallen, van baard beroofd en andere waargebeurde feiten
- 4 dec 2020 Sint en Piet gaan hard méé met hun tijd: van schimmel tot bulldozer en parachute
-
november 2020
- 26 nov 2020 Op huisbezoek met Sint en Piet (2) : in Antwerpen
- 26 nov 2020 Op huisbezoek met Sint en Piet (1): in de Kempen
- 19 nov 2020 Van deur tot deur (4): de verkopers van stofzuigers en gebakken lucht
- 19 nov 2020 Van deur tot deur (zonder corona) (3): de getuige van Jehova en de huis-aan-huis-winkelier
- 17 nov 2020 Van deur tot deur (zonder corona) (2): Hans de Booij (zanger-boekenverkoper) en een Franciscaanse bedelbroeder
- 17 nov 2020 Van deur tot deur (zonder corona) (1) Martin Heylen en de Appelleurders
- 10 nov 2020 Jodelen: de nieuwe superverspreider van corona
- 1 nov 2020 Trump: staat de verongelijkte kiezer nog altijd aan zijn kant?
- 1 nov 2020 De sprookjes van Trump
-
oktober 2020
- 23 okt 2020 De derby Antwerp-Beerschot: rood-witte honden versus mauve-witte ratten
- 16 okt 2020 De laatste "westerners" en cowboydorpen van België (3): Texas City in Tremelo
- 15 okt 2020 De laatste “westerners” en cowboydorpen van België (2): van Antwerpse indianen en Kempense outlaws
- 14 okt 2020 De laatste “westerners” en cowboydorpen van België (1) : begraaf mijn hart bij de baan naar Wuustwezel
- september 2020
-
augustus 2020
- 31 aug 2020 Het nieuwe schooljaar: leerkrachten vertellen hoe ze een klas aanpakken in het éérste lesuur
- 27 aug 2020 De pottenkijkers (2): voetbal kijken ondanks gesloten deuren / de dakfans en andere voetbalburen
- 26 aug 2020 De pottenkijkers (1): toch voetbal kijken in stadions met gesloten deuren
- 14 aug 2020 De hittegolf en een coup de foudre: op stap met een bliksemjager
- 7 aug 2020 Beiroet en de honden van de (puin)hoop
- 5 aug 2020 De ramp van Beiroet en de ramp van Tessenderlo (1942): als tonnen ammoniumnitraat exploderen
- 1 aug 2020 De machtige duivenvlucht uit Barcelona: vertrokken in volle corona
-
juli 2020
- 31 jul 2020 De stille bekerfinale tijdens corona en de roodwitte roots van Luk Perceval
- 30 jul 2020 De alziende corona-camera: de burgemeester met het fotografische geheugen
- 26 jul 2020 Zomer van verveling: 13-jarige rijdt 800 km met oma's auto
- 9 jul 2020 Voetnoten langs de weg: achter de schermen van de zelfgeknutselde wegwijzers
- 3 jul 2020 Zomer zonder Werchter (3): the day after
- 3 jul 2020 Zomer zonder Werchter (2): de pionier van de mobiele toiletten
- 2 jul 2020 Zomer zonder Werchter (1): twee trouwe soldaten van de frontstage
-
juni 2020
- 29 jun 2020 Toerisme in eigen land (1): koninklijke familie bezoekt Bokrijk
- 21 jun 2020 De stille overwegen (3): ontsnapt aan de klap
- 20 jun 2020 De stille overwegen (2): koeien op het spoor
- 19 jun 2020 Lege treinen en stille overwegen (1): de laatste onbewaakte spoorovergangen
- 12 jun 2020 Experimenteel reizen in eigen land (4): met een gocart de grens over
- 11 jun 2020 <w> Experimenteel reizen in eigen land (3): in volle zomer liften met een slee
- 10 jun 2020 Experimenteel reizen in eigen land (2): de pionier van de maffe reisformules
- 9 jun 2020 Experimenteel reizen in eigen land (1) : rugzaktoerist op 500 meter van je voordeur
- 5 jun 2020 Café Corona: hoe moet het verder met het volkscafé?
- 1 jun 2020 Kinderen van de holocaust: de vrouw die honderden kinderen hielp onderduiken
-
mei 2020
- 28 mei 2020 Record social distancing op café: 245 uur in quarantaine op een barkruk
- 27 mei 2020 Uit onze gevoelige platenkast: de huwelijksfotografen !
- 23 mei 2020 De hobo’s (5): een klein foto-album
- 22 mei 2020 De hobo’s: zwerven op goederentreinen (4) / de overlevers van de Grote Depressie
- 21 mei 2020 De hobo’s: zwerven op goederentreinen (3) / de Vietnam-veteranen
- 20 mei 2020 De hobo’s: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (2) / de rammeling voor het slapengaan
- 19 mei 2020 De hobo's: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (1) / de leerschool
- 13 mei 2020 2020: het jaar van het lange haar (de “hippie-comeback”)
- 9 mei 2020 Rock-’n-roll-model voor alle online huiskamerconcerten: de Slechtste Gitarist van Vlaanderen
- 7 mei 2020 60 jaar geleden: veel minder auto's en véél moorddadiger verkeer (2)
- 7 mei 2020 60 jaar geleden: veel minder auto's en véél moorddadiger verkeer (1)
- 3 mei 2020 <w> 75 jaar Buchenwald: de dodenmars in sneeuw en ijs
-
april 2020
- 28 apr 2020 Yo de dobbermannen! Bekende Vissers (BV’s) over hun watersport
- 24 apr 2020 Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (2)
- 24 apr 2020 Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (1)
- 21 apr 2020 Hoe een bezoek aan de supermarkt zes dagen kon duren
- 17 apr 2020 Een leven zonder gsm en zonder vaste telefoon (2)
- 17 apr 2020 Een leven zonder gsm en zonder vaste telefoon (1)
- 16 apr 2020 Arendonk? Gitarendonk! De revival van het mini-festival
- 15 apr 2020 De man die 29 jaar in quarantaine leefde
- 7 apr 2020 Verhalen uit het containerpark (2)
- 7 apr 2020 Verhalen uit het containerpark (1)
- 2 apr 2020 De voetbalveteranen (3): de zwarte panter van SK Waanrode
- 1 apr 2020 De voetbalveteranen (2): de oldtimers van KFC Herenthout
- 1 apr 2020 De voetbalveteranen (1) : de éminence grise van KFC Putte
-
maart 2020
- 29 mrt 2020 De pionier-tv-verkopers (jaren ‘50 en ‘60)
- 24 mrt 2020 De eenzaamheid van de Last-Post-klaroenblazer
- 21 mrt 2020 De zeldenrijders (2)
- 17 mrt 2020 De zeldenrijders (1) chauffeurs met 1000 km per jaar
Meer reportages lezen?
Wil je ingelicht worden als er nieuwe
reportages verschijnen?
Vul dan hier je e-mail-adres in:
Close encounters met de Queen: de undercover-lakei van Buckingham Palace
Over de doden , en dan zeker over de hele oude Britse doden, niets dan goeds. Zelf had ik het niet met de Queen, met dat Britse koningshuis en dat amper tanende Britse megalomane gedachtengoed van de Grote Natie. Ik heb als manifestant ook één keer het bezoek van Hare Koninklijke Handtas aan Brussel helpen verstoren (november 1980 - zie onderaan dit artikel).
Vandaar m’n leedvermaak toen ik van Ryan Parry (26) hoorde. Hij was de Britse undercover reporter die erin slaagde om met knullige geloofsbrieven toch twee maanden lang in Buckingham Palace te werken: als lakei voor de Queen en de Britse koninklijke familie. In het najaar van 2003 bracht The Daily Mirror zijn verhaal ; het haalde de koppen van alle kranten en tv-journaals in de wereld. Zelf weigerde hij elk interview. Na maandenlang aandringen maakte hij één uitzondering.
Humo 2004 © Jan Hertoghs
Bron: Daily Mirror
“Hé, dat is dezelfde mevrouw die op de bankbiljetten staat!”
Parry hoorde bij de directe entourage. Hij diende ontbijt en koffie op, reed achterop gulden koetsen en liet ook de koninklijke schoothondjes uit. Hij heeft na zijn eigen relaas nooit een interview toegestaan, ook niet aan de Britse pers, maar na maanden aandringen zit hij -exclusief- in dit Londens hotel. We drinken lager, praten over zijn club Manchester United en natuurlijk over zijn avontuur in Buck Palace. Hij zag niet alleen hoe tien mensen nodig zijn om haar namiddagthee te serveren, hij kan het ook navertellen dat hij een bankbiljet en een postzegel in levende lijve heeft gezien.
Speelde je al lang met het idee om Buckingham Palace te nfiltreren?
"Helemaal niet. Het idee is me komen aanwaaien. Ik had vorige zomer een undercover reportage gemaakt in Wimbledon, ik had het op een heel simpele manier tot persoonlijke escorte gebracht van topspelers als André Agassi en de zusjes Williams, en dat verhaal had heel wat stof doen opwaaien in de media en in de sportwereld. Je wordt er ook op aangesproken door collega's, en zo kwam onze royalty reporter Jane Kerr met de vraag of ik al eens op de website van Buckingham Palace had gekeken? Ze had vacatures gezien voor allerlei huishoudpersoneel, en ze dacht dat het iets voor mij kon zijn. Ik was stomverbaasd. Je verwacht vacatures voor tuinmannen en suppoosten, jobs die vér van de royals af staan. Maar nee, ik zag dat ze evengoed butlers, chauffeurs en lakeien vroegen, personeel dat van heel dichtbij met de koninklijke familie te maken heeft.
En dat stond zomaar onder het kopje: Personeel Gevraagd?
«De website is in feite bedoeld voor toeristen die alles willen weten over de geschiedenis van het paleis, de bezoekuren, en hoe je er geraakt met de metro. Maar er is ook een balkje Recruitment en toen ik dat aanklikte zag ik al die jobomschrijvingen staan met de kwalificaties die nodig waren. Het zag er prachtig uit, met mooie foto's van hoe het personeel erbij liep in dat uniform, en wervende beschrijvingen van wat ze de hele dag deden (De vacatures waren toen te vinden op de site www.royal.gov.uk)
Iedereen ter wereld kan dat inkijken en solliciteren? Of zijn de jobs alleen voor Britse staatsburgers?
«Iedereen kan solliciteren! Toen ik er was, ben ik een Nederlander en een Canadees tegengekomen.
Viel je meteen op die job van footman (=lakei)?
«Ja, omdat ik wist dat een lakei in close contact komt met de koninklijke familie. Tegelijk vond ik dat natuurlijk hoog gegrepen, want waarom zouden ze mij aannemen? Er zouden nog hopen kandidaten zijn. Ze zouden mij wel heel gauw ontmaskeren. Och, ik kon wel honderd redenen verzinnen waarom ik de job niét zou krijgen, maar ik heb toch maar geprobeerd. Ik heb de sollicitatie online ingevuld en twee dagen later kwam er al een telefoontje van het paleis om me uit te nodigen voor een gesprek.
Bron: Daily Mirror
Heb je je daarop voorbereid? Heb je met ex-personeel gesproken om zo goed mogelijk aan het profiel te beantwoorden?
«Ik heb met niemand gesproken, zelfs niet met collega Jane Kerr. Mijn filosofie bij zo'n undercoverwerk is: keep it simple. Je hoeft je niet anders voor te doen, je hoeft geen scenario in elkaar te boksen van wat je best zou zeggen en hoe je je best kan gedragen, want dan maak je het lastig voor jezelf. De enige gedachte moet zijn: ik zou die job heel graag doen, en dat moet van je afstralen. Ik moest natuurlijk wel verbergen dat ik vier jaar journalist was geweest, dus heb ik opgegeven dat ik de voorbije vier jaar als office manager in een verfbedrijf had gewerkt. Wat niet zo'n grote leugen was, want dat verfbedrijf is van mijn vader (lacht).
Je vader zat mee in het complot?
«Niet helemaal. Toen ik hem vroeg of ik zijn bedrijf als cover mocht gebruiken, was hij niet bepaald enthousiast, maar hij liet me doen zolang ik maar niemand van zijn bedrijf als échte referentie-persoon liet opdraven. Ik heb dan een manager verzonnen die ze konden opbellen op een gsm-nummer. Dat gsm-nummer was van mij, ik had het op voice mail ingesteld, en van zogauw er telefoon binnen liep van het paleis, schakelde ik een andere reporter in en die belde dan terug als "manager van het verfbedrijf". Maar het paleis moest niet veel van 'm weten, ze vroegen alleen om een standaard- referentieformulier in te vullen, en dat was het dan.
Cafépraat
Je had een referentie. Je was zogezegd kelner en bar manager geweest van een pub in Anglesey (North Wales). Maar in werkelijkheid had je daar als jobstudent de lege glazen naar de toog gedragen. Had je die pub gebrieft dat er telefoon kon komen?
«Helemaal niet. Maar ik wist dat de pub enkele jaren tevoren een andere eigenaar had gekregen, dus ik rekende erop dat ze daar zouden zeggen "het kan zijn dat die Parry hier gewerkt heeft, maar we weten het niet". Die scène in het café moet echt lullig zijn geweest. Op een dag belt een dame van de personeelsdienst van het paleis, ze vraagt of iemand mij daar kent, en het meisje achter de toog heeft dan door het café geroepen "of iemand Ryan Parry kende"? Aan de toog zat een klant die mij toevallig kende, die heeft dan aan de telefoon verklaard dat hij me kende, en dat was het. Meer hebben ze niet gevraagd!
Ben je al terug geweest in de "Parciau Arms"? Heb je die klant nog gesproken?
«Toen het verhaal in alle kranten stond, heb ik gebeld om te weten wie het was en als ik deze zomer mijn familie bezoek in Anglesey, ga ik die gast zeker en vast trakteren.
Je hebt ook een docent van de univ in Manchester als referentie opgegeven. Was het een echte docent of een falsaris?
«Een echte. Hem heb ik wel gebrieft. Ik zei hem dat hij over mij als student mocht vertellen maar dat hij vaag moest blijven over de studierichting die ik gevolgd had. Hij mocht dus niet zeggen dat ik journalistiek had gestudeerd (lacht). Maar het paleis heeft hem nooit gebeld. Nog sterker. Mijn ene docent ging met vakantie, dus ik moest een tweede briefen. En hém hebben ze een referentieformulier gestuurd en hij heeft daarop -per ongeluk maar naar waarheid - geschreven dat ik sociologie en media had gestudeerd. Terwijl op mijn CV stond dat ik sociologie en management had gestudeerd. Ze hadden het dus zwart op wit, maar ze hebben het niet eens opgemerkt.
Later is gebleken dat de personeelsdienst van het paleis alleen maar op het Internet hoefde te kijken om je als journalist te ontmaskeren. Zijn ze bij de jobinterviews dan nooit achterdochtig geweest?
«Nee. Want voor hen zat iemand die er deftig uitzag, en die enthousiast was over de nieuwe job die hem mogelijk te wachten stond. Ik had ook weinig of niets te verbergen. Oké, ik was journalist. Maar ik héb in een pub gewerkt, ik kén iets van service en omgaan met klanten. En ik héb ook in het verfbedrijf van mijn vader gewerkt, ik weet dus hoe die business in elkaar zit. Kortom, ik heb daar niet botweg zitten liégen. En voor de rest was alles correct: mijn naam, geboortedatum, naam van mijn ouders, naam van mijn vriendin. Ja, ook dàt moest ik opgeven en dat was meteen een "alibi" voor mij. Ik zei dat ik een job in Londen zocht omdat mijn vriendin daar was gaan wonen en ik dichter bij haar wilde zijn. Dat klonk als de perfecte uitleg voor mijn carrièrewissel.
Bron: De Morgen
Fuck off!
Spookte dat niet in je achterhoofd terwijl je solliciteerde: eigenlijk ben ik reporter!
«Nee. Ik ben op dat ogenblik honderd procent Ryan Parry die lakei wil worden en daarom kom ik ook geloofwaardig over. Die mensen moesten mij trouwens niet ontmaskeren, die moesten inschatten of ik in aanmerking kwam om een toegewijde lakei te zijn. En volgens hen kwam ik in aanmerking, maar ze zegden wel: "Het kan nog zes weken duren eer je mag beginnen want nu gaan ze een security check op je doen". Dàt was een zenuwslopende periode, want ik wist dat mijn dossier zes weken bij de Royal Protection Unit van Scotland Yard ging liggen. Maar ook zij hebben alleen maar gecheckt of ik een blanco strafregister had en of ik nergens "gelinkt was met terroristische activiteiten", en daarna hebben ze mee het licht op groen gezet. Dat was toch wel pover van ze om alleen mijn gerechtelijk verleden te checken. Je kan iemand toch ook checken op zijn kredietwaardigheid ?! Neem dat ze mij twee minuten financieel hadden doorgelicht, dan hadden ze direct gezien dat ik op de loonlijst van The Daily Mirror stond.
Toen je door de personeelsingang van het paleis binnen stapte, riep heel je binnenste dan yes!yes!yes! ?
«Zo triomfantelijk voelde ik me niet. Ik zie me daar nog in mijn kamertje arriveren met mijn kleine tv en cd-speler, en mijn eerste gedachte was: Oh my God, what am I doing?! Maar de volgende dag ging de bal gewoon aan het rollen. Ik ben op een zondagavond aangekomen en op maandag kreeg ik the grand tour of the palace. Dat was héél surrealistisch. De week tevoren ben je nog het burgermannetje dat op een krant werkt en ineens loop je daar door de koninklijke vertrekken, je ziet de slaapkamer van de Queen en van de rest van de familie, je ziet hun badkamers, hun privé-zwembad, maar ook de massieve kelders, de grote keuken, het voorraadmagazijn, een hele hoop plaatsen die de royals misschien zelf nog nooit van binnen gezien hebben. Dat was fascinerend. Net zoals de eerste keren dat ik de Queen daadwerkelijk in haar kamer had gezien. Ineens drong het tot mij door: hé, dat is dezelfde mevrouw die op de bankbiljetten staat. Haar portretje zit in mijn portefeuille (lacht)!
Heb je daar lang rondgelopen met dat "Alice in Wonderland"-gevoel?
«Nee, ik was daar heel gauw op mijn gemak, ik had heel vlug zoiets van: oké, ik ben nu lakei, zeg maar wat ik moet doen vandaag. En zo ben ik in die dagelijkse routine gerold. Als lakei is onze taak: ter beschikking staan van de koninklijke familie. Of het nu om koffie, kranten of het opdienen van het ontbijt gaat. We dienden ook niet alleen Queen Elizabeth en haar man prins Philip, in die koninklijke vertrekken wonen ook nog: prins Andrew (de ex van "Fergie",jh) , prinses Anne, de earl en gravin van Wessex, en prinses Alexandra ,een nichtje van de Queen. Ik zat dus letterlijk met mijn neus op de royals.
Hoe stond het personeel tegenover hun koninklijke broodheren? Waren ze uiterst loyaal of ook sarcastisch en cynisch over dat soort feodale besteding van belastingen?
«Praktisch iedereen die daar werkt, is royalist en heeft een diep respect voor de koninklijke familie. Het zijn mensen die de royals echt willen diénen. Maar af en toe hoor je natuurlijk wel wat schampere opmerkingen. Vooral prins Andrew werd gevreesd omwille van zijn hoekig karakter én zijn ochtendhumeur. Als ze bij hem 's morgens de gordijnen open trekken, dan krijgen ze al eens een "fuck off, I'm sleeping!" toegebeten. En ook prinses Anne kan uit de slof schieten. Een hoofdlakei die zich in iets vergist had, kreeg "you fucking incompetent twat (="jij verdomde lompe zak") uit haar koninklijke mond te horen. Het zijn ook maar mensen natuurlijk.
Bron: Daily Mirror
Tupper Class
Was het makkelijk werken als reporter?
«Ja. Ik ik moest gewoon mijn ogen en oren de kost geven en àlles wat ik zag en hoorde, was great copy. Als lakei heb je altijd een blocnootje bij je, dus ik kon tussendoor wel wat korte notities maken. 's Avonds schreef ik die uit en de tekst stuurde ik met de post naar mijn flat. Ik heb nooit tekst laten slingeren op mijn kamer, ik wilde het risico niet lopen dat ze me betrapten. En wat de foto's betreft, ik heb acht weken rondgelopen met een kleine digitale camera in mijn bovenzakje, dat "derde oog" heeft ook heel veel gezien. Om nog meer bewijsmateriaal te hebben, maakte ik per gsm soms afspraken met een fotograaf van de Mirror. Ik zei hem op welk tijdstip ik op het balkon van het paleis zou staan, en dan stond hij tussen de toeristen om foto's van mij te maken.
Op sommige foto's sta je ook achterop een vergulde koets!
«Dat was een fantastische belevenis, en als beginnende lakei krijg je die gelegenheid maar eens om de zoveel weken. Er is dan een audiëntie waarvoor je VIP's moet oppikken en wij hadden de ambassadeur van Portugal aan boord. Je draagt dan een soort gala-livrei: een zwarte hoge hoed met goudbrokaat en een prachtige scharlakenrode mantel om de schouders, en zo rij je langs rijen en rijen van honderden toeristen, je hoort ze opgewonden praten, je ziet al die camera's die op je gericht worden... ik zit nu in honderden fotoalbums over heel de wereld (lacht). En natuurlijk zoemt het dan in je hoofd, if only they knew!
Als lakeien moesten jullie de tafel steeds in eenzelfde patroon dekken: elk bordje, potje, lepeltje heeft zijn gemillimeterde vaste plaats.
«De oudere lakeien kennen dat patroon vanbuiten, maar als nieuweling krijg je een soort lastenboek in handen waarin al die handelingen tot in het detail beschreven staan.
Was je niet verrast dat de Queen en prins Philip hun cornflakes en suiker uit Tupperware-potjes scheppen?
«Op het moment dat ik die foto nam, enkele minuten voor ze aan tafel zouden gaan, was ik meer begaan met de kwaliteit van de foto dan met de kwaliteit van het tafelgerief (lacht). Maar ik merk nu wél dat dàt detail het meeste ophef veroorzaakt omdat het zo onverwacht doordeweeks is. De Queen heeft Tupperware op d'r tafel! Onze concurrent The Daily Mail heeft die ene foto van ons gekocht: veertigduizend pond (= ca 6O.OOO euro of 2,4 miljoen Bfr) hebben ze ervoor betaald om dat Tupperware-stilleven op hun cover te kunnen zetten.
Koffie komt zo!
Je bent dicht bij haar geweest, maar je hebt wel niet met de Queen gesproken.
«Dat voorrecht komt toe aan haar persoonlijke kamerdienaar. Ik liep door de gang waar de koninklijke vertrekken zijn, ik kon haar zien, ik kon haar horen spreken en telefoneren, maar als lakei sta je op de tweede rij. Wij moesten er gewoon voor zorgen dat het de royals aan niets ontbrak. Als de koningin een krant wilde, dan ging ik 'm halen in de postkamer en dan gaf ik 'm aan de kamerdienaar, en hij gaf dat dagblad dan aan haar. Dat was de regel. Op haar weekendverblijf Windsor Castle hebben we ooit twee en een half uur lang met tién man personeel zitten wachten om haar afternoon tea te serveren. Het gaat 'm dan om een zilveren koffiepot met wat koekjes en scones, maar die gaat ze natuurlijk zelf niet halen. Wij waren daar paraat met twee keukenchefs om de koffie te maken en de koekjes te bakken, twee butlers die instaan voor het servies en het zilverwerk, één meid om de koffie van de koffiemachine in een zilveren thermos te gieten, twee knechten om de koffie en de koekjes uit de keuken te dragen, en dan pas was het aan ons. Een andere lakei en ikzelf moesten twintig meter stappen om alles tot aan haar kamer te brengen en dan nam de kamerdienaar het over. Hij deed acht stappen met het dienbord en hij schonk de koffie effectief in haar kopje. Zelfs de geringste handeling vergt een vloot aan personeel.
Het paleis staat in het centrum van Londen, maar had je het gevoel in een andere tijd te leven?
«Completely! Het is een andere tijd, een andere wereld, een andere planeet. Soms moest ik drie dagen aan een stuk daar zijn, je werkt, je gaat slapen, je werkt opnieuw, en als je daar dan buiten stapt, dat is een schok. Die moderne buitenwereld lijkt wel lichtjaren daarvandaan.
De koningin lijkt anders wel oog te hebben voor die buitenwereld. Soms zit ze vanuit het venster naar de duizenden toeristen te kijken.
«Dat is in Windsor Castle. Daar is één kamer waarvan één klein venster uitzicht geeft op de hekkens en soms gaat ze daar inderdaad in de zetel zitten om naar "haar" toeristen te kijken. In Windsor Castle moest ik haar tv-hoekje installeren, de afstandsbediening steeds links van de zetel, en daar zag ik ook welke tv-programma's ze volgt. Op zaterdagavond keek ze achtereenvolgens naar de populaire soap EastEnders, dan naar The Bill, een politiefeuilleton, en tenslotte naar Kirsty's Home Videos. Dat laatste is een nogal platte vertoning, met amateurs die allerlei stoten uithalen voor de camera, broek afsteken, bloot gat laten zien en zo (lacht). Ja, niets menselijk is haar vreemd.
(ingescand uit Humo/ Daily Mirror)
De voetbalploeg van het paleis
Een Frans magazine bracht het verhaal onder de titel: welkom in Buckingham Palace, waar het personeel behandeld wordt als honden, en waar de honden behandeld worden als koningen.
«Je wordt natuurlijk niet behandeld als een hond, maar het is wel correct dat je een karig loon krijgt om twaalf uur per dag te werken (Het bruto bedrag is 11.880 pond per jaar en na afroming van kost en inwoon blijft er nog 9.338 pond over. Dat komt ongeveer neer op een goeie 46.000 fr per maand, = 1150 euro). Die inwoon is niet om over naar huis te schrijven: het is een kamer in Engels-Spartaanse stijl met enkel een bed, een kast, een schrijftafel en een lavabo. Douches en toilet zijn gemeenschappelijk en bevinden zich op de gang.
Dat die honden als royals behandeld worden, dat klopt wel. Ik zei je dat de koningin 's namiddags van warme scones houdt. Wel, die scones zijn niet voor haar, ze breekt ze gewoon in stukken en ze voert ze aan haar corgi's die kwispelstaartend onder de tafel zitten. Dat is natuurlijk wel schabouwelijk dat twee keukenchefs daarvoor hun uiterste best hebben moeten doen.
Je staat ook op een foto terwijl je die honden uitlaat.
«Dat was eigenlijk de taak van de speciale hondenknecht. Maar hij heeft me een keertje laten doen en ik heb dan aan een collega-lakei gevraagd om een fotootje van mij te nemen.
Vond die collega dat niet verdacht?
«Ik zei dat het voor mijn moeder was (grijnst). Dat begrepen ze best: toen zij d'r pas waren, hadden ze ook een fotootje voor thuis laten nemen. En ja, ik heb me wel schuldig gevoeld dat ik die collega bedroog en dat het niet voor mijn moeder was maar voor de cover van de krant. Als ik in die privé-vertrekken foto's stond te maken, dacht ik anders, dan dacht ik: het is voor jullie eigen goed, al wat ik hier doe is bewijzen dat jullie veiligheid een zeef is. Was ik een terrorist, dan had ik een bom kunnen planten, of vergif in hun eten kunnen doen, ze waren gewoon heel kwetsbaar.
Personeel loodst soms vrienden en familie binnen om stiekem een kijkje te nemen.
«Dat klopt. En zo raken die bezoekers wel eens op plaatsen waar het niet mag, maar bezoek is op zich wel toegelaten. Sommigen wonen daar immers maanden aan een stuk, het is hun thuis, en dus mogen ze bezoekers vragen. De procedure is dat je hun naam vierentwintig uur van tevoren opgeeft zodat ze gescreend kunnen worden. Maar ik vernam dat de veiligheidsdiensten van het paleis en van Windsor Castle haast niemand screenen en dat ze gewoon voortgaan op de goeie reputatie van de aanvrager. Maar stel dat zo'n butler of lakei zich laat omkopen, dan hou je toch opendeur voor terroristen?! Al die bezoekers die er kwamen, werden ook niet gefouilleerd, er was zelfs geen detector, dus wapens binnenbrengen was een koud kunstje. Ja, die laksheid in verband met bezoekers was misschien wel de grootste lacune in de veiligheid.
Het paleis telt meerdere honderden werknemers. Maar is het ook een echte werkvloer met feestjes, geroddel...
«Och ja, d'r cirkuleerden verhalen over nachtelijke booze parties, over zat worden, over personeel dat had liggen vrijen in de sjieke zalen waar de recepties en de audiënties gehouden worden. Dat paleis is als een groot bedrijf met veel verschillende mensen die er werken: lakeien, butlers, meiden, knechten, onderhoudstechnici, hoveniers, militairen, politiemannen; dan zijn er nog de conservators, de gidsen voor de toeristen, de suppoosten, de ticketverkopers, de voorlichtingsdiensten. Er is zoveel personeel dat ze zelfs een voetbalploeg hebben: ik heb nog met ze meegespeeld!
Ze heten toch niet The Royal Buckingham Palace FC?
«Nee, ze heten The Royal Household FC en ze spelen op een terreintje nabij Kensington Palace. Het gekke is dat ze in zo'n liefhebberscompetitie zitten met allemaal ploegen die verbonden zijn aan kroegen en fish & chips-shops. Dus ik denk niet dat de Queen ze al heeft zien spelen.
CIA voor schut
Ingescand uit Humo/ Daily Mirror
Je had de job zo snel te pakken omdat er een groot verloop van personeel is. Waaraan ligt dat verloop?
«Sommige zitten daar "voor het leven". Maar de meesten houden het na enkele jaren al voor bekeken. Dat ligt deels aan het lage loon en de lange uren, maar anderzijds is het ook een springplank naar een betere job. Als je op je CV kan schrijven dat je in Buckingham Palace hebt gewerkt, sjonge, dan gaan de deuren voor je open. Zeker in de States of in de Arabische emiraten, daar hebben ze genoeg rijk volk wonen dat flink wil betalen voor een butler of hovenier "van de Queen".
Je schrijft: I was walking into the heart of the British monarchy. En je bent echt de alleréérste sinds eeuwen om daar te infiltreren en foto's te maken. Denk je dan bij jezelf: nu schrijf ik geschiedenis?
«Nee, zo "historisch" zag ik dat niet. Ik besefte wel dat het een wereldwijde scoop kon zijn, maar ik besefte evengoed dat het slecht kon aflopen. Zo heb ik de eerste twee weken voortdurend met de schrik gezeten om betrapt te worden. Het was niet zozeer de vrees dat de politie me zou komen arresteren, dan wel de angst om met té weinig materiaal naar huis te moeten komen en geen big story te hebben. Maar na die twee weken had ik genoeg stof, en toen kwam op de koop toe het bericht dat Bush naar Buckingham Palace ging komen. Dat wisten we niet vooraf, maar dat was voor ons de kers op de taart natuurlijk. Je zag het al in de headlines : the president of the Free World en in zijn buurt: Onze Reporter! Toen ik begon, dachten we aan een maximum van drie weken verblijf, maar omdat Bush ging komen ben ik nog eens vijf weken extra gebleven.
Waarom ben je niet gebleven terwijl Bush dààr was?
«De hoofdredactie vond het niet opportuun omdat de story dan pas zou gepubliceerd zijn na het vertrek van Bush. Nu ben ik gebleven tot op het laatste moment en nu konden we het uitbrengen terwijl Bush nog in het land was. Door zijn aanwezigheid kwam het verhaal in een nog scherper daglicht te staan. Later heeft de politie die me verhoorde gezegd dat ik er heel goed aan heb gedaan om te vertrekken. Was ik gebleven en was ik in de buurt van Bush geraakt, dan had ik niet alleen de Britse veiligheidsdiensten maar ook de CIA voor schut gezet. Want zij hadden zogezegd al het personeel gescreend. Als je ze dan zo in de zeik zet, sjonge, de CIA zou razend zijn geweest. Ik was zeker op een zwarte lijst gekomen van terroristische figuren wat maakt dat je in Amerika en in een pak andere landen nooit meer binnen mag.
Condeleezza en Colin
Die logeerpartij van Bush heeft nogal wat geld gekost.
«Het kostte iets van een 6OO miljoen Bfr (15 miljoen euro) om president Bush en zijn gevolg drie nachten in het paleis te laten logeren. Het was de duurste security operation sinds de Tweede Wereldoorlog. Dan zou je toch verwachten dat ze ook het personeel extra screenen, maar nee, dat is niet gebeurd. Rond het paleis zijn vijfduizend Britse agenten ingezet, maar wie binnen in het paleis zit, daar hebben ze geen oog voor. Dat is toch wel erg naief. Hoe dan ook, enkele dagen voor Bush en Laura in the Belgian Suite (!) zouden logeren, heb ik nog foto's genomen van dat interieur. En ik wàs ook nog in het paleis toen de Bushkaravaan arriveerde. Het was een dinsdagavond om negen uur, ik stond in één van de koninklijke eetkamers, het was er compleet donker, en daar heb ik achter een gordijn gestaan van een raam dat uitzag op de Royal Garden. Die tuin baadde in het licht van de schijnwerpers en overal zag ik de Metropolitan Police paraat staan met de machinegeweren in aanslag. Eerst landde er een geweldige helicopter met zeker dertig figuren in maatpak aan boord, dat was duidelijk de secret service, ik zag hoe ze zich in een kring verzamelden en commando's kregen waar ze moesten post vatten. De volgende heli was die van Bush zelf, ik zag hoe de president en zijn vrouw uitstapten en hoe ze begroet werden door de Queen en prins Philip. Dat gebeurde vlàk onder mijn raam! Dàt was zo'n moment... de haren op mijn rug kwamen overeind, ik had ineens schrik. Wàt als ze me nu betrappen! Een indringer, en zo dicht bij de topfiguren van de wereldpolitiek! Ik ging er van trillen op mijn benen.
Tegelijk stond ik toch nog tekstjes te sms-en naar de redactie. En dat was ook al zo vreemd. De CIA had zogezegd voor een communication blanket gezorgd, wat betekent dat ze alle telefoonverkeer zouden scramblen zodat terroristen geen bommen konden detoneren via telefoonsignalen. Maar terwijl Bush daar arriveerde, kreeg ik van de redactie sms-oproepen om te vertrekken, get out now!!!!! Zelf zat ik ook nog zinnetjes te sms-en die op de valreep in het artikel moesten; er was dus geen sprake van zo'n blanket!
Wanneer ben je dan opgestapt?
«Toen mijn dagtaak erop zat. Ik wilde niet halsoverkop weglopen van een post die ik twee maanden bemand had. Als lakei was ik die avond immers van dienst. Ik moest hapjes en drankjes serveren aan de directe staf van Bush, aan mensen als veiligheidsadviseur Condeleezza Rice en staatssecretaris Colin Powell, en dat heb ik ook gedaan. Daarna moest ik nog een stapel koffiekoppen opruimen en dan pas ben ik naar mijn kamer gegaan om in te pakken.
Enig royaal souvenirtje meegenomen? Zeepje? Handdoekje?
«Het jeukte wel, maar ik heb niks meegenomen. Tenzij een paar luciferdoosjes met het koninklijk logo erop. Dat is geen diefstal, die delen ze uit aan hun gasten.
Bron: Daily Mirror
Wereldscoop
Je verhaal heeft de krantenkoppen en de tv-journaals van de hele wereld gehaald.
«Ja, iedereen sprak erover. Een vriend die op vakantie was in Las Vegas belde me op: "Ryan, wat heb je allemaal uitgestoken, kerel? Je bent op Fox News!" En een fotograaf die in Basra zat belde ook al: "Man, je bent hier in heel Irak op de nieuwsberichten!" Ja, dat was natuurlijk fantastisch dat je verhaal zo rond de wereld reist. Bijna nergens waren er negatieve reacties. De enige die benepen deed was Clive James! Ik dacht dat hij gevoel voor humor had, maar in een talkshow noemde hij me een "enge leugenaar".
De publicatie in de Mirror is na twee dagen stopgezet.
«Dat gebeurde met een bevelschrift van de High Court dat de koningin had afgedwongen. Ook dat was een primeur, nooit eerder had de Queen via zo'n snelprocedure een dagbladpublicatie kunnen stopzetten. Voor ons kwam dat verbod heel gelegen. Wij hadden ons beste kruit verschoten in die twee dagen, we konden de story alleen nog maar wat zitten uitmelken, maar door dat bevelschrift haalden we zonder moeite opnieuw de headlines, en dat was fijn meegenomen!
De Mirror moest wel anderhalf miljoen Bfr aan proceskosten betalen.
«Dat kon ze geen donder schelen na de wereldwijde reclame die ze drie dagen lang hadden gehad.
De krant heeft zevenentwintig bladzijden tekst en foto's gepubliceerd, maar als je daar twee maanden bent, moet er toch meer stof zijn. Of zijn er dingen die je niet durfde publiceren?
«Er zijn enkele dingen die te privé zijn en die ik voor mezelf ga houden. Ik had ook nog wat meer gemene dingen kunnen schrijven over de staf van het personeel, en hoe bot ze hun "voetvolk" behandelen. Sommige van die stafleden beschouwen zichzelf als "royals", zo hoog hebben ze het op.
Is er niemand ontslagen van de personeels- of veiligheidsdienst? Want je hebt ze met naam en functie vermeld in je artikels.
«Heel wat mensen zijn op het matje geroepen en verhoord, en sommigen hebben ook vermaningen gekregen dat ze ontslag riskeerden, maar niemand is de laan uitgestuurd. Premier Blair heeft wel een onderzoekscommissie gevorderd en enkele weken geleden is dat rapport bekend gemaakt. Vanaf nu wordt de inlichtingendienst MI-5 bij de sollicatie betrokken, en er is ook een nieuwe functie gecreëerd van veiligheids-supervisor die zicht heeft op àlle veiligheidsaspecten van het paleis. Het artikel heeft dus wel degelijk wat veranderd.
On behalf of Her Majesty
In je artikels schrijf je om de haverklap dat het om de lacunes in de veiligheid gaat, en dat klinkt heel serieus. Maar op de keper beschouwd is het gewoon een lekker verhaal hoe iemand zich daarbinnen liegt en het privéleven van die royals in de etalage zet.
«Dat is me al meer gezegd. Kijk, je zou over die manke veiligheid kunnen schrijven zonder de ontbijttafel te fotograferen of met de hondjes te wandelen. Dat kan best. Maar! Je zou ook niks over de veiligheid kunnen schrijven en alleen maar sappige verhalen opdissen over hoe nurks die Andrew wel is, en over die honden die koekjes zitten te schrokken onder de tafel van de Queen. Ik denk dat ik de goeie middenweg heb gevonden tussen trivia en echt nieuws. En misschien zijn die foto's van de slaapkamers en de badkamers erover, maar ja, ik werk nu eenmaal voor een boulevardkrant. Wat er ook van zij, ik denk niet dat we het koningshuis geschaad hebben, we hebben ze gewoon een menselijk gezicht gegeven.
Hoe denk je zelf over de monarchie?
«Wat moet ik zeggen? Ik heb de royals hard zien werken en tegelijk heb ik al die mondaine diners en recepties gezien die niet meer bij de tijd lijken te horen. Moet het daarom afgeschaft worden?! De meerderheid van de Britten ziet het als een deel van de maatschappij, het koningshuis is een uithangbord van ons land, dus laat ze maar blijven. Al was het maar om al het toerisme dat ze op gang brengen.
Met dat Buckinghamverhaal had de Mirror een wereldwijde hit. Kreeg jouw carrière ook een boost?
«Ik werkte nog maar drie jaar bij de Mirror, ik was eigenlijk nog trainee en ineens werd ik op het bureau geroepen van de grote baas van het concern, dat was wel de grootste "onderscheiding" die je in ons bedrijf kan behalen.
Maar dé verrassing heb ik beleefd met de gerechtsdeurwaarder die het bevelschrift kwam overhandigen waarin stond dat mijn dagblad en ik met alle teksten moesten stoppen. Het was halftwaalf, ik zat in mijn onderbroek en t-shirt voor televisie, ik ging bijna slapen, toen er aangeklopt werd. Ik doe voorzichtig open en daar stond een wat oudere man in een deftig kostuum die plechtig zijn keel schraapte: On behalf of Her Majesty the Queen I hereby serve you with this injunction, en dan nog wat blabla. En toen hij gedaan had, gaf hij me ineens een stevige hand en zei in onvervalst cockney: By the way... off the record... great job! Well done!!"
NASCHRIFT: Mijn àndere herinneringen aan de Queen
Toen de Queen in 1977 haar zilveren troonjubileum vierde, was dat niet toevallig ook het jaar dat de Sex Pistols uitkwamen met “God save the Queen / The fascist regime”. Elisabeth kwam die zomer ondermeer op jubileum-bezoek in Belfast. De massale republikeinse rellen en betogingen tegen haar aanwezigheid heb ik van dichtbij meegemaakt. Wij waren met de jeugdbeweging op "ervaringskamp" in West-Belfast, en die twee weken hebben me nooit meer losgelaten. Inzoverre dat ik 5 jaar actief was in de " Werkgroep Ierland" die werkte rond de schending van de mensenrechten en de Britse "bezetting" van Noord-Ierland. Eind 1980 begon de eerste hongerstaking van de republikeinse gevangenen om als pôlitieke gevangenen behandeld te worden. De maand tevoren bezocht Queen Elisabeth de NAVO en Brussel. Met een 80-tal actievoerders uit Antwerpen, Gent en Brussel (daaronder een aardig stel punkers) hebben we haar bezoek aan de Brusselse Grote Markt in de verf gezet. Met rookpotten, stinkbommen, 3000 strooibriefjes, het verscheuren van een Union Jack (die niet wilde branden) en 19 arrestaties. De rookwolken waren een headline op het BBC-tv-nieuws en de limousine van de Queen is tien minuten opgehouden: een geslaagde inbraak op het rigoureuze Britse protocol.
In 2022 wordt Elisabeth voorgesteld als het-zich-steeds-om-iedereen-bekommerende Grootmoedertje Engeland, maar in de jaren '80 was ze nog een onwrikbaar symbool van Rule Britannia Rule. Van het koningshuis ging nooit enige mildheid uit naar het lot van bijvoorbeeld de stakende Britse mijnwerkersgezinnen of het lot van de tien gestorven hongerstakers in de Noord-Ierse gevangenis (met onder hen: Bobby Sands, een verkozen parlementslid). Uit niets kon je toen opmaken dat ze enig voorbehoud maakte over de harde lijn van Margaret Thatcher (de neo-liberale rauwdouwer die een ongezien snelle heiligverklaring kreeg na haar dood).
Nu wordt Elisabeth voorgesteld alsof ze het vredesproces inleidde door in 2011 de republiek Z-Ierland te bezoeken. Daarbij moet gezegd dat ze pas 13 jaar na het Goede Vrijdag-vredesakkoord die stap zette. En dat het vorige bezoek van een Britse monarch aan Dublin toen al honderd jaar geleden was. Van bekommernis gesproken.
Op de rug gezien: de latere journalist (jh) die toen nog zelf nieuws moest maken
<w> De jutter van de smeltende gletsjer
Gletsjers zijn ijsgraven die pas na tientallen jaren hun geheime doden prijsgeven. In de Alpen zouden zo'n 300 vermiste personen begraven liggen. Door de klimaatopwarming komen deze 'geheimen' nu snel naar boven. De ontdekking van Oetzi, de Ijsman (een lijk dat van 3300 jaar voor Chr dateert) is de bekendste "klimaatvondst" in de Alpen.
Alleen al deze zomer zijn de stoffelijke overschotten van bergwandelaars uit de jaren '70 en '80 gevonden. Een berggids vond ook de brokstukken van een vliegtuig dat in 1968 was neergestort boven de Zwitserse Aletsch-gletsjer.
De gletsjer die nog het meeste moet "blootleggen" is de grote gletsjer onder de top van de Mont Blanc. In 1950 en in 1966 crashten hier toestellen van Air India: slechts enkele van de 165 doden konden geborgen worden. De andere stoffelijke resten en de duizenden wrakstukken verdwenen in sneeuw en ijs.
In 2015 sprak ik Josée De Vérité (geen pseudoniem!). Zij is alpiniste en verzamelt al twintig jaar wrakstukken in de Mt Blanc-gletsjer om er een travail de mémoire en kunst mee te maken. Ze noemt zich expressioniste glacière.
“Als ik menselijke resten vind, begraaf ik ze nog dieper in het ijs.”
© Jan Hertoghs Humo 2015 (ingekort)
© Jan Hertoghs
“Hij was ontroerd. Hij hield dat stuk metaal zo innig vast alsof het zijn verongelukte broer was.”
Vanuit haar huis en tuin kijkt Josée De Vérité (63) over de vallei en op het efemere blauw van de Glacier des Bossons, een onbeweeglijke waterval, een ijsveld dat zich uitstrekt tot op de top van de Mont Blanc (4810 m). Haar atelier is een bescheiden houten tuinhuis, met tegen de wand een buidel wrakstukken, haar 'oogst' van vorig jaar. Wat ze opdiept, knarst als oud ijzer: een stuk uitlaat, driekwart patrijspoort, een deel van een radiator, en veel ondefinieerbaar aluminium, uit rompen en vleugels losgescheurd.
De brokstukken zijn afkomstig van twee vliegtuigcrashes. Op 3 november 1950 crashte een Lockheed Constellation van Air India (balans: 48 doden), en op 24 januari 1966 crashte een Boeing 707, ook van Air India (117 doden). Twee keer dezelfde luchtvaartmaatschappij, twee keer dezelfde plek, honderd meter onder de Mont-Blanc-top. De crash van 1966 was toen één van de zwaarste in de geschiedenis van de luchtvaart. Vermoed wordt dat de piloot de landing naar het vliegveld van Genève al had ingezet, terwijl hij door de dichte sneeuw niet zag dat hij nog een bergkam moest passeren. De ontelbare brokstukken van die crash lagen over honderden meters van de noordflank verspreid: ze zijn in die jaren nooit geborgen, enkel langzaam afgevoerd door de gletsjer.
Kijk naar die krassen en plooien, zegt ze, "dat zijn de littekens van de botsing tegen de bergwand. En van het dalwaarts schuiven van de gletsjer. Die schramt en schuurt, die plooit en breekt, die laat ook zijn littekens na." Het gletsjerijs heeft een art brut uitgeoefend op dat metaal, en nadien voegt zij er "haar expressie aan toe". Haar eerste vondst deed ze in 1994.
Josée: "Al klimmend op de gletsjer trapte ik op zo'n stuk metaal. Het zag er oud uit, als een verdwaald stuk ijzer dat ze terugvinden van 14-18. Ik heb het in m'n rugzak gestopt, en aan een berggids laten zien en hij wist van die crashes, en zo ben ik alles daarover beginnen lezen. Wat me al vroeg verwonderde, was dat er voor al die slachtoffers maar één klein monumentje is (in Saint-Gervais-les-Bains-Le Fayet). Zo is die gedachte ontstaan om met die wrakstukken een travail de mémoire te beginnen. Die 165 slachtoffers van 1950 en 1966 mogen niet vergeten worden.
Een verhakkelde brandstofmeter van de crash in 1966 © Jan Hertoghs
Metalen harten
Strandjutters kennen de plekken waar de zee haar wrakhout komt afzetten. Heeft een gletsjer ook van die vergaarplaatsen?
"Totaal niet. Alles ligt verspreid, alsof de big bang van zo'n crash nog altijd doorgaat. (toont een foto van de poot van een landingsgestel) Zelfs zo'n groot onderdeel is pas in 2013 vanonder het ijs gekomen."
Was je de eerste om 'gletsjer-opgravingen' te doen?
"Ja, want niemand had er oog voor. Men beschouwde die wrakstukken als rommel, als te verwaarlozen. Ik heb dat nooit zo gezien. Ik vind die metaalresten mooi. Met hun aparte glans, klinknagels en naden, is dat bijzonder materiaal. Dat is een nieuwe grondstof, een niet eerder ontdekte erts waarmee ik mijn sculpturen maak. Een stuk van een patrijspoort zet ik bijvoorbeeld onder een glazen stolp. Dan zie je door glas het raam waardoor een passagier op het laatst nog gekeken heeft. Ik snij ook harten uit die metalen. Daarboven zijn meer dan honderdzestig harten gestopt met kloppen, en ik geef dat oude koude metaal opnieuw een hart. 't Is een teken van leven vanuit de gletsjer."
Je zou het crash art kunnen noemen.
"Nee, dat leunt teveel aan bij de dood, dat klinkt morbide."
Je exposeert die bewerkte wrakstukken, dat zullen sommigen toch ook morbide vinden.
"Mogelijk, maar tot hiertoe heeft niemand dat al vlakaf gezegd. Ik zou het ook niet doen, vijf of tien jaar na zo'n crash. Maar nu is er 49 en 65 jaar overheen gegaan, dat schept een eerbiedige afstand. Ik ben ook scrupuleus. Ik werk alleen met metalen van het casco. Ik werk niet met vindmateriaal dat bij de passagiers aanleunt, zoals zetelbekleding of veiligheidsgordels."
Het heeft toch iets dubbel dat je geld verdient met dingen die van een ongeluk afkomstig zijn.
"Vroeger gaf ik het weg. Maar dat gaf ook een dubbel gevoel: alsof het niks was, alsof het waardeloos was, niet meer dan schroot. Door geld te vragen, bepaal ik een waarde. Mensen moeten dan overwegen of ze dat geld willen uitgeven, of het voor hen ook waarde heeft. Dat is beter. Maar rijk word ik er niet van. Ik koop er slijpschijven en lasmateriaal van. Of zoals vorig jaar dat tuinhuisje. Dat is investeren in m'n werk. Want vroeger had ik alleen een tentzeil als onderdak."
Een stuk zeildoek van een brancard, teruggevonden op de crash-site van 1966. © Jan Hertoghs
Staalblauw
"De kopers zijn heel vaak mensen die zelf iets dramatisch hebben meegemaakt. Zo worden m'n harten vaak gekocht door hartpatiënten die een transplantatie achter de rug hebben. Zij zijn ook een nieuw leven begonnen met 'ander materiaal'. Een andere koper was een piloot die zelf een crash overleefde, hij droeg nog de littekens van derdegraads brandwonden. Hij zag in dat verwrongen metaal "een kracht die niet gebroken was", omdat het de botsing én de gletsjer had overleefd. Ik zag aan zijn lichaamstaal hoe heftig dat ding hem aangreep; ik sta vaak versteld welk krachtig effect mijn werk teweegbrengt.
Ik ben ook extra blij als ik een pakje moet verzenden naar een buitenlandse klant, want dan weet ik dat m'n kunstwerk opnieuw het vliegtuig neemt. Dan is de dood in zekere zin overwonnen, want die stukken vliegtuig vliegen opnieuw. Ze zetten hun reis verder."
Zie je de gletsjer nog als een natuurwonder of toch eerder als een morgue die langdurig lichamen bewaart?
"Als een wonder natuurlijk! Dat diep staalblauwe van dat ijs, die kou die daar gestold is, dat is prachtig. Langs buiten ziet zo'n gletsjer er immobiel uit, maar binnenin beweegt het licht en dat ijs voortdurend. 't Is een vluchtig landschap dat elke dag verandert. Het smelt, breekt, wijzigt zijn koers, altijd is die gletsjer in beweging.
Door mijn travail de mémoire heb ik diepgang verworven in mijn alpinisme. Vroeger waren de bergen een speelterrein, een avontuurlijk milieu waar ik me kon uitleven. Nu is dat bergmassief van gezicht veranderd. Ik zit niet meer aan de buitenkant te krabben met mijn stijgijzers en pikkel, ik zie nu de kern: dat die bergen geven en nemen zoals de zee. En dat ze dat al eeuwen doen, op hun eigen stilzwijgende manier.
De tragedie van Henry en Vincendon. De neergestorte heli zit nog grotendeels in het ijs.
“Zoals in december 1956, toen zijn in datzelfde gebied van die vliegtuigcrashes een Franse en een Belgische alpinist gestorven, Jean Vincendon en François Henry. Ze deden een winterbeklimming en kwamen op die grote hoogte in moeilijkheden. Een Sikorsky-helicopter kon na zes dagen bij hen komen, maar stortte neer. De vierkoppige bemanning moest zelf gered worden, en tegen de jonge alpinisten zei men dat het de dag daarop hun beurt zou zijn. Maar het weer werd zo slecht dat ze meer dan tien dagen moesten bivakkeren, en dat ze stierven van bevriezing en uitputting. En dat voor de ogen van honderden in Chamonix, men zag het met verrekijkers, er waren journalisten vanuit de hele wereld. Hun tragisch lot kan ik onmogelijk vergeten. Ze zijn geborgen, maar van hun bivak, -ze vonden een schuilplaats in die neergestorte Sikorsky- ontdek ik soms nog brokstukken. Jij bent van een Belgisch blad, de familie van François Henry mag weten dat zich nog altijd iemand om zijn nagedachtenis bekommert."
Josée De Vérité en berggids Fernand Audibert bij een teruggevonden vliegtuigmotor van de Air India crash 1950. © Jan Hertoghs
We bezoeken berggids Fernand Audibert op wiens erf een stuk motor van de crash van 1950 staat.
En we gaan langs bij Claude Ancey. Ook een berggids, hij leerde haar klimmen in de jaren zeventig, én hij was op de plek van de crash in 1966.
"Ik was toen een jonge skimonitor en ik herinner me het slechte weer van die dag, onophoudelijk sneeuwen en haast geen zichtbaarheid. Het vliegtuig is 's morgens tegen de berg te pletter gevlogen, en 's namiddag is een eerste equipe daar geland tijdens een opklaring. Mij hebben ze de dag nadien opgeroepen om overlevenden te zoeken: maar wie kan zo'n botsing overleven, in een sneeuwstorm en bij twintig onder nul? Toen de helicopter ons neerzette, zagen we alleen maar brokstukken verspreid over sneeuw en ijs. Vanuit Chamonix zelf was het te zien; die ongerepte witte noordflank bezaaid met zwarte stippen. Het leek alsof de sneeuw in rouw was.
We moesten op zoek naar de zwarte doos, dat was moeilijk vorderen, met touwen, stijgijzers en pikkel (klimhouweel). Een bizarre ervaring was het. Ik had nog nooit gevlogen, zelfs nog nooit een vliegtuig van dichtbij gezien en hier zag ik ineens zo'n crash, met raampjes, zetels en bagage die daar rondslingerden. Nabij de grootste stukken van de romp, allicht de bagageruimte, zagen we roze lichaampjes, dat bleken zijdeaapjes te zijn, die bestemd waren voor dierentuinen en dierproeven in een labo. Slachtoffers hebben we niet gezien. Tenzij dan die twee ledematen die we in een zeil hebben gedraaid en meegenomen. De vele andere lichamen zijn allicht totaal verhakkeld of onzichtbaar in de sneeuw verdwenen. Na enkele dagen was er weer veel wind en sneeuw en was alles ingesneeuwd, geen zwart meer te zien. Eén stuk van de romp is nog enkele jaren zichtbaar gebleven langs het belangrijkste pad om de Mt Blanc te beklimmen, honderden alpinisten zijn daarlangs gepasseerd. Die aapjes waren niet meer te zien, die zitten nog altijd in het ijs."
Bron: Het Aanzien van 1966
1966 versus 2015
Ancey zegt dat in 1966 amper familieleden van de slachtoffers naar Chamonix zijn afgereisd, "een hemelsbreed verschil met wat we nu zien". Dat zegt ook Blaise Agresti (44). Hij was luitenant-kolonel van het gerenommeerde Peloton de Gendarmerie Haute Montagne (PGHM), hij is berggids en historicus, en schreef een boek over het reddingwezen in het Mont-Blanc-massief. Hij legt uit hoe de houding van de maatschappij veranderd is: in de jaren 50 en 60 "accepteerde" men zo'n ramp. Nu moet elk detail van de slachtoffers geweten zijn en elk spoor van hen moét teruggevonden worden.
Agresti: "Toen die Constellation crashte in 1950 is er zo goed als niks ondernomen. Er zijn twee kleine equipes van berggidsen vertrokken om te zien of er overlevenden waren. Eén is ter plaatse geraakt, de andere is voortijdig teruggekeerd toen een berggids onderweg omkwam door een lawine. Meer is niet gebeurd. Niemand heeft ook maar iets van het vliegtuig of de slachtoffers geborgen.
In 1966 was er al een verschil. Toen gingen al berggidsen én gendarmes met een helicopter de plek van de ramp onderzoeken. Men is zelfs elf keer teruggegaan om belangrijke onderdelen van het toestel naar het dal te brengen, want de luchtvaartautoriteiten stelden toen al een onderzoek in. Er zijn wel maar een klein aantal lichamen geborgen, enkel lichamen die makkelijk toegankelijk waren.
Ook qua identificatie is er intussen veel veranderd. Er was geen DNA-onderzoek, geen onderzoek van de gebitten. In 1966 zocht men alleen naar identiteitspapieren, en van de kleren en de gedragen sieraden van de slachtoffers stuurde men alleen foto's naar de familie van de passagiers. Dat was alles.
Ook onze houding tegenover de dood is veranderd. In 1966 aanvaardde men het feit dat niet alle doden geborgen waren en dat een groot aantal mensen gewoon verdwenen in sneeuw en ijs. Nu verwachten de familieleden een snelle identificatie en dat elk stukje ledemaat of persoonlijke bezitting terug "naar huis" komt; niks mag in het ongewisse blijven liggen.
Ook de media kammen nu elk gegeven uit. Elk detail over die crash, over de doden, hun laatste minuten, wat ze nog gezien hebben, of ze nog wanhopig geroepen hebben, dat moet gewéten zijn. Ik vind het al te dubieus. Men herdenkt niet de doden, nee, men aast op die primaire angst dat ons leven elk moment in gruwel en horror kan omslaan. De media voelen intuïtief aan dat daar onze zwakte ligt. Wij leven in een moderne maatschappij, een maatschappij die technisch "alles" aankan, maar die geestelijk heel kwetsbaar is, en heel snel in paniek, en daar wordt diep op ingespeeld."
Titel in Le Soir na de vliegtuigramp in 1966.
Ijsman Oetzi
Dat de gletsjervondsten toenemen samen met de klimaatverandering is al langer aan de gang: zoals de ijsman Oetzi die na 5300 jaar "bovenkwam" in de Italiaans-Oostenrijkse Alpen. Maar evengoed vliegtuigen én soldaten van de beide wereldoorlogen die nu ontdekt worden. Josée De Vérité ziet de klimaatverandering met eigen ogen.
"De opwarming heeft mijn gletsjer helemaal in de greep. Toen we dit huis bouwden in 1994, was de gletsjertong niet te zien en nu kijken wij op een kaal rotsveld: de gletsjertong zit op die twintig jaar al tientallen meters hoger. En dat smelt niet fijntjes weg, dat kalft af, met grote blokken die met een knallend gedruis loskomen en omlaag storten. Dat is verschrikkelijk dat je die majestueuze ijsmassa dag voor dag ziet wegteren.Door die opwarming is de gletsjer labiel en extreem gevaarlijk geworden. 2014 was uiterst onveilig door het grote aantal afkalvingen en voor 2015 weet ik zelfs niet of ik erheen kan gaan.
Hier in Chamonix zitten we dan ook nog met een lokale 'opwarming': al die zware camions die uren staan aan te schuiven voor de Mont-Blanctunnel, die zetten zelden of nooit hun motor af, en dat is een warmtesluier die omhoog trekt, naar de gletsjer. Fijn stof blijft hier ook massaal hangen tussen de bergwanden. De pollutie is zo erg dat de schoolkinderen op sommige dagen verbod krijgen om op de speelplaats te spelen. Soms staan hier wel files van 20 kilometer; dat is dan die zogezegd gezonde berglucht! En dan hoor je de Franse overheid niet over het milieu spreken, want die tunnel brengt hen heel veel geld op."
Josée De Vérité met een brokstuk onder de arm.
Het ijs van de gletsjers smelt snel af. Steengruis dat aanwaait of dat in het ijs zat opgesloten komt vrij, en die grijze plekken absorberen nog meer warmte van de zon, waardoor het gletsjerijs nog sneller gaat smelten. (Ingescand uit Humo).
Beschermengel
Ondanks dat afkalven zien buitenstaanders een gletsjer doorgaans als een blok dode materie. Maar van alpinisten weet ik dat een gletsjer leeft.
"Ah oui! Die gletsjer leeft. Die gletsjer ademt. De wind fluit in die kloven. Het water ruist in die kolkgaten. Je hoort ijs afkalven, ça craque, ça bouge, nooit is die gletsjer stil.
In zo'n onstabiele omgeving is het ook altijd gevaarlijk. Altijd kan er een sérac afkalven of verschuiven, dat zijn ijsblokken zo groot als een huis, en dat kondigt zich aan als een lichte trilling, en dan moet je tijdig wég van dat ijs. Er zijn al momenten geweest dat het op het nippertje was. In september heb ik zo'n 'waarschuwing' gekregen, dat ik bijna ben meegesleurd. Toen heb ik tegen mezelf gezegd: ça suffit, hou op met het gevaar te zoeken. Maar ik sterf veel liever daarboven dan in een ziekenhuis (lacht).
En mijn hond Abyss (=afgrond) neem ik altijd mee, zij is een goede beschermengel. Als ik merk dat zij zich van mij verwijdert richting de vaste grond, dan ben ik ook weg. Want dieren voelen dat gevaar en die trillingen eerder dan mensen.
Josée De Vérité: “Die gletsjer leeft. Die gletsjer ademt. De wind fluit in die kloven. Het water ruist in die kolkgaten, ça craque, ça bouge, nooit is die gletsjer stil.“© Jan Hertoghs
Daal je ook af in gletsjerkloven?
"Als er iets ligt, laat ik me soms zakken in die crevasses, tot twintig meter diep zelfs. Die kloven vormen een grillig labyrint, als smalle straatjes in een oude stad, c'est magnifique."
"Ik kom zeker twintig keer per jaar op de gletsjer, maar enkel in de warmere maanden. Tussen oktober en maart ga ik niet, dan dekt de sneeuw teveel af, dan kan ik de gevaarlijke plekken niet onderscheiden. Ik plan het nooit vooraf. Om de zoveel tijd is het alsof de gletsjer me wenkt, dan laat ik alles vallen, pak m'n rugzak en vertrek."
Hoe krijg je die wrakstukken beneden?
"Alleen of met vrienden. Ik draag ze in een rugzak of ik laad ze op een draagstel zoals een sjerpa. Ik schat dat ik op die twintig jaar al zo'n vier ton omlaag heb gehaald. Met telkens een voettocht van twee uur. Ik zou een helicopter kunnen inschakelen, m'n man is heli-piloot, maar dat is me te gemakkelijk. Het moet serieus blijven. Ik moet een inspanning doen, ik moet een offer brengen, ik moet respect betonen aan wat vooraf is gegaan."
"Dat is me heel duidelijk geworden toen ik bezoek kreeg van Chris Arora. Hij is Indiër en heeft zijn broer Avtar verloren in de crash van '66. Chris kwam hier thuis, zag die metaalresten naast m'n atelier, nam één stuk vast en begon te wenen. (ontroerd) Hij hield dat zo innig vast, alsof het zijn broer was. Ik heb 'm ook andere wrakstukken meegegeven voor zijn familie, en hij heeft gezegd, "dankzij u kunnen wij eindelijk rouwen". Nu pas rouwen, nà bijna vijftig jaar!
Hij is later nog een keer teruggekomen met z'n vrouw Nita en dan zijn we met de kabelbaan naar de top van de Aiguille du Midi (3777 m) gegaan om vandaar de plek van de crash te kunnen zien. Toen hij dat "graf" zag, heeft hij me langdurig in zijn armen gehouden. Het was alsof hij nooit eerder zo dicht bij zijn overleden broer was gekomen. Hij stond daar met de tranen in zijn ogen, en zei: Josée, vanaf nu ben je deel van onze familie (geëmotioneerd).
Sterven in een afgelegen bergmassief brengt altijd bijzondere emoties teweeg. En natuurlijk kunnen de vele verwanten van die beide crashes niet tot hier komen. Vandaar dat ik hoop dat Air India of de Indische overheid ooit een museum of een memorial zal inrichten, dan mogen ze heel mijn collectie hebben."
Verzamelde brokstukken: “Elk stuk heeft littekens.” . © Jan Hertoghs
Ze gaat "iets halen wat ze aan weinig mensen laat zien", haar petits trésors die ze aan Indië wil overmaken. In een grote kartonnen doos zitten wikkels van zijdepapier, ze vouwt ze voorzichtig open. Ik zie een fuel flow meter, een dekentje dat aan elke passagier werd uitgedeeld en een 45-toeren-plaatje met oosters opschrift, "toen een Indisch top-tien-hitje in 1966". Dat gletsjers ook hitsingles bewaren voor later, geen sterveling die het kan bedenken. Verder nog wanddecoratie uit eerste klasse, de voet van een zilveren theepot ("voor de catering aan boord") en de afgescheurde hoek van een valies, het motief van een zonnige palmboom is nog te zien.
Menselijk bot
De gletsjer bewaart ook heel dure stukken. In 2013 trof een 'anonieme alpinist' een koffertje met juwelen in het ijs, waarde: 200.000 euro.
"Dat kwam van de crash van 1966 en de dag erna zag ik zeker vijftien 'klimmers' op de gletsjer, allen met de kop naar de grond (lacht). Dat kistje is zogezegd ontdekt door een alpinist, maar het gerucht gaat dat het al in de jaren zestig is gevonden, door iemand uit de streek. Maar omdat het geseind stond, kon hij d'r niks mee aanvangen. Die persoon is dan overleden, en bij het leegmaken van z'n huis vond z'n familie dat koffertje op een goed verborgen plek. Om te verdoezelen dat hun familielid die "schat" al jaren in bezit had, hebben ze het zogezegd op de gletsjer gevonden. Zo kunnen ze tenminste een vindersloon claimen. Ik denk dat er in die eerste maanden en jaren veel waardevolle bagage verdwenen is op die gletsjer, maar 't is een taboe, iedereen zwijgt erover.
Zelf heb ik nog geen dure dingen gevonden. Hoogstens een kettinkje. Maar ik heb wel een brief gevonden! Een flinterdunne envelop in luchtpostpapier. Die zat kurkdroog in het ijs. Ik dacht aan een liefdesbrief, blauwe omslag, adres handgeschreven, en ook een jaar oud, dus iemand droeg die als souvenir bij zich. Dat zou formidabel zijn als ik die brief zoveel jaar later nog aan die geliefde kon bezorgen, wat een groots en onverwacht geluk zou dat zijn! Maar de vertaling uit het Hindi leerde dat het zakelijke correspondentie was. Grote teleurstelling natuurlijk! (ze toont de brief, luchtdicht in plastic) Dat is toch fantastisch, dat zoiets fragiel als een reepje papier bewaard kan blijven onder honderdduizenden tonnen ijs! Dat is alsof de gletsjer vijftig jaar als een presse-papier erbovenop heeft gedrukt!
Een brief uit 1966, vijftig jaar bewaard onder de presse-papier van het ijs. (De plastic folie is recent.) © Jan Hertoghs
Heb je al menselijke resten gevonden?
"Ja, maar nog nooit een schedel of een been, eerder stukken bot, en vaak is het de hond die dat vindt. Er zit ook nog vlees aan, maar dat is uitgeteerd en gelooid als van een mummie. Ik kap zo'n stuk ijs met bot erin altijd los, en ik schuif het in een diepere kloof. Zo kan er niemand bij. Dat ijs is hun graf, dat moet je niet verstoren. En ik ben wel atheïst, maar ik zeg ook altijd een gebedje. Je kan zomaar niet je rug draaien, je moet je hoofd buigen en iets zeggen.
Voel je soms een 'aanwezigheid' van die slachtoffers?
Ik voel hun aanwezigheid heel goed. Die passagiers zijn daar, die weten dat ik er ben, meer nog, ze beschermen mij. Dat ik dat "werk" al twintig jaar overleef, dat dank ik aan hén!"
"Die gletsjer is geen morbide bunker. Die gletsjer geeft rust en bescherming aan die slachtoffers, ze rusten daar werkelijk in vrede. Zelfs de zwarte dozen van 1950 en 1966 zijn nog altijd niet gevonden. Zo is de gletsjer, hij bewaart nog vele geheimen. Slechts met mondjesmaat geeft hij iets weg. Alsof hij wacht tot de tijd de wonden heeft geheeld."
Het stuk is rond. Ter illustratie zoek ik nog enkele krantentitels van januari 1966. Plotse voorpagina in Het Laatste Nieuws: Elf Belgen Bij 117 Doden op de Mont Blanc. Een abrupte verrassing. Ik zie namen als Van Bogaert, Verstraeten, Verhoeven en Malherbe, inwoners van Brussel, Gent en Antwerpen. In Chamonix wisten ze van geen Belgische slachtoffers; daar sprak men vaagweg van Indiërs, Amerikanen en Engelsen. Het blijkt nu ook dat enkele Belgische nabestaanden al vroeg in Chamonix waren, "ze namen foto's van de besneeuwde top als enig aandenken, dit was nu het graf van hun familielid." De krant Le Soir heeft met Alpenjagers gesproken en voorspelt wat de slachtoffers te wachten staat: "de glacier des Bossons zal zijn opgeslotenen pas loslaten na een kwarteeuw gevangenschap in het ijs. De levenden zullen hen dan vergeten zijn, zij die daar begraven liggen in het grootste graf van Europa."
Wat minstens even merkwaardig is: er zijn elf landgenoten omgekomen, en toch houdt de berichtgeving al na twee dagen op; wat erop wijst hoe ànders men toen met rampen omging. Ik bel Josée, ze is al even hevig verrast: "Elf Belgen?! Nooit geweten! Goed dat je ze 'gevonden' hebt. Zo raken zij ook uit de vergetelheid. Die Belgische families mogen gerust zijn. Hier is iemand die zorg zal dragen voor de nagedachtenis."
Het is wachten op de groenkartonnen identiteitskaarten in het staalblauwe ijs.
NASCHRIFT: Josée De Vérité liet me weten dat het een “afschuwelijke zomer was”. Bevroren ondergrond in het hooggebergte (permafrost) is ontdooid waardoor er grote rotsblokken uit de bergwanden loskomen. Ze zegt ook dat het smelten van de Bossons-gletsjer “zienderogen” te volgen is.
Ze heeft sinds enkele jaren een website waarop haar werkwijze en enkele van haar kunstwerken te zien zijn
https://www.joseedeveritechamonix.com/#presentation
© Jan Hertoghs
De droge zomer van 1976 geklopt door 2022 ?
Na zonneschijn komt zonneschijn: de hete droge zomers van 2022 en 1976
Volgens The Global Drought Observatory en de Europese Commissie kampt Europa momenteel met de ergste droogte in 500 jaar.
In België was het al de droogste juli in 120 jaar (het was evengoed één van de warmste juli's ooit gemeten wereldwijd.)
En dan moest augustus 2022 nog komen... Met die maand erbij beleefden we de droogste juli-augustus sinds 1833.
Daarmee evenaren we de droogte van de recordzomer van 1976. Qua neerslagtekort (gemeten in de bodem) is 2022 wel rampzaliger dan 1976.
Wat opvalt: de droogte van 1976 kende een lange aanloop, ze begon al in mei, terwijl we nu hetzelfde droogterecord bereiken door de extreme maanden juli en augustus.
En ook: 1976 was een uitschieter tussen "normale" zomers. 2022 past in een rij van alsmaar extremere zomers op het gebied van droogte en hitte.
© Jan Hertoghs Humo 2006
Bron ANP
Koeien worden in het bos gedreven om van het struikgewas te eten. Boeren krijgen drinkwater via de waterkanonnen van de rijkswacht.
In 1976 was het vier maanden aan één stuk uiterst warm. De ene hittegolf na de andere volgde mekaar op en de landbouw kende één van zijn rampzaligste droogtejaren ooit. Humo schreef een dagboek van de hitte, met de waterkanonnen van de rijkswacht die drinkwater gingen leveren op het platteland, en met ook de muzikale tijdsgeest van die zomer (de hits,) en de "verkoelende" cinemaprogramma's van toen.
De woordkeuze is die van de dagbladen, in die zomer dat Lucien Van Impe de Tour won en dat een glas bier nog 13 frank (30 eurocent) kostte.
25 april: In België heeft het sinds februari weinig of niet meer geregend. "Het lijkt alsof er geen maartse buien of aprilse grillen meer bestaan. Dit is een lente die inzake droogte én nachtelijke koude haar gelijke niet schijnt te hebben: op sommige plaatsen is er nog nachtvorst geweest tot min zeven. In Frankrijk bedreigt de droogte een groot deel van de oogst. Veel bronnen en waterputten geven geen water meer en het niveau van beken en rivieren was nooit eerder zo laag."
3O april: Een enorme bosbrand teistert de Hoge Venen. 5OO hectaren worden verschroeid. Het vuur wordt sterk aangewakkerd door een snijdende noordoostenwind. In Vlaanderen verwachten de weersvoorspellers een droge zomer met normale temperaturen. De Nieuwe Vauxhall 1800 Kost Slechts 156.900 fr (= minder dan 4000 euro)
3 mei: Zonnige 1 mei-stoeten in heel het land
5 mei: Enorme bosbrand op het militair domein te Brecht. 5O ha gaan in de vlammen op. Cat Stevens treedt op in Vorst.
6 mei: De temperatuur stijgt overdag boven de 30 graden.
7 mei: De nachtvorst van de voorbije dagen teistert de fruitsector. Ganse percelen kropsla gaan verloren. De vroege aardappelen zijn over gans het land bevroren. The Rolling Stones treden op in een uitverkocht Vorst. Kaartjes van 3OO fr (7,5 euro) gaan op de zwarte markt voor 3000 fr (75 euro) van de hand. Het concert zelf is flauw ("Stones Rolden Vierkant in Vorst")
10 mei: "30 graden is uitzonderlijk voor deze tijd van het jaar en de hitte heeft bijna iedereen naar buiten gedreven dit weekend. Overal waar water is, tot aan de kleinste sloten en plassen, hebben mensen zich neergevlijd. Aan de kust wrijven handelaars en cafébazen zich in de handen. De dames op het strand en op de terrassen proberen zoveel mogelijk zon op zoveel mogelijk huid te vangen om aldus het zo begeerde bronskleurtje te zien verschijnen. Cafés blijven tot 's avond laat open en er heerst zowaar de sfeer van badoorden aan de Middellandse Zee, zo bijzonder mild en weldoend zijn de avonden." Ulrike Meinhof (42), een van de vier leiders van de Rote Armee Fraktion is in de Stammheim-gevangenis van Stuttgart overleden. Op een persconferentie wordt gezegd dat ze zich heeft opgehangen.
Bron Het Aanzien van 1976
11 mei: Opnieuw bos- en heidebranden in de Kempen en Limburg. Ten gevolge van de hitte zijn op de spoorlijn Brussel-Bergen de rails beginnen kronkelen door "uitzetting". In Duitsland is de Rijn zo ondiep dat rijnaken nog slechts met halve vracht mogen varen. In de wetenschappelijke wereld zorgt de abnormale hitte- en droogteperiode voor speculaties aangaande een op til zijnde klimaatswijziging. In Limburg is de watervoorziening in sommige gemeenten kritiek en zal de politie hard optreden tegen verspilzuchtigen. Ook in vijf gemeenten rond Aalst vloeit er geen water meer uit de kraantjes. Club Brugge wordt kampioen met vier punten voorsprong op Anderlecht en de prijs van een verbeterd brood (8OO gr ongesneden) gaat van 23,5 fr naar 25fr. Een glas bier kost 13 frank.
6 juni: "De drie voorbije pinksterdagen waren een zomers geschenk voor het gehele land. Alle commentaren zijn eensluidend: dit was een pinksteren zoals we er in geen jaren meer hebben gehad en die men in geen jaren nog zal vergeten. Onze kust zag zwart van het volk. De Ardennen puilden uit van de dagjesmensen. In de toeristische steden kon men over de koppen lopen. En in De Kempen zag men nog nooit zoveel zonnekloppers bijeen." Bij de boeren is er een positieve noot: " Het heeft één voordeel, die hitte en die droogte: ge verslijt er geen kleren mee!" In de Single Top 20 van Humo staat "Music" van John Miles op (1), "In Dulci Jubilo" van Mike Oldfield op (2) en "Fernando" van Abba op (5) Vooral "Music" wordt getipt als zomerhit. Deze lyrics waren toen nieuw: "Music was my first love. And it will be my last. Music of the future. And music of the past."
Dagjesmensen zoeken verkoeling in de vijvers aan de Heizel (bron: Weer of geen weer KMI)
11 juni: "Terwijl de brouwerijen, de ijsventers en de fabrikanten van zonnebrandolie gouden zaken doen, kijken de boeren vertwijfeld naar de lucht. Het gras groeit niet en veel vruchten zoals aardbeien rijpen te snel en komen tegen spotprijzen in de winkels. In de tuinbouw kunnen groenten als prei en selder niet uitgeplant worden omwille van de droogte: " Elke vrucht, elke plant sterft in het veld." Omdat er zo weinig gras is voor de koeien, ziet men sommige boeren de grachtkanten afmaaien om toch wat groen aan hun runderen te kunnen geven. Anderen bestellen in allerijl een irrigatiesysteem met buizen en sproeiers om de weilanden te kunnen "beregenen". Dat "regenwater" dat men uit nabije waterlopen pompt, heeft zelf al een temperatuur van vijfendertig graden! Boer Frans Willems (Poederlee): " Ik kan niet meer slapen vanwege de vele zorgen." De cinema's van Antwerpen bieden "Verfrissende Ontspanning" met onder andere "Clockwork Orange" en "Taxi Driver" (Robert De Niro) . In Studio Century speelt "Alice Woont Hier Niet Meer". In Humo's Top 20 komt "This Melody" van Julien Clerc binnen van (-) op (12)
Insectenwolk
16 juni: Bretagne en Normandië lijden het ergst onder de droogte. "Omdat de weidegronden verdord zijn en omdat de graanoogst toch gaat mislukken, drijven tal van boeren hun vee de korenvelden in, daar kan het zich voeden met de groene onrijpe graangewassen." In het Parijse industriebekken liggen de bedrijven 's avonds een half uur tot een uur stil omdat de elektriciteitscentrales niet op volle kracht kunnen werken. Er is te weinig koelwater. Eigenaars van dieren worden gewaarschuwd: ook honden en katten kunnen een zonnesteek oplopen. In de LP TOP 10 van Humo staat "Desire" van Bob Dylan al weken op (1) . De LP "Wish you were here" van Pink Floyd staat op (4) en zit al 35 weken in de top-10.
18 juni: Rellen in het Zuid-Afrikaanse Soweto: 35 doden.
21 juni: Er valt een beetje regen, maar het is te weinig voor de rosse weilanden. Het pakje sigaretten zal "eerlang opslaan" van 3O naar 31 frank. (75 eurocent)
22 juni: De hittegolf zorgt voor een ware paniek bij de Franse veetelers. In Normandië, Bretagne en de Vendée wordt het vee in onrustbarende hoeveelheden naar de abattoirs gebracht omdat er geen voer meer is voor de dieren.
26 juni: "De hittegolf die we thans meemaken is een van de ergste uit de meteorologische geschiedenis. Onze vogels kunnen de invasie van bladluizen, vlinders, vliegen en muggen niet bijhouden." Op de scheepswerven van Boel zijn 8OO arbeiders tijdelijk werkloos want bij de afbouw van schepen zouden temperaturen van 55 tot 6O graden genoteerd zijn.
U Hebt Nu Al Een Datsun 1200cc voor 99.900 frank. (2500 euro)
"De bevolking van de Franse havenstad Brest dacht donderdag middag dat het eindelijk zou gaan regenen. De hemel werd verduisterd door donkere wolken, de tropische temperatuur liep iets terug, maar toen de vreugde en de opwinding hun hoogtepunt bereikten, hoorden de inwoners dat de wolken een gonzend geluid begonnen te maken. Bleek dat de regenwolk geen regenwolk was, maar een insectenwolk. Binnen enkele kwartieren streken miljarden insecten van allerlei aard (vooral muggen, vliegen en vliegende mieren) over de stad neer. De inwoners moesten een goed heenkomen zoeken om zich voor de beten en de steken te vrijwaren. Volgens de autoriteiten is de "insectenregen" een bekend verschijnsel in een grote droogteperiode waarin het ecologisch evenwicht verstoord wordt."
Luchtige kleding
28 juni Ukkel Verwacht: zonnig en zeer warm weer, maxima van 3O graden aan de kust tot 36 graden elders. De kerncentrale van Doel die al twee jaar operationeel is, wordt officieel ingewijd. De expresstrein Amsterdam-Parijs ontspoort in het Waalse Neufvilles. Er zijn tien doden en 14 zwaargewonden. De oorzaak is onbekend, maar elders in Wallonië zijn al eerder treinsporen verwrongen geraakt door de hitte.
Door hitte verwrongen rails zorgden voor een spoorongeval met 10 doden nabij Bergen (bron Het Aanzien van 1976)
“De hittegolf oefent reeds zijn invloed uit op het gedrag van onze landgenoten. Net zoals in het warme zuiden hebben de meeste mensen de zaterdagavond tot laat in de nacht buiten doorgebracht. In de tuin of op de stoep zochten duizenden het beetje koelte dat zij thuis in de slaap- of woonkamers niet konden vinden. Tijdens de middaguren gebeurde het omgekeerde, dan lagen de straten zo goed als verlaten."
"In de badplaatsen is het intussen een dolle kermis. De badgasten in bikini dringen door tot in de uithoeken van de agglomeraties. Het politiereglement laat niet toe dat men zich zo ver in luchtige kledij mag vertonen, maar dat verbod wordt overal met de glimlach overtreden. Er zijn ook diefstallen gemeld in appartementen waar verlofgangers de halldeur hadden open gezet om wat frisse lucht in het gebouw te krijgen."
"In Wallonië dreigen de toeristische afvaarten van de Semois in het gedrang te komen: een boeldozer tracht nu over een afstand van 7km een geul te graven om de afvaarten toch te laten verlopen."
De leider van de grootste Franse boerenvakbond heeft de regering gevraagd om het leger in te zetten voor het transporteren van hooi uit delen van Frankrijk waar de droogte minder erg is. Ook de vogelstand lijdt onder de droogte. Op sommige plaatsen kan men van dorst omgekomen vogels aantreffen.
"Zondagnamiddag ging de 24-jarige A.S. uit Berlare een dutje doen in zijn hof en in de zon. Hij is echter niet meer wakker geworden, en bleek fataal getroffen door de zon. Een bijgeroepen geneesheer kon enkel de dood vaststellen."
Er is een nieuw type uurwerk op komst op basis van kwartskristal. In plaats van een wijzerplaat kan men het uur aflezen met zogenaamde digitale cijfers.
Koude schotels
29 juni: Zonnig en zeer warm. Maxima van 30 tot 35 graden. Hevige bosbranden in de streek van Maasmechelen en As. "Overal zag men vluchtende zondagstoeristen die hun picknick voortijdig moesten afbreken." De rijkswacht sloot de autoweg E39 af wegens de enorme rookontwikkeling. Toen ook het vuur dicht bij de snelweg kwam, "moesten boeldozers en Leopardtanks van het leger ingezet worden om brandgangen te graven en te voorkomen dat het vuur naar de andere kant van de autoweg zou overslaan: daar bevinden zich in Zutendaal de munitiedepots van FN." Het vernielde bosgebied zou zo'n 800 hectare bedragen.
Voor de boeren in Limburg en de Antwerpse Kempen is het een verschrikking: hun weilanden zijn helemaal ros geworden of tot de wortel kaalgevreten. "Het is een vreemd gezicht: koeien staan in verdorde weilanden en eten bussels stro of droge korrels krachtvoer. Sommige boeren laten hun koeien in de haver grazen waardoor ze hun noodzakelijke voorraad voor de winter aantasten. Boer Karel Van Laer : "Ik denk eraan om alles te verkopen en met de schoofzak te gaan werken. In de bouw kunnen ze wroeters zoals wij misschien nog gebruiken. En dan zal ik tenminste ook vakantie hebben zoals iedereen."
Op televisie is er deze zomer onder andere: Tip-Top (jeugdmagazine met Bob Davidse), Rad der Fortuin, De Wies Andersen Show (kwis), Swiebertje (jeugdserie NED 1) en Toppop (jongerenmuziek, NED 2)
3O juni: Zonnig en zeer warm, maxima van 3O tot 35 graden. "Op enkele uren tijd zijn in een visvijver te Ranst duizenden karpers, brasems, voorns en enkele snoeken omgekomen. De massale vissterfte is te wijten aan de verzengende hitte en aan de windstilte die verhindert dat golven het water zuurstofkrachtig houden."
In Plancoët (Bretagne) is een volledig maisveld met stengels van 20 cm gewoon weggewaaid. Tegen de middag stak een sterke wind op en verdween het veld in een kolossale stofwolk. Er bleven alleen wat verdwaalde wortels en de stenen ondergrond achter.
"Verse produkten zoals vlees en kaas worden maar bitter weinig verkocht. Daarentegen beleeft de verkoop van sla, tomaten, asperges, eieren, makreelfilets en sardientjes een duidelijke piek. Waarschijnlijk zijn er in ons land nog nooit zoveel koude schotels gemaakt als tijdens deze snikhete dagen." "Fool to Cry" van the Rolling Stones staat op (2) in de Top-20. John Miles staat nog steeds op (1).
Onze zweefvliegers profiteren!
Aanschuiven voor drinkwater in Bretagne .
1 juli: Zonnig en zeer warm. 28 tot 33 graden. Weerman Armand Pien moet week na week hetzelfde zomerweer voorspellen. Om die eentonigheid te doorbreken komt hij op tv met een grote zonnebril op en de voeten in een waterbadje. "Op het verkeer begint de hitte zijn slopend werk te verrichten. Er worden gevallen gesignaleerd van geparkeerde wagen die in volle zon stonden geparkeerd en die vanzelf in brand zijn geschoten. Nog een trieste vaststelling bij dit weder is dat bij veel loofbomen de bladeren beginnen te vallen. In sommige parken en plantsoenen is de grond reeds bedekt met een tapijt van dorre gele bladeren;"
"Onze weiden zijn verschroeid. Wij hebben geen voedsel meer". Dat staat te lezen op de doeken die over twee magere koeien liggen en die woensdagochtend plots tot voor de ministerie van Landbouw zijn geraakt. De twee koeien waren ter plekke gebracht door jonge boeren uit de streek van Verviers. In de Kempen sleuren de boeren en hun kinderen 's nachts met buizen en sproeiers over het veld om telkens een ander stuk weide te beregenen en toch wat gras te redden. Het werk moet 's nachts gebeuren omdat het water overdag te snel verdampt. 's Nachts is het buiten "slechts" 21 graden. De cinema's van Antwerpen leveren "Heerlijk Koele Ontspanning" met onder andere "De Dolle Kever ","Thunderball" (met Sean Connery) en "De fluit met Zes Smurfen".
2 juli: "Gans Europa leeft verder in de wurgende greep van een verzengende hittegolf die het leven hoe langer hoe lastiger maakt. In Parijs waar gedurende de nacht recordtemperaturen van 23,8 graden werden gemeten, is het water van de Seine 3O graden warm. In Italië maken archeologen van deze uitzonderlijke droogte gebruik om opgravingen in de Po-bedding te doen op plaatsen waar ze anders nooit kunnen komen. In Berlijn dragen de politieagenten tropenhelmen, en mogen de arbeiders in sommige fabrieken zo dikwijls ze willen onder het stortbad. De politie meldt wel een massa familietwisten, burenruzies en straatgevechten. In Sommige Duitse scholen krijgen de kinderen "hittevrij": overdag worden er geen lessen gegeven; wel worden er nachtwandelingen gepland in klasverband."
"Goed nieuws voor de Belgische zweefvliegsport! In ons land jaagt deze zomer met zijn geweldige thermieken het prestatiepeil van onze zweefvliegers in de hoogte! De oogst aan prestigieuze hoogterecords is werkelijk enorm. Men gaat bijna de stratosfeer in! Mevrouw Georgette Litt haalde 8500 meter en haar echtgenoot André Litt maar liefst 10.450 meter, dat is de kruishoogte van een Boeing! En dat zonder motor welteverstaan! Broer en zus Bertels uit Veerle slaagden er zelfs in om vanuit St Hubert de Atlantische kust bij Rochefort te bereiken, 653 km ver!"
3 juli: Het hogedrukgebied met middelpunt boven N- Polen blijft droge en zeer warme continentale lucht over onze streken aanvoeren. Het blijft droog en zeer warm. Evolutie voor zondag en maandag: de hittegolf blijft aanhouden. Terwijl de conservenfabrieken in de maanden juli en augustus normaal dag en nacht op volle toeren draaien, valt de productie op minder dan de helft terug. Zo blijkt ondermeer dat boeren erwten en andere peulvruchten aan de melkkoeien voeren. Intussen signaleren sommige supermarkten dat een aantal klanten "groentenconserven zijn gaan hamsteren".
Vrijdag werd vooral het westen van Limburg getroffen door bosbranden. "Nabij de baan Eksel-Kerkhoven moesten de brandweerlieden rennen voor hun leven omdat het vuur razensnel om zich heen greep. De vlammen sloegen tot tientallen meters de hoogte in. Hier en daar zorgden de branden ook voor paniek onder de bevolking. Het was in het westen van Limburg een angstaanjagend gezicht met de rookzuilen die op verscheidene plaatsen haast heel de hemel bedekten zodat er geen zon en geen blauwe lucht meer te zien was. In en om Bilzen rijden de wagens van de brandweer dag en nacht rond om water uit te delen. Aan de universiteit van Leuven kunnen studenten uitstel van examens krijgen als zij niet hebben kunnen studeren vanwege de hitte. Het personeel van de KUL mag de arbeid al aanvatten vanaf 6 uur. In Ukkel loopt de temperatuur onder thermometerhut op tot 36,7 graden. "
Bedevaart naar Scherpenheuvel
Waterkanonnen van de rijkswacht leveren drinkwater in Bilzen (Bron: Weer of geen weer KMI)
5 juli: Enkele landbouwers hebben hun runderen in het bos gedreven," dan kunnen ze daar van het struikgewas eten." In de provincie Antwerpen werd de rijkswacht ingeschakeld om boeren met watertekort te bevoorraden. Dat gebeurde met waterkanonnen. Een landbouwexpert in de Duitse deelstaat Schleswig-Holstein verklaart: "Als het de volgende week niet flink regent, kunnen wij de aardappeloogst wel vergeten. De Duitsers zullen dan volgend jaar rijst moeten eten." Paus Paulus vraagt de gelovigen om te bidden voor regen. "Wij moeten God Onze Vader die alle geheimen van de natuur doorgrondt bidden opdat hij de jongste klimatologische handicap ongedaan maakt."
"Hoewel iedereen naar een frisse regenbui begint te snakken, wordt dit uitzonderlijke weertje toch wel erg op prijs gesteld. Alle terrassen zijn overvol, de mensen lopen rond in luchtige toiletten, iedereen is in een opgeruimde vakantiestemming en niemand schijnt zich dan nog te bekommeren om de alarmkreten uit de land- en tuinbouw. Politiemannen en postbodes hoeven niet langer een kepi op te zetten." Het KMI verwacht eerstdaags verfrissing door onweer.
7 juli: Een paar duizend mannen, vrouwen en kinderen uit Kempische boerengezinnen trokken maandag met auto's en bussen op bedevaart naar Scherpenheuvel om daar voor regen te bidden bij het beeld van Onze-Lieve-Vrouw.
"Arms of Mary " van Sutherland Bros. and Quiver komt van niets (-) op (4)
8 juli: Op de gemeentelijke bevolkingsdiensten noteert men een hoger aantal sterfgevallen dan anders. Er wordt een ministercomité opgericht "voor de bestrijding van de gevolgen van de aanhoudende droogte". De bevolking krijgt een aantal praktische raadgevingen. "Om een glas fris water te drinken, hoeft u de kraan niet te laten lopen tot er koud water uit komt. Beter is om flessen met drinkwater te vullen en ze in de koelkast te zetten. Het gebruik van afwasmachines en automatische wasmachines moet zoveel mogelijk beperkt worden."
Bron “Boerderij” NL
9 juli: Volgens de Leuvense klimatoloog Hugo Poppe kan de droogte nog de hele zomer duren. Volgens Poppe was de mens vroeger beter bestand tegen extreme temperaturen: "Ik heb in mijn jonge jaren nooit een boer gezien met een zonnebril op." In de Kalmthoutse Heide verwoest een bosbrand 160 hectaren. De snelweg E19 wordt urenlang afgesloten.
"In Le Havre willen fruitimporteurs een belangrijke lading bananen vernietigen vanwege de dalende prijzen van deze vrucht. Normandische boeren laten echter weten dat ze de bananen kunnen gebruiken. Donderdag begon de levering van 4100 ton gratis bananen aan plaatselijke veehouders. Gemengd met stro is deze voorraad voldoende om gedurende een maand 33.000 dieren te voeden." Intussen is men bezig om 7OO kanalen in West- en Midden-Frankrijk leeg te pompen en zo de landerijen met water te bevloeien en ook de bevolking en de industrie van water te voorzien. "In tal van winkels wordt mineraal water nu onder de toonbank verkocht, dus tegen zwarte marktprijzen. De autoriteiten in Zuid-Engeland onderzoeken de mogelijkheid om tankers van 70.000 ton met water te charteren vanuit Noorwegen."
In Wommelgem zien zes getuigen een Onbekend Vliegend Voorwerp. De geluidloze UFO had vijf grote witte lichten en een vreemd rood lichtpunt in het midden.
14 juli: Het heeft geregend op een aantal plaatsen in België. Maar het effect is niet te zien.
19 juli: Lucien Van Impe wint de Ronde van Frankrijk. Dolle taferelen en volkstoeloop in zijn dorp Mere. In Montréal worden de Olympische Spelen geopend.
22 juli: Eindelijk wat regen. Het nationaal défilé in Brussel eindigt zelfs in een "nationale drache".
Boetes voor plonsbadjes
24 juli: "Tornado's in Italië. Sneeuwstormen in Duitse Alpen. Slagregens in Frankrijk. De droogteperiode die Europa vier maanden in zijn greep hield lijkt voorbij. Volgens het publiek heeft deze abnormale zomer te maken met de atoomproeven en de problemen met het leefmilieu. Prof. Poppe is het niet eens met de stelling dat het klimaat beïnvloed wordt door de menselijke activiteit:" Atoomproeven? Problemen met het leefmilieu? Dat is lokaal "gepruts" dat niet opweegt tegen de onvoorstelbare krachten van luchtdrukgebieden, oceanen en ijskappen."
27 juli: Het Noord-Italiaanse dorp Seveso wordt ontruimd na de gifgaswolk van drie weken geleden. Ruim 15.000 mensen worden bedreigd.
31 juli: De aardappelen kosten op sommige plaatsen 3O fr per kilo en her en der zijn boerenwachten in actie omdat de dure en schaarse vruchten van de velden worden geroofd. De Belgen keren met zes medailles terug uit Montréal, waaronder tweemaal zilver voor Ivo Van Damme
16 augustus:
"Het zomert maar verder. Ook in de rinkelende kassa's van de horecasector. Voor de kust is dit een glansseizoen zoals het zelden geweest is. Op de overvolle wegen naar de kust vonden verschillende kettingbotsingen plaats." 25.000 festivalgangers voor twee dagen Jazz Bilzen. Op het programma o.a. Frankie Miller Band , Sutherland Bros. and Quiver , Steeleye Span, Kevin Ayers, Jess Roden Band en Status Quo.
20 augustus: De droogte zet zich nog steeds door. Op vele landbouwbedrijven snijdt men de wintervoorraad aan, in dit geval het schaarse hooi dat in mei gemaaid is en dat normaal niet voor nieuwjaar wordt aangesproken.
"Dancing Queen" van Abba komt binnen op (16).
Om boetes te vermijden worden auto’s aan zee gewassen (ingescand uit Humo)
21 augustus: Het Ministerie van Economische Zaken legt sancties op. Wie water verspilt riskeert boetes van 4000 fr tot 4 miljoen fr. Strafbaar zijn onder andere: besproeien van gazons, tuinen en sportvelden, het reinigen van stoepen en voetpaden, het afspuiten van motorvoertuigen en het vullen van particuliere zwembaden en plonsbadjes.
25 augustus: In Engeland heerst de ergste droogte sinds 250 jaar. Her en der heersen ware muggenplagen. In Londen zijn meer dan duizend Sikhs bijeen voor een week durende bidplechtigheid die regen moet brengen.
28 augustus: "De redactie van een grote Londense krant werd vrijdagmorgen opgebeld door een opgewonden abonnee die meende dat hij zijn buurman had zien buiten gaan met een opgestoken paraplu. Ook andere redacties worden opgebeld door lezers uit verschillende delen in de stad die absoluut druppels hadden gevoeld. De vreugde was echter van zeer korte duur. Binnen de drie minuten was de regenwolk opgelost. De bui van amper drie minuten doet ook de luchthaven Heathrow aan: daar stromen talrijke passagiers en werknemers naar buiten om de regen juichend en handen klappend te verwelkomen."
31 augustus: De Boerenbond raamt de schade nu al op 20,4 miljard en vraagt om gans België uit te roepen tot rampgebied.
In de bioscopen draaien onder andere "The Sound of Music" (een herneming van Hét Succes uit 1965!) en "One Flew over the Cuckoo's Nest" (Met Jack Nicholson, 23ste Week!)
In september begint het eindelijk te regenen.
NASCHRIFT: Journalist Stijn Tormans (Knack) bundelde een reeks verhalen die zich in die "rampzomer" afspeelden onder de toch wel droge titel: De Zomer van 1976
Antwerpen - Moskou: met een huifkar tegen de Koude Oorlog
Door de Russische invasie van Oekraïne, door de wederzijdse dreigende taal van Poetin en het Westen is er sprake van een Nieuwe Koude Oorlog.
De 'oude' Koude Oorlog duurde van 1947 tot 1991, en de spanningen tussen de twee machtsblokken liepen hoog op in de jaren zestig. In 1964 besliste de Amerikaan Leon Gillis om niet mee te doen aan dat klassieke vijanddenken: hij zag meer heil in een verbroedering tussen de volkeren, tussen Amerika en het "Oostblok" en zo vertrok hij met zijn gezin op goodwill tour naar Rusland. In een huifkar, en vertrekkend vanuit Antwerpen.
Humo augustus 2015 - licht herwerkt © Jan Hertoghs
(uit “Het Aanzien van 1964”)
In "Het Aanzien van 1964" (een fotoboekenserie met jaaroverzichten) is er één foto die me treft. Door hartje Moskou rijdt een huifkar met voorop een wuivende Amerikaan-met-stetson . Op de paardenwagen zit een jong en groot gezin. Het onderschrift vermeldt alleen dat de Amerikaanse familie Gillis door Europa trok richting Moskou. In het gespannen politieke klimaat van toen moet dat een bijzondere "roadmovie" zijn geweest. Op internet vind ik nog krantenstukken. Eén kaderstukje in The New York Times springt eruit en is het begin van dit buitengewone verhaal. De krant schrijft dat het gezin z'n trip begonnen is in Antwerp Belgium.
En zo bel ik met Susie Pontone née Gillis. Ze woont in Christiansburg, Virginia en ze is heel blij en verrast dat iemand uit Europa het verhaal wil oppikken, en dan nog iemand uit Antwerpen!
Susie: "We hebben tien weken verbleven in de Breydelstraat. Papa had daar een gemeubeld appartementje gehuurd, in volle stationskwartier; ik herinner me de vele restaurants en cafés. We woonden boven een Joods feestzaaltje waar tot laat muziek werd gespeeld. In mijn herinnering ben ik altijd moeten inslapen met het luide gezang van Hava Nagila (lacht) Het was daar krap bemeten. George, de jongste, moest in de badkuip slapen."
Ik stuur haar foto's van de Breydelstraat en Antwerpse krantenknipsels uit 1964. Die hebben het over een gezin met vijf kinderen dat 6000 km ver wil reizen, naar Moskou. Dat gezin bestaat uit vader Leon (42), moeder Iyone Koland (40), Susie (18), Barbara (16), Janet (12) en George (9). De zus Lee Ann (20) zal het gezin vervoegen in Luxemburg. Broer Alan (18) blijft studeren in de States.
Later bel ik voor een langer gesprek, met Susie en haar zus Janet. Ze vertellen dat ze midden december 1963 met de Queen Mary in Le Havre zijn aangekomen, en per trein naar Antwerpen zijn gereisd. De huifkar kwam rechtstreeks naar de Antwerpse haven; de ontmantelde onderdelen moesten ze zelf weer in elkaar zetten.
Susie: "Van december '63 tot eind februari '64 waren we in Antwerpen, het was putje winter, én we hadden geen geld. Vader moest wachten op een cheque uit de VS, een uitbetaling van de verzekeringen. Intussen ging hij op zoek naar Belgische trekpaarden, zoals de natiepaarden in de haven, maar die bleken veel te duur voor ons."
Janet: "Zo vast zitten met je kinderen in een vreemde koude stad : ik ben zeker dat onze ouders zich ernstige zorgen maakten. Maar dat soort bekommernissen hielden ze weg van ons."
Susie: "Om geld te hebben verkochten we prentkaarten. Op straat en op café. Prentkaarten met een foto van ons en de huifkar. We verkochten zolang tot we eten of de wekelijkse huur konden betalen."
"Ik heb het nooit als bedelen gezien. Die kaartenverkoop ging vlot. Veel voorbijgangers wisten van ons verhaal, het had intussen in enkele kranten gestaan."
De familie verkoopt postkaarten, hier bij een halte van een Antwerpse tram.
In De Nieuwe Gazet van 30/1/64 staat op de voorpagina een oproep dat de familie trekpaarden zoekt. Ze worden omschreven als "wereldreizigers van formaat " en als "rondslenterend in James Dean-uniform". In een ander knipsel is te lezen dat zij "huiveringwekkend lichtgekleed gaan".
Susie: "Dat klopt. Van Levi's en Wrangler had elk van ons drie jeanspakken gekregen: een donkerblauw, een lichtblauw, en een wit. Maar we hadden geen overjassen. Vader wilde dat zo. Hij wilde ons harden."
"Dus wat doen teenagermeisjes die kou hebben?! Die gaan op café. In enkele cafés waren Barbara en ik al snel populair; zoveel cola's die ons zijn getrakteerd! Onze favoriete plek was een keldercafé dat De Spelonk heette. Je kon er dansen en je had plaatjes van de Beatles op de jukebox. Geweldig! We zaten er soms de hele avond. Tot enkele Antwerpse meisjes 'in opstand' kwamen omdat "hun" jongens altijd rond ons hingen (lacht). Wij kregen te horen dat we niet langer welkom waren in De Spelonk, gosh, dat was zo benepen, ik was kwaad!"
Op de Antwerpse Groenplaats.
Freddy Heineken en Beatrix
Susie: "Soms was er wat geld over en konden we naar de cinema. We hebben "Cleopatra" gezien, met Liz Taylor. En we bezochten een groot slachthuis. Ouders van nu zouden terugschrikken om dat aan hun kinderen te tonen. Maar zo zit de wereld ineen, zei papa. Er is filmbloed én er is echt bloed op de wereld."
"Papa wou dat we de wereld met eigen ogen leerden kennen. We zagen ook de Antwerpse diamantslijpers. Daarvoor had hij geen reisgids, maar als een local hem zei: die kerk of die fabriek zou je moeten zien, dan gingen we daarheen. We hebben ook de meisjes-in-de-ramen gezien. Zonder papa. Ik denk niet dat hij dat leerzaam had gevonden voor ons (lacht)."
Op straat maakt de familie kennis met de Brit George Mc Cord. Hij stelt voor om hun "PR-man" te zijn en slaagt erin om een deal te regelen met Heineken in Nederland. Het bierbedrijf geeft twee Zeelandse trekpaarden in bruikleen, op voorwaarde dat ze vanuit de brouwerij vertrekken en dat daar de persconferentie wordt gehouden. Gevolg: hun huifkar moet per schip naar Amsterdam. En ook: na de persconferentie nodigt Freddy Heineken de familie uit bij hem thuis.
Susie: "Onze ouders moesten met zijn chauffeur mee, wij -de oudste meisjes- mochten in zijn auto. Hij had een cassetterecorder in de wagen, draaide liedjes van de Beatles, en wij zongen mee!"
Eind februari '64 is Nederland in volle Beatle-koorts, want in juni komen de Beatles naar het land. Voor optredens en voor een rondvaart op de grachten die legendarisch wordt.
Net voor hun vertrek uit Amsterdam, krijgt de huifkarfamilie ook nog bezoek van Prinses Beatrix en haar vader prins Bernard. En dan reizen ze naar het zuiden, weer naar Antwerpen. Het weekblad De Post houdt een interview en een fotosessie op de Groenplaats. De reporter vangt ook wat commentaren van voorbijgangers op ("Een schande! Moeten die jonge kinderen niet naar school?! - Echt iets voor Amerikanen! - Ge moet maar zot zijn!"), maar volgens Susie kregen ze maar zelden smalende opmerkingen.
Op visite bij prinses Beatrix en prins Bernard.
Intussen was de geldcheque aangekomen en dan gaat het van Antwerpen en België naar Frankrijk.
Susie: "In Parijs hebben we vlakbij de Eifeltoren gekampeerd. Wij waren de extra-attractie voor de toeristen, maar zelf hadden we geen geld voor de torenlift. We bezochten dan maar gratis musea en we zijn ook uitgenodigd in het sjieke Maxim's Restaurant. Uit alles viel er wat te leren. Uit de luxe van zo'n restaurant of in een fabriekje van hoefijzernagels. Ergens in Oost-Europa hebben we ook hospitaal bezocht. Toen we daar binnen waren, vroegen ze ineens of we een beenamputatie wilden zien, dat was onvoorzien, maar papa moedigde ons aan om dat bij te wonen.
"Was een plek bekend om zijn tulpen, of glas- of suikerindustrie, dan gingen we dat van nabij bezien. Wij reisden om te leren, heel letterlijk. Vandaar dat weinig eten of dunne kleren ook part of the trip waren. Zo zouden we leren wat honger was. En dorst. En kou."
Janet: "Papa kwam uit een heel arm gezin. Zijn vader stierf toen hij vijf was, en z'n klasmaatjes moesten niks hebben van die armoezaaier. Hij liet zich niet uit z'n lood slaan, hij leerde hoe je met weinig toch je plan kan trekken."
Susie: "Het is een les die je van je leven niet vergeet."
Zelf behoorde het gezin tot de middle class. De ouders hadden een restaurant en een goeddraaiende sportwinkel in Williamsburg, Virginia. Maar in 1961 besloot de vader om met een huifkar van de oostkust naar de westkust te reizen: de kinderen moesten het échte Amerika leren kennen, op een eenvoudige manier, "zonder de materiële overvloed die ze gewend zijn". Ze zijn 294 dagen onderweg, en krijgen nationale bekendheid via radio en tv.
Onder de Eiffeltoren.
In het Parijse verkeer.
Kennedy
Door die trip wisten jullie wat het was om een bezienswaardigheid te zijn. Maar in Europa kwam het soms tot een echte volkstoeloop.
Susie: "Het ging als een strovuur. Ze komen eraan! Ginder zijn ze! Mensen kwamen in hun deur staan, en reden nadien naar het volgende dorp om iedereen te verwittigen dat ze ook moesten kijken."
Janet: "Mensen wuifden, brachten fruit en groente, of bloemen uit hun moestuin. Je naderde een dorp en dan zag je in de verte hoe men zich op de stoep verzamelde. Het had iets van de Tour de France. It was crazy.Stopten we op een dorpsplein, dan ontstond er een samenscholing. En altijd was er wel iemand die Engels sprak, en die zijn conversatie dan vertaalde voor de omstaanders."
"Dat was vooral in de dorpen. In de steden was het afstandelijker. In West-Europa was het ook meer nieuwsgierig kijken, in Oost-Europa was het echt uitbundig. Daar strooiden ze soms bloemen op de weg, vlak voor de paarden, een oud gebaar om je hartelijk welkom te heten."
Janet: "Op drukke wegen waar het eigenlijk te gevaarlijk was om te stoppen, zetten bestuurders de motorkap omhoog alsof ze pech hadden. Zo konden ze toch stoppen om ons te zien."
Susie: "Er was geen internet, Twitter of Facebook, en toch gingen wij viraal, alleen met de kranten en mond-aan- mond."
"Wat zo fascineerde was dat wij van zover kwamen, helemaal uit Amerika. En ook dat wij niet met een grote Amerikaanse slee, maar met een simpel voertuig reisden. Dat had een gimmick kunnen zijn, een opzet van een reclamebureau. Maar de mensen zagen meteen dat wij gewoon waren. Een gewoon gezin, vader, moeder en de kinderen, die tegelijk toch bezig waren aan een uniek avontuur. Hoeveel mensen hadden al op die manier gereisd, en helemaal tot in Rusland. Dat was nog onbereikbaar ver in 1964."
"Wat ook bijdroeg aan onze populariteit, was De Cowboy die in Europa heel populair was door tv-series als Bonanza en Gunsmoke. Onze jeanskleren zag men toen nog als echte cowboykledij. In Parijs, toch dé modestad, wezen jonge gasten ons na, zo gegeerd waren die westernkleren toen."
Janet: "Het gebeurde vaak dat ze ons geld boden voor die outfit, maar we hebben nooit wat verkocht. Het waren ònze jeans. En als ze vuil waren en we geen wassalon vonden, dan wasten we ze in een rivier."
Op foto's zie je de familie ook eten als cowboys, met het bord op de knieên. In hun sobere way of life hadden ze iets van pioniers, maar de oudere meisjes in hun tight fitting jeans hadden evengoed de looks van jonge filmsterren, met dat lange sluikhaar, de make up, en lippen die al meer uitstralen dan kauwgumbellen blazen. Van de 20-jarige Lee Ann bestaat een foto dat ze languit ligt te zonnen op de laadklep. Ze waren niet braaf of preuts, ze waren geen Amish. In landelijke streken moet het geleken hebben als Hollywood comes to town. Vandaar dat ze ook handtekeningen moesten geven.
Susie: "Dat begon in Amsterdam en dat is niet meer opgehouden tot in Moskou. Wat wel ging vervelen na een tijd. En hoeveel duizenden foto's zouden van ons genomen zijn?! Ik denk dat wij toen de meest gefotografeerde Amerikaanse familie waren, nà de Kennedy's."
Waren jullie nog in Amerika toen JF Kennedy werd vermoord?
Susie: "We waren in New York, we stonden op het punt om af te reizen naar Antwerpen toen we het nieuws vernamen. Als ze iets rond Dallas 1963 doen, dan zitten wij vaak in die archiefbeelden. We staan stil nabij Times Square, en je ziet hoe we allemaal aan het huilen zijn, it was terrible. Ik had verwacht dat wij onderweg veel vragen zouden krijgen over die aanslag, maar dat was niet zo. Toch zagen wij vaak een portret van JFK als we bij mensen thuis kwamen."
Followers
Jullie moeder had vroeger lesgegeven en van haar kregen jullie homeschooling onderweg.
Susie: "Met een rij encyclopedieën binnen handbereik. En het grappige is, nu staan we zelf in de encyclopedie! Er kwamen bij ons ook scholen op bezoek. Dat ging spontaan. Je reed langs een school, een leerkracht zag ons vanuit het raam, en hup, ineens stond de hele klas bij de huifkar."
Janet: "Soms werden we in de refter gevraagd voor een hoop klassen tegelijk. En dan kreeg je een spervuur van vragen. Hoe komen jullie hier? En waarom te paard? En waarom naar Moskou? En moeten jullie niet naar school? Nooit hebben wij zo'n schoolbezoek geweigerd en overal was ons 'optreden' een belevenis."
De huifkar vorderde gemiddeld 30-40 km per dag, maar als een streek of stad hen beviel, dan stopten ze evengoed na 15 km, "we hadden geen strak schema". Nu zou de familie Twitter-followers hebben, maar toen had ze echte followers die hen soms urenlang vergezelden.
Susie: "Te voet, per fiets of bromfiets, te paard. Sommigen een paar kilometer, anderen een hele dag. Wij zaten achterop de open laadklep open en zo babbelden we met die fellow travelers. Ik vond het plezierig, dat gezelschap overdag."
Janet: "Ik herinner mij een jongen van vijftien, op de fiets. Die is ons een volle week gevolgd in Tsjechoslowakije. Die sliep zelfs in onze huifkar."
Susie: "Soms reden wij een eindje mee, met jonge gasten, achterop hun brommer."
Janet: "Dat hadden onze ouders niet graag. Ouders waren in die tijd heel behoudend. Maar wij vonden het cool."
De “followers “ van de huifkarfamilie.
Was het niet vervelend om àltijd mensen rond jullie te hebben?
Susie: "Wij waren niet op reis om rust en privacy te hebben. We wilden dingen zien en mensen ontmoeten. Maar het gebeurde dat omstaanders zolang bleven kijken tot we letterlijk onder zeil gingen. En dan nog gebeurde het dat men 's nachts door een spleet van het zeil kwam loeren, of met een zaklamp naar binnen scheen. Niet creepy bedoeld, 't was pure nieuwsgierigheid."
"Op de duur wen je d'raan. Vergelijk het met mensen die gevolgd worden in een docu-soap. De camera volgt elke beweging, maar die gefilmden zien dat op de duur ook niet meer. Wat ik erger vond, waren de persfotografen."
Janet: "Dan moesten we ons opkleden, netjes op de bok zitten, kauwgom uit de mond, en een smile opzetten."
Susie: "Vreselijk als vader weer zo'n persbezoek aankondigde. Oh no! Not again! I wanna get off!""
Op YouTube staat een bijzonder filmpje dat in Tsjechië is gemaakt. Op de beelden zie je de volkstoeloop. Moeder deelt handtekeningen uit en jonge jongens staan vlakbij als de meisjes hun schoenen dichtknopen. Die strijken heel cool hun lange haar opzij, het is met flair dat ze zich laten bewonderen.
Zus Lee Ann is zelfs gehuwd met zo'n 'omstaander'. Een jonge Amerikaanse heli-piloot "had haar zien zitten op de laadklep" toen het gezin een Amerikaanse luchtmachtbasis bezocht in Duitsland. "Het was liefde op het eerste gezicht." Hij bleef hen onderweg bezoeken, en op 22 augustus '64 verliet Lee Ann de huifkar om met hem te trouwen: "Ze wonen nu in Californië en hebben drie kinderen."
Op het YouTube filmpje zie je ook een Chevrolet Chevelle break met een Belgische nummerplaat. Die was hen in bruikleen gegeven door General Motors in Antwerpen, om onderweg langere uitstappen te kunnen doen. De auto werd meestal 300 km verder op het traject geparkeerd, "en dan liftte papa terug om de tocht op de huifkar voort te zetten".
Susie en Barbara, all-American girls.
Kristallen vaas
Toen ze Tsjechoslowakije (nu Tsjechië en Slowakije) naderden, waren ze wel bang, zegt Susie. Het was immers volop Koude Oorlog. De Berlijnse Muur stond er amper drie jaar, de Cubacrisis met een dreigende atoomoorlog tussen de twee grootmachten was geen twee jaar afgewend. Er was ook een wedloop in de ruimte, er waren spionage-affaires en de Russische partijleider Kroestsjov werd de boeman van het westen vanwege zijn bot gedrag en zijn donderspeeches.
Susie: "Wij voelden al die spanningen, zeker vooraf. In Amerika hadden wij alleen anti-Russische propaganda gehoord, dus wij waren bang om daar te reizen. Wij dachten dat iedereen ons vijandig gezind zou zijn. Maar ik zal je eerlijk zeggen: they were the nicest people ever, it was incredible. Dààr in Oost-Europa, dààr zijn de echte volkstoelopen begonnen. "
Janet: "In Pilzen bezochten we de brouwerij en daar hadden zich werkelijk duizenden verzameld op het plein voor de poort. Die konden niet allemaal binnen om ons te zien en toen is vader op het balkon gevraagd en hij heeft een daverend applaus gekregen."
In Praag: “In Oost-Europa was de volkstoeloop het grootst.”
Susie: "En hoe vaak boeren ons tegenhielden! Ze wilden dat wij ook eens naar hun paarden en rijtuigen kwamen kijken. Wat wel verbaasde: de mannen reden rond en de vrouwen deden het zware werk op het veld. Die riepen ons ook toe, om mee naar hun huis te gaan, dan hadden ze ook eens pauze."
Janet: "Overal werden we uitgenodigd, terwijl papa wilde voortmaken. We moesten nog door Polen en Rusland, en hij wilde absoluut voor de winter in Moskou zijn. Dat was de grote schrik, dat we voor Moskou zouden vastraken in de sneeuw."
Susie: "Maar zoveel gastvrijheid konden we niet negeren. Van enkele boerenvrouwen kregen we zelfs een kristallen vaas, allicht een familiestuk. En dan nog van mensen die het zelf niet breed hadden."
Janet: "Vanalles kregen we. Boeken, speelgoed, knuffeldieren." Susie: "Daddy was tegen het vergaren van dingen, en hij wou ook niet dat de huifkar een souvenirbazaar werd; de ruimte was te krap daarvoor. Dus moesten we die geschenkjes voor hem verstoppen."
Janet: "Ik heb van jongens zelfs ringen en zilveren halsbandjes gehad. Gisteren heb ik nog een ring gedragen van toen in Tsjechoslowakije."
Susie: "Die sieraden, dat was uit sympathie, uit vriendschap, en niet als aanzoek. Jongens hebben zich nooit aan ons opgedrongen. Niet alleen omdat onze ouders in de buurt waren, maar ook omdat we met die bijzondere reis bezig waren. Dat zorgde voor respect."
Bij de Rode Pioniers - Praag.
Er is een Facebook-pagina (The Last Wagon West) waar foto's staan van hun trip. De foto's in Oost-Europa zijn de opvallendste. Als ze Praag bezoeken zie je zelfs lichte verafgoding. Jonge Rode Pioniers staan de meisjes in hun jeansvestjes aan te gapen, en zij blijven onverstoord, all-American en compleet relaxt.
De plaatselijke bevolking ontving jullie met open armen, maar hoe waren de grenscontroles aan het Ijzeren Gordijn ?
Susie: "Bij de Tsjechische en Poolse grens dachten we zeker dat ze ons zouden fouilleren en de hele kar zouden uitladen, maar we konden zo passeren. Toen we in Polen voor de Russische grens kampeerden, konden we 's avonds de wachttorens met de hoge prikkeldraad zien, en de grenswachten die ons met verrekijkers bespioneerden. Very scary. Maar toen we s' morgens met ons visum aan de versperring stonden, legden ze hun wapens neer en kregen we bloemen. That was unbelievable! En onverwacht, want in Polen had niemand ons kunnen beloven dat we zouden binnen mogen. Ik zie ons broertje George nog met zijn koersfiets Rusland binnen peddelen, zo blij als een vogel."
"En zo begon het opnieuw: het bezoeken van scholen, fabrieken en boerderijen. Heel vaak konden we kamperen bij kolchozes, en werden we 's avonds uitgenodigd voor de maaltijd. Daar werd dan getoast op de vriendschap tussen de volkeren. In Amerika mag je zo jong geen alcohol drinken, maar bij zo'n toast moest je wel meedrinken. Niet dat wij ons ooit hard verzet hebben (lacht)."
Life Magazine wijdde in het najaar 1964 vier pagina's aan de Rusland-entree van de familie. Dat het een huzarenstuk was om de stugste bureaucratie ter wereld te counteren: ze hadden geen toeristentaks van 35 dollar per persoon per dag moeten betalen, ze moesten niet in vooraf gereserveerde staatshotels logeren, ze mochten hun inkopen doen in gewone Russische winkels ("toch no-go-areas voor toeristen"), en ze hadden zelfs permissie om met de huifkar over het Rode Plein te rijden.
Susie: "Die toestemming hadden wij niet. Maar omdat wij zo gevolgd werden door fotografen en cameraploegen, hebben ze ons laten doen. Maar toen kwam het bericht dat we Kroestsjov niet konden ontmoeten. Het bleek dat hij zes dagen eerder was afgezet."
"De hele weg naar Moskou hadden we iedereen verteld dat we Kroetsjov gingen zien en nu werd dat niks. Een zware ontgoocheling. Er was ook geen opvolger, er was een machtsvacuüm. Ik had papa zo graag met hem willen zien spreken over wereldvrede, dat was één van de grote beweegredenen voor die trip. Hij had zich ook zo hard ingespannen en zoveel moeite gedaan. Want er was toen moed voor nodig om naar dat Oostblok te reizen."
"Wie we wel ontmoet hebben, waren de ouders van Yoeri Gagarin, de eerste mens in de ruimte. Z'n ouders waren boeren in Smolensk, en ze hadden ons bij hen thuis uitgenodigd. Hij is een hele grote held daar, en die avond was er een tv-programma over hem. Ik moest wenen toen ik het zag. Het was heimwee én gekrenkte vaderlandsliefde. We hielden van Oost-Europa, maar toch had Amerika éérst in de ruimte moeten zijn (lacht)."
Life Magazine november 1964
Werden jullie bij je terugkeer in Amerika beschouwd als pro-communist omdat jullie je in Oost-Europa zo vriendschappelijk hadden gedragen?
Susie: "Nee, dat is niet gebeurd. En in Oost-Europa zijn wij ook niet beschouwd als propaganda-Amerikanen ondanks onze kledij en de stars 'n stripes op de huifkar. De mensen zagen ons niet als propaganda, de mensen zagen een gezin met een huifkar, slaapzakken en een schap boeken. Daaraan kon niemand aanstoot nemen."
Je sprak van heimwee, ook al was je met je thuis onderweg.
Susie: "Je kreeg heimwee vanwege teveel thuis (lacht). Altijd diezelfde mensen om je heen op die veel te kleine plek, dat geeft gekibbel en ruzie."
Janet: "En dan deed het deugd om af te stappen en een eind van de wagen te wandelen. Wij hebben vele mijlen nààst de huifkar gestapt. En zo blijf je slank!"
Susie: "Ik begon op de duur ook pop en rock te missen, die kon je in Oost-Europa bijna nergens op de transistorradio krijgen. Zo kropen de dagen soms maar traag voorbij. Ja, een groot avontuur kent ook zijn sleur. En dan ga je maar lezen en vroeg onder de dekens kruipen."
Zo hebben ze 'Oorlog en Vrede' van Tolstoj gelezen terwijl ze door de Russische steppe trokken.
Aankomst in Moskou.
Na de intocht in Moskou en een verblijf van enkele weken verliep hun visum. Bij de terugkeer moesten ze de paarden achterlaten, en de huifkar werd aan de trekhaak van de Chevrolet gekoppeld: ze waren dus snel weer in onze contreien. Bij de inscheping in Rotterdam moest de huifkar ook niet ontmanteld worden, "want in New York wachtten fotografen en cameraploegen en die wilden dat wij in de huifkar zaten terwijl een kraan ons van boord tilde. Yeah, we did crazy things". Het gezin werd ook geïnterviewd in de superpopulaire Ed Sullivan Show en precies die belangstelling maakte de terugkeer naar het gewone leven niet gemakkelijk. Janet: "Wij waren verwend. Een heel jaar heb je in de aandacht gestaan. Je bent gevierd, omringd, gefotografeerd en ineens ben je celebrity àf. Dat is alsof ze iets van je afpakken. Ik heb er soms nog last van! (lacht)"
Susie: "De belangstelling is weg, maar zelfs in 2015 kijken mensen nog heel verbaasd als je erover vertelt. You did WHAT?!!
We zijn ook nog jàren blijven corresponderen met mensen van toen. Een zoon van me correspondeert nu al twintig jaar met een Russische familie die opnieuw contact zocht met ons."
"Omdat het nog zo hard leeft, wensen en hopen we dat iemand over onze belevenissen een boek schrijft. In 2010 hadden we een auteur, twee jaar research heeft hij gedaan, maar toen liet hij ons in de steek. Al veel eerder waren er aanbiedingen van twee grote uitgeverijen, maar toen leefde papa nog en hij hield de boot af. Hij wilde alleen maar meewerken als hij controle kreeg over de inhoud, en zo is dat niet doorgegaan. Zelfs Walt Disney heeft ons een brief geschreven na de trip door de VS, allicht wilde hij een film maken, maar ook zijn voorstel moet afgeketst zijn geweest."
Janet: "Wij reisden om te leren, zei papa. Niet om er geld aan te verdienen met boeken en films."
Susie: "Jax Beer in Louisiana bood ons in 1961 100.000 dollar om een bescheiden logo op de wagen te hangen tijdens de coast-to-coast trip. Honderdduizend dollar was toen een fortuin, maar hij weigerde. Wij zaten te snikken aan tafel, of hij gek was?! Zoveel geld?! Come on, dad! Maar hij wilde het zuiver houden: geen commercialisering."
Geldbezit is dus geen erfenis geweest, wel de wanderlust. In de jaren zeventig trokken Janet en Susie met een vriendin naar Mexico; "Wij waren hippies; wij liftten en reden mee op goederentreinen. Onvoorstelbaar nu, zeker voor drie meisjes, maar toen deden we het gewoon".
Ze zeggen met spijt in hun stem dat ze nooit meer in Europa zijn geraakt. Allebei hopen ze hier ooit terug te komen. Bij Janet is dat verlangen het grootst: "Ik denk nog élke dag aan Europa en aan die reis."
NAWOORD: Janet zal de reis naar Europa nooit maken. Ze sterft in oktober 2018 na een agressieve kanker. Ze was amper 66 . Hieronder een foto van Janet in de huifkar, ze was toen 12. Op de tweede foto (van eind jaren 60) zie je haar samen met zus Susie.
De Man van Staal en Aluminium: Frans Cools, bouwer van het Atomium
Dit weekend is Frans Cools (93) overleden. De man uit Eindhout (Kempen) begon als lasser, werkte zich op met avondschool en was als 26-jarige de bouwer en werfleider van het Atomium.
Hij bouwde niet alleen het blinkende icoon van België, hij zou ook nog kerncentrales,snelwegbruggen en viaducten aanleggen.
In 2005 sprak ik hem. Hij was toen ondanks zijn ‘palmares’ in de vergetelheid geraakt. De renovatie van het Atomium was de aanleiding, ik was blij dat ik zijn verhaal van moed en durf vanonder het stof kon halen.
Frans Cools (toen 76): “ Ik heb met koningen en keizers aan de tafel gezeten, maar nu ben ik ook maar een gepensioneerde met zijn medaille, zijn doos foto's en zijn herinneringen.”
Een adieu. Aan een kleine Kempenaar en een grote meneer.
uit Humo april 2005
Ingescand uit Humo/ Thomas Legrève
"Wij hadden niets. Geen helmen, geen riemen, geen stellingen en geen tijd."
Meegaan naar de Wereldtentoonstelling in Brussel, daar was ik in 1958 te klein voor. Maar als kind kon ik die Expo '58 toch van dichtbij zien op de magisch-realistische plaatjes van de View-Master. Dààr schitterde het Atomium onder de strakke blauwe lucht! Dat die bollen zo blonken, dat was de perfecte weerspiegeling van die tijd. De schoenen van de mensen blonken, de ruiten van de huizen blonken én de nieuwe auto's op de nieuwe wegen blonken nog het meest. Het waren jaren van technische vooruitgang en als er toen iets niét te stuiten was, dan was dat het geloof in de toekomst.
Ook gastland België ging op de industrieel-optimistische toer met de magistrale Pijl van de Burgerlijke Bouwkunde (helaas afgebroken in 1970) en met het Atomium: een ijzerkristal met negen atomen "dat circa 150 miljard maal is vergroot". Het Atomium moest "de centrale blikvanger zijn van deze grote expositie" én "het duidelijke zinnebeeld van de vreedzame aanwending van atoomenergie". Tegelijk was het "een waardig huldebetoon aan de metaalverwerkende industrie in ons land".
De ontwerper van het Atomium is ingenieur André Waterkeyn, maar de man die het met zijn arbeiders uit de grond heeft gestampt is werfleider Frans Cools (76), een geboren Kempenaar uit Eindhout. Vijftig jaar geleden was het zover: "Op mijn zesentwintigste ben ik aan het Atomium begonnen!"
-
Welke studies hebt u gedaan?
Frans: « Hier in Tessenderlo heb ik de technische school gedaan tot mijn zestiende. Dat was op het einde van de oorlog en omdat werk toen moeilijk te vinden was, ben ik met mijn broer Joseph als onderhoudsman gaan werken op een kasteel. Dat was in Arville, bij de graaf de Liedekerke. Daar hebben we goed ons Frans geleerd, en een jaar later zijn wij dan kunnen beginnen bij het grote metaalbedrijf Ateliers de Constructions de Jambes-Namur. Overdag werkte ik daar als lasser en 's avonds volgde ik dan avondschool over monteren en dergelijke. En zo heb ik mij in mijn eentje opgewerkt. Mijn ouders wisten nog geen tiende van wat ik allemaal deed en studeerde.
Wat deed uw vader?
Frans: « Die is boer geweest, dan mijnwerker in Beringen, en uiteindelijk is hij bij zijn broer gaan werken, mijn nonkel Charel, dat was een rijke biersteker en die had hier in de buurt een brouwerij en tientallen cafés. Die is later -met zijn fiets aan de hand!- doodgereden door een auto in de mist. Ja, onze familie heeft zijn deel van de miserie gehad, dat zal ik u subiet nog vertellen.
Hoe kwamen ze bij u terecht voor dat gewaagde project?
Frans: « Omdat ik een durver was en van aanpakken wist. Op mijn vierentwintigste werkte ik voor "Jambes-Namur" al midden in de brousse in Belgisch-Congo. Ik heb daar een brug gebouwd over de Lualaba-rivier, 77O meter lang! De grootste brug die tot dan toe in de Congo geslagen was. Ik had twintig Belgen en driehonderd Congolezen onder mij. Koning Boudewijn is daar ook komen zien. Dat was toen nog de eerste Congoreis van onze jonge koning.
Z'n vrouw Mathilde: « Negen maanden ging Frans wegblijven in de Congo, maar het zijn er negentien geworden. Dat was lang!
Frans: « Bij die werken in de Congo ben ik mijn oudere broer Jan verloren. Die was tweeëndertig en die is vijftien meter diep van die brug gevallen. Hij had drie kinderen... het jongste zes maanden oud. En uw eigen broer moeten begraven in een wildvreemd land, dat is niet gemakkelijk.
Voorzichtig voor de koning
Frans: « Na die brug in de Congo hebben ze me dan gevraagd als werfleider voor het Atomium. En ik heb niet getwijfeld toen ik die maquette zag. Ik heb gezegd: dat steek ik aan!
Wat was uw werk als werfleider?
Frans: « Een werfleider is de baas van alle arbeiders: hij plant het werk, hij verdeelt de taken, en hij zorgt dat het goed wordt uitgevoerd. Een werfleider moet zowel met de architecten en de ingenieurs kunnen spreken als met de arbeiders en de ploegbazen. Op het Atomium stond ik er gans alleen voor: ik moest zowel op de bollen klimmen om het laswerk te inspecteren als de werkuren van de mannen optellen en om de twee weken hun loon uitbetalen.
Met hoeveel arbeiders hebt u gewerkt?
Frans: « De laatste negen maanden toen het werk echt op dreef kwam, waren we gemiddeld met zestig-vijfenzestig mensen. De meesten daarvan waren lassers, monteurs, machinisten (om de katrollen en de lieren te bedienen,jh) en paswerkers. En de helft van die mannen kwam hier uit de Kempen. In het begin bracht ik de mannen nog naar Brussel in camionettes zonder vensters, ze zaten op houten banken die op de ijzeren vloer waren vast gemaakt. In feite was dat al comfort, want veel arbeiders werden naar den travaux gebracht in een camion, met enkel een bache om ze tegen regen en wind te beschermen. Later heb ik dan Mercedesbuskes gekocht om mijn mannen weg te voeren.
In het begin was ik zelf ook nog de chauffeur en om vijf uur-half zes vertrok de camionette naar Brussel en om zes à zeven uur 's avonds waren we terug thuis. Naar Brussel gaan werken was niet simpel in die tijd. Er was geen Boudewijnsnelweg of een andere autostrade in de Kempen, dus je moest via de steenweg, Diest en Leuven, of via de kleinere weg 'binnendoor', langs Westerlo en Haacht.
Van de stille Kempen gaan werken in de grote stad, dat moet een belevenis zijn geweest.
Frans: « Zeker dat het hier nog de stille Kempen was. Eindhout en Vorst, dat waren stille gemeentekes met voornamelijk boerderijkes. Maar in Brussel-Stad kwamen wij bijna nooit. En wij moesten het groot volk niet gaan zien in de stad, het groot volk kwam naar ons! (toont foto) Hier sta ik in mijn débardeurke en naast mij staan Leopold III en prins Albert! Dat was toen we de eerste bipode (= schragend steunbeen) hebben geplaatst. Honderd en tien ton in één keer recht trekken, dat was ongezien in die tijd. Uit heel de wereld zijn er ingenieurs en werfleiders komen kijken.
En Koning Boudewijn! Die is wel zeven keer incognito op de werf geweest. Dan kreeg ik 's morgens telefoon hoe laat hij zou komen, en dan mocht ik niemand!-niemand! verwittigen, zelfs mijn directie niet. Dan moest ik alleen mijn mannen verwittigen, mannen zijt een beetje voorzichtig dat er niks naar beneden valt! En dan kwam Boudewijn daar aan, met zijn botten en in overall, ge zoudt niet zeggen dat hij de koning was.
't Was ook nog een beetje wild waar we moesten bouwen, dat was daar de vlakte van de Heizel, we moesten eerst struiken en bomen wegkappen voor we de funderingen konden leggen en in de hoogte gaan. En nu is het gemakkelijk om in de hoogte te werken. Ze zetten een reuzenkraan en alles wordt door die kraan omhoog getild. Maar vroeger waren er geen kranen om op grote hoogte te werken. Alles werd gebouwd met stalen masten. In de toppen van die stalen masten liepen de kabels en dat kabelnet was dan de structuur waaraan alles met winches, katrollen en lieren omhoog getrokken werd.
Kabelacrobaat
Stonden er veel toeschouwers op de werken te kijken?
Frans: « Oeioeioeioei! Honderden mensen stonden er. En elke dag kwamen er nog bij. Op het einde kwamen ze met heelder bussen en scholen aangereden. Van Vorst (Kempen) is een bus met schoolkinderen gekomen met de burgemeester en de hoofdonderwijzer. Er was ook een onderwijzer bij wie ik nog in de klas had gezeten, en dat was zo iemand die het durfde zeggen en die zag mij boven op het Atomium staan en die zette zijn handen aan de mond: "Frans! Durfde gij van daar naar beneden komen!?" Waarom niet, heb ik geroepen en ik heb mij -afremmend op mijn bottines en mijn handschoenen- honderd en tien meter langs een stalen kabel laten zakken tot op de grond. Ogen dat ze trokken. Ja, ik was van niks bang in die tijd.
Jullie hebben ook nog de strenge winter van 57-58 doorgemaakt.
Frans: « Heel strenge winter! In het Atomium draaien ze een film van een RTB-reporter die ons gevolgd heeft, en daar ziet ge ons bezig in wind en hagel, in sneeuw en ijs. Wij werkten door hé! Er was geen tijd te verliezen. Tijdens de laatste twee maanden sliepen we maar een paar uren per nacht, ik en mijn twintig beste mannen. We kwamen ook niet meer over huis, we logeerden toen in een hotel in Laken.
Moest u uw mannen motiveren? Door bijvoorbeeld te zeggen: mannen, wij werken aan iets historisch.
Frans: « Ha nee! Het Atomium was niet historisch want het ging oorspronkelijk maar zes maanden blijven staan; en dan hebben ze er nog tien jaar bij gedaan en zo verder. Als ik mijn mannen op iets heb gewezen, dan was het de veiligheid: er mocht géén ongeluk gebeuren! Terwijl ik goed wist dat wij qua arbeidsveiligheid zeker duizend keren over de schreef zijn gegaan. In die jaren is dat opgekomen dat ge met een helm en met een zekering moest werken. En wij werkten in het begin zonder helm en zonder ons te zekeren met riemen en een musketon. Het werd later ook verplicht om met stellingen te werken, maar het Atomium is gebouwd zonder stellingen. Mijn mannen werkten "los", staande op de ijzeren balken of klimmend op de bogen waarop ik kleine sporten had laten lassen. Soms werkten ze ook vanuit een houten bak die met een winch omhoog werd getrokken, maar zo'n losse bak die in de wind hangt, dat is natuurlijk minder stabiel dan een stelling. Ik ben feitelijk benieuwd hoe die mannen van nu het aanpakken, dat zal wel anders gaan!"
Helm en harnas
Als ik onder het Atomium sta om naar de "mannen van nu" te kijken, overvalt me de omvang en de hoogte van het Atomium. Vanop de snelweg zie je het staan als in een souvenirwinkel, maar aan de voet zelf is het een stalen gigant met zijn 102 meter hoogte en zijn negen bollen van achttien meter diameter. Damien Magerat, de project manager van de renovatie beklemtoont dat de basisconstructie nog van uitstekende kwaliteit is. "Er is niet alleen een hoge kwaliteit van metalen gebruikt, ik kan ook zien dat men hoge kwaliteit arbeid heeft geleverd. Zeg dat maar tegen die meneer Cools! "
Stefan Nijskens (32) is de werfleider voor de nieuwe 'huid' van het Atomium. Over de werken van 1956-1958 heeft hij foto's en een korte film gezien, en dat zei genoeg: "Gewoon al de uitrusting van die arbeiders. In de winter stonden ze te werken in een ruwe broek, een dikke pull, een velours vestje en een pet waarvan je de kleppen over de oren kon trekken, dat was alles. Nu hebben wij jassen en broeken uit waterdichte Gore-Tex, Kevlar-handschoenen en een helm mét keuringsbewijs. Als het sneeuwde, hielden die mannen een hand voor hun ogen, wij hebben een skibril op. Als zij in de hoogte moesten werken, werkten ze veelal zonder zekering, wij werken nu mét zekeringen en met een veiligheidsharnas dat jaarlijks gekeurd wordt en dat om en bij de 15OO euro kost. Veel geld, maar je léven hangt ervan af! Als die mannen van toen zich toch eens met een touw zekerden, dan hadden zij niet zo'n riemenharnas aan dat heel je lichaam ondersteunt, nee, bij hen zat dat touw alleen maar vast aan één simpele riem rond hun buik."
"Het moet ook een ontzaglijk en intensief karwei zijn geweest om eerst al die torenhoge masten op te bouwen, want zonder die masten kregen ze niks in de hoogte. Nu laat je twee mobiele kranen voorrijden en je kan beginnen."
"Dat die arbeiders zonder stellingen werkten, dat gebeurt nu niet meer. Dat overal opklimmen langs laddertjes, sporten en bogen, dat zou nu als fysiek te zwaar en in strijd met de arbeidsreglementering worden beschouwd."
Frans Cools zei dat hij en zijn mannen het Atomium nooit als "iets historisch" hebben beschouwd. Het moest "maar zes maanden blijven staan."
Nijskens: "Dat is nu helemaal anders. Op vergaderingen krijgen wij constant te horen: "Besef dat jullie werken aan iets dat uniek is in de wereld! Besef dat jullie werken aan Het Imago Van België!" Ik vind het Atomium ook een sterk staaltje. Dat men een constructie met drie zwevende bollen toch zo'n stabiliteit heeft kunnen meegeven, dàt is een prestatie! Ik heb ook het gevoel dat de mensen uitkijken naar het moment dat het weer àf is. Geregeld staan hier omstaanders te fotograferen en nadien komen ze zeggen: "Ik heb het in '58 gezien en ik ben zo content dat het weer gaat blinken. "
Zelfs toen het Atomium in opbouw was, fungeerde het als attractie. Hier als achtergrond bij een promotiefoto van Touring Wegenhulp (bron: AutoTouring)
Vorken en patatten
Terug naar april 1958, Frans: het schijnt dat het Atomium maar op het nippertje is afgeraakt.
Frans: « 's Nachts om twee uur was het af. Maar ik was niet de laatste: overal in de omtrek waren ze nog gras aan het leggen. Héél die Wereldtentoonstelling is trouwens maar nipt af geraakt. De asfaltwegen! Die waren maar de dag tevoren klaar!
Mathilde: « En dan was het 's morgens plechtige opening en Frans, onze twee jongens en ik stonden op de eerste rij. Vlak bij de koning.
Waren uw ouders erbij?
Frans: « Nee. Buiten mijn gezin mocht ik twee genodigden meebrengen en ik heb twee goeie geburen gevraagd. Mijn ouders hebben de Expo en het Atomium zelfs niet bezocht. Die waren niet geïnteresseerd...
Mathilde: « Onze jongens Willy en Romain hebben die dag nogal plezier gehad in die bakskes van het kabelspoor. Heel de dag hebben ze over en weer gezwierd!
Frans: « Ah ja, ik had voor alles gratis tickets.
Zijn er nooit ongevallen gebeurd bij de opbouw? Er gingen toch geruchten dat er acht of negen doden zijn gevallen.
Frans: « Dat is flauwekul. En ik weet van wie het komt.
Mathilde: « Van die Hollander! Laat dien boek 'ns zien met de patatten! (Frans plooit een album open, met foto's waarop hij het Atomium nabouwt met aardappelen en vorken.) Die foto is van die reporter uit Holland. En hij heeft dat vertelsel van die dooien in zijn boekske gezet. Frans: «Het zat zo. Die reporter kwam vragen of hij mij een dag mocht volgen bij het Atomium. En 's avonds wou hij ook wel mee naar ons thuis in Vorst. En daar, op de keukentafel, heb ik de bouw van het Atomium dan nog eens overgedaan met vorken uit de schuif en patatten uit den hof. Dat was allemaal heel plezant, maar een week later verscheen dat artikel en waren er zogezegd àcht doden gevallen tijdens die "gevaarlijke werken". Terwijl er géén enkel ongeval is gebeurd. Met "Jambes-Namur" hebben wij alles gedaan: de constructie, de verlichting, de verwarming, de roltrappen, de installatie van de tentoonstellingsruimtes, en dat allemaal zonder één ongeluk. Maar ja, die ene reporter moést zijn ongelukken hebben zeker.
Mathilde: « Hier zijn in '58 véél reporters geweest. Soms wel drie op een dag!
Frans legt aan zijn twee zonen Willy en Romain uit hoe hij het Atomium in elkaar zet. (Bron: eigen archief Frans Cools)
Frans: « Dat Atomium met patatten en vorken heb ik enkele jaren geleden nog teruggezien in de kranten, het werd gebruikt voor de promotie van de Belgische aardappel, maar aan mij zijn ze niks komen vragen natuurlijk. (wijst op de foto) Mijn twee oudste jongens zitten erbij, Willy (l.) en Romain (r.). Met Romain is later een triestig ongeluk gebeurd. Hij zat in Leuven, was bijna afgestudeerd als licentiaat in de Toegepaste Economische Wetenschappen, en als praeses zat hij op een avond met een kameraad nog wat te werken in het cafetaria van T.E.W. Omdat het eerder ongewoon was dat er zo laat nog licht brandde, hadden mensen de politie opgebeld, en één nietsnut van een politieagent heeft aan een inbreker gedacht en heeft hem zomaar een kogel in de nek geschoten. Dood! Dat was in 1971. (schudt hoofd) Nog geen tweeëntwintig jaar was die jongen.
Mathilde: « Zoiets meemaken, dat is een groot verdriet!
Duitse nylonkousen
De Expo liep zes maanden en telde meer dan eenenveertig miljoen bezoekers. Zijn jullie tijdens die zes maanden vaak naar het Atomium gaan kijken?
Mathilde: « Elke zondag. En na '58 zijn we daar ook nog heel dikwijls geweest. En toen we vijftig jaar getrouwd waren, heeft onze jongste zoon Marc het kunnen arrangeren dat we konden gaan eten in het restaurant van de bovenste bol. Dat was in '98. De burgemeester van Brussel is zelfs langs geweest!
Frans: « De làtere burgemeester Thielemans was toen nog eerste schepen. Die heeft ons nogal getrakteerd. Wijn! Champagne! En zelf flink mee drinken hé.
Tal van internationale beroemdheden hebben de Expo én het Atomium bezocht. Charlie Chaplin. Walt Disney. Grace Kelly.
Frans: « Ja, ik heb ze allemaal gezien, gesproken en een hand gegeven want ik moest ze bijna altijd rondleiden. Marilyn Monroe heb ik ook rondgeleid. Drie kwartier lang! Die heeft ons bezocht voor de Expo open ging. Ja, met al die beroemdheden kwam ik bijna elke week op de televisie.
Heel het dorp zal daarover gesproken hebben.
Frans: « Nee, daar is feitelijk weinig van gesproken.
Mathilde: « De meeste mensen hadden ook geen tv toen. In het dorp waren er misschien maar drie. In de fietsenwinkel hadden ze er bijvoorbeeld één staan en als Frans 's avonds op tv kwam, dan kwamen ze ons gauw roepen. Maar voor de rest werd daar geen spel rond gemaakt.
Artikels uit die tijd gaan heel vaak over de techniek en de vooruitgang, de wereldverbroedering en de welvaart die alle mensen te wachten stond.
Frans: « Ja, zo waren de gedachten van de mensen toen. En zeker op het vlak van techniek is er nadien veel gebeurd. Kijk naar de atoomenergie. Die ontwikkeling was voorzien, want zeker vier bollen van het Atomium waren gewijd aan atoomenergie. In één bol hebben wij zelfs een kernreactor op schaalmodel geïnstalleerd, een zwààr spel was dat! (Kort na Hirosjima moést "atoom" een vredelievend en vooruitstrevend begrip worden. De atoom-expo's in het Atomium hadden als titel "ATOOM = HOOP" en uit de V.S. kwamen toen tekenfilms als "Walt Disney Stelt Voor: Onze Vriend het Atoom!" jh)
Mathilde: « Maar in eigen huis hadden we toen nog niks. In '58 had ik geen stofzuiger, geen ijskast, geen wasmachine. De mensen die toen naar de Wereldtentoonstelling gingen, hadden veel om naar te kijken natuurlijk. De beste marchandise van heel de wereld was er. Ik heb daar Duitse nylonkousen gekocht, ik heb er nooit geen betere gehad! 't Was nog de goeien tijd. D'r was minder oorlog en de mazout was ook véél goedkoper dan nu.
Bij de keizer van Japan
In 1958 was u een Bekende Belg want toen de KLM op 1 november 1958 een nieuwe 'luchtweg' opende over de noordpool naar Tokyo, zat het vliegtuig vol VIP's en u was erbij als énige Belg!
Frans: « Dat kwam zo. De KLM wilde naast zijn directie en twee Hollandse ministers van elk West-Europees land een 'eminente vertegenwoordiger' meenemen. Van Engeland moest dat iemand uit De Sport zijn, van Italië iemand uit De Film, van Spanje uit De Folklore, van Scandinavië uit de Literatuur, en van België moesten ze iemand van De Arbeid hebben omdat hier de Wereldtentoonstelling en zoveel grote werken waren gebeurd. Er is dan een uitverkiezing geweest, en KLM maakte dan bekend dat ze mij gingen meenemen en niet de grote mannen zoals de ontwerper, de ingenieurs en de architecten van het Atomium. Omdat ik in hun ogen de échte bouwer was. Ja, toen had ge die grote mannen moeten zien, zo'n làng gezicht!
En zo zat ik in dat éne vliegtuig met onder andere de gekende Engelse voetballer Stanley Matthews en met de Italiaanse filmacteur Amedeo Nazarri. Dat is dé man die Gina Lollobrigida heeft opgeleerd! Lollobrigida zelf zat ook in dat vliegtuig, met haar heb ik ook gesproken, maar zij is na Tokyo bijna direct doorgevlogen naar Amerika. Nog een bekende aan boord was Godfried Bomans; die was door de KLM uitgenodigd als verslaggever. Fijne man. Geweldige humorist.
Mathilde: « Daar zijn er al veel dood, van die mensen die mee op die vlieger hebben gezeten.
Frans: « Wat we daar allemaal bezocht hebben in die drie weken. Tokyo! Kyoto! De Fujijamaberg! Hirosjima! Osaka! En overal waar wij uit het vliegtuig stapten, stonden ze te dansen en met vlaggetjes te zwaaien. Iets ongelooflijk. En dan heb ik nog iets uniek meegemaakt. Op een avond zaten we aan een banket met de zoon van keizer Hirohito - die Akihito heette en die nu keizer is- en onder vier ogen nodigde hij mij uit om de volgende dag een bezoek te brengen aan zijn ouders op het paleis. Ik heb dan toelating gevraagd aan de KLM en de zoon van de keizer is mij persoonlijk komen ophalen met zijn wagen. Dat ik op het paleis mocht komen, kwam door Hirohito die fel in het Atomium geïnteresseerd was, en die verder ook een goeie vriend was van het Belgische koningshuis. De pauselijke nuntius in Tokyo , Graaf von Fürstenberg, was daar ook, maar verder was er niemand anders dan de keizerlijke familie en ikzelf. Ik denk dat ik de eerste Belg was die daar is ontvangen. Bij Boudewijn en Fabiola heeft het nog tien jaar geduurd eer ze daar kwamen. Ik denk zelfs dat ze door mij buiten het protocol zijn gegaan, want ik heb moeten beloven dat ik mijn bezoek voor iedereen geheim zou houden.
In Japan zijn er ook grote artikels over mij en het Atomium verschenen. Ik herinner mij dat de president van KLM in mijn hotelkamer kwam, hij liet een engelstalige Japanse gazet zien: "Hier! Een volle bladzijde over Frans Cools en het Atomium! En over mij, de grote baas van KLM, nog niet één regeltje!"
Mathilde: « Ja, Japan, dat is iets speciaal hé. Daar zitten ze op hun gat om te eten. Frans heeft er schone foto's van. (Hij laat er enkele zien.) Ziet ze zitten met hun sokken onder tafel.
Frans: « Dat hadden de geisha's zo bevolen. Die gezelschapsdames hadden de leiding van die maaltijd, die wisten perfect hoe ge u moest gedragen aan de Japanse tafel. Die aten voor, die dronken voor, alles hebben ze voorgedaan.
Wat dacht u? Deze eenvoudige Kempenzoon heeft het toch maar vér gebracht.
Frans: « Ik zal u zeggen zoals het is. Tussen al die ministers en beroemdheden was ik eigenlijk de minste, en toch was ik dé gevierde man. Godfried Bomans is tijdens die drie weken niet van mijn zijde geweken. Stapte ik in een bootje of ging ik ergens aan tafel, dan deden hij, een Hollandse minister en een Hollandse verslaggever àlle moeite om naast mij te zitten. Ze hoorden me graag bezig, zegden ze. Tja, als ge dan uit een familie van boerenwerkers komt, dat doet toch iets.
Koolmijnen en kerncentrales
Het Atomium was voor u slechts een hoofdstuk. In heel België hebt u nadien nog snelwegbruggen aangelegd.
Frans: « Het viaduct van Charleroi! Het viaduct van Polleur nabij Verviers! Het viaduct van Vilvoorde! Wie daarover rijdt, denkt dat het beton is, maar dat is een stalen constructie! En hier, het viaduct van Béez! Vanop die brug heb ik koning Boudewijn gewezen waar de rots van Marche-les-Dames is. Kijk, Sire, dààr is de rots, dààr is uw grootvader gevallen. En de koning verschoot gelijk toen ik dat zei. Béez was iets speciaal voor mij, want terwijl ik met de koning aan het klappen en het doen was, heb ik de zoon van mijn oudste broer voorgesteld. Die werkte daar ook, die heette Boudewijn Cools en ik zei tegen de koning: "Sire. Dit is Boudewijn Cools en hij is uw allereerste petekind." En ja, hij herinnerde het zich nog. (In een gezin met zeven opeenvolgende zonen kunnen de ouders de koning als peter vragen voor hun zevende spruit,jh). En hier, het viaduct van Charlemagne, ook iets geweldig, dat ligt tussen Dinant en Anseremme tachtig meter boven de Maas. Dat zijn allemaal stalen constructies en die heb ik allemaal gebouwd. Overal was ik de conducteur, de leider van de werken. En dat als Vlaming voor een Waalse firma! Dat wil toch wat betekenen. (vouwt plan open van één viaduct ) Zo kan ik nog wel twintig plannen laten zien.
Mathilde: « Als gij die allemaal laat zien, dan is die mens morgenvroeg nog niet thuis.
Frans: « (onverstoorbaar) De brug over de Maas in Luik! De brug over het Albertkanaal in Luik! De brug in Merksem die langs het Sportpaleis en over het Albertkanaal voert! Dat was de eerste brug met een bocht erin in België.
Mathilde: « Als wij ergens naartoe rijden, dan is het: en dat is een brug van mij en dàt is ook een brug van mij. Overal!
Frans: « Als ik een autostrade neem om uit België te rijden, dan kom ik zeker drie van mijn bruggen tegen. En dan spreek ik nog niet over de grote gasbollen van Esso en SIBP in de Antwerpse haven. Of over de grote ophaalbrug van het Zevende Havendok. Of over de portaalkraan van Cockerill Yards die ge in heel Hoboken ziet staan. Bruggen, viaducten, scheepswerven, ik heb het allemaal gedaan.
En dan nog mijnschachten ook.
Frans: « In de Borinage! In Limburg! Zwartberg, Beringen, Winterslag! Overal heb ik in de jaren zestig en zeventig grotere schachten over de bestaande oude schachten gebouwd. Dat moest altijd in een mum van tijd, dat was elke keer dag en nacht werken, zonder te stoppen. En ge zult zeggen, dat is de oude steenkool, dat is niet modern, maar ik heb ook het SCK in Mol en de atoomcentrale van Doel 1 en Doel 2 gebouwd! Plus Tihange 1 én Tihange 2! In zo'n kerncentrale zitten duizenden kilometers laswerk.
Het kan niet anders of u was als kind een knutselaar.
Frans: « Knutselen? Dat kenden wij niet. Een meccano? Dat bestond toen niet. Het enige met stokken en wielen was de kruiwagen van ons vader en daar kondt ge mee door den hof lopen, dat was àlles!
Ik zal u nog wat vertellen. In Doel 2 is mijn broer Joseph naar beneden gevallen. Drieëntwintig meter diep, van de ene stelling slagend op de andere, en zo tot op de bodem van dat reactorvat. Niks gebroken, alleen wat ribben, en ja, zijn nek was eigenlijk ook geknakt maar juist niet gebroken. Twee jaar is hij thuis moeten blijven, maar nadien is hij nog tien jaar met mij mee gaan werken als eerste man (=ploegbaas)!
Oud ijzer
Bron Humo.be/ Digital images/ Thomas Legrève
Frans: « Vanaf 1956 heb ik ons land écht zien opkomen. Dertig jaar lang was er precies alleen maar vooruitgang. Het ene viaduct was nog niet af of ik moest al aan een ander beginnen. De ene mijnschacht was nog niet klaar of ik moest al elders beginnen bouwen. Maar in de jaren tachtig kwam de mot in die vooruitgang.
De snelwegbruggen en het Atomium staan er nog. Maar "uw" scheepswerf en de steenkoolmijnen zijn intussen opgedoekt. Doet dat pijn?
Frans: « Het is vooral heel spijtig voor de mensen die daar hun werk hadden. Voor hen moet dat zeker pijn doen. Maar d'r is niks aan te doen hé. Hoeveel industrie is er in België al niet dicht gegaan? Zelfs ons bedrijf "Jambes-Namur" is in '87 ook dicht gedaan. Een bedrijf waar ooit zeshonderddertig mensen werkten. De staat bezat 51% van de aandelen en ineens zag de regering Martens er geen brood meer in en de poort ging dicht.
De laatste dertig jaar was het Atomium veel van zijn glans verloren, letterlijk en figuurlijk.
Frans: « Ja, ze hebben er jàren niet naar omgekeken. 't Was triestig om zien hoe die bollen d'rbij stonden. Ik ben blij dat ze nu met de renovatie bezig zijn (geschatte kosten: 28 miljoen euro,jh) . Ik ben ook uitgenodigd om ernaar te gaan kijken samen met Guy Cools. Hij is de inspecteur-generaal voor de Vlaamse Gemeenschap wat betreft metaalconstructies en... zijn vader is mijn jongste broer die getrouwd is met de weduwe van die broer die in Kongo verongelukt is. Zo komen de stukskes van de puzzel toch weer samen.
De stukken aluminium van de bollen worden vervangen door inox dekplaten en de VZW Atomium verkoopt duizend van die oude platen -mét certificaat- voor duizend euro per stuk. Zou jij zo'n stuk willen kopen?
Frans: « Dat ziet ge van hier! Wie wil er nu veertigduizend frank betalen voor nog geen twee vierkante meter van die ouwe aluminium?! En zo willen ze duizend van de negenduizend platen verkopen. Je moet maar durven, commerce doen met die ouwe brol.
Spreken de mensen u nog dikwijls aan over het Atomium?
Frans: « In het dorp niet zo veel. Maar in '98 toen de bollen er veertig jaar waren, heb ik het ereburgerschap van de gemeente Vorst-Laakdal gekregen en toen zijn er wel wat kranten en tv geweest. Op VTM ben ik zelfs te zien geweest in het programma Wie van de Drie: de jury van Bekende Vlamingen moest raden wie de échte Atomiumbouwer was, maar alleen Goedele Liekens had op mij gestemd.
Mathilde: « Die zei dat ze op u stemde omdat uw kletskop even hard blonk als de bollen van het Atomium vroeger (lacht).
Frans: «(mijmerend) Ge hebt met koningen en keizers aan de tafel gezeten, maar wat zijt ge d'rmee? Niks. Ik ben nu ook maar een gepensioneerde met zijn medaille, zijn doos foto's en zijn herinneringen.
Mathilde: « Zo gaat dat bij iedereen. Wie niet meer werkt, die wordt niet meer geteld.
Frans: « Och, ik zoek die bekendheid zo niet. Maar wat ik wel spijtig vind is dat mijn foto nergens hangt in heel dat Atomium. De ontwerper, de architect en al de grote bureaumannen hebben hun foto daar, maar van mij is er niks.
Mathilde: « Onze twee namen staan toch boven, op één van die 'arcen'?
Hebben ze dat daar gegraveerd?
Mathilde: « Neenee. Wij zijn dat dat daar zelf stillekes gaan opschrijven. Met een dikke stift.
M’n cadeau voor Frans bij zijn 90ste verjaardag. (c) jh
<w> Medailles op de Winterspelen: Max Houben, de zilveren bobslee-Belg.
Bart Swings heeft een gouden medaille behaald om de Olympische Winterspelen in China. Voor eerder Belgisch goud (op winterspelen) moeten we teruggan naar 1948. Toen won het koppel Lannoy-Baugniet een gouden medaille in het kunstschaatsen. Er was in dat eerdere gouden jaar ook een zilveren medaille in de bobslee-met-vier. Max Houben was één van hen, hij was een allround-athleet, en één van de weinige Belgen die zowel aan de winter- als op de zomerspelen deelnam (Houben was ook olympisch hardloper). Daarnaast was hij een begenadigd voetballer en met de eersteklasseploeg Union (die nu zijn revival beleeft) behaalde hij een landstitel.
Zijn dochter en zoon vertellen.
Een bijzonder winterverhaal over een jongen uit Verviers, zijn triomfen en zijn tragisch einde op het ijs.
Max Houben © Archief Sportimonium
"Papa had amper getraind en de bobslee was geleend van een plaatselijke club.”
(Humo februari 2006 ingekort © Jan Hertoghs
Op internet is nauwelijks wat over Houben te vinden. In Verviers is er een straat die zijn naam draagt, en verder wordt hij alleen vermeld in eindeloze olympische klassementen en in quizvragen ("Wie is de oudste medaillewinnaar op de winterspelen?") Het is Houben, hij was bijna vijftig toen hij het zilver in het bobsleeën behaalde. In de Larousse, Winkler Prins en Standaard Encyclopedie staat geen letter over hem. Alleen de Encyclopedie van de Belgische Sportlui schijnt hem te kennen, in een kolommetje van acht centimeter. HOUBEN, Max - Eén van de grote figuren uit de Belgische sportgeschiedenis. Nationaal kampioen 100m (1920). Halve finalist 200 m op de Olympische Spelen in Antwerpen (1920). Uitstekend voetballer in eerste afdeling (CS Verviers, Union Sint-Gillis)" Het naslagwerk vermeldt ook dat hij als bobsleeër deelnam aan vier Olympische Winterspelen: 1928 St. Moritz, 1932 Lake Placid, 1936 Garmisch-Partenkirchen en 1948 St. Moritz waar hij zilver behaalde in de viermansbob samen met Jacques Mouvet, Freddy Mansveld en George Niels.
Het zijn intrigerende gegevens, topvoetballer zijn en olympisch hardloper en olympisch bobsleeër. Ik bel naar het BOIC en van de zilveren bobslee uit 1948 vinden ze nog één adres terug: George Niels, hij zou in Miami wonen. Ik draai het nummer in Florida, zijn weduwe neemt op: Niels is al vijf jaar dood en zat de laatste elf jaar van zijn leven in een rolstoel.
Dan maar de krant uitspellen. De Winterspelen van 1948 duurden van 30 januari tot 8 februari en Le Soir heeft een envoyée spéciale ter plaatse. Zij omschrijft de atmosfeer in St. Moritz als "erg druk" en het lijkt erop alsof de winterspelen alleen te kampen hebben met horecaproblemen: "De hotels zitten overvol en in de restaurants is het zo druk dat de kelners geen tijd hebben om uw bestelling te noteren." Die ene zin typeert een heel tijdsgewricht. Zwitserland is het Hotel Europa dat tussen 1940 en 1945 zijn interne deuren heeft kunnen sluiten en dat op die manier aan de wereldbrand is kunnen ontsnappen. En nu, drie jaar na de oorlog, werpt het zich op als de ideale plek waar atleten van alle naties mekaar terug kunnen vinden in een nieuwe broederschap. In werkelijkheid zijn de witte bergtoppen en de blauwe luchten een onwezenlijk decor, want aan alle grenzen van dat alpine sprookjesland regeert een bestaan van naoorlogse ellende. Duitsland ligt in puin en kent diepe armoede, Italië zit economisch aan de grond met miljoenen werklozen, Oostenrijk is bezet door de geallieerden, en Frankrijk wordt verteerd door sociale onrust. Toch zal de "olympische show" doorgaan, en de verslaggeefster van Le Soir noteert.
29 januari: Er blijken "meer dan duizend atleten" te zijn opgedaagd in plaats van de verwachte 919 ("dat zorgt voor bijkomende logeerproblemen!") Voor de 640 ingeschreven journalisten zal de Zwitserse PTT honderd kilometer extra telefoonkabel aanleggen "zodat 288 reporters tegelijkertijd een telefoongesprek kunnen voeren met hun redactie". Er zijn ook VIER televisieploegen aanwezig, twee Engelse en twee Amerikaanse.
De Belgische viermansbob die zilver won (Sportclub febr 1948) ©
30 januari: De reporter van Le Soir is naar de bobsleepiste gaan kijken, en vooral naar de gevaarlijke bochten: "Hier staan de toeschouwers graag te kijken omdat de sleërs bijna verticaal passeren en ze moeten opletten dat ze niet over de ijsmuur vliegen!" Over de Belgen wordt niet gesproken, "vooral Engelsen en Amerikanen zijn sterk in dit nummer". Onze landgenoten moeten het zowel in de tweemans- als in de viermansbob opnemen tegen zestien andere equipes.
31 januari: Gisteren zijn deze Vijfde Winterspelen geopend, maar op de frontpagina is er ander wereldnieuws uit India: Mahatma Gandhi is vermoord! De openingsceremonie in St. Moritz vindt plaats voor zo'n 8OOO toeschouwers en er is een vlaggenoptocht van de 28 deelnemende naties, "een stoet die vaak stil staat, en opgefleurd wordt door sneeuwballengevechten tussen atleten en toeschouwers." Die eerste dag zijn er ook al wedstrijden en in een eerste manche van de boblet (bobslee met twee) eindigen Houben en Mouvet als derde.
4 februari: op de sportbladzijden staat een kleine foto van Houben en Mouvet in hun boblet. Ze zien er grappig uit met hun pothelmpje en ronde zonnebrillen. "Piloot" Houben heeft twee ijzeren "teugels" in de hand waarmee de glij-ijzers onder de slee bestuurd worden.
7 februari: Generaal Otto von Stulpnagel, militair gouverneur van Parijs tijdens de oorlog (alias "le boucher de Paris") heeft zich opgehangen in zijn cel. In de eerste manche van de bobslee met vier eindigen de Belgen op de derde plaats, ex-aequo met de Noren.
8 februari: het nieuws haalt niet eens de voorpagina, maar gisteren hebben de Belgen voor de allereerste keer sinds 1924 goud én zilver gehaald op winterspelen. Het artikel op pagina zes is grotendeels gewijd aan Micheline Lannoy en Pierre Baugniet, het koppel dat goud heeft gehaald in het kunstschaatsen. Over de zilveren medaille van de Belgische bob-met-4 staat alleen de uitslag te lezen: Houben en zijn team waren 1 seconde en twee tiende trager dan de Amerikanen.
Het Belgische kunstschaatsduo Lannoy-Baugniet dat goud behaalde in 1948 (Sportclub)
9 februari: Aan het kunstschaatskoppel worden nog vijftien lijntjes besteed, maar over het zilver in de bobslee wordt niet meer gerept. En toch doet Le Soir daarmee beter dan de Vlaamse kranten: zij behandelen de winterspelen met nog minder alinea's want zij hebben immers geen bourgeois lezerspubliek dat vertrouwd is met de wintersport en met de veelal franstalige deelnemers.
De Film Van St. Moritz
Hoe dan ook, de winterspelen in St. Moritz zijn een succes. Met het goud en zilver eindigt België bij de tien beste landen, we zijn negende vlak na Zwitserland! Een Vlaams magazine dat wel aandacht besteedt aan St. Moritz is Sportclub, een weelderig geïllustreerd sportweekblad , dat acht bladzijden zal besteden aan de Winterspelen met een hele reeks foto's (Wij Bieden U Deze Week: De Film Van St. Moritz!) Alles is het werk van Onze Afgevaardigde Ter Plaatse en die is lyrisch over zijn sportieve verblijf in "het gastvrije Helvetië". Zo spreekt hij over atleten die "gehoor hebben gegeven aan de roep van de bergen" en besteedt hij een hele passage aan "de bekoorlijke en van geluk stralende Amerikaanse schaatsdames". En dan is er natuurlijk de onverkorte bewondering voor het Belgische presteren. Getuige de gouden overwinning van het schaatskoppel Lannoy-Baugniet: "Een geestdriftig publiek bezorgde hen een langdurige ovatie nog voor de jury de uitslag bekend maakte. Waarlijk, dit was geen zege, dit was een triomf!"
"Onze bobsleigh-mannen" oogsten vooral bijval door hun onverwacht resultaat; bij een foto van het zilveren viertal vermeldt het onderschrift: " Men kende geen kans toe aan het Belgische bobsledeteam. De onvervaarde Houben en Mouvet kenden iets van bobslee, doch Mansveld en Niels waren niet erg op de hoogte. Een tweede plaats is dan ook meer dan prachtig!"
Bobslee van de baron
Ik ga ervan uit dat Max Houben nog familie heeft in België, maar wààr? Omdat hij als jonge voetballer bij CS Verviers heeft gespeeld, tik ik "Houben" en "Verviers" in op Infobel. Er verschijnen acht telefoonnummers, ik pik er willekeurig één uit, het is Pierre Houben, en hij is een kozijn van Max, vous avez de la chance! En dat ik zijn zus Micheline in Brussel moet bellen, die heeft af en toe nog contact met Nadine Houben, dat is de dochter van oom Max. Als Micheline hoort dat ik Nadine wil spreken, slaakt ze een zucht: "Oh, die zal blij zijn, want zij aanbàd haar papa!"
Dat ze blij is, is te weinig gezegd: Nadine Houben is in de wolken. "U wil een reportage maken over mon p'tit papa?! Ah dis, vous me donnez la chair de poule! Komt u maar gauw langs. Kan u morgen komen? Of overmorgen? " Wel drie keer zal ze nog zeggen dat mijn telefoontje haar kippenvel bezorgt. En dat ze toute émue is, en dat op 1O februari 2006 de winterspelen beginnen in Turijn en dat 1O februari "ook de sterfdag was van papa." Ze heeft daarstraks nog aan die sterfdatum zitten denken, en wat een verrassing "dat u nu opbelt." Ze zegt dat hij een fantastische vader was en een groot atleet en dat ze met plezier op al mijn vragen zal antwoorden, je vous embrasse de loin!
Als ik de 83-jarige dochter twee dagen later opzoek op haar seniorie-appartement in Ukkel, vertrouwt ze me toe dat ze geweend heeft na mijn telefoontje: "Het was van vreugde, ik was zo aangedaan dat er toch nóg iemand aan hem denkt." Het appartement hangt vol kleine en grote schilderijen, ergens moet een witte poes onder de zetels zitten, en op de tafel ligt een papierwinkel die ze voor de gelegenheid heeft opgeruimd door er een laken overheen te trekken. We drinken rode wijn, en tussen de verhalen door blijkt dat ze zelf ook geen gewone tante was: ambulancier en verpleegster voor het Engelse leger in de nadagen van de oorlog, secretaresse op de diensten van de Belgische Handelsmissie in Washington (van 1945 tot 1948) en later secretaresse in Parijs, waar ze werkte voor Roger Ockrent, de chef van de Organisatie van Europese Economische Samenwerking (= voorloper van de OESO). Dat vermeldt ze terloops, ze wil zo graag over haar vader praten, en ze is zo verguld met m'n vragen dat ze al na de derde question een fotocopie neemt van mijn vragenblad. Alles van vandaag is een herinnering, alles is een souvenir.
Ingescand uit Humo © Stephan Peleman
Humo: Om bobslee te rijden moest je toen van rijke komaf zijn.
« Ja en nee. De ouders van papa waren bemiddeld, maar hijzelf was dat niet. Zijn vader had een traditionele leerlooierij in Nismes en een bedrijfje in Verviers dat drijfriemen maakte voor de textielindustrie. De Houbens hadden dus geld, maar die twee bedrijven zijn in handen gekomen van zijn oudste broer. Papa zelf was vertegenwoordiger van Sabca (=vliegtuigmotoren), en dat was een goedbetaalde job, maar meer ook niet. Mama was de dochter van een grote hoteleigenaar in Parijs, zij was gewend aan een royale train de vie, maar omdat papa geen grote verdiener was, moest ze spaarzaam leven, en daar is vaak felle ruzie over geweest.
Om toch aan bobslee te kunnen doen moest papa begoede sportlui aanspreken om met hem een equipe te vormen én dus ook mee de kosten te dragen. Die mannen moesten alles zelf betalen: de reis, de logies, het materiaal (ook het startgeld was toen voor eigen rekening,jh) Van subsidies was toen nog amper sprake. Ze hadden zelfs geen eigen slee als ze aan die Olympische Spelen of aan andere wedstrijden deelnamen. De bobslee-voor-twee mochten ze gebruiken van de rijke baron René Lunden, dat was een vriend van papa die tijdens de oorlog nog een Spitfire gevlogen heeft! (De baron Lunden was zelf een prima bobber, op het WK in St Moritz in 1939 haalde hij de gouden medaille in de boblet met twee,jh)
Humo: En de bob met vier, leenden ze die ook van de baron?
« Nee, dat was meestal een goedkoop exemplaar dat ze gingen lenen bij een plaatselijke club, daar waar de wedstrijd werd gehouden. Dat is ook in Sankt Moritz zo gebeurd en dan zilver halen, dat is toch een bijzondere verdienste, nietwaar?!
Kwik en Flupke
Humo: Max Houben was nog een echte amateur. Iemand die de sport beoefende uit liefde voor de sport.
« Bij hem was het passion du sport! En als hij aan een nieuwe sport begon, dan ging hij daar helemaal in op en dan moést hij daarin uitblinken. Zodoende is hij ook Belgisch kampioen geworden op de honderd meter en is hij op de Olympische Spelen in Antwerpen (1920) dicht bij de 200-meter-finale geraakt. Ik ben trouwens zeker dat hij één van de zeer weinige Belgen is die zowel aan de olympische winter- als zomerspelen hebben deelgenomen. Papa was ook een heel goeie voetballer. Hij heeft in de hoogste klasse gespeeld, eerst voor CS Verviétois en later voor het grote Union St Gilloise (dat "Union" behaalde tussen 1904 en 1935 élf landstitels,jh) Voor de volledigheid kan ik ook zeggen dat hij een prima tennisser was en dat hij als autopiloot ook nog heeft deelgenomen aan de 24 uren van Francorchamps.
Humo: Was uzelf ook sportief?
« Helemaal niet! J'étais une cloche terrible! Ik hield van schaatsen, van dat fijne geluid van ijzers die over het ijs gaan, en in gedachten zag ik me ook al walsen over de piste, maar je had me moeten zien stuntelen en struikelen (lacht)! Dat vond ik wel erg. Bij hem lukte alles en bij mij lukte niks. Maar we konden heel goed opschieten met elkaar. We plaagden mekaar en maakten grapjes, ik kon papa doen lachen dat de tranen in zijn ogen sprongen, ja, wij waren echt copain-copine.
De Amerikaanse tweemansbob op training in Skt Moritz. (uit The Olympic Century)
Humo: Deed uw vader sportief-avontuurlijke ondernemingen met zijn gezin?
«Nee. Want mijn moeder hield daar niet van. Ze zat liever met haar vriendinnen te bridgen. Hij heeft ons wel met kerstmis 1948 naar Klosters meegenomen en daar hebben we toen leren skiën. Et nom de pipe, hij was de rapste, hij had die sport al na een paar uur onder de knie!
Diezelfde winter heeft hij me ook voor het eerst in de bobslee meegenomen op de piste in St. Moritz. Er waren genoeg gegadigden, toeristen die zich rond dat parcours verdrongen en die ook wel eens met een "piloot" wilden meesuizen. Maar papa had er geen zin in. Hij had ooit enkele passagiers gehad, en die deden het bijna in hun broek, die hingen constant aan de hendel om af te remmen. Onze eerste rit was tamelijk snel, en papa keek blij achterom aan de finish, dat het zo goed gegaan was met zijn dochter. En dan heb ik gevraagd of hij nog een tweede rit wilde maken, maar, zei ik, "deze keer ben ik niet uw dochter maar uw tweede bemanningslid". En toen heeft hij geracet alsof het een wedstrijd was, dat wil dus zeggen dat ge alleen maar aan de rem trekt nà de finish! En ik zie ons nog samen naar beneden razen, ik met mijn armen rond zijn middel, en zo naar de finish! En wat de mensen zich niet kunnen voorstellen, dat is dat holle lawaai als die metalen slee door die ijstunnels snelt, dat klettert en dat rammelt, c'était fou, c' était terrible! Maar geen seconde ben ik bang geweest, ik had het volste vertrouwen in mijn papa.
Humo: Hoe is uw vader met dat bobsleeën begonnen?
« Toen hij jong was, woonde de familie in Verviers, en hun huis lag aan een hellende straat en in de winter ging hij met één van zijn broers op de slee naar beneden. Het was een stevige houten slee, mét een stuurtje bovendien, en eerst schoven ze alleen door hun eigen straat, maar op de duur zwierden ze door alle straten van Verviers.
Humo: Zoals Kwik en Flupke!
« Exactement! En toen ging dat nog, er waren weinig of geen auto's op de straat!
Humo: Hebben ze uw vader nooit gezegd dat hij gek was om zo'n gevaarlijke sport te kiezen?!
« Natuurlijk. En dan zei hij dat het gevaarlijker was om als voetganger de straat over te steken in Brussel. Och, het zàt gewoon in hem, alles wat snelheid en uitdaging was, daar hield hij van. Maar bobslee is ook een sport van kameraden. Je zit met zijn tweeën of zijn vieren op dat onderstel en elkeen moet harmonieus mee bewegen, en dat kan maar als je honderd procent op mekaar bent afgestemd. Maar het was inderdaad een gevaarlijke sport. Langs dat parcours in St. Moritz stonden toeschouwers die alleen maar hoopten dat er een bob over de kop zou gaan.
Vader met zijn vlag
Humo: Uw vader was op de winterspelen van St. Moritz de vaandeldrager van de Belgische delegatie.
« Ja, omdat hij de oudste deelnemer was en de Belg met de meeste olympische deelnames. Thuisgekomen zei hij: je kan je niet voorstellen wat je dan allemaal voelt als je met de vlag van je land tussen al die applaudisserende mensen stapt. Het had hem heel erg geëmotioneerd.
Humo: St Moritz was toen één van de meest mondaine plaatsen ter wereld: de place to be voor koningen en prinsen in ballingschap, rijke bankiers en beroemde sterren 'van het witte doek".
« Papa was helemaal niet mondain. In die kringen hield hij zich niet op. Ik heb hem na St. Moritz trouwens maar weinig horen vertellen over zijn olympische belevenissen. Dat kwam door zijn aangeboren bescheidenheid maar ook door de sfeer in huis: de relatie tussen mijn ouders was al jaren fel verzuurd. Ik denk zelfs dat hij zoveel aan sport deed om thuis weg te kunnen zijn.
© Archief Sportimonium
Humo: Had hij lang getraind voor die winterspelen van 1948?
« Maar nee! Hij heeft nooit getraind in al die jaren. Hij zorgde ervoor dat hij algemeen in goede conditie was en korte tijd van tevoren arriveerde hij dan om een paar trainingsritten te maken. Neem St. Moritz, daar is hij twee dagen voor het begin van de spelen aangekomen. De Belgen stonden daar dus tegenover de Amerikanen die al wéken aan het oefenen waren. En terwijl de Amerikanen de meest gesofisticeerde uitrusting in grote koffers hadden overgevlogen, stonden zij daar met hun geleende bobslee. Eén team van de Amerikanen was voor hen, zij hebben goud behaald, maar het tweede team van de States hebben zij verslagen. En ook de Zwitsers waren slechts vierde. Net goed! Die hadden nogal uit de hoogte gedaan tegen les petits Belges met hun prutsmateriaal. En dat papa hen klopte op hun éigen baan waar zij heel die winter getraind hadden, (lacht) dat vond ik formidabel!
Wij zijn gekken
Bobslee (met twee of vier) is al een olympische discipline sinds 1924 (Chamonix). Het vreemde is, België heeft geen bergen of bobsleebaan, maar de Belgische deelnemers zijn er al bij vanaf Chamonix, en ze haalden toen zelfs brons in de vijfmansbob (meteen de eerste wintermedaille voor België). Tussen 1924 en 1956 stuurde België zelfs eenendertig bobsleeërs naar de zeven winterspelen en Max Houben is de "sledder" met het grootste aantal deelnames: 1928,1932,1936 en 1948.
Het bobsleeën zelf dateert al van 1888 toen Engelse wintersporters twee kleine sleeën met planken aan elkaar verbonden en met die "bob" suisden ze over de landwegen in St. Moritz. De eerste bob course werd ook in St. Moritz aangelegd, in 1902.
Vroeger was sneeuw de enige bouwstof, maar door het opvoeren van de snelheden moesten ook de muren in de haarspeldbochten verhoogd en versterkt worden, en daarvoor had men ijs nodig, dikke platen ijs die uit een nabijgelegen meer werden gezaagd. De platen werden tegen mekaar "gemetseld" en in laatste instantie werd het tracé met water besproeid zodat de hele baan in een ijscorridor veranderde. "En dan is het wachten tot de metalen gevaarten onder sinister geratel voorbij zullen daveren en de toeschouwers behoedzaam terug zullen deinzen". (uit "Mensen in de sneeuw en op glad ijs" - B. Banen ) Een bobslee met vier inzittenden woog toen om en bij de 6OO kg, en om een eventuele crash te overleven droegen de bobbers slechts "een leren valhelm, een dikke trui en knie- en elleboogbeschermers".
De vier sleeërs diein ramhouding voorovergebogen zitten "alsof ze elk ogenblik iets vreselijk kunnen tegenkomen" is het beeld dat iedereen kent van het bobsleeën. Toch is zo'n slee geen blindganger die alleen maar door de ijsbaan zelf wordt gestuurd. Het is de piloot die de 'ijsraket' in goeie banen leidt. Hij moet de haarscherpe bochten in een snelle oogwenk kunnen inschatten en hij moet het zware geraamte van lichamen en staal feilloos door de ijsgoten kunnen maneuvreren, en dat tegen een snelheid die kan oplopen tot 12O kilometer per uur. Achterin de slee zit de brakeman die enigszins de vaart kan minderen door de rakes te bedienen, twee hefboomachtige ijzers die met hun stalen punt in het ijs worden gedreven. Een echte brakeman remt echter niet tijdens de race, remmen is iets voor na de finish.
Zestig jaar geleden werd er over bobbers nogal smalend gedaan, als je een goeie piloot had en drie dikke kerels die bij de start veertig meter konden duwen en spurten, dan kwam je gauw genoeg aan de finish. Maar na de oorlog verfijnden de materialen en versnelden de omlopen en was er meer nodig dan zwaartekracht: " Een goeie sledder moet explosief kunnen spurten, moet uiterst snel kunnen reageren om fouten te herstellen en moet te allen tijde zijn koelbloedigheid bewaren. En het resultaat hangt van details af: elke slechte verdeling van gewicht, elke lichaamsbeweging die de slede een centimeter uit evenwicht brengt, het kost allemaal tijd. Ook de verstandhouding tussen het viertal moet totaal zijn; ze moeten één zijn met de slee, met het ijs en met de snelheid die alsmaar wordt opgedreven".
Over het unieke van de bobsleesport zegde Jacques Mouvet (vaste brakeman van Houben): " Wij zijn gekken. We doen die afdaling van 1500 meter in iets meer dan één minuut en daar praten we dan nog een héél jaar over!"
Ingescand uit GVA 11/2/49
Ik zal hem nooit meer zien!
En dan is plots de laatste minuut geslagen in de carrière van Max Houben. Het noodlot kiest datum en plaats: 10 februari 1949, Lake Placid (VS), de piste op Mount Van Hoeven-berg.
Humo: Uw vader is omgekomen op het WK bobsleeën in Lake Placid. Dat WK kwam amper één jaar na zijn zilveren triomf in St. Moritz en hij was zelfs de favoriet!
« Ja, maar het had evengoed gekund dat hij daar niét bij was! Het is zo gegaan: papa had gehoord dat de organisatie ook Duitsland had uitgenodigd en hij had daarop verzet aangetekend: "Als zij mogen komen, dan blijft België weg van het WK". Hij vond die deelname niet kunnen zo kort na de oorlog. En ze hebben dan voor België gekozen en zo is onrechtstreeks ook voor het noodlot van papa gekozen.
Een week voor zijn vertrek heb ik mijn verlovingsfeest gevierd, maar de dagen erna had ik een slecht voorgevoel en heb ik vaak zitten huilen. Ik zei het ook tegen mijn verloofde : "Ik voel het, ik ga mijn papa nooit meer terugzien." Ach, zeg niet zo'n dwaze dingen, zei hij. En we hebben hem dan naar het vliegveld gebracht, en ik heb mijn tranen voor hem verborgen, maar ik was zo triest als ik hem met zijn koffertje naar het toestel zag stappen. (kijkt uit het raam) En op tien februari kwam er plots een Amerikaans sprekende operator aan de lijn, ik hoorde hem zeggen, phone call from the United States, en ik wist genoeg: papa was dood. Het erge was dat er na zijn dood nog een ansichtkaartje van hem in de bus is gevallen: " Ik denk niet dat het WK zal plaats vinden, het weer is te zacht!"
Humo: Hij is met een tweemansbob uit de piste gevlogen in de zogenaamde Shady Corner, een extreme bocht in het parcours.
« Ja, hij is in die haarspeldbocht over de zeven meter hoge ijsmuur gevlogen en tegen een ijzeren mast geslingerd. Die éne bocht lag in de zon en omdat het ijs niet zou gaan smelten, had men daar zeildoek gespannen, en papa en zijn brakeman Jacques Mouvet zijn uitgerekend tegen één van de twee masten gebotst waaraan die doeken waren opgespannen. Langs heel dat parcours stonden maar twee smalle obstakels, maar toch zijn ze fataal geworden.(J. Mouvet liep een schedelbreuk, een gebroken sleutelbeen en een rugblessure op, maar hij overleefde het,jh) In Lake Placid hebben ze dan enkele dagen later een eredienst gehouden en alle aanwezige bobsleeërs van het WK hebben in de kerk een erehaag gevormd. Maar de repatriëring heeft de familie zelf mogen betalen. (Macaber detail: in de weken na dat fatale WK van Lake Placid konden toeristen met een "gids" een ritje maken op de levensgevaarlijke bobsleebaan. Prijs: anderhalve dollar,jh)
Humo: Was er in België een officiële ontvangst van het stoffelijk overschot?
« Ik kan het u niet zeggen. Die dagen en weken nadien zijn voor mij un noir absolu. Het overlijden van mijn papa is het grootste verdriet van mijn leven. Er is géén dag, zelfs geen uur dat ik niet aan hem denk. (stil) Het was zo erg dat ik op het punt gestaan heb een eind te maken aan mijn leven. Daarom was ik ook zo gelukkig toen u belde. Men is hem toch niet helemaal vergeten, dacht ik.
Humo: In Verviers kan hij ook niet helemaal vergeten zijn, want er is een straat naar hem genoemd.
« Il y a une rue Max Houben?! Echt waar? Echt? Bent u er zeker van dat ze naar hem is genoemd?! Dat is bijzonder nieuws. Sacré papa, hij moest het weten! Wat fijn dat er nu elke dag mensen door "zijn" straat lopen! Misschien heeft hij er vroeger nog met zijn slee gespeeld!"
Zilver uit een doosje
Voor foto's verwijst dochter Nadine naar haar "meer ordelijke" broer Claude, die zal me zeker kunnen helpen. Claude Houben (79) woont in Wépion en in zijn huis staat alles voor mij uitgestald op de beste tafel: het album met de foto's én daarnaast een keur van medailles met als pronkstuk de zilveren plak van St. Moritz. Voor het eerst hou ik een olympische medaille in de hand, met de zilveren toorts, de vijf ringen en het hooggestemde credo Citius Altius Fortius. Eén seconde lang sta ik voor Max Houben, ik wens hem in stilte proficiat. Claude zegt dat de medailles toen niét om de hals werden gehangen maar in een doosje werden overhandigd. Hij toont de foto van het podium in St Moritz, het is gewoontjes, het ziet eruit als een palet van dennenhout. Hij laat ook brons zien, een medaille die Max Houben haalde op het WK in St Moritz 1947 (in de tweemansbob, samen met Jacques Mouvet).
Claude Houben met de medailles van z’n vader. Ingescand uit Humo / Stephan Peleman
Humo: Hebt u ooit met uw vader in de bobslee gezeten?
«Eén keer en die zal ik nooit vergeten. Het was in de winter van 1947, ik zat in Chateau d'Oex (Zwitserland) te studeren en ineens was er telefoon: "Jongen, kan je direct naar St. Moritz komen, je moet één van mijn compagnons vervangen!" Bleek dat Freddy Mansveld een pees in zijn been had gescheurd en amper kon lopen! Stel u voor, ik was twintig jaar en van de ene dag op de andere nam ik deel aan de wereldkampioenschappen met de viermansbob. En we zijn tweede geëindigd achter de Zwitsers. Hier is de medaille, mijn naam staat erin gegraveerd. Ja, daar ben ik heel trots op, want ik had nooit eerder een bobsleepiste gezien!
Humo: U had niet eerder getraind?
«Jamais de ma vie! Papa was zoals altijd stuurman en ik was de tweede man, ik moest een eindje spurten en de slee duwen en dan met de twee anderen in de slee jumpen. Weet u, ik droeg niet eens speciale schoenen tegen het uitglijden, ik droeg mijn gewone winterbottines! Ik herinner me ook dat we vlak voor de start de slede-ijzers moesten warm wrijven met doeken, dan schoten ze nog sneller over het ijs.
Humo: Heeft uw vader ooit skeleton (=éénmansbob) gedaan?
« Jazeker,en skeleton is het gevaarlijkste wat er is, je ligt op je buik op die slee en met de kop vooruit raas je naar beneden, je kin geen tien centimeter boven het ijs. Als je dàn een ijsmuur raakt, dan is het niet moeilijk om je nek te breken. (In de kranten werd de éénmansbob ook wel "the death race" genoemd,jh)
Humo: Snelheid en avontuur moeten zijn leven zijn geweest. Toen hij 49 jaar was, nam hij nog deel aan de 24 uren van Francorchamps!
« Hij was dat niet van plan, maar de dag tevoren kreeg hij telefoon van de zoon van zijn broer: "Nonkel Max, kan je niet inspringen voor mij, want mijn vrouw gaat bevallen!" En hij is dan aan het stuur van die BMW vertrokken en hij is tweede geëindigd! 't Was een echte crack. Hij won tennistornooien en biljartwedstrijden, en als je met hem ging vliegvissen, deed hij dingen die geen enkele hengelaar hem nadeed. Ik denk dat ze voor hem het woord allround hebben uitgevonden. In het voetbal was hij een heel goeie rechtsbuiten. Hij kon uitstekend dribbelen en hij was heel moeilijk van de bal te zetten. Zijn gloriematch was in 1922 toen het kleine CS Verviétois -dat pas naar eredivisie gepromoveerd was- het grote Union St Gilloise op bezoek kreeg voor een vriendenmatch. Union was toen een naam als een klok, in de laatste twintig jaar hadden ze zeven landstitels behaald en op Verviers zijn ze toen met 5-O de boot in gegaan, hun zwààrste nederlaag in véle jaren! (toont het krantenverslag) In Verviers spreken ze daar nog altijd over en papa heeft toen drié doelpunten gemaakt! Enkele jaren later is hij dan zelf bij Union gaan spelen en toen ze in 1933 opnieuw landskampioen werden, was hij de kapitein!
De kraan met de kist
Humo: Hebt u die drie "zilveren" compagnons van 1948 gekend? Mansveld, Mouvet en Niels?
« Ja. Ze waren alledrie van Brussel. Niels had een gerenommeerd restaurant, Mansveld was een sportjournalist en Mouvet was een wisselagent.
Humo: Weet u hoe het Mouvet vergaan is, de man die mee in de fatale bobslee zat in Lake Placid?
« Ik weet dat hij zwaargewond was en dat hij hersteld is, maar later hebben we nooit meer iets van hem gehoord. A propos, de Zwitser Endrich die in Lake Placid met de tweemansbob goud haalde, is later ook dodelijk verongelukt: op het WK van Garmisch-Partenkirchen in 1953.
Humo: Was u erbij toen het schip met zijn stoffelijk overschot in België arriveerde?
« Ja, met heel de familie en een corbeillard stonden we te wachten op de kaaien in Antwerpen. Ik heb die lijkkist uit het ruim zien komen, ze werd niet gedragen, ze hing met kabels aan een hijskraan en zo is ze op de kade neergezet, dat vond ik bizar. Maar de plechtige uitvaart was indrukwekkend, de Kind-Jezus-kerk in Elsene was te klein, er stond volk tot in de straten rondom. Acht jaar na zijn dood heeft papa dan nog de Medaille voor Sportverdienste gekregen, maar nadien zijn ze hem vergeten."
Overmorgen is het 10 februari. In Ukkel en Wépion zal het sneeuwen en denken twee kinderen aan hun papa.
NAWOORD: In 2009 maakte de VRT een documentaire over Max Houben. Zoon Claude en dochter Nadine waren toen echter al gestorven.
© Archief Sportimonium
Max Houben en zijn kompaan Mouvet. Houben heeft de teugels vast om de glij-ijzers te besturen.
Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (4): tijd willen winnen in de non-stopmaatschappij (24/24)
© Jan Hertoghs
“De 24/24-maatschappij put de mensen uit.En de planeet aarde. “
Humo jan. 2001 - ingekort © Jan Hertoghs
Karlheinz Geissler is professor in de economische pedagogie en één van de vooraanstaande tijdvorsers in Duitsland. Geissler is gekend vanwege zijn kritiek op de non-stop-maatschappij die altijd sneller wil gaan en altijd meer tijd wil winnen. “Tomaten moeten sneller groeien, wijn moet sneller op de fles, brood moet vlugger rijzen, en het vee moet sneller slachtrijp zijn.” En dat is nu de tijdsziekte. Dat we later en langzaam doodgaan van voedsel dat snel gekweekt is, snel getransporteerd is, en snel in de mond is gestopt.
Humo: Als er nu een debat is over tijd, vrije tijd, tijdsdruk en werktijdverkorting, dan wordt dat gevoerd door sociologen, vakbonden, werkgevers en politici. Maar vroeger behoorde de tijd niet aan academici of politici. De tijd behoorde aan God.
Geissler: « Tot voor vijfhonderd jaar, tot de periode van de renaissance behoorde alles aan God: de mensen, de natuur, de hele schepping, en dus ook de tijd. Want God besliste over het weer, over het zaaien en het oogsten, over de seizoenen én over leven en dood. De mensen leefden toen ook nog met het ritme van de jaargetijden omdat het overgrote deel van de bevolking uit boeren bestond. De breuk met de natuur is er gekomen sinds de invoering van het slaguurwerk op de torens van kerken en stadhuizen. Dat uurwerk had geen ritme meer, geen winter of zomer meer, dat uurwerk deelde de tijd in volgens een mechanische maat en zo zijn we stilaan losgekomen van het ritme van de natuur.
De volgende stap was de Industriële Revolutie. Toen kreeg je naast het mechanische uurwerk ook het mechanische ritme van de (stoom)machine. Een baas wist welke productie de machine op één uur kon halen en de arbeider moest dat ritme maar zien te volgen. Sinds de stoommachine -en met de stoomboten en de stoomtreinen- is er ineens een versnelling van de maatschappij ingetreden. Tot dan toe leefden we nog in het tijdperk van het paard en de postkoets en was er nooit enige versnelling geweest. Het Romeinse leger van Julius Caesar en de troepen van Napoleon gingen nog even snel vooruit.
© Jan Hertoghs
Humo: Nu leven we in het elektronische tijdperk. Wil dat zeggen dat ons bestaan is afgestemd op de computer en internet?
Geissler: « Er zijn nog niet-geïndustrialiseerde landen en regio’s waar men volgens de seizoenen leeft, maar in onze geïndustrialiseerde landen zitten we in het elektronische tijdperk en zitten we aan het plafond qua versnelling. In het tijdperk van telegraaf en telex ging informatie snel om de aardbol, maar via internet gaan onze data de wereld rond tegen de snelheid van het licht, sneller kan niet. Internet haalt niet alleen de snelheid van het licht, het schakelt ook licht en duisternis uit. Met internet is het altijd ‘licht’. Er is geen dag of nacht meer, er is geen werkdag of zondag meer, al die grenzen zijn weggeveegd.
Dat het oude tijdperk wordt afgesloten, merk je ook in het straatbeeld. Vroeger had je overal uurwerken, op kerken, stadhuizen, belangrijke pleinen, in stations en als uithangbord van horlogewinkels. Nu verdwijnen die uurwerken stelselmatig uit het openbare leven. In spoorwegstations zie je ze nog weel, maar in luchthavens zijn ze bijna weg.
De tijd verliest zijn waarde als oriënteringsmiddel. En één van de grote oorzaken ligt bij de gsm. Dat mobiele toestel maakt dat we loskomen van de tijd. Want als we te laat zijn, dan is dat geen erg meer, dan bellen we even om te zeggen dat we in aantocht zijn. We hebben geen tijdstippen meer nodig. Het tijdperk van het stipt zijn is voorbij. Stipt zijn is alleen nog voor mensen die absoluut in dat ene vliegtuig wil zitten dat naar beneden gaat storten. (lacht). Nee, ernstig, stipt zijn is alleen nog voor ouwe lui.
Humo: Zelfs hier in het punktuelle Deutschland?
Geissler: «Jaja! Kijk maar naar het uitgaansleven. Een disco opent zijn deuren om halfnegen maar wie om halfnegen arriveert, is een sul, is een mens die zijn wereld niet kent. Je moet tegenwoordig lààt komen om op tijd te komen. Tenzij met de koopjesperiode. Wie dan op tijd komt, is in feite te laat (lacht)
© Jan Hertoghs
Vierbaansleven
Geissler: « Als je mee wil zijn met je tijd, dan bind je je niet meer aan stiptheid, maar aan gelijktijdigheid, het tegelijk doen van verschillende zaken. Zoals tv kijken én de krant lezen. Of aan het strand zitten, een hap eten, de kinderen in het oog houden, op de laptop werken en tussendoor wat telefoontjes doen. Omdat snelheid niet steeds haalbaar is, omdat mensen mekaar verdringen in het verkeer en de rijen van de supermarkt, moet je voor jezelf een vierbaansweg aanleggen van je activiteiten. Dàt is het nieuwe leefpatroon. Dan ben je nog mee met het kapitalisme, want dan win je tijd en tijd is geld. Je moet ook maar eens bij de bagageband in de luchthaven gaan staan. Nergens wordt er zoveel met de gsm gebeld. Vanaf het ogenblik dat iemand stil staat en één minuut moet wachten, wordt er iets anders gedaan.
Je merkt die gelijktijdigheid ook in de horloges. Een horloge gaf vroeger alleen de uren, de minuten en soms de datum aan. Nu wordt het horloge een kit. Met een ingebouwde hoogtemeter, temperatuurmeter, gsm, aansluiting op internet en afstandsbediening van de video. Alles-in-één, multifunctioneel en super-gelijktijdig!
Humo: Terwijl we met vier dingen tegelijk bezig zijn, zijn we ook met de toekomst bezig. U schrijft dat we ons volledig laten opslorpen door de toekomst. De boeken die we straks nog moeten lezen, de reizen die we straks nog zullen ondernemen, de aandelen die straks zullen opbrengen.
Geissler: « Ja, terwijl we één ding doen, denken we al aan de de dingen die we daarna gaan doen. Men aanvaardt een job vanuit de gedachte: “Deze job zal ik kunnen gebruiken als springplank naar een andere job.” Zie je: de toekomst is al gestuurd en vastgelegd. Het onverwachte van de toekomst krijgt geen kans meer. Alles is toegedekt met planning, investering, en hoop op rendement. Maar wat voor een leven heb je dan als je alles naar later verschuift?!
Humo: De Amerikaanse auteur Thoreau heeft het daarover in zijn boek “Walden” (1854). Hij schrijft: “Wat is dat voor een leven als je het beste en grootste deel besteedt aan geld verdienen en het kleinste deel aan het genieten van een twijfelachtige vrijheid.”
Geissler: « Ja. We zijn zo met de voorbereiding en de organisatie van het leven bezig dat we aan het leven zelf niet meer toekomen. We studeren, we plannen, we nemen hypotheken, we hebben polissen voor wanneer het leven fout gaat, maar wat doen we in het leven zelf? Vaak alleen maar ons geld uitgeven aan georganiseerde reizen, georganiseerde pretparken, en gerganiseerde shopping centra. En zo stap je van de georganiseerde werktijd in de georganiseerde consumptietijd. En door al dat geplande werk en vermaak krijgen veel mensen het gevoel dat ze geleefd worden. Ze voelen zich niet meer meester over hun tijd én ze voelen zich niet meer meester over hun leven. Vaak rest er dan maar één ding: verzaken aan die consumptie, want als je minder consumeert, krijg je vanzelf meer tijd vrij. >
© Jan Hertoghs
Humo: Je moet tot de middenklasse behoren om aan consumptie te kunnen verzaken. Voor wie amper de eindjes aan elkaar knoopt, is die boodschap niet bestemd. Is er geen andere manier om weer meester te worden van je tijd?
Geissler: « Ja. Je kan vaste rituelen aanbrengen in je tijd. Als je elke keer na je arbeid op je gemakje de krant leest en nadien op je gemakje een bad neemt, dan breng je een ritme aan en dan moet je die vrije uren niet meer gaan plannen. Als je al die keuzes weglaat van ‘wat zal ik nu gaan doen’ dan krijg je veel tijd. En dan krijg je minder stress, want er is niks zo stresserend als voortdurend over je tijd te moeten beslissen. Als de vier leden van een gezin afspreken om elke avond om zeven uur samen te eten, dan hoeft niemand die tijdsindelingen van die vier gezinsleden nog te coördineren.
Routine en rituelen kunnen dus heel rustgevend werken.
Kijk naar de openingsuren van de kleinhandel. Vroeger waren die uren wettelijk dezelfde voor alle winkels, nu is het bijna zover dat elke winkelier de ‘vrijheid’ heeft om zijn openingsuren en -dagen te bepalen. Met het gevolg dat je bij de ene om elf uur binnen kan en bij de andere voor een gesloten deur staat. Wat frustrerend is en wat maakt dat je -om geen “tijd te verliezen” - lijstjes moet houden met de uren van de bank, de fietsenmaker, en de boekenwinkel. Tja, routine en traditie klinken ouderwets, maar zijn niet zomaar te verwerpen.
Humo: Vroeger lag alles vast - de uren van de fabriek, de uren van de winkels- maar nu heb je bedrijven waar je dag en nacht kan werken, tankstations waar je dag en nacht kan tanken, banken waar je dag en nacht geld uit de muur kan halen, winkels waar je 24 uur op 24 kan inkopen doen. Het is de 24-uren-maatschappij, de “non-stop-maatschappij” en ze gaat steeds verder.
Geissler: « En ook de seizoenen vallen weg: er zijn nu het hele jaar door asperges en aardbeien, ook dat is non-stop. En kijk naar de kerstartikelen, die beginnen ze al in september te verkopen. Er is zelfs één winkel die ze het hele jaar verkoopt. Kijk ook naar de televisie. Vroeger had je nog een dagsluiting, een Sendeschluss. Maar die tijd is voorbij. De tv stopt niet meer in de nacht.
Humo: De Amerikaanse socioloog Melbin had het over “the night as frontier”. De nacht die we zijn gaan veroveren, koloniseren en ontginnen.
Geissler: « Ja, de nacht die lag daar maar, die diende alleen om te slapen, maar vanaf de uitvinding van het elektrische licht kon de nacht niet meer onontgonnen blijven liggen. Zoals de spoorwegen Europa en Amerika hebben ontsloten, zo heeft het elektrische licht de nacht ontsloten voor de economie. Eerst met nachtarbeid en nu hoe langer hoe meer met nachtconsumptie. Voetbalwedstrijden verschoven van de namiddag naar de latere avond; bij het skiën heb je nu ook Nachtfahren en pistes die ‘s avonds verlicht zijn. Of neem al die Olympische Spelen en Wereldbekers voetbal die bij ons in het diepst van de nacht op het scherm komen! Niemand die dat nog vreemd vindt. Of kijk naar al die managers en politici die ‘s nachts doorwerken en die hun nachtrust vervangen door korte hazenslaapjes. Ze gaan er vaak prat op dat ze de nacht hebben ‘veroverd’. >
© Jan Hertoghs
Geissler: « Vroeger was het “alles op zijn tijd”, maar nu is het “alles op elk moment én onmiddellijk”. Neem de Mc Donald’s. Je wordt onmiddellijk bediend, je kan àlles krijgen, - een ontbijt zowel om tien uur ‘s morgens als om tien uur ‘s avonds-, en je kan er op elk moment binnenstappen want in de VS hebben veel van die Mc Donalds al geen sluitingsuur meer. Er komen ook meer café’s en snackbars waar je rechtstaande kan eten en drinken en dan is de volgende fase om stappend of rijdend te eten en te drinken. Je ziet het aan de nieuwe automodellen, ze hebben bekerhouders en een tafelblad.
Alles moet snel gaan. Tomaten en sla moeten sneller groeien, wijn moet sneller op de fles, brood moet met verbeteraars vlugger rijzen, varkens moeten sneller vlees hebben, de kippen moeten sneller leggen en sneller slachtrijp zijn. De natuur moet maar groeien zoals de bank en de globale economie het verlangt, en niet zoals de boer het al eeuwen gedacht had. BSE? Dat is een tijdsziekte! Omdat die runderen snel aan gewicht moesten winnen kregen ze dat veevoer met beendermeel erin. Men neemt zich niet eens de tijd meer om de neveneffecten daarvan te onderzoeken, nee, het moet vooruit en dus geeft men die dieren soortgenoten te eten. En nu gaan de mensen langzaam dood van iets dat snel gekweekt is, snel getransporteerd is, snel in de keuken bereid is en snel in de mond is gestopt. Het hoort allemaal bij elkaar: hektische mensen, snel gekweekte dieren en fast food eten.
Humo: Volgens u put die non-stop-maatschappij de grondstoffen uit.
Geissler: « Met die ontginning van de nacht, met die 24uren-economie zijn we de aarde aan het uitputten. Miljoenen jaren heeft het geduurd voor we die voorraad aan gas, steenkool en olie hebben opgebouwd en nu worden die energiebronnen er in een recordtempo doorgejaagd. Want we hebben die energie nodig voor de vrachtwagens die dag en nacht het wegtransport verzorgen, we hebben ze nodig om winkels te verwarmen die 24 uren open zijn, we hebben ze nodig om het internet continu van stroom te voorzien. >
© Jan Hertoghs
Tijdinfarct
De non-stop-maatschappij put ook de mensen uit. Er zijn twee foltermethodes waarbij de mens compleet gek wordt. Eén is door een constante aanwezigheid van licht, en twee is door een voortdurend tekort aan slaap. Dat slaaptekort en die alomtegenwoordigheid van het licht zijn we nu aan het invoeren met die non-stop-maatschappij. (Volgens Amerikaanse studies zorgt slaaptekort en de daaruit voortkomende ongevallen jaarlijks voor 25.000 doden en 56 miljard dollar materiële schade,jh).
Humo: Volgens de Nederlandse professor Knulst (deel 2) kunnen we dat nieuwe tempo wel aan, en dan zeker de jongere generatie.
Geissler: « Ik weet niet over welke bijzondere geestesgesteldheid de Nederlanders beschikken, maar volgens onderzoek voelt zestig procent van de Duitsers zich dag in dag uit “geplaagd” door een niet weg te cijferen tijdsdruk. En niet alleen bij de drukke tweeverdieners, ook bij scholieren en ouderen komt het veelvuldig voor, dat knagende gevoel van ik moet nog dit, en ik moet nog dat. En ik neem aan dat jongeren zich aan die druk kunnen gewennen, maar de vraag is of we aan alles moeten wennen. De vraag is of er geen grens is waarbij eerst het individu en mogelijk het hele systeem een tijdinfarct krijgt omdat we het niet meer kunnen behappen, omdat we werkelijk teveel willen doen in de dag en de nacht die ons gegeven is.
En je werk zal je tot op zekere hoogte kunnen plannen en schematiseren, maar het contact met je kinderen of je partner, dat kan je toch niet in minuten vastleggen?! Zo van: nu heb ik tien minuten en die ga ik aan mijn vrouw besteden?! Maar het gaat in die richting. Je hebt mensen die geen partner en geen kinderen willen omdat dat teveel onvoorspelbare en onberekenbare tijd meebrengt. Hier in München heeft nog amper 15 % van de huishoudens kinderen. Maar er zijn wel vijfmaal zoveel auto’s als kinderen. En dan hoor je de mensen klagen dat deze maatschappij zo eenzaam is. Maar snelheid maakt eenzaam. Vrienden maak je toch als je d’r tijd voor maakt en niet als je aan mensen voorbij raast!
Van de aanleg van een snelweg worden de milieukosten berekend, maar niemand denkt eraan om de kost te berekenen van zo’n maatschappij waar kinderen hebben als ‘tijdverlies’ wordt beschouwd en waar gezinnen nog weinig tijd vinden om die het gezinsleven gezamelijk door te brengen
In een maatschappij die sneller draait is ook geen plaats meer voor de traagsten. Tweederde van alle mensen die hier in München op straat worden doodgereden zijn ouder dan vijfenzestig. Ze gaan dood omdat ze te traag zijn. Omdat de voetgangerslichten niet op oude maar op jonge mensen zijn afgesteld. Dat zijn toch allemaal kosten van die snellere maatschappij?! >
© Jan Hertoghs
Humo: Hoe extreem kan die non-stop-maatschappij evolueren? Scholen kunnen toch niet dag en nacht doorgaan?
Geissler: « Scholen niet, maar het leren wel! Dat is toch het motto van deze tijd: permanente educatie, je hele leven leren, je hele leven bijblijven. Dat is toch non stop?! Het is alsof we levenslang hebben gekregen. Levenslang leren en bijblijven.
Humo: Wie geeft ons die straf?
Geissler: « Wijzelf veroordelen ons daartoe. Want door bij te blijven willen we jong blijven. Door te doen alsof we nog in onze studietijd leven, verdringen we dat wij ouder worden. Wij negeren dat er een einde aan het leven komt. Wij negeren dat er een dood aan dat leven komt. Tegenwoordig is er een reuzetoeloop van ouderen aan de universiteit, mensen van zeventig-tachtig jaar die nog komen studeren en die zich op internet gooien.
Humo: Ik vind dat dapper.
Geissler: « Ik vind dat tragisch. Eigenlijk moeten die mensen niet meer leren, eigenlijk zouden wij van hen moeten leren! Alle levenservaring die zij hebben opgedaan, dat is toch een schat aan wijsheid, waarom wordt dié niet aangesproken?!
Humo: Wat denkt u van het fenomeen “onthaasting”?
Geissler: « Ik vind het een vreselijk woord (in het Duits: Entschleunigung!, jh) en een ontoereikende term. Omdat het in die tweedeling valt van “haasten” of “niet haasten”, en dat is te mager. Men betrekt onthaasting ook teveel op het privé-leven terwijl de maatschappij zélf ook mag ‘onthaasten’. Voor mij mag het autoverkeer bijvoorbeeld langzamer omdat het zoveel doden en milieukosten meebrengt. Maar er zijn terreinen waar niet onthaast moet worden, en waar het gerust rapper mag gaan! Zoals het bevorderen van biologische landbouw of de verbetering van het openbaar vervoer, dat kan niet snel genoeg gaan!
Humo: Als voorbeelden van onthaasting worden vaak mensen genomen die compleet gekapt hebben met hun drukke leven en nu een eenvoudig bestaan leiden in een landelijke omgeving. In de jaren zestig en zeventig bestonden ze ook; ze heetten toen “Aussteiger” of “drop-outs”.
Geissler: « Ja, die mensen stappen uit de tredmolen maar aan de molen zelf verandert niks. En de media voeren dat graag op. Het is de oude droom, dat oude verlangen dat er ergens een onbewoond eiland is waar je vrij bent van alle drukte en alle zorgen. Maar het is geen oplossing, het verandert niks fundamenteel aan deze maatschappij. Want het is alleen maar een vlucht die men portretteert. >
© Jan Hertoghs
Humo: Eén van uw oplossingen is dat we onze tijd moeten diversifiëren. Dat we moeten ophouden met het opdelen van de tijd in traag zijn versus snel zijn.
Geissler: « Ja. De overheersende gedachte in deze maatschappij is dat je goed bent als je snel bent. Maar dat is een bekrompen idee. Iemand die snel een dak of een auto repareert, maakt ook snel fouten. Naast snelheid zijn er nog andere manieren om je tijd produktief te gebruiken. Neem dat iemand een nieuw produkt uitvindt maar dat produkt te snel op de markt brengt, dan kan het een flop worden. Je moet dus kunnen wachten op het geschikte moment. Je moet dus een gevoel voor timing hebben en niet alleen voor snelheid. Je moet ook pauzes kunnen maken. Pauzes zijn nodig om krachten te verzamelen.
Humo: Reculer pour mieux sauter.
Geissler: « Dat is het. Ik heb een vriend die alpinist is en die boven de achtduizend meter klimt. Elk stuk van die beklimming gebeurt in een ander ritme en overal zijn er pauzes nodig, want anders haalt hij het niet. En daar moeten mensen zich bewust van worden. Ze moeten niet behept zijn met dat idee van schnell, schnell, en met alles vlug klaar te zijn. We zijn zo behept met het idee dat we tijd moet winnen, we hebben zo’n angst om tijd te verliezen, dat we onzeker door het leven gaan. We durven geen gaten meer laten vallen in onze tijd. We kunnen niet meer stilstaan bij het leven. We dùrven niet meer stilstaan bij het leven.
Alles heeft zijn tijd. Elk werk, elk deel van de dag heeft zijn ritme. In een land heb je snelwegen maar ook kronkelwegen. Je hebt mensen die heel rechtlijnig en heel snel leven, zack zack, maar je hebt mensen die van hun fantasie en creativiteit leven, en die nooit de kortste en de snelste weg nemen om tot een resultaat te komen.
Tijdwinst, en dan?!
Humo: Hier in het Westen kunnen we geen tijd meer verliezen. Er bestaat niks ergers dan een afspraak waarbij de andere niet komt opdagen. Wij zijn dan zo pisnijdig dat de rest van de dag verknald is, maar in Afrika gaan ze op zo’n moment naar een theehuis om met anderen te praten.
Geissler: « Dat is de hele kwestie: wat is gewonnen tijd en wat is verloren tijd? Ik kan me te voet naar het volgende dorp begeven, dat is één uur wandelen door het woud. Maar ik kan ook de auto nemen, dat is tien minuten rijden door het woud! Wie heeft er dan tijd gewonnen?! Ik weet wel dat dat een romantische visie is, maar ik geef het als tegengewicht. Wij zijn allemaal rationele mensen, wij hebben de tijd niet vastgekoppeld aan flaneren of filosoferen, wij hebben de tijd vastgekoppeld aan nut, aan werken en aan geld verdienen. Time is money. En als we dan eens een uur verliezen door een gemiste afspraak, dan is het meteen alsof we geld verloren hebben. En dat steekt ons geweldig tegen.
Die koppeling van tijd en geld heeft een zware invloed op ons leven. Elk uur van de dag willen we nuttig besteden. Tijd krijgt de dwanggedachte “ik moet iets doen”, en dat idee is zo overheersend dat ook de vrije tijd erdoor wordt aangetast. Ook in de vrije tijd willen we steeds “iets doen” anders is het alsof we tijd verloren hebben, alsof we die tijd niet tot ons profijt hebben aangewend. A propos, wat doe je met de tijd die je wint?
Humo: Eh?
Geissler: « Zie je, dat staat vaak niet eens ter discussie. Tijd moet gewonnen worden. Punt. Zoals geld moet gewonnen worden. Wat we dan met die gewonnen tijd doen is vaak: nog meer werken en nog meer onze tijd indelen. En iedereen zit in die stroom en iedereen zwemt mee met die stroom.
En wat beschouwen we als tijdwinst?! Die kleine “overwinninkjes van elke dag”. Dat we één seconde sneller weg zijn bij het groene licht. Dat we nog net in de trein kunnen springen voor de deur dicht gaat. Dat we als eerste kunnen aanschuiven bij een supermarkt-kassa die net opengaat. Maar wat voor zin hebben al die opgetelde minuten en seconden. Wat doen we met die winst? Naar waar haasten we ons eigenlijk? Overal lees je dat de mens in de westerse wereld door angst en onzekerheid geplaagd wordt, het schijnt de ziekte van de eeuw te zijn. En dat geloof ik. Want we gaan sneller, maar we worden alsmaar onzekerder. Omdat we gewoon niet weten waar we ons naartoe haasten. >
© Jan Hertoghs
Alles is begonnen op het moment dat het uurwerk zijn intrede deed. Vanaf het ogenblik dat we de tijd in uren en minuten konden meten, hebben we gedacht dat we meester waren van de tijd. Dat we de tijd in handen hadden als een grondstof, als iets dat we konden bezitten en dat we in geld konden omzetten. Maar dat meesterschap is een valse gedachte. Tijd is een net dat we spannen en waarin we spin én vlieg zijn tegelijk! Als we alles in uren en minuten plannen, als we de tijd gaan managen en budgetteren, dan zijn wij geen meester van de tijd, maar gevangene van de tijd.
Humo: Je hebt mensen die zich uit die rationele greep willen onthechten en die cursussen volgen om terug “hun tijd te kunnen nemen”. Om terug te leren genieten van hun leven.
Geissler: « Het kapitalisme levert ons de tijdsdruk maar ze zal ons ook de uitlaatklep en de tegenbeweging leveren vanaf het moment dat er geld mee te verdienen is! Je hebt hier in Duitsland al zogenaamde “Do Nothing Weekends” en dan vliegt men met de deelnemers naar Ierland om de mensen te leren dat ze hun tijd niet altijd nuttig moéten besteden. Beetje meditatie, beetje zen, beetje relax en yoga, maar het is toch absurd. Je werkt hard, je verdient veel geld, je merkt dat je niet meer in staat bent om te luieren en te genieten, en dan ga je een smak geld betalen om opnieuw te leren van “niks te doen”! En die lui denken voortdurend dat ze te weinig tijd hebben, maar de essentie is dat ze teveel te doen hebben.
De essentie is: dat ze de tijd teveel als een tegenstander zien tegen wie ze moeten lopen en rennen. Kijk naar de grote rush op de kloosters! Die zitten tegenwoordig vol managers. Waarom? Omdat een klooster ritme heeft, en rituelen, en vaste uren van gebed en van etenstijd. En dat zijn die managers verleerd. Jaren hebben ze tijd gekoppeld aan geld, en als die rat race hen alleen maar uitputting en geen voldoening heeft gebracht, dan willen ze zich terugtrekken in zo’n klooster. Want in zo’n klooster leren ze tijd los te koppelen van geld. Daar vinden ze weer tijd die alleen maar met stilte te maken heeft. Of met bezinning. Of met de natuur. Daar leren ze opnieuw pauzes maken, daar leren ze hun stappen in te houden, daar leren ze weer stil te zitten en stil te staan.
Met ritme in het leven moet ik vaak aan de Engelse schrijver Charles Dickens denken die beschrijft hoe een man best achter zijn afgewaaide hoed kan hollen; dat vraagt een zekere techniek om nu eens harder dan weer zachter te hollen om ‘m dan op het juiste moment te pakken te krijgen. En je hoed is dan je leven. En als je te hard holt, dan loop je je leven voorbij. En dan hou je halt en kijk je achterom, en dan denk je: ik heb gelopen en gehold, maar waar is mijn leven nu naartoe gevlogen?!
Hoe zijn we in tijdnood geraakt ? (3): het 'kopen' van andermans tijd (met o.a. de hondenuitlater en de ‘loopjongen’ voor je kleren)
Onlangs las ik dat de uitlaters van honden overbevraagd waren. Tijdens corona hebben nog eens extra 10.000 Belgen een huisdier aangeschaft. Vaak een hond, als gezelschap bij het vele thuiszitten en thuiswerken. Met de versoepelingen wordt het moeilijk voor de honden. Ineens is het baasje weg. En dus gaan ze blaffen of in de zetels bijten. En dus worden de honden-uitlaters meer en meer ingeschakeld.
Twintig jaar geleden werd nog gelachen met het uitlaten van andermans hond. En dat een fietser ons warm eten zou brengen in een rugzak, dat zagen we helemaal niet aankomen.
Ingescand uit Humo/ Kamagurka
"Het is maatschappelijk weer toegestaan om het jezelf wat makkelijker te maken. Hoe kan IK het naar mijn zin hebben. "
(Humo jan 2001) © Jan Hertoghs
Met tijd is het als met geld. Als je er een tekort van hebt, dan wil je d’r niks van verliezen, dan ga je ermee woekeren, dan ga je elke minuut in twee bijten. In Amerikaanse studies lees je dat het gebrek aan tijd de ziekte van deze tijd is. Dat de mens lijdt aan hurry sickness, dat hij een niet te overbruggen tijdtekort heeft en dat er zo’n sprake is van tijdnood dat men over time famine (tijdhongersnood) durft te spreken.
Het is een vreemde paradox: we hebben nog nooit zoveel geld en zoveel vrije tijd gehad en toch haast een flink deel van deze maatschappij zich te pletter. Nooit eerder in de geschiedenis zijn er ook zoveel boeken, artikels en voordrachten over de Tijd geweest als nu. Het moet dus zijn dat we op de drempel van een nieuw tijd-perk staan.
In Parijs, Londen en de grote Amerikaanse steden bestaan ze al langer, in België zijn ze nog schaars, maar in Nederland steken ze al flinker de kop op: de comfortdiensten die een aantal huiselijke zorgen van je overnemen en je drukke bestaan een stuk makkelijker maken. Geen tijd om de hond uit te laten, wij gaan er wel mee rennen in het bos! Geen tijd om naar de kapper te gaan, wij sturen wel een barbier naar het bedrijf en je wordt geknipt in de middagpauze! Geen tijd om thuis op de loodgieter te wachten, wij zorgen wel voor een 60-plusser die in jouw plaats op de vakman wacht!
“Uniek in Europa” is SwinxX, een bedrijf in Houten (bij Utrecht) dat twee jaar bestaat en bijna dertig van die comfortdiensten coördineert. Directeur van deze "tijdleenbank" is John Van Silfhout. Hij legt uit wat het is om te werken zonder rompslomp aan je hoofd. Don’t worry! Work happy!
Humo: Terwijl de werknemer achter zijn bureau zit, krijgt zijn auto een car wash. Maar hoe werkt het om een kapper, een schoenmaker en een kleermaker op kantoor te hebben?
Van Silfhout: « De schoenmaker komt niet op kantoor. Je brengt je schoenen naar een verzamelpunt in het bedrijf en dan worden ze binnen enkele dagen hersteld en teruggebracht. De kapper komt dan weer wel op kantoor en zijn agenda kan je raadplegen op een website. Je ziet dan dat hij op donderdag in je bedrijf is en dan stip je het moment aan dat je wil langs komen. Een kleermaker komt natuurlijk niet zo vaak langs als een kapper, maar als er vraag is naar maatpakken, dan komt hij.
Humo: Vind je dat niet gek dat een kleermaker op kantoor een bediende staat op te meten?
Van Silfhout: « Waarom zou ik? Het is toch leuk dat die man langskomt en dat je zelf niet op pad moet gaan om een goeie kleermaker te vinden. Want dat zoeken kost je makkelijk een halve dag en als je dan een vakman vindt, moet je weer een afspraak maken en ben je gelijk weer een halve dag kwijt. Hier worden je maten genomen en de stof gekozen, en kan je gelijk weer lékker aan het werk. Het is tijdwinst en tegelijk pure verwennerij als je zo’n gepersonaliseerde service kan krijgen zonder dat je één verplaatsing moet doen.
Humo: Jullie hebben ook een professionele masseuse, ideaal om de stijve nek of de pijnlijke rug te behandelen.
Van Silfhout: «Of gewoon om je energie te geven bij het begin van de dag. Meestal gebeuren die massages in een aparte ruimte, maar als je niet weg kan van je werkplek zal ze die massages ook aan je bureau doen. Je ziet: werken en ontspannen kunnen wel eens goed samengaan!
Humo: In een Amerikaanse documentaire zag ik een klusjesman een schilderij ophangen in een huis. Man en vrouw waren op het werk en hadden tijd noch zin in die klus.
Van Silfhout: « Dat kan bij ons ook. En schilderijtje ophangen of de deurbel repareren; meestal laat men wel enkele klusjes bij elkaar komen. En als de mensen tijdens die klus niet thuis kunnen of willen zijn, dan hebben wij de manus-van-alles-service. Dat zijn geselecteerde senioren - betrouwbare zestigplussers met een bewijs van goed gedrag- die op je huis passen terwijl de loodgieter je boiler herstelt of terwijl er een bankstel of boodschappen geleverd worden.
© Jan Hertoghs
Humo: De honden-uitlaat-service “Walk the dog” kost 150 gulden voor een “tien-ritten-kaart”: tien uitjes dat je hond wordt meegenomen “voor een uur lekker lang rennen in het bos!” Wie zijn die mensen die achter die hond willen hollen ?
Van Silfhout: « Dat zijn deels senioren of dames en heren die van hondengezelschap houden en die vanuit die liefhebberij een bedrijfje hebben opgericht. Over heel Nederland kunnen we intussen al op zestien regionale honden-uitlaat-services rekenen.
Humo: Dat moet toch een geweldige organisatie vragen om al die mensen te dirigeren naar de juiste locaties én de afgesproken tijdstippen.
Van Silfhout: « Die organisatie lukt omdat we het in grote mate geautomatiseerd hebben. Vroeger zaten we met een bloc note bij de telefoon om alles te noteren, nu kijkt de klant zelf op internet als hij een dienst nodig heeft. En als de leverancier niet beschikbaar is, dan piept de computer om te zeggen dat je naar een andere datum of tijdstip moet uitwijken. Eens de afspraak per computer gemaakt is, wordt er door de leverancier altijd teruggebeld of gemaild om de service te bevestigen.
De terugkeer van het huispersoneel
Humo: Wie zijn jullie klanten?
Van Silfhout: « Zo’n zestig bedrijven en dat varieert van grote IT-bedrijven zoals IBM met honderden werknemers tot kleine start ups met drie werknemers. Die grote doen het om hun mensen aan zich te binden en die startende bedrijfjes gebruiken het om hun ‘pioniers’ iets extra aan te bieden. In beide gevallen komt het erop neer dat de baas een uitkomst biedt als zijn werknemer een keer in tijdnood zit. Daar waar je het normaal gezien zelf maar moet zien op te lossen, zegt de baas nu: ik ben iemand die begaan is met het werk én met de vrije tijd van mijn werknemers. En dat wordt geapprecieerd.
Humo: Wat zijn de nieuwste services die erbij gekomen zijn?
Van Silfhout: « De chauffeur-service. Als u en ik besluiten om de avond gezellig borrelend door te brengen en het wordt laat en we hebben teveel op, dan zou je normaal een taxi bellen, maar omdat je dan de volgende dag met die klus zit om je auto weer op te halen, komt er nu een chauffeur die je in je eigen wagen naar huis voert. Dat is een dienst die door studenten is opgezet. Verder hebben we nog de boodschappenservice: als je voor elf uur je boodschappen bestelt, worden die voor vijf uur op het werk geleverd (of later thuisbezorgd). En er is ook een interieur-adviseur op komst.
Humo: In feite leeft u het leven van anderen door al die huiselijke besognes voor uw rekening te nemen. Horen sleur en beslommeringen dan niet bij het leven?! Het leven kan toch niet puur fun zijn?! En je bestaan kan je toch niet uitbesteden aan een ander ?!
Van Silfhout: « Het is zeker niet zo dat mensen hun hele leven moeten outsourcen bij ons. Het gaat erom dat mensen hun tijd en leven zelf kunnen inrichten en wij bieden alleen maar een uitkomst als je het te druk hebt. Of als je geen zin hebt. Mensen besteden ook niet al hun boodschappen uit, nee, ze besteden alleen maar die boodschappen uit die ze niet leuk vinden.
Humo: In wezen is het de terugkeer van het huispersoneel, van de meiden en de knechten, met dit verschil dat ze nu niet aan één huis gebonden zijn.
Van Silfhout: « Het is maatschappelijk opnieuw toegestaan om het jezelf wat makkelijker te maken, het màg weer om rijk te zijn en om daarvan te profiteren. De sociale en maatschappelijke druk om ook rekening te houden met de minder fortuinlijken valt weg; er is een stuk collectiviteit en solidariteit verdwenen. Men denkt veel meer “hoe kan IK het naar mijn zin hebben?” dan “wat zullen de anderen daarvan denken?” Die anderen, die moeten het ook maar zien te maken. In de jaren zeventig en tachtig had je dit systeem nooit kunnen verkopen, nu is er geen enkel probleem.
© Jan Hertoghs
Humo: De mobiele masseuse zit in het pakket, maar hebben jullie ook psychologen in dienst?
Van Silfhout: « We hebben een specialist die burn-out opvang doet van mensen die hun job spuugzat zijn. Die werkt al een tijdje mee en die haalt goeie resultaten. We hebben ook een vertrouwenspersoon die jonge managers bijstaat. Want in veel van die nieuwe economie-bedrijfjes zitten jonge twintigers - late pubers zeg maar- die moeten gehoorzamen aan jonge managers van dertig jaar. Dat geeft wel eens problemen omdat die jonge chefs de wijsheid en de ervaring missen van het leiding geven. Vandaar die vertrouwenspersoon die hen kan bijstaan.
Humo: Jullie halen de kappers op de kantoren, maar is het niet beter om de mensen wat meer autonomie te geven over hun tijd zodat ze zelf naar hun buurtkapper kunnen gaan?
Van Silfhout: « Het zal niet of kapper-op-kantoor of meer vrije tijd thuis worden, het zal én én worden. Dat de kapper op kantoor komt en dat de werknemer zelf beslist op welke tijdstippen hij thuis of op zijn werk wil zijn: zaterdagmorgen zal hij willen werken maar woensdag zal hij met de kinderen naar de zoo willen gaan. Ik voorzie een enorme vrijheid op dat gebied: dat mensen hun werkomstandigheden gaan inrichten naar hun eigen behoeften en niet naar de behoeften van de baas. Het is toch waanzin dat mensen anderhalf uur in de file staan om nadien anderhalf uur e-mails te beantwoorden. Dat kan je toch beter thuis doen om nadien op je gemakje naar je werk te rijden?! Dan zijn we op die manier een hoop filerijders kwijt. Maar zover is het nog niet omdat werkgevers nog teveel willen dat hun werknemers om negen uur onder hun ogen verschijnen. Maar het verandert. Nu al heb je sollicitanten die meteen zeggen dat ze op maandagvoormiddag, woensdagnamiddag en vrijdag thuis willen werken.
Humo: Is die nieuwe ‘vrijheid’ geen luxe die alleen is weggelegd voor werknemers die al in de goedbetaalde sectoren werken?
Van Silfhout: « In bedrijven waar mensen aan de lopende band staan zal er inderdaad niet vlug aan uurroosters getornd worden, maar ook daar zie ik dat werkgevers begaan zijn met de vrije tijd van hun werknemers, want ook zij doen een beroep op ons om voorstellen te ontwerpen.
Humo: Straks moeten bedrijven nog tegen mekaar gaan opbieden om personeel te lokken of in dienst te houden. Elk bedrijf gaat dan zwaaien met zijn premies, maaltijdcheques, voetbalabonnementen én comfortdiensten.
Van Silfhout: « Maar dat doen ze toch al?! Je hebt toch bedrijven die radio- en tv-commercials maken om te zeggen hoe leuk werken het bij hen is. Vroeger was werk een noodzakelijk kwaad en je geluk lag in je vrije tijd. Nu is die grens aan het vervagen: vrije tijd kan leuk zijn, maar werk kan ook leuk zijn. Ik denk dat nu meer mensen de mogelijkheid hebben om een werk te doen wat ze leuk vinden. En als daar al eens wat meer tijd in kruipt, als dat al eens ten koste van een stuk van je avond of van je weekend gaat, dan vindt men dat minder erg. Omdat men er meer plezier aan beleeft. Dat geldt niet voor de grootste groep werknemers, maar ik zie het toch overal groeien.
Wat wij doen, is dat we dat werken ook leuker maken. Kijk hoe wij begonnen zijn. Mensen hadden het druk en dus boden we een service aan om die tijdnood op te lossen. Maar al vlug pakten bedrijven ermee uit dat ze van onze diensten gebruik maakten waardoor die bedrijven een extra quality kregen. Zo van: hier wordt niet alleen over werk nagedacht maar ook over de inrichting van dat werk in je leven. En die bekommernis zet zich overal door en dat vind ik een heel interessant maatschappelijk fenomeen om van nabij mee te maken.” >
© Jan Hertoghs
De kleren maken de koper
Zo heeft ook de 29-jarige Carla Beijsens haar werk gevonden. Beijsens is sinds een jaar personal shopper van vrouwen- en mannenkleding. Als mensen geen tijd en/of geen zin hebben om de klerenwinkels af te lopen, dan doet Carla Beijsens dat voor hen.
Beijsens: « Ik kreeg het idee voor mijn bedrijfje van een vriendin die liep te klagen dat het zo moeilijk was om kleren te kopen, en dat het winkelen an sich niet leuk meer was. Of het nu een zaterdag, een koopzondag, of een koopavond is, altijd is het druk, altijd zitten de wegen vol, en ook in de winkels moet je wachten tot iemand je helpt, wachten tot je in het pashokje mag, wachten tot je betalen kan aan de kassa, wachten op een bestelling als ze je maat niet meer hebben, en dat was haar een gruwel geworden. Als ik wat rondkeek, zag ik dat iedereen hetzelfde probleem had: mensen hebben te weinig tijden winkelen is in vele gevallen een stresserende bezigheid geworden. Zowel in de stad als in de grote shopping centra.
Humo: Bestond personal shopping al niet langer in het buitenland?
Beijsens: « Toen ik al bezig was, hoorde ik dat de grote warenhuizen van Londen, Parijs en New York al langer van die ‘personal shoppers” hebben. Met dat verschil dat die shoppers meestal voor één warenhuis werken terwijl ik zowel in de warenhuizen, de confectieketens als in de particuliere kledingzaken mijn kleren ga zoeken.
Humo: Hoe komen klanten in contact met jou?
Beijsens: « Meestal via internet en dat heb ik ook het liefst. Als mensen me telefoneren en een brochure vragen, zeg ik dat alles op internet te vinden is. Dat is mijn filter, klanten die geen internet hebben, zijn allicht mijn klanten niet. Dat klinkt cru, maar ik ga ervan uit dat als ze niet mee zijn met die nieuwe communicatie, ze ook niet klaar zijn voor deze new economy. Eens ze zich op mijn website gemeld hebben, bel ik ze op en maak ik een afspraak voor een intake-gesprek: dan kunnen we praten over hun smaak en hun kleedverleden.
Humo: Als klanten bellen of mailen wat ze nodig hebben, hoe snel breng je dat dan?
Beijsens: « In het weekend ga ik erachter aan en in de week daarop zal ik het ‘s avonds thuis leveren zodat de klant het kan passen.
Humo: Zijn je klanten alleen vrouwen?
Beijsens: « Nee, het zijn zowel mannen als vrouwen, zowel alleenstaanden als samenwonenden, zowel mensen mét als mensen zonder kinderen en hun leeftijd varieert van 25 tot 60 jaar. Eén ding hebben ze wel gemeen: ze hebben weinig tijd en/of weinig zin om te winkelen. Bij de mannen is het meer geen zin hebben en bij de vrouwen is het meer geen tijd hebben. Kijk, mijn klanten willen er wel goed uitzien, maar tegelijk vinden ze die aanschaf zoiets futiels dat ze er niet veel tijd in willen stoppen. Hun idee is: rot maar op met alle drukte, ik laat Carla gaan, en ik kan terwijl lekker wat anders doen.
Ik heb intussen zo’n vijfenzestig vaste klanten en mijn cliënteel situeert zich tussen de bovenste laag van de middenklasse en de onderste laag van de elite. De grote massa koopt niet bij mij, en de miljonairs ook niet; die vinden het leuker om een keer in Londen, Parijs of New York te gaan shoppen.
Humo: Heb je al in België geprospecteerd?
Beijsens: « Nee, maar ik denk dat ik vooral klanten rond Brussel zou vinden. Daar zitten toch het Europese Parlement en de meeste van de grote multinationals, ik denk dat ik daar wel een potentieel zou hebben van mensen die al een stuk van de wereld hebben gezien en die dus ontvankelijker zijn voor een nieuwe service als deze. >
Ingescand uit Humo/ ill Wim Schamp
Humo: Verlies jij veel tijd als je van de ene winkel naar de andere rusht?
Beijsens: « Ik begeef me in de volle drukte van het weekend met alle problemen vandien: wachten tot iemand me helpt, wachten aan de kassa en wachten op een bestelling als de maat niet voorhanden is. Om niet nog meer tijd te verliezen bereid ik me goed voor: ik stel een route op zodat ik zoveel mogelijk winkels kan doen in zo min mogelijk tijd. Winkelen is geen fun voor mij, het is mijn beroep en het is keihard sjouwen met zakken die vele kilo’s wegen.
Humo: Laat je je per uur of per kledingstuk betalen?
Beijsens: « Nee, de klanten nemen een abonnement van vijftig gulden per maand (25 euro), en voor elke maand dat hun abonnement loopt, mogen ze me zoveel oproepen als ze willen. Met dat abonnement zijn ze ook niet verplicht om iets te nemen, als ze de gekozen kleren niet goed vinden, breng ik alles terug en ga ik nog een keer.
Humo: Dan kan het zijn dat je voor eenzelfde broekpak tien keer terug moet omdat het niet goed is?
Beijsens: « Als dat moet, dan moet het. De klant is koning. Hij moet tevreden zijn.
Humo: Als klanten alleen maar een jeans bestellen die ze in feite overal kunnen kopen, doe je dat dan?
Beijsens: « Geen probleem! Jeans, t-shirts, ondergoed, handtassen, sjaaltjes, mutsen, ik koop àlles.
Humo: Maar jou laten lopen voor één stuk… Denk je dan niet: dat hadden ze zelf wel kunnen doen?!
Beijsens: « Als dat één keer gebeurt, is dat niet erg, maar als ik merk dat mensen mij alleen maar zien als een slaafje of een loopjongen, dan haak ik af. Anderzijds heb ik veel klanten waarmee ik een goeie relatie heb en die mogen me ook veel vragen: “Nou Carla, ik kwam daarstraks voorbij de etalage van X gelopen, en ik zag daar een mooi bloesje hangen, maar ik had geen tijd, kan jij dat voor me gaan halen?” Nou, prima hoor, geen enkel probleem.
Humo: Zij zijn er voorbij gelopen! En jij moet het gaan halen! Dan moet je toch een onderdanig karakter hebben om al die willen en grillen van klanten in te lossen?
Beijsens: « Het is dienstverlening en dus sta je de volle honderd procent in dienst van de klant. Je moet er echt van kunnen uitgaan dat die klant zich nauwelijks om je harde zoektocht bekommert. Die klant ziet al je hindernissen niet, die ziet alleen maar of jij wel de juiste stukken hebt meegebracht.
Humo: Ga je zover dat je d’r andere boodschappen bij doet? Als mensen vragen om zeep, parfum of een cadeautje voor de kinderen, breng je dat dan ook mee?
Beijsens: « Jazeker! Als de klant dat wil, dan doe ik het. De bekommernissen van mijn klanten gaan trouwens alsmaar verder. Ze willen niet enkel weten wat ze aan moeten, ze willen ook weten hoe ze er best uit kunnen zien. In het zakenleven, in hun privé-leven of als ze naar een feest gaan. Ik krijg steeds meer vragen wat hun complete look betreft en in de nabije toekomst ga ik daarom samenwerken met een beauty consulente, een styliste en een experte in haarkapsels. Met die drie medewerkers kunnen klanten dan een volledige restyling bekomen. >
© Jan Hertoghs
Humo: Moeten de klanten je vooraf betalen?
Beijsens: « Ja, we spreken een budget af en dan krijg ik het geld. En meestal kom ik toe met dat budget, soms heb ik nog geld over. Het is een kwestie van vertrouwen. Zij moeten erop vertrouwen dat ik dat geld effectief heb uitgegeven, maar ik heb hun vertrouwen ook nodig want soms geef ik voor een paar duizend gulden kledij af en dan hebben ze vierentwintig uren om dat te passen, en dan moet ik ook hopen dat ze die kledij niet echt gaan gebruiken of per ongeluk beschadigen. Want zij moeten dat kledingstuk nadien misschien niet hebben, maar ik moet er wel mee naar die winkel om hùn geld terug te krijgen.
Humo: Vinden winkeliers het niet vreemd dat je kleren komt ‘kopen’ voor een ander en dat je die kleren soms enkele dagen later terugbrengt en het geld terugvraagt?
Beijsens: « De kleinere zaken staan soms nog argwanend, maar de grote ketens vinden het al heel gewoon. Ik ben ook niet de enige, ik begin meer en meer concurrentie te krijgen
Humo: In wezen zijn al die comfortdiensten het antwoord op een gigantisch luxeprobleem. Mensen hebben geen tijd of zin om te winkelen omdat de wegen vol auto’s en de winkels vol klanten zijn. Maar die drukte is er natuurlijk omdat we het geld hébben om al die auto’s te kopen en langs al die winkels te gaan.
Beijsens: «Het is inderdaad een luxeprobleem dat voortvloeit uit deze welvarende consumptiemaatschappij. En ik weet ook wel dat er mensen zijn die het moeilijk hebben met diensten zoals die van mij. Mijn moeder heeft me al een paar keren gezegd: “Winkelen?! Dat doe je toch zelf!” Maar ja, we leven nu eenmaal in een land met een hard draaiende economie en daar moet je eerder positief gebruik van maken dan negatief tegenaan kijken. Trouwens, als zo’n personal shopper je niet zint, dan bestel je maar kleren via postorder of e-mail, dat kan ook, en dat is toch ook het mooie aan deze tijd: dat elke mens zoveel keuzes heeft.
Humo: Sommige mensen vinden dit een harde tijd waarin je hard moet presteren.
Beijsens: « Het is een tijd van hard werken. Vroeger werd een bediende met rust gelaten op kantoor en had hij zelfs de tijd voor lange lunches en koffiepauzes. Die tijd is voorbij, want iedereen kan je nu per telefoon, fax of e-mail bereiken en er wordt constant beroep op je gedaan. Mensen willen een snel antwoord van je, mensen willen een snelle beslissing van je. Alles draait om snelle communicatie tegenwoordig. En we leven in een snelle samenleving. Wie niet snel is, komt niet vooruit. Wat ik vandaag niet doe, dat doet een ander in mijn plaats. Mensen zeggen me: vorig jaar had ik ook het idee om personal shopper te worden, en nu ben jij ermee begonnen! Dan denk ik: so what? Dan had je toen maar moeten beslissen om ermee te beginnen. Nu ben je te laat. Zie je, zo is deze tijd.
Het is ook wel een egoïstische tijd. Iedereen blijft heel dicht bij zichzelf, iedereen denkt heel veel vanuit zichzelf. En waarom ook niet? Het is verdomme wel joùw leven! En als de tijd die je bemeten is erg schaars is, waarom zou je hem dan niet aangenaam besteden door onder andere beroep te doen op die comfortdiensten?! Het mooie aan deze tijd is dat mensen in staat zijn om keuzes te maken. Zo van : ga ik vervelende dingen doen of ga ik leuke dingen doen? En als ze de vervelende dingen uit de weg willen gaan, dan is er een alternatief. En dat is toch mooi dat je op die manier je leven en je tijd kan inrichten.
Deel 4: tijd willen winnen in de 24/24-maatschappij
Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (2): meer vrije tijd en toch meer opgejaagd
Ingescand uit Humo/ ill. Wim Schamp
“De 'vrije' mens krijgt van de vrije markt duizenden keuzes voor zijn ontspanning.
Kiezen is dan tijdrovend en vermoeiend."
Humo dec 2000 - ingekort © Jan Hertoghs
Zelfs na gedane dagtaak en uitblazend in de tv-zetel, knaagt het nog in ons binnenste. Straks is er het weekend en dan moeten we aan een 10-mijl deelnemen, rond de hoofdstad fietsen, een treintrambus nemen, een open bedrijf visiteren, een open monument consumeren, een bloesemroute rijden; geen seizoen of er is wat te doen tegenwoordig. Als er al vrije tijd is, dan is er nu ook een vrijetijdsindustrie en de producten uit die nijverheid staan in onze kelders, zolders en garages. De pingpongtafels, de mountainbikes, de tennisraketten, de ski’s, de snowboards, de surfplanken, de digitale camera’s, allemaal hebben we ze gekocht om de vrije tijd zo nuttig mogelijk te besteden. Alleen al de aankoop en het onderhoud ervan kosten uren en uren tijd, en dan hebben we ze nog niet ééns gebruikt. En intussen stapelt het zich maar op: de boeken die we nog moeten lezen, de cd’s die we nog moeten beluisteren, en de videofilms die we nog moeten bekijken. Vrije tijd, zei u?
Prof. dr. Wim Knulst is hoogleraar Vrijetijdwetenschappen aan de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg heeft een heldere kijk op de tijd wanneer we niet werken.
Humo: We leven langer, werken korter, hebben meer vrije tijd en toch hebben we het gevoel van opgejaagd te zijn.
Knulst: «Die “we” mag je niet veralgemenen. Die “we” zijn vooral de werkenden tussen 25 en 50 jaar. Dat zijn de mensen die in het spitsuur van hun leven zitten: een groep die niet groter is dan 30% van de bevolking. Naast die groep heb je nog een veel grotere groep van onder andere gepensioneerden, werklozen en andere thuisblijvers die veel tijd en géén gejaagd leven hebben. Maar zij komen niet aan bod in dit debat.
Als mensen zeggen dat ze het “druk hebben” wordt dat soms in de mond genomen omdat het zo “hoort”. Zeggen dat je zeeën van tijd hebt en zeggen dat je niks omhanden hebt, dat hoort niet in deze actieve samenleving.
Gejaagd zijn is ook geen durend gevoel, het blijkt aan bepaalde periodes van het jaar gebonden. Er zijn weken in het jaar - zoals van november tot half december - dat het overal druk is en dat niemand vakantie neemt. En je hebt weken dat iedereen met vakantie schijnt te zijn en dat het maatschappelijk leven zo goed als stilligt. Allicht komt dat door de vakantiespreiding: de zomervakantie van de werknemers loopt van juni tot september en als je dan nog eens vakantie kan nemen met pasen, kerst, herfst, en krokus, dan is het niet te verwonderen dat het echte werken daardoor in kortere periodes wordt samengedrukt.
Mensen zeggen ook dat ze het druk hebben en toch blijken ze ‘s avonds nog vele uren voor de televisie te zitten (een Vlaming kijkt gemiddeld bijna drie uur televisie per dag,jh). Ook die uren tv-kijken blijken samen te gaan met een “gejaagd leven”.
Humo: Maar dat patroon van vlug opstaan, snel of half ontbijten, kinderen naar de crèche en de school brengen, naar je werk reppen, kinderen ophalen, boodschappen doen, en ‘s avonds nog wat sporten en tussendoor een film opnemen “die je niet mag missen”. Dat patroon is toch reëel én gejaagd van karakter?
Knulst: « Gejaagd zijn, gestresseerd zijn of het druk hebben zijn subjectieve begrippen. We hebben dat onderzocht met een tijdsbudget-onderzoek. Daaruit bleek dat mensen met een gelijk aantal werkuren per dag zich niet even gejaagd voelden. Het gejaagde gevoel was er vooral bij werknemers die tijdens die werkuren een versnipperde taak hadden met véél verschillende werkzaamheden.
Die versnippering speelt ons ook parten in de vrije tijd. Mensen hebben steeds meer eindjes vrije tijd, couponnetjes vrije tijd. In de jaren vijftig werd er gegeten op een vast uur en nadien werd er gelezen, naar de radio geluisterd of naar die ene tv-zender gekeken. De avond vormde een tamelijk onafgebroken geheel dat je doorbracht met één activiteit. Nu komen we thuis en wat zich aandient is een versnipperde avond: er is de film, de fitness of de sportclub, en daartussen zitten couponnetjes tijd die we met televisie opvullen. De tv is dan wel het bindmiddel tussen al die activiteiten, maar toch brengt die versnippering dat knagende gevoel dat de avond als snel zand uit de handen is geglipt en dat we d’r méér van hadden kunnen maken.
© Jan Hertoghs
Humo: Alle voorstellingen, concerten en evenementen die je als een “must” moét gezien hebben, is dat ook geen aanslag op onze vrije tijd? Dat gevoel van tijd te weinig te hebben om alles te zien.
Knulst: «Dat alles zich nu aan ons opdringt, is ook niet altijd zo geweest. De vrije tijd verliep vroeger volgens bepaalde tradities. Je hoorde bij een beroepsgroep, je was arbeider of bediende of huismoeder, en elke groep had zijn verenigingen meestal verzuild naar religie en/of politieke overtuiging: de harmonie van de socialistische arbeiders, de vereniging van de katholieke huisvrouwen, enzovoort. En elke groep had zijn vorm van vrijetijdsbesteding. De bedienden en intellectuelen hoorden te lezen. De arbeiders hoorden te voetballen of te turnen. En de huismoeders hoorden naar kookavonden te gaan. Elke zuil wist ook te vertellen wat goed was voor zijn leden, men filterde het aanbod, en de ene vereniging werd niet ‘lastig’ gevallen met de vrijetijdsbesteding van de andere. Tegenwoordig zijn die filters weg en nu komt àlles als in een vloedgolf op elk individu af. Het nieuwe boek van Harry Potter, de verzamel-cd van The Beatles, het concert van Elton John, allemaal vechten ze via de media om de aandacht van de consument.
Humo: Tegelijk is er ook die druk van het bij blijven. Dat je mee moet zijn met wat er allemaal verschijnt en te beleven is.
Knulst: « Daar speelt zeker de druk van de reclame dat je “alles eens geprobeerd moet hebben”. In de jaren vijftig sloot je je aan bij een voetbalclub, je speelde een half jaar op je gympies en als het een beetje lukte, dan kocht je (tweedehands) voetbalschoenen. Lukte het niet op die tijd, dan stapte je op en dan had je toch geen kosten gemaakt. Nu koopt men een volledige uitrusting en men begint te voetballen. Of het wintert en sneeuwt, en men stapt de latten op om te langlaufen. Want de reclame spiegelt het zo voor dat iedereen alles aankan.
Er is geen gezaghebbende voorspraak meer. Er is niemand die nog zegt van “zou je dat wel doen?” Er zijn ook geen beginnelingen of gevorderden meer. Er zijn alleen nog passanten die zich een uitrusting en een vrijetijdsbesteding ‘aanschaffen’ zonder er lang bij na te denken. En als het niet meevalt, dan stappen ze over naar wat anders. Dat iedereen voor alles in aanmerking denkt te komen, maakt ook dat er grote groepen opduiken op plaatsen waar vroeger slechts enkelingen bezig waren. Kijk maar naar de toeloop in de wintersportoorden!
In deze tijd moet je ook op een flinke bagage aan uitstapjes en vakanties kunnen bogen. Zelfs als volwassene kan je het niet maken als je zegt dat je nog nooit in een pretpark bent geweest. In niks mag je nog een beginner zijn. Wie durft nog zeggen: wij zijn nog nooit in Toscane of Zuid-Frankrijk geweest, hoe is dat eigenlijk om daar op vakantie te gaan? Eigenlijk worden we doorlopend getaxeerd of we wel alles gezien hebben en overal geweest zijn. Een mens moet tegenwoordig kunnen meepraten over een jetlag of hij telt niet meer mee.
© Jan Hertoghs
Zon-dag? Zeedag!
Je ‘bestemming’ moet ook geconsacreerd zijn door de media. Als je zomaar naar een museum of kasteel bent geweest, kijkt niemand daarvan op en heb je in feite niks te vertellen. Maar als je naar de Open Monumentendag bent geweest - wat ook het bezoeken van een museum en een kasteel is maar dan met duizenden op dezelfde dag- dan kan je weer wél meepraten. Dan hoor je d’r wel bij. De georganiseerde hype is een grote rol gaan spelen in onze vrijetijdsbesteding.
Humo: Een complexe samenleving! We klagen dat het druk is, maar we gaan liefst naar die evenementen waar toeloop en drukte is.
Knulst: «Het wijst er maar op dat we niet van die unieke mensen zijn zoals de existentialistische goeroes dat graag hadden gezien. In de jaren zestig was het bon ton om je te bevrijden van het juk van de traditie maar wat blijkt: mensen die iets op eigen houtje doen blijken meer identieke dingen te ondernemen dan mensen die iets volgens de traditie doen. Statistici van de stad Amsterdam zagen bijvoorbeeld dat er een grotere verscheidenheid aan voornamen was in de tijd dat men zijn kind naar peter en meter noemde dan in de huidige tijd. Nu zijn er modes, nu zijn er periodes met Engelse, Amerikaanse of Skandinavische namen. Dus mensen die zelf mogen kiezen zijn gevoeliger voor trends en gaan dan toch meer van hetzelfde doen. Let wel, ze voelen zich vrij in die keuze, maar statistisch gezien doen ze veel van hetzelfde.
Mensen hebben het idee dat ze helemaal autonoom zijn en toch lopen ze in hetzelfde spoor. Neem het weekend. Als de zon schijnt, dan krijgt iedereen ‘autonoom’ het idee van naar de kust te rijden, met alle files en drukte vandien. Dertig jaar terug had je dat nog niet. Men deed wat de eigen groep deed en dan kon het best zijn dat je op een zonnige dag in een sporthall zat en op een regendag een wandeling maakte. Omdat je vereniging het nu eenmaal zo voor je geprogrammeerd had. Op die manier had je ook weinig druktes in dezelfde recreatie-oorden, al die groepen liepen mekaar niet voor de voeten.
Humo: Het wezen van de moderne vrije tijd is dat hij gevuld én actief moet zijn. Ook bij kinderen zie je dat: ze volgen naast de gewone school ook nog eens balletschool, circusschool en keepersschool. Tot er weer stemmen opgaan dat ouders hun kinderen overprogrammeren.
Knulst: « Zeker zijn er ouders die dat zo programmeren, maar de scholen hebben ook meegedaan. Sinds de jaren zeventig is er immers dat idee dat de school ook leuk moest zijn, dat de school méér moest bieden dan alleen maar onderwijs en hup, toen kreeg je heel die vlaag aan naschoolse activiteiten. Waaraan kinderen moesten deelnemen uiteraard.
Wat de ouders betreft, zij gaan die vrije tijd vaak stevig invullen vanuit een schuldgevoel: dat je geen goede ouder bent als je te weinig tijd besteedt aan je kind, dan kan het met dat kind misschien wel slecht aflopen. En wij willen toch vooal een goed kind krijgen! Maar als ouders dan veel aandacht geven aan hun kind, dan krijgen ze te horen dat teveel aandacht ook niet goed is….
Humo: Wat op zijn beurt ook weer tijd vergt, die onzekerheid over de opvoeding.
Knulst: « Ouders zitten voortdurend met die vraag van “doen we het wel goed?” Dat is niet altijd zo geweest. In de tijd dat men zijn leven leidde zoals de ouders en de grootouders het gewend waren, had men die gedachte niet. Maar de na-oorlogse generatie ging het heel anders doen dan die (voor)ouders. Die generatie wilde zich niks meer laten voorschotelen, die wilde niet meer gebonden zijn aan tradities, aan kerk of gebod en die zocht in het leven zijn eigen weg, zijn eigen scenario. In smaakvol wonen. In weet hebben van politiek en cultuur. In gezond koken. In milieubewust leven. In een goeie relatie hebben. In verantwoord opvoeden van de kinderen. Terwijl al dat zelf uitzoeken hoe het nu moet, tijd kost uiteraard. Maar dat is een rekening die zelden gemaakt wordt.
We leven sinds de jaren zestig in het zogeheten “tijdperk van het individu, van de autonome mens en van de kritische consument”. Maar precies die zogenaamde ‘individualisering’ van de samenleving maakt de vrije tijd ook zo drukbezet. Demografisch is dat goed na te gaan. In 1962 woonden er honderd Nederlanders in 26 huishoudens: dat waren de grote gezinnen van toen. Nu wonen er honderd Nederlanders in 41 huishoudens. Dat betekent dat de huiselijke karweien door minder mensen gedeeld worden en dat gaat ten koste van de vrije tijd.
Veel mensen denken: ik heb zo’n drukke baan, dus voor mij geen partner en geen kinderen, ik wil vrij en ongebonden zijn! Maar elk van die ‘vrije’ eenlingen moet wel alleen naar de supermarkt, alleen naar de glasbak, en alleen naar het postkantoor. Er zijn geen huisgenoten die hem dat werk uit handen kunnen nemen. Dus ook dat gaat ten koste van je tijd. >
© Jan Hertoghs
Humo: Dat die vrijgevochten mens uiteindelijk gevangen wordt in zijn vrije tijd is wel een opvallende paradox.
Knulst: « Oh, maar er zijn nog gevolgen van die zogenaamde ‘individualisering’. Vroeger was er een algemeen aanvaarde disciplinering in het openbaar, je gedroeg je aan tafel, je was beleefd op straat, je liet mensen uitpraten, je las een boek helemaal en dan pas gaf je je mening. Dat zijn niet de overwegingen van een fatsoensrakker, ik wil alleen maar aantonen dat zo’n disciplinering een rustgevende invloed had.
Sinds de opkomst van de televisie met zijn afstandsbediening en vele kanalen, sinds de opkomst van de computer en zijn eindeloos aanbod op dat scherm valt die disciplinering ons zwaar. Een boek wordt vaak niet meer uitgelezen, een tv-programma vaak niet meer uitgekeken, want altijd zit je met die vraag of er elders geen leùker programma aan de gang is. Zo gaat dat in het tijdperk van de zappende mens: wat je niet helemaal leuk vindt, dat zap je weg. En dat brengt mee dat er een groot stuk ongeduld in deze samenleving is gegroeid.
We aanvaarden het tempo van anderen niet meer. Kijk maar naar het verkeer en al die gejaagde mensen in hun auto. Ze weten dat ze met hùn voertuig veel sneller kunnen en als ze die snelheidsambitie niet kunnen halen -wegens file of wegens wegomleiding- dan geraken mensen vaak over hun toeren. Want ze willen hun eigen ambitie, hun eigen tempo volgen en niet het tempo van anderen.
De zoek-het-zelf-maar-uit-economie
We zitten in een cultuur van het zelf doen, het zelf uitzoeken, de zelfbediening, en juist dat veroorzaakt een verlies aan vrije tijd. De Amerikaanse onderzoeker De Grazia wees er in de jaren vijftig al op dat er vrije tijd weglekt door het wegvallen van een aantal verzorgingsdiensten. Tot ver in de jaren zeventig kwam de bakker, de slager, de melkboer, (in Vlaanderen ook nog eens de soephandelaar en de brouwer,jh) aan huis en nu moeten we zelf naar de winkel om onszelf te bedienen.
Als consumenten worden wij ook opgescheept met steeds meer eindbewerkingen bij het produkt dat we kopen. Bij een auto moet ik de opties kiezen, bij een bad moet ik de kranen bestellen, en bij een gsm moet ik uitpluizen welk tarief best bij mijn situatie past. Dat heet dan dat je à la carte mag kiezen, maar dat brengt een hoop rompslomp en verlies van vrije tijd mee. Neem Ikea. Je koopt een pakket en dan ‘mag’ je zelf uitzoeken hoe je het in elkaar ‘moet’ schroeven. Dat extra-werk durven ze dan nog voorschotelen als de vrijheid van de consument!
Humo: Idem dito met pay-tv. Daarmee kunnen we binnenkort onze “eigen” tv-avond samenstellen, maar ook die vrijheid zal een hoop zoeken en programmeren meebrengen.
Knulst: « Zo is het. En voor de grote bedrijven is die “vrijheid van de consument” een prima zaak. Zij leveren één standaardpakket voor Amerika, Azië en Europa en laat de consument het verder maar uitzoeken! Kijk naar de software van de computer, die is zo gemaakt dat het voor Amerikanen en Aziaten en Europeanen bruikbaar is en nadien wordt het aan de consument overgelaten om zijn weg te zoeken in al die tools, options en windows.
Tevoren had je dat dichte woud van opties niet. De leverancier hielp je bij je keuze. De elektro-handelaar, de bankier, de meubelverkoper, ze vroegen naar je situatie en zegden wat het beste voor je was. Bij de televisie stelden de NOS of de BRT je tv-avond samen en Brussel of Hilversum bepaalden je radioprogramma. Dat heet nu voorbijgestreefd en paternalistisch, maar het maakte wel dat mensen er geen tijd in moesten stoppen omdat de keuze al was gemaakt. Toen luisterde je naar een station dat bij je smaak paste. Nu heet het dat je je eigen dj moet zijn, nu moet je zelf een CD volschrijven met muziek naar jouw smaak. En dat kost tijd.
En wij WILLEN het ook allemaal zelf uitzoeken. Want wij zijn autonome, kritische en zelfbewuste consumenten, zo wordt ons althans voorgespiegeld. Maar hebben wij ooit om deze situatie gevraagd?! Hebben wij gevraagd dat je voor een internet-aansluiting een schijfje krijgt en dat je het verder maar zelf moet installeren?!
De consument leeft in een consumptiemaatschappij waar hij omringd is door steeds meer goederen en diensten. En uiteraard vraagt hij naar advies zoals we die vroeger van de gespecialiseerde handelaar kregen. Maar wat krijg je als antwoord. Dat alle advies en informatie te vinden is op internet. En dat is één grote zelfbediening waar oneindig meer staat uitgestald dan wat je wilde hebben. In plaats van advies geeft men ons nog meer opties waarin we weer onze weg moeten zoeken. En die tijdsberoving hebben we maar te aanvaarden. >
© Jan Hertoghs
Humo: Kunnen we het over “rust” hebben? Dat is een taboe in deze tijd. Rust lijkt voor rusthuizen of voor slome middenstanders die ‘s zondags hun winkel niet open willen doen.
Knulst: «Rust, zegt u? Als je het rustig wil aanpakken, dan moet je dat onthaasting noemen.
Dat fenomeen komt natuurlijk niet toevallig opduiken, het komt op een moment dat er haast geen tijd meer is die zorgeloos verloren kan gaan. Het adagio van nu is dat tijd besteed moet worden. Lang geleden ging men met de kippen op stok en was de avond van geen tel. Toen kwam de gloeilamp en van dan af kon men ‘s avonds nog rustig lezen of breien of andere nuttige dingen doen. Maar voor de rest stond de dag vast. Je werkte van 9 tot 5 en dan kon je tot sluitingstijd je boodschappen doen. Eens de winkels dicht waren, waren de mensen thuis en was de dag zo goed als ten einde. Men had ook niet dat knagende gevoel van er gaat iets van tijd verloren, want er was niets meer omhanden. Ja, je kon naar de radio luisteren en tot middernacht opblijven, maar eens het Wilhelmus op Hilversum -of de Brabançonne op de BRT- had geklonken, was het toch wel echt gedaan met je dag.
Totdat de nachtradio en de nachttelevisie verschenen, én het 24-uurse internet! Die hebben tot gevolg dat elk moment van de dag én de nacht nuttig besteed kan worden. Met internet kan je je activiteiten op elk moment hernemen, je kan je werk mobiel mee naar huis nemen en iedereen kan je bereiken, en dus is de dag nooit gedaan. Tenzij voor arbeiders, die laten alle werk op de fabriek, maar dat is wel een groep die steeds kleiner wordt.
Omdat je bijvoorbeeld je werk mee naar huis kan nemen, is de scheiding tussen arbeid en vrije tijd steeds diffuser geworden. Daardoor wordt er een enorm beroep gedaan op onze disciplinering. Het wordt aan ons overgelaten om arbeid en vrije tijd zelf af te bakenen. Die disciplinering wordt echter tegengewerkt door de animerende druk van onze omgeving. Je wordt door je omgeving aangezet om overal aan mee te doen of op zijn minst alles eens te proberen, en om zo komt het dat we én joggen én aerobiccen én squashen, terwijl we zouden moeten kiezen: dit doe ik wel en dit doe ik niet. Maar er is die druk, er is die opdracht om zoveel mogelijk gezien én meegemaakt te hebben.
Het is een idee dat uit de jaren zestig stamt. Toen stond voorop dat je je als mens maar kon verwezenlijken als je zoveel mogelijk van je leven maakte, als je zoveel mogelijk ervaringen had. En het gaat er hier niet om of dat idee goed of fout is, maar het brengt wel een hoop zorgen mee en het kost een hoop tijd.
Humo: Wat nog op de weekends weegt is de weekendstress. Mensen laten de klusjes van een hele week samenkomen in het weekend en dan blijkt dat lijstje niet uitvoerbaar te zijn omdat ze aan de kinderen ook nog een uitstapje beloofd hebben.
Knulst: « Een halve eeuw terug lag een weekend vast met boodschappen, kerkgang en bezoek aan de familie. Dat er op zondag mogelijk nog gordijnen dienden gewassen te worden, was zelfs ondenkbaar. Maar van dat weekend dat rustig voorbij kabbelde zijn we geëvolueerd naar een weekend waarvan je “iets moet zien te maken”. In een weekend moet je iets speciaals doen. Maar als het dan zover is, blijken er zich allerlei karweien te hebben opgestapeld die dat ‘speciale’ in de weg staan. En elk weekend blijft dat scenario zich herhalen. Omdat men zijn tijd niet kan budgetteren. Tijd budgetteren blijkt voor veel mensen moeilijker dan geld budgetteren. Met duizend gulden of duizend frank weten ze hoever ze kunnen springen. Maar van een weekend denken ze vaak dat het langer duurt dan twee dagen. >
© Jan Hertoghs
Humo: In datzelfde weekend lijken die actieve mensen -aldus de onderzoeken- steeds minder tijd te hebben voor familiebezoek. Familie is “out”.
Knulst: «U bedoelt het zondagse tijd passeren bij ouders of schoonouders? Ja, dat gewoon bij mekaar zitten zonder programma, dat is aan het tanen. Nu moet er met de familie gewandeld of gefeest worden, er hoort liefst enige activiteit bij.
Humo: Is dat niet ingrijpend dat we die band met de familie aan het verliezen zijn?
Knulst: « Misschien voelen weinigen het als ingrijpend aan omdat het over de jaren heel geleidelijk is weggesijpeld. Maar ik denk niet dat er een weg terug is. Zoals men zich minder gelegen laat aan de kerk en de traditionele verenigingen, zo onttrekt men zich ook aan de traditionele band met de familie. Voor mensen die in de jaren vijftig geleefd hebben was zo’n familiebezoek nog wel eens attractief; je had altijd wel die leuke nonkel die een kunstje kon - rokende sigaret in zijn neusgat of zijn oren- of dat nichtje dat zo mooi piano spelen kon. Maar dat kan niet meer concurreren met wat je nu allemaal kan beleven in een weekend. En mensen lopen nog wel langs bij de familie, maar geen hele namiddag en avond meer; men belt nu aan tegen aperitief en etenstijd.
Humo: Dan is men langs geweest en heeft men ineens gegeten ook. Dan heeft men dàt al aan tijd uitgespaard.
Knulst: « Wat je ziet, is dat er nu meer tijd gaat naar de vrienden. Met vrienden voel je je meer verwant en weet je over méér te praten dan met je familie. En dus ga je die opzoeken en vooral die oudere familie wat links laten liggen omdat je anders bij elk onderwerp een aanloop moet nemen om het allemaal uit te leggen.
Humo: Leg aan je oma maar eens uit dat je nu dag en nacht met 100 jongelui in een internet-tempel kan zitten.
Knulst: « Tja, en zo krijg je jongeren die steeds meer met leeftijdgenoten omgaan omdat die dezelfde smaak hebben qua muziek en kleren. Terwijl de verschillende generaties in het verleden meer met elkaar in contact kwamen en jongeren zich allicht ook beter konden inleven in het lot van ouderen.
Humo: Eigenlijk heb ik totnutoe alleen maar mogen horen dat het vroeger rustiger was. Omdat er een bakker aan de deur kwam, omdat een groot gezin de huistaken beter kon verdelen en omdat een traditioneel verenigingsleven je vrije tijd wist te bepalen. En je had ook geen last van dat internet en die tijdrovende zoek-het-zelf-maar-uit-economie.
Knulst: « Zo mag u het niet bekijken. Er bestaat niet zoiets als een natuurlijke mens met een natuurlijk ritme die nu uit zijn paradijs verdrongen is omwille van deze enerverende tijd. Die ideale mens heeft nooit bestaan en die drukke tijd is er ook niet in vijf jaar gekomen, die is binnen gesijpeld over een tijdspanne van vijftig jaar.
Humo: Maar met die nieuwe welvaart is er toch wel veel verloren gegaan aan onbekommerde tijd. Als kind kon je vroeger op straat voetballen en alle notie van tijd verliezen in dat eindeloze spel. Kinderen van nu worden van jongsaf in de tredmolen van efficiëntie en programmatie opgenomen: met muziekschool op uur A, tekenschool op uur B, en tv-programma op uur C. Dat is toch een verlies.
Knulst: « Dat kan een verlies zijn in de ogen van een afstandelijke beschouwer, maar niet voor de kinderen die dat leven leiden. Zij weten niet anders, zij hebben nooit anders gekend, en zij vinden de tijd van nu wél leuk. Daar twijfel ik niet aan. En tegenover dat verlies van toen staat de winst dat kinderen nu veel meer kunnen kiezen in functie van hun persoonlijke aanleg. Vroeger waren de keuzes in je vrije tijd véél beperkter. Wat moesten de kinderen doen die niét van muziek of lezen of voetballen hielden?! Niets, want er was niets anders. En dan zegt men dat de mensen van toen met minder tevreden waren, tja, er was ook niet méér! >
© Jan Hertoghs
Humo: U denkt dat deze en komende generaties best wel zullen wennen aan deze drukke tijd?
Knulst: « Ik denk het wel. Maar het vraagt wennen en aanpassen. Tevoren lag alles veel meer vast: tussen negen en vijf was je de werknemer die zijn werk deed en thuis was je vader die de klussen opknapte en had je een vrouw die de kinderen opvoedde. Nu zijn we én opvoeder én partner én werknemer tegelijk en nu gaat het erom te leren hoe we die rollen tegen elkaar moeten uitspelen. Op een vergadering kan je al eens zeggen, ik kan slechts tot vijf uur blijven want dan moet ik de kinderen ophalen. Maar ook tegen je partner kan je zeggen, ik kan straks de kinderen niet ophalen, want ik heb een belangrijke vergadering. En door die verplichtingen tegen elkaar uit te spelen, slagen we erin om wat extra vrijheid te creëren. Op die manier zijn we onze weg en ons evenwicht aan het zoeken in deze tijd.
Humo: Maar leven we nu in een vrijere tijd of een meer gebonden tijd?
Knulst: « We leven in elk geval in een maatschappij die heel veel van ons vergt omdat er zoveel gepland en geregeld moet worden. Financieel zijn we er beter op geworden, maar de besteding van dat geld moeten we bijvoorbeeld helemaal zelf regelen. Vijftig jaar geleden werd een groot deel van ons geld uit onze handen genomen: de bakker, de melkboer, de slager, de brouwer, zelfs de gasopmeter kwamen wekelijks hun geld halen. Je wist waar je aan toe was, je had een vorm van sociale controle op je budget. Nu moeten we én geld én tijd helemaal zélf beheren, en dat kost inspanning.
Humo: Maar moeten we ons weekend en onze vrije tijd dan volledig gaan plannen? Dat gaat toch in tegen dat beginsel “vrije” tijd.
Knulst: « Ik zeg niet dat je een uurschema voor je weekend moet aanleggen, maar je moet wel je prioriteiten stellen. Tijd is kiezen of delen. Ofwel kies je voor één ding en dan ben je daar intensief mee bezig, ofwel kies je voor alles en dat moet je zowel je tijd als jezelf in stukjes delen. Dan ga je weer voor meer klussen én meer tijd voor de kinderen én meer boeken lezen en dan kom je uiteraard weer onder tijdsdruk te staan.
Humo: En de mensen die niet kunnen plannen? Stevenen die af op een time bankruptcy? Zo noemt men het in Amerika wanneer mensen compleet overstuur raken van al wat ze willen doen en al wat ze niet kunnen doen.
Knulst: « Ik wil daar nuchter in blijven. Ik denk dat er weinig mensen zijn die eronderdoor gaan. En men verwijst wel naar toegenomen stress en dergelijke, maar mijn bedenking is dat dat vroeger ook bestond zonder dat er een naam voor was. Nu moeten mensen hun eindjes tijd aan elkaar zien te knopen, maar de ‘stress’ van gezinnen voor de oorlog om de financiële eindjes aan elkaar te knopen, dat was pas hard. De zorg van “er komt een vijfde kind en we hebben maar geld om drie kinderen eten te geven” weegt volgens mij niet op tegen de vraag van hoe je je tijd zo goed mogelijk indeelt. Met dit verschil weliswaar dat de mensen toen hun arme bestaan met de buurt konden delen, en dat de welvarende mens van nu zijn drukke bestaan vaak op zijn eentje moet dragen.
Humo: Bij de Amerikaanse auteur James Rifkin las ik: “Deze samenleving is chronisch vermoeid en de wereld staat aan de rand van de uitputting.”
Knulst: « Dat is vreselijk overdreven. Ik denk dat de mens flexibel genoeg is om deze enerverende samenleving aan te kunnen. Laten we wel wezen: de gemiddelde werknemer is nog nooit zo gezond geweest als nu.
Humo: In teksten over onthaasting lees je toch dingen als: de mens kan niet genieten van zijn vrije tijd en wordt dus zelf ongenietbaar.
Knulst: « Ach, de mensen kunnen best wél genieten in hun vrije tijd! En als ik ook eens mag overdrijven: voor sommige werknemers in dit land is het werk alleen nog maar een pauze tussen hun vakanties.
Humo: Maar wie klaagt er dan over tijdsdruk?
Knulst: « Het is zo dat er in deze economie hard moet gewerkt worden: meer werk moet door minder mensen gedaan worden en bedrijfsleiders eisen ook een hogere bekwaamheid van hun personeel. En toch vind ik dat verhaal van “druk, druk, druk” een wat scheefgetrokken verhaal. Zeker als het in de media of op voordrachten wordt aangekaart als de nieuwe welvaartsziekte, in de stijl van “hebben we het eigenlijk wel zo goed?” Dat kaarten ze zo aan, omdat ze weten dat zo’n verhaal van “overvloed hebben en toch niet kunnen genieten” er altijd wel ingaat als zoete koek.
Humo: Is het tijdsprobleem dan een luxeprobleem?
Knulst: « Het is in elk geval geen wereldprobleem. Zuiver genomen is het alleen maar een paradoxale situatie waar we onszelf naartoe hebben gemaneuvreerd. Omwille van een aantal idealistische stromingen in de jaren zestig die voorhielden dat we “vrije” en “autonome” mensen moesten worden, zijn we in een situatie beland waar die bevrijding eerder als een last dan een lust wordt ervaren. Dàt is de paradox van deze tijd. Dat we de illusie van vrijheid hadden, maar dat we nu pas gaan inzien hoe gebonden we daardoor zijn geworden. Want de markt is ook vrij, zij brengt ons duizenden keuzen en alternatieven, en daar staan we dan: mogelijkheden te over, maar -zoals gezegd- tijd tekort om het op ons eentje allemaal uit te zoeken.
Deel 3: tijd winnen door een ander in te huren om de hond uit te laten
Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (1): het Vlaamse gezin en zijn dagelijkse 'rit tegen de tijd'
September is druk. De vakantie zit erop, de school is opnieuw begonnen, ouders worstelen weer feller met het evenwicht tussen werk en privé, en tegelijk is er elk weekend veel te doen. Want na een lange corona-stilte zijn er de versoepelingen en die brengen volgens sommigen een 'tsunami' aan vrijetijdsactiviteiten teweeg. Vandaar het gevoel van een tekort aan tijd.
Maar ook twintig jaar geleden kampte men al met tijdsdruk en tijdsschaarste.
Daarover gaat deze reeks: hoe we onze tijd zijn "kwijt" geraakt.
Humo dec. 2000 - jan. 2001 / serie toen onder de titel "Waar is de tijd?" - herwerkt en ingekort © Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo/ ill. Wim Schamp
"In de gezinnen is het nu zoals in de bedrijfswereld: alles is just-in-time geregeld."
Een gemiddelde Amerikaan slijt zes jaar van zijn leven in de file en staat zes maanden voor een rood licht. Ook spendeert hij twee volledige jaren aan het tevergeefs telefonisch willen bereiken van andere Amerikanen. C’est la vie zou de gemiddelde Italiaan zeggen en die spendeert twee jaar van zijn leven aan het zoeken naar een parkeerplaats.
Hoe de gemiddelde Vlaming omgaat met tijd en tekort aan tijd, dat hebben de VUB-professoren in de sociologie Mark Elchardus en Ignace Glorieux onderzocht.
Humo: In deze serie zoeken we naar de wortels van onze tijdsdruk en tijdschaarste. Waar liggen die wortels ergens?
Elchardus: «Vroeger lag alles veel vaster dan nu. Winkels sloten op vaste uren, gezinnen aten op vaste uren, bedrijven begonnen op vaste uren, die ordening lag heel vast. En nog belangrijker, we hadden de bufferfunctie van de huisvrouw! Zij was altijd thuis, zij was altijd beschikbaar, zij smeerde ‘s morgens de boterhammen, zij ving ‘s middags de kinderen op en zij regelde het eten als vader ‘s avonds toevallig wat later thuiskwam. Vanaf de jaren ‘70 zijn die twee zekerheden weg gaan vallen. Uren van bedrijven zijn flexibeler geworden, en de vrouw is haar plaats gaan innemen in het arbeidsproces waardoor die tijdsbuffer van de huismoeder wegviel.
In de gezinnen is het -net als in het bedrijfsleven- allemaal just in time geworden. Vroeger had een bedrijf zijn magazijn met onderdelen en als men iets nodig had, dan haalde men dat uit het magazijn. In de gezinnen is het net zo. De moeder was de voorraad met tijd, ze was altijd aanwezig, ieder kon er naar believen uit putten en het gezinsbedrijf liep op wieltjes. Dan begonnen de bedrijven hun magazijnen te liquideren omdat het te duur werd om voorraad “zomaar” te stockeren. En de moeder ging het huis uit omdat het voor veel gezinnen “te duur” werd om één potentiële arbeidskracht thuis te houden; én veel vrouwen wilden zich ook ontplooien in een arbeid buitenshuis.
Het gevolg is dat zowel bedrijven als huisgezinnen kwetsbaarder zijn geworden qua tijd. Als de vrachtwagens - die nu de rollende stocks zijn - niet just in time kunnen leveren, dan loopt het tijdschema van de hele fabriek in de war. En als de moeder bij noodsituaties -zoals een kind dat ziek wordt- niet meer kan inspringen, dan loopt in het gezin ook alles in de soep.
Glorieux: «Je zou in de keukens van de Vlaamse gezinnen moeten kunnen kijken: al de briefjes en post-its die daar hangen van wat er in de dag en in de week allemaal moet gebeuren. En je zou ze ook moeten zien opstaan en ontbijten. Hét gesprek van de ochtend zijn de afspraken; vader en moeder die alle momenten van de dag overlopen om te bepalen waar één van de ouders just-in-time aanwezig moet zijn. En het minste wat dat tijdschema kan verstoren, - te laat gedaan op het werk, te laat thuis met de auto- brengt stress en drukte en nervositeit te weeg.
Humo: Op vijftig jaar is de arbeidstijd nochtans alleen maar afgenomen, en toch hebben we het nu drukker.
Glorieux: « Eind de jaren vijftig hadden de meeste gezinnen één kostwinner, dat was de vader, en die werkte gemiddeld zesenvijftig uren per week: arbeiders zo’n 58,5 uren per week en bedienden 54 uren per week. Nu werkt de samenwonende of getrouwde man gemiddeld zo’n 42 uren per week. Mannen zijn dus op dertig jaar gemiddeld 12 à 16,5 uren minder gaan werken. Als het niet nog minder is! Want in dat gemiddelde van die 42 uren zitten ook zelfstandigen die sowieso langere werkweken maken. De man is dus gemiddeld veertien uur minder op zijn werk, maar de vrouw is nu gemiddeld 23,5 uur afwezig voor hààr job. En daar zit natuurlijk de knoop als we spreken van tijdsdruk: er wordt binnen de gezinnen meer tijd aan loonarbeid besteed. Tel het maar bij elkaar. De 42 uren van de man en de 23,5 uren van de vrouw, dat maakt meer dan 65 uren tegenover die 56 uren van de jaren vijftig.
Humo: En de meeste tijdsdruk komt allicht op de vrouw terecht?
Glorieux: « Ja. Eens zij thuis is, zal iedereen weer op haar vrije tijd beroep doen. Zij blijft die bufferfunctie ten dele behouden ook al gaat ze parttime of fulltime werken.
Elchardus: « Bij tijdsdruk verwijst men haast automatisch naar arbeid, en arbeid structureert inderdaad de tijdsindeling van onze dag, maar een heel groot deel van de tijdschaarste ontstaat volgens mij in de vrije tijd. In de vrije tijd ontstaan dwingende gedachten zoals het idee dat je “aan sport moet doen” of dat je “naar de fitness moet gaan omdat je op het werk al zoveel stil zit”. In de vrije tijd botst alles, want op elk moment is er de vraag: ga ik nog wat werken (want ik heb wat werk mee naar huis genomen), ga ik met mijn kinderen bezig zijn, ga ik op tv naar die film kijken, ga ik dat boek lezen dat ik al zolang moet gelezen hebben, ga ik naar de vereniging waarvan ik de twee laatste vergaderingen gemist heb, of misschien zou ik nog beter wat saxofoon oefenen, of ik zou nog eens bij de buren moeten langs lopen, of ik zou die vrienden nog eens moeten uitnodigen die we al een half jaar niet gezien hebben, dat zijn volgens mij de tegengestelde ambities die de mensen het meeste stress geven en die hen opzadelen met dat gevoel dat ze onvoldoende tijd hebben.
© Jan Hertoghs
Humo: Werk geeft dus minder tijdsdruk dan vrije tijd. Dat is bijna niet aan te nemen als je naar de stresserende job van bandarbeiders, caissières of vrachtwagenchauffeurs ziet.
Elchardus: «In die beroepen zit inderdaad veel tijdsdruk omdat ze tegen de klok moeten werken en nogal onderhevig zijn aan flexibiliteit: de ene dag moeten ze vroeger komen dan de andere en die uurroosters worden soms maar op het laatste ogenblik meegedeeld, wat nog voor extra-stress en nervositeit kan zorgen.
Glorieux: « Het zijn ook de beroepen waar je je tijd niet zelf mag indelen. Het is inderdaad stresserend als je doorlopend te horen krijgt: dit moet binnen tien minuten af zijn of je moet zien dat je dààr om twaalf uur bent. Maar het is wel zo dat de groep van werknemers die in dergelijke patronen werkt, met de jaren lichtjes afneemt.
Elchardus: «Het gaat er ook niet om dat we de tijdsdruk in die beroepen willen ontkennen, maar het gaat ‘m om het totaalbeeld. Als je de mensen hoort praten, dan is werken het domein van de dwang en de noodzaak (“ik moet gaan werken”) en de vrije tijd is dan -zoals de term het suggereert - het domein van de vrijheid. Maar dat is een compleet achterhaalde visie. Het aantal jobs dat strak georganiseerd is neemt af en het aantal jobs waarin mensen de vrijheid krijgen om zich te ontplooien en waarin mensen een gevoel van eigenwaarde kunnen opdoen, dat neemt toe.
Dus op het vlak van de arbeid zie je meer vrijheid komen, maar op het vlak van de vrije tijd zie je meer dwang en werken komen. Mensen worden zwoegers en zweters in hun vrije tijd, ze zijn behept met produktivisme, het zijn Stakhanovisten die een boek gaan zitten lezen omdat dat hun plan was: “ dit weekend wil ik dit boek uitlezen!” En dan klopt er toch iets niet meer. Dat men qua arbeid soepele uren en werkvoorwaarden krijgt en dat men zich in de vrije tijd een alsmaar strakker schema gaat opleggen.
Er zit toch iets fout in onze cultuur als de mensen nog wel voldoening aan hun werk kunnen beleven omdat de verwachtingen daar nog op een normaal niveau liggen, en dat ze bijna gedoemd zijn om als een mislukkeling door hun weekend te dolen omdat de verwachtingen daar zo ongelimiteerd zijn dat niemand ze kan halen. Als ik onderzoek doe, kom ik geregeld mensen tegen die zeggen: ik zou zot zijn dat ik thuis wil zitten, ik zit liever op mijn werk. Want werk is werk, ik weet duidelijk wat mijn taak is, en als ik thuis ben, dan moet ik op elke moment kiezen tussen tien of twintig bezigheden die allemaal even dringend op mij liggen te wachten.
Als onze maatschappij een probleem van tijd heeft, - en dat heeft ze in die zin dat veel mensen zich geleefd voelen, zich gehaast en gestresseerd voelen-, dan ligt de sleutel in de vrije tijd. In debatten omtrent onthaasting verwijst men bijna altijd naar het werk, maar ik denk dat we ons moeten onthaasten in onze vrije tijd. Misschien moet ik niet al die boeken proberen te lezen? Misschien moet ik niet altijd met mijn kinderen bezig zijn? Misschien moet ik niet al mijn tijd in dat huis stoppen opdat het er zou uitzien zoals in de boekjes.
© Jan Hertoghs
De intellectueel heeft het druk
Elchardus: « Anderzijds… al die mensen die het zo druk hebben en die meer tijd aan hun kinderen en hun partner en cultuur willen besteden, die besteden de helft van hun vrije tijd aan tv kijken! Naast werk en school is televisie onze voornaamste tijdsindeler. Men haast zich bij andere bezigheden om rustig voor de tv te kunnen zitten.
Humo: Als we minder uren werken en als de tijdsnood vooral in de vrije tijd opduikt, mogen we dan zeggen dat het tijdsprobleem een luxeprobleem is?
Glorieux: « Dat zou ik niet zeggen. Dat just-in-time-principe weegt toch op de samenleving. Op zich zijn het allemaal kleine zorgen - dat in de file staan, dat wachten op een overvolle tram, dat moeilijk vinden van naschoolse opvang, dat haastig vervoeren van de kinderen naar de school en de sportclub, - maar de som van al die kleine zorgen hebben onze tijdsordening wel tot een maatschappelijk probleem gemaakt.
Elchardus: « Anderzijds moet ik zeggen dat veel van die interesse voor tijdsdruk en tijdschaarste voortkomt uit de kleine groep van de hooggeschoolde klasse. Omdat er nu een flexibiliteit van de hooggeschoolde bestaat, omdat de intellectuelen het ineens druk hebben, wordt erover gepraat. Want het zijn de intellectuelen die het nieuws in de kranten en de televisiejournaals bepalen. Het is hun perceptie van de maatschappij die het haalt op andere percepties. Het zijn hun zorgen die ze projecteren op de hele maatschappij. En veel mensen zullen dat idee van gejaagdheid en stress herkennen, maar er zijn zeker ook grote groepen die zich daarin niet herkennen.
Humo: Wat is die “flexibiliteit van de hooggeschoolde”?
Elchardus: « Dat is het werkpatroon van werknemers in hooggeschoolde (en goedbetaalde beroepen die hun tijd zelf mogen inrichten naargelang de behoeften van het werk. Dat klinkt heel mooi, maar dat brengt vaak onvoorspelbare werkdagen mee en werktijden van zestig uren per week omdat die werknemers zich zo uitleven in die job dat ze er helemaal door opgeslorpt worden.
De groep van werknemers die in dat ‘vrije’ stramien zit, neemt trouwens toe. Uit een in 1995 gehouden onderzoek bij universitair gediplomeerden bleek dat 31% van de vrouwen en 54% van de mannen bij de aanvang van hun dagtaak niet op twee uur na kon voorspellen wanneer hun werkdag zou eindigen. Je begrijpt dat het in die gezinnen wel ‘s mis kan lopen met de just-in-time.
© Jan Hertoghs
De klauw van het bedrijf
Elchardus: « Die flexibilisering van de arbeid zwengelt op zijn beurt weer andere flexibilisering aan. Want die werknemer met zijn zestig uren wil bijvoorbeeld dat winkels en supermarkten nog laat open zijn. En als zo’n warenhuis daarmee instemt, dan brengt dat mee dat het personeel van dat warenhuis zijn uren ook zal moeten aanpassen.
Nog een gevolg van die flexibilisering van de hooggeschoolde zal de groei zijn van allerlei persoonlijke dienstverlening. Want omdat die werknemer een goed loon heeft en omdat niet alle winkels lang openblijven, zal hij beroep doen op diensten die wél soepel voor hem klaar staan.
Humo: Zien jullie een toekomst voor de zogenaamde comfortdiensten: bedrijfjes die het op zich nemen om je boodschappen te doen, je kleren te kopen en je hond uit te laten?
Elchardus: «Dat kleren kopen en de hond uitlaten zal marginaal blijven, denk ik. Maar op het vlak van dringende huishoudelijke taken zoals wasgoed binnenbrengen op je bedrijf of je boodschappen op kantoor laten brengen zie ik die diensten zeker toenemen. Persoonlijk zou ik dolgelukkig zijn indien ik mijn boodschappen kon uitbesteden; ik word er halfzot van als ik een uur in een grootwarenhuis moet rondlopen. En wat haast overal een knelpunt is, is kinderoppas. Elk initiatief dat daaraan tegemoetkomt, zie ik succes hebben.
Glorieux: « Het systeem van de onthaalmoeder is in wezen ook al een comfortdienst. Omdat je het thuis zijn voor de kleine kinderen uitbesteedt aan een ander.
Werknemer wordt topsporter
Humo: Klopt het dat we slechts tien procent van ons leven werken en dat we met die loonarbeid negentig procent van ons leven kunnen betalen?
Elchardus: « Als je slapen erbij rekent, dan neemt bezoldigde arbeid inderdaad tien procent van ons leven in. Anderzijds is die tien procent wel dé grote tijdsindeler in ons leven en in onze maatschappij. Dertig procent van ons leven liggen we te slapen, maar dat heeft bijlange niet hetzelfde effect op onze maatschappij als die tien procent arbeidstijd. Want die tien procent bepaalt zowat dertig jaar hoe je je dagelijks leven indeelt, en ze bepaalt dan nog eens dertig jaar met welk pensioen je moet rondkomen."
Elchardus: « Wij gaan vanaf 2001 ook onderzoek doen naar de grote tijdscycli in het leven. Dat jongeren langer studeren en thuis blijven en dat jonge gezinnen later met kinderen beginnen. Dat willen we in kaart brengen. Vroeger was het simpel: je studeerde, werkte, trouwde, kreeg kinderen, en je behield dezelfde baan tot je op pensioen ging. Nu lopen al die fases door elkaar, nu werkt en studeert men tegelijk en nu krijgen moeders nog kinderen als ze bijna veertig zijn. Glorieux: « Ook van de gepensioneerden willen we heel wat te weten komen. Neem de mensen op brugpensioen. Dat zijn vaak ouderen die tot hun vijfenvijftigste voor hun thuisblijvende kinderen hebben gezorgd en die direct daarna voor hun ouders van tachtig jaar moeten beginnen zorgen!
Elchardus: « Veel is veranderd in die levenscycli. Vroeger werden de mensen zeventig jaar en hun arbeidstijd werd uitgesmeerd tussen 18 en 65 jaar. Nu worden we tachtig, negentig of honderd jaar, we hebben een veel langer leven voor de boeg, en toch worden onze arbeidsjaren samengeperst tussen de leeftijd van 25 à 55 jaar. Dat is geen werken meer, dat is topsport. >
Humo: Er zijn de topsporters die door het leven hollen, en er zijn de anderen. Volgens jullie leven we in een maatschappij met twee snelheden.
Elchardus: « Je hebt effectief een groep van mensen voor wie een goed leven een snel leven is. Mensen die stressbestendig zijn, mensen die van een snel ritme houden, mensen die sneller praten, sneller to the point komen, sneller rijden en sneller communiceren met gsm en internet. En je hebt mensen die door opleiding, beroep, leeftijd of zelfgekozen levenswijze trager door het leven gaan.
Glorieux: « En soms botsen de tempo’s van die twee groepen. Gisteren was er in het journaal een item over Oxford Street waar op het voetpad een aparte strook is afgebakend voor de gehaaste voetgangers, zijnde de drukke zakenman of de bediende die naar zijn werk ijlt en die niet wil opgehouden worden door slenterende shoppers. Weet je waar ze ook twee snelheden mogen invoeren? In de tankstations! Daar mogen ze een snelpomp zetten, want als ik gehaast ben, dan kan ik me soms toch ergeren aan mensen die traagjes hun portefeuille nemen, trààgjes hun code intikken en TRAAGJES die dop eraf draaien!Elchardus: « Weet je waar al drié snelheden zijn? In de Delhaize! Daar is de gewone kassa, de snelkassa en de kassa waar je zelf kan scannen. En aan die scan-kassa zie je de gehaaste jonge mensen die nu niet langer ‘gehinderd’ worden door de gepensioneerden want die bejaarden zijn te bang om zo’n scanner te gebruiken. (sakkert) Ja, die oudere mensen. Heel de week hebben ze tijd om te gaan winkelen en dan komen ze nog op zaterdag hun boodschappen doen!
Humo: Straks ga je de gepensioneerden nog verplichten om in de daluren te winkelen.
Elchardus: « Ach, ik weet ook wel dat die mensen élke dag willen komen omdat de supermarkt voor hen een vorm van sociaal contact is, maar je merkt toch dat die twee snelheden er zijn en dat er effectief onverdraagzaamheid ontstaat van de snelle tegenover de trage groep.
Glorieux: « Kijk naar de spoorwegen, ze maken de trein zo goed als gratis voor zestigplussers en daar krijg je nu ook wrijvingen tussen die trage groep gepensioneerden en de snellere pendelaars! (Bij de NMBS kwamen klachten binnen dat de treinen “enkele minuten per uur” vertraging leden door al die zestigplussers die trager in- en uitstappen. De maatschappij gaat nu een campagne opzetten waarin ze “de senioren vragen om de spitsuren te mijden”jh)
Humo: Waarom zijn we zo gefixeerd op snelheid en tijd besparen? De HST verbinding onder Antwerpen-Centraal levert in wezen maar luttele minuten tijdsbesparing op, maar het kost wel zeven jaar tijd en vijftien miljard Belgische frank om dat “wonder” te verwezenlijken!
Elchardus: « De obsessie met snelheid is in elk geval een diepgeworteld cultureel gegeven. We hebben snelheid al eeuwen als een vorm van vooruitgang gezien. En nu is het die HST, maar ooit was het de postkoets. En als iemand een auto koopt, moét hij rapper zijn dan de vorige. Kijk in de autofolders en wat zie je: optrekken van nul naar honderd kilometer in x seconden! Terwijl een mens zich afvraagt waar je nog honderd kilometer per uur kan rijden in het huidige verkeer!
Glorieux: « Mensen vallen nog altijd voor snelheid. Voor elk nieuw computertype dat op de markt komt, is er belangstelling omdat hij sneller is dan zijn voorgangers."
Humo: Traag zijn of zeeën van tijd hebben is uit den boze.
Elchardus: « Ja. Absoluut niémand van al die mensen die het “druk-druk” hebben zal bijvoorbeeld ooit willen ruilen met de zeeën van tijd van een werkloze. Liever heeft men tijd te weinig dan tijd teveel. Tijd teveel hebben is een belangrijk probleem van werklozen. Dat blijkt uit alle studies die we gemaakt hebben. Omdat ze geen werk hebben, omdat ze niks hebben dat hun tijd structureert in arbeidstijd en vrije tijd, worden hun dagen eindeloos en verliezen ze alle fut om nog ergens aan te beginnen. Er is niks zo verschrikkelijk als tijd hebben die gedood moet worden. >
© Jan Hertoghs
Humo: Er is e-mail, gsm, microgolfoven, en diepvriesvoeding, men heeft alles om het leven makkelijker, simpeler en sneller te laten verlopen, en nog blijft men tijd te kort hebben. Dat is een merkwaardige paradox terug te vinden bij de Zweedse economist Staffan Linder.
Elchardus: « Ja, Linder heeft die paradox omstandig uitgelegd in “The Harried Leisure Class” (vrij vertaald: “Het gekwelde herenleven”, een boek uit 1970,jh) En zijn stelling is: veel van die zogezegde tijdbesparende toestellen kosten meer tijd dan dat ze tijd besparen. Als je een wasmachine koopt, dan gaat dat sneller dan met de hand wassen, maar je moet eerst het geld verdienen om ze te kopen, je moet een hogere waterrekening en milieuheffing betalen, je moet nieuwe wasprodukten kopen, enzovoort.
Humo: Wat je aan tijd bespaart in het wassen, moet je investeren in werken en geld verdienen.
Elchardus: « Ja. En Linder is dan nog één belangrijke factor vergeten: naarmate die toestellen er zijn gekomen, zijn ook onze normen fel verhoogd. Wij willen veel properder kleren dan vroeger, dus zullen we blijven geld uitgeven aan betere wasmachines en betere wasprodukten. Ook op het gebied van voeding zijn onze eisen hoger gaan liggen. Wij willen variatie in de voedingsmiddelen - Oosters, Afrikaans, Spaans, Italiaans- maar we willen ook afwisselen in de bereidingswijze, wij willen aan de slag met kookpot, wok, fondue, gourmet en dies meer. En dan gaan we kookmagazines kopen, en kookboeken raadplegen, en in krantenbijlagen lezen welke wijnen we bij welke schotels moeten kiezen, en zo gaat dat door, en zo blijven we bezig.
Humo: En zo vliegt de tijd heen. Vandaar het alternatief: als je minder consumeert, dan hou je vanzelf tijd over.
Elchardus: « Tja, wie geen auto koopt, moet er niet voor gaan werken en staat er ook niet mee in de file. Dat is het principe, maar de realiteit is anders. Kijk, met de jaren zijn onze bedrijven steeds meer materiële goederen gaan produceren op steeds minder tijd, en heel wat producten zijn daardoor goedkoper geworden. Als je dus met weinig comfort tevreden bent, dan moet je daar nog amper voor gaan werken en geld verdienen. Een Brits historicus heeft dat berekend en volgens hem kunnen we anno 2000 met een paar minuten te werken per dag het comfortniveau van 185O halen.
Humo: Dat is niet slecht.
Elchardus: « Jaja, maar je moet dan ook de levensstandaard en de levensverwachting van 1850 aanvaarden hé, toen leefden de mensen hooguit tot hun veertig jaar. Maar zoals je ziet: onze samenleving heeft niet voor dat model van minder werken en meer vrije tijd gekozen. Onze samenleving heeft altijd radicaal voor meer geld en meer welvaart gekozen. En minder arbeid wordt alleen maar aanvaard als het niet ten koste gaat van die materiële welstand. >
© Jan Hertoghs
Méér geld!
Glorieux: « We hebben de vraag naar meer inkomen of meer vrije tijd gesteld aan alle loontrekkenden in ons tijdsbudget-onderzoek. Wil u per jaar 13.140 frank netto meer verdienen of wil u vijf dagen extra vakantie / één keer per maand een halve dag vrij / 75 minuten per week minder werken / 20 minuten per dag minder werken. En 49% van de ondervraagden (in 1999) koos voor het geld. En heel opvallend: er kiezen nu méér mensen voor het geld dan elf jaar geleden! In ’88 koos 37% voor het geld en nu kiest 49% voor het geld. En de loontrekkenden van ’88 zaten toen nog in de nadagen van de crisis!
Elchardus: « Men zit nu ver van de crisis, men heeft nu beduidend méér geld dan in ’88 en toch kiest men voor nog meer geld en niet voor meer vrije tijd!
Humo: Dat relativeert toch sterk dat probleem van de tijdsdruk waar iedereen zogezegd mee kampt. Omwille van het geld en het comfort wil men zelfs meer tijdsdruk incasseren.
Glorieux: « Het was voor ons ook een opvallende vaststelling. Uit die tabellen bleek dat slechts tien procent van de loontrekkenden voor een maandelijkse, wekelijkse of dagelijkse werktijdverkorting koos. Je zou nochtans zeggen dat zo’n verkorting van de werktijd een remedie is voor die dagelijkse drukte waarover men klaagt. Maar weinigen zijn ervoor gewonnen. Wat ook opvallend is: 49% koos voor meer inkomen, 10 % koos voor minder werkuren, en 39% van de ondervraagden kiest voor meer vakantie. Wat hetzelfde is als wensen dat je werk in nog minder werkdagen wordt samengeperst!
Humo: Als de Vlaming zo naar de loonzak neigtt, dan zal hij allicht ook niet gewonnen zijn voor het idee van “ minder consumeren = meer vrije tijd”.
Elchardus: « Op zich is dat principe van minder consumeren en meer tijd hebben juist, en mensen kunnen volgens mij best met minder tevreden en gelukkig zijn, maar de mensen die daarvoor pleiten, zien te gemakkelijk de materiële ongelijkheid in deze samenleving over het hoofd. Kijk, die argumenten om te onthaasten en om minder te consumeren, komen vooral uit de groene hoek, maar dat zijn vaak mensen uit de hogere middenklasse. Die kunnen natuurlijk over minder consumptie spreken terwijl ze tegen een kastje leunen waarin een dure geluidsketen staat (lacht). De mensen staan onder sociale druk om te consumeren hé. Kijk in de boekskes. Altijd is er een mooier huis, een mooiere keuken, een mooiere auto. En dus moeten ze een beter loon hebben om dat nieuwe ideaalbeeld te bereiken.
Elchardus: « Zo is dat. In een ongelijke samenleving wordt het consumptiepeil van de mindere inkomens aangezwengeld door het consumptiepeil van de hogere inkomens. De minderbegoeden kijken altijd reikhalzend uit naar de volgende consumptiedrempel die ze kunnen nemen. En die beweging kan pas stoppen als er meer gelijkheid komt tussen de inkomens. >
Ingescand uit Humo/ Kamagurka
Humo: Een rem zetten op je activiteiten in de vrije tijd zou een flink deel van je tijdsschaarste kunnen oplossen.
Elchardus: «Als je in je vrije tijd geen duizend-en-één activiteiten aanvangt, maar tevreden bent met enkele activiteiten, dan ga je gelukkiger zijn. Dat is geen economisch model, dat is levenskunst. Maar ja, de vrije tijd heeft een geweldige vaart genomen. In de eerste Amerikaanse onderzoeken naar tijdsbesteding uit de jaren dertig was een sigaretje roken toen nog een activiteit in de vrije tijd. Dat was een ontspanning naast de arbeid net zoals “een ritje maken met de wagen” of “radiomuziek beluisteren”. Intussen zijn dat secundaire activiteiten geworden. Rijden, roken en radio luisteren vallen niet meer op als vorm van ontspanning, als activiteit in de vrije tijd. Dat is “achtergrond” geworden bij het snellere leven van elke dag.
Humo: Van mensen die het druk hebben wordt gezegd dat ze geen tijd meer hebben voor “de anderen”, geen tijd voor de buren, voor familie, voor een praatje op straat.
Glorieux: « Iedereen zegt dat, maar ook dat blijkt niet uit ons tijdsonderzoek. Vlamingen brengen gemiddeld tién uur per week door bij familie, ze gaan 7,5 uur per week op visite en naar recepties, en ze besteden gemiddeld anderhalf uur per week aan sociale babbels via de telefoon.
Humo: Leert jullie tijdsbudget-onderzoek ook iets over het onthaasten in de Vlaamse gezinnen?
Glorieux: « De enigen die onthaasten zijn de mannen in het gezin. Op het gebied van huishoudelijk werk doen ze nog minder dan elf jaar geleden!
Deel 2: het krappe weekend en de versnipperde vrije tijd
11 september (2): Mohammed Atta, de student stedenbouw die architect van de aanslagen werd
Bron: Volkskrant 27/09/01
Het FBI en de Amerikaanse bladen aanzien hem niet alleen als de piloot van de eerste Boeing die zich op de Twin Towers stortte, voor hen is Mohammed Atta de ringleader, de terreurkapitein die rond zich een 18-koppige “kamikaze-crew” wist te verzamelen met slechts één doel voor ogen: een moordende slag toebrengen aan het Amerika “dat zijn heidense schaduw steeds verder over de moslimwereld wierp”. Zijn eigen vader noemt de 33-jarige Mohammed een rechtschapen kind, een doorbrave jongen die hij dikwijls door elkaar geschud heeft “om wat flinker te worden”. Een zoon ook die nooit zo’n aanslag kon beramen noch uitvoeren, “Mohammed had schrik om te vliegen”.
Humo oktober 2001
Mohammed al-Amir al-Sayed Awad Atta werd op één september 1968 geboren. Met een vader die advocaat was in Cairo, is hij een kind van de middenklasse dat uitstekend zijn best doet op school en dat zijn vakanties doorbrengt met lezen en schaken "én niet met revolvers spelen”. De ouders zijn niet overdreven religieus, ze laten zich niet in met politiek en hoewel ze heel het westen “pro-Israël” vinden, zetten ze hun drie kinderen wel aan om in Duitsland of Zwitserland te gaan studeren en zodoende hun weg te maken. Mohammed is op zijn 23ste student architectuur in Cairo en om de stap naar Europa voor te bereiden, volgt hij lessen Duits in het Goethe-Institut en cursussen Engels aan de American University in Cairo.
In 1992 vertrekt de 24-jarige Atta naar Hamburg waar hij wordt toegelaten tot het derde jaar Stadtplanung (= Stedenbouwkunde) van de Technische Universität. Hij huurt een eenvoudige kamer in een studentenblok en maakt een voorbeeldige indruk op professor Dittmar Machule: “Mohammed sprak goed Duits toen hij hier aankwam. Hij had niks radicaals, ik heb ‘m nooit een anti-zionistische, anti-Amerikaanse of anti-vrouwelijke opmerking horen maken. Voor mij was hij een intelligente en toegewijde student, iemand die helder kon tekenen en die zich ook helder kon uitdrukken in zijn teksten, hij leek me aangeboren voor het vak. In dat opzicht kan ik er absoluut niet bij dat deze student stedenbouwkunde een stad in haar kern heeft verwoest.”
Eind ’92 gaat Atta in op een werkaanbieding bij het bureau Plankontor waar hij stadsplannen uittekent. Ook daar geen kwaad woord over zijn werk aan de tekenplank noch over zijn omgang met de collega's ; het enige wat in het grootstedelijke bureau opvalt is zijn weigering om ook maar een druppel alcohol te drinken en zijn “openlijk gelovig zijn”, maar er is op de duur niemand meer die nog omkijkt als hij in een rustig hoekje van het kantoor neerknielt voor het traditionele gebed.
Disney World
Voor het FBI is daar zijn leven als sleeper begonnen. De terrorist die uiterlijk een gewoon leven leidt maar die zich innerlijk voorbereidt op een uiterst ongewone daad. “Het opvallende is hun discrete verbetenheid. Al die jaren hebben ze alle tijd om na te denken en om uit die extreme kring te stappen, ze hebben een intelligentie en een opleiding die hen in staat stelt om een mooie carrière te maken en een gesetteld leven te leiden, en toch is er niks dat hen van hun fatale streven kan afhouden.”
In 1995 komt hij in aanmerking voor een beurs van de Carl Duisburg Gesellschaft en met die toelage reist hij naar Cairo om zich gedurende enkele maanden te verdiepen in de renovatie van een oud stadsdeel. Aan studiegenoten en aan zijn vader laat hij meer dan eens horen dat de renovatie té westers is en dat men van de oude wijk en de moskee een “Disney-World voor toeristen” heeft willen maken. Voor hem is het heiligschennis “zoals het westerse denken zijn stempel kan drukken op de islamwereld”.
Tot begin ’97 werkt Atta nog voor Plankontor maar dan verdwijnt hij voor bijna anderhalf jaar uit Hamburg . Als hij midden ‘98 terugkeert, merken zijn studiegenoten een kentering in zijn gedrag. Atta is “religieuzer” geworden, hij draagt een lange baard en hij duldt minder discussie wanneer het over de koran gaat: “De koran heeft maar één waarheid; wij moeten niet interpreteren zoals jullie met de bijbel doen.” Ook laat hij steeds vaker zijn verbittering blijken over het vredesproces in het Midden-Oosten en over de vernedering van Irak tijdens en na de Golfoorlog.
In ’99 haalt Atta zijn diploma stedenbouwkunde met grote onderscheiding. Zijn thesis is een grondig gedocumenteerd werkstuk over de renovatie van de Syrische stad Aleppo. Op de uitreiking doet zich -aldus Libération- wel een tekenend incident voor: Mohammed weigert de uitgestoken hand van één van de vrouwelijke professoren die hem wil gelukwensen. Eerder wilde hij ook al de samenwerking stopzetten met een vrouwelijke assistente die zijn Duitse thesis hielp corrigeren.
Van zijn studentenkamer is Atta intussen verhuisd naar een sobere flat die hij met enkele Arabische vrienden deelt. De buren merken op dat “er soms tot twintig mensen bij elkaar komen, zo te horen om er te bidden”. Ook op de universiteit vraagt Atta (die als post-graduaat-student staat ingeschreven) de toelating om “met een islam-werkgroep” een kleine gebedsruimte te mogen inrichten. Dat wordt zonder problemen toegestaan omdat Atta helemaal niet tot de radicale Ausländer van de universiteit wordt gerekend. Die godsvrucht is volgens het FBI wel de perfecte dekmantel geweest, zij beschouwen de ‘gebedscel’ in Hamburg als een basis waar de vroegste plannen voor de attack on America zijn gesmeed. Immers, in dezelfde periode wonen en studeren ook Marwan al-Shehhi en Siad Dscharrah in Hamburg. De eerste zat in het vliegtuig dat tegen de zuidertoren crashte, de tweede stortte neer in de staat Pennsylvania met het vliegtuig dat mogelijk op weg was naar het Witte Huis.
Bron: DM 29/9/01
Broodje noodlanding
Eind ’99 melden zowel Atta, al-Shehhi en Dscharrah zich bij de Duitse politie omdat ze hun paspoort verloren zijn. Allicht hadden ze nieuwe paspoorten nodig omdat hun vorige reisbewijzen nogal wat stempels droegen van landen die in Amerika ‘verdacht’ waren. Uit voorzorg scheren ze ook hun baarden af en in mei 2000 krijgen ze ongehinderd een visum voor de VS; ze geven zich uit als jonggediplomeerden die zich willen vervolmaken in de States. In de VS worden de studies echter algauw terzijde geschoven, Atta en al-Shehhi beginnen een maand later al aan hun vliegopleiding in één van de vele vliegscholen van de staat Florida. Ze schrijven zich in bij Huffman Aviation in Venice waar één vlieguur 55 dollar kost en waar de sfeer hangt van jongens-en-lol-hebben, een bacon-cheeseburger heet er een Emergency Descent (= noodlanding).
De directeur van de school vindt zijn Arabische studenten sportief-sympathiek (“ze komen zelfs met de fiets naar de les”) en wat meer is, ze vliegen uren en uren met de eenmotorige vliegtuigen en betalen met gemak de oplopende rekening. Voor Atta kostte het halen van zijn brevet 18.700 dollar.
De Britse Anne Greaves (56) had het niet met het tweetal. “ Voor mij was het de vervulling van een droom om dat vliegbrevet te halen, maar zij hadden niet die verrukking die je bij echte kandidaat-piloten vindt. Ze waren koel en heel rationeel aan het vliegen. In plaats van plezier en jongensachtige verbazing hing er een donkere ernst over die gasten. Het was alsof ze dat vliegen alleen maar onder de knie moesten krijgen en verder niets.” Omdat zowel Atta als al-Shehhi uiterst verzorgd gekleed gingen en al-Shehhi ook altijd in de nabijheid van Atta was, werd op de vliegschool verteld dat Atta “een Arabische prins” was, en al-Shehhi was dan “zijn schaduw, zijn persoonlijke bodyguard”.
Eind december 2000 kloppen al-Shehhi en Atta aan in een een vliegschool nabij Miami waar je tegen betaling in een full motion flight simulator van een Boeing 727 kan plaatsnemen. Het ding heeft iets van een uitgebouwd game in een lunapark, het wordt hydraulisch aangestuurd, het snokt en maakt ploffen en luchtzakken waar je de kriebels van krijgt, maar het is geen speeltje, het gebruik kost 10.000 frank per uur. Het wordt ook aangewend bij de echte opleiding van kandidaat-piloten, want het bevat al de realistische druktoetsen en digitale aanduidingen die eigen zijn aan de stuurinrichting van een groot straalvliegtuig. Instructeur Henry George maakt hen vertrouwd met de virtuele cockpit en met de basismaneuvers van het toestel maar hij is wel enigszins verwonderd dat ze “amper aandacht hebben voor het opstijgen en landen” maar zeer geconcentreerd zijn als hij uitlegt hoe ze moeten zwenken, dalen en van koers veranderen. De man zelf is er nu het hart van in, “te denken dat mijn kennis en ervaring is aangewend om die verschrikking uit te voeren.”
De laatste maanden van Atta -tussen januari en september 2001- blijven voor de speurders nog een mysterieus kluwen. Zowat overal in de Verenigde Staten wordt hij opgemerkt, met gehuurde wagens moet hij duizenden kilometers hebben afgelegd. In Oklahoma bezoekt hij gedurende enkele dagen een vliegschool. In Florida vraagt hij alle mogelijke inlichtingen in verband met de aankoop van een sproeivliegtuig (wat het FBI later doet vermoeden dat er “ plannen waren om biologische wapens te sproeien”,jh). Ook in Las Vegas staat zijn naam op de lijst van een motel en tot in Spanje zouden er sporen zijn van bezoeken die hij aflegt bij “radicale medestanders”.
Op al die verplaatsingen reist en betaalt Atta onder eigen naam zonder dat iemand hem een strobreed in de weg legt. In Broward County (Florida) loopt hij wel een bekeuring op omdat hij zonder rijbewijs achter het stuur van een huurwagen zit. Hij wordt door de politierechtbank bij verstek veroordeeld, wat inhoudt dat hij bij een volgende bekeuring automatisch mag gearresteerd worden, maar die bekeuring komt er niet meer.
Final boarding
Op 28 augustus reserveert Mohammed Atta bij American Airlines een one way ticket Boston-Los Angeles in business class. Datum 11 september. Vertrek: 7u59. De zaterdagavond voor de aanslag wordt hij een laatste keer gezien in een seafood bar in Hollywood (Florida) waar hij samen met al-Shehhi in de drank zou gevlogen zijn. De principiële alcoholweigeraars zouden volgens meerdere kranten rum en vodka gedronken hebben, Atta “zelfs vijf glazen wodka orange” en na een opmerking over hun vertier zou hij gezegd hebben “Ik kan alles betalen. Ik ben piloot van American Airlines!”
Voor de vader van Mohammed Atta is dit getuigenis trouwens hét bewijs dat zijn zoon onmogelijk de “terreurpiloot” kàn geweest zijn: “Mohammed dronk nooit! Het moet iemand anders geweest zijn. Ik denk dat de Mossad mijn zoon ontvoerd heeft en dat ze met zijn papieren dit smerige spel hebben gespeeld!”
Mohammed Atta passeert de check-in-controle in de kleine luchthaven van Portland, Maine
Het FBI is nochtans formeel. De twee mannen die op 11 september om 5u5O ‘s morgens op de beveiligingscamera van Portland Jetport zijn gefilmd, zijn wel degelijk Mohammed Atta en Abd al-Asis al-Umari. Dat ze Portland als vertrekpunt kiezen, de luchthaven ligt in de landelijke staat Maine, is vreemd te noemen voor terroristen die graag verdwijnen in de massa. Portland met zijn 64.00O inwoners heeft slechts een kleine luchthaven en op het vliegtuig naar Boston hebben de twee kapers slechts zes medepassagiers die niks verdachts hebben opgemerkt. Tenzij dat "twee oosters uitziende mannen ieder apart gingen zitten en verder geen woord hebben gezegd”. In Boston ging het kleine aantal passagiers dan op in het grote gewoel van Logan Airport, een luchthaven die mogelijk is uitgekozen omdat ze niet zo’n beste reputatie qua beveiliging had. Samen met vier andere kapers neemt Atta plaats op de vlucht 011 van American Airlines met bestemming Los Angeles. In zijn business class zetel zit hij vlakbij de cockpit. Bij de gate roept men kort voor achten de laatste passagiers naar het vliegtuig, final boarding! final boarding!
Vijf van de 92 inzittenden zijn op dat moment zeker dat dit hun finale reis wordt en dat ze die ochtend gaan sterven.
Korte tijd daarop neemt Mohammed Atta het commando van de Boeing 767 over. Met zijn opgedane kennis verandert hij het toestel van koers en om 8u45 slingert hij de 280 ton staal en kerosine met een snelheid van tweehonderd meter per seconde tegen de WTC-toren. Bij de aanslagen van 11 september komen 2763 mensen om het leven.
De stapels beton van de twee torens die tegen de grond worden gesmakt zijn aldus Le Nouvel Observateur “genoeg om een vierbaanssnelweg aan te leggen van de aarde naar de maan”.
Bronnen: Associated Press, Der Spiegel, De Volkskrant, Le Nouvel Observateur, Libération, The New York Times, Time.
80 Vlaamse bakkers en “hun” 11 september
Fotograaf gie Knaeps had het voorgesteld. Of ik wilde meegaan met een gezelschap Vlaamse bakkers naar Amerika, een 4-daagse trip en 48 uur in Las Vegas. Ik heb niks met die gokstad, maar het idee van de kleine bakker op stap in het grote Amerika, trok me wel aan. De meeste van hen waren ook nooit eerder in de States geweest, dus het zou wel een avontuur worden. .
We arriveerden op 10 september. De volgende ochtend stond de tv in de hotelkamer naast de mijne ineens heel hard. Zes uur nog maar! Ik vloekte op die Amerikanen die zo zot waren om zo vroeg op te staan.
Dit is het verslag van een vreemde reis. We waren niet In New York en toch leken de aanslagen dichtbij omdat we in het land waren dat werd aangevallen.
Dit is ook het relaas van een reis met een veeg voorteken. Nimmer ben ik zo ongerust vertrokken als toen. De taxichauffeur die me thuis ophaalde, sprak me bij het openen van de voordeur aan met Meneer Kerkhofs. Zo had ie mijn naam aan de telefoon verstaan. Nooit eerder had ik zo'n bang voorgevoel bij het begin van een reis.
Humo september 2001 - licht herwerkt en aangevuld met persoonlijke notities © Jan Hertoghs
© gie Knaeps
“Amerika? Nooit meer! Volgend jaar ga ik wel naar het Silver Lake in Mol.”
In 2001 moest het “iets speciaals" worden had Luc Gevers uit Mol zich voorgenomen. Elke bakker die klant bij hem was, (hij is grootleverancier van bakkerijgrondstoffen) kon een vierdaagse reis naar de beurs Baking Expo 2001 in Las Vegas “verdienen” als hij in het jaar tevoren maar genoeg producten afnam van de firma. En zo kwam het dat tachtig bakkers uit Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant in Zaventem incheckten voor een reis die voor velen hun eerste reis naar Amerika was.
De bakkers hebben lol bij het vertrek in Zaventem. Bij de douane hebben ze alleen maar aandelen van Lernout en Hauspie aan te geven, dus niks, en bij het invullen van de visumpapieren is hun beroep warme bakker (hoe warm, dat moet ge aan mijn vrouw vragen!) Als we in Atlanta met de shuttle van de ene terminal naar de andere rijden is dat precies het treintje van Bobbejaanland, want ja het zijn bakkers die met veel van hun gedachten nog thuis zijn. Zo probeert zeker driekwart onder hen Onze Belgische Tijd aan te houden op zijn horloge of gsm, in feite zijt ge dan nog een bitske in België, hé.
Las Vegas is met zijn 1,4 miljoen inwoners, zijn 30 miljoen bezoekers per jaar en zijn 12 grootste hotels ter wereld een enigszins overweldigende stad, en ook ons hotel Circus Circus is geweldig groot, wij zijn precies mieren met een valieske. Met Jef en Jozef (beide van direct-na-den-oorlog) lopen we de nacht in. De warmte van de woestijn valt op onze nek en dus gaan we naar hotel-casino Sahara voor ne fata morgana en een pintje. Nadien bezoeken we nog wat ‘kleinere’ casino’s waar we telkens staan te kijken van de kilometers jackpotten die overal staan opgesteld, het rinkelt en rammelt aan alle kanten, alsof ze de Makro vol kassa’s hebben gezet. In casino Stardust zien we een kerel 6000 dollar winnen op een slot machine, hij roept op zijn moeder die ergens van tussen de myriaden geldkasten komt aangelopen, I have won, mama, I have won! We bekijken de gelukzalige mens en zijn moeder langdurig en gaan dan verder langs de baccarat, blackjack en roulettetafels met Jef als onze gids. Jef kent iets van casino’s: toen zijn vrouwke nog leefde, vorig jaar gestorven van de kanker, gingen al hun vakanties op aan casinobezoeken. Vandaar dat de dollarbriefkes stillekesaan warm worden in zijn broek, en terug in ons hotel zet Jef zich gelijk aan de roulette. Hij schuift een paar jetons op de dertien, het numerooke van m’n vrouwke toen ze nog leefde. Brave goeie Jef, we laten hem achter aan de tafel, het is halfdrie, halftwaalf Belze tijd.
De groep bakkers uit de Antwerpse Kempen, Limburg en Vlaams-Brabant voor de entree van hun hotel. “Zoveel jackpotten in die casino’s. Precies de Makro vol rinkelende kassa’s.” © gie Knaeps
Gelijk den Innovation
En dan begint de dinsdag van de verbijstering. Als de eerste twee vliegtuigen in het WTC crashen, liggen de meeste Belgen nog op bed, het is in Las Vegas zes uur als het in New York negen uur is, en zelf heb ik ook de luide tv's gehoord, maar zonder enig vermoeden van grote rampspoed. Dat hoor ik pas bij het opstaan en het ontbijt. Amerikaanse hotelgasten zeggen dat er twee vliegtuigen op de Twin Towers zijn ingevlogen. En dat de terroristen nog negen(!) andere vliegtuigen in de lucht hebben om belangrijke doelwitten te treffen in heel Amerika.
Overal in het hotel hangen tv-schermen en alle tv’s staan nu op CNN. America Under Attack. In beeld schuiven de vliegtuigen in het World Trade Center, de wolkenkrabbers braken dikke wolken rook en dan storten ze met een tussentijd en met grijs gedruis in elkaar, een Niagara van stof en glas en oh my God!, mannen rennen in das en wit kantoorhemd over de beplaasterde straten, twee vrouwen liggen gebukt onder een geparkeerde auto en in de bottomline van het beeld ijlen de laatste berichten van rechts naar links, alle tunnels en bruggen van New York dicht, alle binnenlandse vluchten aan de grond, president Bush en zijn staf naar onbekende bestemming overgebracht, rampenplan uit Koude Oorlog weer bovengehaald.
Zowat alle Belgen staan voor de tv-schermen, ze zien nu ook het Pentagon branden en iedereen is het er stilletjes over eens dat daar nen oorlog van kan komen, zeker nu Bush hier den baas is.
De nieuwslezer spreekt van 6,7 miljoen pendelaars die elke morgen naar het hart van New York pendelen. Het staat er in kleine witte lettertjes : er werken 50.000 mensen in het WTC en de torens worden dagelijks bezocht door 100.000 toeristen.. Een massagraf, het wordt me kil om de maag.
Dan tuimelen er kleine zwarte mensen langs de grijze skyscraper, de vijf seconden dat ze nog in leven zijn alvorens ze op straat te pletter vallen, ze willen niet levend verbranden. We houden onze adem in, ‘t is gelijk den Innovation in Brussel, och mensen toch!
We horen vertellen van geliefden en familieleden die nog telefoontjes en berichtjes hebben gekregen van de passagiers die gingen sterven. I love you Susan. I love you, goodbye. Ik kan die passagiers zien zitten. Hoe ze nog naar buiten kijken. Dat doe je immers als je onder je raampje een grote stad ziet liggen.
Het woord oorlog valt nu zonder ophouden, we are in a state of war. Vanuit onze hotelkamer zien we onder ons de grote hoofdspoorweg door de stad en net nu schuift er een lange trein voorbij, geladen met tanks, pantserwagens en trucks. We kijken met ongeloof. Dat kan toch niet dat we nu al de voorbereiding van een oorlog zien?!
Heel Amerika en een groot stuk van de wereld is op dit ogenblik met verstomming geslagen, it is one of the worst days in American history, maar hier in deze luna-wereld rinkelen en ratelen de jackpots harder dan het neerstortend puin. Osama bin Laden zegt hun niets, het is de éénarmige bandiet die ze geen moment kunnen lossen. Aan de toog van de hotelbar zijn schermen waar je elektronisch kan pokeren. De spelers zitten voorovergebogen, amper opkijkend naar één meter hoger, waar de tv-schermen hangen en waar New York in brand staat. Ook Jef zit nog aan de roulette waar hij om halfdrie heeft plaatsgenomen. Van de vaak en de drank zit hij scheef tegen de tafel. Hij is om zeven uur even van zijn kruk gekomen om te ontbijten, hij heeft gehoord dat er iets erg gebeurd is en dat de vliegvelden toe zijn, maar och, zolang ze ‘t casino maar niet sluiten, zal ‘t wel meevallen zeker?!
Jean-Marie Paff
Vijf minuten geleden stortten er nog mensen langs de wand van de Twin Towers, nu zweven er twee vrouwen en een zwarte man langs het dak van het casino. Het is de trapeze-act van Hotel Circus Circus, een dagelijkse vertoning, stipt om tien na tien. En dan wint Jef ineens, nummerke 31, kom hier, juffra van de kassa dat ik u ne kus geef! Hoe heette gij?! Schatzi?! Wel, schatteke, ik koom uit Belgium, da kende gij toch wel?! Belgium van den Eddy Merckx en van de Jean-Marie Paff!
Bakker Jef en croupier “Schatzi”: “De vliegvelden zijn dicht; als het casino maar open blijft!” © gie Knaeps
De groep bakkers heeft intussen vernomen dat de Baking Expo voor vandaag is afgelast. Sommigen gaan wat verweesd op zoek naar het zwembad, anderen gaan met de taxi op sightseeing langs de bekendste casino-hotels. Ik ga met een groepje naar het MGM Grand, daar treedt een Elvis-imitator op. You've lost that loving feeling o-ho that loving feeling, hij wist zich het zweet van zijn borsthaar met een lichtblauw sjaaltje en gooit het in het lachende publiek. De cocktail waitresses hebben uitbundige boezems en fluwelen décolletés, er pinkelen sterren aan het zwarte plafond, en in dit zotte decor van Vegas lijkt de attack op Amerika alleen maar een film, een disaster movie die de meeste omstaanders intussen al teveel keren gezien hebben.
Het casino-hotel heeft ook een leeuwenkooi temidden van de jackpots, je kan je laten fotograferen met de welpen en een bordje zegt dat de leeuwen uitsluitend vetvrij vlees krijgen. Oorlog kent geen grenzen, en absurditeit al evenmin.
Op televisie spreken ze van de zwaarste tragedie sinds Pearl Harbour (1941) en in de late namiddag lijkt de ramp toch door te dringen. We komen meer en meer hotels tegen waar de attracties als gevolg van de Nationale Crisis zijn gesloten, de rollercoasters liggen stil, de grote shopping malls hebben hun deuren gesloten en de meeste shows voor vanavond zijn afgelast. Op de grote elektronische billboards langs de Strip (= Las Vegas Boulevard) zien duizenden voorbijgangers hoe de reclames voor frisdranken plaats maken voor de grote letters God Bless America en voor grote elektronische Amerikaanse vlaggen. Ze flikkeren zachtjes halfstok.
Op de tv-schermen in de casino's blijven de Twin Towers instorten en kruipen mensen op handen en knieën door het stof. In een groot lunapark is er de attractie "Brave Firefighters" waar je met een echt blusapparaat een brand op het videoscherm te lijf gaat. Het spel staat in het casino New York New York. Veel tragischer kan een toeval niet zijn.
‘s Avonds komt de groep bijeen voor een diner in datzelfde New York New York. De sfeer is opgeruimd, iedereen heeft zijn ongeruste familie kunnen inlichten dat Las Vegas niet in de achtertuin van New York ligt. Aan tafel en bij het dessert -we zitten tenslotte onder bakkers- steek ik wat op over de globalisering van de fruitvlaai en de roomtaart. Maanzaad, beste lezers, komt uit Turkije, sesamzaad uit Guatemala. De aardbeien zijn nog Belgisch maar de krieken arriveren in blik uit de USA, de pruimen uit Turkije en de rozijnen uit Australië en Zuid-Afrika. De communielammetjes en de kerstmannen met rendierslee, kortom de plastieken rommel op al uw taarten is made in China. En ook de mandarinekes op de vlaaien komen uit China, ze worden daar nog met de hand gepeld! Dat zegt Luc die 8000 bakkerij-artikelen verdeelt.
Na het dessert wordt er gegokt. Niet op de slot machines maar op de datum van terugkeer naar huis. De optimisten denken dat we vrijdagmiddag zullen aankomen, amper twee uur later dan voorzien, de ‘realisten’ denken dat het dinsdag wordt, een vertraging van 4 dagen.
© gie Knaeps
Dansen op het graf
Nadat de tafeldienster naar aloude Vlaamse gewoonte de woordjes godverdoeme en miljaardenondedju is bijgebracht, maken we een avondwandeling langs de Strip waar iedereen zich afvraagt hoeveel lichtjes hier nu eigenlijk branden en dat ze allemaal wel eens de ellentriekrekening van die casinomannen zouden willen zien. Jef staat in bewondering voor een namaak- Parijs, hij vindt het heel, heel schoon, bovenmenselijk schoon eigenlijk. Anderen zijn minder in vervoering, (‘t is Disneyland, ‘t is décor), maar iedereen is het erover eens dat alleen den Amerikaan zoiets kan, ge moet het maar doen, zeg ik altijd!
En zo slenteren we door de hete nacht tot bakker Pol dorst krijgt, en dus stappen we Caesar`s Palace binnen, een van de bekendste casino`s van Vegas, helemaal in nep-Romeinse stijl. We gaan aan boord van Cleopatra`s Barge , een Romeinse galei die met lange roeispanen in een indoor-vijver ligt, je kan er dansen op rockmuziek. De vrouwen wiegen hun lange haar, de mannen steken hun witte mouwen in de lucht. Dansen als duizenden mensenlevens in puin liggen, dansen als duizenden gezinnen zijn verwoest. Ik heb mijn twijfels. Terwijl er àltijd gedanst is. Ook op de dagen dat er duizenden doden vielen in het verkeer, ook op de dagen dat er tienduizenden kinderen van honger stierven in de Derde Wereld.
Terug in het hotel kan ik niet slapen, alleen maar tv kijken. Om drie uur `s nachts is het zes uur in New York, de zon komt op boven de skyline van de stad (a skyline that is changed forever) en dan zegt de anchorman met onvaste stem, it`s gonna be a beautiful day in the city, just like yesterday…
The day after
Woensdag 12 september - Tot vier uur ben ik opgebleven om in de lobby de eerste kranten te halen. Verderop draaien de roulettes en de fruitwielen nog steeds nonstop, maar op de voorpagina`s heersen verwoesting en ontreddering: Amerika is in zijn hart geraakt en in zijn militair en economisch centrum getroffen, our country will never be the same.
Het land is in de hoogste staat van alarm. Militaire verloven zijn ingetrokken, vliegtuigschepen zijn onderweg naar New York "om de stad te verdedigen en om als hospitaalschip te fungeren". Voorts wordt iedereen verzocht om weg te blijven van de luchthavens in het land. Het is de eerste keer in de Amerikaanse geschiedenis dat alle luchtverkeer gesloten is, en dat is een absolute schok voor de Amerikanen, normaal gaan er per dag 35.000-40.000 vluchten door de lucht. Het luchtverkeer leek ook redelijk veilig, het was meer dan tien jaar geleden dat nog een Amerikaans vliegtuig gekaapt is, nu zijn het er vier tegelijk.
President Bush houdt een toespraak op televisie. Over de ‘nieuwe vijand die vanuit het donker op onschuldige mensen aast”, een vijand die ze na een lange strijd zullen overwinnen ‘in een gigantisch gevecht van Goed tegen Kwaad”. Het is koude oorlogstaal, en hoe macaber het ook mag klinken, het lijkt alsof sommige conservatieven onderhuids tevreden zijn: eindelijk hebben we weer een vijand om te verslaan, eindelijk hebben we weer een reden om als natie hand in hand te staan. Ook de progressieve senator voor New York Hilary Clinton spreekt harde taal: je bent voor of je bent tegen Amerika, een andere weg is er niet!
Bij de bakkers zijn door die oorlogstaal heel wat paniekerige telefoontjes van het thuisfront binnengelopen. Mark heeft zijn dochtertje Stephanie (5) gerustgesteld met de boodschap dat Las Vegas even ver ligt van New York als Westmalle van Gran Canaria en gij weet toch nog hoe ver dat van elkaar is, hé?! Zijn vrouw Caroline krijgt intussen geen hap ontbijt binnen, ze kijkt haast onafgebroken naar de tafel van organisator Luc. Die zou al tegen enkele ingewijden verklaard hebben “dat we hier nog minstens drie-vier dagen gaan vast zitten, als ‘t niet meer is!”, vandaar dat zijn body language angstvallig in de gaten wordt gehouden. Ondertussen arriveert ook het bericht dat we al op den teevee zijn, mannen! Blijkt dat VTM in zijn journaal gezegd heeft dat tachtig Vlaamse bakkers ‘vast zitten in hun hotel in Las Vegas’ Ja mannekes, ze gaan met spandoeken naar Zaventem komen! Ze gaan ons schreeuwend om de nek vliegen terwijl wij alleen maar vastgezeten hebben aan den toog van het casino!
Gazet Van Antwerpen 17/9/01
Koude bakkers
Vandaag opent de Baking Expo dan toch zijn deuren en iedereen gaat ernaartoe. De Belgische bakkers gruwelen van het kitscherige kleurgebruik op de Amerikaanse taarten, dat is toch niet om op te eten! Met iets van bewondering blijven ze wel staan bij een robot die rozen in crème au beurre kan draaien, als ge dat zelf doet, dan kruipt daar veel tijd in. De verkoper is blij met de belangstelling en meldt trots dat zo’n automaat 540 rozen per uur kan maken. Maar jongen toch, zo'n massa, wie heeft dat nu nodig?!
Voor elke handeling in de bakkerij – van appelen schillen tot pizzadeeg beleggen- hebben ze nu een machine. Ik leer met de minuut meer over het bakkersbestaan, vooral dat ik nooit meer mag denken dat een bakker “na vijftien jaar binnen is”. Binnen?! zegt Jef, binnen zijt ge alleen nog als ge de deur dichttrekt. Het poen scheppen, dat was in de gouden jaren zestig tot tachtig, en die zijn voorbij. Nu is het dag en nacht werken, bijna nooit op reis kunnen gaan en zware leningen aangaan om technisch te kunnen blijven volgen. En al die bakkers dan die tegenwoordig hun winkel aankleden met marmer en automatische schuifdeuren?! Dat is geen rijkdom, zegt Hubert, dat zijn mensen die zo weinig uren thuis zijn dat ze hun winkel dan maar “als een schone living gaan inrichten”.
Hoe dan ook, het einde van de warme bakker komt eraan, volgens Danny. De bakker bakt niet meer, hij krijgt van de industriële broodfabriek alle broodwaren lichtjes voorgebakken en gekoeld geleverd, hij moet ze maar tien minuten afbakken en hij kan ze vers en warm in de toonbank leggen. “Daarmee gaan de grote industriële bakkerijen én de supermarkten de kleine warme bakkers op de knieën krijgen.”
De taxichauffeur die ons oppikt, bakt geen warme of zoete broodjes. Ik zeg u, het wordt oorlog, a fuckin’ cold blooded war. We zeggen hem dat we liefst geen oorlog wensen, Europa heeft al teveel oorlogsmiserie gehad. Doen jullie niet mee? Okay, ga dan maar uit de weg! Laat ons het maar aflappen! It’s us against them! Die klootzakken van kapers wisten niet wat ze deden, they woke up The Sleeping Giant!
Voorpagina van de Las Vegas Weekly (13/9/01)
Het is woensdagavond, burgemeester Giuliani van New York heeft zesduizend body bags besteld en de Belgische groep houdt crisisvergadering onder de palmbomen van het zwembad. Griet, onze reisleidster-met-lange-ij zoals ze zelf zegt, heeft de voorbije twee dagen in een telefoontoestel gelogeerd en zal de groep nu gaan vertellen of we morgenvroeg (donderdagmorgen) uit Vegas weg kunnen zoals gepland. Ze begint met goedenavond allemaal voor de mensen die nog vinden dat dit een goeden avond is, en dat één ding vast staat, namelijk dat we morgen niét wegkunnen. “Als alles normaal verloopt, en ik zeg wel ALS, dan zullen er zondag dertig mensen kunnen vertrekken en maandag vijftig”. Drie dagen erbij, vier dagen erbij, het is veel, maar het wordt geaccepteerd, we zijn nog bij de gelukkigen, voor ‘t zelfde geld zaten we in die vliegers en lagen we tegen de korst.
Anderzijds gaat dit extra-verblijf geld kosten - 9000 of 12.000 fr (220 à 300 euro) per kamer naargelang je tot zondag of tot maandag blijft- en het is geld dat door geen enkele reisverzekering wordt gedekt ”omdat terrorisme als een geval van heirkracht wordt beschouwd”.
Griet raadt aan om de kamers met meerderen te delen, en zo deel ik nu een kamer met Gerry Roy, bakker te Boorsem (sinds 1897!) We zijn allebei slechte slapers en geharde nachtelijke nieuwskijkers, dus dat treft.
Op televisie zie ik voor het eerst in zesendertig uren een beeld uit het buitenland. Een Britse correspondente van Fox TV houdt een Britse krant naar de camera die zegt dat in New York ook honderden Britten zijn omgekomen. Het buitenland ligt hier letterlijk buiten het land, je komt er zo goed als niks over te weten. Voor president Bush is het trouwens een uitgemaakte zaak: “We have the support of all the world leaders, of all the governments in the free world!”
Tearjerker
Donderdag 13 september - Dit is de ochtend dat een bewogen en lipbijtende Bush zijn “oorlogsverklaring” aflegt door te zeggen dat we het uitbreken hebben meegemaakt van the first war of the 21st century. Het klinkt alsof het al in de geschiedenisboeken gedrukt staat.
En dit moet ik toch ook schrijven. Er zijn op televisie zoveel ontroerende verhalen van rescue workers, van overlevenden, of van familieleden die een geliefde verloren hebben, maar ze verschijnen aan zo’n tempo op het scherm dat alle verdriet hopeloos op elkaar gestapeld wordt en dat alle emotie eruit verdwijnt. Soms hebben de journalisten de tijd genomen om een portretje te maken bij de mensen thuis, maar in die interviews wordt dan weer zo schaamteloos naar emoties gehengeld, zo doortrapt naar tranen gezocht dat ik zelf makkelijk mijn tranen kan bedwingen. Ik ben nochtans een softe meehuiler met tranen op tv, maar dit is tearjerkers united, ik word er niet goed van.
Om tien uur vergaderen de Belgen bij het zwembad van het hotel. Rond de blauwe pool blaken de palmbomen, een enkele zwemmer drijft lui door de zon, en Griet deelt nu definitief mee dat er pas op zondag en maandag vertrokken wordt. In mijn hoofd welt het refrein En we gaan nog niet naar huis, wat in zulke omstandigheden wel eens wordt aangeheven, maar de gezichten staan iets te strak gespannen voor deze ironie.
Reisleidster Griet deelt de bakkersgroep mee dat er pas zondag en maandag wordt vertrokken. © gie Knaeps
Going home
Wij moeten noodgedwongen pleisteren in het hotel, tegelijk zijn er duizenden die uit Las Vegas proberen weg te geraken met àlle middelen, de vliegtuigen in heel de VS staan nog steeds aan de grond. Met de trein is het zeker niet te proberen. Vanmorgen is een Amtrak-passagierstrein bij de grens met Utah tegen een goederentrein gecrasht en alle spoorverkeer naar het oosten is opgeschort.
Ook auto’s huren is zo goed als uitgesloten, de grote verhuurfirma’s zijn uitverkocht, en sommige kleinere verhuurders vragen nu al woekerprijzen. Een gevolg is dat aan taxichauffeurs gevraagd wordt om lange afstanden te maken, ze krijgen bestemmingen als San Diego en Seattle, plaatsen die op honderden mijlen afstand van Vegas gelegen zijn en waarvoor 1200-1300 $ moet betaald worden. “Gisteren wilde iemand naar New Jersey rijden," vertelt een plaatselijke taxichauffeur, "dat is een rit van 4000 km, de man had er 2000 dollar voor over, dat is tienmaal de prijs van het vliegtuigticket, maar mijn baas weigerde, hij vond het te weinig”.
Onze taxichauffeur heeft vanmorgen ook twee zakenlui naar de Nissan-cardealer gebracht, ze wilden weg, en ze hebben gewoon een nieuwe Nissan gekocht. Er zijn zelfs grote bedrijven die dure SUV's kopen voor hun gestrande kaderleden, people are desperate to get home. En hoe is het met de Greyhound-bussen? Aan dat busstation is het stampede, zegt hij, ‘t is aanschuiven voor bussen die wel stoppen, maar die allemaal stampvol blijken te zitten.
De lange rij wachtenden aan het Greyhound-busstation in Las Vegas. Twaalf uur wachten op een ticket en alle bussen zitten al stampvol als ze aankomen. Bron: Las Vegas Sun
Aan het Greyhound-station brandt de zon met achtendertig graden. De motoren van de bussen draaien zonder ophouden, de wind is even bloedheet als het asfalt. Het gebouw zelf is omsingeld door een lange rij van wachtenden, naar schatting zo’n honderdvijftig passagiers. Binnen staan, liggen en zitten er nog eens tweehonderd. George, een zestiger met een gedistingeerde handbagage was op weg van Los Angeles naar Atlanta toen zijn vliegtuig dinsdag gedwongen werd om in Las Vegas te landen. Hij heeft gisteren twaalf uur staan wachten op een busticket en toen de bus dan eindelijk kwam, waren er maar vijf plaatsen voor de honderdvijftig wachtenden. Na een nachtje slapen staat hij hier voor zijn tweede poging.
In dezelfde hitte staan Lane en Susan te wachten op een biljet naar Portland, Oregon. Ze hebben een vliegtuigticket, maar Susan wil onder geen beding nog in een vliegtuig, no way, ik wacht nog liever drie dagen in de hitte.
Aan de overzijde van de busterminal heeft een man een ouwe Chevrolet geparkeerd met op de voorruit in grote witte letters, Get Back Home – 1000 $. Een kwartier later is de wagen al verkocht.
De vorige taxichauffeur dacht nog dat Amerika de tragedie enigszins aan zichzelf te danken had “door zijn volgzame houding tegenover Israel en de joodse lobby", maar chauffeur Brian heeft lak aan politiek. Just nuke ‘em, zegt hij, de atoombom erop en we praten er niet meer over. Dat er dan toch onschuldigen vallen in Afghanistan? "Okay, dan zullen we daar in die zandhopen eerst wat strooibriefjes gooien, dat ze als de bliksem hun land moeten verlaten want dat er binnen een paar dagen geen land meer gaat zijn! Gewoon met de botte laars erin, dat helpt. Zoals in Hirosjima, dat hielp toch ook?! Je kan niet blijven praten en onderhandelen. Stel dat de Amerikanen met Hitler waren blijven onderhandelen, waar hadden jullie dan gestaan in Europa?!"
De vlaggen wapperen ook elektronisch halfstok. © gie Knaeps
What a wonderful world!
Vrijdag 14 september Op televisie vraagt Mohamed Ali (aka Cassius Clay) om ‘niet alle moslims over één kam te scheren’. In Texas is een moskee beschoten, in Chicago hebben driehonderd woedende betogers een mars op een moskee gehouden. De tv-stations zijn intussen aan een reeks count your blessings begonnen, met name overlevenden die als bij toeval aan de dood zijn ontsnapt. Een wekker die te laat afliep, een metro die vertraging had, een vlucht die gemist werd, al die kleine tournures hebben sommigen het leven gered. Zo was de Australische topzwemmer Ian Thorpe als toerist onderweg naar het WTC maar omdat hij zijn camera vergeten was en teruggelopen was naar zijn hotel, is hij niet bij de slachtoffers. En dan is er nog de firma die een jonge bediende op maandag ontsloeg en haar botweg vertelde dat ze dinsdag al niet meer naar kantoor moest komen. Een kantoor in het World Trade Center.
In Washington begint intussen de Nationale Gebedsdienst met alle regeringsleden en dignitarissen, deze vrijdag is uitgeroepen tot dag van rouw en ingetogenheid. America cries, America weeps, zo heet het, maar dat is alvast niet doorgedrongen tot in het casino van ons hotel. Daar wordt op hetzelfde ogenblik als de gebedsdienst een jackpot-tornooi gehouden, het is een gekrijs en geroep op de tonen van Twist and Shout, er wordt met volle vuist op de toetsen getimmerd, highest score wins. Dat Amerika een land van contrasten is, is nu te zachtjes uitgedrukt. Amerika is een groot land maar ook een klein kind.
Op de boulevards beginnen meer Stars en Stripes te verschijnen. Als vlag halfstok, als vaantje op de limousine, als strikje op het revers, en als sticker op de auto. De gigantische elektronische billboards langs de Strip wisselen intussen het God Bless America af met One Nation Under God. En met Get Your Tickets For The Righteous Brothers.
De reclames voor optredens en frisdranken worden vervangen door vaderlandslievende leuzes. © gie Knaeps
Wij zijn verbaasd over dat godsvruchtige patriotisme en tegelijk over de democratische cultuur in dit land. In de Bellagio, één van de sjiekste hotel-casino’s van Las Vegas, lopen ze op hetzelfde marmer: de blanke en de zwarte, de fijne lui en de lieden met een werkmansloon, de glitter-décolleté en de jeans met bouwvakkers-bilspleet, ik zie het in Knokke nog niet gebeuren.
Casinobezoekers arriveren met de taxi, aan de draaideur wordt gegroet en gelachen en gekust en weer is het nauwelijks voor te stellen dat in New York de oorlog is ingeslagen. De pianist tilt zijn zwaluwstaart op, zet zich aan de glimmende vleugel en daar gaat al het eerste muzakje, het is Louis Armstrong … and I think to myself what a wonderful world!! Het zou blinde beroepsmisvorming kunnen zijn.
De kakkerlakken-theorie
In de bus naar het hotel is het weer raak, weer zo’n tiep die vanop de laatste bank declameert dat “we” gaan winnen, en dat de motherfuckers nog voor Kerstmis onder de grond zullen steken. Niet dat het hem op één goedkeurende blik van de andere passagiers komt te staan, ik merk ook bij de Amerikanen veel voorbehoud over het beginnen van een oorlog. De laatste twee dagen heb ik aan dit stuk zitten schrijven in de universiteit en in die middens heb ik nog niet één Amerikaans vaantje opgemerkt. De meeste studenten hebben vooral schrik voor een herinvoering van de dienstplicht en voor een nieuwe sfeer van achterdocht en koude oorlog in dit land.
De president heeft het niet over die ouwe kouwe oorlog. Hij heeft het op alle zenders over a new kind of war. Dat hier een loze Golfoorlog en een verloren Vietnamoorlog is geweest, dat komt op geen enkele omroep ter sprake. Wel dat de megawinkelketen Wal-Mart op drie dagen tijd zo’n 500.000 Amerikaanse vlaggen heeft verkocht.
Zaterdag 15 september - Dit weekend zijn - voor het eerst sinds D-day 1944 - haast alle football- en baseballwedstrijden afgelast. Deels uit piëteit deels omdat men aanslagen vreest in de grote stadions. We krijgen beelden te zien van een training in Los Angeles die begonnen wordt met een gebed van de trainer. De potige spelers knielen op het speelveld, nemen hun pet af en houden mekaars hand vast. De coach: "Oh Lord, zegen deze spelers waarop de club altijd heeft gerekend en waarop het land nu ook wil rekenen. Jongens, bereid jullie voor op de dienstplicht, be prepared!"
Op Fox News is er een interview met een generaal van de landmacht. Wat het terrorisme betreft, is er volgens hem sprake van de kakkerlakkentheorie (cockroach-theory): zelfs al dood je d’r een, dan nog weet je dat vele anderen verborgen blijven. Om "ons land naar de overwinning te leiden” wil de generaal dat de Amerikanen een mind switch maken, “we zijn niet alleen burgers, we are all soldiers!’ En als zich nog eens zo’n kaping voordoet, dan moeten alle passagiers als één man die lafaards aanvallen. Wat de generaal doet besluiten dat de Amerikanen ‘ontegensprekelijk harder zullen moeten worden”. Het is dezelfde ochtend dat ook de taal van de president nog harder is geworden. In een radio-interview zegt hij: we will smoke them out of their holes, we will make them run.
Voorpagina van het magazine People.
De smoor van New York
De bakkers worstelen intussen met het thuisfront. Sommigen hadden al twee dagen geleden weer in hun winkel moeten staan, daar hangt nu een briefje Gesloten wegens omstandigheden. Die omstandigheden zullen ze natuurlijk omstandig moeten uitleggen zo gauw ze terug zijn. Gerry ziet het al gebeuren: "In zo’n dorp moet je dat allemaal honderden keren opnieuw vertellen; ik ga zelfs klanten krijgen die bij mij nooit over de vloer komen, maar die nu twee pistoleekes komen halen om mijn verhaal te horen.” En dat de klanten zo goedgelovig zijn : “Als ik zeg dat wij daar vastzaten omdat in het hotel alle ramen en deuren met planken waren afgeklopt, dan gelooft 80% van de klanten dat. Als ik zeg dat wij tot in Las Vegas die smoor van New York zagen hangen, dan zijn ze daar ook mee weg!”
Gerry zit wel hard te piekeren over zijn broodronde (honderd klanten!) die zijn zus noodgedwongen moet overnemen. Bellen is veel te duur. Faxen heeft hij nooit gedaan. Ik zeg dat ik het op een fax zal zetten en vanuit de hotellobby zal versturen. Dat moet lukken. Hij heeft heel die ronde in zijn hoofd, hij weet wie er wit of grijs brood, gewone pistolets of tijgerkes moet hebben, en wie er gewoonlijk een vlaai bestelt voor zondag. Liggend op zijn bed volgt hij in gedachten zijn ronde en zo dicteert hij mij. Ik rijd nu mee langs een wit huis met een schuin dak, een huis met een brievenbus in de vorm van een ton, soms een naam "bij Maria", bij "Eddy", hij kent al die bewoners en hun woningen, maar hij kent geen huisnummers. En zo vertrekt er en vanuit een continent in Derde-Wereldoorlog-crisis een fax naar de Limburgse Maaskant met een lange bestelling groot wit gesneden, rozijnenbrood en kruimelkesvlaai. Veel kleiner kan de wereld niet zijn.
Voor Johan en zijn vrouw is het een moeilijk weekend. Ze missen het 40 jaar huwelijksjubileum van de (schoon)ouders, het trouwfeest van hun naaste buurman én ook… Lommel-SK Lokeren. Hij is helemaal aangedaan. Ik heb zojuist onze twee kinderen van 15 en 18 opgebeld die alleen thuis zijn. Tedju jong, ik hoorde die stem van de jongste en mijn keel zat dicht, ik kon niks meer zeggen, mijn gemoed schoot vol.
‘s Avonds flaneren we met een tiental bakkers door downtown Vegas, langs casino’s als Golden Nugget en Horseshoe. Er schuifelen opvallend veel pasgetrouwde paartjes tussen de roulettetafels. Ze laten zich fotograferen bij goudklompen, Ierse klavertjes, en retro slot machines, kortom bij alles wat antiek is en wat maar enigszins geluk kan brengen. De croupier zegt dat er inderdaad véél huwelijken geweest zijn in de wedding chapels van Vegas, “ vooral jonge militairen die nog snel willen trouwen voor ze worden opgeroepen voor de oorlog.”
Pijl en boog
Zondag 16 september Reisleidster Griet - die de laatste dagen "amper haar bed heeft gezien" - weet intussen te melden dat de eerste groep die vanmorgen uit het hotel vertrokken is, ook effectief op weg is naar België. Dat zorgt voor applaus. De groep had wel urenlang moeten aanschuiven bij de check-in en ze had heel wat kalmeerpillekes mogen uitdelen. Er wordt nu volop gefantaseerd over de terugkeer naar België, ik zal blij zijn als ik mijn voordeur zie, ik ga de klink kussen, en ik! Ik ga in Zaventem de grond kussen just gelijk de paus! Het is bijna 100% gemeend. Griet zegt nog maar eens dat we “geen wapens” mogen dragen als we morgen bij de check-in staan, “dus geen Zwitserse messen, scharen of nagelknipperkes." Ook paraplu's, flesopeners en briefopeners blijken nu wapens te zijn. "Als ze die vinden in de handbagage of in de koffer, dan worden ze in beslag genomen." Griet heeft zelf gezien hoe een busje haarlak en twee wandelstokken in Las Vegas moesten achterblijven. Peter jankt, amai, ik heb zjust een pijl en boog voor mijn klein mannen gekocht.
Er wordt nog wat naverteld over de twee voorbije dagen die hoe dan ook aangenaam zijn verlopen, nu hebben we toch een schoon verlof van vijf in plaats van twee dagen gehad. Het grootste deel van de groep heeft uitstappen gemaakt naar een zijtakske van de Grand Canyon en naar Death Valley. Er is met gehuurde Harley’s naar de Hooverdam gereden en er is met cabrio's over de Strip gecruiset. Eén koppel heeft zelfs 1300 dollar (61.000 fr) gewonnen op de jackpot, kortom, niks dan geluk bij ongeluk. Tenzij dan die ene brave bakker die aan een taxichauffeur 100 dollar heeft gegeven in de overtuiging dat het een briefke van 10 dollar was, nondedoeme jong, die groen briefkes trekken allemaal opeen.
Ook Jef heeft gisteren een werkelijk formidabele schonen avond beleefd met een optreden van Paul Anka. Al de liekes van de botsautookes, al de jeugdherinneringen van vroeger waren teruggekomen, en dat voor zestig dollar, twee consommaties inbegrepen.
© gie Knaeps
Nooit meer Amerika
Maandag 17 september Kwart voor drie opgestaan, laatste keer tv gekeken. NBC meldt dat Bush een “officieus” gesprek heeft gehad met senator Hilary Clinton. Op de vraag of hij raketten ging afvuren op mogelijke schuilplaatsen van Bin Laden zou hij gezegd hebben: “Ik ga geen miljoenenraket afschieten op een tien-dollar-tent die naast het stomme achterste van een kameel staat opgesteld.”
In de hall weet Griet intussen te melden dat de “groep van zondag veilig en wel in België is aangekomen”. Op de bus naar het vliegveld heerst dan ook lichte uitgelatenheid, vooruit chauffeurke, full speed naar Belgium! De gevreesde check-in neemt twee uren in beslag: meer dan de helft van alle passagiers moet de koffer volledig uitladen, maar o wonder, Peter mag zijn souvenir-pijl-en-boog behouden.
Op het vliegtuig naar Atlanta zit ik naast een gepensioneerde legerofficier die enkele jaren voor de NATO in België heeft gewerkt. Ik vraag hem welke oorlog ons te wachten staat en hij denkt dat Bush binnen twee weken een straffe militaire operatie zal uitvoeren om het publiek te paaien maar dat het nadien een stille oorlog wordt op afgelegen plaatsen. Een “vuile oorlog” ook, “het zullen kleine moordcommando’s zijn die liquidaties gaan uitvoeren”.
En dan is het dinsdagmorgen als we in Zaventem aankomen, het zijn met de reis inbegrepen geen vier maar acht dagen Las Vegas geworden, de bagage wordt van de band genomen, de bakkers geven organisator Luc een hand (Lucske, volgend jaar gene Las Vegas hé, twee dagen Silver Lake in Mol zijn ook goed!) en dan is het avontuur voorbij. Voor velen is het ineens ook “nooit meer naar Amerika”, nee, jongen, laat mij maar in mijn huizeke tussen de mastenbossen, daar is het stil en kan ik de eekhoornkes zien, ik wil voorlopig nergens meer naartoe.
Het is halfnegen. Belgische tijd.
Deel 2: Mohammed Atta, de stedenbouwkundige die architect van de aanslagen werd
Aan de toog in de bar van Hotel Circus Circus. Boven de hoofden van de klanten branden de Twin Towers. © gie Knaeps
Katrina (2): de boswachters als redders van New Orleans
© Jerome de Perlinghi
Waveland, Mississippi. Het kustplaatsje (7000 inwoners) blijkt met zijn naam het onheil van de zee te hebben afgeroepen: negentig procent van de huizen is geheel of gedeeltelijk verwoest en van de 100 vermiste inwoners zijn er 50 geborgen. Waveland is officieus uitgeroepen tot Ground Zero van de orkaan Katrina. De burgemeester zelf spreekt over een "tsunami" nadat golven van tien tot vijftien meter hoog de huizen hebben overspoeld.
Op vier kilometer van Waveland staan tientallen auto's dwaas langs de weg geparkeerd. Ze staan schuin omhoog tegen het talud, steken met de achterwielen in de gracht of hebben zich met een deuk tussen de bomen geparkeerd. Alle koetswerken en ramen zien grijs, de wagens zijn door de vloedgolven meegesleurd en hier gestrand nadat de zee zich terugtrok. Nog een hoge berm is de spoorbaan waar de Amtrak van Los Angeles naar Orlando (Florida) passeert: daar liggen de restanten van vier huizen op de rails alsof ze uit een helicopter zijn gedropt en uit elkaar zijn gespat.
Een kleine honderd meter verder zit het gezin Vezzoso in klapstoelen voor een kampeertent. "Wat vind je van onze airco?" openen ze de conversatie nu hun huis is weggewaaid en ze in de buitenlucht de nacht doorbrengen. Ze wijzen op de spoorweg en het eerste puntdak, "dat is onze zolder!" En dat er vreemde dingen zijn gebeurd, zie naar de kristallen vaas en de glazen kandelaars die ze hebben teruggevonden, "ons huis is kapot en toch zijn die delicate stukken glaswerk gespaard gebleven!" Of kijk naar het dak van de buren: "Dat is niet hùn dak! Hun dak ligt in het bos; het dak dat er nu op ligt, dat is van een andere straat komen aanwaaien, tweehonderd meter ver!"
De spoorlijn nabij Waveland. De orkaanwind heeft huizen opgetild en op het spoor gesmakt. © Jerome de Perlinghi
Jeannis Vezzoso gaat kijken of haar zoon "al iets gevonden heeft op zolder", we lopen mee naar de rails, in het duister onder de spanten probeert hij nog iets van waarde uit de kapotte planken te sleuren. Het eerste dat hij vindt is een babypop-die-pipi-kan-doen en waarlijk, twee weken na de storm drupt het plasje op de spoorstaven, maar die pop "is niet van ons". Wel vindt hij het Mardi-Graskostuum van zijn pa ("toch 2000 dollar waard") en een stuk van de keukenmuur ("jullie kruidenrek hangt er nog aan"). Jeannis vraagt of hij geen witte doos ziet, dat is het belangrijkste stuk, daarin zit een kerststal uit het Heilig Land, de figuren zijn uit olijfhout gesneden, you know, zoals in de Hof van Olijven! Ik moet me inprenten dat dit waar gebeurt, dat ik 8000 km tot hier ben gevlogen en dat ik nu op een mijlenlange Amerikaanse spoorweg sta waar iemand in de gloeiende zon naar zijn kerststal zoekt onder het weggewaaide dak van zijn huis. Tien minuten later een schreeuw, I've found it! Jeannis is niet meer in staat de doos open te maken, ze valt snikkend voorover op het dak.
Het was the mother of all storms zegt haar man en hij vraagt zich af wat FEMA (het federaal agentschap voor noodhulp,jh) voor hen kan doen nu ze dakloos zijn: "Als we ze bellen, krijgen we de bezettoon of begint er een bandje te lopen dat ons naar hun website verwijst, maar niemand heeft hier stroom in huis!"
Twee straten verder past een man zijn ijzeren tuinhek opnieuw in de scharnieren, maar zijn huis zelf reikt amper één meter hoog. Alleen de fundamenten nog. En plots is het tastbaar hoe al die huizen hier op hun einde hebben staan wachten. Met gesloten deuren, met planken voor de ramen, en met binnenin dat hele stilleven aan bezittingen waarvoor jaren is gewerkt en gespaard en afbetaald: van de zetels en de tv tot de koelkast en de keuken, dat hele bestaan en op een halve dag kwam er een einde aan. Eerst striemde de zee alle luiken en deuren stuk en dan zoog de orkaanwind als een stofzuiger de meubels naar buiten. Gone with the wind. (Volgens Newsweek had Katrina de energie "van een atoombom van 10 megaton die elke twintig minuten explodeerde",jh).
Geen adreswijziging. De bewoner is vast van plan om zijn huis vanop de grond weer op te bouwen. © Jerome de Perlinghi
Schietijzer
Slapen zou vanavond geen probleem mogen zijn want via via hebben we een logeeradres in de buurt van Waveland. De wegbeschrijving is veelzeggend: afrit 24 nemen op de Interstate ("let op, bord is weggewaaid") en dan de eerste weg rechts ("straatbord is weggevlogen") en "daar waar je een omheining ziet met een poort die aan stukken is, dààr is het!" En voor het geval we twijfelen, "op de oprit staat een beschadigde Yukon SUV en een Honda SUV met een boom op de voorruit." De bewoners J. en M. (we mogen alleen hun initialen noemen) kunnen niet verwittigd worden, dus die kunnen "misschien een beetje achterdochtig zijn tegenover vreemdelingen als jullie."
Die laatste waarschuwing is niet overbodig. Om te beginnen staan er zéven blaffende honden bij de oprit waardoor we het huis stapvoets rijdend moeten naderen. En net als we bij de garage zijn en een vrouw roepend vraagt wie we zijn, horen we achter ons een zware pick up: J. komt thuis! En hij duwt zijn vrouw zowat naar binnen, "wie zijn die gasten die jij zomaar binnen laat! En ik had je toch gezégd, altijd de revolver dragen!" Om erger te voorkomen, laat ik snel de mails zien waaruit blijkt dat ik al in België contact had met een vriend van hen. Die heeft hen willen bereiken in verband met onze komst, maar omdat de telefoon nog altijd out is, is dat niet gelukt. J. verontschuldigt zich: "Sorry dat ik zo bot was, maar ons leven is niet meer hetzelfde. Iedereen kan hier nu proberen in te breken, want niemand kan nog de politie bellen. We zijn dus op zelfverdediging aangewezen, them days of the Wild West are back again!"
J. heeft zijn revolver intussen losjes om de schouder hangen, iets waar we verder "niet op moeten letten", maar zo'n Smith & Wesson .38 blijft wel een schietijzer natuurlijk, zelfs al praten we nu over koffie en donuts. J. en M. hebben in Bay St Louis hun woonhuis verloren, maar hier in de bossen is J. een houten huis aan het bouwen dat door geen enkele orkaan kapot te krijgen is. Zijn recept: een binnenbepleistering met thermoplastische hardschuim op basis van polyurethaan. En of ik dat zo op willen schijven want J. is schrijnwerker en hij wil straks van die onverwoestbare huizen gaan bouwen in heel Mississippi, "én in België" stoot hij ons aan.
We drinken koffie in de poort van het timmeratelier, Lightnin' Hopkins schraapt door de avondlucht en zo neemt ook J. de gitaar bij de hals. De dag na de storm moest hij de blues kwijt en heeft hij een song geschreven, Hey, hey Katrina, you were comin' after us, but we survived. En om elf uur 's avonds klopt er een klein hart in de ruwe bast van J. En hij vertelt over hun kinderen die nu elders logeren en die hij in geen dagen gezien heeft. En over zijn vriend Charles die de storm heeft overleefd "liggend in een boot die aan de trekhaak van een auto hing". En over de eerste dagen na de storm, dat hij twee keer dacht dat er een vogelverschrikker in de bomen hing en dat het elke keer een huisvader bleek te zijn die zich aan een touw had geknoopt, "en als je dan zelf met een huis zit, dat schuin op zijn fundamenten staat en dat stinkt naar rot en schimmel, dan gaat zo'n hangende man niet snel uit je gedachten". Hij moet op zijn lip bijten. M. legt een arm om zijn schouder en ook in deze avond sjirpen de krekels alsof er niets gebeurd is.
's Nachts is er van nachtrust weinig sprake in onze tent naast hun huis. Niet dat we hard liggen op de bodem, maar het zijn de honden die zeshonderd keren geblaft hebben naar elke rat, muis en egel. Eén brutale hond steekt om vier uur ook zijn kop dóór de rits, en maar blaffen alsof wij dieven zijn, stom beest! af! Het blaffen is zo hevig dat J. met een grote zaklamp aan het raam verschijnt, twee keer gaat hij zelfs met een geweer over het erf om te checken of er geen plunderaars zijn.
The Ice Man van Bay St Louis. . Hij brengt zakken ijs langs de bewoners die zonder stroom zitten en dus zonder koelkast. (c) Jan Hertoghs
Vandaag is het zondag én elf september. Om half acht nemen we afscheid van M. en rijden we naar de shopping plaza op de grens van Waveland en Bay St Louis. De supermarkten zelf zijn voor onbepaalde tijd gesloten, de hamburger- en pizzahutten hebben halfopen keukens waar het glas onder de voeten knarst en het frituurvet op de muren is gespat. Op de parking is een groot opvangcentrum van FEMA . Er is een gaarkeuken en een Rode Kruispost, er is een tent voor "toekomstige huisbemiddeling" met lange wachtrijen, en verder is er een slagveld van paletten en kartonnen dozen waar de overlevenden gratis voedsel, kleren, speelgoed, boeken en zelfs video's kunnen meenemen. Twee meisjes van tien en twaalf passen mekaar witte sandaaltjes aan, "can we have these, mama? - Sure you can! The price is allright."
Ik tel negen families die met hun ampele bezittingen al elf dagen op het asfalt kamperen, ze wonen onder een blauw zeil en ze vragen zich af "wanneer FEMA voor grotere tenten of noodtrailers gaat zorgen". Zoals ze hier naast de highway hun flapperend kampement hebben opgeslagen doen ze denken aan de migrant camps in The Grapes of Wrath, ook die ontheemden van de jaren dertig waren huis en werk verloren.
Op het andere eind van de plaza is een bevoorradingspost voor hulpverleners. Daar gaat J. grote zakken koelijs ophalen. Al vanaf Dag Twee is hij als vrijwilliger met een ijsronde begonnen en nu levert hij aan tientallen huishoudens per dag, "ze zijn mij The Ice Man gaan noemen". We rijden een ronde mee, J. claxonneert huis voor huis en moeders komen aangelopen om de zakken naar binnen te dragen. Het leveren gaat in hoog tempo, J. slooft zich uit, en met een reden: "Terwijl ik anderen help, denk ik niet aan mijn eigen problemen. Ons huis staat hier drie straten verder te beschimmelen, en ik kan het gewoon niet aanzien, ik krijg het amper over mijn hart om daar vijf minuten binnen te zijn." Onze wegen scheiden zich, we wuiven, hij steekt zijn vingers in een V.
Aan de grote stenen kerk van Our Lady of the Gulf (in Bay St Louis) begint de zondagmis in openlucht omdat de zee door alle beuken is gespoeld en de kerkbanken en het altaar op één hoop heeft geveegd. De stormvloed is ook met grote kracht onder de vloer gedrongen en heeft het zware plankier opgestuwd tot het barstte. De pastoor heft het eerste lied aan, "Here I am, Lord", en dat wordt gezongen met een ontroerende overtuiging. Dat men er nog is, dat men nog in leven is. Honderd meter achter de kerkgangers is de lichtblauwe oceaan, ze rolt met zachte plofjes tegen het verhakkelde strand.
Vanuit heel de VS komen kleren, speelgoed en meubels naar het rampgebied. De hulpgoederen worden doelloos gestockeerd op de parking van een winkelcentrum. © Jerome de Perlinghi
We nemen de snelweg naar Louisiana en New Orleans en passeren Slidell, het stadje waar honderdduizend vissen uit de zee werden teruggevonden in wijken die zes kilometer van de kust lagen. Ook hier kamperen nog families op winkelparkings, sommige "wonen" in de drive-in vakken van een car wash om zo gespaard te blijven van de onbarmhartige zon.
Via highway 11 rijden we kilometers langs de bayou, langs waterplassen met zompig riet en moerassen met verschaalde bomen. Een enkel straatdorp is er nog, maar geen mens is er te zien. Er is alleen de stilte van een gescheurde golfplaat die kriept in de wind. We zien een wonderlijk klein kasteel dat nog overeind staat, het is wit en rond als in een Disney-tekenfilm, met kantelen, een ophaalbrug en een vrolijke wimpel in de top. Maar alles eromheen is een kaartenhuis, de huizen zijn ingestort, scheef geblazen, of van het land in het water geduwd.
Langs het noordoosten rijden we de stad in. De wijken zijn troosteloos verlaten, de straten uitgestorven, une ville morte. Bij honderden huizen staan auto's geparkeerd, maar er is niemand meer om ermee te rijden. De enige menselijke aanwezigheid langs de straten zijn patrouilles van het leger en de National Guard, aan een checkpoint houden ze ons tegen, maar met de perskaart mogen we dieper de stad in. Dat is letterlijk te nemen, want driehonderd meter verder kunnen we niet vérder, de invalsweg verdrinkt in het water.
New Orleans. Zicht vanop de Interstate naar de ondergelopen wijken. Jan Hertoghs
Uit de waterweg komt een bootje gevaren dat op de middenberm aanlegt. De man en vrouw hebben drie honden aan boord, ze werken voor de organisatie Pets in Peril en in opdracht van de eigenaars halen ze honden en katten uit de geëvacueerde huizen. In drie dagen hebben ze vijftig dieren teruggevonden, maar er "blijven er nog een paar tienduizend achter in de stad. Sommige zitten opgesloten in huizen of hokken, anderen lopen verwilderd rond over straat. De katten zijn de beste overlevers, die brengen we naar een droge plek en die redden zich wel. Honden blijven bij het huis op hun baasje wachten, die zijn veel kwetsbaarder omdat ze zo afhankelijk zijn. De honden die we vinden zijn vel over been en hebben last van uitdroging." De organisatie heeft een "verpleegster van mensen" bij zich om medische verzorging toe te dienen. Eén van de vrijwilligers wijst naar een Duitse scheper, "zwaar getraumatiseerd, dat merk je aan de afhangende schoft en de loslatende vacht". De 'dierenredders' worden gedoogd door leger en politie, maar naar de letter is het streng verboden om dieren weg te halen uit de overstroomde wijken.
Zelfmoord
Via een omweg geraken we op de Interstate die met bruggen boven het centrum gaat. Aan de grote tweesprong tussen het Business District en de weg naar Baton Rouge, is op de vijf rijstroken geen personenwagen te zien. Daar waar elke dag tienduizenden auto's voorbij komen, zijn alleen nog legervoertuigen te zien en hun inzittenden hebben één duidelijke opdracht gekregen: neem zoveel plaatjes voor thuis als mogelijk. Een zwarte politieman stapt uit zonder camera en aan de vangrail gaat hij kijken hoe het met zijn buurtschap Gentilly gesteld is. Die staat nog helemaal onder water, er ronken zelfs nog bootjes rond op zoek naar lijken. Ben Green (39) wijst op de daken waar de roofingtegels weggerukt zijn, "dat is van de rooftoppers, de mensen die op hun dak zijn moeten kruipen, en die tegels hebben losgescheurd om meer grip te hebben op het dak." Hij zegt dat dit deel van de wijk arm was: "Hier konden velen zich niet uit de voeten maken omdat ze geen auto hadden (ca. 50.000 gezinnen in N.O. heeft geen auto,jh ) en als ze een auto hadden, dan hadden ze niet de veertig dollar voor benzine om ver genoeg van New Orleans te geraken" Zijn moeder had een auto en hij is haar zondag gaan smeken om te vertrekken, "het was pas toen ik begon te huilen, dat ze de ernst inzag en dat ze achter het stuur is gekropen. Ik had er hartzeer van, ze is vijfenzeventig, man, ze had in geen jaren achter dat stuur gezeten!" Hij is dag en nacht blijven doorwerken op het politiebureau, eerst kwam de storm, toen braken de dijken, en dan viel alle communicatie uit. "Dat is erg als je je gezin niet kan bellen om te vragen of ze safe zijn. Zo zijn ook die zelfmoorden kunnen gebeuren. Je had agenten en brandweerlui die in hun wijk als redders werden ingezet en die in hun eigen huis vrouw en kinderen verdronken vonden. Zo zijn er twee collega’s die uit pure wanhoop het dienstwapen tegen de kop hebben gezet."
En ja, die plunderaars, "dat was beschamend dat er zoveel zwarten bij waren. Maar dat de mensen hier in de wijk ook beroofd zijn van hun job als trucker en caissière, daarover heb ik op Fox en CNN helemaal niks gehoord!"
Charles, Vietnamveteraan: “Ik zag moeders zwemmen met een baby onder hun arm. It was wild.” Ingescand uit Humo/ © Jerome de Perlinghi
We zetten de weg verder over enkele snelwegbruggen waar mensen vier dagen op hulp hebben zitten wachten. De snelweg zelf is opgeruimd, maar langs de afritten ligt nog een sliert kleren en lege waterflesjes. Een afrit bij de Superdome steekt nog geheel onder water, het is geen water maar een pisgele vloeistof, in een krant omschreven als "a toxic gumbo van miljoenen liters olie, benzine, rioolwater, gier, krengen, antivries en schoonmaakdetergenten". Drie soldaten scheuren met hun quads door het opspattende nat, het machinegeweer op de rug.
Onder een snelwegbrug en licht weggedoken achter het stuur van zijn pick up truck zit Charles Daniels (63), één van de blijvers, één van de verstekelingen in New Orleans. De man met de stoppelbaard en de doorlopen ogen is blij dat hij "eindelijk nog eens kan praten met iemand".
"Welcome to my hometown! Ik woon hier al vanaf mijn vijf jaar! En ik heb een appartementje een paar straten verderop, vlakbij the French Quarter, maar nu leef ik hier in mijn truck tot het water wat is weggetrokken: dan kan ik mijn appartement leeghalen en mijn gezin gaan zoeken. Zie je dit insigne? Ik ben een paratrooper, ik heb in Vietnam gezeten. Ik ben een van die zwarten met een missie, ik ben bij het leger gegaan om mijn volk en mijn land te dienen! En Vietnam heb ik overleefd en nu heb ik Katrina overleefd. Het was nochtans erg in New Orleans. Anderhalve dag heb ik met een boot rondgevaren om mensen van het dak en de zolder te halen. Man, that was rough! Je zag mensen op hun dak staan zwaaien met een t-shirt aan een borstelsteel. Je zag bejaarden van tachtig die met een ladder op hun dak waren geklommen, iets wat ze in geen dertig jaar gedaan hadden, puur uit lijfsbehoud!
En ze hebben het over de plunderaars, en ja, ik heb ze uit Brownie's Store zien buitenkomen met pakken sigaretten en drank en maar cheeren en yellen - maar ik zag ook andere dingen. Ik zag blanken, zwarten en Vietnamezen mekaar helpen, iets wat ik in geen jàren meer gezien had! Een Vietnamees reed met een opligger door de straten om mensen op te pikken en naar een droge plaats te voeren, ik stond bovenop de opligger om ze uit het water te trekken, boy, op de duur hadden we misschien wel honderd man achterop! It was wild, man! Ik heb moeders naar ons zien zwemmen met een baby onder de arm, met één hand zwemmen en met de andere hand proberen hun kindje boven water te houden! We hebben ook een hert zien zwemmen, en twintig minuten later dreef het dood en toen hebben we dat kadaver uit het water gehaald en omdat het warm was, durfden we het nog opeten. Die Vietnamees heeft zijn mes erin gezet om het te villen, we hebben hout gezocht en een vuur gemaakt en alle vlees is eerlijk verdeeld. "
Een gepantserde amfibiewagen van de Oregon National Guard komt door het water gespat. Ze hebben grote zonnebrillen en machinegeweren en steken hun hand op.
Charles: "Alle buurten zijn intussen geëvacueerd en nu zit ik hier alleen. En als ik 's avonds in mijn truck zit, alleen onder de donkere snelweg, dan denk ik wel 's aan die andere Amerikanen die met hun warme sloffen voor tv zitten met een pizza binnen handbereik, maar ik wil niet klagen, ik heb hiervoor gekozen, ik had allang weg kunnen zijn.
Mijn drie kinderen en zeven kleinkinderen zullen niet ongerust zijn over mij, ze weten dat ik een survivor ben, maar ik ben ongerust over hén, ik weet niet eens naar waar ze geëvacueerd zijn. Ik weet niet eens waar mijn vrouw is, omdat ik mensen aan het redden was. Waar zijn m’n vrouw en kinderen? In Texas? Oklahoma? Arkansas? I don't know! En dus blijf ik maar hier, op een dag zullen ze hier wel terug staan!
De eerste twaalf dagen hebben de soldaten me gerust gelaten: als Vietnamveteraan heb ik een streepje voor, ze gaven me eten en water, dus zo hield ik het wel uit. Maar gisteren kwam er een jong agentje met zijn geweer op mij af: morgen om twee uur moet je hier weg zijn, BEGREPEN! Ik zei hem dat ik iedereen gerust liet en dat hij mij ook maar gerust moest laten, maar hij wilde "GEEN commentaar "! De snotneus! Vijftien jaar voor hij met zijn gepamperde babyvel op de wereld kwam, liep ik te zweten in de jungle met twintig kilo bepakking op mijn nek, en nu komt die bleekschijter mij vertellen wat ik moet doen. Waarom behandelt hij mij als a piece of shit? (Tranen van woede) Ja, ik heb geweend en de soldaten hebben het gezien, een paratrooper die huilde. En ik huilde omdat ik in mijn leven al genoeg miserie heb meegemaakt, in mijn gezin, maar ook in het leger en in Vietnam.
Maar nog eens, ik ga niet klagen, God zorgt ervoor dat ik nog in leven ben en daar ben ik dankbaar om. Met de bijbel zijn we uit de slavernij gekomen en deze ellende zullen we ook overleven met het boek van God. En met de blues! Je mag nooit of nooit opgeven, you have to keep on goin'!"
En dan ziet hij in de goot een quarter liggen, en een dime, en het is alsof een speciaal muntfonds uit de hemel is gevallen, op twee meter slijk vinden we meer dan vier dollar in geldstukjes. Hey man, the Lord is sending us money from everywhere!
© Jerome de Perlinghi
Lelijk wijf
In flinke delen van de binnenstad heeft het water de straten al verlaten, maar daarom zijn de bewoners nog niet terug. We rijden kilometers door buurten die alleen nog bedekt zijn door een vale smurrie van takken, blaren en steengruis, met op één plaats ook een boot die nu droog op de stoep ligt, het touw nog rond een verlichtingspaal. Overal lijkt het alsof de bevolking verdampt is/ zopas waren de inwoners nog in leven en nu zijn ze weg. De vuilnisbakken staan klaar voor de ophaling, bloembakken bloeien verder op de vensterbanken en aan een voordeur hangen ballonnen alsof een verjaardag nog aan de gang is.
Wat wel op ellende wijst, zijn de bruine randen op de gevels die aangeven waar het hoogwater in werkelijkheid heeft gestaan, en de huisdieren die nu godverlaten door de straten dolen. Een schichtige kat zo mager als een ellepijp, een teef met gezwollen tepels, de halsketting slepend achter zich aan, en tal van honden die hun poten op het tuinhek leggen en waarvan de ribben door de vacht steken. Eén hond slobbert van het vuile piswater, als we stoppen loopt ie bang weg, de kop gebukt, de oren plat, de lip trillend om de tanden. En omdat duizenden eigenaars nooit zullen terug komen, is er sprake van de dieren af te maken "want het zijn ziekte-overbrengers, ze zijn met bedorven voedsel, giftig water en mogelijk lijken in contact geweest."
De toeristische binnenstad van New Orleans is nog toegankelijk én aantrekkelijk maar de enigen die op Canal Street logeren zijn de tv-stations, een witte kilometer van mobilhomes, satellietwagens en opnamestudio's. Op de statige St Charles Avenue met zijn lommerrijke bomen is een winkel afgetimmerd met een bord: Plunderaars, waag u niet binnen! Ik slaap hier met een grote hond, een lelijk wijf, twee geweren en een klauwhamer! "
En dan, tien kilometer ten westen van de stad, zijn we plots uit het pad van de storm. Vier dagen en vierhonderdtachtig kilometer hebben we langs ontwrichte bomen en huizen gereden, en hier is het voorbij. Geen winkel die nog dicht is, geen verkeerslicht dat niet werkt. Het tankstation is open, de benzinepompen werken, de toiletten spoelen door, de lavabo's hebben water, en we verwonderen ons over de klanten die deze luxe zo vanzelfsprekend vinden.
Wat logies betreft, kunnen we tachtig kilometer buiten New Orleans nog steeds geen motel vinden. Eén baliebediende zegt dat "we nog vier uur zullen moeten rijden om iéts te vinden". Overal verblijven geëvacueerden. We draaien een nummer dat J. ons gaf en daar is logeren "no problem" en zo vinden we in Baton Rouge het huis van Bart en Beth, een huis met zwembad, bed én ontbijt. Wat een ongehoord comfort.
De bos- en jachtwachters die met hun boten honderden inwoners van de daken haalden. Zelf zijn ze hun huis kwijt. Ingescand uit Humo/ © Jerome de Perlinghi
De boswachter-redders en hun bootvluchtelingen
Een goeie tien uur later staan we aan de deur van captain Brian Clark van het Louisiana Department of Wildlife and Fisheries. In de media zijn de "bos- en jachtwachters" nauwelijks aan bod gekomen, maar zij waren de éérste "overheid" die in actie schoot en alleen al in New Orleans hebben ze tienduizend mensen uit hun huizen gered. Clark was supervisor van de reddingsacties.
«Voor de storm toesloeg, hadden wij op hoger gelegen plaatsen in en rond de stad een contingent van een paar honderd vaartuigen klaar liggen. We hadden sloepen, platbodems en air boats (met grote propeller achteraan,jh). Die boten zijn geschikt voor de plassen en moerassen van de bayou, water van zestig -zeventig centimeter diep, maar ineens moesten we daarmee op stormachtig water dat drie tot vijf meter diep was! En je vaart niet tussen takken en blaren, je vaart in een stad, tussen lantaarnpalen en verkeerslichten!
Wij zaten in 9th Ward (een van de armste zwarte wijken die zwaar overstroomd was,jh) en daar was het een overrompeling, je voer naar een huis en in een oogwenk was je boot vol. Overal zag je mensen uit vensters hangen en op daken staan. En ze riepen en schreeuwden, ze zwaaiden met lakens en met zaklampen, je wist niet waar eerst naartoe. En soms had een dak slechts één gezin, maar op een rusthuis stonden ze met tientallen en op een high school met vijfhonderd op het dak!
En niet alle daken zaten nog aan een huis vast, we hebben ook mensen gered van een drijvend dak. Sommigen hadden zo al uren, sommigen de hele nacht rond gedreven, op een dak waarvan ze vreesden dat het elk moment in duigen kon vallen. Op één dak lag zelfs iemand met een meervoudige beenbreuk.
's Nachts hebben we ook doorgewerkt, maar voorzichtiger. We werkten dan met schijnwerpers zodat we niet onverhoeds tegen stroomdraden zouden botsen, want aanvankelijk zat daar nog stroom op! En ook overdag zijn we traagjes blijven varen, in dat water dreven immers planken en daken en auto's en vrachtwagens rond! Meer naar het noorden waar het water ook in begraafplaatsen was gedrongen dreven zelfs lijkkisten rond. <Humo> Mensen spraken ook van alligators in het water.
«Onzin. Geen van mijn mannen heeft er één gezien in de stad. Maar herten en slangen waren er wél!
<Humo> Waren er ‘dakzitters’ die wilden blijven?
« Ja. Ze zegden: laat mij maar, het water zal wel zakken en dan kom ik op eigen houtje naar beneden. Dat was de eerste dag, toen waren de mensen nog "relaxt" zal ik maar zeggen. Maar de volgende dag riepen ze dat ze ook weg wilden omdat ze geen eten en geen drinken hadden. Het was ook gloeiend heet op die daken, het moet zeker 40 - 45 graden zijn geweest in de blakende zon.
<Humo> Was je niet verwonderd om nog zoveel mensen aan te treffen?
«Sure! Toen we een uur bezig waren, had ik zoiets van, hey, is hier nu echt niémand die aan evacueren heeft gedacht!? Maar ja, ze hadden allemaal hun reden. Geen auto, geen geld, geen bussen van de stad, of ook: got no place to go. Velen hadden ook de vorige orkaan (Ivan) in gedachten. Toen was er ook een evacuatiebevel en toen hadden mensen er vijftien uur over gedaan om honderd km te rijden. Onderweg waren er enorme opstoppingen geweest, auto's waren zonder brandstof gevallen, motoren én mensen waren heet aangelopen, er is gevochten, en dat hebben velen nu willen vermijden...
© Jerome de Perlinghi
<Humo> De dijkdoorbraken zorgden ook voor gevaarlijke stromingen in het water.
« Ja, in Ninth Ward en in het nabije St Bernard Parish zit je dicht bij de dijken en Lake Pontchartrain, en al die bressen zorgden voor gevaarlijke kolken en stromingen in het water wat het werk nog moeilijker maakte. En dan waren er de heli's die rond cirkelden om mensen op te pikken, die zorgden ook voor zware golven. Ze hebben zelfs enkele van onze boten doen kapseizen met vluchtelingen en al. Zelf zagen we een helicopter in het water crashen, die was ergens met zijn winch blijven haperen, en die bemanning hebben we ook moeten redden. Het was een pandemonium. Je had gaslekken, je had huizen die stonden te branden temidden van vier meter water! Die panden fikten als een oven want dat gas bleef dat vuur maar voeden!
<Humo> Had je de indruk dat de situatie uit de hand liep en dat je machteloos stond.
« Definitely! Maandag dacht ik: dit wordt met het uur erger. Dinsdag dacht ik: dit krijgen we nooit onder controle. En woensdag dacht ik: als we niet oppassen, gaan we er zelf aan! Het grootste probleem was de drop off. De mensen die we oppikten brachten we naar de St Claude Bridge in de overtuiging dat daar bussen en ambulances zouden komen om de mensen naar opvangcentra te brengen. Maar er kwam niks. De mensen zaten gewoon vast op die snelweg, op die vangrails en op dat asfalt. En hoe meer mensen we afzetten, hoe luider het geschreeuw werd naar water en eten. Maar wij hadden niks om uit te delen.
Het was niet om aan te zien, zieken, gehandicapten, mensen die dringend medicatie nodig hadden, lagen zomaar op de grond. En zo is de ergernis toegenomen. Dat de politie niks deed. Dat de staat niks deed. Dat de regering niks deed. En dat ze nog nooit iets gedaan hadden voor de armen en voor de zwarten. En ja, dan keren ze zich al snel tegen jou, want jij bent de dichtstbijzijnde die een uniform draagt.
Sommige mensen wilden ook terùg in de boot. Ze hadden gedacht dat hun verwanten op de brug waren, maar als daar niemand was, dan wilden ze terug naar hun buurt varen om hen te zoeken, om te zien of ze niet verdronken waren. It was hopeless, just a big mess!
<Humo> Klopt het dat er op reddingsteams geschoten is?
« Dat klopt. Het begon ermee dat al die mensen die al zesendertig uur zonder eten en drinken zaten onze trucks wilden gijzelen. Wij hadden een pont bij St Claude Bridge waar vrachtwagens kwamen om brandstof en nieuwe boten te brengen, die trucks werden omsingeld door vijfhonderd mensen die allemaal in de laadbak wilden springen, get us out of here! Ze sloegen op de ruiten, ze sprongen op de motorkap, ze zwaaiden met handguns naar de chauffeur en de andere redders, het was onhoudbaar. We zijn op de loop moeten gaan in onze boten en toen is er ook geschoten, op één van de rubberboten en op een helicopter. Die woensdag hebben we onze save & rescue op die plek stopgezet. De bedoeling was om elders een nieuw brughoofd op te zetten, maar ook die operatie heeft enkele uren stilgelegen omdat er in die wijk geschoten werd. It was bad! Toen we weer aan het werk gingen, zijn we de mensen gaan fouilleren voor ze in de boot stapten.
<Humo> Er werkte ook geen radio of gsm. Jullie waren aan het redden en jullie wisten niet of jullie eigen gezin oké was.
« Onze gezinnen waren geëvacueerd, maar we wisten absoluut niet tot waar de storm had toegeslagen, en dat knaagt in je hoofd. Je kan niet goed werken als je heel de tijd aan je familie denkt. Kwam daarbij dat ik constant in mijn district (St Bernard Parish) aan het varen was. Ik heb tientallen mensen gered die ik persoonlijk kende, ik zag mijn eigen huis onder water staan, ik zag het huis van mijn ouders onder water staan, de huizen van ooms en tantes, van vrienden en kennissen, en heel die buurt zo verzopen te zien, dat kruipt niet in je kouwe kleren. En hier zit ik nu, ik ben een huis, twee boten, een auto en een weekendbungalow kwijt. Wat ik nog bezit, is mijn gezin, mijn uniform en mijn job (brede grijns). Sure I laugh! Toen ik de vijfde keer voorbij mijn huis vaarde, heb ik ook gelachen. Why should you cry? Ik ben absoluut niet de enige die alles kwijt is. Van de honderd en tien brandweerlui in St Bernard Parish zijn er honderd hun huis kwijt! Je moet blij zijn dat je gezin nog in leven is en voor de rest... you turn the page and move on!"
De ark van Riley
Op de terugweg van New Orleans maken we nog één tussenstop in Waveland. We stappen uit bij een scheefgezakt huis met een dringend bericht op de muur: Hulp nodig! We zoeken de urne van onze overleden moeder! Twee puinstapels verder zit Riley Moore (68). Met zijn half gebit eet hij brood met worst, en of wij iets willen drinken bij dit hete weer? Een uitnodiging die we al bij meer daklozen hebben ervaren, hun huis is wég, maar daarom is de southern hospitality nog niet verdwenen. Riley wijst op de kippen die op het ingestorte dak en tussen de kapotte deurlijsten staan, "they have taken over the house! Ik slaap nu buiten in een tent." Riley en zijn vrouw hebben de storm 'uitgezeten': " Een vloed van acht meter heeft het huis gekraakt maar onze ouwe cederboom heeft als anker gediend en zo is het huis niet weggedreven. Anyway, een huis dat in het water dobbert, that's scary, de schilderijen tuimelen van de muur en de glazen vallen uit de kast! We zijn dan naar de zolder verhuisd en toen daar ook water kwam, heb ik een gat in het dak gehakt."
Samen met zijn vrouw tilde hij drie honden, een kat, vijftien konijnen en vijfendertig kippen op het dak. Riley en zijn vrouw bungelden met hun benen door het gat en hielden zich vast aan de randen: "De beesten waren zot van angst, die drukten zich plat en met hun klauwen tegen het dak. Ik was ook geweldig bang van de wind, ik dacht dat het met mij gedaan was!" De honden, de kat en de konijnen hebben het overleefd, maar vijftien kippen waaiden weg en verdronken. Op de zolder had hij ook zes puppies op een drijvende matras gezet, maar het water kwam zo hoog dat ze tegen de zoldering smakten en verdronken. Hij zet het blik cola zonder te drinken aan zijn mond: "Het verwondert me nog altijd dat ik nog leef. Ik kijk naar mijn kapot huis, en ik besef, die planken en nagels, dat had goed mijn doodskist kunnen zijn."
© Jerome de Perlinghi
Orkaan “Ida” - 16 jaar na de ravage van orkaan Katrina
Op 29 augustus 2005 kwam orkaan Katrina aan land. Ze maakte 1833 slachtoffers en meer dan een miljoen mensen werden dakloos in de staten Mississippi en Louisiana.
Exact 16 jaar later treft de orkaan "Ida" hetzelfde zuiden van de Verenigde Staten. Voorlopig is geen sprake van dijkdoorbraken, maar toch zouden al meer dan 2000 mensen hun overstroomde huis hebben moeten verlaten. Ook is er grote windschade en dan vooral aan het stroomnetwerk: zowat één miljoen mensen zitten zonder stroom. Intussen heeft een uitloper van orkaan Ida (op 1500 km van Louisiana) voor historisch zware regenval en overstromingen gezorgd in New Jersey en New York. Een eerste balans spreekt van 45 doden.
In New York viel op 5 uur tijd 177 mm regen. Ter vergelijking: de zwaarste neerslag in juli in Wallonië was 204 mm … op 24 uur.
De zomer van 2021 is onweerlegbaar de zomer dat het klimaat terugslaat.
Dit zijn getuigenissen van overlevenden van Katrina.
Bij het nalezen van dit stuk moest ik vaak denken aan de overstromingen in Wallonië.
De ravage in de VS was vele malen groter, maar je ziet dezelfde benarde toestanden bovenop de daken, dezelfde onthutsing over de kracht van het water, dezelfde solidariteit vanuit heel het land.
En ook: wie verrast wordt door verwoestend hoogwater, wie zijn hebben en houden verliest aan het slijk, die heeft wel degelijk hetzelfde litteken voor het leven.
Humo september 2005 -licht ingekort - © Jan Hertoghs
© Jerome de Perlinghi
"Het huis van de buren drééf op de golven en ramde ons huis!"
Het vliegtuig landt in Mobile, Alabama, en de vrouw van de autoverhuur raadt ons aan om hier proviand in te slaan, "want ginder is er niks". We kopen gedroogd pemmicanvlees, appelen en een flinke voorraad water, en tanken extra in een jerrycan. Dan de snelweg op naar Mississippi en Louisiana, twee staten die anderhalve week geleden zwaar geteisterd werden door de orkaan Katrina. Langs de Interstate zijn almeteen geknakte bomen en aan flarden gewaaide billboards te zien, maar die eerste kilometers zeggen niets over de ravage die ons nog vijf dagen te wachten staat.
Op de autoradio is sprake van 450.000 langdurig daklozen "en hoe de regering die opvang denkt te zullen betalen?" De vraag blijft een open vraag, de hitte waait door het raam naar binnen, het warme asfalt kleeft hoorbaar onder de wielen. Pascagoula (26.000 inwoners) is het eerste stadje op onze weg, maar het is geen stadje meer, het is een sluikstort met straten. Hier is de zee een paar uur lang in de huizen gespoeld en hele interieurs staan te drogen in de buitenlucht: voortuintjes vol kasten en deuren, voetpaden vol zetels en vies geworden vasttapijt. Het zijn geen dure interieurs, het is meubilair dat vroeger al van armoede doortrokken was. De hekkens rond de huizen zijn wasrekken nu waar broeken, hemden en ondergoed in de broeierige avond hangen te drogen. Het stadje heeft niet alleen onder het zeewater maar ook onder de orkaanwind geleden; in alle bermen liggen stapels stukgezaagde bomen. Van de kleine baptistenkerk is de witte spits losgerukt, met één rand hangt ze nog krampachtig aan de dakgoot. Honderd meter verder is het dak van een bedrijf ingezakt. Op de dichtgespijkerde ramen staat te lezen: We Shoot Looters (Wij schieten plunderaars neer). Eén straat verder heeft iemand het nog bondiger geformuleerd: You loot. We shoot!
Een Humvee van het Amerikaanse leger patrouilleert door de hoofdstraat en dat is het beeld dat we de komende dagen zullen blijven zien, tientallen en tientallen gewapende patrouilles, niet alleen van beroepssoldaten, maar ook van reservisten, state troopers, sheriffs en marshalls. Het is een leger van handhavers dat vanuit heel de VS naar de Golfkust is gestuurd "om orde en rust te herstellen".
Die maatregel houdt ook in dat in Pascagoula alle handelszaken om 17 u verplicht de deuren moeten sluiten. Langs Highway 9O brandt er dus licht in alle supermarkten, tankstations en hamburgerzaken, maar nergens kan je nog binnen. De lege parkings en de verlichte winkels zijn er voor de politie, zo worden eventuele indringers gelijk opgemerkt.
Om negen uur vinden we dan toch één eethuis dat open is. De uitbater houdt de deur voor ons open, uit beleefdheid én omdat de deur nog maar één hengsel heeft. We zijn intussen ook twee uur naar een motelkamer aan het zoeken, maar overal hangt een No Vacancy! Geen kamer meer vrij. In Ocean Springs is de Holiday Inn zelfs tot februari 2006 volgeboekt voor de hulpverleners en ambtenaren van FEMA (het federaal agentschap voor de rampenbestrijding).
Na bijna drie uur logies zoeken, zit er niets anders op dan in de auto te slapen. Omdat alle kleine landwegen nu stikdonker zijn er ook nog geknapte stroomkabels over de weg hangen, moeten we een parkeerplaats naast de highway kiezen. Van slapen komt er niet veel. De lucht in de auto is dik en benauwd, ik moet letterlijk naar adem happen, en de hele nacht razen er luidruchtige hulpkonvooien voorbij. Ze slepen vorkliften en generatoren aan en hoogtewerkers om de stroomkabels te herstellen.
Een geteisterd landhuis in Long Beach bij Gulfport. © Jerome de Perlinghi
Kort voor zonsopgang laten we onze persdocumenten zien aan het checkpoint in de binnenstad van Gulfport (Mississippi), een stad met 70.000 inwoners waar de avondklok geldt. Als we de hoofdstraat inrijden komt de zon op, boven de zee en boven Puinstad. Er zijn gaten geslagen in de straten, overal liggen winkelgevels om, grote palmbomen zijn met de kruin tot tegen het voetpad geplooid en op elke meter asfalt kraakt het glas onder de wielen. Op een dichtgetimmerd pand staat in rode spuitbus, We will survive!, wat wanhopig klinkt in dit stadscentrum waar geen levende ziel te zien is. Een hond steekt de spoorweg over die geen spoorweg meer is, de dwarsliggers zijn uit de stenen ballast gesleurd en de spoorstaven zijn kromgetrokken door het ziedende zeewater. Op de havenkade zijn opliggers van vrachtwagens in het rond gestrooid alsof het blikken dozen zijn. Op één plaats heeft de zee drie opliggers opgetild en tegen de gevel van een hotel gesmakt.
Op het strand staat met grote zandletters GOD, HELP US! Wat alvast wil zeggen dat de reddingshelicopters hier lang op zich hebben laten wachten. En bij elke stap is het weer versteld staan van de anomalieën die zo'n orkaan teweegbrengt. Zo staat er een grasmachine midden op het strand en hangen er twee stofzuigers in een boom, hun slangen wiegelend in de wind. Aan de rand van de zee staat een reiger naast een printer en een gele matras. Dan komen drie legerheli's laag over, hun zware schroeven malen dreunend door de lucht en nu kan je alleen nog aan Apocalypse Now denken, zeker als de reiger opvliegt en in een boom gaat zitten, een boom die doorweven is met witte snoeren en honderden lampjes van de kerst. Het is absurd, het is surrealistisch, het is een vorm van desastreuze kunst waar alleen de natuur toe in staat is en waarbij de mens alleen maar kan toekijken. Disaster art.
De eerste plunderaars
Waar ooit de betere huizen van Gulfport stonden, staat Ralph Duncan (55) in het puin van zijn huis te poken. Het huis stond er van 1935 en nu is het weg. Duncan rode out the storm. Hij kon dus weg met de auto, maar hij wilde niet weg, hij wilde de kamp zien tussen het huis dat zeventig jaar oud was en die storm die amper vijf dagen oud was. De winnaar bleek de orkaan van Categorie 5 te zijn: "Het was amper dag toen er al een grote boom op het dak viel, één tak schoot dwars door het gebinte waardoor het ineens binnen regende in de slaapkamer. En ik maar proberen om dat gat met ouwe kleren af te stoppen, wist ik veel welke watermàssa me nog te wachten stond! Toen het water kwam, ben ik naar de eerste verdieping gelopen en toen het daar ook kwam, ben ik op bed gaan liggen. Door het venster heb ik de orkaan gezien, dat waren draaikolken van zee, wind, stenen en hout die over de wijk raasden, nooit meegemaakt! En dat water bleef maar stijgen, ik dreef op het laatste zo'n dertig centimeter onder het plafond. Toen het dan eindelijk zakte, is mijn huis in stukken uit elkaar gevallen. Ik was op tijd weg, ik ben niet mee bedolven geweest.
's Namiddags nam de wind af en kwamen de eerste plunderaars, zwarten from the other side of the tracks. Ik zei, maak dat jullie hier weg komen. Maar de grootste kwam op me af: You can tell me nothing, mister! Dat kan ik wel, zei ik en ik trok m'n revolver uit mijn zak en ik richtte op zijn gezicht, OF WIL JE SOMS EEN GAT IN DIE STOMME KOP VAN JE?! Ja, toen dropen ze wél af! En een uur later kwam de politie hierlangs en die hebben mij gerust gesteld. Als jij ze wil doodschieten, Ralph, voor ons niet gelaten. Wij weten van niks. Wij hebben niks gehoord of gezien."
Omdat de zolders vaak als laatste zijn neergekwakt, zien we veel oudere spullen aan de puinoppervlakte liggen. Bijna nergens CD's, maar wel veel oud vinyl, langspeelplaten die door het water gegolfd zijn, en familiefoto's, en kratjes met strips en veel, héél veel kerstversiering. Kransen met rooie linten erin en spaarsokken met de kerstman erop. Dat komt nu aan het licht, dat tienduizenden zoldermusea van Kerst en Jeugdsentiment hun unieke collecties zijn verloren.
Kersttafereel in september. Het is de inhoud van tienduizenden verwoeste zolders die overal kerstdecoratie heeft verspreid , zoals hier in Gulfport. © Jerome de Perlinghi
Een eindje verderop zit Pat Rake (54) op een trapje in baksteen, de drie treden zijn alles wat rest van haar honderd jaar oude huis: "Wij zijn niet gebleven, maar toen we maandagnamiddag terugkwamen om de schade te zien, zag ik bij de spooroverweg één van mijn felroze schoenen liggen. "Dat is mijn schoen," riep ik tegen mijn man, "hoe komt die hier? Tweehonderd meter van ons huis?!" En toen zei mijn man, baby, als dàt je schoen is, dan is ons huis wég! En ons huis wàs weg! En dat die schoen daar bij de rails lag, dat was een teken van God. Hij wou ons al voorbereiden op de verschrikking die ons te wachten stond. In en om het puin waren plunderaars bezig, en ik heb ze moeten wegjagen. Eerst wilden ze niet weg, ik moest bewijzen dat het mijn property was. Ja, die zwarten... het verwonderde me niks dat ze plunderden. Als we hier in de tuinstoel zaten, dan liepen ze altijd voorbij met zo'n blik van: hier zouden we wel 's lekker willen inbreken!"
Een truck van de elektriciteitsmaatschappij rijdt traag voorbij, de chauffeur doet al veertig jaar dienst in de stormachtige regio tussen Florida en Louisiana, maar nooit eerder heeft hij zo'n verwoesting gezien. Twee straten verder laadt een jonge vrouw kartonnen dozen in de auto. Als de koffer en de achterbank vol is, trekt ze de slepende voordeur achter zich dicht: " Ik was niet bang tijdens de storm. Ik ben nu véél banger! Want ik heb vernomen dat mijn verzekeringsmaatschappij de ramp onder "overstroming" wil klasseren en niet onder "orkaan". Dat is een smerige truc om niet te moeten uitkeren. Nu zullen we nog een proces moeten inspannen om toch wat geld te zien, terwijl we daarvoor niet eens de centen hebben!"
Zwaardvis in huis
Om vanavond niet opnieuw voor een volzet motel te staan, gaan we al om twaalf uur inchecken in de Holiday Inn van Gulfport. Dat blijkt onmogelijk: het hotel is tot september 2006 volgeboekt, vooral door aannemers en hun bouwvakkers. We rijden verder langs de kust, onderweg worden er generatoren verkocht onder het motto Power to the People.
Biloxi is een havenstad met 55.OOO inwoners en zeventig procent zwarten en wat gelijk opvalt, is dat je in deze armere stad veel minder leger- en politiepatrouilles ziet. In de rijke wijken van Gulfport zijn er constant heli's in de lucht en komen er voortdurend zwaailichten voorbij; in Biloxi hebben we hooguit enkele politiewagens gezien. En wat ook een stramien lijkt te zijn: de veiligheid op straat, de aanpak van het plunderen is snel en fors door de regering in handen genomen; maar de voedselbedeling, de opvang van daklozen, de niet acute medische verzorging, dat wordt aan de kerken en de liefdadigheid overgelaten. Een dokter zegt zelfs dat het Rode Kruis hier na tien dagen nog altijd niet te zien is, "naar verluidt zijn ze nog altijd de toestand aan het inschatten."
Die humanitaire rol wordt nu overgenomen door Het Leger des Heils dat een grote hulppost heeft opgezet in het Yankee Stadium, een stadion dat lang buiten dienst zal zijn omdat één van de lichtmasten dwars door de tribunes is gestort. Op het middaguur worden hier warme pizza's verstrekt, en er is ook bedeling van conserven, luiers, frisdranken en zakken ijs (die de rol van koelkasten moeten overnemen). Om de hulppost van stoom te voorzien draait een stapel generatoren op hoge toeren. Temidden van dat geraas en die vettige warme lucht houdt een kleine medische staf (vijf dokters en zeven verpleegsters uit Ohio) consultatie aan een klaptafeltje. Alle werken ze in de privé en voor tien dagen hebben ze zich als vrijwilliger aangesloten bij het Heilsleger.
Biloxi. © Jan Hertoghs
Kevin Anderson (45) is de psycholoog van het team: "We zijn hier nog maar twee dagen en van de honderd patiënten die ik sprak, hebben achtennegentig zich in een levensbedreigende situatie bevonden. Sommigen omdat het water hen letterlijk tot aan de lippen kwam, anderen omdat ze op matrassen en sofa's uit hun huizen dreven. Nogal wat patiënten spraken ook over de angst van plots grote vissen te zien in huis, één meisje had zelfs een zwaardvis gezien.
Wat wel opvalt, is hoe dapper en opgewekt de meeste mensen hier zijn, ook al zijn ze alles verloren. Intussen weet ik dat de meesten hier tot de Southern Baptist kerkgemeenschap behoren en dat verklaart veel. Zo'n gemeenschap zorgt immers voor een draagvlak dat het makkelijker maakt om zware schokken te verwerken. Ze hebben me ook verteld dat ze zelfs op het dak of ronddrijvend in het water, zijn blijven bidden en zingen tot God, en dat Hij hen de kracht gaf om te blijven leven.
Bij één man heb ik wel duidelijke voortekenen van posttraumatische stress gezien. Die was met zijn vrouw en zijn drie kinderen op de zolder moeten kruipen en toen het water daar ook kwam, waren ze op het dak gekropen met een opblaasboot. Hij had zijn vrouw en zijn kinderen in die boot gezet, en het touw van die boot had hij rond zich en rond die schoorsteen geslagen. En zo hebben ze zes uur lang doodsangsten uitgestaan, want bij elke golf was dat bootje bijna gekanteld, en die man had vreselijke schuldgevoelens opgelopen. Heel dat gezin was gelukkig nog in leven, maar tien dagen later zat die man nog steeds met zijn hoofd in zijn handen: waarom heb ik mijn gezin niet geëvacueerd? Waarom ben ik zo stom geweest!? Ik heb met hun leven gespeeld! Door mijn stomme schuld heb ik ze bijna vermoord! Ik had ze allemaal kapot kunnen maken!"
Ons huis drijft weg!
In een wijk van Biloxi die dichter bij de zee ligt, treffen we Deborah Lee Emery (54) met vriendin Barbara. Ze zoeken tussen het puin naar persoonlijke spullen, maar de schadeberg is groot: in hun tuin is een enorme stapel wrakhout én een compleet huis van de buren aangespoeld.
Deborah: "Ik ben tijdens de storm gebléven, samen met mijn twintigjarige stiefzoon Kevin. Ik dacht dat het huis zo'n orkaan wel kon hebben, het is honderd jaar oud en het had Camille in 1969 overleefd (de tot dan toe hevigste orkaan uit de Amerikaanse geschiedenis,jh). Ik was ook niet de enige blijver in de wijk, je had hier zowel dertigers als tachtigers die niks zagen in een evacuatie. Maandag om halfzeven is het begonnen, ineens hoorde ik gorgelgeluiden in het toilet en op dat moment moet hier een vloedgolf van negen à tien meter hoog op de dijk zijn geslagen. In geen honderd jaar heeft hier water gestaan, maar nu stond het ineens in de living, ik heb rap wat boeken in een mand gegooid, en de kat zat met één sprong op de wasmachine in de keuken. Toen klonk vreselijk gebonk op de muren en tot mijn grote schrik kwamen er golven met wrakhout tegen het huis gespoeld. Op dat moment was er al zoveel water in de keuken dat mijn dubbele koelkast kapseisde en op het water ging drijven! Dat vond ik érg, want dat was de allereerste koelkast in mijn leven die ik niéuw gekocht had!! En hop, daar ging ook de wasmachine drijven, ik kon de kat nog net vastgrabbelen en met Kevin ben ik dan op de zolder gevlucht, in pyama en op blote voeten. En wat ik daar door het raam zag, dat kon niet! Het huis van de overburen kwam naar ons gedreven, en met elke golf werd het tegen de muren van ons huis geramd. (imiteert een jankend,n kreunend geluid) Zo hevig ging ons huis tekeer! Het kraakte aan alle kanten! Het was net of een onzichtbare hand aan alle hoeken van dat huis sleurde, eerst kwamen er spleten in het behang en toen kwam er daglicht door die spleten naar binnen! Er was geen houden aan, het huis werd letterlijk uit zijn verband gerukt. En toen is een zijgevel weggevallen, en voor mijn ogen tuimelde mijn kast met garderobe in het water, en direct daarna schoot ook mijn bed in de zee.
Deborah (r.) en vriendin Barbara: “Het huis kraakte en scheurde. Door de barsten in de muur kwam daglicht binnen.” © Jerome de Perlinghi
Kevin en ik zijn dan op de zolder gekropen, en normaal zie je vandaar de grote eik, en ik riep dat de grote eik voor ons huis wég was! Maar die eik was niet weg. Ons huis, dàt dreef weg! En het dobberde en schudde en bij elke golf van de zee zwaaiden zijn muren over en weer. Geen tien minuten later schoot het dak weg boven ons hoofd, de muren vielen om en wij dreven ineens met de zoldervloer op het zeewater. Het is toén dat ik de storm gehoord heb. Een gejank!! Als van duizend motoren die in een veel te kleine versnelling staan: zo'n hoog ie-ie-ie-ie dat maar niet ophield. Grote planken die op de zee dreven, werden door de wind uit de golven gezwiept en door de lucht geslingerd, en dat was mijn grote schrik: als zoiets tegen mijn kop vliegt, dan ben ik dood! Toen dreef onze zolder naast een nog niet ingestort huis en daar zijn we in de dakgoot gestapt. Ik wilde naar de nok kruipen om houvast te zoeken bij de schoorsteen, maar dat schuine dak was te glibberig voor onze voeten en toen hebben we met onze blote handen die roofingtegels van dat gebinte gesleurd, en zo zijn we toch hogerop kunnen klimmen. (Barbara komt roepend aangelopen, ik heb je horloge teruggevonden! En het tikt nog! Deborah legt het beslijkte uurwerk om haar pols, "die doe ik nooit meer weg, this is my Katrina watch!")
Ik zat langs de ene kant van de schouw en Kevin aan de andere kant en we hebben naar mekaar geroepen, maar we konden mekaar niet verstaan, zo'n geraas was dat. We konden ook niet op die nok gaan zitten vanwege de windstoten, we moeten uit de wind gaan hangen op de schuine kant van het dak. Je had mij moeten zien, met één arm hing ik rond de schoorsteen en met één been lag ik over de nok, zo heb ik het twee en een half uur moeten uithouden. Ik kreeg soms krampen en dan moest ik mij wel boven de nok oprichten, maar dat was vreselijk, de wind blies zo hard in mijn gezicht dat ik niet kon ademen! Onder dat huis was intussen een boot aangespoeld en die kwam klem te zitten tussen een boom en dat huis, en élke seconde wilde ik mij van dat dak laten glijden in die boot, maar elke seconde dacht ik, nee, nee, niet doen, want als je ernaast glijdt, dan zit je in de zee. Vanop ons dak zagen we toen ook hoe een ander huis op drift sloeg en die twee mensen sloegen een raam stuk en kropen vanuit hun wegdrijvend huis in een boom! En die zijn daar blijven zitten, vlak boven het tien meter hoge water. (Deborah! Ik heb je Navajo-Indiaans jasje gevonden! Echt waar?! O, mijn broche zit er nog op! Mijn echte Navajo-broche!) Waar was ik gebleven? Ja, na twee en een half uur is de wind dan toch wat geluwd en heeft mijn Mexicaanse buurman Mario Sapet me met een ladder van het dak gehaald. In het huis van Mario zaten we met negen buren, allemaal door hem gered en allemaal onderkoeld en blauw van de kou. En zelfs na die twee en een half uur storm heeft het nog eens vier uur geduurd voor de orkaan helemaal voorbij was."
Ze zegt dat de storm haar verbijsterd heeft, dat een mens niks is tegen de natuur, en dat het belachelijk was om thuis te blijven en "dat monster" te trotseren. Ze zegt dat ze geen crying person is, maar toen ze gisteren op de tv het verhaal hoorde vertellen van een jongen van twaalf die zijn broertje en zijn grootouders gered had door ze op een bed en matras vast te binden, "ja, toen kwam het ineens allemaal terug en schoten de tranen in mijn ogen. Negen dagen na de storm was dat, en het was de eerste keer dat ik huilde..." Er komen opnieuw tranen nu, ze veegt ze heftig weg, en wordt giftig op de verzekeringen die alles aanwenden om toch maar niet te moeten betalen, "heel ons leven betalen we ons blauw aan die dikke nekken en nu we iets kunnen krijgen, houden ze de boot af. Ik zweer het u! Als Bush er niet in slaagt om zijn rijke zakenvriendjes van de insurance business tot inkeer te brengen, dan dreigt er hier een opstand. Zeker weten! We laten niet op onze kop zitten!"
Van sommige huizen rest alleen nog het bordes. Ingescand uit Humo/ © Jerome de Perlinghi
De kilometerteller zegt dat we gisteren en vandaag al tweehonderd kilometer langs straten met puin en wrakhout hebben gereden. We rijden opnieuw naar Gulfport en naar het beachfront waar de neoklassieke antebellum mansions staan, de rijke landhuizen die nog dateren van voor de Civil War (1861-1865). Tien dagen geleden stonden ze nog op dikke gazons en tussen eeuwenoude eiken, maar door het zoute water is het gras droog stro geworden en alle bladgroen is van de bomen gerukt of bruin verschroeid door de ruwe wrijving van de stormwind. Eén enorm landhuis is nu een poppenhuis: de volledige voorgevel is weg, maar de zetels en tafels staan nog op de verdieping, de twee lusters tinkelen in de lichte zeebries. Bob komt ook een foto nemen. Hij is sheriff in Michigan en toen hij de tv-beelden zag is hij in één ruk naar Gulfport gereden (= ca. 2000 km) om hulp te bieden aan de collega's. Op elf september 2001 had hij hetzelfde gedaan, werk neergelegd, de auto in en naar Ground Zero gereden. Bob stelt me voor aan John Miller, local police officer in Gulfport en getuige van de spontane hulp die op gang kwam: "Binnen de twee dagen stonden hier -zonder toedoen van de autoriteiten- honderden politiemannen, sheriffs, brandweermannen, boswachters en verpleegkundigen van spoedgevallen. Sommigen kwamen zelfs helemaal uit New York en Québec."
John zelf is al tien dagen ononderbroken in de weer met search & rescue, zijn ogen zijn klein en dik van het gebrek aan slaap. Hij denkt dat de politie nog een jaar lang bodies gaat vinden, in Biloxi zelf zullen het er honderden zijn: "De media zeggen dat er niks meer in de huizen ligt, maar ze vergeten dat de zee veel lichamen heeft meegesleurd, dus dat dodencijfer gaat nog lang kunnen oplopen. Zo gaan sommigen aanspoelen op onbewoonde eilanden voor de kust en in geen maanden gevonden worden. Of neem de daklozen. Tussen Pascagoula en Pass Christian leefden drie à vierhonderd daklozen bij de boardwalk. Een klein deel is geëvacueerd, maar een groot deel hebben we sindsdien nergens meer gezien. Gaan ze aanspoelen? Zijn ze opgevreten door roofvissen? Niemand die het weet. "
John heeft ook onverwachte wildlife gezien na de storm: "In het oostelijk deel van de stad heeft een dag lang een everzwijn rondgelopen, het joeg op voorbijgangers en we hebben het moeten afmaken. “
Omdat er door het gebrek aan stroom en zuiver drinkwater amper eethuizen open zijn, mogen we van John mee aanschuiven in de lagere school die als kantine dient voor de politiemensen. We nemen een bord en gaan tussen de uniformen staan met allemaal een dikke blaffer op zak. Na de shrimp gumbo rijden we opnieuw naar Biloxi. We hebben weer geen motel voor de avond gevonden, en we meten nu rekenen op de goodwill van de medische ploeg van het Yankee Stadium om ons te slapen te leggen in hun onderkomen, een Baptist Church in de buurt van Gulfport. Daar is het al flink donker als we aankomen, maar we zijn welkom voor de nacht. Een douche nemen kan ook nog: daarvoor hoeven we alleen maar een warmwaterzak met slangetje en sproeiknop aan een hoog hek te hangen. De vloer van onze douche is een plastic krat van de fruitveiling. Samen met de medics zoeken we ons veldbed op in het kerkgebouw, het zijn smalle berries op dunne poten die her en der naast de bidbanken staan. De Heer is ons genadig, maar dat harde snurken in Zijn Aanwezigheid was er teveel aan.
Textielbobijnen zijn door de bomen geschoten en hebben alles gedrapeerd. © Jerome de Perlinghi
Huckleberry Finn
De volgende morgen volgen we de Scenic Route 9O van Gulfport naar Long Beach en Pass Christian. Wat hier aan de kust heeft plaatsgevonden, is an eve of destruction. Er moeten hier restaurants, picknickparken en historische mansions gestaan hebben, maar daarvan blijven slechts betonnen hoekpijlers over. In de tuinen van de villa's en residenties is ook een massa slib aangespoeld, én cargo uit de haven. Rollen papier van één ton liggen tussen de bomen geslingerd. Paletten karton zijn in het zeewater dik en bruin opengebarsten. En geen enkele opligger staat nog op de havenwerf, alle liggen ze hier op hun rug en met de zwarte banden in de lucht. Gigantische bobijnen met textiel zijn als schietspoelen door het geboomte geschoten, overal groene, witte, blauwe en oranje stofrepen achterlatend. Een paar bomen hebben paarse stola's tussen de takken hangen, het doet denken aan de ouwe bijbelse prenten van Golgotha.
De insecten zijn het enige leven in deze door dood en ontij geteisterde kuststrook. Grote gele vlinders fladderen over het puin, dikke libellen nemen behoedzaam plaats op ontschorste palmbomen, en tientallen lovebugs komen kriskras aangewaaid, het zijn zwarte insecten, mannetjes en wijfjes die in de lucht copuleren dat het een lust is, achterlijfje tegen achterlijfje, zo buitelen ze overal tegen alles aan. Het desolate van dit verwoeste landschap wordt nog aangescherpt door een onwezenlijk en onheilspellende geluid dat van overal en nergens lijkt te komen. Het is een geknisper in de verte dat overgaat in geknetter, dat aanzwelt tot een snerpend gejank als van een cirkelzaag en dat op zijn hoogste pijntoon even abrupt stopt als het ontstaan is. Een CBS-correspondent die toevallig langs rijdt, brengt uitkomst: "Het zijn cicaden en ze kunnen tot honderd decibel lawaai maken! Wat je hoort is het geluid waarmee ze de vrouwtjes aantrekken, you know, for the boum-boum!!" Als hij hoort dat we van Europa zijn, is zijn eerste reactie: " Jullie gaan de oorzaak van deze orkaan toch niet bij de global warming zoeken, hé?! Want zo ken ik de Europeanen intussen wel! No way dat dit met het klimaat te maken heeft!""
De CBS-man is hier vorig jaar op vakantie geweest, prachtige kuststrook, het ene antebellum huis naast het andere, allemaal een miljoen dollar waard, en zo drie kilometer aan een stuk! Hij wijst ook op de honderden eeuwenoude live oaks die nog overeind staan, "ze zijn wel takken verloren, maar ze hebben de orkaan doorstaan omdat ze zo moeilijk te ontwortelen zijn." De bomen hebben grote toeristische waarde voor de Deep South, hun dikke grillige takken met de lange sluiers van Spanish moss, zijn terug te vinden op decennia van prentkaarten en kalenders, "iedereen kent ze van de Amerikaanse griezelfilms en van de verhalen van Huckleberry Finn ". De eiken zijn nu compleet kaal, hun "baarden" afgerukt door de storm.
FotograafJerome en de ravage in Biloxi. © Jan Hertoghs
We staan nog op de kaart!
Via Pass Christian waar het rijke deel van het stadje intussen is afgegrendeld met hoge rollen scheermes-prikkeldraad rijden we naar Bay St Louis. Het is zaterdag en er is grote drukte op de weg van pick-ups en auto's met een aanhangwagen. Blijkbaar hebben veel evacuees op dit weekend gewacht om naar hun vernielde huis terug te keren: het vorige weekend waren veel straten nog versperd door bomen en puin, die blokkades zijn nu door legerbulldozers opgeruimd.
In de lagere school van Bay St Louis is een opvangcentrum ingericht en het is er een komen en gaan van volunteers uit heel de VS. Aan de overkant van de school leeft een gezin letterlijk op straat, bij hun huis dat half is ingestort. De ouders zitten aan een klaptafel bij het hek, de twee baby's slapen in een houten box op de stoep en de tent in de tuin is de slaapkamer. Kleerkasten zijn er niet, de kleren zitten in plastic zakken en leunen tegen de muur van het huis.
Bay St. Louis (8000 inwoners) heeft het oog van de orkaan over zich heen gekregen en een groot deel van de vierduizend huizen is geheel of gedeeltelijk verwoest. In de hoofdstraat spreek ik een oudere local aan, of hij me kan vertellen hoe het dorp er vroeger uitzag. Hij kijkt me in de ogen, neemt mijn hand in zijn twee handen en zegt geheel ontroerd "Sir! Welcome to Bay St Louis!" en dat dit de mooiste plek op de wereldbol is, "alleen is het nu een beetje disorganized". En ik weet meteen en heel zeker dat ik geen betere gids kon treffen dan Harold V. Carver, winkeleigenaar en zevenenzeventig jaar. Harold zegt dat zijn voorouders al tweehonderd jaar in het plaatsje wonen en dat hij in 195O de winkel van zijn vader heeft overgenomen, een winkel die al honderd jaar in onze familie is! Kijk, daar op de hoek is ie de zaak en ze is genoemd naar mijn vader: Jerome's (Voor Al Uw Sportkledij en Schoenen). Ik zeg dat de fotograaf ook Jerome heet en hij schudt glimlachend zijn hoofd, dat kàn toch niet waar zijn, zo'n toeval, en dan nog helemaal vanuit België?! En dan is ie plots ernstig, of ik weet dat er in Bay St Louis en in het aanpalende Waveland honderd mensen zijn omgekomen? En dat er vijfentwintig bij zijn die hij goed kent. Daarstraks heeft zijn zoon die politieagent is nog drie lijken geborgen, en Harold kende elkéén van hen.
Harold V. Carver: “Hier zijn honderd mensen omgekomen. Een kwart van hen kende ik persoonlijk.” Ingescand uit Humo/ © Jerome de Perlinghi
Omdat de elektriciteit na twaalf dagen nog niet hersteld is, kan ik de winkel alleen maar zien in het schijnsel van een grote batterijlamp. Ik zie een etablissement van degelijk landelijk fatsoen met op de brede winkeltoog een massief bronzen kassa die rinkelt tot in het achterhuis. Harold schijnt eerst op het portret van zijn goeie vader en dan op de zwartwitfoto van John Kennedy, "our president! The best we've ever had!" Op de winkelvloer ligt ook de koperen spits en het kruis van de methodistenkerk, Harold heeft het na de storm van de straat geraapt, het was driehonderd meter ver gevlogen. De kerk zelf is al honderdvijfentwintig jaar oud, en in geen enkele eerdere orkaan was ze dat ornament verloren! En ook de twee kerken in de hoofdstraat zijn hun punttorens verloren, vijf meter hoog zijn ze, en ze liggen zomaar op de stoep.
Dan trekt hij de deur dicht voor wat hij dagelijks meerdere keren doet, a walk on Main Street. Als mensen naar hem zwaaien, en dat zijn er veel, dan zwaait ie terug en steekt twee vingers op, van Victory, en van We Shall Overcome! Want dat dorp van hem, dat is misschien kapot, maar het staat nog altijd op de kaart en dus kan het ook weer opgebouwd worden. Aan het monument voor Al Diegenen Die Hebben Deelgenomen Aan Wereldoorlog II kent hij wel 1200 van de 1500 namen achter het glas, "het zijn de vaders, de broers en de ooms van allemaal jongens waarmee ik in de klas heb gezeten. Zo is Bay St Louis nu eenmaal, iedereen kent iedereen."
De hoofdstraat loopt uit op het strand en op de dijk staat hij lang en hoofdschuddend te kijken naar de brug van de autoweg en de spoorweg die zich normaal twee kilometer uitstrekken tussen beide kanten van de zilverblauwe baai. De orkaan heeft zowel de asfaltweg als de rails kapot gekregen, er staan alleen nog kale brugpijlers in de zee. De spoorweg van de L&N (Louisville & Nashville) was nochtans oud en stevig, die lag er al van in 1870.
En of ik ginder dat zaaltje zie? Dat was het "A & G Movie Theatre", een cinema vlakbij de zee. Op zijn zestiende was hij daar projecteur, en als het binnen te heet werd, dan zette hij de ramen open en dan kwam er zo'n koele bries van de zee: boy, I can still feel that breeze, you were in heaven there! En hij knijpt zijn ogen verzaligd dicht en klopt op zijn hart, "hier zitten ze, all those sweet memories!" En natuurlijk is het interieur van zijn stamkroeg door alle ramen naar buiten gevlogen, "maar je moet 's zien hoe mooi de zon nu valt on the old town, dat blijft nog altijd de zon, zelfs al schijnt ze dan op puin".
Ik vraag of hij niet diep gekwetst was, de dag dat hij Main Street helemaal onder puin zag liggen? "Ja, die dag na de storm was ik depressief en heb ik veel geweend. En zie, m'n tranen zijn er weer. (Hoofdschuddend). Ik moet ze tegenhouden. Niet de tranen moeten terugkomen. Ons stadje moet terugkomen. En ons stadje zàl terugkomen. Wil je dat opschrijven voor iedereen in België? Wij zijn niet dood. We're here to stay!"
Twee weken na de ramp stond het voorlopige dodental op 792. Tegelijk worden nog tienduizenden vermist en zijn 9OO.OOO mensen nog niet naar hun huis kunnen terugkeren. 6OO.OOO leerlingen kunnen voorlopig niet naar school. 400.000 gezinnen blijven verstoken van zuiver leidingwater. 200.OOO huishoudens zitten nog altijd zonder stroom.
20 jaar 'Zomerbeelden' op de VRT !
Het is een zeer ongewone zomer, die van 2021. Met wolkbreuken, overstromingen, en aanhoudend buienweer.
Het klimaat verandert, maar tegelijk is er één constante en dat zijn de Zomerbeelden op de VRT. Die worden al twintig jaar uitgezonden.
En dat voor dagelijks 30.000 kijkers. Een feestelijke hommage is hier op zijn plaats.
Met in de hoofdrol: alpenweides, Noordzeestranden en een spin in de linkerbovenhoek.
Humo juli 2016 - herwerkt en licht ingekort © Jan Hertoghs
Zomerbeelden en een illustratie van het aloude gezegde: als het in Salzburg regent, dan druppelt het op de webcam.
Het zinneloze zeilen der zetelliften
Elke voormiddag loopt op Canvas (en vaak op Eén) de uitzending ‘Zomerbeelden’. Het zogezegde non-programma. Het zagemeel. Het goedkope vulsel van de zendtijd. Niets is minder waar. Na ruim zeven uur kijken mag ik formeel verklaren: ‘Zomerbeelden’ is zen.
-
M'n eerste kijkdag is een zondagmorgen in juli. Op zo'n landerige zondagochtend is nog niemand actief: de wandelaars ontbreken nog op de bergpaden, de parasols zijn nog toegevouwen, de vlaggen hangen nog slap aan de paal, en op vele plaatsen regent het. In de binnenstad van Salzburg lekt de regen letterlijk van de lens. Stadsbeelden zie je niet vaak in ‘Zomerbeelden’. Het klassieke decor is een bergdorp met schuine daken rond de kerktoren. De webcam zwenkt traag over dat dorp, van links naar rechts, en daarna van rechts naar links. Het is het filmen van een ansichtkaart. Er is amper beweging. Het enige wat verroert, is de windzak van de kabelbaan.
Ook bergtoppen scoren hoog in de beelden. Maar vandaag zitten de Grossglockner en de Wildkogel in de wolken. Vijftien seconden lang is alleen grijs te zien. Ooit ontstond ophef over de minuut stilte van Leonard Nolens op de radio. Iedereen sprak erover. Hier gaat het beeldscherm vijftien seconden op grijs, een veel gewaagder experiment in het medialandschap, en niemand maalt erom.
Een gewaagd kijkexperiment: het scherm gaat 15 seconden op grijs. Van een gedurfd medialandschap gesproken!
Wat me meteen fascineert, zijn die zetelliften in de regen en hoe ze nutteloze rondjes draaien bij dat slechte weer, er is niemand die in- of uitstapt. Het is zeilen in het ijle. Eergisteren was er de staatsgreep in Turkije, de dag voordien de terreurtragedie in Nice, maar hier blijft alles verder draaien. C’est la vie.
Mechelen komt aan de beurt. Met eveneens een grijze zondag en de grauwe Sint-Romboutstoren. En dan volgt een verrassing, de zeedijk van Zeebrugge. Met de gesluierde zon, de verlaten promenade, de oudere villa’s op de duinen en de helwitte strandcabines is dit een schilderij van Edward Hopper. Een cadeau.
Zondagochtend in Zeebrugge: een Hopperiaanse impressie.
In Sankt Anton am Arlberg komt de zon boven de bergkam. Ze schijnt pal in de lens. Een cameraman filmt nooit pal in de zon. Dat doet alleen de webcam, en zo krijgen we een psychedelische waaier aan prisma’s en halo’s.
Intussen is een kwartier voorbij en dan herbegint de beeldencarrousel: alle vijfendertig locaties komen opnieuw aan de beurt. In Zeebrugge zit een spin in de linkerbovenhoek. Het insect lijkt heel groot op de lens, zo groot als een zwarte weduwe.
De spin in het web(camerabeeld) van Zeebrugge.
De regen houdt aan in de Alpen. De doornatte speeltuin bij de Zauchensee is pijnlijk leeg. Maar bij alle mistroostige regenbeelden blijft een fagot vrolijk verder spelen. De boodschap is: na regen komt sowieso zonneschijn. Ik hoor een piano van Satie, een strijkje van Schubert, en er zwelt ook wat van Dvorak en Haydn. Bij die rustige ‘Zomerbeelden’ past de klassieke muziek van Klara Continuo als gegoten. Een bariton die brommend aanzet bij de Sint-Romboutstoren. Religieuze koorzang tussen donkere bergwanden, ze zijn voor mekaar gemaakt. Soms klinkt het niet, maar botst het toch. Bij heel ingetogen muziek – mijn gedachten gingen al uit naar een afgestorvene- zag ik de zeedijk van De Haan, met zijn blote bovenlijven, zijn veel te grote buggy’s en zijn honden aan ellenlange leibanden. Niet niet elke soundtrack is voorbereid op de bruuske caleidoscoop van onze kust.
Om 11 uur 48 is De Haan op z’n mooist. Hagelwitte zeilscheepjes verschijnen aan de blauwe einder, een witte vlieger tuimelt boven het strand, en in de azuurblauwe zee komen witte golfkopjes. Het is bijna poëzie. Helaas is De Haan de enige badplaats die zijn beelden driemaal na elkaar herhaalt. Alsof we blind zijn, alsof we niet van de eerste keer gezien hebben dat De Haan aan zee ligt en niet aan de Boomsesteenweg.
In Oostenrijk is het intussen harder gaan regenen. De druppels biggelen van de lens. Obertauern verschijnt in beeld. Een lege hoofdstraat en één auto, de koplampen brandend op het natte wegdek. Mistroostiger kan een dorp niet zijn op zondagvoormiddag. Ik zie ook bergpaden in de regen, en ruwhouten weide-afsluitingen die donker geworden zijn van de neerslag. Ik weet wat zich afspeelt in duizenden vakantiewoningen. Vrouw zwijgt. Man aan raam: waar blijft die opklaring? Sikkeneurigheid im Zillertal.
In je zetel en niet op vakantie denk je anders over die regen. Druppels op een lens hebben de schoonheid van grote weerloze tranen. Kijk hoelang het duurt voor zo’n druppel verzadigd is en door de zwaartekracht naar beneden vloeit, dat zie je in de zomers van ‘Zomerbeelden’.
Karakteristieke regendruppels in slowmotion. De bergweide en het biggelende tranendal.
Het is een oefening in rustig kijken. Geen wonder dat in onze rusthuizen vaak naar ‘Zomerbeelden’ wordt gekeken. Ik heb het aan de VRT-persdienst gevraagd: of veel kijkers dagelijks afstemmen op die traagdraaiende molen met prentkaarten? En wat bleek: er kijken dagelijks gemiddeld 30.633 Vlamingen “gedurende minstens een kwartier” naar de beelden. Dertigduizend, dat is natuurlijk geen kijkcijferkanon, maar toch een zéér indrukwekkend getal. Dat is het aantal Vlaamse kijkers voor VPRO's "Zomergasten", meer nog, dat is zowat de voltallige bevolking van Aarschot en zijn deelgemeentes die élke dag vijftien minuten naar zetelliften en beschaduwde bosranden kijkt.
Niet dat de ‘Zomerbeelden’ zomaar beelden zijn. Ze bevatten een schat aan informatie over de plaatsen die te zien zijn. Hun hoogteligging, temperatuur, windrichting, windsnelheid, luchtvochtigheid, weersverwachting voor drie dagen, toeristische evenementen én een landkaart met een bolletje dat aangeeft waar Mauterndorf ligt. Ik heb veel opgestoken. Onder andere dat Salzburg op 444 meter boven de zeespiegel ligt, en Zeebrugge toch ook al op 3 meter.
Met die cams kom je op plaatsen waar je nog nooit was. Eben im Pongau, Klippitz, Finkenberg, Penkenjoch: heerlijk om die namen hardop uit te spreken.
Van Tomorrowland zegt men dat het een overweldigende caleidoscoop is, een kanonschot van beelden op je netvlies. ‘Zomerbeelden’ is vergelijkbaar: na de visvijvers van Zonhoven volgt het barokke Salzburg en direct daarna de Gempemolen in Sint-Joris-Winge. Wat toch een geniale montage is, die jump cut van grootstedelijke grandeur naar het pannendak van één watermolen.
De webcam van die Brabantse Gempemolen is werkelijk de traagste van allemaal. Mechelen zwenkt heel snel, daar willen ze in vijftien seconden de hele stad laten zien. Bij de Gempemolen is er tijd genoeg: een volle kwartminuut voor één molen annex brasserie. Bij die molen loopt een man met een hond. Het beestje kijkt om. Zijn baas maakt dat armgebaar: loop door, hond, loop niet voor mijn voeten! Ondertussen speelt de piano van Klara als bij de stomme films van de jaren 20. Ik zie Chaplin, ik zie de grote bullebak met de woeste knevel die de arme vagebond weeral onder zijn zitvlak stampt. Die vrije gedachtenassociaties, die dank ik aan de ‘Zomerbeelden’.
Zomerbeelden (en Winterbeelden) vormen de langst lopende reeks van de VRT. Ze worden al vijftien jaar lang uitgezonden. FC De Kampioenen liep eenentwintig jaar, maar telde slechts 273 afleveringen. De Zomer- en Winterbeelden telden op die vijftien jaar 5475 afleveringen, want dagelijks is er een uitzending. Met drie uur per dag maakt dat meer dan 16.000 uur toeristisch stilleven dat naar de Vlaamse huiskamer is gestraald.
In de beelden zitten weinig Belgische webcams. Driekwart van de locaties ligt in Oostenrijk, de andere cams staan in Zwitserland, Duitsland, Italië en Nederland. Oostenrijk is in deze oververtegenwoordigd omdat het moederbedrijf Feratel in Tirol gelegen is.
Na de regen op zondag volgt de zon op maandag. Zon in Zonhoven. Zon in Mechelen. En ook zon in het klassieke regengat Salzburg. Al dat zonnige weer gaat gauw vervelen, niks saaier dan blauwe lucht. De enige druppels situeren zich in kasteel Alden Biesen. Door de zon ontstaat daar zoveel condens op de lens dat van Alden Biesen niks meer te zien is.
Het kasteel van Alden Biesen. Prachtig historisch gebouw, helaas volledig aan het oog onttrokken door condens.
In De Haan (9 uur 48) rent een kind tussen de strandcabines, gevolgd door de oma in haar dichtgeknoopte jas. Zij stapt zwaar door dat mulle zand, het kind holt opgewekt voor haar uit. Het is Jacques Tati. Dezelfde lichtheid van kinderen en dezelfde stroeve onbeholpenheid van volwassenen, een aandoenlijke sequentie tussen de gestreepte parasols.
Zondag was het nog Klara, maandag is Radio 1 ineens de soundtrack bij de beelden. Ik heb niet veel op met Radio 1: te veel informatief gedaas, te veel karakterloze muziek. En dus: tv-geluid af en Klara erbij via de pc. Zo zitten we weer tussen de strijkstok en de hobo. Dat wat past bij fonteinen, geraniumbalkons en ongerepte bergtoppen.
Ook op deze maandagvoormiddag kom je veertien keer langs vijfendertig dezelfde locaties en dat schept gewenning, én verveling. Voor het eerst heb ik de neiging om de opgenomen beelden door te spoelen. Ik dwing mezelf tot rust. Ik moet langer stilstaan en dieper nadenken over elk bos en elk dorp dat ik zie; in elk ervan schuilt een streekroman. Maar ík ga hem niet schrijven. Ik verlang stilaan naar enig drama. Dat zo'n roerloos bos stilletjes begint te branden. Of dat die sneeuwplek als een lawine naar beneden komt.
Kalm nu. Rustig nu. De beelden zijn wat ze zijn. Ik moet mezelf herpakken. Ik zal vanaf nu de beelden ruiken, de bergen ruiken. Het drogend hooi en de droge middagwarmte in de schaduw van een houten hut. Het gemaaide gras en de zerpe koeienstront naast de koelte van een bergbeek.
Ook goed voor de concentratie is wanneer je meer op de dieren gaat letten. Bij de zetellift in Mauterndorf liggen negen koeien te herkauwen, hun kont naar de ijzeren zitjes gekeerd. Een kwartier later lopen ze plots 40 meter hoger, en nog een kwartier later staan ze midden op een wandelweg! Er gebeurt iets. Wandelaars met een trui om de lenden staan lang en nadrukkelijk naar de koeien te kijken. Ook dat is vakantie: de tijd nemen en een veestapel aanschouwen.
Ook dat is vakantie: toeristen die de tijd nemen om een veestapel van dichtbij te aanschouwen.
Dat de dynamische VRT al vijftien jaar deze statische beelden blijft uitzenden, roept natuurlijk vragen op. Zoals: ziet de openbare omroep het als haar taak om “behang-tv” uit te zenden? Lees hier hoe onze omroep de Zomerbeelden omschrijft: “De VRT beschouwt deze weerbeelden als een service aan de kijker en als een venster op mooie toeristische bestemmingen. Weerbeelden én radio vormen een aangename achtergrondcombinatie die door heel wat kijkers gesmaakt wordt. Voor hen bieden deze weerbeelden structuur aan hun dag en daarmee zijn deze beelden een vaste waarde geworden in het ochtendschema van Eén en Canvas”. Anders gezegd: neem de Zomerbeelden weg en duizenden Vlamingen lopen als verloren door hun veel te lange voormiddag.
Het Oostenrijkse bergdorpje Werfenweng is intussen mijn favoriete webcam. Zondag was alles daar nog potdicht en grijs, maandag zijn er koeien en wandelaars. Eén bergstapper neemt een foto tussen vier koeien en terwijl hij wegstapt, heft één koe haar staart en pletst de stront als dunne spinazie op de bergweg. Zeldzaam beeld. Waar zie je nog kakkende koeien?
In dit Werfenweng valt m’n oog op de helper van de kabelbaan. Handen in de zakken, de benen gespreid, en een grijsvilten tirolerhoedje. Hij helpt ouderen een handje als ze uit de kabelcabines stappen en hij ijsbeert ongeduldig als niemand uitstapt. Hoe kijkt hij naar de wereld vanop 1.835 meter boven de zeespiegel? Hoe gaan zijn gedachten naast dat perpetuum mobile van kabels, cabines en schuifraampjes? Heeft hij excursieve gedachten aan Spanje en Italië? Voelt hij zich gekluisterd aan andermans vakantie?
Onze “Helmut”, handlanger van de kabelbaan. Zijn loopbaan is de lopende band van deze lokale kabelbaan. Maar waar zijn z’n gedachten?
Met het warme weer van maandag, dinsdag en woensdag zie ik nu veel meer insecten. Kleine motjes in Sankt Anton en een vrij grote spin in het Duitse Oberstdorf. Die zit live en voor de ogen van duizenden kijkers een vlieg te peuzelen. Bij de volgende passage in Oberstdorf is de spin weg, maar twee verse vliegjes hangen te trillen in haar onzichtbare web. We spreken hier over een letterlijke web-cam. Maar wie heeft er oog voor?! Welke natuurcineast ként deze bijzondere waarnemingen die Zomerbeelden dagelijks en achteloos presenteert? Kent Richard Attenborough deze goedkope beeldenbiotoop?
In Werfenweng landt een dikke vlieg op de lens. Nietsvermoedend zwenkt ze mee, een bromvlieg reist over het landschap. Pure fly-on-the-wall.
Een grote bromvlieg (rechtsonder) landt op de lens. Zo dadelijk zal deze zwarte geleedpotige zich Messerschmittgewijs op de nietsvermoedende wandelaars storten.
De Zwitserse fotograaf Kurt Caviezel is zowat de enige die het belang ervan ziet. Hij tuurt dagenlang naar webcams op zijn computerscherm, enkel en alleen om screenshots te kunnen nemen van plots opduikende insecten en vogels. Hij monitort 15.000 webcams en noemt die donkere insecten de ‘schoonheidsvlekken’ van het wereldwijde web.
Bij de zetellift van Werfenweng is de handlanger met het tirolerhoedje er weer. Ik begin hem te kennen. Ik noem hem Helmut. Vandaag is het warm en Helmut draagt een licht ruitjeshemd. Hij richt zich tot de man met de mountainbike. Hij richt zich tot een blonde vrouw. Soms is hij niet in beeld te zien. Dat betreur ik. Hij is mijn cliffhanger. Ik ben benieuwd of hij er in het volgende kwartier nog zal zijn.
Woensdag 20 juli is wéér een zonnige dag. Vier dagen zijn intussen voorbij en ik heb bijna acht uur ‘Zomerbeelden’ gezien. Het wordt ineens te veel. Ik heb geen zin meer in dorpen en daken en bergtoppen, de zen is weg, en ook Helmut laat zich niet meer zien.
Ik houd de beelden voor bekeken.
In de Gempemolen murmelt een fagot. In Werfenweng wacht een spin.
NAWOORD
De dag dat het stuk in Humo verscheen, stond ik in zelf in de Zomerbeelden. Door strategisch post te vatten op het terras van de Gempemolen! Product placement op de VRT . En in prime time van de voormiddag: 10u31 !
Tien jaar na Utøya (3): de ontreddering van de redders en de hulpverleners
Ingescand uit Humo / Bjorn Sigurdson - NTB Scanpix)
“Eéntje sprong acht meter hoog van de rotsen om in mijn boot te geraken.”
Op 22 juli 2011 werd het Noorse eiland Utøya een steen in het water. Met rimpels die nog altijd uitdijen. Naar omwonenden, naar hulpverleners, naar kinderen uit de omgeving. Wie naar het eiland voer om mensen te redden, deed dat met gevaar op eigen leven en kwam niet ongeschonden terug.
Ook een redder kan ontredderd zijn.
Ingrid Sønstebø is de kommunepsykolog van de gemeente Ringerike die ondermeer het eiland Utøya en het dorp Hole omvat. Sinds 2011 heeft ze zo'n tachtig inwoners op consultatie die bij de hulpverlening betrokken waren of die in de buurt waren als vakantieganger.
Humo: Veel inwoners van Hole moeten elke dag voorbij aan dat eiland dat geen eiland meer is, maar een rauwe open wonde.
«Heel Noorwegen is geraakt door deze tragedie, maar er is nog altijd de fysieke afstand dat het niet aan je voordeur is gebeurd. Voor de mensen van Hole en Ringerike was het op hun doorstep, ze zien dat eiland dagelijks, ze moeten er voorbij naar hun werk of naar de school van hun kinderen, en dus worden ze elke dag aan die gruwelfeiten herinnerd. Voor sommigen is het te zwaar, er zijn er die een complete omweg maken om er niet voorbij te moeten rijden.
En dan zijn er de vaste gasten van de zomerhuisjes op de Utvika-camping vlakbij Utøya. Hoe gaan zij zich voelen nu er zoveel in hun achterhoofd zit. It's not a nice place anymore. It's a place of terror. Vakantiegasten hebben me verteld dat ze eerst dachten dat er een zwemwedstrijd aan de gang was: zie die jonge gasten eens slagen maken, en dat in zo'n regenweer! En terwijl hoorden ze ook 'vuurwerk', wat zijn ze daar toch aan het doen op dat kamp?! Toen de ernst doordrong, was dat een klap, want daar stonden ze in hun voortuintje, met uitzicht op een eiland waar een massamoord aan de gang was.
Die vakantiegangers in hun reddende bootjes, dat zijn mannen en vrouwen die het ene ogenblik nog bij de barbecue stonden, en die tien minuten later betrokken raakten in een bloedbad. Zij gaan nu door het ergste, want zij hebben voor hun leven gevreesd omdat er op hen geschoten is, én zij hebben dan ook nog eens schuldgevoelens over degenen die ze niet konden redden. Dat vreselijke dilemma aan die waterkant, je kan er maar acht of tien inzittenden meenemen, en hoe moet je kiezen tussen kinderen die staan te smeken om mee te mogen?! Allicht hebben ze gekozen voor wie gewond was, maar als je dan tien minuten later terug keert, en je ziet die niet-gewonden daar dood op de rotsen liggen, that's hard to live with.
Er zijn er ook die een boot hadden en die 'm niet gebruikt hebben, ze waren te bang. Maar er zijn er ook die niet eens aan hun boot gedàcht hebben! Terwijl hij vlakbij aan de steiger lag en terwijl ze andere boten bezig zagen! Zo hard waren sommigen van slag, en nu hebben ze natuurlijk schuldgevoelens: wààrom heb ik niet geholpen?!
En nog iets, je had brandweerlui, dokters en ambulanciers die ook in boten naar de overkant wilden, maar ze mochten niet van de politie omdat het té gevaarlijk was, er zouden bommen in het water liggen. Ook dat wisten die toevallige redders: ik ga ergens naartoe waar het niet eens safe lijkt voor de 'professionals', ze wisten dus dat ze hun leven riskeerden en dat maakte hun angst alleen maar groter.
Die redders hadden vaak ook kinderen. Die kinderen hebben hun papa zien vertrekken, die hebben de schoten gehoord, en die hebben voor het leven van hun papa gevreesd, en heel wat van die kinderen hebben nu nog angstaanvallen. Dat geldt ook voor kinderen van ambulanciers en brandweermannen, die hebben heel snel opgevangen dat het erg was, die hebben ook gedacht dat ze hun vader niet meer terug gingen zien.
IIngrid Sønstebø (Ingescand uit Humo/ Karl Branaas)
Humo: Zelfs kinderen waarvan de ouders niet betrokken waren, zullen ook wel gefantaseerd hebben over die wilde schutter.
«O ja! En ze weten dat hij in de cel zit, maar wàt als hij uitbreekt?! En dan vroegen ze mij of hij met een vijl zijn tralies zou kunnen doorzagen "zoals in de strips van Donald Duck, kan hij zo ontsnappen?!" En ook: "kan hij mijn ouders en mijn vriendjes komen doodschieten?" Mijn eigen kinderen hebben twee grootouders verloren in de zomer, kort na elkaar, en kort voor 22 juli, en één van hen vroeg of "ze soms ook waren doodgeschoten door die Breivik?!" Zo gaat dat in hun verbeelding, kinderen kunnen onberedeneerde angsten hebben.
Humo: Ik heb nog gesproken met bergredders in Chamonix, en wat hen treft, is niet die dode klimmer die ze met een heli van de Mont Blanc halen, maar wel die tent op de camping waar alles nog ligt alsof die persoon nog in leven is: de open slaapzak, de aangebroken koekjes, de prentkaart die nog geschreven moet worden. Dat rààkt hen harder. Vandaar dat het ook moeilijk moet geweest zijn voor degenen die de tentjes op Utøya hebben opgeruimd.
«Dat is wel heel zeker. Want op die berg doén die redders de taak die ze kennen, maar in die tent zien ze iets waar ze niét op voorbereid zijn en waartegen ze machteloos staan. Dat was hier ook zo. De politiemensen, Rode-Kruis-medewerkers en brandweermannen die de tentjes hebben opgeruimd, vonden het ook moeilijk, al die rugzakken, al die slaapzakken, al die jonge kleren, dat kan je hard raken als je zelf een zoon of dochter hebt. De brandweer heeft het cafetaria schoongemaakt, een plek waar velen de dood vonden, en dat was extreem moeilijk, want hoe doe je dat, delen van lichamen oprapen, en hoe begin je daaraan als je verdroogde hersenen van het plafond moet schrapen?! "
Bach en Breivik
Sønstebø moet naar het gemeentehuis. Daar komt straks een groot scherm waarop de inwoners van Ringerike het tien weken durende proces-Breivik zullen kunnen volgen. Ze zal stand-by zijn "want het is te voorzien dat Breivik kwetsende uitspraken gaat doen en ook dat er shockerende foto's gaan getoond worden". Ook in tien grotere Noorse steden komt er een groot scherm (in het plaatselijke gerechtsgebouw) waar het proces gevolgd kan worden en waar psychische bijstand voorhanden is.
Ik loop door de wijk Grønland in Oslo. In tegenstelling tot die arctische naam zijn hier vooral oriëntaalse winkels en passanten. In deze buurt heeft Breivik de eerste nacht gevangen gezeten, in een cel van het politiebureau. Hij schreef erover in z'n dagboek: "0u00-01u00: naar Grønland. Ze stoppen me in zo'n cel voor dronkaards en amokmakers, met als enige uitzicht: de twee minaretten van de moskee van Grønland! (...) De agenten vertelden later dat ze dachten dat ik zou "flippen" als ik dat zag. Ik heb ze daarentegen bedankt voor het uitzicht omdat het mij elke dag zal herinneren aan de zaak waarvoor ik vecht. Sliep slechts 1 à 2 uur die eerste nacht."
Dat hij heeft kùnnen slapen. Dat kan ik maar niet begrijpen.
Dichter naar het centrum kom ik bij de Domkirke. In de benarde dagen na 22 juli hebben tienduizenden hier bloemen, kaarsen, brieven en knuffels neergelegd. Niets daarvan is weggegooid. De bloemen zijn nu compost-aarde voor een bloemenbed op een symbolische plek, de kaarsen worden omgesmolten tot "nieuw licht" en ook de knuffels en brieven komen in een archief.
Als ik in de kerk sta, is er een kleuterklas uit Oslo op bezoek en het valt op met hoeveel nationaliteiten die kinderen zijn. De juf zegt dat ze in de middengang moeten neerzitten en kijken naar het doksaal daarboven, en dan breekt boven hun kleine hoofden het Toccata en Fuga van Bach los. Het dreunt tot in de kerkbanken, het is een donderslag die overrompelt en tot inkeer stemt, en nu alle registers daarboven open gaan en de kinderen met open mond zitten te luisteren, nu zit ik daar met een snik in die kerk.
Dode display
Ik heb een afspraak op de hoofdzetel van het Noorse Rode Kruis, want op 22 juli hadden zij 560 hulpverleners in getouw, waaronder 150 vrijwilligers. De organisatie wist dat die dag traumatiserend kon zijn, en om de symptomen van een posttraumatische stress-stoornis tijdig op te sporen, zal het Rode Kruis zijn hulpverleners een jaar lang psychosociale follow-up verlenen. De coördinatie van deze debriefing wordt gedaan door Merete Mihle; op haar bureau kan ik ook bellen met Are Holen: zijn instituut zorgt voor de psychologische begeleiding van de follow-up en als prof geneeskunde is hij gespecialiseerd in stress-psychiatrie.
Humo: Veel van die hulpverleners hebben gruwelijke taferelen gezien in Oslo en Utøya.
ARE HOLEN «Iets gruwelijk zien, betekent nog niet dat je er "iets" aan overhoudt. De kwetsbaarheid zit 'm in de afstand tot het gebeurde. Als hulpverlener hou je een zekere reserve, een bepaald 'schild' tussen jezelf en degenen die je helpt (of die je als lijk moet bergen). Maar dat schild kan wegvallen als je in dat slachtoffer ineens je kind, je broer of een vriend ziet. Dan identificeer je jezelf met dat slachtoffer en dan verlies je dat beschermende schild, en dàt kan een heftige impact hebben op de hulpverlener. Ik heb met een politievrouw gesproken die een jonge dode zag liggen en in haar hand hield ze nog krampachtig haar mobile phone en ineens begon die te bellen en op de display verscheen "mama" en op dàt moment is die agente ingestort. Ineens was dat lichaam geen slachtoffer meer, ineens was daar een innige band te zien. En dat raakte haar tot in haar diepste gemoed.
Humo: Psychologe Sønstebø haalde aan dat het opruimen van de persoonlijke bezittingen van de slachtoffers ook traumatiserend kan zijn.
HOLEN «Als je die achtergebleven dingen zakelijk beziet als kampeermateriaal, dan ga je daar zakelijk mee om. Maar als je in die achtergebleven spullen de persoon gaat zien, met zijn onbekommerde plezier, met de jeugdige dromen die ie had, that comes close.
MIHLE «Ik sprak een politieman die op de rotsen één roze watersandaal vond. Hij dacht dat het van iemand was die daar gestorven was. Hij raapte die sandaal voorzichtig op, droeg 'm naar één van de boten en wikkelde 'm in een handdoek alsof het een stoffelijk overschot was. Toen ze met hun boot aan de overkant kwamen, was er een andere agent die dat bundeltje uit de boot pakte en bij het afval zwierde. Daar is die man compleet op afgeknapt, die kon niet meer verder werken.
Ik sprak ook politiemensen die de volgende dag hetkamp doorzochten op zoek naar kogels en bewijsmateriaal. En zij zegden dat het 's avonds zo huiveringwekkend was, dat er niemand te zien was, dat de campingplaats leeg en donker was, maar dat er in sommige tentjes schijnsels te zien waren, dat waren displays van mobile phones die oplichtten, dat waren ouders die meer dan vierentwintig uur later nog altijd wanhopig aan het bellen waren naar hun kind. (Het heeft zés dagen geduurd eer alle vermisten geïdentificeerd waren, jh)
Humo: Zouden jullie hulpverleners aanraden om terug te gaan naar het eiland?
HOLEN «Ik zou het zeker aanraden. Als je zoiets heftig hebt meegemaakt, dan hou je daar in je binnenste een beeld aan over, en vaak is dat de ergste horror die je gezien hebt. Als je naar die plek teruggaat, kan dat beeld minder zwaar worden omdat je de rustige natuur ziet, met de wind in de bomen en het kabbelen van het water. Het is een corrigerende ervaring en ze zal je helpen om door te gaan met je leven. Die herinnering blijft dan niet langer zo'n zware molensteen. (Noot: het Rode Kruis stelde vast dat zo'n tien procent van zijn 560 hulpverleners met een vorm van PTSS kampt; zij krijgen nu individuele begeleiding.)
Humo: Hoe denk je over het proces dat nu begint. Dat wordt voor de overlevenden en de nabestaanden allicht weer een trigger van negatieve beelden en gevoelens.
<HOLEN> «Dat is zo, maar het kan evengoed een opluchting zijn. Dat ze zien dat law and order het overnemen en dat deze desperado in staat van beschuldiging wordt gesteld. Tegelijk hoor ik dat buitenlandse en Noorse tv-zenders een aanvraag hebben ingediend om hem te interviewen. Dat is toch een geweldige verschuiving in de media! Kan jij je inbeelden dat een nazi die er prat op gaat dat hij in 1945 een bloedbad heeft aangericht in een partizanendorp, dat men die in 1946 voor een groot wereldwijd interview zou vragen?! Dat is toch een vorm van vrije meningsuiting waarbij je vragen kan stellen."
Bootsman Kasper Ilaug (foto K.I.)
Ronde van Frankrijk
Na Oslo wordt de weg smaller, komen er bossen en heuvels en vlagen oude sneeuw en nu sta ik aan het Sundvolden Hotel in Hole. Dat was het crisiscentrum op drie kilometer van Utøya, hier werden op 22 juli de wanhopige ouders en familieleden opgevangen.(Een Rode Kruis-medewerker: "Bij andere rampen moet je soms een kleine groep familie opvangen, maar hier stonden er honderden tegelijk, we waren er absoluut niet op voorbereid.")
Wie toen méér wist dan die ouders, is Kasper Ilaug (53), één van de omwonenden die met een bootje zo'n twintig jongeren heeft gered. Hij komt me tegemoet op het hotelterras en alles aan hem is ongedwongen, de lange sjaal, de leren vest, de pet en de zonnebril. Ilaug praat en praat zonder ophouden. Hij is een langlaufer in een eindeloos spoor van gedachten, opgekropte gevoelens, bedenkingen, vragen en schampere kritieken. Het ene ogenblik filosofeert hij over Het Goede in de Mens, het andere moment spuwt hij zijn venijn over sommige lokale jerks die afgunstig zijn op de redders en op de internationale belangstelling die ze genieten. Maar eerst moeten we terug naar 1965.
Ilaug: «Mijn ouders hebben in 1965 een summer cabin laten bouwen op Storøya, dat is een eiland op drie km van Utøya. Ik was toen zeven jaar en ik heb daar leren zwemmen en leren vissen. Ik ben gehecht aan die plek, het zijn mijn diepste jeugdherinneringen en ik kom er nu al bijna vijftig jaar. Een vast deel van m'n zomervakantie, is het kijken naar de Ronde van Frankrijk. Elke namiddag zit ik voor die tv met een goeie scheut drank erbij, en dit jaar wilde ik zéker kijken, want Thor Hushovd en Boasson Hagen deden het geweldig. Die vrijdagnamiddag was het de bergrit naar Alpe d'Huez, en dat wil je als Tourliefhebber toch niet missen! Maar ineens werd het programma onderbroken door die aanslag in Oslo. Ik sakkerde: waarom schakelen àl die Noorse zenders over op die aanslag, waarom blijft er niet één zender bij de Tour?! Ik ben dan maar op een sportzender beginnen kijken. En kort voor zes uur kreeg ik telefoon van m'n vriend Ulf, die heeft ook een summer cabin op Storøya, maar hij zat op dat moment thuis. Ze zouden zo dadelijk naar een feest gaan, z'n vrouw was in de badkamer, hij zat in z'n smoking en surfte op internet om meer te weten over die aanslag in Oslo, en ineens zag hij het eerste nieuws over Utøya dat daar een schietpartij aan de gang was. En hij belde me op: Kasper, je moet de boot pakken, je moet daar mensen van dat eiland gaan halen. Ben je gek, heb ik gezegd, daar begin ik niet mee, en trouwens, je weet dat ik geen boot heb. Maar hij drong aan, dat ik de boot van de buurman moest nemen. Maar die is defect, heb ik gezegd, die motor valt altijd stil. Maar Ulf bleef maar aandringen, sleur die motor toch in gang, probeer het, probeer het, ik vrààg het je! En dan heb ik lachend gezegd: OK, tot uwe orders! Inspector Clouseau is ready! Dat is Pink Panther hé.»
© Jan Hertoghs
Kogel door mijn hoofd
«In onze baai waren nog weinigen op de hoogte, iemand was zijn gras nog aan het afrijden! Ik heb een overall met gele fluostrepen aangetrokken en een rode bouwvakkershelm opgezet, zo had ik toch iets van een hulpverlener, en de motor startte al na een paar keren. Maar toen ik zo'n honderd meter van het eiland was, heb ik ingehouden... Er zit daar een blinde vlek in mijn geheugen: heeft hij op mij geschoten of heb ik alleen maar zijn schoten gehoord, ik kan het me niet meer herinneren. In elk geval, ik zie me nog twijfelen, ineens dacht ik aan het gevaar dat ik liep en ik voelde een kogel heel langzaam en heel precies dwars door mijn hoofd gaan. Ik was al half omgedraaid, ik had m'n rug al naar het eiland, toen er ineens iets anders in mijn hoofd drong. Een heel klare gedachte! Dat ik niet dood wilde, maar dat ik ook niet de loser wilde zijn die op zo'n dag in de kont van een stel renners zat te kijken! Toen ik dat bedacht, viel er een pak van m'n hart. Ik was al maanden depressief en lusteloos, m'n vriendin met wie ik twee jaar samen was, had het enkele maanden eerder afgemaakt, en ineens was die lusteloosheid van het alleen zijn verdwenen, ineens was ik één en al energie! Er was ook wel alcohol bij van die namiddag, maar het meeste was pure adrenaline! Ik heb de boot gedraaid en heel gefocust en kalm ben ik naar die oever gevaren. Ik zag daar zeker acht of negen lichamen op de rotsen liggen die niet meer bewogen, en verder varend zag ik zo'n vijftien jonge gasten zich half verborgen houden, ze waren in zwembroek en ondergoed, ze kleumden van de kou, ze stonden op het punt van te gaan zwemmen, en of ik een politieman was. Ik zei dat ik een burger was die hen kwam redden en toen hadden ze het over een politieman die iedereen dood wilde schieten. Ze hadden de doodsangst in hun ogen, ze waren helemaal in shock. Ik denk dat ik die eerste keer tien of elf jongelui heb laten instappen, daar was ook een zwarte jongen bij met een sarcastisch t-shirt "Are you afraid of the dark?" De boot was vol, ik moest er vier op de rotsoever achterlaten. Ik kom direct terug, zei ik, maar eén meisje begon toen te huilen en om paniek te vermijden heb ik heel autoritair gezegd: Iedereen op de grond liggen nù! En stil zijn! Ik breng jullie naar de overkant! Daar zijn dekens en verplegers, daar zal men jullie verder helpen.
En dat heb ik nog niet verteld. Ik had een cell phone bij en daarmee heb ik die jongeren gefotografeerd. Toen ik later hoorde wat er echt gebeurd was en hoeveel doden er waren, toen heb ik me beschaamd en schuldig gevoeld over dat onnozele gedrag. Maar ja, zo was ik vertrokken, als in een actiefilm.
Die jonge gasten zijn dan uitgestapt nabij Utvika en ik ben gelijk teruggevaren om die vier overblijvers te evacueren. Gelukkig waren ze er nog. Dat geluk hebben andere redders niet gehad. Ze vaarden terug en wie op hen moest wachten, lag dood op hen te wachten.
Na de tweede overtocht, ben ik nog een derde keer gevaren, deze keer naar het Pumpehuset (pomphuis), en al van ver zag ik jonge gasten zich tegen de rotsen verstoppen. Ik wuifde en wuifde om te laten zien dat ik eraan kwam, maar ze wuifden niet terug, en toen zag ik aan hun houding dat ze dood waren. Zeker zeven doden lagen daar. Verderop stonden zes gasten teken te doen, die heb ik opgepikt, en achter hen, bovenop een steile klif liepen nog drie jongeren. Ik zei dat ik niet kon wachten tot ze beneden waren, ik zei dat ik zou terugkomen, maar toen is ééntje in paniek van acht meter hoog gesprongen, hij wilde absoluut mee, maar hij had dood kunnen zijn, hij had zijn nek kunnen breken in dat strandwater vol rotsen.
Toen ik ze in Utvika had afgezet en een vierde keer wilde varen, toen viel de motor stil. Dat was een teken van God en dat teken heb ik goed begrepen. God had ervoor gezorgd dat de motor niet één keer sputterde, maar nu was het genoeg geweest. God is geen technicus die een motor ook kan herstéllen! En zoveel dat toen door mijn kop schoot. Goed en kwaad. Leven en dood. Jongeren die sterven en een 53-jarige die in een boot dobbert. En wat als mijn ouders die summer cabin in 1965 niet gekocht hadden? Dan was ik hier niet geweest!
De politie deed teken naar de civiele boten dat ze terug moesten en dat zij het wel zouden overnemen. Mijn buren, Helge en Sissel, hadden ook kinderen gered en zij hadden gezien dat ik stilgevallen was, zij kwamen langszij, maakten een touw vast en trokken mij full trottle naar huis. Ik vond dat verschrikkelijk. Ik wilde daar niet weg. Ik zat vol adrenaline, ik wilde nog helpen, ik wilde iets doén!!
En zo ben ik de avond en de nacht ingegaan, met een kop vol gedaas en duizenden gedachten. De politie had een perimeter van een paar kilometer ingesteld waar niemand mocht komen en zo kregen wij in feite huisarrest. 's Nachts zag ik overal lichtende vensters op ons eiland en op het vasteland, iedereen was nog op, maar niemand kwam buiten.
Ik voelde me opgesloten gelijk een wild dier. Ik had ook genoeg gedronken en ik moest met iemand kunnen spreken, ik moest mijn verhaal kwijt, en dan heb ik zelf CNN gebeld en zo ben ik via Skype meerdere minuten op CNN geweest. En weet je wat ik als slot heb gezegd?! Dat dit voorval mijn leven niet zou veranderen, (schamper) dat ik wel gewoon zou kunnen doorgaan met m'n bestaan. Zie je mijn knikkende been, en zie je hoe onrustig en hyperkinetisch ik ben, dat komt door al dat vertellen, kom, we gaan een eindje rijden.»
Picknick
In de kleine superette slaan we wat proviand in en dan rijden we naar 'zijn' eiland Storøya dat bereikbaar is met een soort drijvende brug. In de baai waar z'n summer cabin staat, liggen de boten nog omgekeerd op het rotsenstrand, zo hebben ze de winter getrotseerd. Hij zegt dat er op Storøya zo'n honderdvijftig vakantiegangers zijn als het zomer is. En dat hij tot vorig jaar alleen maar goeie herinneringen had aan deze plek en dit meer. En dat zijn kameraden in de jaren zeventig wel eens met hun boot naar dat kamp op Utøya vaarden om daar in een tent te liggen, drinking and kissing the girls, maar hij is nooit meegegaan, hij kent Utøya alleen van het vissen in het water rondom, daar zitten baars, snoek, witvis en drie soorten forel.
Zo zitten we hier op de rotsen, vlakbij een staak met een reddingsboei en één motorbootje dat al in het water ligt. We breken het brood en de kaas en houden een picknick met uitzicht op het eiland van de voorpagina's. Hij wijst op de twee locaties waar hij gaan redden is en dat hij de politie door een megafoon heeft horen spreken. "Ik heb niks verstaan maar dat moet de arrestatie van Breivik zijn geweest."
Daarna heeft hij twee weken "een demper" in zijn oren gehad: "Ik hoorde alles, maar de knop stond de helft stiller. Ik wist niet wat ik had."
"Na die 22ste juli kreeg ik het ook benauwd van dat eiland. In augustus had ik zelf opnieuw een boot, maar ik voer die kant niet meer uit, ik viste daar niet meer, ik vermeed zelfs om naar het eiland te kijken. Tot het op een dag genoeg was geweest. Dat was na een week of zes, het was geen crime scene meer, er dobberden geen politieboten meer, en met een paar andere redders van Utvika camping hadden we zitten drinken, en ineens kregen we dat idee om naar Utøya te varen. Daar aan land hebben we nog kogelgaten in de huizen en de bomen gezien. De anderen hadden er gauw genoeg van, maar ik wilde nog blijven, ik zou wel bellen om mij te komen halen. Ik heb toen een heel stuk van dat grintpad gelopen waar ook veel jonge gasten hebben gelopen, en ineens werd mijn benauwdheid minder, en pfoeew!, ineens kwam ook mijn gehoor met een klap terug! Ik was blij, ik belde dat ze me mochten komen halen, maar R. nam niet op, en toen wilde ik naar de overkant zwemmen. Dat was dwaas van mij, maar ik wilde zwemmen zoals die jonge gasten hadden gezwommen, ik zag dat als een eerbetoon, en R. had me gezien, hij kwam op me afvaren: ben je gek geworden, Kasper, het is september, dat water is te koud! Ik zei dat het een tribute was, en hij blafte, "drop that movie shit, Kasper, je zit niet in een film, je zit in ijskoud water en je gaat een longontsteking krijgen". Voor de eer ben ik dan nog terug naar het eiland gezwommen en daar ben ik in zijn boot gestapt."
Kasper Ilaug: “ Drie maanden kon ik geen tv kijken. Alle kranten zijn ook onaangeroerd gebleven. Ik kon me nergens meer op concentreren.” © Jan Hertoghs
Geen kranten of tv, geen mensen!
Ik moet hem vaak onderbreken, over welke dag hij het heeft, wie er bij hem was, wanneer dat gehoorprobleem dan begonnen is. Hij weet dat zijn verhaal ongeordend is, "het is af en toe chaos hierboven". En dat hij rust wil in zijn hoofd en in zijn bestaan in plaats van die posttraumatische stress-stoornis : "Niet dat ik last heb van flashbacks of nachtmerries, maar er is dat constante gevoel van onder spanning te staan, en dat is zo uitputtend. We zijn nu maart 2012, dat is acht maanden verder, ik heb mijn job als computerprogrammeur, en ik werk nog altijd niet. Of bijna niet. Als ik drie of vier uur kan werken per dag, dan ben ik al tevreden. Ik kan me niet meer concentreren, het gaat niet. Ook mijn slaappatroon is verstoord. En mijn kortetermijngeheugen. Ik kan iets vast nemen in m'n garage en dan kijk ik ernaar en dan weet ik niet meer wat ik van plan was. M'n psychiater zegt dat die short memory wel zal terugkomen, maar intussen zit ik ermee. Ik ga met de auto naar de stad. Ik vergeet dat ik met de wagen was, ik keer naar huis met de tram en intussen vervalt m'n parkeerbewijs, en zo heb ik op korte tijd acht boetes gehad, dat zijn duizenden kronen!"
"Ik heb die gebeurtenis ook lang gemeden. In dat Sundvolden Hotel had ik gevraagd om elke dag vijf verschillende kranten opzij te leggen. Om de week ben ik ze gaan halen, maar nog altijd liggen ze ongelezen in m'n cabin: zes weken kranten van 23 juli tot midden september. Ik heb zelfs drie maanden geen tv gekeken! Ik kon geen nieuws meer verdragen, ik kon dat gewemel van beelden niet verdragen. Ik kon ook geen mensen meer verdragen. Ik kon niet meer zijn waar gebabbel was. Ik wilde altijd maar rust hebben. Normaal ga ik in september terug naar Oslo. Nu ben ik vorig jaar gebleven tot in december. Ik kon niet terug naar Oslo, het was me daar te druk. Ik wilde weg zijn van alles, ik wilde zo weinig mogelijk mensen zien.»
Psychologe Sønstebø krijgt wel vaker te maken met PTSS-patiënten die de neiging hebben om zich af te zonderen:« Dat komt omdat een aantal onder hen ook in een depressie geraken. Ze weten wie ze waren voor het drama, ze merken hoe ze zich nù voelen met dat leven dat overhoop ligt, en dat deprimeert hen. Ze worden lusteloos en ze sluiten zich op. Want in de buitenwereld komen, dat betekent mensen zien en vragen krijgen (Hé, jij was daar op Utoya hé. Hoe was dat?! Erge dingen gezien, zeker?!) De buitenwereld is ook de plek waar je je minder veilig en minder vertrouwd voelt dan thuis, en zo blijf je daar weg. Je wil nergens meer naartoe, je wil niks meer doen waarvoor je uit je huis moet, en op de duur wil je zelfs niemand meer zien. "
Caterpillar
Kasper wijst naar z'n zomerhuis en naar de nivellering op het terrein errond, daar moet volgende zomer een nieuwe cabin komen, daar is hij na de zomer van 2011 ineens aan begonnen: "Ik heb bij een aannemer een grote Caterpillar graafmachine gehuurd, the biggest I could get, en ik ben daarmee beginnen graven en nivelleren, weken aan één stuk. Ik sliep bijna in die machine. Ik had nooit met zo'n monster gewerkt, ik heb dat moeten léren van nul. En zo kon ik van 's morgens tot 's avonds m'n aandacht afleiden. Zes weken lang heb ik dat gedaan van zes uur 's morgens tot negen uur 's avonds. En als ik wakker werd, was ik blij dat ik weer kon graven. I was singing with the birds and I was digging, - yeah man, dig it! (imiteert de zware grommende motor) En natuurlijk was dat een manier om me af te reageren. Ik kende geen andere therapie dan werken, keihard werken. En ik ben wel zeker dat het mij geholpen heeft. Het ding stond daar altijd klaar, het nam mij in beslag en op z'n beste momenten slorpte het me zelfs helemaal op. Want als je met zo'n ding graaft, dan moet je in driehonderdzestig graden denken: voor, achter, links, rechts, boven en onder. Dus mijn hersenen hadden wat te doen. En er waren dagen dat het goed ging, maar er waren ook dagen dat ik stond te klungelen als een kind. Dan kreeg ik geen enkele handeling gecoördineerd, dan waren m'n hersenen niet mee, dan waren ze bij dat andere ding. Je had me moeten bezig zien met die machine. Acht ton, en daarmee wroet je aarde op, daarmee graaf je rotsen uit, daarmee verbrijzel je dikke stenen, it was me crushing the rocks, it was me fighting the rocks, it was me fighting this tragedy, it was me fighting to get grounded again! Maar ik was 's avonds wel stikkapot, maar zo kon ik tenminste slapen! En natuurlijk was dat de hele dag lawaai, maar ik ben pas begonnen na de zomer als de meeste gasten weer naar huis waren. Soms kwamen ze nog wel 's langs. Ga je een hol graven, Kasper? Ga je een schuilkelder bouwen, Kasper? Is dit nu je zwarte gat, Kasper (lacht)
Utoya, het eiland dat al miljoenen jaren bestaat. © Jan Hertoghs
Hij houdt zijn hand tegen de zon en kijkt of er beweging is bij één van de andere huisjes: "Ik denk dat m'n vriend Ulf thuis is, dat is degene die mij gebeld heeft om uit te varen." We komen aan een bungalow waar emmers, boomzagen en plastic terrasstoelen mekaars gezelschap dulden en de twee kennen elkaar van hun jongensjaren, dat hoor je aan het sarcasme in hun begroeting. Ulf is een zwaargebouwde stoppelbaard van drieënzestig die met zijn hoofd bijna tegen het plafond van de summer cabin komt. Hij maakt een kop koffie en zegt dat de bungalow er al zestig jaar staat, ze is nog gebouwd door zijn vader. En terwijl er op tv voetbal is, zegt hij dat hij zich nog altijd schuldig voelt dat hij Kasper gebeld heeft. En hij heeft dan ook nog eens Helge en Sissel in hun boot gedreven. "Ik wist pas uren later wat er gebeurd was en hoeveel doden er waren. En mijn buren hadden het overleefd, maar het voelde alsof ik ze de dood had willen injagen terwijl ik op m'n gat in de zetel zat." En hij herhaalt het: ik voel me nog altijd schuldig, ik voel me nog altijd slecht.
Kasper wuift het weg, komaan Ulf, ik leef toch nog! "Ja, maar als ik zie hoe jij onder dat trauma lijdt, daar ben ik zelf verdrietig van, dat kan ik zelf moeilijk van me afzetten. Vraag maar na bij Helge en Sissel, die hebben nog altijd slaapproblemen. Ik zag Sissel vorige week en ze lachte, en echt, dat was de eerste keer in acht maanden, en dat is allemaal mijn schuld dat zij psychisch zo afziet. " Kasper weert het opnieuw af: "Ulf, stop daarmee! Zij hebben mij al honderd keren gezegd dat zij sowieso zouden gevaren zijn, ook zonder je telefoon!" Ulf knikt, I know, I know, maar toch zit hij ermee. En we zijn het erover eens, dat drama is een steen in het water en die rimpels dijen maar verder. Ulf knikt. Die rimpels gaan nog een heel leven mee.
De aanlegplaats met de kleine “ferry” .© Jan Hertoghs
Met-1-Been
We rijden weer de hoofdweg op tot aan de kleine wegwijzer Utøya, en dan is er een smal asfalt tot aan het meer en hier tegen het talud heeft Breivik zijn Fiat Doblò geparkeerd voor hij de oversteek begon. Wat zijn z'n gedachten nog geweest toen hij hier uitstapte, op deze plek waar alleen maar grint te zien is en een eiland en een groot meer? Keek hij uit naar zijn schietpartij? Kon hij de schoten al horen terwijl het hier nog zo stil was? En ook de overzet waarmee hij het water overgestoken is, die ligt er nog. Onverstoorbaar, onbeweeglijk, de ijzeren laadklep neergelaten aan de kettingen. Het is de boot die niet weet dat hij nog jàren door boeken en documentaires zal varen.
De Utvika-camping ligt een paar honderd meter verder, en ze ziet eruit als een camping van de jaren zeventig, met zijn houten bord en die geschilderde zon boven het blauwgeverfde water. Hier is de oever met het haventje waar tientallen jongeren naartoe zijn gezwommen of waar ze uit de boten van hun redders zijn geholpen. "De baas van de camping ken ik, hij was hier ook kind in de jaren zestig, en hij heeft mij vorig jaar de redders van de camping leren kennen, en nu hebben we een clubje, we drinken bier en we praten op een heel directe manier over die dag. We zijn dan rauw, we hebben het over Die-Ene-Van-Wie-Het-Oor-Afviel en over Die-Gast-Met-1-Been, en een minuut later spreken we over het weer en het hengelen, zo is dat bij ons. "
Kasper vertelt over het meisje dat naar de overkant zwom met een doorboorde long, "zo'n afstand zwemmen en zo gewond zijn, dat zegt iets over de angst om daar weg te komen, maar het zegt ook iets over de wil om te blijven leven!"
Hij wijst een groot licht huis op een heuvel, "dat is Erik z'n boerderij. 't Is een boer die graag op groot wild jaagt. Hij was nadien kwaad op mij. Dat ik hem niet was komen halen met de boot! Jij had me daar kunnen afzetten met mijn geweer. Ik had 'm kunnen afmaken! Ik had 'm in de kop geschoten!"
De Utvika-camping: vanaf hier zijn redders vertrokken en hebben vakantiegasten radeloos staan toekijken op het drama. © Jan Hertoghs
I am a rock
Wat verderop staat een monument, een kleine opstaande rots met aan de voet een knuffel, Noorse vlaggetjes en kaarsen in een glazen houder. Verder is er alleen het knarsen van de loopplank die op tonnen rust, een gerucht van ijzer en hout, een geluid van alle dagen.
Kasper duidt op een andere rots en vertaalt het Noors van de zwarte viltstiftletters: Synne, je zal altijd in mijn hart blijven. En hij gaat met zijn vinger over die letters en er komen tranen in z'n ogen. Hij wil ook nog een andere tekst van het kleine monument lezen, maar zijn stem stikt al halverwege. If one man can show so much hate, think how much love we can show, standing together. Dat zei één van de overlevenden, kort na 22 juli.
Hij is nu een man van gekruiste armen en een lang stilzwijgen. De lucht is blauw, de wolken zijn overrompelend wit, en de avondzon schuift langzaam achter dat ene onbewogen eiland. Ik kan zeggen dat het hier vrede is. Met die witte luiken van de zomerhuizen, met die steigers en laddertjes om na het zwemmen uit het water te klimmen, en met die trampolines die klaar staan voor de warme dagen. Kasper zegt dat Utøya vierhonderd miljoen jaren oud is: "Wij, en alle generaties na ons gaan al eeuwen dood zijn, maar dat eiland gaat er nog altijd zijn en wat zal die ene vrijdag dan nog betekenen? "
Er daagt me een refrein van Simon & Garfunkel. I am a rock. I am an island. And a rock feels no pain. And an island never cries.
Pas later heb ik dat opgezocht. Dat Simon and Garfunkel hun liedje voor het eerst brachten in 1965.
Het was het jaar dat Kasper zeven werd.
Het was het jaar dat Kasper leerde zwemmen en vissen.
© Jan Hertoghs
Tien jaar na Utøya (2): de onderzoeksjournalist en de psychologe van de overlevenden
(c) Jan Hertoghs
" Psychiaters verklaarden Breivik krankzinnig, maar hij plande àlles en wist héél goed wat hij deed.”
De boten op het meer liggen met dekzeilen in het smeltende winterijs. De man wandelt met zijn hond. De kinderen eten hun appel. De zon schijnt op het bleke hout van het staketsel en nachtmerries zijn iets voor in een interview. Een onderzoeksjournalist sprak met meer dan honderd directe betrokken van de bloedige tragedie op 22 juli 2011.
In Noorwegen staat Kjetil Stormark (41) al jaren bekend als gravejournalist, wat Noors is voor onderzoeksjournalist: hij die graaft en spit. Stormark publiceerde in december "Da terroren rammet Norge" (Toen de terreur in Noorwegen toesloeg). Het boek is een chronologisch verslag van de "189 minuten waarin één man zevenenzeventig mensen doodde". Stormark had daarbij toegang tot politierapporten en hij en z'n researchers interviewden honderdtwintig directe betrokkenen: ambulanciers, agenten, redders per boot en stafleden van de crisiscentra. Hij sprak ook met zo'n twintig overlevenden van Utøya en bij het komende Breivik-proces is hij één van de hoofdverslaggevers voor de Noorse commerciële televisie.
Humo: Ik las dat men zich op Utøya zowat overal verstopte: in grachten, achter rotsen en zelfs hoog in een boom.
Stormark: «Ja, en om niet op te vallen, hebben velen ook hun kleren uitgetrokken. Op zo'n kamp draag je vaak felgekleurde t-shirts en regenjacks, dus die hebben ze weggestopt, ondanks de regen en de kou. Sommigen die het noodnummer belden, kregen de antiterreurpolitie aan de lijn en die gaf de raad om zich met slijk in te smeren, als camouflage."
Humo: Ze hebben zich ook verstopt in toiletten en wasruimtes en in grotten nabij het fjord.
Stormark: «In die nauwe toilethokjes zaten ze soms met vier of vijf bijeengekropen. Het vreemde is dat hij die toiletruimtes niet is binnengedrongen om door die deuren te schieten; iets heeft hem daar tegengehouden. En je spreekt over die grotten, maar die kon je alleen bereiken door langs een steile klif af te dalen en dan een paar meters te zwemmen. Daarvoor moest je het eiland al heel goed kennen om die locatie te vinden, en je moest koelbloedig genoeg zijn om een kant uit te gaan waar aanvankelijk niemand naartoe liep. Het is ook aan de dodentol te zien, vooral de jongsten hebben hun leven verloren, zij die het eiland amper kenden of zij die mogelijk niet zo koelbloedig waren als de wat oudere kampeerders. (56 van de 69 slachtoffers waren nog geen twintig jaar, er waren ook twee veertienjarigen bij,jh)
Humo: Ik las ook dat sommigen zich onder lijken van anderen hebben verstopt.
Stormark: «Dat is zo. En het is zo delicaat dat ze er amper over kunnen spreken; zeker als je je hebt moeten verbergen onder het lichaam van een vriend of vriendin.
Humo: Soms leek hij zelfs "genade" te hebben. Zo "spaarde" hij het leven van één van die elfjarige jongetjes.
Stormark: «Ja, dat was dat zoontje van die off duty politieman die als steward op dat kamp was. Drie getuigen hebben dat kind horen zeggen: hou op! hou op met iedereen dood te doen! je hebt ook al mijn vader doodgedaan! En Breivik keek 'm langdurig aan en ging verder. Was het toch een vorm van empathie? Of dacht hij dat het doden van kleine kinderen zijn politieke zaak geen goed zou doen, ik weet het niet. Eigenlijk had hij absoluut geen genade. Er is dat getuigenis over jonge gasten die in een gracht verstopt zaten, ze riepen, please, please, don't shoot us. En hij knalde ze af alsof het niets was. Sommige jongelui zijn tot zes keer door een salvo geraakt, en elk salvo was van heel dichtbij.
Humo: Er is sprake van negenenzestig doden op Utøya, maar hoeveel gewonden waren er?
Stormark: «In de aanklacht spreekt men van drieëndertig gewonden, dat zijn jongeren die hij beschoten heeft, maar die hun schotwonden overleefd hebben. Ook zijn er tientallen kampeerders die breuken en andere verwondingen hebben opgelopen toen ze op de vlucht waren voor hem. Dat aantal is zo hoog omdat het terrein zo ruw is: van zo gauw je dat wandelpad, de sportvelden of het tentenkamp verlaat, moet je langs en over rotsen die overwoekerd zijn met doornen en struiken. De westkant van het eiland is een heel steile rotswand; sommige jongeren zijn daar willen afdalen en één van hen is zelfs te pletter gestort.»
Allicht gaat het om de jongen die samen was met de 16-jarige Tsjetsjeen A.D. Beide hielden zich verborgen aan de onderkant van een klif, er was amper een uitsteeksel voor hun voeten, en dus moesten ze zich vastklampen aan boomwortels die uit de grond staken. Breivik was zo dicht bij hen dat ze "zijn schoenpunten konden zien," maar hij zag hen niet. De andere jongen had na veertig minuten niet langer de kracht om die wortels vast te houden en hij stortte te pletter op lagere rotsen. A.D. wist zich twéé uur aan de wortels vast te klampen voor hij uit zijn schuilplaats durfde te klimmen.
De kleine overzetboot waarmee Breivik op het eiland geraakte. © Jan Hertoghs
Humo: Heel bevreemdend is Breivik's aankomst met die ferry. Die paar mensen aan de aanlegsteiger waren - gezien de aanslag in Oslo- zelfs blij van een politieuniform te zien. Breivik zei hen "dat er nog twee collega's op komst waren" en dan hebben ze zijn zware koffers helpen dragen, die later vol wapens en ammunitie bleken te zitten.
Stormark: «Het was de kapitein van de kleine veerboot die hem geholpen heeft en die de hard case koffers achterin een auto heeft geladen. Met die auto zijn ze tot bij het hoofdgebouw gereden, een kleine honderd meter langs een helling. Toen hij met z'n auto van het gebouw wegreed, hoorde hij ineens schoten, en als hij ging kijken zag hij zijn vrouw op de grond liggen en net dan schoot Breivik ook de man neer die daar als off duty politieman voor de veiligheid moest zorgen.
Humo: Ondanks die doden heeft hij die rol van ik-ben-de-beschermende-politieman nog lang kunnen spelen.
Stormark: «Ja, omdat iedereen zowat verspreid zat op dat eiland en niemand wist van wie de schoten kwamen. Tegen de eerste groepjes die hij zag, zei hij dingen als: kom wat dichter bij mij staan, zo kan ik jullie tellen, en dan opende hij het vuur. En bij het pomphuis (waar veel weggelopen jongeren bijeen zaten) zei hij: kom maar mee, ik weet een boot waarmee we veilig weg kunnen, en toen een meisje naar zijn politiebadge vroeg, schoot hij haar in het hoofd. Het is pas toen men mekaar begon te sms-en dat de dader eruitzag als een politieman, dat zijn aanpak niet meer lukte.
Humo: Naar het einde begon hij -volgens sommige Engelse kranten- te provoceren: speel geen verstoppertje! kom maar af, kom hier maar spelen!
Stormark: «Daar is me niets van bekend. Wel hebben verschillende mensen hem triomfantelijk horen juichen, lachen en hoera! roepen, telkens als hij raak trof. Alsof het een game was. Anderen hebben dan weer gezien dat hij kwaad werd als hij miste, en dat hij dan wildweg in de grond of in de struiken vuurde om zijn frustratie af te reageren. Naar het einde toe is hij ook dingen beginnen roepen als "ik ga jullie allemaal kapotschieten! jullie moeten er allemaal aan!"
Hij had het ook expliciet over hun ideeëngoed. "Jullie, culturele marxisten, ik maak jullie allemaal kapot!" Het vreemde is dat die uitlatingen in het begin nog verteld werden, maar dat de overlevenden ze later bewust of onbewust weg lieten. Alsof ze instinctief aanvoelden dat het politiek correcter was om die dingen weg te laten. Men wil hem zoveel mogelijk negeren, en dus wil men ook op geen enkele manier verwijzen naar zijn extreemrechtse ideeën.
Humo: Klopt het dat Breivik soms dumdumkogels gebruikte?
Stormark: «De juiste term is uitzettende kogels omdat ze een holle punt hebben en breed openplooien als ze een doelwit raken. Wat dus vreselijke wonden veroorzaakt, maar daarom niet altijd de dood. Vandaar dat hij zijn slachtoffers extra afmaakte met een schot door hun hoofd. Anderzijds zijn die kogels allicht de reden waarom hij niet in gebouwen kwam en niet door de deuren van toiletten en wasruimtes heeft geschoten. Omdat hij wist dat die uitzettende kogels snelheid verliezen als ze door een wand gaan.
Humo: Hoevelen zijn kunnen wegzwemmen van het eiland?
Stormark: «Het moeten er meer dan tweehonderdvijftig zijn geweest. (Later kon je in Noorse kranten lezen dat sommige overlevenden hun zwemlesgever gingen bedanken met bloemen, jh) Sommigen hadden van het eiland ook een plank mee, dan hadden ze toch een drijver en houvast bij die lange afstand. Niet iedereen is die zevenhonderd meter tot aan het vasteland gezwommen, soms was het zelfs drié kilometer als ze vanaf de "achterkant" van het eiland vertrokken waren. Heel veel jongeren zijn uit het water opgepikt door boten van campinggasten (aan de oever van het vasteland was de Utvika-camping,jh); en als hun boot vol was, wierpen zij ook nog reddingvesten uit voor de achterblijvers. Niet dat je in het water zo veilig was, Breivik heeft ook op zwemmers geschoten en een aantal onder hen dodelijk getroffen. Eén jonge zwemmer is ook gestorven van kou en uitputting.
Al die gewone vakantiegangers die met hun bootjes tientallen gered hebben, dat zijn voor mij de ware helden van die dag. Erg genoeg lijden velen onder hen nu aan schuldgevoelens, dat ze niet genoeg hebben gedaan. Ze haalden bijvoorbeeld een volle boot van de oever, ze zegden tegen de anderen dat ze terug zouden komen, en als ze een goeie tien minuten later terug waren, zagen ze die jonge gasten daar dood aan de waterkant liggen. Dat is vreselijk om mee te maken.
Toch heb je in zo'n extreme situatie ook mooie verhalen. Een jongen en een meisje zwemmen voor hun leven, komen heelhuids aan land, en hebben zo'n bijzondere emotionele band dat ze nadien verliefd en een koppel zijn geworden.
Humo: Je bent er vroeger ook op zomerkamp geweest?
Stormark: «Toen ik zeventien was, ja. Ik was geen deelnemer, ik deed het soort klussen dat de vrijwilligers doen. Dus ik ken het eiland en ik heb ook nog vrienden uit die tijd, onder andere vijf ouders die op 22 juli een kind hadden op Utøya, en alle vijf hebben die het wonderwel overleefd. Dat maakt dat ik heel betrokken ben, maar toch heb ik een sober boek willen schrijven. Zeker geen sensatieverhaal dat de nabestaanden zou kunnen grieven.
Onderzoeksjournalistiek Kjetil Stormark reconstrueerde de koelbloedige wijze waarop Breivik tewerkging. (ingescand uit Humo/ Ingve Aalbu - Dalane Tidende)
Humo: Bijna eenderde van de slachtoffers zou in de laatste twintig minuten zijn gedood. Die doden hadden vermeden kunnen worden met een efficiëntere interventie van de politie.
Stormark: «Ja, de politie is al tegen half zes verwittigd geworden en Breivik is pas na half zeven gearresteerd. Twee agenten van de lokale politie waren tegen zes uur al aan de kaai, maar de overzetboot was uit schrik voor nog meer terroristen weggevaren naar een andere baai, die konden ze niet gebruiken. Die agenten hadden een of meerdere boten van de campinggasten kunnen opeisen, maar van hogerhand kregen ze geen toelating om die boten aan te slaan, ze moesten wachten op hun eigen interventieboot die van een nabijgelegen gemeente moest komen. Die politieboot was voorzien voor tien manschappen, maar -in al hun ongeduld- zijn ze aan boord gegaan met elf agenten én met zo'n 300 kg aan zware wapens en ammunitie, waardoor de boot eigenlijk het gewicht droeg van vijftien personen. Gevolg: de boot ging niet alleen traag, hij hing ook te diep, waardoor er water in de motor en in de benzine is geraakt en waardoor ie stilviel. Het zijn dan locals die met een speedboot langszij zijn gevaren en die de agenten naar Utøya hebben gebracht. Ik heb met enkele van die anti-terreur-agenten gesproken, die gasten waren razend. Zij hoorden schoten op het eiland, zij wisten dat daar doden vielen, en ze zaten daar als sitting ducks in die stilgevallen boot. Het politiecommando heeft later een rapport bekendgemaakt dat ze zestien minuten eerder op het eiland hadden kunnen zijn.
Humo: Noorwegen heeft bergen en fjorden, er moeten toch reddingshelicopters zijn geweest die ingezet konden worden.
Stormark: «Het probleem is dat die helicopters bestemd zijn voor civiel reddingswerk, en dat hun bemanningen niet getraind zijn op gewapende interventies. Er was die dag wel een militaire helicopter met special forces voorhanden, maar die stond een heel eind uit de buurt, dus ook daar was er tijdverlies. Ja, we zijn een land dat lang verschoond is gebleven van terreur, dat was te merken. Ik was één van de weinige journalisten die voor 2011 al langere stukken schreef over de vraag of onze politie voldoende uitgerust was tegen een mogelijke terreuraanval en of ons land wel afdoende beveiligd was tegen terrorisme. Ik zeg dat niet met leedvermaak, ik ben er ook niet trots op, maar het zijn wel vragen die nu ineens ernstig worden genomen.
Cover van het boek van Stormark “Toen de terreur in Noorwegen toesloeg”
Homegrown terrorist
Humo: Overlevenden beschreven hoe gefocust Breivik tewerk ging. Tegelijk is er de diagnose van de gerechtspsychiaters die hem krankzinnig verklaren. Jij hebt met veel ooggetuigen gesproken die hem bezig zagen. Wat voor beeld heb je daarvan overgehouden?
Stormark: «Ik ben niet alleen voortgegaan op die verklaringen, ik heb als enige journalist ook inzage gekregen in de zevenduizend e-mails die hij de laatste jaren verstuurde. En daaruit komt hij naar voren als iemand die extreem berekend is en ook uitermate precies wat betreft de uitvoering van zijn plannen. Hij ziet geen enkel detail over het hoofd, hij denkt vooruit en neemt àlle voorzorgen om te kunnen slagen, hij laat ook geen sporen na die belastend of compromitterend kunnen zijn, en hij gedraagt zich onopvallend voor familie, buren en bekenden. Hij is systematisch, methodologisch, hij heeft een oog voor àlles kan je zeggen, maar tegelijk heeft hij geen enkel oog voor de menselijke kant, hij stapt als een schietende robot over dat eiland, zonder énige empathie. Meer nog, hij zal zelfs juichen als hij iemand raakt, en dat heeft dan weer meer van een lunatic. Maar in zijn nauwgezette voorbereiding is er niks lunatic te zien. Daar is hij in control of everything. En ook in control of himself. Naar mijn mening is hij toerekenbaar en moet hij als dusdanig berecht worden. Het is nu afwachten wat die tweede groep psychiaters zal zeggen.
Humo: Dat moet een klap zijn voor de nabestaanden en de overlevenden. Dat ze niet te maken hadden met een politieke dader, maar met een crazy killer. Dan is het alsof hun levens "voor niks" zijn verspild.
Stormark: «Voor de nabestaanden en de overlevenden kan dat kloppen. Maar ik denk dat men erop aanstuurt om hem krankzinnig te verklaren en dat de publieke opinie die "oplossing" zelfs genegen is. Want hoe ga je om met iemand die zevenenzeventig doden maakt als politiek statement?! Dat is veel harder om te verteren, want dat wil zeggen dat de Noorse natie in eigen boezem zal moeten kijken. Hij is hier immers opgegroeid, hij heeft hier onderwijs genoten, hij is hier niet opgemerkt door de sociale diensten na de scheiding van zijn ouders en hij is ook onder de radar gebleven van de politie en de veiligheidsdiensten toen hij wapens kocht en contact nam met andere rechts-extremisten. Het is veiliger om hem krankzinnig te verklaren, dan hoeven er verder geen vragen meer gesteld te worden, dan kan hij simpelweg in de vergeetput, case closed. En als hij als geïnterneerde ooit dreigt vrij te komen, dan zal Justitie wel iets vinden om dat te voorkomen.
De algemene houding is: wij zijn een uiterst vredelievend land, dus kàn het niet dat wij een homegrown terrorist in huis hebben. En dus moet hij weggerangeerd worden.»
Eén maand voor de aanslagen zorgde de televisie- tocht van de Hurtigruten voor een volksfeest in Noorwegen.
Exact een maand voor de aanslagen was Noorwegen nog een toonbeeld van grote nationale vreugde. De Noorse publieke omroep NRK 2 volgde toen het Hurtigruten-cruiseschip dat in vijf en een halve dag van Bergen naar Kirkenes (boven de poolcirkel) vaarde. De schepen van de rederij Hurtigruten varen al sinds 1893 langs hun vertrouwde dagelijkse route, maar deze reis was non-stop te volgen op tv en op de site van de Noorse openbare omroep NRK. Het "langste en allertraagste tv-programma ter wereld" werd een ongeëvenaard succes. Later bleek dat zo'n drie miljoen Noren korte of langere tijd gekeken had: dat is bijna 7O% van de bevolking. Op elk uur van de dag en de nacht waren er honderdduizenden tv-kijkers en op Facebook en Twitter vertelden fans dat ze 72 uren gekeken hadden zonder een oog dicht te doen.
Op zich was er weinig te zien. Vaak alleen maar de schuimende scheepsboeg of het panorama vanop de brug. Maar de boottocht werd een social event. Honderdduizenden wisten dat andere honderdduizenden zaten te kijken en op alle sociale media kwamen de uitroeptekens los: hoe geweldig dit was om deze reis te volgen. Ook langs de route zelf ontstond een volkstoeloop: er werd van overal intens gewuifd naar de boot, en niet alleen aan huizen werd de Noorse vlag gehesen, maar ook op bruggen, steigers en vuurtorens. Op het water kwamen speedboten en zeilscheepjes langszij om de passagiers te begroeten, op bruggen en staketsels stonden muziek- en volksdansgroepen blij te spelen en waar geen muziek was, daar klonken kanonschoten of luidden de kerkklokken. In de schemer van de midzomernacht konden de passagiers op de oever vreugdevuren zien branden, ontstoken tot in de kleinste gehuchten en de meest afgelegen boerderijen. Het was een collectieve geestdrift die miljoenen in de ban hield, er was sprake van nationale trots, en mensen schreven dat ze met tranen in de ogen hadden zitten kijken. Ik heb zelf ook de vreemde ontroering ondergaan van dat traag varende schip dat door al die samenhorigheid plots uitgroeide tot een nationale held.
Op woensdag 22 juni kwam de boot aan in Kirkenes, op vrijdag 22 juli arriveerde het noodlot in Oslo en Utøya. De rimpelloze wereld voor altijd gebroken.
Ik hou van jullie xxx
Ingrid Sønstebø (43) is de kommunepsykolog van de gemeente Ringerike, dat is de hoofdgemeente waarbinnen het eiland Utøya gelegen is. Sinds 22 juli heeft ze zo'n tachtig inwoners op consultatie die bij de hulpverlening betrokken waren als ambulancier, politieman of reddingswerker, of die op de dag van de schietpartij in de buurt waren als campinggast of als gezin dat een vakantiehuis bewoonde nabij Utøya. In oktober was ze ook terug op het eiland, samen met nabestaanden en overlevenden.
SØNSTEBØ «De voormiddag van die bezoekdag was voor de ouders van de slachtoffers, de namiddag voor de overlevenden. De politie leidde de ouders rond en wees waar hun kind gestorven was, en werkelijk, die agenten -meest mannen dan nog- waren geweldig, zo empathisch als ze omgingen met die ouders: hoe ze het kind gevonden hadden, hoe het daar lag, wat het bij zich had, ze hebben dat heel omzichtig en correct weten te vertellen.
Politie, brandweer en Rode Kruis hadden ook schoongemaakt. Nergens lagen nog kogelhulzen, nergens was nog bloed of een ander spoor van terreur te zien. Mij troffen de happy things die je ziet. Zo hingen er nog affiches met reclame voor een cake-abonnement: voor 100 kronen mocht je gedurende heel dat kamp zoveel cake en wafels eten als je wilde. Waffles are good for you! Het stond er alsof het kamp nog bezig was.
Ik zag die ouders over dat Love Path gaan, dat grintpad rond het eiland, en je voelde haast hoe die jonge gasten daar met plezier hadden rondgelopen en tegelijk wist je: hier zijn velen de dood ingelopen.
Veel ouders vertelden ook over de smsjes die ze nog hadden gekregen van hun kind, dat was na de bomaanslag in Oslo. "Mama, papa, maak je geen zorgen, wij zitten hier veilig, dit eiland is the safest place on earth!" En een goed uur later kregen ze bericht dat er een schietpartij aan de gang was. Sommige ouders hebben dat hele drama kunnen volgen via berichten van hun kind. Voor die ouders was dat verschrikkelijk. Je bent ouder, je wil instaan voor je dierbaarste bezit, en hier stonden ze machteloos. Dat was zo traumatiserend. Zelfs ouders die hun kind terugzagen, zijn nog altijd getraumatiseerd omwille van de angsten die ze doorstonden. De ouders die hun kind verloren houden al die berichtjes bij. Die laatste keer dat er "Jeg elsker dere!" ("Ik hou van jullie!") op die display staat, dat betekent zovéél voor hen.
GVA 22/7/12
Humo: De ouders konden ook bloemen achterlaten op de plek waar hun kind gestorven was.
SØNSTEBØ «Dat was geweldig. Er stonden overal emmers waar ze prachtige rode rozen konden nemen. En er waren ook kaarsen. En heel veel ouders hebben een foto genomen van die plek met de bloemen en de kaarsen, voor hen is dat als een graf dat daar achterblijft. Toen we 's avond weer naar de kant vaarden, was dat ook zo innig; dat eiland met die donkere contouren, en al die lichtjes die je kon zien! Ja, voor die ouders was echt goed gezorgd. Op de middag konden ze met andere ouders bij elkaar zitten in een grote tent, de tafels waren mooi gedekt met eten en drank, een heel waardig afscheid was dat.
Angst voor de trilfunctie
In de namiddag was het de beurt aan de overlevenden. Die wilden allemaal de route volgen die ze toen gelopen hadden om te ontsnappen. (imiteert de opgewondenheid) Hier liepen we! Hier zaten we verstopt! En toen was hij daar ineens! En daar, dààr heeft hij m'n vriend doodgeschoten!
Het is belangrijk dat ze daar terug kunnen gaan. Want meestal herinner je je een chaotische reeks van heftige gebeurtenissen, en door terug te gaan, zorg je dat er een logisch verhaal ontstaat, zorg je dat er orde ontstaat in die chaos, zo krijg je weer greep op die dramatische ervaring.
We zijn ook in het cafetaria geweest waar veel doden zijn gevallen, daar zag je nog wel de kogelgaten en hoeveel er waren. Wie daar levend ontsnapte, die mocht van een mirakel spreken. Ik sprak een meisje dat van de eerste verdieping in paniek naar beneden was gesprongen. Ze brak haar enkel, ze kon zich alleen nog voortslepen, ze zocht beschutting achter een boom, en daar zag ze Breivik naderen, en terwijl ze zich nog kleiner maakte, zag ze hoe hij andere jongeren neerschoot. En zij die dacht dat ze het niet zou overleven, vanwege die enkel, zij overleefde. Een ander was er getuige van hoe een meisje een jonger kind troostte, ze konden geen kant meer uit, ze zagen Breivik naderen, maar dat meisje bleef dat kind maar sussen, en dan werd ze doodgeschoten. Terwijl ze de armen rond dat kind hield. (schudt het hoofd) Je houdt het niet voor mogelijk wat sommige jongeren hebben moeten zien.
Dan heb je ook het Skolestua bezocht, dat is het oude schoolhuis dat als slaapzaal werd gebruikt. Daar hadden ze zich met zevenenveertig verschanst en voor de ramen hadden ze matrassen gezet. Hij heeft daar niemand kunnen doodschieten. Hij heeft in het slot geschoten, en toen dat niet open sprong, is hij weggegaan. Maar de angst die ze daar hebben uitgestaan! Bijna allemaal waren ze onder de stapelbedden gekropen, ze hielden mekaar vast en in een kluwen lagen ze onder die bedbodems, alsof dat een bescherming bood. En ze hadden hun cell phones op stil gezet en op een hoop gegooid, maar zelfs die bzzz van de trilfunctie was soms hoorbaar in die ijzige stilte, en hoe bang ze waren geweest dat hij dat tot buiten zou kunnen horen. Je moet het je voorstellen dat ze daar anderhalf uur gelegen hebben en anderhalf uur voor hun leven hebben gevreesd. Ze konden ook niet naar buiten kijken vanwege die matrassen voor de ramen, dus die zaten echt opgesloten in hun angst, they were trapped.
Humo: Veel van die overlevenden zullen een posttraumatische stresstoornis hebben opgelopen.
SØNSTEBØ: «De enquêtes daarover zijn nog aan de gang. Het hangt ervan af hoe ernstig je voor je leven gevreesd hebt en hoe lang die angst geduurd heeft. Hier was het een zeer ernstige angst die zeer lang geduurd heeft. Het maakt ook een verschil of je door een natuurramp dan wel door een "medemens" getroffen wordt. In het ene geval kan je dat accepteren als "iets van buitenaf" waar niets tegen te doen was. Maar in het andere geval kan je hele wereldbeeld, je hele vertrouwen in de mens en de mensheid geschokt zijn.
Als je beide factoren optelt, zou dat PTSS-percentage dus zeer hoog kunnen liggen, maar ik hoor van veel jonge gasten dat ze erin slagen om door te gaan met hun leven. Neem al degenen die politiek actief blijven zelfs nadat ze zo zwaar geterroriseerd zijn. Zij zeggen dat ze de jongsten hoop willen geven, dat ze voor de jongsten een voorbeeld willen zijn. We will be okay, zeggen ze, we will manage. Ik bewonder ze, want ik weet hoeveel moeite het hen kost. Dat ze het hoofd recht houden komt volgens mij ook omdat er zoveel steun en troost was van de natie, er wordt hier in Noorwegen echt mee-geleefd.
Humo: Ik heb met Vietnamveteranen gesproken waarvan velen PTSS hadden. Niet alleen om wat ze in de oorlog hadden meegemaakt, maar ook vanwege de ontvangst "back home". Ze werden met de nek aangekeken door de media, werden op straat beschimpt als kindermoordenaars, terwijl ze als miliciens niet eens gevraagd hadden om daar te zijn.
SØNSTEBØ «Dat is het verschil, wij beschouwen die jonge gasten haast als helden omdat ze daar levend vandaan zijn gekomen. Wij zien ook in dat niet alleen Oslo en Utøya, maar dat heel Noorwegen is aangevallen. Dat hij heel ons maatschappijmodel heeft willen treffen, en daarom zijn we zo medelevend. Iedereen voelt zich geraakt. The whole society was under attack.
© Jan Hertoghs
Humo: U hebt allicht overlevenden gesproken die last hebben van flashbacks.
SØNSTEBØ «Ja, en zo'n flashback grijpt je echt naar de keel. Een buitenstaander kan zich dat niet inbeelden, het is niet zomaar aan de feiten terugdenken en zwaarmoedig worden. Nee, je zit thuis en ineens (imiteert zeer heftige schrikreactie) ben je terug op Utøya en je beleeft opnieuw dat moment dat je in hevigste doodsangst verkeerde. It feels as if it 's happening right now. Bij de enen is dat een "film", een sequentie van beelden, bij anderen is dat één beeld in close-up, nog anderen hebben een intens en bijna ziekmakend gevoel van horror dat hen overvalt. Zo'n flashback wordt getriggerd door iets dat aan het voorval herinnert. Een knal van een uitlaat of een ontploffende ballon kan genoeg zijn. Vandaar ook dat PTSS-patiënten aan vermijding gaan doen. Alles wat zo'n vreselijke flashback kan triggeren, alles wat hen terug naar Utøya slingert, dat mijden ze.
Humo: Het zien van een politieman op straat kan een trigger zijn.
SØNSTEBØ « Ja. En het komt er dan op aan om jezelf "tegengif" toe te dienen, om genoeg politielui te zien of genoeg vuurschoten te horen, dan gaan die triggers uitdoven. Er zijn Utøya-overlevenden die in groep een schietstand van de politie hebben bezocht. Tot ze die knallen konden aanhoren zonder heftige reacties. Dat vind ik heel sterk van ze, en dat hadden ze niet van een psycholoog, dat hadden ze zelf bedacht. Oudejaarsavond was ook een probleem, veel van die jonge gasten waren bang voor de voetzoekers en het openluchtvuurwerk. Maar omdat ze allemaal psychische follow up krijgen, waren ze erop voorbereid. Sommigen zaten thuis naar een rustige film te kijken, maar wel in de kelder en mét een koptelefoon op. Anderen waren met Utøya-lotgenoten samen wat ook een manier is om rustig te blijven. Er waren er ook die op reis gingen naar het buitenland en/of naar een afgelegen streek met weinig nieuwjaargedruis.
Naast de flashbacks en de vermijding is er nog een derde PTSS-symptoom en dat is voortdurende spanning. Het minste kan hen opjagen. Ze wandelen door een straat, iemand die een bus wil halen, komt rennend hun richting uit en ze staan al op hun benen te trillen. Eigenlijk zijn ze doorlopend in hoogste staat van paraatheid en dat is zo uitermate vermoeiend dat ze slecht slapen, dat ze zich niet kunnen concentreren en dat ze slecht verder kunnen met studies of werk. Sommigen moeten thuis blijven van hun werk of dat schooljaar overdoen.
Psychologe Ingrid Sønstebø (ingescand uit Humo/ Karl Braanaas)
Humo: Wie levend uit zo'n situatie komt, heeft soms te kampen met een zwaar schuldgevoel. Zo zijn er overlevenden van de concentratiekampen die eronder gebukt gaan dat zij het redden, en dat de rest van hun familie dood is.
SØNSTEBØ: «The survivor guilt. Daar hebben veel Utøya-overlevenden last van. Want iedereen klopt op hun schouder dat zij het gered hebben, maar zij vinden soms dat het niet terecht is. Vaak hebben ze opgekeken naar iemand die ouder was, of sympathieker, of politiek talentvoller, en die mensen zijn dan dood, en zij leven nog. Waarom moet ik leven? Ik verdien het niet! Anderen zijn dan weer diep ontgoocheld in zichzelf: waarom was ik niet dapper genoeg, waarom heb ik die of die niet geholpen?! Ook daarover hebben sommigen schuldgevoelens. Eén overlevende zag van nabij haar vriendin doodschieten en ze vroeg zich af waarom ze zich "niet voor die kogels had gegooid?" Het was een dwanggedachte die haar niet los liet. Ik heb haar gevraagd of ze werkelijk dacht dat Breivik het leven van haar vriendin zou sparen nadat zij zich voor die kogels had gegooid. Ze dacht na, en ze zei "nee" en nu heeft ze ingezien dat dat schuldgevoel onterecht is.
Humo: Maar daarmee breng je die vriend(in) nog niet terug.
<SØNSTEBØ> «Dat klopt. Dat schuldgevoel kan je wegnemen, maar dat verdriet, dat blijft. En dat verdriet moet je ook niet willen uitwissen, het gaat immers om iemand die je grààg zag.
Humo: Waarom denk je dat Breivik die elfjarigen "spaarde"?
<SØNSTEBØ> «Sparen? Ik denk dat het berekening was. Dat hij alleen maar kogels spaarde om alvast de groten te kunnen doodschieten. Die kleintjes, die zouden wel volgen, die kreeg hij nog wel. (Breivik keerde af en toe terug naar zijn wapenkoffers om nieuwe ammunitie te halen,jh). Er zijn ook getuigenissen dat hij niet alles of iedereen zàg. Sommige overlevenden waren steil verwonderd dat hij hen voorbijliep terwijl ze amper dekking hadden van wat hoog gras. Uit rapporten is gebleken dat hij al verschillende maanden anabole steroïden nam. Dat is om je spieren te versterken, maar allicht nam hij ze ook voor de psychische effecten, want het maakt je agressiever en het vermindert je empathie, het maakt je detached van wat je doet. Hij nam die dag ook een cocktail van allerlei producten, met onder andere ephedrine (wat je alerter en actiever maakt), en die cocktail moest hem van genoeg agressie voorzien voor die aanslagen. Maar tegelijk moet hij niet al te helder zijn geweest in z'n hoofd, vandaar dat hij sommige 'doelwitten' letterlijk over het hoofd heeft gezien.»
DEEL 3: DE ontreddering van de redders.
Tien jaar na de tragedie in Utøya (1): het relaas van de overlevenden
Vandaag is het tien jaar geleden dat Noorwegen getroffen werd door de aanslag op een regeringsgebouw in Oslo en de moorddadige raid op een jeugdkamp op het eiland Utøya . In totaal vielen 77 doden. Ik heb een persoonlijke band met Noorwegen, een land dat ik ken van vele avontuurlijke vakanties . Acht maanden na de tragedie reisde ik naar Oslo en Utøya om met overlevenden te spreken. Het was aan de vooravond van het proces tegen de dader Anders Breivik.
Humo april 2012 - licht ingekort © Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo / Adrian Johansen - Dagbladet
"Utøya is de beste plek om een lief te vinden!"
Haat kan gedijen en diep wortel schieten, zelfs onder de noorderzon, en op vrijdag 22 juli 2011 plaatste Anders Behring Breivik een zware autobom in de regeringswijk van Oslo. Ze kostte aan acht mensen het leven. Daarna reed hij naar het 40 km verdergelegen eiland Utøya waar de jeugdafdeling van de Arbeiderspartij haar zomerkamp hield. Hij kamde het eiland uit en schoot negenenzestig (hoofdzakelijk jonge) kampeerders dood. Op die manier rekende hij af met "de landverraders van het ethnische Noorse volk". Straks is het 16 april en begint in Oslo het proces tegen de 32-jarige die zichzelf tot "kruisvaarder" benoemde tegen de "islamitische invasie" annex de "multiculturele overrompeling" van Europa. Kort voor dat proces ging Humo naar Noorwegen en sprak er met de betrokkenen van 's lands zwaarste tragedie sinds Wereldoorlog II.
Vannacht heeft het nog zacht gesneeuwd tegen de ramen van het luchthavenhotel, maar op deze morgen in maart smelt de sneeuw voor de zon. Zo'n noordelijke winter trekt zich maar schoorvoetend terug. De weiden en akkers die tegen het bos liggen hebben nog hun oude sneeuw, een rivier stroomt donker tussen het ijs aan de oevers, en zelfs in de industriezones liggen nog hompen bijeengeduwde sneeuw.
Ik ken Noorwegen eerder van julimaanden. Het avontuurlijke rijden langs de smalle landwegen, het altijd dichtbij weten van zee en bergen, het aan de rotsrand van een fjord staan en een zalm of kabeljauw kunnen haken, en als het lang regent, dàn beschutting zoeken in de boeken van Knut Hamsun. Eén keer hebben we veertien dagen op een eiland van honderd inwoners gewoond. Krabbenfuiken uit de zee tillen, een motorboot nodig hebben om boodschappen te doen, en 's morgens ontwaken in een kamer met zicht op de oceaan. We deden huisruil, woonden in huizen van Noren en intussen woonde dat Noorse gezin in ons Belgische huis. Zo heb ik een band met dit land.
De voorpagina van de Noorse krant Dagbladet
In Oslo zal ik Ali Esbati (35) spreken. Hij is een overlevende van de tragedie. Met zijn ouders verliet hij Iran in de jaren tachtig; om humanitaire redenen kregen ze een verblijfsvergunning in Zweden en nu woont hij in Noorwegen waar hij econoom is en medewerker van de progressieve denktank Manifest. En hoewel we mekaar niet kennen, hebben we het al na ampele minuten over de Zweedse anarchist Joel Hägglund (1879-1915) die in Amerika bekend zou worden als de vakbondsleider Joe Hill, en ook over die andere treinzwerver en activist Woody Guthrie en zijn biografie Bound for Glory, een boek dat we allebei briljant vinden, en zo schudden we mekaar opnieuw en hartelijker de hand. Vrienden van Joe en Woody, dat is een schone Internationale.
Ali vertelt over die 22ste juli, die vrijdag dat hij zinnens was om hooguit twee uur op Utøya te blijven...
"Het AUF (de Arbeidernes Ungdomsfylking = jongerenorganisatie van de Arbeiderspartij) had me gevraagd om die dag een workshop te geven over hoe de rechtse regering in Zweden de sociale zekerheid had ondermijnd. Voor Noren is dat relevant omdat Noorse centrumrechtse partijen ook die houding hebben om de sociale zekerheid aan te vallen. Ik ben tegen drie uur met de bus aan die kaai gekomen waar je een kleine overzet naar het eiland kan nemen. De workshop zou van half vier tot half vijf duren en normaal gezien zou ik daarna Utøya weer verlaten. Er waren zo'n veertig aanwezigen, en al tijdens de workshop zag ik verschillende gasten sms-en krijgen, blijkbaar over een "explosie" in Oslo. Ik heb m'n lezing dan maar snel afgerond omdat iedereen begon rond te bellen, en zo hoorden we dat de "explosie" een aanslag was. Omdat de bom in het centrum ontploft was, kon iedereen zich wel iemand voorstellen die daar zou kunnen zijn, om te werken of te winkelen, en ook het secretariaat van het AUF is in dat centrum gelegen. Ik zag op mijn iPhone ook veel gemiste oproepen, onder andere van mijn moeder. Ze was heel ongerust, ze dacht dat ik in de stad was, dus ik heb haar direct gebeld, dat ze zich geen zorgen hoefde te maken, dat ik op een eiland zat, een heel eind van Oslo... En zo hebben velen hun vrienden en familie gerustgesteld. Daarna heb ik mijn vrouw gebeld, die was toen zes maanden zwanger, ik dacht dat zij in de stad was, maar dat bleek gelukkig niet waar.
Al snel kwamen we te weten dat het openbaar vervoer naar en in Oslo helemaal platlag, en zo ben ik dan maar op het eiland gebleven; ik wilde wachten tot alles weer in orde was. Ondertussen kregen we te horen dat er om vijf uur een korte vergadering zou zijn. Daar is toen wat uitleg gegeven, het weinige dat men al wist van de bomaanslag. Achteraf gezien is dat een groot geluk geweest dat Breivik geen twintig minuten eerder is aangekomen, want die vergadering werd bijna door iedereen bijgewoond, door haast alle zeshonderd aanwezigen. Hij had daar véél meer slachtoffers kunnen maken.
Ali Esbati: “Mijn vrouw was een target. Breivik wilde haar onthoofden.” (ingescand uit Humo/ Lars Eivind Bones - Dagbladet)
Op sokken
Na die uitleg ging iedereen weg, naar zijn tent, of naar de activiteit waarmee ie bezig was. Ik ben van het zaaltje van de workshop naar het cafetaria gegaan, ik heb er een broodje besteld, en in afwachting zat ik het nieuws op m'n iPhone te lezen, tot ik ineens een vreemd geluid hoorde: het leek op vuurwerk, eerder nog van die bommetjes die jongens wel eens op straat gooien. Ik zag ook dat mensen bezorgd door het raam keken, zo was de sfeer ook, men was somber en gespannen door die aanslag, en niemand begreep dat een of andere onnozelaar nu tijd had voor dat soort grapjes. Tot er meisje de deur open gooide: "liggen! liggen! iedereen op de grond! "
En iedereen legde zich ook op de vloer, ik dacht dat er in de keuken iets misliep met een gasfornuis en dat men geen risico wilde nemen. Maar toen stormde er iemand binnen langs een andere deur en die gilde: weg! weg! iedereen moet hier weg! En toen was er wel paniek, mensen rukten ramen open om naar buiten te springen, en bij de deur had ik schrik dat we mekaar gingen vertrappelen, zo heftig was die vlucht.
Naar Noorse gewoonte had ik m'n schoenen uitgetrokken bij het binnengaan van het vergadercentrum, wat maakte dat ik op mijn sokken naar buiten ben gelopen. Ik was niet de enige, velen hebben bijna anderhalf uur zo goed als blootsvoets rondgelopen. Eerst hebben we met een groepje gebukt tussen de struiken gezeten, en de eerste keer dat ik m'n hoofd durfde oprichten om naar het cafetaria te kijken, zag ik buiten twee lichamen liggen. Ik kon niet weten dat ze doodgeschoten waren, maar hun "houding" zei me dat het ernstig was. We zijn dan snel een rotshelling afgerend, pas een maand later heb ik gezien hoe steil die was, en ook nat en glibberig, ik zou er nog geen kousenvoet op dùrven zetten, maar op dat moment deed ik dat gewoon. En terwijl we opnieuw achter enkele struiken zaten, kwamen er drie gasten die een gewond meisje droegen, ik schat dat ze negentien was. Ze legden haar neer en ze bloedde uit haar buik en uit haar mond, waar ze een kogel door de wang had gekregen. Pas toen drong het tot mij door dat het om een schietpartij ging. En dat meisje bleef maar herhalen dat ze nog niet wilde sterven, nu niet! nu niet!, maar als ze dan toch moest sterven, dat wij dan allemaal fantastisk waren geweest voor haar. Ik zie ons nog staan, allemaal geschokt en ontroerd tegelijk. Ze was echt nog helder, want ze zei ook dat ze aan onze gezichten kon zien dat het heel ernstig was, en dat ze zelf ook wel dacht dat ze ging sterven. Er kwam toen iemand die verstand had van EHBO en ik ben dan verder gelopen tot achter een kapotte skateboardramp, en daar heb ik het noodnummer ingetikt, en de man aan de lijn zei dat ze onderweg waren, en dat we ons verder moesten blijven verstoppen. Ik heb dan ook naar m'n vrouw ge-smst dat er een schietpartij was maar dat ik "oké was". En toen belde ze natuurlijk terug en dan heb ik gezegd dat ik weinig meer wist, maar dat alles wel in orde zou komen. Dat heeft ze mij fluisterend horen zeggen, waardoor ze het gesprek ook heel kort heeft gehouden. Ik heb nog wel heel intens kunnen zeggen dat ik van haar hield.
Jongetje van elf
En heel de tijd konden we schoten horen. Het was geen ta-da-da-da-da-da als van een mitrailleervuur, het was eerder een gericht schieten: paw! pa-ba-baw! pa-baw! Maar door de weerkaatsing tegen de rotsen, door het dempen van het struikgewas en ook door het ver dragen van die knallen op het water wisten we absoluut niet wààr en door wie er geschoten werd. Op die plek waar ik toen zat, heb ik ook een jongetje van elf gezien dat voortdurend huilde, het werd getroost door een oudere jongen, en later vernam ik dat z'n vader kort tevoren doodgeschoten was.
Wat zei je tegen jezelf om kalm te kunnen blijven?
Esbati: "Vreemd genoeg voelde ik geen angst. Ik was heel kalm, heel gefocust, ik kon heel scherp kijken, heel gespitst luisteren, het is alsof je lichaam zich in een andere modus schakelt. En normaal heb ik een hekel aan kou en nattigheid, maar op geen enkel moment voelde ik me ongemakkelijk vanwege die gietende regen en die kapotte en doorweekte sokken.
Ik weet dat je atheïst bent, maar heb je gebeden? Het zou toch verklaarbaar zijn dat je op zo'n momenten terugvalt op het geloof van je jeugd en van je ouders.
Esbati: "Ik heb niet gebeden en ook niet aan een god gedacht. I was in the moment, ik kon alleen maar denken dat ik daar levend vandaan moest zien te komen. En er racet wat door je hoofd als er de hele tijd schoten klinken. Ik heb onnoemelijk veel scenario's doorlopen, en wat me nog het meest aannemelijk leek, was dat er een terreurgroep was, dat ze mensen hadden doodgeschoten en anderen gegijzeld hadden, en dat er nu een vuurgevecht met de politie aan de gang was, vandaar de vele schoten. In géén enkel scenario had ik kunnen denken dat één man dat hele eiland wilde uitmoorden. Ineens kwamen de schoten weer dichterbij, en tegelijk kwam een grote groep jonge gasten heftig aangelopen, we zijn met hen mee gevlucht, langs het grindpad dat rond het eiland loopt. Die mensen waren ontsnapt uit de buurt van het pomphuis waar hij velen heeft doodgeschoten.
We liepen naar het zuiden, en na een eindje zag ik naast de weg twee meisjes geknield bij een jongen zitten, hij had schotwonden in beide benen. Ik heb m'n jasje onder hem gelegd, ik heb gezegd dat alles wel in orde zou komen, maar het meest heb ik nog de moed van die twee meisjes bewonderd. Eentje had haar t-shirt uitgedaan, ze stond in haar bh, en met dat shirt maakte ze tourniquets om het bloeden van die schotwonden te stelpen.»
uit GVA 11/2/2012
De Mohikaan!
Terwijl Ali Esbati getuige was van die primitieve eerste hulp, waren er intussen ook jongeren die verzet wilden plegen tegen Breivik. Dat waren de jonge Tsjetsjenen Movsar Dzhamayev (17) en Rustam Daudov (16) die met eigen kinderogen de bloedige oorlog in hun land hadden gezien en die daardoor minder uit hun lood waren dan de "vredelievende Noren". Movsar belde zijn vader en die bezwoer zijn zoon dat hij dapper moest zijn: "val die indringer aan en doe het van de eerste keer goed!" Samen met nog een derde jongen raapten ze stenen op en slopen ze naar Breivik. Maar toen ze hem tot op enkele meters genaderd waren, schoot hij één van hun vrienden "in de kop en toen hebben we onze stenen weggegooid en hebben we moeten rennen voor ons leven. Het was onbegonnen om iets tegen hem te doen."
Esbati: «Het moet toen al na zessen zijn geweest, toen ik bij die meisjes en die gewonde jongen zat, want ineens hoorde ik een helicopter en loeiende sirenes die van het vasteland leken te komen. Dat was een opluchting, het zag ernaar uit dat alles gauw voorbij zou zijn. Tegelijk was ik toch wel bang van een grootschalige inzet van elitetroepen: stel dat ze mij vanwege mijn arabisch uiterlijk "per ongeluk" zouden neerschieten?! Dat was op dat moment zelfs mijn grootste schrik.
Uiteindelijk klonken er weer schoten, en liep ik langs dat pad verder naar de zuidpunt van het eiland, daar waren nog jongeren, en allemaal hadden ze dat grindpad onderweg al willen verlaten, maar omdat de rotsen langszij zo steil waren, was dat onmogelijk. Op dat zuidelijke punt liepen de rotsen af naar een kleine baai, en sommigen stonden al tot hun middel in het water, twijfelend of ze naar het vasteland zouden zwemmen of niet. Ik wachtte af, ik kon de ambulances zien staan aan de overkant, op zevenhonderd meter van ons, en ik vermoedde dat "het" elk ogenblik gedaan kon zijn. We hadden ook al een boot op ons zien afkomen, we hadden gewuifd en zelfs geroepen, maar ineens draaide die bruusk weg, en pas later hebben we beseft dat Breivik op die boot geschoten heeft.
En dan voélde ik plots onraad. Ik draaide me om en ik zag hém, op vijftien meter van ons: wij stonden bij het water, hij liep nog op de rotsen. Ik kon zijn grote gestalte, zijn uniform en zijn blonde haar zien, en zijn gezicht dat kalm maar lichtjes bezweet was, en ineens brak het wolkendek open en viel er een streep zon op zijn hoofd, en het was alsof hij ineens een Mohikaan was, met een kam blond haar en met twee donkere zijkanten. En ik vertel dat nu in een paar seconden, maar ik zag dat in één split second, en toen riep hij iets in de aard van "it's okay! it's the police here!", maar tegelijk zag ik dat hij zijn grote geweer optilde en in een flits heb ik me naar het fjord gegooid en dàn begon hij te schieten. Het is gedaan met mij, dacht ik, en vallend en struikelend ben ik beginnen zwemmen. Ik kan slecht zwemmen, ik maakte wat dwaze slagen na elkaar, en bij elke slag voelde ik een schot in m'n rug, niet dat hij me raakte, maar ik voelde mij een groot en makkelijk doelwit, als ik gekund had, had ik in een bolletje gezwommen.
© Jan Hertoghs
Papa dood
Na vijfentwintig meter was er een rotseilandje met een paar bosjes en daar kon ik me verstoppen. En met m'n lichaam in het water en met m'n hoofd er net bovenuit durfde ik kijken en zo zag ik ook Bjørn zitten, een gast die ik onderweg had leren kennen, hij had zich intussen al over twee kleine jongens van elf jaar ontfermd (waarvan allebei hun vader was doodgeschoten, jh). Ik zag dat Bjørn af en toe zijn hand voor hun mond stopte, die jongetjes waren zo bang, maar hij wilde niet dat ze gingen roepen en schreeuwen. Ik keek ook naar de oever en daar zag ik vijf of zes lichamen liggen die niet meer bewogen, dat waren jongeren die eerder bij ons stonden in die kleine baai.
Omdat ik zo dicht bij de dood was geweest, wilde ik absoluut nog één keer m'n ouders en m'n vrouw bellen, maar het water had m'n iPhone defect gemaakt en toén voelde ik me ineens hulpeloos en alleen. Zolang ik die smartphone had, was dat een geruststelling: ik had een lifeline, ik had een link met de buitenwereld. En nu zat ik hier, en niemand kon me helpen. My body was calm, but my thoughts were racing. Ineens kwamen er allemaal herinneringen in me op, over gezelligheid bij m'n ouders thuis, over een terrasje in Stockholm waar ik met vrienden zat op een warme zomeravond, het was niet de film van mijn leven, het was meer een diep verdriet, dat al die aangename dingen van het leven hier een einde namen. En wat nog het meeste pijn deed, was dat iemand mijn ouders moest vertellen dat ik dood was en hoe verschrikkelijk dat voor hen zou zijn, en ook dat ik m'n vrouw nooit meer ging terugzien en dat ik onze baby nooit zou kennen.
Wat ik niet wist, was dat Breivik kort nadien gearresteerd was, dichtbij de baai waar we zaten. Het bleef ook een tijd stil dat we geen schoten meer hoorden en dan zagen we ineens een politieman op het strand: "Dit is de gewapende politie! Dit is de politie!" Maar niemand van ons durfde zijn kop opsteken, daarvoor was de argwaan te groot. Die man ging hoger op de rotsen staan en ineens zag hij ons, mijn hart sprong in mijn keel, maar deze agent trok geen wapen, en toen hij vroeg of er iemand van ons gewond was, toén durfden we naar het strand te komen. Hij vroeg ons met aandrang om dààr te blijven en nergens heen te gaan, er zou direct hulp komen.
Ik had erg te doen met die twee jongetjes die bij Bjørn waren, die gastjes huilden en snikten maar dat hun papa dood was, en dat iedereen die ze daar kenden ook dood zou zijn, en met nog twee anderen hebben we die gastjes zo goed als dat ging getroost. Bjørn heeft zelfs gevraagd wat ze voor kerstmis dachten te krijgen. Toen er een tweede politieman ook kwam vragen of we gewond waren en ook wéér weg ging, toen werden die jongetjes hysterisch. Eentje liep achter hem aan, mister policeman , please, please, take me with you! Dat kind wilde niet achter blijven, dat dacht dat het daar zou sterven als er niemand bleef om over hen te waken. Dat kind was ook extreem overstuur, zijn papa was een politieman die daar op Utøya was, een soort van steward om voor de veiligheid te zorgen, en die papa-politieman had hij zien doodschieten door een andere politieman.
De kleine overzetboot waarmee Breivik op het eiland geraakte. Hij droeg een politieuniform en had een auto vol met wapens en ammunitie. © Jan Hertoghs
Inferno aan emoties
Uiteindelijk zijn we naar een punt gebracht waar een shuttle was van boten, en Bjørn heeft die jongetjes in de boot genomen en naar de overkant doen kijken, want op de oever achter ons lagen meerdere zwaargewonden en ook lichamen onder lakens. Wat verder in het water dreef een reddingsvest, die vesten waren uit boten gegooid door kampeerders die niet te dicht durfden komen, maar toen we langs vaarden, zag ik dat het een lijk was, met de rug naar boven, en omdat er lucht onder zijn windjak zat, leek het op een reddingsvest.
De man die ons wegbracht met zijn speedboat, was een campinggast van de overkant. Aan de oever van die camping was het een geharrewar van ambulanciers die een triëring maakten tussen licht- en zwaargewonden. En op brancards lagen rijen van bloedende mensen.
Drong toen de ware omvang van dat drama tot je door?
Esbati: "Nee, dat was pas uren later. Ik heb er nog met Bjørn over gesproken, hoe we beiden een heel ander besef hadden van die schietpartij. Ik had hier en daar enkele lijken gezien, dus ik dacht dat heel veel mensen het overleefd hadden. Maar mensen zoals Bjørn die bij het begin vele anderen hadden zien doodschieten, die dachten andersom. Die meenden dat iederéén stelselmatig was uitgemoord, en dat zij zowat de enige overlevenden waren. Hun doodsangst was veel groter geweest.
Omdat we alleen maar schrammen en kneuzingen hadden, mochten we te voet verder tot op de hoger gelegen rijweg. Daar was een "bushalte", daar was in zekere zin weer het normale leven, en daar zijn heel veel mensen ingestort. Sommigen zaten apathisch met het hoofd tussen de knieën, anderen liepen hysterisch schreeuwend rond, nog iemand stond in wanhoop tegen een verkeersbord te schoppen, een andere jongen huilde onophoudelijk, hij had zijn twee broers nog altijd niet terug gezien, "en wat moet ik nu aan ons mama vertellen?!" Tegelijk waren er anderen die hun doodgewaande vriend of vriendin terug zagen, dat gaf een schreeuw van vreugde, en ze vlogen mekaar om de hals. Ik kan het niet anders omschrijven als een inferno van emoties.
Ik heb iemands gsm gevraagd, maar ik kon noch m'n vrouw noch m'n ouders bereiken, het hele netwerk lag plat. Het is pas in het Sundvolden Hotel (=crisiscentrum) dat ik na lang aanschuiven kon inloggen op een computer en via Facebook heb ik m'n vrouw ingelicht: I'm alive! Toen was het al twee uur na het laatste schot. Mijn familie ging er eigenlijk al vanuit dat ik dood was omdat ze geen antwoord kregen op m'n iPhone. Ze zijn dan naar het crisiscentrum gekomen om me op te halen, en op weg naar Oslo hoorden we het nieuws op de autoradio dat er zeventig, mogelijk tachtig doden waren. Dat was een enorme schok voor mij, tot dan had de politie officieel over twee doden gesproken. Ik zei het ook tegen m'n vrouw, ze zeggen toch åtte (acht)? Nee, ze zeggen åtti (= tachtig)!
Onthoofden
In feite was je zijn prime target: je bent het "levende bewijs" van de multiculturele samenleving én je komt dan nog van een islamitisch land!
Esbati: "Hij had het moeten weten! En ook dat mijn vrouw de journaliste Marte Michelet was, dan had hij me zeker gezocht en omgebracht. Immers, de dag nadien kregen we telefoon van de politie, dat we niet veilig waren en dat mijn vrouw en ik weg moesten. Een tijd later stond er een politieauto voor ons appartement en werden we weggebracht naar een hotel. De reden was dat Breivik Marte's naam genoemd had bij de eerste verhoren door de politie. Marte stond op zijn dodenlijst samen met nog een paar andere progressieve journalisten. En omdat ze nog altijd niet zeker waren of hij nog medeplichtigen had rondlopen, moesten we elders gaan logeren.
M'n vrouw is columniste en journaliste voor de krant Dagbladet en ze schrijft heel veel over migranten en het migratiebeleid, dat was een doorn in het oog van Breivik. Komt erbij dat zij ook een lezing had gegeven op Utøya, twee dagen voor de schietpartij. Die lezing ging over racisme en islamofobie... en Breivik wist dat! Want uit latere politieverhoren is gebleken dat hij woensdag had willen kiezen voor zijn schietpartij, precies omdat hij wist dat mijn vrouw er toen was. Breivik vertelde de politie ook dat hij erover gefantaseerd had om haar te onthoofden en dat filmpje dan op YouTube te zetten.
Dat klinkt toch wel ziek dat hij haar hoofd wilde. Wat denk jij van het psychiatrisch rapport waarin hij krankzinnig is verklaard?
Esbati: "Die fantasie van dat onthoofden klinkt ziek, maar ik vind hem helemaal niet insane. Want hoeveel 'krankzinnigen' zijn er die een plan drie jaar nauwgezet kunnen voorbereiden én die het dan ook nog kunnen uitvoeren?! Ook zijn manifest kan je moeilijk "krankzinnig" noemen want op het net vind je duizenden die komaf willen maken met de multiculturele samenleving en die de moslims uit hun land willen schoppen. En oké, als je op één namiddag tachtig mensen de dood injaagt, dan ben je ziek, maar ben je daarom een krankzinnige losgeslagen massamoordenaar?! Als een fascist tijdens de oorlog tachtig mensen doodt in een dorp dat de partizanen gunstig gezind is, dan is hij ook ziek, maar je kan toch niet zeggen dat hij geen politieke daad heeft gesteld?! Hij handelde toch binnen dat gedachtengoed van het fascisme?!»
De journaliste Marte Michelet zou het zéker moeten ontgelden, maar aanvankelijk had Breivik een nog grootschaliger mediaplan. In februari raakte bekend dat hij bommen wilde leggen bij de publieke omroep NRK en bij de twee grootste Noorse kranten. Aan de politie zei hij dat de "media en alle journalisten als een doelwit van eerste orde" beschouwde. Hij wilde zijn bommen als pakket afgeven, en hij ging zich daarbij verkleden als Fed Ex koerier. Hij had ook al verkenningen uitgevoerd aan al die redactiegebouwen, maar op de duur zag hij af van zijn mediaplan af omdat de aanslag op Utøya makkelijker uit te voeren was.
Tonje Brenna: “Die zomerkampen zijn vrolijke bijeenkomsten met een lange traditie.” (ingescand uit Humo / Sveining U. Ystad)
Tenten en tipi's
Om een beeld te krijgen van de "vijanden" van Breivik en om te weten wat die zomerkampen inhielden, heb ik een afspraak met Tonje Brenna. Ze is vierentwintig, ze is algemeen secretaris van het AUF en ze was die vrijdag ook op Utøya ("al voor de vijfde keer"). Ze legt uit dat de kampen een lange traditie hebben en dat het op Utøya vaak een vrolijke bedoening was, dat kan ik opmaken uit haar snelle en ontwapenende lach.
Brenna: "Het eiland is al vijftig jaar eigendom van het AUF, we gebruiken het niet alleen voor onze zomerkampen maar voor al onze politieke bijeenkomsten en vormingscursussen. Ook andere progressieve organisaties mogen het kampterrein huren van ons. Het is nu einde maart, rond deze tijd hielden we altijd een lang weekend waarin we de gebouwen opknapten, het gras maaiden, het voetbalveld extra inzaaiden, enzovoort. Als die klussen gedaan waren, dan startte er weer een nieuw activiteitenjaar op Utøya.
Zo'n julikamp duurt een kleine week en naast de politieke workshops is er ook veel sport, vooral volley en voetbal. Elk jaar is er wel een voetbaltornooi waar de verschillende Noorse provincies tegen mekaar uitkomen, en elk jaar krijgen we ook wel een elftal van buitenlandse gasten bijeen. Vorig jaar hadden we gasten uit Oeganda, Libanon, Swaziland en Georgië, dat zijn dan invités van zusterorganisaties, zoals de Jongsocialisten van België ook een zusterorganisatie zijn. Ik ben zelfs zeker dat heel wat sociaaldemocratische leiders in Europa ooit als jonge gast op Utøya zijn geweest."
Is het een kamp waarbij je in tenten kampeert?
Brenna: "Ja, de meesten slapen in een tent die ze zelf meebrengen, van die iglo's voor één persoon, maar ook van die tipi's voor tien man. We hebben ook zo'n honderd vrijwilligers die instaan voor de keuken, het sanitair, de EHBO en de organisatie, en zij slapen in de gebouwen. Zo krijgen ze hun nachtrust, wat in de tenten niet zo vanzelfsprekend is (lacht)
Wat voor workshops worden er zoal gehouden?
Brenna: "Meestal hebben we in de voormiddag een lezing met een debat en na de middag volgen dan de workshops in kleinere groepen: over de Noord-Zuidverhouding, Palestina, de bankencrisis, het onderwijs, het milieu.
Ik denk ook dat Utøya het enige kamp ter wereld is waar de eerste minister van het land op het matje wordt geroepen; tenminste, als de sociaaldemocraten aan de macht zijn. De premier moet dan echt de confrontatie aangaan met ons. Er is geen podium, je moet geen kaart omhoogsteken als je een vraag wil stellen, nee, hij staat midden tussen ons en wij stellen al onze kritische vragen face to face. Premier Jens Stoltenberg heeft dat al vaker gezegd, ik ga graag naar Utøya, maar ik hou elke keer m'n hart vast! Dat eiland is dus niet zomaar een kampeerplek, dat eiland is deel van de identiteit van het AUF en van de Arbeiderspartij. Vier van de huidige ministers in de Noorse regering zijn op Utøya geweest en zijn leider van het AUF geweest.
The Love Path
Een maand na de tragedie zag ik een docu van de Noorse tv en daar zegden kampeerders dat Utøya the best place is om een lief te vinden.
Brenna: "Yep! Eén van de grootste Noorse kranten, Aftenposten, heeft eens een onderzoek gedaan en daaruit bleek dat Utøya the best place was for dating, en dat al jaren aan een stuk! Op de eerste dag hebben we ook altijd een gigantische speeddate, een kennismakingsgesprek waarbij je op een paar uur tijd een heel pak van de zeshonderd kampeerders kan leren kennen. En er is een wandelpad dat helemaal rond het eiland gaat, en dat we The Love Path noemen omdat het zo'n romantisch pad is, met uitzicht op het fjord. (toont een plattegrond) Kijk, vanuit de lucht gezien heeft Utøya zelfs de vorm van een hart.
In de programmatie zag ik dat je elke nacht nog naar de cinema kan, om twee uur!
Brenna: "Dat zijn onze night movies. Vroeger waren die in openlucht, maar omdat het soms te koud werd, draaien we ze nu in een zaaltje. En vaak is het een politiek of maatschappelijk getinte film of een documentaire.
Naast die late films hebben jullie ook nog late - en volgens de omwonenden- soms (te) luide feestjes.
Brenna: "(lacht) dat zal onze discobar zijn, die is er ook elke avond, en soms draagt dat geluid nogal ver over open water. Bad for the neighbors. Really bad (lacht luid). En dan zijn er ook nog pop- en rockconcerten. En meestal spelen er Noorse groepen, maar af en toe ook een buitenlandse band. En 's avonds bij het kampvuur wordt ook nog véél gezongen en gitaar gespeeld.
Voor dood blijven liggen
Jij was ook daar op die bewuste vrijdagnamiddag.
Brenna: "Ja, en ik ben met een groepje weggerend tot op dat Love Path en daar hebben we ons onderaan een steile rotshelling verborgen, tussen rotsen en struiken. Mijn voordeel was dat ik het eiland kende als m'n broekzak, want geloof me, het is geen vanzelfsprekende plek om je te verstoppen. Vanuit de lucht lijkt het alsof er dichte vegetatie is, maar dat zijn dennenbomen met een dichte kroon bovenaan, maar onderaan zijn het kale stammen. In feite is het een heel open eiland waar je heel ver kan zien. Het eiland is ook klein, iets meer dan tien hectaren. (Noot: het stadspark in Antwerpen is al groter, met zijn 14 ha, jh) Als je dan vijfenzeventig minuten de tijd hebt, dan kan je die plek volledig uitkammen zoals hij gedaan heeft. Op een bepaald moment heeft hij onze schuilplaats ook gedeeltelijk ontdekt en verschillende mensen doodgeschoten. Ik hield me voor dood, zo lag ik bewegingsloos tussen andere lichamen, en ik heb hem vlakbij gehoord (geeft met haar handen een afstand van één meter aan).
Je zat daar verstopt met zo'n twintig anderen. Hoe blijf je kàlm op die doodsbange momenten?
Brenna: "Door mekaar moed in te fluisteren. We called it the whispering game. We lagen dicht bij elkaar en ik fluisterde in iemands oor, don't worry, everything will be fine, tomorrow we will be home, soon there will be a boat that will pick us up, and we will have popcorn and sit in a sofa with a blanket, and our parents will be there... En dat fluisterden we van oor tot oor verder. En oké, het was wishful thinking, maar het had een kalmerend effect."
Back to normal
Volgend weekend en de week daarna is het eiland opnieuw open voor bezoekers.
Brenna: "Dat is de eerste keer dat we een breder publiek toelaten. In feite is er nog maar één bezoekweekend geweest, en dat was op de herdenking één maand na de aanslag. Maar toen mochten alleen de ouders komen van de slachtoffers, en ook de overlevenden zelf, die mochten één iemand meebrengen. Veel ouders hebben toen een foto van hun kind met bloemen en een brandend kaarsje achtergelaten op de plek waar hun zoon of dochter doodgeschoten was. De politie was erbij om die plekken aan te wijzen."
"Ik ben intussen al een keer of zeven terug geweest op Utøya, en in het begin was ik heel gespannen, maar dat mindert met de keer. Ik heb zoveel goeie herinneringen aan de voorbije jaren, en die komen stilaan terug. Ook nu het lente is, heeft het eiland niet meer die doodse aanblik. De vogels zingen, het gras groeit op het voetbalveld, er staan bloemen langs de kant van de weg, it's alsmost back to normal. En voor de mensen in het buitenland en ook voor de media die het eiland vroeger niet gekend hebben, is Utøya een crime scene, maar voor mij en de mensen van het AUF ligt dat anders. Als iemand in je huis breekt en alles overhoop haalt, dan kan je daar nog jaren onder lijden, maar dat blijft nog altijd je huis en je thuis."
DEEL 2: de onderzoeksjournalist en de psychologe van de overlevenden
Anders Breivik (ingescand uit Humo)
Zomeroverstromingen: het nieuwe normaal?
Historische overstromingen in grote delen van Wallonië en Duitsland. En ook overstromende rivieren in Limburg en Brabant. Er is heel veel menselijk leed, en er is sprake van schade die in de miljarden euro's zal lopen.
Het was niet zomaar langdurige en zware regenval, het was een ketting van wolkbreuken. Op sommige plaatsen in Wallonië viel meer dan 200 mm water op 48 uren tijd. In Jalhay viel 271 mm, dat is een vloed van 271 liter op een vierkante meter. Terwijl er in een maand juli zo'n 70 à 80 mm valt op 31 dagen.
De hoeveelheid water was ongezien, maar dit extreme weer in de zomer wordt al langer vooropgesteld door klimatologen.
Een Nederlandse klimatoloog voorspelde me al in 2005 dergelijke "wolkbreukzomers" met plotse intensieve regenval en overstromingen. Hij verklaart het mechanisme dat ze veroorzaakt.
Na twee zomers met een hittegolf, nu een zomer met een grote watergolf: worden deze weerextremen het nieuwe normaal?
Humo juni 2016 - ingekort - © Jan Hertoghs
Lees hier ook over de historische overstromingen van 1953:
1. De nacht dat duizenden gezinnen op hun dak kropen
2. De redders met de helicopter
Voorpagina van de speciale editie van La Dernière Heure 16.7.21
“We gaan het nog vaak meemaken dat één weertype wekenlang blijft bivakkeren.”
De maand juni van de zomer van 2016 was de natste sinds het begin van de metingen in 1833. Er waren maar zes dagen dat het niet regende, en er waren 20 dagen met onweer.
Niet alleen de riolen ook de kranten konden het vele water amper slikken. Er was een zondvloed van blankgezette straten, ondergelopen kelders, modderstromen, hagelbuien en blikseminslagen. Op 22 juni meldde de Vlaamse Milieumaatschappij dat haar wachtbekkens sinds 27 mei al 20 miljard liter hebben opvangen (“zeer uitzonderlijk”). Op 23 juni zet een wolkbreuk twee rijstroken van de Brusselse Ring onder, met aanrijdingen in dat hoogwater. Dezelfde avond wordt Haspengouw getroffen door windhozen, stortvlagen en hagelbuien. De provincies Henegouwen en Waals-Brabant moeten de ramptoestand afkondigen.
We vroegen aan Rik Leemans (klimaatdeskundige en hoogleraar Milieusysteem-analyse aan de universiteit van Wageningen) om dit grillige zomerweer nader te verklaren.
Humo: In een Humo-interview van 2005 gaf je aan hoe de heftige zomerse wolkbreuken al vanaf 1996 een toename kenden, en je zei toen dat die trend zich zou doorzetten. Dat herhaalde je nog eens in een interview uit2014 met de woorden: “ We spreken hier niét over malse zomerregens verkwikkend voor mens, land- en tuinbouw, nee, we spreken over 50 à 60 mm water in een uur tijd met lokale overstromingen tot gevolg”. Dat is tien jaar geleden dat je het aanhaalde, en nog staan we verbaasd als het effectief gebeurt.
Leemans: “Terwijl het mechanisme daarachter zich alsmaar duidelijker aftekent. Als het klimaat opwarmt, verdampt er meer water uit de zeeën en andere aardoppervlakken. Omdat het warmer wordt kan de atmosfeer ook meer waterdamp en vocht opnemen. Zo vormen zich boven onze gematigde en vochtige klimaatzones grotere neerslaggebieden dan voorheen, en die massa water moet op een keer ook naar beneden.
Humo: Tegelijk zien we dat zo’n neerslagperiode heel lang kan aanhouden.
Leemans: “Daarvoor ligt de reden bij de jetstream (straalstroom) tussen de polen en de evenaar. Als het normaal koud is op de polen en warm op de evenaar, dan blaast die straalstroom in nagenoeg rechte lijnen. Maar als de polen opwarmen, wat nu gebeurt, dan wordt het temperatuurverschil tussen de evenaar en de noordpool kleiner. En dan krijg je geen strakke straalstroom meer, dan wordt die straalstroom ‘luier’ en dan gaat ie slingeren. En in de bochten, in de lussen van die jetstream blijft een bepaald weertype dan voor langere tijd bivakkeren of blokkeren. Dat zijn lussen van 500 à 1000 km die het weer in meerdere Europese landen tegelijk beïnvloeden.”
Humo: Toen je die straalstroom-hypothese in 2014 aangaf, was dat nog een hypothese.
Leemans: “Ja, dat was nog controversieel, maar de vorming van die lussen is sindsdien zo vaak teruggekomen én wetenschappelijk beschreven dat het voor meteorologen een duidelijke trend is geworden. Neem de winter 2013-2014: toen zat er een lus boven Engeland en had je daar voortdurende neerslag en zware overstromingen.
In de lus van juni 2016 lag een continu lagedrukgebied, een soort dikke spons die zich alsmaar opnieuw met verdampend water voedde uit de Noordzee of de Oostzee en dat neerdumpte op West-Europa. Eerst werd Zuid-Duitsland getroffen, nadien waren er die zware overstromingen in het centrum van Frankrijk (schade ca 1 miljard euro, red.) met ook uitlopers van wateroverlast in Nederland en België.
Vroeger had je de klassieke seizoenen met elk hun klassieke weertype. In natte maanden was zo'n neerslagfront meestal na enkele dagen leeg geregend. Maar nu blijven ze liggen, soms enkele weken, soms een hele maand. Eens je in zo’n lus zit krijg je het fenomeen dat weersomstandigheden zich blijven herhalen in plaats van weg te waaien. En we spreken nu over neerslag, maar evengoed kan hitte en droogte wekenlang blijven "hangen". Het is de keerzijde van hetzelfde fenomeen. "
De regenval en onweersbuien van juni hebben al tot 35.0000 schadedossiers geleid. De schadelast wordt geraamd op 150 miljoen euro. Ter vergelijking: de aanslagen in Brussel en Zaventem zorgden voor een schade van 168 miljoen euro
Beeld van Pepinster op de voorpagina van De Morgen / foto Belga
Steigerende opwarming
Humo: Straks is er het festival in Werchter. Dat heeft een noodplan in werking moeten stellen omdat de bodem natverzadigd is. Er zijn minder campings en parkings en de festivalgangers moeten naar de ingang pendelen vanaf plaatsen die 25 en 40 km van het terrein gelegen zijn. Wat mogen deze zomerfestivals de komende jaren verwachten?
Leemans: “Als je regelmatig te maken krijgt met wateroverlast, dan zal je op een gegeven moment een drainagesysteem en ondergrondse reservoirs moeten aanleggen. Die slaan het water op, en als het droger wordt, dan pomp je het langzaam weg. Dat lijkt een zeer dure investering voor één lang weekend of enkele avonden per jaar, maar als die zware zomerse wolkbreuken eens om de 3-4 jaar voorkomen, dan kan de kosten-batenanalyse op de duur wél richting reservoirs beginnen gaan. Het gaat alsmaar meer in de richting van preventie en disaster reduction: festivals met waterreservoirs, met bliksemafleiders, met tenten die tegen hardere windstoten bestand zijn, dat is de trend.”
Humo: Intussen gaan we dan maar verder met het optekenen van weerrecords en weerextremen?
Leemans: “Als we de uitstoot niet met 90% verminderen, dan zullen die records en extremen onvermijdelijk doorgaan. Wat mij bezorgd maakt is de constante opwarming. Oktober 2015 was wereldwijd de warmste oktobermaand ooit, dan kwam november, ook de warmste november ooit wereldwijd, en het ging zo maar door: december, januari, februari, maart, april, mei, en mogelijk ook juni. Dat zijn acht maanden op rij die de warmste ooit waren. Dat begint erop te lijken dat we in een meer kritieke fase zijn gekomen.
Humo: Bedoel je: het steigeren van de klimaatopwarming, het drastisch versnellen van de klimaatopwarming?
Leemans: Ja, dat bedoel ik. En dus meer zomers met wolkbreuken in onze streken. En ook winters met nog meer neerslag en met nog zwaardere stormen.”
Na het EK Voetbal : het EK Minigolf in België
Het EK is voorbij. Italië wint. Engeland behaalt een nieuw voetbaltrauma, dus als u het eiland bezoekt: don’t mention the penalties.
We verleggen onze aandacht naar een kleiner veld, een kleiner doel en een nog kleinere bal.
In augustus 2012 vond in Ekeren het EK Minigolf plaats. Daar waar de geoefende spelers 18 holes in 19 beurten slaan., sloeg
onze verslaggever een teleurstellende “68”.
Humo augustus 2012 - ingekort - (c)Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo/ Thomas Legrève
"Er zijn er die met hun ballen in bad gaan!"
Hoe een balletje rollen kan! Dat leek ons een uitstekende beginzin voor een reportage over minigolf. We spreken hier over het Europese Kampioenschap Minigolf dat voor de allereerste keer richting België komt. En de kleine Antwerpse Minigolfclub Rozemaai had de eer om het in te richten. Het was dan wel een EK voor senioren (45plussers), maar dat neemt niet weg dat er flink blinkende medailles te verdienen waren. Humo ging op zoek naar de kwintessens van dit openluchtspel.
De opening van het EK begint met een défilé en op deze warme maandagavond stappen de deelnemers van de Scheldekaaien naar het Antwerpse stadhuis: rijen mannen en vrouwen in korte broek die achter hun nationale vlag en pancarte lopen. De Italianen in hun azuurblauw, Oostenrijk en Zwitserland in het rood, en de Nederlanders in het vanouds lelijke oranje. Verder ook: Duitsland, Zweden, Denemarken, Finland, Tsjechië, Portugal en natuurlijk België. Het is een amalgaam van groot en klein, van mager en dik, van grijs en grijzer haar, maar het meest vallen de zwaargebouwde spelers op, pilaren en dikbuiken in een spanningsveld van dunne t-shirts en witte sokken. Haast niemand ziet er atletisch uit, en je ziet de omstaanders al kijken, wélke sport kan dit wel zijn?!
Burgemeester Janssens en schepen van Sport Van Campenhout bieden de deelnemers een speech en een drink aan en zo is dit EK officieel geopend. Terwijl iedereen het glas heft, maak ik kennis met Pascal De Roeck (55). Hij is de duivel-doet-al van dit EK en hij weet wat een passie het minigolfen kan zijn: "Sommige van die deelnemers zullen de stad wel eens willen zien, maar voor de meesten valt er niks te citytrippen. Die zullen van Antwerpen alleen maar dit stadhuis en het terrein van de minigolf zien." Dat zijn de fanatieken, "bij hen is het geen sport meer, maar een obsessie". Hij zet zijn handen als kleppen aan z'n ogen: "er zijn er zelfs die met hun golfstick gaan slapen!" Secretaris Raymond Leemans (59) is volledig takkoord, hij kent er ook "die hun ballen meenemen in bad om ze één voor één proper te kunnen wassen". Pascal herinnert zich ook een tornooi, hij zat op het toilet en hij hoorde de brilganger naast hem tegen één van zijn ballen spreken! "Manneke, gij gaat uw best doen, of ik steek u in de zak en ge komt er nooit ofte nimmer nog uit!"
Ja, dat maakt een mens allemaal mee bij minigolf, het enige spijtige is dat het zo bergaf gaat met hun sport, en hij maakt een gebaar van steil de dieperik in, "we mankeren de jeugd hé, d'r komen geen jonge spelers meer bij. Het zijn in Belgiê bijna allemaal vijftigers en zestigers, als het zo verder gaat is het binnen tien jaar gedaan met de minigolf in ons land." En dat hij het hier niet te lang gaat trekken, want morgen moet hij vroeg op om de banen schoon te blazen, stof en blaren, alles moet eraf voor de dag begint.
Opgelet! Spoorvorming!
De volgende middag maak ik kennis met de Ekerse wijk Rozemaai en met zijn Jeugd en Cultuurcentrum, een complex van lage gebouwen met daarrond wat speeltuigen, een visvijver en voetbalvelden. Het is de wat doffe socioculturele bouwkunde van de jaren tachtig omzoomd door populieren, hoge appartementsgebouwen en het geraas van de A12 en de E19. Naast de chalet met zijn kantine strekt zich de minigolf uit: achttien banen kort op elkaar gedrongen in een decor van hagen, hortensia's en schaars gevulde bloembakken. Het gras is al plat en dor: met honderdveertien deelnemers samen op een zakdoek krijg je stro in plaats van gazon.
Nog een bijzonder decor-element zijn de zitbanken, geen twee zijn dezelfde! Dit zijn de banken uit de Antwerpse parken en plantsoenen die hier op pensioen zijn gestuurd. En zo moet ik al gauw alle moeite doen om mijn sympathie te bedwingen, zo weinig geld dat hier is en zoveel goeie wil! Dat zie ik ook aan de manier waarop dit tornooi georganiseerd is: naast Raymond en Pascal zijn er hooguit vijf andere idealisten die hier de handen uit de mouwen steken.
Vandaag is de laatste trainingsdag voor het EK en overal staan spelers oefenslagen te maken. Pascal en Raymond kijken met argusogen naar de staat van de banen. Bij het begin van het seizoen hebben ze die vlak geschuurd met een Woodboy : "en Raymond zat met zijn gat bovenop dat machien om nog meer druk te geven". Zo werden die eternitbanen "zo glad als een biljaar". Maar na vijf dagen training (met zelfs glazen en stenen ballen!) zien zij de groeven al, “van die spoorvorming zoals op de autostrade!"
Mijn eerste indruk is : wat een zakelijk parcours! Ik mis de molentjes, de kasteelpoortjes en de bruggetjes die over een beddinkje water gaan. Die hele Walt-Disney-architectuur waar je je eigen kinderen blij mee naartoe neemt om ze nadien in slecht humeur weer thuis te krijgen (ja, er is weer met sticks gegooid en er is een bal in de vijver gesmeten). Kortom, waar is de gezelligheid? Pascal ként dat soort minigolf, ooit is hij zo ook begonnen, maar dat is "amusement voor het gezin, dat is absoluut niet te vergelijken met de competitie die wij spelen." Deze banen hebben dan ook geen enkele franje, maar ze zijn wel goedgekeurd door the European Minigolfsport Federation. En alleen met die goedkeuring kan je een internationaal tornooi organiseren.
GVA 17/8/2012 Foto Frederik Beyens
Balzak en teelbal
Beginnen we dan met het spel! Om te spelen heeft elke minigolfer een stel ballen bij de hand en die draagt hij in een minihandtas, hier gemeenzaam het ballenzakske genoemd. Er bestaan zestigduizend(!) verschillende ballen in deze sport en elke baan vraagt een andere bal. Dat is ook wat spelers en coaches de hele tijd doen. Ze nemen ballen, ze droppen die op de baan en aan de weerstuit zien ze welke bal het meest geschikt is (de zogenaamde “balkennis"). Er zijn trage en rappe ballen, hevig botsende en stil stuitende exemplaren, en ook dode ballen die inert op de baan vallen. Elke speler is ook verschillend, "dus als je een harde speler bent, dan zal je op sommige banen toch een zachtere bal moeten gebruiken." Ook het weer speelt een rol. Bij warm weer zijn de banen rapper en rollen ook de ballen harder dan gewoonlijk.
Vandaar dat elk team zijn thermische koffer heeft voor de banen die "temperatuurgevoelig" zijn. In die koffers wordt de bal dan op de ideale temperatuur gebracht: "het komt soms op een tiende graad aan om een bal juist te kunnen spelen".
Ik zie nu ook hoe spelers veelvuldig de bal kussen, het leek me flauw bijgeloof, maar dat heb ik verkeerd gezien: de spelers zetten de bal aan de lippen om de temperatuur te meten.
En die wollen sok die uit sommige shorts hangt, is geen poetslap om de bal proper te maken; in de teen van die sok zit heeft zo'n speler ook ballen zitten en hij houdt zo warm tegen zijn onderbuik. Ja, het is balzak naast balzak, speelbal naast teelbal, en zo kunnen wij nog woordspelingen verzinnen, maar dit is ernst: "als je een bal op een vaste temperatuur kan houden, dan weet je beter hoe hij zich op de baan zal gedragen." Ook de vrouwen doen het met de sok, maar Pascal heeft ook al dames gezien die hem in de décolleté stoppen, want ook daar die vaste lichaamstemperatuur. Ik ben hier pas een uur en ik voel me al ingewijd in een groot geheim: dat minigolf nauw luistert naar de boezem en het kruis.
Ingescand uit Humo/ Thomas Legrève
Patatslag
Dit is de sport waar ieder zijn eigen ballenraper is. En toch zie ik niemand die naar de bal bukt. Alle hebben ze bovenop hun stick een zuignap en met dat ploppende uiteinde tillen ze de bal uit de baan. Het heeft iets van luie sjarel, maar hey, een EK win je niet met een hernia of een lumbago. En zeg zeker niet dat minigolf géén inspanning vraagt! Pascal: "Minigolf is eerst en vooral een mentale sport. Het zit in uw koppeke: daar moet ge rustig blijven en u concentreren. Maar het is ook een fysieke sport en heel belastend voor de enkels en de knieën, en ook de rug lijdt, van dat voortdurend en gespannen vooroverbukken."
We staan nu bij baan 15, met een soort oog van de naald waar de bal amper "overschot" heeft om erdoor te geraken. Baan 15 staat hier bekend als Favoritentöter, maar ik zie aardig wat spelers die van de eerste keer in het hole spelen. Meer nog, er zijn heel veel banen waar ik de spelers met één of twee slagen doorheen zie komen. Ik zie nu ook de fout die wij amusementspelers àltijd maken. Wij willen elke keer pàl naar dat putje spelen waardoor de bal als een contraire aap over dat gat wipt of met een nijdige hoek naar opzij zwaait. De kunst, beste vrienden, bestaat erin om rakelings naast het hole te spelen, en dan tegen de rand van de baan "en in den terugkoom, dan moet ge potten!"
Ik leer nog meer terminologie, een baan in één keer slaan is een ace, een hole heet hier het potteke, en het equivalent van de fausse queue, dat is de patatslag.
Waardoor we naadloos bij het volgende punt komen: de fanatieke speler die liefst geen enkele patatslag klopt, en die razend wordt als hij het parcours van achttien banen in negentien of twintig slagen moet afwerken. Twintig slagen! Dan mag je toch op je blote knieën vallen van dankbaarheid, maar Pascal heeft al ander dinges gezien. Niet bij deze senioren, hier gaat het veelal gemoedelijk aan toe, maar wel bij de Dames en Heren, de categorie tussen junioren en senioren: "Je zit daar bij de topspelers en dat zijn allesbehalve dames-en-heren! Ik heb venten oerkreten horen schreeuwen dat ik dacht: die mens krijgt iets, belt gauw den ambulaans! Maar nee, die hebben een ace gemist waardoor ze geen negentien maar twintig spelen, en dan ontploffen die hé! Ik zat eens op een training van de heren, d'r mist zo'n man een ace en van koleire stampt hij tegen een volle fles ice tea. Die spat vier meter verder kapot tegen een boom, en ik zat ernaast! Ik hing dus vol hé! En dat zijn volwassenen die zich zo gedragen. Ze stampen een vuilbak omver, ze meppen met hun stick door een bak bloemen, of ze slaan zo hard op een balustrade dat hun stok breekt." Pascal kan dat niet begrijpen, "uw stok is kapot, die bloemen zijn kapot, en 't is en blijft erneffe! " De agressiefste spelers zouden de Duitsers zijn. Met vijftienduizend Heren die competitie spelen, dus de concurrentie is keihard om in het nationale team te geraken.
De Morgen 18/8/12 foto Yann Bertrand
O-benen
Of Pascal al een achttien heeft gespeeld? Nee, maar wel al een negentien. Op de club zijn er nog maar twee anderen die ook "de negentien" hebben gespeeld: zijn vrouw Greta Janssens (Belgisch kampioen bij de vrouwen) en secretaris Raymond. "Zo'n negentien vergeet ge nooit van uw leven. En nog veel minder vergeet ge die éne baan waar ge gemist hebt. Bij mij was het dan nog de gemakkelijkste baan van heel het spel! "
Ik wil weten wat voor volk je in deze sporttak aantreft. "In elk geval geen hoger management", zegt Pascal laconiek. Hij is buschauffeur bij De Lijn, Raymond is stadsambtenaar, ze denken dat het "de kleine middenklasse is," zeg maar: de betere arbeider en de betere bediende, omdat je toch wat centen moet hebben om die ballen aan te kopen. Zo heeft Raymond in de voorbije jaren een arsenaal van achthonderd ballen vergaard, en als je weet dat een bal tien à vijftien euro kost, dan is dat toch al "iets waar je wat geld voor over moet hebben".
Wat geen geld kost bij deze sport, is het gratis uitzicht op allerlei benen. O-benen en X-benen, behaarde benen en gladde benen, aderspatten en tattoos. Iets hogerop zijn de bilspleten en de gebogen ruggen, en de koppen die laag tussen de schouders worden gezet. En er is ook dat zoeken naar de juiste voethouding, een wiebelen van tenen en hielen tot de voet eindelijk schrap is gezet. Ergens op de aardbol liggen ook Syrië en de eurocrisis, maar hier bestaat het leven uit het mikken van een bal. Het lijkt zo'n beperkt gebeuren, dat kleine afgelijnde kader en dat steeds maar herhalen van die zelfde handeling. Altijd opnieuw die bal leggen, die houding zoeken, dat gaatje vinden en helemaal weer van vooraf aan beginnen. Het is de sport van de propere lei, dat altijd opnieuw mogen aanvangen, en dus ook die illusie hebben van de Wiedergutmachung, -na een slechte baan komt wel weer een goeie baan!- dàt moet de obsessie zijn.
It's all in the mind!
En terwijl leeft de Rozemaaiwijk verder, mensen vertrekken naar de Makro, stofzuigen hun auto, maken met een sleutel hun brievenbus leeg, geheel en al onbewust dat er naast hun voordeur een Europees kampioenschap aan de gang is.
Franz, een Oostenrijker uit Wenen, komt op de bank uitblazen. Zijn ploeg is tot mijn verbazing al zes volle dagen aan het trainen. Het is ernst, zegt hij, je wil je land toch zo goed mogelijk verdedigen! Ik heb minigolf in Oostenrijk leren kennen. Op een familievakantie in Matrei-in-Osttirol. Elke avond van die zomervakantie zaten we op dat veldje met de lantaarns. Onze ‘mentor’ was de jonge boerenzoon Aloïs. Hij leerde ons de knepen om de toeristen-spelers te pesten. We verstopten dikke dennennaalden en vroeg afgevallen appeltjes in een tunneltje van een baan, en groot was onze lol als dikke Duitsers dan kwaad stonden te kijken waarom hun bal Scheiss' nochmal!! nooit in doel belandde. Amusement van de jaren zestig!
Het loopt naar halfzes en er komt enige luidruchtigheid op het terrein; vooral bij de Italianen die veel vuisten ballen en high fives slaan bij gelukte slagen. Ze hebben een zotte paljas in hun rangen die -als de bal het gaatje nadert- wilde copuleerbewegingen maakt, "ja! ja! erin! erin!" De Italiaanse mannen zijn ook de mannen die het meest in hun kruis krabben, blijkbaar ook een nationale sport in Italië. Ik spreek met hun coach Mauro, een wijze en minzame dottore: "Al die zottigheid is maar stoom afblazen, nu het nog kan, nu het nog training is en geen competitie." En dat het een sport is die voor tachtig procent tussen de oren wordt gespeeld, "it's all in the mind." Als je geen rust in je hoofd kan bewaren, dan kan je nooit een goeie speler worden. En dat je d'r alleen voor staat op zo'n baan, en dat je maar één tegenstander hebt, en dat ben jezelf. En dat zij ook al zes dagen onafgebroken trainen, en dat de Duitsers (hij gaat nu fluisteren) "een mental coach hebben meegebracht, iemand die met meditatietechnieken werkt." Op dit veteranenniveau? Jaja, daarvan is hij zo goed als zeker. En dat hij nu moet gaan, de coach moet waken over de rust van zijn team: dus geen zotte kuren vanavond, geen drinkgelag, gewoon vroeg de veren in.
DM 18/8/21 foto Yann Bertrand
Overstekende mieren
Op 16 augustus is het EK aan zijn tweede dag bezig. Bij de mannen én de vrouwen staat Zweden aan de leiding, gevolgd door een nek-aan-nek van Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland en Italië. De beste individuele score is voor de Zweed Martin Lundell die na vijf ronden een gemiddelde heeft van 19,6, dat is een haast foutloos parcours.
België hangt op de negende plaats van de elf landen. Raymond is niet verwonderd: "In het Belgische Minigolf Verbond zitten maar vijf clubs, dat zijn 260 leden, maar daarvan zijn er maar zeventig die regulier aan competities deelnemen, en hooguit twintig die internationaal meekunnen."
De zon brandt op de banen en de coaches houden paraplu's open tegen de wemelende schaduw die de bomen op de banen werpen. . Flink wat coaches vegen ook de baan schoon met hun vlakke hand, en dan vooral de dertig centimeter rond "de zone van de waarheid". De Duitse coach zie ik aan het werk op baan acht, daar moeten drie overstekende mieren veiligheidshalve worden doodgeplet en weggeveegd.
Zo'n vijftig spelers maken hun ronde en toch is het nagenoeg stil op dit parcours, er is alleen het dazen van de snelweg en het ruisen van de populieren. Plus die éne coach van Oostenrijk die zijn team luid aanmoedigt. "Jawohl Janny, der war perfekt!", een kreet uit een harde kop en een stierennek. Raymond komt het mij zeggen, "dat roepen is geen aanmoedigen, dat dient vooral om andere spelers te intimideren en uit hun concentratie te brengen".
Concentratie en kalmte, dat zijn de basics van deze sport, en omdat er spelers zijn die snel onder druk komen en nerveus worden, gaan sommigen betablokkers slikken ("ja, ook in de minigolf heb je doping.")
Pascal komt meedelen dat dit tornooi op een hoog niveau staat, "op twee dagen zijn er al drie achttienen geslagen!", dat is nooit eerder gebeurd in de geschiedenis van de Rozemaai. En dat de Oostenrijkse topspeelster Doris Ertl daarstraks onverwacht een 35 heeft geslagen, "ze is snotterend en bleitend van het veld gegaan, efkes gaan wandelen, en daarna sloeg ze een eenentwintig!" Raymond heeft zijn uitleg: “ze is gaan broddelen na één slechte baan, ze heeft de knop niet kunnen omdraaien. En dan blijf je gefrustreerd verder spelen. “
Zweedse sfinx
Ik zie alle soorten van concentratiegedrag. De Italiaan Ricchiuto kijkt eerst naar de hemel, prevelt daar een paar woorden naar een goddelijke hulplijn, zet zich dan in de houding, haalt diep adem, blaast ook diep uit, begint dan een binnensmonds gevloek tegen de baan, de vijand die voor hem staat en pas dan slaat hij de bal. Pàts, erin, de vuist omhoog en een yell. Zijn absolute tegenhanger is de Zweed Martin Lundell, de man die "los aan kop staat". Nooit komt een woord of kreet over zijn lippen. Hij is onverstoorbaar, hij is in zichzelf, hij heeft het hoofd altijd afgewend van het spel van de tegenstanders. De sfinx is hij, geen twee gezichtsspieren die bewegen.
Om kwart na zes is het ploegenkampioenschap voorbij. Zowel bij mannen als vrouwen haalt Zweden het goud. Met Martin Lundell als beste speler. Hij heeft zes ronden geslagen tegen een gemiddelde van twintig. Nog straffer is dat hij een rij van 35 aces heeft geslagen, dus 35 banen na mekaar een “één”.
Het zilver en de tweede plaats is intussen voor de Italiaanse azzurri, die vallen mekaar in de armen, duwen hun zwetende voorhoofden als rammen tegen mekaar, en zetten het op een brullen alsof de wereldbeker binnen is. Het was heel de dag nek aan nek met Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland en nu hebben ze gewonnen met één punt verschil. Tot de voorlaatste ronde was alles nog onbeslist, het is pas op de valreep dat Italië één fout minder sloeg dan de concurrentie.
Pascal heeft nog tien minuten voor de podiumceremonie en hij begint al met het ledigen van de vuilniszakken en het nazicht van de banen. Dat donkere stof op de baanstroken, "dat is roet, dat komt recht van de autostrade." 's Morgens blaast hij die banen schoon met de luchtblazer en 's avonds ligt dat fijn stof er al opnieuw, "ons moeten ze niks wijsmaken hoe gezond het hier wel is!"
Tijd voor het podium en ook dit grote houten staketsel mét vloerbedekking heeft Pascal zelf in elkaar getimmerd. Secretaris Raymond maakt intussen zijn opwachting met een groot rood kussen op zijn armen. Op het velours dat afgezoomd is met Belgisch lint liggen de medailles te blinken, en dat kussen is door zijn moeder zelve gemaakt. En zowat alles blijft in de familie, want de medailles worden uitgedeeld door zijn vrouw Micheline Van Driessche, tevens voorzitter van de club. Voor de winnende Zweden wordt hun nationale volkslied gespeeld en omdat de Skandinaven dat lied zacht mee zingen, gaat er een huiver van ontroering door de stikhete zaal.
Pascal De Roeck, duivel-doet-al van het tornooi. Ingescand uit Humo Thomas Legrève
Ballenliefde
Gisteren was het dertig graden in de schaduw, vandaag doet de koperen ploert er nog wat graden bij. Op deze derde dag van het tornooi is er een individuele competitie met de vijftien beste scores van gisteren.
De Eupenaar Erwin Hansen heeft die top-15 net niet gehaald, maar hij kent de obsessie die minigolf is en hij begrijpt dat sommige spelers met hun ballen praten: "Er bestaat zoiets als een Beziehung zwischen Mensch und Ball. Elke speler heeft een handvol ballen waarmee hij een persoonlijke band heeft. Ballen die betrouwbaar zijn, ballen die je op moeilijke momenten d'r doorheen halen, en dat worden dan je favorieten, dat worden dan de ballen die je bij moét hebben. Als je ze per ongeluk vergeet, dan voel je je slecht en dan speel je slecht, gewoon omdat zij er niet zijn. Je mist ze. Die ballen, dat zijn compagnons!"
Erwin heeft de 35 aces op rij van Lundell gezien, dat is speciaal, maar dat is nog niks vergeleken met de Duitser Marco Balzer. Die heeft ooit 72 aces na elkaar gemaakt, "dat is minstens zes uur aan een stuk slaan, je beurt afwachten, weer slaan, weer wachten en nooit één misser maken! " Hoe hij geconcentreerd kan blijven? "Het moet een flow zijn waarbij je één bent met die banen." De grondslag ervan is een diepe innerlijke rust en Erwin heeft sommige spelers al hun tijd zien nemen om die rust te bereiken: "Ik heb gasten gezien die voor een beslissende slag heel diep in zichzelf gaan: vier à vijf minuten lang staan ze onbeweeglijk met die stick in hun handen. De bal ligt klaar, en zij proberen weg te komen van de druk. En als ze total abgeschaltet zijn dat niks hen nog uit hun evenwicht kan brengen, dàn slaan ze hun slag!"
Systeem Toilet
Minigolf is niet zomaar een lijn slaan van A naar B. Ik zie spelers uitgekiende geometrische figuren op de baan toveren waarmee ze alsnog hun doel raken, en tot op de millimeter nauwkeurig. Het lijkt een poging om perfectie aan te brengen in het leven. Dat je met mathematische zekerheid weet waar een slag zal eindigen. Dat moet toch het intense gevoel geven dat je niet alleen vat hebt op die onvoorspelbare bal, maar ook greep hebt op de caramboles van het leven.
Pascal laat baan acht zien waar een Oostenrijker gisteren "uit koleire" een gat in de baan heeft geslagen en dat is nu met polyester-verharder opgevuld en vlakgeschuurd. En nu we het toch over spelers met een kort lontje hebben, "daar staat er zo één, hij speelt bij de Heren, en hij heeft al meer dan eens parasols en baanverlichting aan diggelen geslagen." En in zijn goeie Duits: "es ist wahr hé?! Wenn du dumme Fehler machst, dann geht bei dir das Licht aus, hé?!" De Eupenaar Pascal Hansen grijnst eens, es geht schon besser, mildert hij.
Zijn vader Erwin komt erbij en het gaat erover hoe sommige spelers anderen in het rood kunnen jagen. Zij noemen dat het Systeem Toilet waarbij je de arbiter vraagt om naar de wc te gaan, puur om de wachtenden achter jou te irriteren. Pascal: "Gisteren was hier een Tsjech, die speelde één baan en die vroeg al direct permissie om te gaan. Na één baan? Dakàntochnie hé!"
Erwin zegt dat zo'n toiletmaneuver vaak een manier is om woede te ontladen. In de Duitse competitie zag hij eens een speler een baan missen, die kon zich nog net inhouden en naar het toilet vragen, en onderweg -tsjààk en wooooshhh!- sloeg die met zijn stick dwars door vier bloembakken heen. Nadien kwam hij terug, "en hij speelde toch nog een negentien!"
Wat een stilte en gemoedelijkheid het hier is, zegt Erwin, gemeten aan de Duitse competitie is dat hier een begrafenis.
Secretaris Raymond Leemans met het erekussen en de medailles. Ingescand uit Humo/ Thomas Legrève
Martin Lundell heeft zijn laatste bal geslagen en in zijn tiende ronde een 19 gehaald. Applaus breekt los, hij is zondermeer de beste van het tornooi en de nieuwe Europese kampioen bij de senioren. Zijn vriendin -ook een speelster- valt hem met veel tranen om de hals en ook de sfinx is nu geroerd, alle spelers van Zweden en de rest van Europa komen hem uitvoerig omhelzen en de hand drukken. Lundell is in de wolken: "Het is mijn eerste goud in al die jaren. Ik ben op een WK wel eens negende geweest en bij de senioren was ik vorig jaar zevende, maar dit is mijn beste tornooi ooit. Op al die rondes heb ik maar één dip van 23 gehad.”
Zweden op één, Italië op twee, Oostenrijk op drie, dat is het podium en Pascal zal die drie vlaggen eens rap bij elkaar gaan halen. Het hijsen van de vlaggen is indoor. En met de geringe hoogte van het plafond, worden ze alleen maar gehesen op een stok van een parasol, “ en dan kunnen ze er nadien mee gaan zwieren en zwaaien, dat is toch ook schoon?!"
Medaille voor België!
Zaterdag is de vierde hondsdag op rij, een withete dag waarbij mussen in groep uit de dakgoten vallen. Het is de laatste dag van het EK en er staan shoot outs op het programma, voor de tweeëndertig beste mannen en de zestien beste vrouwen. Kort na vier uur veren de Belgische aanwezigen op: Greta Janssens speelt voor brons tegen de Oostenrijkse Johanna Knotzer, met zo'n naam kan dat geen simpele opdracht zijn. De Belgen hebben op dit tornooi geen coach ("wij zijn zo eigenwijs, wij denken dat we dat allemaal zelf kunnen"), maar voor deze gelegenheid zal Pascal de groene armband aantrekken, de paraplu tegen de zon houden en zijn vrouw flink moed inspreken, "komaan Greta, gekunnet! " Greta draagt een pet met een enorme klep, dat is voor haar concentratie heeft ze me gisteren toevertrouwd: “ Ik moet mij op die slag kunnen concentreren en door die grote klep zie ik geen bewegende bomen, geen omstaanders en geen zon. Dat is perfect, ik moet alleen maar die vijftig centimeter onder mijn voeten zien, meer is er niet nodig." Pascal is meer dan een coach, Pascal is een waakhond die bij het minste gerucht zijn oren spitst. Iemand die heftig over het veld beent, een blad dat nogal luidruchtig uit een boom valt, hij zet gelijk een bestraffende blik op, niks mag zijn poulain uit evenwicht brengen. En ja, die ijskar met haar bel (drie straten verder) en die ziekenwagen met zijn sirene (500 meter verder), daar kan hij spijtig genoeg niks aandoen
De strijd is gelijkopgaand, er moet weer een reeks van 18 banen begonnen worden, en dan klopt de Oostenrijkse twee slagen en Greta een ace op baan twee. Gejuich stijgt op van de Rozemaai, Pascal omhelst zijn Greta en zal wel vijf keer zijn vuist ballen, yes!yes!yes! Dit is niet alleen Greta's eerste medaille op een Europees tornooi, dit is zowaar ook België's eerste medaille op een EK!
En dan is het avond en is er nog koud buffet in de warme feestzaal. Eindelijk kan Raymond eens rustig op een stoel zitten. Eindelijk kan hij eens rustig zijn bord leeg eten, en terwijl de discobar The Animals en André Hazes draait, zal hij me toevertrouwen dat ze "deze week toch al twee leden hebben bijgewonnen."
Zo klimt een club uit een klein dal. Zo komt een bal altijd weer uit dat putje.
18 holes in 68 slagen: een teleurstellende score van onze verslaggever.