De smeltende Alpen, een reisverhaal - deel 2
© Jan Hertoghs
De berggids: "De gletsjers sterven en de mensen willen ze nog één keer zien voor het te laat is."
Eén van de grootste toeristische trekpleisters van de twintigste eeuw was de Rhônegletsjer in Zwitserland. In die gletsjer wordt al 120 jaar een ijsgrot uitgehouwen voor toeristen, ze is door miljoenen bezocht. Die ijsgrot verkeert intussen in een terminale fase. De Rhonegletsjer zelf is op weg naar een stoffelijk overschot.
Na het Oostenrijkse Sölden wacht een treinreis naar Zwitserland. Het station ligt 40km verder, ik lift ernaartoe. De veertiger die me meeneemt, plaatst verwarming in nieuwbouw en ziet "nog overal nieuwe hotels en vakantie-appartementen gebouwd worden". Daarnaast heeft hij een fietsenwinkel met verhuur van "honderd van de nieuwste e-bikes". Nu de skiwinter onzeker wordt, is dat dé grote hype van de zomer. "Al die toeristen die thuis op een elektrische fiets rijden, willen dat ook in de bergen doen." De meeste kabelbanen zijn al voorzien op dat fietstransport, en veel berghutten hebben oplaadpalen zodat je van berghut naar berghut kan fietsen ("zo'n Hüttentour was vroeger alleen weggelegd voor geoefende bergwandelaars"). Elektrische fietsers op wandelwegen, dat moet toch conflicten geven met de tragere wandelaars? Hij knikt, er zijn al veel conflicten geweest en die gaan nog toenemen, "tot er een regelgeving komt."
Hij heeft de knop al omgedraaid: "Ik mikte vroeger met mijn sportwinkel op de skiwinter, dat is gedaan. Het sneeuwseizoen wordt altijd maar korter met alle nefaste gevolgen vandien. In de weken en weekends dat er sneeuwzekerheid is, staat heel het Oetztal stil, één lange file van wintertoeristen. In dat toerisme zie ik geen toekomst meer."
© Jan Hertoghs
De trein rijdt via Liechtenstein naar Zwitserland. Het is smoorheet. De bergen pieken in een waas van hitte. Oudere mannen in zwembroek zitten op een bank, de armen breeduit op de rugleuning. In het station van Chur vraag ik inlichtingen aan de infobalie, niet omdat het nodig is, maar om mijn beurt te kunnen afwachten in het koele airco-bureau.
De trein van de Rhätische Bahn vertrekt naar Andermatt. Robuuste locomotief, kloeke rode rijtuigen, en de ramen kan je nog steeds openduwen tot aan je middel! Dat zoiets nog kàn en màg! Hier is geen Europese Unie, hier heerst nog niet die internationale regelzucht qua veiligheid; het graveerplaatje vraagt alleen om de kop niet te ver uit het raam te steken. Prachtig, zo'n rijtuig met klapperende gordijnen naast alle passagiers, en met lawaai dat aanzwelt tot luidschurend geraas als de trein in een tunnel verdwijnt. En van overal komt de zomer in de trein waaien, de geur van vlierbloesem, van hooi en droge koeienvla.
Er is vaak maar een enkelspoor, de treinen kruisen mekaar in de stations, en terwijl de rijtuigen naast mekaar schuiven, zwaaien meerdere reizigers naar mekaar, ook meisjes van vijftien wuiven, hoe geweldig uncool is dat?!
© Jan Hertoghs
De kleine stations in dit deel van Graubunden zijn in hout en donkere beits, met bloembakken aan de ramen en met nog de emailplaat die exact aangeeft hoe hoog het station boven de zeespiegel gelegen is. Stations met prachtige namen als Sumvitg-Cumpadials en Valendas-Sagogn. Soms is er amper een perron, de reizigers stappen uit op het grind naast de sporen.
De trein stopt in Tavanasa. Dat is het dorp van de schrijver Arno Camenisch (41). Zijn laatste boek "Der Letzte Schnee" (2018) gaat over de klimaatverandering en het wegblijven van de sneeuw. Ik ontdekte Camenisch in de bibliotheek met drie mooi vormgegeven boekjes uit 2013. Camenisch is de schrijver van het dorpsbestaan, anecdotisch, tragi-komisch, en in een laconieke verteltrant. Zijn recente boek over de verdwijnende sneeuw is een dialoog van twee dorpsfiguren die al jaren een kleine skilift bemannen en die de sneeuw en de toeristen zien wegblijven. Camenisch is de schrijver van de vergankelijkheid, in zijn boeken sluiten winkels en postkantoren, vertrekken jongeren naar de stad, en sterven mensen onbeholpen struikelend in een keldergat.
Watervallen storten bijna tot tegen de trein. We komen door een gebied met kloven en tunnels. De trein fluit keer op keer, het is nog krek dezelfde toon als in de jaren zestig. Dat ontroert me. Treinen kunnen dat teweegbrengen.
Wij hadden thuis geen auto, nooit één gehad zelfs. De zomervakantie in de bergen was altijd met de trein. Toen nog nachttreinen met compartimenten en schuifdeuren, en de ligbanken van de "couchettes" die je uit moest klappen. Niet kunnen slapen terwijl moeder zegt: je moét slapen. Vader die heel de nacht zwijgend zijn Davros-sigaretten staat te roken in het gangpad. De duisternis die langs de ramen glijdt met dorpen en kleine straatlichten. De knarsende rails en de grotere stations waar de trein stopt. Thionville. Metz. Mulhouse. Basel. De silhouetten die tussen de sporen lopen, arbeiders met een vreemde taal in de grote stille nacht. Met slagen van een lange hamer controleren ze of de remmen wel los van de wielen zijn. Dat heldere kalàng-kalàng was hét geluid van de naderende vakantie in de bergen. Terwijl ik dàt schrijf, rijst het haar op mijn armen. Het zit dus diep: de trein en de bergen.
© Jan Hertoghs
Voorbij de Oberalp-pass raak ik in gesprek met drie medereizigsters. Ze zijn zestig-zeventig en komen uit het Fieschertal, in het kanton Wallis. Ik zeg dat ik daar de ijsgrot van de Rhônegletscher wil bezoeken, en dat ik die als kind gezien heb in 1965: toen begon die ijsblauwe grot vlak achter de souvenirwinkel. Dat weten zij natuurlijk ook nog. Tot de jaren tachtig was het twintig seconden stappen tot aan dat ijs, nu zijn het twintig minuten; die gletsjer blijft maar achteruitgaan! Ze zijn nieuwsgierig. Draag jij ook een Zwitsers zakmes zoals wij? En waar is je vrouw? Zit ze misschien in die grote rugzak? In zo'n gezelschap zit ik.
Op deze spoorlijn naar Fiesch ligt Gluringen. Ik vertel over mijn eerste skilessen daar, in januari 1970, en hoe een maand later die gruwelijke lawine viel op het vlakbije dorp Reckingen. Dertig doden - in 1989 was ik opnieuw in dat lawinedorp om getuigen te spreken. Ze knikken, het waren bijna allemaal jonge doden. Eén baby overleefde, zijn wieg was bovenop de lawine blijven dobberen.
Ze moeten eerder uit de trein dan ik. De laatste van de drie stapt uit in Münster, "hier staan nog houten huizen van honderden jaren oud", en fijn, hoe we konden babbelen. Ze blijft op het perron, ze zoekt mijn raam, ze wuift tot mijn rijtuig geheel verdwenen is.
Reckingen - het dorp in Wallis waar in1970 dertig lawinedoden vielen. © Jan Hertoghs
Hotel Park serveert op zomeravonden als deze zijn avondmenu in de tuin, een kleine boomgaard met appelbomen en gekleurde gloeilampen. De wind strijkt lauw over de gedekte tafels. Onder elk bord ligt de aloude onderlegger met de vogelvlucht-plattegrond van de omgeving: de kabelliften, de eethuizen, de wandelpaden, en natuurlijk sneeuw op alle bergen. Op papier heeft een berg niets te vrezen.
De volgende morgen vertrek ik weer vanuit het station Fiesch. De Japanners op het perron hebben grote theemutsen op hun hoofd, andere reizigers dragen een handdoek over kop en schouders. De hittegolf gaat zijn vierde dag in.
Vanaf het station Oberwald rijdt de gele postautobus naar de Furkapas. De Zwitserse "Postauto" is de openbare busdienst: stipt, comfortabel en met een netwerk tot in afgelegen dorpen. In Gletsch (1760 meter) moeten we wachten op de overstap. Gletsch was tot 1980 één van de topattracties van het Zwitserse toerisme, vanaf hier kon je de bergwand met de Rhônegletsjer zien, een enorme gestolde waterval. Wolfgang Goethe (in 1779) en Koningin Victoria van Engeland (in 1868) kwamen speciaal tot hier gereisd en hebben lyrisch over die gletsjer geschreven. Zijn ijs is de bron van de Rhône die 800 km gaat afleggen naar Lyon, Avignon en de Middellandse Zee.
Tot 1996 zag je vanuit Gletsch nog een glimp van de gletsjer, nu kijk je op een richel van steen en gruis. De gletsjer heeft zich teruggetrokken, heeft aan zijn voet een groot smeltmeer gevormd, en trekt zich nog elk jaar véle meters terug.
© Jan Hertoghs
De bus vertrekt. Mijn naaste medepassagier denkt dat de gletsjers ooit wel terugkomen, maar het kan misschien nog duizend jaar duren. Na een lange zigzagweg is er ineens de legendarische bocht naar het Hotel Belvédère. Die bocht staat op ontelbare postkaarten en op miljoenen foto's. In de jaren vijftig, zestig en zeventig stond er elke zomerdag een kolonne toeristen in die bocht. Allemaal wilden ze fotograferen hoe de gletsjer tegen de vangrail leek te plakken. In de film Goldfinger (1964) wordt James Bond hier achtervolgd en is dat grote ijspak goed te zien.
Het Hotel Belvedere (°1882) had tot aan de eeuwwisseling nog een restaurant dat op de gletsjer uitkeek. In 2013 heeft het zijn statige deuren gesloten en zijn ramen met planken gebarricadeerd. De gletsjer was dan al een tijd uit het gezicht verdwenen.
© Jan Hertoghs
We zijn op 2300 meter, een parking vol auto's, moto's en mobilhomes, en overal reclame voor de ijsgrot. Hinein ins eisblaue Vergnügen heet het, en dat de grot open is van juni tot midden oktober en dat je "nergens in Europa zo dicht bij een gletsjer kan komen met de auto of met de touringcar".
Het Hotel Belvédère en de ijsgrot zijn privé-bezit van de familie Carlen uit Brig, zij heeft het alleenrecht om jaarlijks een ijsgrot uit te houwen. Door het smelten van het ijs, door het inkalven in de zomer, moet de ijsgrot elk jaar op een andere plek komen.De ijsgrot bestaat al meer dan 120 jaar. De bouw ervan duurt zes weken. Begin mei landen de arbeiders met de helicopter op de meters dikke sneeuw. Eens die laag uitgegraven is, graven ze in het gletsjerijs een nieuwe tunnel. Het gepantserde ijs van eeuwen biedt weerstand; het uithollen met machines en kettingzagen duurt zes weken. Elk jaar moet 350 ton ijs weggesleept voor een tijdelijke tunnel van geen honderd meter.
© Jan Hertoghs
Het bord IJSGROT bij de ingang heeft grote druiperige letters, naar analogie met frisco's en ijspegels; dat is nu een bedenkelijke typografie geworden: de lek zit erin. Eerst moet ik nog door de souvenirbazar. Koeienbellen, sneeuwbollen, schnapsglaasjes, bergkristal, alles is aanwezig. Aan de kassa zit Elsa Carlen die triomfantelijk zegt dat zij het oudste souvenir is, ze wordt negentig. Het is 9 Zwitserse frank voor een volwassene, niemand krijgt een toegangsbewijs. Dan stap je door een draaihek en kom je op het bergpad naar de ijsgrot.
In de verte zie je de gletsjer met onderaan de ingang van de ijsgrot. Sinds 2014 is boven die grot zo'n 25.000 m2 met doeken afgedekt. Die moeten het afsmelten afremmen; geschatte kost: 250.000 euro. Aanvankelijk zaten die zeilen strak op het ijs, nu blijven er ijsbulten gehuld in slordige polyesterlappen. Op het pad lopen twee werkmannen naast een klein elektrisch rupsvoertuig. Daarop twee grote rollen polyesterdoek, in totaal 400 vierkante meter, ze gaan "slechte stukken repareren".
Reparateurs herstellen de afdekzeilen die het smelten van de gletsjer moeten vertragen. “Het zijn lijkwaden.” © Jan Hertoghs
Ik kom uiteenlopende nationaliteiten tegen, zelfs toeristen uit Amerika en Kameroen, en hun reacties zijn al even uiteenlopend. Velen weten niet dat de gletsjer smelt en achteruitgaat, ze vinden het normaal dat je voor zo'n ijsgrot een eindje moet stappen. Dat je in 1995 maar 200 meter moest stappen en dat je in 1980 nog gelijk van de souvenirwinkel in de gletsjer kon, wekt algemene verbazing. Nogal wat toeristen weten evenmin dat de gletsjer al jaren met zeilen wordt afgedekt; een Nederlandse familie vindt het "fantastisch dat de eigenaar de gletsjer zo probeert te redden". Een Zwitsers echtpaar kwam hier de eerste keer in 2011 en komt elk jaar foto's nemen van wat is afgekalfd, "in de hete zomer van 2018 is ie extreem achteruitgegaan". Een Frans koppel "komt nog één laatste keer zien, zoals het klimaat nu gaat, is het hier binnen tien jaar gedaan."Het is geen gemakkelijk pad, wat maakt dat de ijsgrot niet bereikbaar is voor rolstoelgebruikers of slechtgaanden. Na twintig minuten kom ik bij de ingang. Ook die is afgedekt met een kap, als een sombere hoodie.
Het ijs van de tong van de Rhônegletsjer komt van vallende sneeuw toen Beethoven en Goethe nog leefden, het is ijs van de rococo en de Franse revolutie. Toen ik het ijs binnenging in 1965 was dat een geheimvolle ervaring. Ik kwam in een azuurblauwe spelonk met een stil gewelf, ik betrad een ongenaakbare wereld, een enorme koudeburcht van massief ijs. Nu kom ik in een hol dat klinkt als een stortbad, overal lekt en gutst water, bezoekers komen na enkele minuten ijlings weer naar buiten, sakkerend dat je een paraplu nodig hebt. Er zitten gaten in het plafond, ik zie de blauwe lucht, of erger, ik zie de bruinsmerige zeildoeken, ook die zeilen lekken van het smeltwater. Door de druipende muren en de kletsnatte loopplanken voel ik geen ijsgrot. Ik ervaar een loopgracht, een dodengang.
© Jan Hertoghs
Een Zwitser was hier ook als kind: "tot tien jaar geleden liep de tunnel uit op een 'ijssalon' met een fotograaf in berenpak, die maakte souvenirfoto's waarbij je tussen twee andere beren moest poseren." Nu is er geen einde meer aan de tunnel, de weg is versperd door een instorting.
Op de terugweg spreek ik de Duitser Andreas en de Pool Pjotr, twee bouwvakkers die al maanden in Wallis aan het werk zijn. Andreas was hier vorig jaar voor het eerst, hij vond het verschrikkelijk toen hij die smeltende gletsjer zag. Iemand had hem de vroegere contouren gewezen, hoe hoog en hoe ver het ijs kwam twintig jaar geleden, dat had hem geschokt, dat immense volume dat weg was.
Een Duitse fotografe vindt de gletsjer maar niks, maar die doeken vindt ze "fascinerend: al die tinten wit, grijs en grauw, wunderbar!" Ze is niet de enige. De laatste jaren zijn al meerdere kunstfotografen neergestreken. Ze komen in alle vroegte of met het avondlicht, sommigen kamperen zelfs op de gletsjer. Zij zien geen lapoplossing (Lappenlösung!), voor hen is het "land art", het doet hen denken aan de verpakkingskunstenaar Christo.
© Jan Hertoghs
Ik drink koffie bij de buvette waar Urs, de kelner, me in het Vlaams aanspreekt ("ik heb ooit een Vlaamse vriendin gehad"). Hij opent een zaaltje en daar hangt een prachtige reclameplaat van rond 1900: de gletsjer en het hotel Belvédère in volle glorie en in een gulden lijst. Zijn keukenhulp schampert: "Ach, Urs, dat verleden is voorbij! Alles smelt hier als een sneeuwman in de zomer!"
Van het wijdse hooggebergte kom ik weer in mijn kleine hotelkamer. De goedkoopste van Hotel Park, ik heb er zelf om gevraagd. Voor 50 CHF (45 euro) is er het ontbijt, het bed, het wasbakje, het winterlandschapje aan de muur en het uitzicht op de rotonde waar om halfzes het verkeer op gang komt. Op de gang is er de gemeenschappelijke douche en de gedeelde wc met het spartaans toiletpapier. Ook inbegrepen: de sigarettengeur die soms vrijkomt uit het laaghouten plafond. Ik ben de rugzakreiziger van de jaren '70, ik kan nog altijd geen geld uitgeven aan een hotel.
De kerkklok slaat tot laat zijn luide kwartieren. De krekel sjirpt door het open raam. Ik schiet kersenpitten de nacht in. Korte tik op de geparkeerde auto's.
Om tien voor zeven luiden de kerkklokken al. Het is warm in de ontbijtzaal, ook al sluiten de gordijnen de zon af. De gedempte stemmen aan de tafels, het scheuren van een zakje suiker, het tikken op een ei, en weer een lange stilte. Waarom zetten ze Radio Eviva niet op? Hèt Zwitserse radiostation met jodelgezang, harmonica-verzoeknummers en plechtige zangkoren. Je hoort een Zwitserland waarvan je het bestaan niet kan vermoeden.
Berggids Kilian Volken: “ Gisteren was het 19 graden op 3454 meter. Verschrikkelijk!” © Jan Hertoghs
Een uur later spreek ik Kilian Volken (68) in zijn sportwinkel in Fiesch. Hij komt uit een "berggidsengeslacht", zijn vader en grootvader waren berggidsen, twee broers zijn het ook. De handdruk is stevig, de blik vastberaden: een man die bij elk alpine weertype lastige knopen kan doorhakken. Hij maakt zich druk in de hittegolf van deze week. Gisteren is op de Jungfraujoch (3454 meter) 19 graden gemeten terwijl het daar in juni gemiddeld nul graden is. Negentien! Verschrikkelijk!
Volken kent alle gletsjers in de buurt en heeft al meerdere Zwitserse glaciologen begeleid. We praten over de Rhöngegletsjer als over iemand met een slepende ziekte die snel achteruit gaat.
De krant Walliser Bote had de titel: "Laat de gletsjer waardig sterven". Dat was ook een oproep op de sociale media.
"Ik deel die mening. Die Rhônegletsjer is op sterven na dood en die eigenaar Philipp Carlen gaat die dood nog wat rekken, hij gaat die ijsgrot afdekken om zijn gewin veilig te stellen. Dat is toch een schande! Dat zijn ook geen beschermdoeken, dat zijn lijkwaden. Met enkele andere berggidsen zijn we vorig jaar een actie begonnen dat ze die folie moeten verwijderen. Blijkbaar is die Carlen ook een advocaat, want hij wilde meteen juridische stappen ondernemen omdat dat protest hem financiële schade toebracht.
Die eigenaar beweert ook dat het om cycli gaat: gletsjers krimpen en zetten dan weer uit.
"Ik zal u zeggen wanneer de gletsjers aangroeiden. De laatste keer was tussen 1978 en 1984. Met nefaste gevolgen voor het Fieschertal. Door de ijsaangroei op de Aletschgletsjer brak de gletsjertong al eens af in de Märjelensee. Dat stuwde telkens zoveel water naar het dal dat alles overstroomde, de 74 km van Fiesch tot Sion!
Eigenlijk zijn de bergbewoners altijd beducht geweest voor overstromingen door de aangroei van de gletsjer. In 1678 is hier een jaarlijkse bidprocessie in het leven geroepen en de smeekbede was: Heer God, laat de gletsjers krimpen! Die processie bestaat nog, maar sinds 2000 begon dat te wringen bij die processiegangers. Mijn broer-berggids die ook in de politiek zit, is in 2009 tot bij de paus in Rome geraakt. Dat was e Duitser Ratzinger, die kende iets van bergen, en een jaar later heeft hij de officiële Roomse toelating gegeven dat die eeuwenoude bidprocessie een nieuwe smeekbede krijgt. Heer God: laat de gletsjers weer groeien."
"Eigenijk trekken de getsjers zich terug sinds de jaren twintig, maar zo miniem dat het amper opviel: minder dan één meter per jaar. Tot in de jaren negentig, dan is het snel beginnen gaan. Vorig jaar met die hete zomer is de Aletsch (23 km, de grootste en langste gletsjer van de Alpen red.), 38 meter korter geworden. Ook ging een dikte van 4,20 meter verloren. Dat is extreem veel."
Foto Kilian Volken
Tussen juni en september ben je bijna dagelijks met klimmers of bergwandelaars onderweg. Spreek je met hen over de klimaatverandering?
"Ik hoef niks te zeggen, iedereen kan het zien. Twintig jaar gelegen volgde je een bergpad en stapte je zonder problemen op de gletsjer. Nu smelten de randen af, je krijgt een kloof in plaats van een makkelijke toegang. Neem de Concordiahütte, die is gebouwd boven de Aletsch. Aanvankelijk kon je met een ladder, later met een stalen trap tot op het ijs. In 1976 had je 254 trappen omlaag tot aan het ijs, vorig jaar waren het al 520 trappen!"
"Heel wat klim- en wandelroutes veranderen daardoor. Neem de wandelkaarten. Vorige eeuw kon je daar tien of twintig jaar op betrouwen, maar nu zijn kaarten na 4-5 jaar al achterhaald.
In het tijdschrift van de SAC (Schweizer Alpen-Club) staan voortdurend klimroutes die omgelegd of veranderd zijn, bijvoorbeeld door losgekomen rotsen of gevaar voor steenslag. Ik ken bergtoppen die je vroeger via een gletsjer moest beklimmen: je had een klimtouw, klimijzers en een ijspickel nodig. Nu kan je daar fluitend omhoogwandelen, zonder touw en ijzers. Niks ijs meer, alleen nog slib en sediment, en dat op 3000 meter!"
Hoe ervaar je die teloorgang als je met die bergen bent opgegroeid?
"Bergen, dat zijn valleien, met bossen en alpenweiden en daarboven de kale rotsen en de hoge pieken die in de zomer nog sneeuw en ijs hebben. Een groene basis met een witte kroon, dat is een berg voor mij, maar dat is gedaan. Elk jaar worden de bergen grijzer, grauwer en eentoniger."
Het lot van de bergen en de gletsjers in zijn regio beroert velen. In 2007 verzamelden zich zeshonderd mensen op de Aletschgletsjer voor een gezamelijke naaktfoto: het kwetsbare lichaam op de kwetsbare gletsjer. En vorig jaar is op de Aletsch de grootste postkaart ter wereld uitgestrekt: 2500 m2 met 125.000 kindertekeningen van over de hele wereld die aandacht vroegen voor de klimaatverandering. Volken zelf merkt de impact op een heel onverwachte manier.
"De laatste jaren was die Gletscherschmelz niet meer weg te branden uit de media. Wij berggidsen zagen dat aan met lede ogen, wij dachten, de mensen gaan geen gletschertouren meer willen. Maar wat zien we de laatste vier jaar?! Een toevloed van aanvragen. Nog nooit hebben wij zoveel mensen over de gletsjers gegidst. Alsof de mensen denken: het is nu of nooit. De gletsjers liggen op sterven, ik wil ze nog één keer zien voor het te laat is. Het is wrang om te zeggen, maar dat smelten is onze beste reclame."
Naschrift: In de zomer van 2024 was er nog steeds een ijsgrot in de Rhônegletsjer. Het afgedekte ijs is intussen wel 'dood ijs'. Het ligt geïsoleerd, het maakt geen deel meer uit van de gletsjer.
LEES OOK DEEL 3. De bergflank die door het dorp Bondo spoelde
© Jan Hertoghs