25 juli 1966 : de bus die van de snelweg viel

Op 25 juli 2026 is het zestig jaar geleden dat een Belgische bus op een Duitse snelweg verongelukte. Er waren 33 doden: 28 kinderen en vijf begeleidende volwassenen. Eén van de zwaarste Belgische busongevallen in de naoorlogse geschiedenis, samen met Sierre (CH 28 doden, 2012), Vizille (Fr., 43 doden, 1973).
Het relaas van een busongeluk én het verhaal van de onverwoestbare vriendschap tussen Duitse redders en Belgische families.
© Jan Hertoghs - Humo juli 2016

“Wij spraken de taal niet van die gekwetste kinderen, en toch gaf je ze moed, je zei honderd keer, gut! gut! , alles kommt gut.”

Op zondagnamiddag 24 juli 1966 vertrekt een autocar met 38 Belgische kinderen en 5 begeleiders uit het Oostenrijkse Ramsau. Drie weken vakantie aan het Dachsteinmassief zijn voorbij. De twee chauffeurs zullen de hele nacht doorrijden, maandagmorgen worden de kinderen in Brussel verwacht.
Op zondagavond 24 juli viert Willi Kremer zijn 19de verjaardag in een café in Niederbrechen. Laat wordt het niet; hij moet vroeg op voor zijn werk.   

Maandagmorgen 5u20. Vanuit de steenbakkerij wordt de smid van Niederbrechen gebeld. Hij steekt de straat over, duwt op de knop en op het gemeentehuis gaat de sirene loeien. Het dorp schiet wakker. Dertig vrijwillige brandweerlui spoeden zich in de grauwe motregen  naar de steenbakkerij. Niet ver daarvan is de ijzeren reling van het snelwegviaduct weggerukt, en midden op de weg naar Werschau ligt een autocar op de kop, de wielen in het ijle. Het is een Belgische bus, ze zien de “B” en de roodwitte nummerplaat.

De bus zoals ze op de rijweg was neergestort (bron: Zondagmorgen)

Begin juli 2016 rij ik naar Niederbrechen. Bossen, heuvels,  rijpend koren, klaprozen langs de weg, een ouderwets en oerdegelijk landschap. Het vergaderzaaltje van de Freiwillige Feuerwehr is als een kleine parochiezaal, de stoelen omgedraaid op tafel, en in de hoek een drumstel; hier repeteert hun muziekkapel. Twee getuigen zullen wel volstaan had ik aan de telefoon gezegd. Zeven mannen zitten me op te wachten. Drie brandweerlui-ooggetuigen (Willi Kremer, Heinz Ewald, Aloïs Blum), twee medewerkers van het brandweerarchief, een heemkundige én de burgemeester. Het ongeval is hier allerminst vergeten.

De autocar is in een flauwe snelwegbocht door de reling van het viaduct gebeukt, twaalf meter diep gekanteld en op haar dak terechtgekomen. Het hele bovenstuk van de Lancia-bus is in één klap scheefgeplooid. De kranten hebben het over een “luciferdoosje”. Het wegdek is bedekt met olie, bloed en kledingresten van de kinderen. Een boek speelkaarten is uitgewaaierd op het asfalt.
Kremer: “Je kon geen inzittenden zien, zo hard was die bus ingeklapt. We hoorden ook geen roepen of gillen, het was ijzig stil. Af en toe wat zacht gejammer in dat ijzeren binnenste, dat was alles. Onze commandant Robert Wilms zag toch ineens een hand achter een raampje. Hij heeft zijn arm door dat kapotte glas gestoken en hij heeft die hand gegrepen, gevoeld dat er nog leven in was, en hij heeft ze niet meer losgelaten. Tot die jongen uit die bus was.”
Nu al krijgt Willi het moeilijk. Ik was maar negentien, zegt hij, dat hij kinderen van enkele jaren jonger moest redden en ze dood en verminkt heeft gezien, dat valt nog altijd zwaar.

De jonge vrijwillige brandweerman Willi Kremer: “ Op je negentiende kinderen moeten redden die enkele jaren jonger waren dan ikzelf, het viel mij zwaar.”

Vanuit de steenbakkerij rollen ze een snijbrander naar de bus. De arbeiders willen de raamspijlen doorbranden om zo in de bus te kruipen. De politie houdt hen tegen, er is “ontploffingsgevaar”. Dan halen ze metaalzagen om de spijlen door te zagen.
Kremer: “Zelfs met stukgezaagde spijlen raakten we niet in de bus, overal zaten zetels in de weg, die zaten muurvast omdat de bus met heel dat omgekeerd gewicht daarop drukte.”
Niks is erger dan machteloos toekijken. Ze zijn wanhopig, " we werden als razend, als bezeten. Met dertig man hebben we geprobeerd om de bus om te kiepen, puur op mankracht. Maar dat ging niet.”
De politie houdt hen weer tegen: door de klap van het omkantelen zullen de gewonden zwaar dooreen worden geschud.
Kremer: “Uit pure radeloosheid begonnen collega’s met hun blote handen aan de zetels en raamspijlen te rukken om binnenin te geraken. Krankzinnig. Ze sneden hun handen, ze bloedden, je moest ze wegtrekken. Anderen sloegen met de grote brandbijlen in de carrosserie, om via de kofferruimte of via de motorkap toch naar binnen te dringen, ook onbegonnen werk.”

(Bron: weekblad ZIE)

Een opgeroepen takelwagen slaagt er niet in om de bus op te tillen. Kremer haalt een bulldozer van de steenbakkerij: met kettingen onderaan het schepblad willen ze de bus optillen. Als hij aankomt op de dokkerende rupsketting, sleurt een politieman hem uit de cabine. Hij krijgt handboeien om. 
Kremer: “Ik mocht niks meer doen tot het leger ter plaatse was. Nu hebben wij kranen en gespecialiseerd materieel om geknelde inzittenden te ontzetten, maar toen was het wachten op hulp van buitenaf.”
Uiteindelijk arriveren twee kranen van het Duitse leger. Die tillen de bus een meter op en dankzij de doorgezaagde raamspijlen komt het dak grotendeels los. Het is dan al zeven uur, bijna twee uur na het ongeval. Het is een hallucinant tafereel. Terwijl de brandweerlui en Rode Kruis-medewerkers zich een weg banen tussen de verwrongen zetels, hurken de pastoor en onderpastoor van Niederbrechen bij het wrak. Waar ze een lichaam zien, dood of levend, spreken ze een gebed en geven ze op het voorhoofd een kruisje met het Heilig Oliesel. Het zijn de sacramenten voor de stervenden; ze denken dat niemand het er levend vanaf brengt.

Kremer: “Dat kinderen het overleefd hebben, kwam omdat ze uit hun zetel geslingerd waren. Dat was hun geluk. We vonden ze bijna allemaal in het gangpad, waar meer ruimte was dan tussen de ingedrukte zetels. De kinderen die nog bewogen, spraken ons aan in een taal die wij niet kenden. En toch gaf je ze moed, je zei honderd keer, gut! gut! es kommt gut, je drukte hun hand, je klopte op hun schouder, je knikte ze toe, alles kommt gut.”
Hij krijgt het opnieuw moeilijk. Zegt dat het voor sommigen te zwaar was om te blijven: “Helmut, een boom van een vent, ging weg. Die vonden we een uur later terug. Hij zat achterop de bumper van zijn auto in het niets te staren.”
De coördinatie is moeilijk. De brandweer had toen geen radio aan boord. Om lijkwagens en doodskisten te vorderen moeten ze bellen in de steenbakkerij. In afwachting van de lijkwagens worden de doden in de graskant gelegd. Zeventien inzittenden zijn op slag dood, daaronder de beide chauffeurs en drie volwassen begeleiders. Zestien inzittenden sterven onderweg naar het ziekenhuis of bij aankomst. Bij de 28 dode kinderen zijn de meeste tussen tien en veertien jaar.

Na het wegvoeren van de slachtoffers maakt de brandweer de  bagageruimte leeg. Alle koffers en rugzakken worden in een lange rij onder de snelwegbrug gestapeld, samen met de verloren schoenen, verweesde drinkflessen en toiletzakken die ineens aan niemand meer toebehoren. Op de snelwegtalud staan tientallen nieuwsgierigen. Bestuurders stoppen op de Autobahn en kruipen over de vangrail. “Ik zag twee vreemden hun kop in de bus steken: hier liggen transistorradio’s. Die wilden gauw wat meepikken!”
Rond de autocar blijft alleen een plas van olie, bloed en glas. De natgeregende venstergordijntjes hangen naar buiten en “klapperen spookachtig in de wind”. 
Om twaalf uur is het wrak weggesleept en kunnen de brandweerlui naar huis. Ze zeggen dat ze de eerste dagen amper geslapen hebben, en nauwelijks gegeten. Ze waren in shock. Willi moest desondanks weer snel aan het werk: “Eén dag verlof, dat was de enige psychische bijstand die je toen kreeg.”

Aan de Ambiorixsquare in Brussel wachten de ouders met toenemende onrust. Op de radio zijn er berichten over een zwaar busongeval in Duitsland. In paniek verdringen ze zich in een politiebureau, daar wordt hen aangeraden “naar huis te gaan en te wachten”. Sommige ouders nemen de auto en vertrekken gelijk richting Duitsland.
Buitenlandse Zaken legt een vliegtuig in. Een DC-6 van Sabena  vertrekt maandagavond met eenenvijftig vaders, moeders en andere familieleden aan boord (“Ze zijn weggerukt uit hun dagelijks bestaan. Mannen met ongeschoren gezichten, of nog in werkkledij, vrouwen met hun boodschappentas. De eenvoudige kleren die ze aanhadden om hun kind te verwelkomen. In een doodse stilte stappen zij in. Voor velen is het hun eerste vliegtuigreis. Dat houdt hen niet bezig. Zij gaan naar hun kind. Maar geen één weet of hij zijn kind nog levend zal terugzien.”)
In het stadje Limburg-an-der-Lahn (op 8 km van Niederbrechen)  liggen de doden opgebaard in de feestzaal van het gymnasium. In de late avond worden de ouders in die rouwkapel binnengeleid. Tussen de bloemen en de kandelaars moeten zij hun kind identificeren in de open eikenhouten kisten.

(Bron :weekblad ZIE)

Ik was dertien en het ongeval is me bijgebleven omdat het zoveel dode kinderen waren en omdat het in “Limburg” gebeurde. Dat intrigeerde dat er in Duitsland ook een Limburg was.
Dat een bus van een snelweg kon stuiken had iets donker. In 1966 ging je fietsen op zondag, en op de brug over de snelweg hielden je ouders zeker tien minuten halt zodat je met broer en zus naar de passerende auto’s kon wuiven. Een snelweg was nog een attractie, zonder enig gevaar.
In de bibliotheek lees ik de kranten van toen. Muiters Bezetten ex-Stanleystad. Algerijn Steekt Marokkaan neer op Houthalen-Kermis. Prinses Paola Heeft Paardenstaart. Dat kopt Het Nieuwsblad op maandag 25 juli. Morgen zal de voorpagina alleen maar over het ongeval praten, nu heerst nog het niets vermoeden: de komende verkiezing van de Schuimwijnkoningin in Overijse, en “een interessante nieuwigheid op de markt”: de oplosbare koffie. Op de sportbladzijden was het WK voetbal in Engeland en ik was toen voor de Engelsen. Met de broers Bobby en Jacky Charlton, de onverstoorbare keeper Gordon Banks en de tandeloze verdediger Nobby Stiles. Namen en gezichten om nooit meer te vergeten.

Dinsdag 26 juli. Er wordt een nationale rouw afgekondigd. De hele Europese pers is in Limburg-an-der-Lahn. De ouders van de slachtoffers wonen een rouwdienst bij in de Domkerk, in aanwezigheid van honderden Duitsers; ook buiten is de dienst te volgen met luidsprekers. Vaders en moeders omhelzen schreiend de kist van hun kind, “ze moeten worden losgetrokken”.
Dinsdagnamiddag vliegen de familieleden terug naar Brussel en  worden de “grauwe, vermoeide en diepgeschokte mensen“ ontvangen door koning Boudewijn. Een moeder heeft “in haar gevouwen handen kleurige veldbloemen die ze op de plaats van de ramp heeft geplukt”.
De kranten publiceren een brief die tussen die bagage is gevonden. Een moeder schrijft: “Liefste jongen. Deze brief is de laatste die ik schrijf. Binnen enkele dagen ben je thuis en kan je mij vertellen over de grote reis die je hebt gemaakt.” Dat lees ik op 27 juli en ik blijf haperen op de tv-pagina, ik zie favoriete feuilletons terug: een tekenfilm van The Flintstones, de avonturen van dolfijn Flipper, en Ridder Ivanhoe in wiens navolging wij onze regenjas als een middeleeuwse cape om onze hals knoopten.

Op dinsdagnamiddag 27 juli komen twintig militaire ambulances de stoffelijke overschotten ophalen. Als de kolonne door de smalle straatjes vertrekt, doet de hele stad Limburg hen uitgeleide. “Sommigen wuiven met een stil gebaar, mannen nemen hun hoofddeksel af en buigen het hoofd.” Uit eerbied rijdt de rouwstoet slechts vijftig km per uur. Tegen 23 uur worden ze op het Brusselse Meiserplein verwacht, “waar een massa stille omstaanders heeft postgevat”. De kolonne loopt vertraging op, het wordt middernacht, één uur en nog later. De honderden blijven koppig staan, “sommigen gaan slapen achter het stuur van hun wagen”. Wat de wachtenden niet weten is dat de rouwstoet vertraging heeft opgelopen door de volkstoeloop.

Het is een tijd zonder gsm, internet of live-verslaggeving op tv, en toch staan overal rouwenden langs de weg. Met honderden staan ze op snelwegbruggen, op bermen, en in de graskant. En dat zowel in de dorpen van de Ardennen als in het centrum van Luik, Sint-Truiden, Tienen en Leuven. Ik krijg de tranen als ik het lees. Dat duizenden in de nacht en in een miezerige regen een stille haag hebben gevormd en urenlang geduld hebben geoefend, dat is een piëteit die me ontroert. De kinderen komen niet meer terug uit vakantie, en toch zijn zovelen langs die terugweg gaan staan. 

Uiteindelijk doemen de ambulances en de motorescorte in Brussel op. Het is vijf uur in de ochtend, “hun lichten branden terwijl het toch al dag is”. In het atheneum van Etterbeek is de rouwkapel, met in de voormiddag opnieuw een rouwhulde en schrijnende taferelen. “Sommige ouders zijn zo door verdriet overmand dat ze het bewustzijn verliezen of een huilcrisis krijgen en in een ambulance dienen afgevoerd”. 

De militaire ambulances met de stoffelijke overschotten arriveren om 5 uur ‘s morgens in Brussel. Tienduizenden hadden ‘s nachts langs hun weg gestaan van Duitsland tot in de hoofdstad. (ZIE magazine)

Tien kinderen hebben het overleefd. Hun namen en adressen staan in de krant. Maar vijftig jaar later zijn ze nauwelijks terug te vinden. Van twee kom ik te weten dat ze intussen gestorven zijn. Na lang zoeken vind ik Serge Bottemanne uit ’s Gravenbrakel. Het is de eerste keer sinds 1966 dat hij weer met een journalist spreekt. Hij was toen tien. “Ik was meegegaan met m’n kameraad Marc Moureaux, we zaten samen op pensionaat in Soignies en hij ging met een groep uit Brussel naar Oostenrijk, en ik ging mee. Ik was nooit eerder in het buitenland of in de bergen geweest, het was een geweldige vakantie.”
Hij had voor het vertrek nog souvenirs gekocht voor thuis. En dan wordt de duizend kilometer aangevat. Eén nachtje slapen, en als hij wakker is, is hij thuis.
“In m’n slaap voelde ik ineens dat we diep vielen, iedereen gilde, dan volgde een geweldige klap, en dan herinner ik me niks meer. Wel dat ik uit de bus werd getrokken en dat ik onder die brug op een matras ben gelegd. Zo’n mousse matrasje uit de slaapcabine van een vrachtwagen.“
Hij was één van de eerste uit de bus, “in alle zetels rond mij hebben ze alleen maar doden gevonden.” Hij laat het zware litteken zien op zijn scheenbeen, dat was doorboord door een stuk metaal. In het ziekenhuis van Limburg-an-der-Lahn lag ook zijn kameraadje Marc, die was het ergst gewond, “die heeft tussen leven en dood gezweefd.“

Serge Bottemane en zijn kameraadje Marc Moreaux. Serge en Marc waren kinderen die het overleefden.

Zijn papa, mama en grootouders hadden ook staan wachten op de bus. Toen ze wisten van het ongeval, zijn ze gelijk in de auto naar Duitsland vertrokken. Aan een Raststätte gingen ze tanken, “daar hoorde mijn grootmoeder een vrachtwagenchauffeur zeggen dat niemand nog leefde, sie sind alle tot.” Met weinig hoop kwamen ze in het hospitaal van Limburg-an-der-Lahn, en troffen Serge lévend aan.
Tien dagen moest hij blijven. Z’n moeder bleef ook, alle ouders kregen gratis logies in de stad. De eerste dagen waren somber: de twee kameraadjes die in levensgevaar verkeerden, hoorde hij kermen en roepen tot in zijn kamer. Maar boven alles heeft hij onthouden hoe vertroeteld ze werden door de nonnetjes en verpleegsters. Hij wil erover vertellen, het lukt slechts in tranen en hortende woorden. Nù heeft hij het moeilijk. Toen was het een jongensavontuur. Reporters aan bed. Strips en boeken om te lezen. Frieten en gebakjes als je erom vroeg. Kusjes bedelen voor het slapengaan. De linten van de schorten van de verpleegsters lostrekken. Een prachtige tijd! En dan kwam een militaire ambulance voorgereden, alleen voor hem en z’n mama. En die Belgische soldaat heeft hem thuis in zijn armen  de voordeur binnengedragen!    

Alle Belgische kranten schrijven uitvoerig over de hulp en toewijding die de slachtoffers in Duitsland krijgen. Dat raakt een gevoelige snaar. In La Libre Belgique verschijnt een opvallende brief: “Na de jarenlange bezetting van ons land wilde ik mijn haat tegen de Duitsers tot in mijn graf meedragen. Ik was tot gisteren nog liever doodgevallen dan één Duitser te spreken, maar nu ik lees hoe u onze kinderen hebt opgevangen, kan ik u alleen maar mijn hand reiken en u diep dankbaar zijn.”

De kranten hebben het ook uitvoerig over de reden van het ongeval: de chauffeur was vermoedelijk oververmoeid en ingedommeld. Serge heeft ook die indruk. “Die chauffeurs kwamen al van een rit Barcelona-Brussel, dan direct naar ons en in Ramsau hebben ze ook maar twee uur gerust voor hun vertrek naar België. Tesamen waren die al meer dan anderhalve dag constant aan het rijden. Slapen deden ze op een matrasje in het gangpad! De uitbater die hen in die vermoeidheid dreef, dié is schuldig. Die chauffeurs verdienden ook maar hun boterham.“   
Hij bladert door een Paris Match. Foto’s van het ongeval, voorafgegaan door de jungle-oorlog in Vietnam, de dodelijke rassenrellen in Cleveland (Ohio) en Brigitte Bardot poserend in Tahiti. Bejaard papier, het onthoudt àlles.

Hij heeft ook tientallen Belgische knipsels en Duitse voorpagina’s met rode linies onder de blokletters. Er is sprake van “ongelukskinderen” en van de “bus-des-doods”. Zijn ouders en grootouders hebben die knipsels voor hem bewaard, maar eigenlijk heeft hij ze nooit willen lezen. Het doet nog teveel pijn. Vier jaar geleden was dat busongeval in Sierre,  toen was hij een hele week overstuur. Hoe zal ik dat uitleggen, zegt hij met wegvegen van tranen. “Je denkt dat die herinnering weg is, in een vergeten kamertje in je geheugen, maar er zit geen slot op die deur, ineens is het daar terug.“ En dan ligt hij weer op dat matrasje, op dat wegdek, en naast die geplette bus. Dat angstbeeld komt geregeld terug.
Dat hij heeft kunnen ontsnappen is zelfs een bezwarende gedachte geworden: “Met ouder worden begrijp je hoe klein de kans was op overleven en hoe weinig er nodig is om te sterven.” Een paar slaperige seconden volstaan om over je leven te beslissen; dat heeft iets in hem “heel kwetsbaar gemaakt.”
Op zijn achttiende zag hij een ongeval gebeuren, een meisje kwam onder een auto terecht. Hij stond met drie copains op het voetpad, hij hoorde hoe ze het uitschreeuwde, met hals en borst lag ze vlakbij de hete uitlaat gekneld. Toen hebben zij drieën die Citroën Ami opgetild zodat ze wegkon. “Een rijkswachter wou ons tegenhouden, ik werd wit, ik riep dat ik op zijn gezicht zou slaan, dat hij ons moest laten. Dat ik zo ‘ontplofte’ had zeker te maken met die bus en hoe ik ben bevrijd.”
De zorg waarmee brandweer, arbeiders en vrachtwagenchauffeurs hem toen omringden, liggend op dat asfalt, heeft hem ook diep geraakt. Later is hij ambulancier geworden en instructeur bij de Civiele Bescherming.

 Serge had deze zomer willen teruggaan naar Niederbrechen, maar het herstel van een zware rugoperatie houdt hem tegen. Eigenlijk is hij maar één keer terug geweest in het dorp, een jaar na de ramp, in juli 1967. Zijn ouders hadden hun zomervakantie geregeld in Ramsau(!) en op de terugreis hielden ze halt in Niederbrechen voor de eerste herdenking. Er waren meer dan duizend aanwezigen, “maar het was verschrikkelijk. Ik was er ziek van. In de kerk, aan die gedenksteen, het was één huilen en snikken van families die iemand verloren waren. Mijn ouders noch ik hebben nadien willen teruggaan.”
Of hij zich nog iets herinnert van dat WK-voetbal? Natuurlijk! Voor de finale Engeland-Duitsland (30 juli) is hij op een brancard naar de ontspanningszaal gedragen en daar “zaten zeker dertig patiënten in hun pyjama voor dat scherm.” En uiteraard heeft hij voor Duitsland gesupporterd.

In België was die voetbalfinale in mineur; op die zaterdag worden nog kinderen begraven. Ik heb die finale gezien. Pas in de laatste minuut komen de Duitsers langszij (2-2) maar in de verlengingen scoort Engeland een betwist doelpunt en winnen ze de trofee uiteindelijk met 4-2.  Tik de zoekterm The Goal of Wembley 1966 in en je vindt filmpjes, Wikipedia-pagina’s, en tv-documentaires over dat omstreden doelpunt van zestig jaar geleden. Het leeft nog altijd meer dan dat busongeval.

(Bron: Het Nieuwsblad)

In Het Nieuwsblad van die 30ste juli staat een aandoenlijk stuk over de ouders die de bagage van hun kinderen ophalen. In het Brusselse Rode-Kruis-bureau staan lange tafels opgesteld. Tafels vol verlies. Bestofte bergschoenen, besmuikte ledersandalen, drinkflessen, boterhamdozen, horloges, zaklampen, enkele foto-apparaten en één View-Master. Dat detail schramt. We hadden thuis ook een View-Master. In die tijd een populair speelgoed, een plastic kijker waarmee je in 3D plaatjes van koningen, bergtoppen en sprookjesfiguren kon zien. Duizenden kinderen van de jaren zestig zullen de metalen klik van die kijker herinneren tot op hun sterfbed. 
In de koffers vinden de ouders ook keurig verpakte souvenirtjes die voor hen bestemd waren, “naïeve geschenkjes die nu oneindig waardevol zijn geworden.” De verslaggever noemt ze op: miniatuur–alpenschoentjes, poppetjes in folkloristische klederdracht, muziekdoosjes, sierspelden met edelweiss. Ik kan ze zo voor de geest halen. Naar al die spulletjes heb ik ook staan kijken als kind op vakantie in de Alpen.

Dat het dramatische busongeval tot een diepe Duits-Belgische vriendschap leidde, kom ik pas tijdens de reportage te weten. Tussen de vrijwillige brandweer van Niederbrechen en de vrijwillige brandweer van Edingen blijkt al meer dan veertig jaar een hechte “entente” te bestaan. 
Jean-Luc Devos, gepensioneerd brandweerofficier, zegt dat de  vriendschap begon met één van de overlevende kinderen, Michel Elaerts. Zijn vader was brandweerman in Edingen/Enghien, “en hij begreep wat de brandweermannen in Niederbrechen hadden doorgemaakt” en vanaf 1967 ging zijn gezin elk jaar z’n dank betuigen in Niederbrechen. Rond 1975 begon een uitwisseling met het hele korps en nu is er jaarlijks een verbroederingsweekend, of in Edingen, of in Niederbrechen.
Huidig brandweercommandant Didier Leriche: “Onze oudere én onze jonge brandweerlui houden heel erg aan die vriendschap. We leven in alles met mekaar mee. Toen enkele jaren terug twee brandweerlui van ons korps omkwamen in een ongeval, kwam een delegatie uit Niederbrechen de uitvaart bijwonen, zelfs hun burgemeester was erbij.”

De vrijwillige brandweer van Niederbrechen met muziekkapel: al meer dan 50 jaar is er een hechte entente met de brandweer van Edingen/Enghien.

Hij zegt wel dat “Duitsland” moeilijk lag in de beginjaren (noot: een groot aantal van de vakantiegangers waren kinderen van verzetslieden,jh) . “In 1978 waren die van Niederbrechen voor het eerst hier en als hun muziekkapel een vrolijke Duitse mars speelde, zag je de mensen in Enghien verstijven. Zelfs al was het dertig jaar na de oorlog.”
Devos moest ook over een drempel. Zijn schoonvader was oorlogsinvalide, dus zijn familie was “niet bepaald duitsgezind” en hij had zich voorgenomen nooit één voet in Duitsland te zetten. Maar nadat hij in 1994 één keer in Niederbrechen was geweest, was hij helemaal “omgedraaid” en heeft hij geen verbroedering overgeslagen. “Hoe wij daar ontvangen worden, dat is for-mi-da-bel. Die vriendschap met die brandweerlui, dat is beton! Die leven nog altijd mee met dat ongeval en die Belgische kinderen. Nog elk jaar halen die hun knipsels boven, en met tranen in hun ogen”.

Voor één ouderpaar was Niederbrechen zelfs een houvast in hun leven. François en Yvonne Mertens uit Anderlecht hadden twee kinderen in het busongeval verloren, hun twee enige kinderen. Maar van bij het begin hebben ze zich aangesloten bij die entente “omdat ze weten dat wij aan hun kinderen blijven denken. Toen dat echtpaar vijftig jaar getrouwd was, hebben ze dat niet in België, maar in Niederbrechen gevierd! Die vriendenkring, dat was hun naaste familie geworden.“

De ouders van de verongelukte Claude en Claudine Mertens hebben hun 50 jaar huwelijk in Niederbrechen gevierd, “daar is onze naaste familie.” (bron Het Nieuwsblad)

In Niederbrechen weet Willi Kremer nog van die aanvankelijke anti-Duitse gevoelens : “Ik zie ons nog een café binnenkomen bij die eerste verbroedering. Die aanwezigen zien onze uniformen, horen onze taal en heel dat café valt stil, geen woord wordt nog gezegd. Tot onze gids zegde wie we waren en binnen de minuut had ieder van ons twee pinten, één in elke hand (lacht)
Daarna kon het niet meer stuk. Opnieuw een dikke ringmap erbij, met honderden foto’s over de verbroedering. De uitstappen, de ontvangsten op het gemeentehuis, de koude buffetten, de bonte avonden, ik zie zelfs Duitsers op de dansvloer zitten, roeiend op de “Marie-Louise”, veel familialer kan niet.
Weer een andere ringmap, de dankbrief van ons vorstenpaar en opnieuw tientallen artikels (“die ramp was wereldnieuws”). En tegelijk is er een oud zeer. Dat zij te weinig  erkend zijn. Dat iedereen spreekt over het busongeval van Limburg-an-der-Lahn “omdat daar de gekwetsten lagen en omdat daar de doden lagen opgebaard.” Limburg is met alle aandacht gaan lopen, Limburg is als bewaarengel de geschiedenis ingegaan. Terwijl zij de eerste redders waren én de enigen zijn om de nagedachtenis te eren. 

De plek van het ongeval in 2016. De smalle rijweg naar Werschau (waarop de bus neerstortte) is linksonder. © Jan Hertoghs

Ik rij met Willi naar het snelwegviaduct. Via de noodoprit van de hulpdiensten rijden we tot tegen de snelweg Frankfurt-Keulen. Ik zie de wat verdoken brugleuning, de lange flauwe bocht ernaartoe, met nu de koplampen en het natte suizen van de rijvakken op deze regenmiddag. Ik kén deze Autobahn. In juli 1969 reisde ik hier met m’n broer, we liftten naar Oostenrijk. Het was nacht en in Limburg-an-der–Lahn, één brug eerder, stonden auto’s met hun knipperlichten naast de vangrail. Iemand was zonet over de reling gesprongen, vijftig meter diep. Ik was zestien en ontdaan. Dat de dood zo vlakbij was en langs de snelweg had gestaan.
Onderaan de talud en langs de weg naar Werschau staat de gedenksteen, een rots met inscripties en een keurig bloemenperk: “Die van Enghien hebben als kinderen staan huilen toen ze hier de eerste keer waren.” Al vijf jaar verzorgt Willi dat gedenkperkje. ’s Zomers treft hij wel eens bloemen. Belgen die op vakantie gaan en hier halthouden.
Hij gaat op de rijweg staan om te wijzen waar de bus toen lag. Hij vraagt of ik weet hoeveel van de overlevenden nu nog in leven zijn. Ik weet het niet. Het houdt hem bezig. Zijn handen hebben de kinderen nog altijd niet losgelaten.

De helm en de entente. © Jan Hertoghs















Volgende
Volgende

De smeltende Alpen, een reisverhaal (1)