De smeltende Alpen, een reisverhaal (1)

© Jan Hertoghs

De gletsjer’brandweerman’: ”Het smelten van de gletsjers valt niet meer te stoppen. Zelfs niet met de strengste klimaatplannen.”

Op school leerden wij over de Alpen en de eeuwige sneeuw. Zoals wij leerden over Egypte en de piramides. Dingen die niet veranderen. Maar er verandert wel degelijk iets. De sneeuwwinters worden korter. De gletsjers smelten. De permafrost (bevroren bergbodem) dooit en steen- en slijklawines komen naar beneden. En dat in een regio waar veertien miljoen mensen wonen en waar jaarlijks 500 miljoen overnachtingen van vakantiegangers zijn. Wonend op twaalf meter boven de zeespiegel reis ik acht dagen naar die Alpen. Om te zien hoe de klimaatopwarming de bergbewoners beroert. En mij ook, ik ben een kind van de bergen. 

Ik maak deze reis met de trein. Mijn vertrek valt samen met een hittegolf die heel Midden- en West-Europa een weeklang zal treffen. De spoorreis door Duitsland verloopt moeizaam. De perrons en de ICE-treinen zijn overvol. In Frankfurt zijn de rijtuigen te zwaarbeladen, "de 200 laatst ingestapte reizigers moeten uitstappen en op de volgende trein wachten". Ik was bij de 200.
Op een klein station buiten München pikt Ludwig Braun (68) me op.  Braun is glacioloog. We kennen mekaar sinds 2005 toen ik hem en de meteoroloog Wasti Weber interviewde. Dat de gletsjers op alle continenten smolten, zagen zij allang als een onmiskenbaar alarmsignaal: "De gletsjers zijn de kanaries in de koolmijn van ons klimaat." Weber drukte het nog feller uit. "De gletsjers lijden aan de ziekte van deze tijd, namelijk dat de economie alles verteert: olie, steenkool, bergen, wouden, ijskappen, alles wordt opgebruikt."
Ik ga Braun twee dagen volgen. Sinds zijn pensioen heeft hij een missie: zijn academische kennis met zoveel mogelijk burgers delen.  Braun - die Zwitser is - werkte het grootste deel van zijn loopbaan bij de Bayerische Akademie der Wissenschaften in München. Die Akademie heeft een "huisgletsjer" in Tirol, de Vernagtferner in Sölden, waar ze al meer dan honderd jaar opmetingen doet. Braun heeft op 25 jaar zo'n duizend dagen in dat meetstation doorgebracht. "De gletsjer heeft al duizenden jaren bestaan op die plek, en nu kan hij op vijftien jaar weg zijn". Zo snel gaat het.

Al eeuwen zetten de duizenden Alpengletsjers hun laag wintersneeuw gedeeltelijk om in ijs. Maar sinds de jaren tachtig verliezen ze die beschermende sneeuwlaag in de zomer en zo kan de zon aan het ijs, en zo verliezen ze van hun eeuwenlang bewaarde ijsmassa. Door de opwarming en de hogere temperaturen lukt het de gletsjers niet meer om te recupereren. Hooggebergtes zijn immers hitte-eilanden. Omdat ze vooral uit rotsen bestaan, warmen ze heel snel op en houden ze die hitte ook lang vast. Net als steden. Doordat meer gletsjerijs smelt, worden de kale steengebieden groter, wordt het hitte-eiland groter en wordt het smelten nog meer versneld.

© Jan Hertoghs

We zijn onderweg naar Sölden en rijden via Garmisch-Partenkirchen. Ik denk aan nieuwjaar, de melige nieuwjaarsconcerten en de waaghalzen van het schansspringen: er wilden al mensen verongelukken op 1 januari! De nieuwe springschans in Garmisch heeft zelfs geen winter meer nodig, die kan kunstsneeuw aanmaken én op de piste bewaren. Die schans werd wel een schandaal. De stad betaalde haar hoge kostprijs onder andere door de verkoop van een aantal sociale-woning-complexen aan een privébedrijf. Dat bedrijf verhoogde de huurprijzen en raakte daarmee de sociaal zwakkeren, "en dat is vooral het 'hotelproletariaat', in àlle grote winteroorden drijft het toerisme op goedkope werkkrachten".

De weg loopt door bossen en langs wildstromende bergrivieren. Hier zal het altijd koeler zijn dan in de grootstad, zegt Braun. "Nu met deze hittegolf zie je dat direct, in de weekends vluchten de stadsmensen massaal naar hier". Hij noemt ze ook 'klimaatvluchtelingen' omdat steden "bij grote hitte onleefbaar worden". In die klimaatvlucht zit nu al een ongelijkheid: "Alleen wie geld heeft voor een tweede huis of voor een auto kan de stad ontvluchten."

Driftig gesticulerend wijst hij op de te volgen weg: " We moeten weg van de blinde economische groei, de energieverspilling, en de fossiele brandstoffen. Maar wat zien we?! 47 jaar na de waarschuwingen van de Club Van Rome wordt zes-zevende van alle energie op aarde nog altijd gewonnen uit fossiele brandstoffen!" Hij laat het stuur los en heft zijn handen, "das ist furchtbar, dat is een noodtoestand!" Je stuur loslaten is ook geen oplossing, hij gaat heftig verder: "Zie ons hier rijden! Wij hebben een wagen, wij hebben een gps, we hebben een jeugd zonder tuberculose en kinderverlamming gehad, dus al die vooruitgang moeten we omarmen. Maar terwijl wij denken dat we àlles onder controle hebben, ontsnappen de natuur en het klimaat aan onze controle. Terwijl wij denken dat wij comfort scheppen, scheppen wij niet, nee, wij graven! Wij graven ons eigen graf!"

Ik zeg dat ik wel eens wil stoppen om eindelijk de berglucht in te ademen. Dat is maar een woord. In een oogwenk zet hij de auto aan de kant. En hier sta ik, met al de avondlijke koelte uit de rivier, en met op alle velden warmgeurend gras dat vandaag gemaaid is.
Sinds 1976 heb ik geen zomervakantie meer doorgebracht in de bergen, maar tussen mijn twaalfde en mijn drieëntwintigste waren het zéstien zomervakanties, in Zwitserland of Oostenrijk, ik was een kind van de bergen, ik keek er een heel schooljaar naar uit. Dat waren bescheiden gezinsvakanties en jeugdkampen met de zogenaamde Preventieve Luchtkuren van de CM (Christelijke Mutulaiteiten): in grote groep en in afgehuurde treinen  naar de goede alpenlucht reizen.
Na 1976 was ik jaren niet meer in de bergen, pas in de jaren negentig was ik er terug, voor  wintervakanties. Al die jaren bleven de Alpen een stuk van mijn leven, en van mijn werk: een Humo-reeks over klimongevallen in de bergen, een interview met de alpinist-schrijver Joe Simpson, getuigenissen van skiërs die een lawine overleefden, en zes bladzijden over het Zwitserse jodelen, een ernstig stuk!

© Jan Hertoghs

In het Oostenrijkse Oetz begint het Oetztal en stappen we over op zijn "brandweerbus", een Mercedes-Benz 0309. Dertig jaar geleden was het een rijdend crisiscentrum voor brandweerofficieren, ze werd ingezet bij grote ongevallen en rampen, en nu heeft Braun die crisisbus toepasselijk omgedoopt tot Gletscherfeuerwehr. Kort voor zijn pensioen heeft hij ze gekocht, de bus is een rijdend infocentrum over de klimaatcrisis in de Alpen, ze wordt betaald door subsidies en de opbrengst van zijn klimaatlezingen. 
In 2018 toerde hij al een halve zomer door het Oetzal met lezingen voor 25 schoolklassen en honderden lokale bewoners. Hij stalde de bus ook bij campings, berghutten en toerismebureau's en sprak met kampeerders, berggidsen en een groot aantal bergwandelaars. Ook nu zal hij zes weken onderweg zijn. 
's Avonds zet hij me af bij mijn pension in Sölden. Ik was achttien toen ik hier op vakantie kwam met m'n ouders, broer en zus. De spaarzame foto's van mijn vader tonen een volgeling van CCR-zanger John Fogerty. Jeans, houthakkershemd, halflang haar en een bles diep over de ogen; wat zag de wereld er avontuurlijk en veelbelovend uit vanonder dat sixtieskapsel.

Tiroler melk
De volgende morgen belooft het weerbericht een hete 36 graden.
Op de hellingen buiten het dorp wordt gemaaid. Mannen duwen kleine motormaaiers manueel langs de hang, de scheerapparaten van de Alpen. Sölden zelf is niet meer het dorpje van 1971 met zijn familiale pensions. Door het wintertoerisme is het doorgeschoten naar een modieus vakantieoord met trendy sportzaken, een "lifestyle hotel", en terrassen die nu lounges heten. Lange karavanen van motards steken de voeten vooruit door de hoofdstraat, de vakantiewoningen hebben verschillende verdiepingen, de bouwkranen komen boven de kerkspits.
De uitbaatster van het pension begint er zelf over bij het ontbijt. Hoewel het skiseizoen met de jaren onzekerder wordt, is nog volop bijgebouwd in het hogergelegen Obergurgl. Het geld komt van "buitenlandse investeerders, die zetten overal in Europa hotels, die hebben geen oog voor het lokale karakter, en die weten hoe ze met hun megaprojecten zo min mogelijk belastingen moeten betalen binnen de Europese Unie."
Zelfs de yoghurtpotjes van de ontbijttafel kennen een schaalvergroting: "Die yoghurt is van het merk Tirol Milch, maar die melk komt niet meer van onze boeren in Tirol. Dat concern doet hetzelfde als andere grote zuivelbedrijven, ze mikken op een zo laag mogelijke melkprijs en dus willen hun koeltankwagens niet meer naar kleine of afgelegen boeren rijden; er zijn dus bergboeren die hun melk moeten weggieten! Zo'n hard labeur op zo'n moeilijk terein, en dan alles moeten weggieten als putwater!"

Alle wit vloeit weg uit de bergen.

De eerste zetellift in Sölden, een half uur ‘zeilen’ voor 700 m. (Dorpsarchief Sölden)

Dorpen als Sölden kenden vroeger alleen wandeltoerisme. De goldrush van het wintertoerisme heeft ze doen boomen. Hoe Sölden van boerendorp naar boomtown ging, wil ik zien op oude postkaarten. Brunhilde Hochschwarzer is vrijwilligster bij het dorpsarchief, ze is hier geboren en was hier onderwijzeres. Ze haalt de kaften met de ansichten: in 1960 is Sölden nog een gehucht, met amper een paar huizen rond de kerk. "De meeste inwoners waren melkveeboeren, in de zomer trokken ze met hun vee naar de hogergelegen zomeralp." De toerist was nog een 'vreemde, het toerisme heette nog Fremdenverkehr en de boeren verhuurden Fremdenzimmer als bijverdienste. Er zat nog geen businessplan achter.

Ze toont jaren-zeventig-prentkaarten van de winter waar in de verste verte nog geen klimaatverandering te zien is. Wijdse sneeuwlandschappen met her en der een kleine skilift. "Elke boer kon een privé-liftje plaatsen op zijn weidehelling, 50 meter omhoog en naar beneden, dat waren kermisritjes." Sölden had in de jaren vijftig al wel de langste zetellift van heel Oostenrijk. Die overbrugde 700 meter hoogte en duurde een half uur ("een mens kreeg toen nog tijd om na te denken"). Op de foto zie ik houten masten met katrollen, het stoeltje is een ijzeren 'bierbak' aan een haak, "en toch was dat toen een sensatie, zomaar in een zitje over een ravijn kunnen zweven!"

Inmiddels telt het hele Oetztal zo'n 3,5 miljoen overnachtingen per jaar, het grootste deel komt van het wintertoerisme. Sölden is met zijn 144 km pistes één van de grootste skigebieden in Tirol. Maar daarmee ook kwetsbaar, want al in 2006 waarschuwde de OESO dat de ski-industrie zwaar te lijden zou krijgen onder de opwarming. De sneeuw valt later in de winter en de sneeuwlaag smelt sneller in het voorjaar. Ook de gemiddelde sneeuwdikte neemt af, "met een duidelijke versnelling vanaf de jaren '80". Waardoor bijna elk  skigebied machinale sneeuw moet aanmaken met sneeuwkanonnen en sneeuwlansen, een enorme kost aan water en elektriciteit.

Ansichtkaart van de winter in de jaren 70, een opwarming is er nog nergens. (Dorpsarchief Sölden)

's Middags zie ik Braun terug, zijn bus geparkeerd bij de 25 meter brede Oetztaler Ache die uit het hooggebergte komt. Het wildwater kolkt, spat en breekt over de rotsen. Of hij weet hoeveel water hier voorbijschiet? Natuurlijk heeft hij die cijfers, de bus is een bibliobus vol kaften en statistieken. In de maaand juni komt er gemiddeld 50 kubieke meter voorbij per seconde. 50m3, dat zijn vijftigduizend flessen water van één liter, en dat per seconde! Veertig jaar geleden kwam er op zo'n junidag maar 20 M3 per seconde voorbij, minder dan de helft van nu, "want toen bevatte de rivier enkel de gesmolten wintersneeuw en nog geen ijs van de gletsjer."
Het gletsjersmelten valt intussen niet meer te stoppen, "zelfs niet met de strengste klimaatplannen; eens die raket vertrokken is, is ze niet meer tegen te houden".

De opwarming zal de bergen altijd hàrder treffen. Niet alleen  de Alpen, maar evengoed de Andes of de Himalaya. Als men spreekt over een mogelijke opwarming van de aarde met 1,5 graad of 2 graden, dan is dat een mondiaal gemiddelde dat 'laag' wordt gehouden omdat tweederde van het aardoppervlak water is dat langzamer opwarmt. Als het tot een wereldwijde opwarming van twee graden komt, zal het gebergte een gemiddelde opwarming van 5 tot 6 graden ondergaan.  

Braun legt uit dat de gletsjers niet meer "in leven zijn". Door de zwaartekracht stuwt zo'n gletsjer zijn ijs langzaam maar zeker bergaf en zo wordt zijn smeltende uiteinde steeds vervangen door nieuw ijs. Dat proces is gedaan. "De gletsjer smelt en krimpt aan alle kanten, de gletsjer is een dood gewicht geworden, zonder leven."

Een bezoeker vraagt waarom hij Feuerwehr is, hij kan toch niks blussen? Braun zegt: het huis staat in brand, en ik ben inderdaad niet de blusser. Ik ben het zwaailicht en ik hoop dat de mensen stilstaan en omkijken om te zien wat er aan de hand is. En dat er wereldwijd iets verandert, wat hem erg veel zorgen baart: "Dat is de dooi van de permafrost in de arctische gebieden, in Siberië, N-Amerika en Canada. Vorige maand stond het in de Süddeutsche Zeitung: wereldwijd zitten we nu al op het dooiniveau dat pas in 2090 werd verwacht! Het methaangas dat daar vrijkomt, versnelt het broeikaseffect, dat is als een brandversneller." 
De bus is soms te klein voor zoveel rampen.

Fotograaf Josef Oefner. © Jan Hertoghs

Fotograaf Josef Öfner (78) is een man met een timide oogopslag. Hij  was vroeger onderwijzer, later medewerker aan erfgoedprojecten. Zijn vader keerde niet terug van de oorlog, hij is opgevoed op de boerderij van zijn grootouders, zijn jeugd was het landleven. Öfner -die in Längenfeld woont - zag hoe zijn dorp en alle andere dorpen in het Oetztal door het toerisme veranderden: "de mensen verdienden goed, maar de dorpen zijn onherkenbaar geworden". Huizen in natuursteen, gebouwd met zuinig boerenverstand, zijn tegen de grond gegooid en vervangen door betonbehuizing. Hij zegt het voorzichtig: niet iedereen is gelukkig  met die ontwikkeling. "Het is de uniformisering, niet alleen de stadscentra, ook de dorpskernen worden onderling verwisselbaar."

De foto's van Öfner worden bewaard in het Heimatmuseum van Längenfeld-Lehn. We rijden ernaartoe. De twee vrouwelijke curatoren zijn van de stad, ze huggen Josef. Zijn foto's maakte hij vooral tussen 1970 en 1990. Verweerde mensen die brandhout dragen en dikke hooipakken op hun rug, of vrouwen die klerengoed wassen in de kilte van de winterse dorpspomp. Het is documentair werk, "bijna antropologisch".
Hij en zijn vrouw wandelen vaak in de bergen, ze zien de klimaatgevolgen met lede ogen: "Tussen twee berghutten van Sölden, op 2400 en 3000 meter was vroeger een prachtige oversteek over het ijs van de Gurgler Ferner. Daar is intussen zoveel afgesmolten dat je tussen rotsen en steenslag moest oversteken. Lastig en onveilig en dus bouwde men twee jaar geleden een dure hangbrug. Je loopt niet meer over ijs, je loopt boven een gat van stenen en gruis, intreurig! Sneeuw en ijs hoorden bij ons landschap, hoorden bij onze bergen. Dat raken we nu kwijt. Onze dorpen verliezen hun karakter. Onze bergen verliezen hun identiteit."   

© Jan Hertoghs

Ik zie soms nog 'karakter' dat ik verdwenen achtte. Zoals die minigolf gisteren. Hoeveel avonden we daar doorbrachten! De sleetse banen tussen de kleine appelbomen, de tl-verlichting onder de  cementen paddenstoelen, dat landerig lummelen met plankjes en potloden, en toch wou je daar zijn. Alsof je na een dag wandelafstanden afleggen alleen nog maar terplaatse wilde trappelen. Bergen zijn niks zonder minigolf. 

Na mijn bezoek aan Öfner lift ik naar Sölden. Al na vijf minuten stopt een auto, de bestuurder is vijftig jaar berggids en skileraar geweest. Hij zegt dat "alle 20.000 inwoners" van het dal afhankelijk zijn van de klimaatverandering "omdat iedereen hier leeft van het toerisme, en dan vooral van het wintertoerisme. Zelfs de boeren leven ervan door weiden te verhuren in het skiseizoen." Met de korter wordende winters vindt hij het onbegrijpelijk hoe de grootschaligheid nog altijd toeneemt. Zo wil het skigebied Sölden een fusie aangaan met het skigebied van het Pitztal, met voor 120 miljoen euro nieuwe infrastructuur, en met de bouw van skipistes op een gletsjer. "Niemand van de bewoners of de lokale besturen zit daarop te wachten, het zijn de 'kabellift-industriëlen' die het pushen. Om hun dure investeringen rendabel te maken, moéten de skigebieden grootschalig zijn."
Oostenrijk heeft al een mega-ski-arena waar 90 skigebieden zich hebben aangesloten binnen één skipas: 2750 pistenkilometers, het tweede grootste skigebied ter wereld. "Die groei is toch niet te begrijpen als de basis van alles, sneeuw en winter, zo onzeker is geworden?!"

Lang blond haar, honkbalpet en een sportieve auto. Niet meteen het type dat lifters meeneemt en toch stopt ze. Ook haar familie leeft van het toerisme. Oom heeft een sportwinkel, haaar ouders hebben een restaurant en een café. Zij studeert aan een hotelschool, ze zal later één van de familiezaken overnemen, die toekomst is ongewis door het klimaat. Neem de oom met de sportwinkel, die moet geregeld investeren in nieuwe uitrusting en materiaal, en die twijfelt: moet hij inzetten op de winter en het skiën, of op de zomer en de alsmaar populair wordende mountainbike en e-bike? 
Skiën wordt een probleem, zegt ze. Om de skiërs genoeg goeie sneeuw te bezorgen zijn "meer sneeuwkanonnen nodig en de bouw van pistes op hogergelegen gebieden. Dat zal de skipassen duurder maken en die zijn nu al zo duur. Als die dure pas dan gepaard gaat met een kwakkelwinter, dan krijg je  gefrustreerde gasten die op de duur niet meer terugkomen."
En ook: stel dat je in hogere pistes investeert, wat doe je dan met je lagere pistes en liften? Sluiten of nog onderhouden? Ze zegt het nuchter, "het klimaat en de gevolgen ervan, dat is een thema op al onze familiefeesten".
Prettig eindejaar. Het ijs smelt sneller in de glazen. 

Ik zie Ludwig Braun 's avonds terug in de  Raffeissenkasse. In de  bank is een feestelijke receptie: de viering van 150 jaar Deutsches Alpenverein. Die Duitse Alpenvereniging heeft hier aan de wieg van het bergtoerisme gestaan. De notabelen dragen wollen tiroler vestjes in moderne snit, er is wijn en bier, en aan de muren hangen etsen van gletsjers en sneeuwtoppen. Ludwig Braun kent de exposerende kunstenaar. Harold Henker (40) vertrekt elke winter voor drie maanden naar het hooggebergte om er te verblijven tussen sneeuw en ijs. "Ik bouw een iglo en leef als een poolreiziger in temperaturen net boven het vriespunt." Hij noemt zich geen escapist, geen kluizenaar, hij heeft vrouw en kinderen, maar om echt goed te kunnen etsen "wil hij één zijn met zijn onderwerp". De kunstenaar is een alternativo, veel van zijn uitrusting ontwerpt hij met materiaal uit de kringloopwinkel. 

Op de receptie tref ik ook een liefhebber van downhill mountain biking. Een zomersport waar nogal wat sportwinkels op inzetten nu het winterseizoen precair is geworden. Bij "downhill" suis je via een parcours bergaf, en aoals bij het skiën heb je gemarkeerde pistes, groen en blauw voor beginners, rood voor gevorderden, zwart voor de geoefenden. De obstakels zijn rotsen, de fietsen zijn zwaarder dan gewone mountain bikes, en het zijn Amerikanen die de trails komen aanleggen, "de paden, de bewegwijzering, alles". Sölden noemt zich nu "Bike Republic".

Mountainbike-pistes in plaats van skipistes, de zomer wint het van de onzekere winter. © Jan Hertoghs

De nacht valt over het dorp en over dit houten balkon met de bloembakken en de witte plastic stoelen. De nacht is het donkerblauw van de bergen, het niet aflatende gutsen en neerstorten van een bergstroom die ik niet kan zien.

De volgende dag staat de brandweerbus op het pleintje voor de middenschool van Sölden. Het is wachten op de kinderen van het eerste middelbaar. Hun speelplaats grenst aan het kerkhof met zijn lijdende christussen op ijzeren kruisen. Braun brengt zijn geloof ter sprake: "God heeft ons niet gevraagd om onszelf en de aarde op de fossiele brandstapel te gooien. Wij moeten anders omgaan met de schepping." En dat het een kwestie van naastenliefde is: "Wie zich bekommert om de aarde en de natuur, moet zich ook bekommeren om de kinderen en arbeiders in Congo die tegen een slavenloon kobalt delven voor onze smartphones."

De twintig scholieren zijn gearriveerd. Braun legt uit wat een glacioloog is en wat hij als zijn opdracht ziet. Hij zegt dat de klimaatverandering door de mens in gang is gezet en bijna niet meer te stoppen is. "Wij kunnen wat minder autorijden of de thermostaat wat lager draaien, maar het diep ontdooien van de permafrost in de poolgebieden kunnen wij niet tegenhouden." Maar hela-hola, vandaag gaan we niet doemdenken, vandaag gaan we tekenen en schilderen! "Hoe jullie je de bergen en het bergtoerisme voorstellen als jullie het voor het zeggen hebben".   
Het zijn 12-13jarigen, ik ben verwonderd dat ze niet meesmuilend reageren op die gepensioneerde met zijn theatrale gebaren.  De leraar zegt dat het een nieuwe generatie is, "ze zijn minder verhangen aan de smartphone, ze komen graag buiten en ze doen graag iets met hun handen."

Wasco en waterverf worden uitgedeeld. Ze  zetten zich ongedwongen onder de bomen. Er zijn kinderen die zonder aarzelen potlood-alpen kunnen scheppen, met pieken en dennetjes, maar er zijn er evengoed die klagerig vragen, Herr Lehrer, wat moet ik tekenen?! Algauw komt ook de vlakgom boven, het huis is te groot, het mensje te klein, mag ik een nieuw wit blad? Ik vraag de leerkracht of het klimaat een onderwerp is in zijn lessen. Ja, zegt hij, het komt in de lessen aardrijkskunde, biologie en Duits. Hij moet die belangstelling niet schools opleggen, "het is interesse vanuit de kinderen zelf, het houdt hen bezig". En, voegt hij toe, "allemaal kennen ze Greta Thunberg".

Eén meisje tekent een hotel. De naam op de gevel is "Hotel Schöne Aussicht". Heb je die naam zelf bedacht, vraagt Braun. Het meisje kijkt op. Niks bedacht, zegt ze. "Dat is mijn hotel.  Als ik groot ben, neem ik het over van mijn ouders."
Haar hotel heeft nu al veel zon, een groot blauw meer en een cocktailbar.   

Eén van de tekeningen - van het schoolmeisje Anna Rausch (foto Ludwig Braun)

Volgende
Volgende

De smeltende Alpen, een reisverhaal - deel 2