Reportages

Een archief van eigen reportages.
Over bliksemjagers en voetbalveteranen,
klaroenblazers van de Last Post en autobestuurders die geen 1000 km per jaar rijden.  
En natuurlijk nog Vele Anderen.

Het boek “Kind zonder winter” heeft zijn voorgeschiedenis. Een hele reeks winterreportages ging eraan vooraf; zie ‘Winterreportages’ (in de header) of zie onder October 2025 .

ARCHIEF

Meer reportages lezen?

Wil je ingelicht worden als er nieuwe
reportages verschijnen?

Vul dan hier je e-mail-adres in:

Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De bosbranden en vuurstormen van 2026 (en 1988)

Bosbranden woeden in Frankrijk en in Spanje. In de buurt van Bordeaux zijn al 42.000 hectaren verwoest (plus 240 woningen). In de buurt van Madrid gingen ca. 70.000 ha (en enkele tientallen huizen) in de vlammen op. Ook moesten in beide landen samen zo'n 320.000 inwoners en vakantiegangers geëvacueerd worden.
De gevolgen van enorme en langdurige bosbranden heb ik in 1995 gezien toen ik het Amerikaanse nationale park Yellowstone bezocht. Het park kende in 1988 een ketting van bosbranden die meer dan 3 maanden duurde. Het jaar 1988 kende toen ook een uitzonderlijke droogte, maar kende nog niet de opeenvolging van droge en/of hete zomers die we nu kennen door de klimaatontregeling.

1988 was een uitzondering in het klimaat van toen, maar het is een ‘model’, het toont aan waarom die grote en langdurige bosbranden van nu zo moeilijk te blussen en te controleren zijn.
In 1995 sprak ik park ranger Gary Browne, een bevoorrechte ooggetuige van die lange brandende zomer met zijn 'vuurstormen'.
(uit Humo april 1995 - geactualiseerd en sterk ingekort, enkel het relaas van de bosbranden is hier behouden, © Jan Hertoghs)

© National Park Service/ Jeff Henry

“Het vuur brulde als een storm, het was een geweldige roar die door de bergen donderde. “

De staat Idaho ligt in het noordwesten van de USA temidden van de Rocky Mountains. Zalmen springen er uit de stromen, beren houden er hun winterslaap, coyotes huilen er naar de maan, en er wonen slechts één miljoen Idahoans in een gebied dat zevenmaal groter is dan België. De wegen komen er nog recht uit een road movie, lucht en licht zijn nog in onvervalste technicolor en naast tv-kijkers wonen er ook trappers, goudzoekers, cowboys en Indianen.
Het zijn de laatste weken van de winter. Langs de weg van Boise naar Fairfield trekken vier gekoppelde Union Pacific loks  honderdtwintig goederenwagons langs de rollende heuvels. De lucht is van het mooiste ijle winterblauw en de enkele vrachtwagen die met boomstammen rijdt, lijkt lucifers te hebben geladen, in dit uitgestrekte land aan de voet van de bergen. Hier en daar zijn nederzettingen uit een kruispunt van stoffige wegen geboren, boerderijen met de stompe aluminiumsilo op het erf, veranda's met bruingeteerde planken, en daarnaast de weg, niks dan de weg, en de letters T van telefoonpalen.

Op de grens van Idaho, Wyoming en Montana ligt de westelijke toegang tot Yellowstone. Toen ik nog een jongen van tien was en toen het nog 1963 was, liet mijn vader al plaatjes van de Rocky Mountains en van Yellowstone zien. De bergen, de edelherten, de grote geyser Old Faithfull, het was zijn American Dream, niet dat hij erheen wilde, maar Yellowstone, dat was Amerika voor hem. Een pastorale idylle die verder afdreef naarmate hij ouder werd, en vorig jaar stierf. Nu ben ik waar hij vaak in gedachten was, het wordt a sentimental journey.
Gids Lori vertelt dat Yellowstone het oudste natuurpark van de wereld is (1872), dat er vorig jaar meer dan 3 miljoen bezoekers waren. Lori heeft het over De Grote Brand van '88. Yellowstone is 900.000 hectaren groot, 300.000 hectaren zijn door de brand aangetast, 150.000 hectaren zijn compleet verkoold. Ook buiten het park gingen nog eens 240.000 hectaren geheel of gedeeltelijk verloren. De sporen zijn zeven jaar later nog altijd te zien. Mijlenver hebben we al zwarte heuvels gezien, heuvels met alleen maar verkoolde bomen. Heuvels waarvan het doodgeblakerde hout kriskras in de bergrug zit als de lange doodspennen in de nek van een stervende stier.

NPS/ Jim Peaco

Als we de volgende ochtend het hoge plateau van Yellowstone verlaten, strijkt de opkomende zon door de vallei en vouwen drie bald eagles hun vleugels open. Het eerste gehucht op onze weg heet Emigrant, het tweede heet Pray. Elke plek spreekt hier boekdelen. Heavens Gate. Freedom. Last Chance. Silver Star. Big Sky. Freedom. Paradise. 
In Bozeman(!) Montana, woont Gary Browne (59). Gary is dertig jaar park ranger geweest. Niet alleen in Yellowstone, maar ook in Yosemite Park (Californië) en in Alaska. Gary heeft de bosbranden van '88 van nabij meegemaakt.

"Ik zat er middenin en ik durf zeggen dat ik fier en blij ben dat ik er middenin zat. Bijna iedereen had het gevoel dat hij tegen een historische brand aan het vechten was. Iets dat maar ééns in honderd of tweehonderd jaar gebeurt. Ik vond het een privilegie om erbij te zijn. 
De brand die later dé grootste brand van die zomer bleek te zijn, brak net uit op het moment dat ik in de radiokamer van de brandweer zat. Het vliegtuig dat al dagen in de lucht hing en dat elke brand moest signaleren, meldde de brand en riep ons kort daarna al terug op om te zeggen dat er al dértig hectaren in brand stonden. Dat is 300.000 vierkante meter en dat op enkele minuten tijd. Echt, ik had die zomer voor geen geld willen missen, it was an exciting time. Ook al heb ik tweeënhalve maand verstopte sinussen en hoestbuien gehad van het inhaleren van de zware rook en ook al heb ik dan nachten achtereen in mijn auto moeten slapen omdat ik té bekaf was om naar huis te rijden."

Oorzaak van de brand waren vooral bliksems die insloegen in de droogste zomer sinds 193O, en in een gebied dat "al tientallen jaren massa's dor hout aan het opstapelen was". Het was ook niet één brand, het was een ketting van een acht zeer grote en ca. 240 "kleinere" branden, ze volgden mekaar op van 14 juni tot 26 september toen de eerste sneeuw de (bijna) laatste vlammen doofde; de brandweer stopte pas met waken en nablussen in november '88.

Zelfs tijdens de grootste branden bleef het park grotendeels open voor bezoekers. © NPS

Assen kwamen neer tot op 90 km van de branden. De zware ongezonde gesluierde brandlucht raakte tot 800 km ver van de brandhaarden.
In de loop van die drieënhalve maand werden in totaal meer dan 25.000 firefighters ingezet uit heel de VS, Mexico en Canada. Op piekdagen waren er 9000 brandweerlui en 4000 militairen tegelijk in actie. Brandweerlui groeven in totaal 16OO km brandgangen om het vuur af te blokken en waar geen jeeps, boten of bluswagens konden komen, werden smokejumpers ingezet, brandweerlui die met een parachute boven een bedreigd gebied gedropt worden om inderhaast brandgangen te graven.
Vaak tevergeefs, want gangen van 60 tot 100 meter breed die door machines waren gegraven, werden soms met één sprong overmeesterd door rukwinden die het vuur in gensters en gloeiende stukken houtskool tot twee kilometer voor zich uitjoegen. (NOOT: in de buurt van Bordeaux en zijn buitenwijken worden nu ook brandgangen gebuldozerd van 60 tot 100 meter breed,,jh)
Vlammen schoten vaak tachtig tot honderd meter hoog in de lucht, rookwolken van drie kilometer hoog verduisterden de zon en experts berekenden dat de hitte-energie die bij een van de grotere branden vrijkwam groot genoeg was om "43OO huizen gedurende één jaar te verwarmen". Op sommige plaatsen had het vuur een snelheid van vijfentwintig meter per minuut en legde het op één dag 32.000 hectaren in de as. Brandweerlui die omsingeld werden door het vuur hadden nog één redmiddel, de fire shelter. Een soort kitzak in dikke stof en aluminiumfolie waarin men zich met een rits stevig kon opsluiten om de brand over zich heen te laten razen. Dan nog kon je verkolen als je in de withete kern van de brand raakte. Dan nog kon je stikken, want in de zak zat slechts voor tien à vijftien minuten (hete) adem. In totaal lieten zes hulpverleners het leven.
Na zes jaar herstelt het park zich langzaam. De brand wordt zelfs  "verjongend" genoemd omdat ie het zieke en dorre hout opruimde. En tegen de verwachting in is het aantal bezoekers zelfs gestegen na '88, iedereen wil 'm zien, de "grootste Amerikaanse natuurramp in 3OO jaar".
Men heeft het park zelfs open gehouden tijdens de brand?
"Ja, we wilden de mensen in staat stellen om dat natuurfenomeen vanop afstand te zien. Er waren overal rangers die uitleg gaven aan de bezoekers. En aan de pers natuurlijk, want de brand beheerste bijna heel de zomer de nationale headlines en trok zo'n 3OOO persmensen naar hier. Sommige gedroegen zich als echte oorlogscorrespondenten, die vroegen niet liever dan vlak boven het vuur te vliegen of in de eerste linies gedropt te worden.

Er kwamen verhoudingsgewijs erg weinig grote dieren om tijdens de banden. Hier een wapiti mannetje. © NPS

Sloegen de dieren en masse op de vlucht. Herten naast slangen, uilen naast arenden, muizen naast bisons, zoals te zien is in de Disney-tekenfilm "Bambi"?
"Nee, er was geen sprake van stampede. De meeste (grotere) dieren krijgen op tijd lucht van het vuur en zoeken een veilige plaats, weg van het naderende gevaar. Dat hoefde niet verweg te zijn. We hebben bizons in een moeras zien staan temidden van een ring of fire en herten zagen we met een boogje om de vuurzee lopen om in de nog smeulende resten weer naar voedsel te zoeken."
Tijdens de brand kwamen veel minder dieren om dan destijds verwacht. Uit inventarisaties bleek dat er slechts 345 wapiti's (naaste familie van het edelhert, het park telde er 40.000 à 50.000), 36 muildierherten, 12 elanden, 6 zwarte beren, 1 grizzly en 9 bizons waren omgekomen. (Enkele honderden braken tijdens de daaropvolgende winter wel uit het parkgebied omdat ze onvoldoende voedsel vonden. Ze vernielden omheiningen en gazons en tientallen bizons werden neergeschoten door boeren en andere benadeelde landeigenaren. jh)
De grootste mortaliteit was er onder insecten, reptielen, amfibieën, kleinwild en knaagdieren, omdat ze minder mobiel zijn, of geen koele schuilplaats kunnen vinden. Vogels kunnen een eind wegvliegen, het hangt van hun jongen af of die al vliegvaardig genoeg zijn. (Noot: In Spanje en Frankrijk kan de tol van deze zomer veel hoger zijn. Yellowstone is een natuurpark met gevarieerde bossen, rivieren, heuvels en prairies. Dat zorgde voor ‘eilanden ‘waar de fauna zich kon wegstoppen. Nabij Madrid en Bordeaux is de vegetatie veel monotoner -vaak dennenbossen, laag kreupelhout en struikgewas- en is er dus minder uitwijkmogelijkheid voor de fauna. jh)

© the Billings Gazette

Eerder dan een bosbrand, was het op sommige dagen een vuurstorm zoals met de fosforbombardementen op steden als Dresden, aan het eind van WO II. Het vuur is zo heet dat het met grote kracht koude lucht aanzuigt en dat worden cyclonische winden die het vuur verder aanwakkeren.
"Het was al een heel winderige zomer, met rukwinden van 6O tot 8O km per uur, maar het vuur creëerde inderdaad zelf winden van 45 tot 6Okm per uur. Zo zijn er de vuurkolken die de branden ‘van binnenin” kunnen aanjagen. Hete opstijgende lucht in een brandhaard zuigt aan de grond koude lucht naar zich toe; dat zorgt voor een wervelend mechanisme zoals een tornado, en die ‘wervel ‘ creëert vuurhozen, en uitgebreider, een vuurstorm binnen het gebied van de branden. Sommige firefighters hebben staan rillen door die aangezogen koude lucht, terwijl ze vlakbij die gloed stonden. Het vuur brulde ook als een storm, het was een geweldige roar die door de bergen donderde. En terwijl zag je de ene kruin na de andere in vlam schieten, bomen ontploften in stukken door de grote plotse hitte, pijnappels suisden als dikke gloeiende kogels over je hoofd en tegen je kleren en het regende soms minutenlang zwarte dennenaalden. Een echte vuurstorm zuigt ook de zuurstof uit de lucht en zo komt het dat een aantal herten die niet in de brand stonden, toch gedood zijn door verstikking.”

Wat in 1988 als een uitzondering gebeurde, laat zien waarom die grote en langdurige bosbranden van nu zo moeilijk te blussen en te controleren zijn.
Net zoals de vuurkolken kunnen ook zogenaamde 'vuuronweerswolken' ontstaan die onder andere 'downbursts' veroorzaken, (zoals de storm op Pukkelpop in 2011). Dat zijn “neerwaartse windhozen" die vanuit grote hoogte naar het grondoppervlak ‘storten’, om daar het vuur in alle richtingen uiteen te jagen. Ook dat "nieuwere" fenomeen maakt dat die actuele branden zo moeilijk te beheersen zijn.
NAWOORD (Europa 2026)
ik zag intussen ook berichten over oogstbranden in Duitsland, Engeland en Ierland , hectaren van graangewassen die in de vlammen opgaan door de droogte en hitte. Klein nieuws in vergelijking met de bosbranden, maar het geeft  wel aan hoe verspreid de droogte en hitte is. En dan hebben we het nog niet over de extreem lage waterstanden van de Rijn en andere rivieren.

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

25 juli 1966 : de bus die van de snelweg viel

Op 25 juli 2026 is het zestig jaar geleden dat een Belgische bus op een Duitse snelweg verongelukte. Er waren 33 doden: 28 kinderen en vijf begeleidende volwassenen. Eén van de zwaarste Belgische busongevallen in de naoorlogse geschiedenis, samen met Sierre (CH 28 doden, 2012), Vizille (Fr., 43 doden, 1973).
Het relaas van een busongeluk én het verhaal van de onverwoestbare vriendschap tussen Duitse redders en Belgische families.
© Jan Hertoghs - Humo juli 2016

“Wij spraken de taal niet van die gekwetste kinderen, en toch gaf je ze moed, je zei honderd keer, gut! gut! , alles kommt gut.”

Op zondagnamiddag 24 juli 1966 vertrekt een autocar met 38 Belgische kinderen en 5 begeleiders uit het Oostenrijkse Ramsau. Drie weken vakantie aan het Dachsteinmassief zijn voorbij. De twee chauffeurs zullen de hele nacht doorrijden, maandagmorgen worden de kinderen in Brussel verwacht.
Op zondagavond 24 juli viert Willi Kremer zijn 19de verjaardag in een café in Niederbrechen. Laat wordt het niet; hij moet vroeg op voor zijn werk.   

Maandagmorgen 5u20. Vanuit de steenbakkerij wordt de smid van Niederbrechen gebeld. Hij steekt de straat over, duwt op de knop en op het gemeentehuis gaat de sirene loeien. Het dorp schiet wakker. Dertig vrijwillige brandweerlui spoeden zich in de grauwe motregen  naar de steenbakkerij. Niet ver daarvan is de ijzeren reling van het snelwegviaduct weggerukt, en midden op de weg naar Werschau ligt een autocar op de kop, de wielen in het ijle. Het is een Belgische bus, ze zien de “B” en de roodwitte nummerplaat.

De bus zoals ze op de rijweg was neergestort (bron: Zondagmorgen)

Begin juli 2016 rij ik naar Niederbrechen. Bossen, heuvels,  rijpend koren, klaprozen langs de weg, een ouderwets en oerdegelijk landschap. Het vergaderzaaltje van de Freiwillige Feuerwehr is als een kleine parochiezaal, de stoelen omgedraaid op tafel, en in de hoek een drumstel; hier repeteert hun muziekkapel. Twee getuigen zullen wel volstaan had ik aan de telefoon gezegd. Zeven mannen zitten me op te wachten. Drie brandweerlui-ooggetuigen (Willi Kremer, Heinz Ewald, Aloïs Blum), twee medewerkers van het brandweerarchief, een heemkundige én de burgemeester. Het ongeval is hier allerminst vergeten.

De autocar is in een flauwe snelwegbocht door de reling van het viaduct gebeukt, twaalf meter diep gekanteld en op haar dak terechtgekomen. Het hele bovenstuk van de Lancia-bus is in één klap scheefgeplooid. De kranten hebben het over een “luciferdoosje”. Het wegdek is bedekt met olie, bloed en kledingresten van de kinderen. Een boek speelkaarten is uitgewaaierd op het asfalt.
Kremer: “Je kon geen inzittenden zien, zo hard was die bus ingeklapt. We hoorden ook geen roepen of gillen, het was ijzig stil. Af en toe wat zacht gejammer in dat ijzeren binnenste, dat was alles. Onze commandant Robert Wilms zag toch ineens een hand achter een raampje. Hij heeft zijn arm door dat kapotte glas gestoken en hij heeft die hand gegrepen, gevoeld dat er nog leven in was, en hij heeft ze niet meer losgelaten. Tot die jongen uit die bus was.”
Nu al krijgt Willi het moeilijk. Ik was maar negentien, zegt hij, dat hij kinderen van enkele jaren jonger moest redden en ze dood en verminkt heeft gezien, dat valt nog altijd zwaar.

De jonge vrijwillige brandweerman Willi Kremer: “ Op je negentiende kinderen moeten redden die enkele jaren jonger waren dan ikzelf, het viel mij zwaar.”

Vanuit de steenbakkerij rollen ze een snijbrander naar de bus. De arbeiders willen de raamspijlen doorbranden om zo in de bus te kruipen. De politie houdt hen tegen, er is “ontploffingsgevaar”. Dan halen ze metaalzagen om de spijlen door te zagen.
Kremer: “Zelfs met stukgezaagde spijlen raakten we niet in de bus, overal zaten zetels in de weg, die zaten muurvast omdat de bus met heel dat omgekeerd gewicht daarop drukte.”
Niks is erger dan machteloos toekijken. Ze zijn wanhopig, " we werden als razend, als bezeten. Met dertig man hebben we geprobeerd om de bus om te kiepen, puur op mankracht. Maar dat ging niet.”
De politie houdt hen weer tegen: door de klap van het omkantelen zullen de gewonden zwaar dooreen worden geschud.
Kremer: “Uit pure radeloosheid begonnen collega’s met hun blote handen aan de zetels en raamspijlen te rukken om binnenin te geraken. Krankzinnig. Ze sneden hun handen, ze bloedden, je moest ze wegtrekken. Anderen sloegen met de grote brandbijlen in de carrosserie, om via de kofferruimte of via de motorkap toch naar binnen te dringen, ook onbegonnen werk.”

(Bron: weekblad ZIE)

Een opgeroepen takelwagen slaagt er niet in om de bus op te tillen. Kremer haalt een bulldozer van de steenbakkerij: met kettingen onderaan het schepblad willen ze de bus optillen. Als hij aankomt op de dokkerende rupsketting, sleurt een politieman hem uit de cabine. Hij krijgt handboeien om. 
Kremer: “Ik mocht niks meer doen tot het leger ter plaatse was. Nu hebben wij kranen en gespecialiseerd materieel om geknelde inzittenden te ontzetten, maar toen was het wachten op hulp van buitenaf.”
Uiteindelijk arriveren twee kranen van het Duitse leger. Die tillen de bus een meter op en dankzij de doorgezaagde raamspijlen komt het dak grotendeels los. Het is dan al zeven uur, bijna twee uur na het ongeval. Het is een hallucinant tafereel. Terwijl de brandweerlui en Rode Kruis-medewerkers zich een weg banen tussen de verwrongen zetels, hurken de pastoor en onderpastoor van Niederbrechen bij het wrak. Waar ze een lichaam zien, dood of levend, spreken ze een gebed en geven ze op het voorhoofd een kruisje met het Heilig Oliesel. Het zijn de sacramenten voor de stervenden; ze denken dat niemand het er levend vanaf brengt.

Kremer: “Dat kinderen het overleefd hebben, kwam omdat ze uit hun zetel geslingerd waren. Dat was hun geluk. We vonden ze bijna allemaal in het gangpad, waar meer ruimte was dan tussen de ingedrukte zetels. De kinderen die nog bewogen, spraken ons aan in een taal die wij niet kenden. En toch gaf je ze moed, je zei honderd keer, gut! gut! es kommt gut, je drukte hun hand, je klopte op hun schouder, je knikte ze toe, alles kommt gut.”
Hij krijgt het opnieuw moeilijk. Zegt dat het voor sommigen te zwaar was om te blijven: “Helmut, een boom van een vent, ging weg. Die vonden we een uur later terug. Hij zat achterop de bumper van zijn auto in het niets te staren.”
De coördinatie is moeilijk. De brandweer had toen geen radio aan boord. Om lijkwagens en doodskisten te vorderen moeten ze bellen in de steenbakkerij. In afwachting van de lijkwagens worden de doden in de graskant gelegd. Zeventien inzittenden zijn op slag dood, daaronder de beide chauffeurs en drie volwassen begeleiders. Zestien inzittenden sterven onderweg naar het ziekenhuis of bij aankomst. Bij de 28 dode kinderen zijn de meeste tussen tien en veertien jaar.

Na het wegvoeren van de slachtoffers maakt de brandweer de  bagageruimte leeg. Alle koffers en rugzakken worden in een lange rij onder de snelwegbrug gestapeld, samen met de verloren schoenen, verweesde drinkflessen en toiletzakken die ineens aan niemand meer toebehoren. Op de snelwegtalud staan tientallen nieuwsgierigen. Bestuurders stoppen op de Autobahn en kruipen over de vangrail. “Ik zag twee vreemden hun kop in de bus steken: hier liggen transistorradio’s. Die wilden gauw wat meepikken!”
Rond de autocar blijft alleen een plas van olie, bloed en glas. De natgeregende venstergordijntjes hangen naar buiten en “klapperen spookachtig in de wind”. 
Om twaalf uur is het wrak weggesleept en kunnen de brandweerlui naar huis. Ze zeggen dat ze de eerste dagen amper geslapen hebben, en nauwelijks gegeten. Ze waren in shock. Willi moest desondanks weer snel aan het werk: “Eén dag verlof, dat was de enige psychische bijstand die je toen kreeg.”

Aan de Ambiorixsquare in Brussel wachten de ouders met toenemende onrust. Op de radio zijn er berichten over een zwaar busongeval in Duitsland. In paniek verdringen ze zich in een politiebureau, daar wordt hen aangeraden “naar huis te gaan en te wachten”. Sommige ouders nemen de auto en vertrekken gelijk richting Duitsland.
Buitenlandse Zaken legt een vliegtuig in. Een DC-6 van Sabena  vertrekt maandagavond met eenenvijftig vaders, moeders en andere familieleden aan boord (“Ze zijn weggerukt uit hun dagelijks bestaan. Mannen met ongeschoren gezichten, of nog in werkkledij, vrouwen met hun boodschappentas. De eenvoudige kleren die ze aanhadden om hun kind te verwelkomen. In een doodse stilte stappen zij in. Voor velen is het hun eerste vliegtuigreis. Dat houdt hen niet bezig. Zij gaan naar hun kind. Maar geen één weet of hij zijn kind nog levend zal terugzien.”)
In het stadje Limburg-an-der-Lahn (op 8 km van Niederbrechen)  liggen de doden opgebaard in de feestzaal van het gymnasium. In de late avond worden de ouders in die rouwkapel binnengeleid. Tussen de bloemen en de kandelaars moeten zij hun kind identificeren in de open eikenhouten kisten.

(Bron :weekblad ZIE)

Ik was dertien en het ongeval is me bijgebleven omdat het zoveel dode kinderen waren en omdat het in “Limburg” gebeurde. Dat intrigeerde dat er in Duitsland ook een Limburg was.
Dat een bus van een snelweg kon stuiken had iets donker. In 1966 ging je fietsen op zondag, en op de brug over de snelweg hielden je ouders zeker tien minuten halt zodat je met broer en zus naar de passerende auto’s kon wuiven. Een snelweg was nog een attractie, zonder enig gevaar.
In de bibliotheek lees ik de kranten van toen. Muiters Bezetten ex-Stanleystad. Algerijn Steekt Marokkaan neer op Houthalen-Kermis. Prinses Paola Heeft Paardenstaart. Dat kopt Het Nieuwsblad op maandag 25 juli. Morgen zal de voorpagina alleen maar over het ongeval praten, nu heerst nog het niets vermoeden: de komende verkiezing van de Schuimwijnkoningin in Overijse, en “een interessante nieuwigheid op de markt”: de oplosbare koffie. Op de sportbladzijden was het WK voetbal in Engeland en ik was toen voor de Engelsen. Met de broers Bobby en Jacky Charlton, de onverstoorbare keeper Gordon Banks en de tandeloze verdediger Nobby Stiles. Namen en gezichten om nooit meer te vergeten.

Dinsdag 26 juli. Er wordt een nationale rouw afgekondigd. De hele Europese pers is in Limburg-an-der-Lahn. De ouders van de slachtoffers wonen een rouwdienst bij in de Domkerk, in aanwezigheid van honderden Duitsers; ook buiten is de dienst te volgen met luidsprekers. Vaders en moeders omhelzen schreiend de kist van hun kind, “ze moeten worden losgetrokken”.
Dinsdagnamiddag vliegen de familieleden terug naar Brussel en  worden de “grauwe, vermoeide en diepgeschokte mensen“ ontvangen door koning Boudewijn. Een moeder heeft “in haar gevouwen handen kleurige veldbloemen die ze op de plaats van de ramp heeft geplukt”.
De kranten publiceren een brief die tussen die bagage is gevonden. Een moeder schrijft: “Liefste jongen. Deze brief is de laatste die ik schrijf. Binnen enkele dagen ben je thuis en kan je mij vertellen over de grote reis die je hebt gemaakt.” Dat lees ik op 27 juli en ik blijf haperen op de tv-pagina, ik zie favoriete feuilletons terug: een tekenfilm van The Flintstones, de avonturen van dolfijn Flipper, en Ridder Ivanhoe in wiens navolging wij onze regenjas als een middeleeuwse cape om onze hals knoopten.

Op dinsdagnamiddag 27 juli komen twintig militaire ambulances de stoffelijke overschotten ophalen. Als de kolonne door de smalle straatjes vertrekt, doet de hele stad Limburg hen uitgeleide. “Sommigen wuiven met een stil gebaar, mannen nemen hun hoofddeksel af en buigen het hoofd.” Uit eerbied rijdt de rouwstoet slechts vijftig km per uur. Tegen 23 uur worden ze op het Brusselse Meiserplein verwacht, “waar een massa stille omstaanders heeft postgevat”. De kolonne loopt vertraging op, het wordt middernacht, één uur en nog later. De honderden blijven koppig staan, “sommigen gaan slapen achter het stuur van hun wagen”. Wat de wachtenden niet weten is dat de rouwstoet vertraging heeft opgelopen door de volkstoeloop.

Het is een tijd zonder gsm, internet of live-verslaggeving op tv, en toch staan overal rouwenden langs de weg. Met honderden staan ze op snelwegbruggen, op bermen, en in de graskant. En dat zowel in de dorpen van de Ardennen als in het centrum van Luik, Sint-Truiden, Tienen en Leuven. Ik krijg de tranen als ik het lees. Dat duizenden in de nacht en in een miezerige regen een stille haag hebben gevormd en urenlang geduld hebben geoefend, dat is een piëteit die me ontroert. De kinderen komen niet meer terug uit vakantie, en toch zijn zovelen langs die terugweg gaan staan. 

Uiteindelijk doemen de ambulances en de motorescorte in Brussel op. Het is vijf uur in de ochtend, “hun lichten branden terwijl het toch al dag is”. In het atheneum van Etterbeek is de rouwkapel, met in de voormiddag opnieuw een rouwhulde en schrijnende taferelen. “Sommige ouders zijn zo door verdriet overmand dat ze het bewustzijn verliezen of een huilcrisis krijgen en in een ambulance dienen afgevoerd”. 

De militaire ambulances met de stoffelijke overschotten arriveren om 5 uur ‘s morgens in Brussel. Tienduizenden hadden ‘s nachts langs hun weg gestaan van Duitsland tot in de hoofdstad. (ZIE magazine)

Tien kinderen hebben het overleefd. Hun namen en adressen staan in de krant. Maar vijftig jaar later zijn ze nauwelijks terug te vinden. Van twee kom ik te weten dat ze intussen gestorven zijn. Na lang zoeken vind ik Serge Bottemanne uit ’s Gravenbrakel. Het is de eerste keer sinds 1966 dat hij weer met een journalist spreekt. Hij was toen tien. “Ik was meegegaan met m’n kameraad Marc Moureaux, we zaten samen op pensionaat in Soignies en hij ging met een groep uit Brussel naar Oostenrijk, en ik ging mee. Ik was nooit eerder in het buitenland of in de bergen geweest, het was een geweldige vakantie.”
Hij had voor het vertrek nog souvenirs gekocht voor thuis. En dan wordt de duizend kilometer aangevat. Eén nachtje slapen, en als hij wakker is, is hij thuis.
“In m’n slaap voelde ik ineens dat we diep vielen, iedereen gilde, dan volgde een geweldige klap, en dan herinner ik me niks meer. Wel dat ik uit de bus werd getrokken en dat ik onder die brug op een matras ben gelegd. Zo’n mousse matrasje uit de slaapcabine van een vrachtwagen.“
Hij was één van de eerste uit de bus, “in alle zetels rond mij hebben ze alleen maar doden gevonden.” Hij laat het zware litteken zien op zijn scheenbeen, dat was doorboord door een stuk metaal. In het ziekenhuis van Limburg-an-der-Lahn lag ook zijn kameraadje Marc, die was het ergst gewond, “die heeft tussen leven en dood gezweefd.“

Serge Bottemane en zijn kameraadje Marc Moreaux. Serge en Marc waren kinderen die het overleefden.

Zijn papa, mama en grootouders hadden ook staan wachten op de bus. Toen ze wisten van het ongeval, zijn ze gelijk in de auto naar Duitsland vertrokken. Aan een Raststätte gingen ze tanken, “daar hoorde mijn grootmoeder een vrachtwagenchauffeur zeggen dat niemand nog leefde, sie sind alle tot.” Met weinig hoop kwamen ze in het hospitaal van Limburg-an-der-Lahn, en troffen Serge lévend aan.
Tien dagen moest hij blijven. Z’n moeder bleef ook, alle ouders kregen gratis logies in de stad. De eerste dagen waren somber: de twee kameraadjes die in levensgevaar verkeerden, hoorde hij kermen en roepen tot in zijn kamer. Maar boven alles heeft hij onthouden hoe vertroeteld ze werden door de nonnetjes en verpleegsters. Hij wil erover vertellen, het lukt slechts in tranen en hortende woorden. Nù heeft hij het moeilijk. Toen was het een jongensavontuur. Reporters aan bed. Strips en boeken om te lezen. Frieten en gebakjes als je erom vroeg. Kusjes bedelen voor het slapengaan. De linten van de schorten van de verpleegsters lostrekken. Een prachtige tijd! En dan kwam een militaire ambulance voorgereden, alleen voor hem en z’n mama. En die Belgische soldaat heeft hem thuis in zijn armen  de voordeur binnengedragen!    

Alle Belgische kranten schrijven uitvoerig over de hulp en toewijding die de slachtoffers in Duitsland krijgen. Dat raakt een gevoelige snaar. In La Libre Belgique verschijnt een opvallende brief: “Na de jarenlange bezetting van ons land wilde ik mijn haat tegen de Duitsers tot in mijn graf meedragen. Ik was tot gisteren nog liever doodgevallen dan één Duitser te spreken, maar nu ik lees hoe u onze kinderen hebt opgevangen, kan ik u alleen maar mijn hand reiken en u diep dankbaar zijn.”

De kranten hebben het ook uitvoerig over de reden van het ongeval: de chauffeur was vermoedelijk oververmoeid en ingedommeld. Serge heeft ook die indruk. “Die chauffeurs kwamen al van een rit Barcelona-Brussel, dan direct naar ons en in Ramsau hebben ze ook maar twee uur gerust voor hun vertrek naar België. Tesamen waren die al meer dan anderhalve dag constant aan het rijden. Slapen deden ze op een matrasje in het gangpad! De uitbater die hen in die vermoeidheid dreef, dié is schuldig. Die chauffeurs verdienden ook maar hun boterham.“   
Hij bladert door een Paris Match. Foto’s van het ongeval, voorafgegaan door de jungle-oorlog in Vietnam, de dodelijke rassenrellen in Cleveland (Ohio) en Brigitte Bardot poserend in Tahiti. Bejaard papier, het onthoudt àlles.

Hij heeft ook tientallen Belgische knipsels en Duitse voorpagina’s met rode linies onder de blokletters. Er is sprake van “ongelukskinderen” en van de “bus-des-doods”. Zijn ouders en grootouders hebben die knipsels voor hem bewaard, maar eigenlijk heeft hij ze nooit willen lezen. Het doet nog teveel pijn. Vier jaar geleden was dat busongeval in Sierre,  toen was hij een hele week overstuur. Hoe zal ik dat uitleggen, zegt hij met wegvegen van tranen. “Je denkt dat die herinnering weg is, in een vergeten kamertje in je geheugen, maar er zit geen slot op die deur, ineens is het daar terug.“ En dan ligt hij weer op dat matrasje, op dat wegdek, en naast die geplette bus. Dat angstbeeld komt geregeld terug.
Dat hij heeft kunnen ontsnappen is zelfs een bezwarende gedachte geworden: “Met ouder worden begrijp je hoe klein de kans was op overleven en hoe weinig er nodig is om te sterven.” Een paar slaperige seconden volstaan om over je leven te beslissen; dat heeft iets in hem “heel kwetsbaar gemaakt.”
Op zijn achttiende zag hij een ongeval gebeuren, een meisje kwam onder een auto terecht. Hij stond met drie copains op het voetpad, hij hoorde hoe ze het uitschreeuwde, met hals en borst lag ze vlakbij de hete uitlaat gekneld. Toen hebben zij drieën die Citroën Ami opgetild zodat ze wegkon. “Een rijkswachter wou ons tegenhouden, ik werd wit, ik riep dat ik op zijn gezicht zou slaan, dat hij ons moest laten. Dat ik zo ‘ontplofte’ had zeker te maken met die bus en hoe ik ben bevrijd.”
De zorg waarmee brandweer, arbeiders en vrachtwagenchauffeurs hem toen omringden, liggend op dat asfalt, heeft hem ook diep geraakt. Later is hij ambulancier geworden en instructeur bij de Civiele Bescherming.

 Serge had deze zomer willen teruggaan naar Niederbrechen, maar het herstel van een zware rugoperatie houdt hem tegen. Eigenlijk is hij maar één keer terug geweest in het dorp, een jaar na de ramp, in juli 1967. Zijn ouders hadden hun zomervakantie geregeld in Ramsau(!) en op de terugreis hielden ze halt in Niederbrechen voor de eerste herdenking. Er waren meer dan duizend aanwezigen, “maar het was verschrikkelijk. Ik was er ziek van. In de kerk, aan die gedenksteen, het was één huilen en snikken van families die iemand verloren waren. Mijn ouders noch ik hebben nadien willen teruggaan.”
Of hij zich nog iets herinnert van dat WK-voetbal? Natuurlijk! Voor de finale Engeland-Duitsland (30 juli) is hij op een brancard naar de ontspanningszaal gedragen en daar “zaten zeker dertig patiënten in hun pyjama voor dat scherm.” En uiteraard heeft hij voor Duitsland gesupporterd.

In België was die voetbalfinale in mineur; op die zaterdag worden nog kinderen begraven. Ik heb die finale gezien. Pas in de laatste minuut komen de Duitsers langszij (2-2) maar in de verlengingen scoort Engeland een betwist doelpunt en winnen ze de trofee uiteindelijk met 4-2.  Tik de zoekterm The Goal of Wembley 1966 in en je vindt filmpjes, Wikipedia-pagina’s, en tv-documentaires over dat omstreden doelpunt van zestig jaar geleden. Het leeft nog altijd meer dan dat busongeval.

(Bron: Het Nieuwsblad)

In Het Nieuwsblad van die 30ste juli staat een aandoenlijk stuk over de ouders die de bagage van hun kinderen ophalen. In het Brusselse Rode-Kruis-bureau staan lange tafels opgesteld. Tafels vol verlies. Bestofte bergschoenen, besmuikte ledersandalen, drinkflessen, boterhamdozen, horloges, zaklampen, enkele foto-apparaten en één View-Master. Dat detail schramt. We hadden thuis ook een View-Master. In die tijd een populair speelgoed, een plastic kijker waarmee je in 3D plaatjes van koningen, bergtoppen en sprookjesfiguren kon zien. Duizenden kinderen van de jaren zestig zullen de metalen klik van die kijker herinneren tot op hun sterfbed. 
In de koffers vinden de ouders ook keurig verpakte souvenirtjes die voor hen bestemd waren, “naïeve geschenkjes die nu oneindig waardevol zijn geworden.” De verslaggever noemt ze op: miniatuur–alpenschoentjes, poppetjes in folkloristische klederdracht, muziekdoosjes, sierspelden met edelweiss. Ik kan ze zo voor de geest halen. Naar al die spulletjes heb ik ook staan kijken als kind op vakantie in de Alpen.

Dat het dramatische busongeval tot een diepe Duits-Belgische vriendschap leidde, kom ik pas tijdens de reportage te weten. Tussen de vrijwillige brandweer van Niederbrechen en de vrijwillige brandweer van Edingen blijkt al meer dan veertig jaar een hechte “entente” te bestaan. 
Jean-Luc Devos, gepensioneerd brandweerofficier, zegt dat de  vriendschap begon met één van de overlevende kinderen, Michel Elaerts. Zijn vader was brandweerman in Edingen/Enghien, “en hij begreep wat de brandweermannen in Niederbrechen hadden doorgemaakt” en vanaf 1967 ging zijn gezin elk jaar z’n dank betuigen in Niederbrechen. Rond 1975 begon een uitwisseling met het hele korps en nu is er jaarlijks een verbroederingsweekend, of in Edingen, of in Niederbrechen.
Huidig brandweercommandant Didier Leriche: “Onze oudere én onze jonge brandweerlui houden heel erg aan die vriendschap. We leven in alles met mekaar mee. Toen enkele jaren terug twee brandweerlui van ons korps omkwamen in een ongeval, kwam een delegatie uit Niederbrechen de uitvaart bijwonen, zelfs hun burgemeester was erbij.”

De vrijwillige brandweer van Niederbrechen met muziekkapel: al meer dan 50 jaar is er een hechte entente met de brandweer van Edingen/Enghien.

Hij zegt wel dat “Duitsland” moeilijk lag in de beginjaren (noot: een groot aantal van de vakantiegangers waren kinderen van verzetslieden,jh) . “In 1978 waren die van Niederbrechen voor het eerst hier en als hun muziekkapel een vrolijke Duitse mars speelde, zag je de mensen in Enghien verstijven. Zelfs al was het dertig jaar na de oorlog.”
Devos moest ook over een drempel. Zijn schoonvader was oorlogsinvalide, dus zijn familie was “niet bepaald duitsgezind” en hij had zich voorgenomen nooit één voet in Duitsland te zetten. Maar nadat hij in 1994 één keer in Niederbrechen was geweest, was hij helemaal “omgedraaid” en heeft hij geen verbroedering overgeslagen. “Hoe wij daar ontvangen worden, dat is for-mi-da-bel. Die vriendschap met die brandweerlui, dat is beton! Die leven nog altijd mee met dat ongeval en die Belgische kinderen. Nog elk jaar halen die hun knipsels boven, en met tranen in hun ogen”.

Voor één ouderpaar was Niederbrechen zelfs een houvast in hun leven. François en Yvonne Mertens uit Anderlecht hadden twee kinderen in het busongeval verloren, hun twee enige kinderen. Maar van bij het begin hebben ze zich aangesloten bij die entente “omdat ze weten dat wij aan hun kinderen blijven denken. Toen dat echtpaar vijftig jaar getrouwd was, hebben ze dat niet in België, maar in Niederbrechen gevierd! Die vriendenkring, dat was hun naaste familie geworden.“

De ouders van de verongelukte Claude en Claudine Mertens hebben hun 50 jaar huwelijk in Niederbrechen gevierd, “daar is onze naaste familie.” (bron Het Nieuwsblad)

In Niederbrechen weet Willi Kremer nog van die aanvankelijke anti-Duitse gevoelens : “Ik zie ons nog een café binnenkomen bij die eerste verbroedering. Die aanwezigen zien onze uniformen, horen onze taal en heel dat café valt stil, geen woord wordt nog gezegd. Tot onze gids zegde wie we waren en binnen de minuut had ieder van ons twee pinten, één in elke hand (lacht)
Daarna kon het niet meer stuk. Opnieuw een dikke ringmap erbij, met honderden foto’s over de verbroedering. De uitstappen, de ontvangsten op het gemeentehuis, de koude buffetten, de bonte avonden, ik zie zelfs Duitsers op de dansvloer zitten, roeiend op de “Marie-Louise”, veel familialer kan niet.
Weer een andere ringmap, de dankbrief van ons vorstenpaar en opnieuw tientallen artikels (“die ramp was wereldnieuws”). En tegelijk is er een oud zeer. Dat zij te weinig  erkend zijn. Dat iedereen spreekt over het busongeval van Limburg-an-der-Lahn “omdat daar de gekwetsten lagen en omdat daar de doden lagen opgebaard.” Limburg is met alle aandacht gaan lopen, Limburg is als bewaarengel de geschiedenis ingegaan. Terwijl zij de eerste redders waren én de enigen zijn om de nagedachtenis te eren. 

De plek van het ongeval in 2016. De smalle rijweg naar Werschau (waarop de bus neerstortte) is linksonder. © Jan Hertoghs

Ik rij met Willi naar het snelwegviaduct. Via de noodoprit van de hulpdiensten rijden we tot tegen de snelweg Frankfurt-Keulen. Ik zie de wat verdoken brugleuning, de lange flauwe bocht ernaartoe, met nu de koplampen en het natte suizen van de rijvakken op deze regenmiddag. Ik kén deze Autobahn. In juli 1969 reisde ik hier met m’n broer, we liftten naar Oostenrijk. Het was nacht en in Limburg-an-der–Lahn, één brug eerder, stonden auto’s met hun knipperlichten naast de vangrail. Iemand was zonet over de reling gesprongen, vijftig meter diep. Ik was zestien en ontdaan. Dat de dood zo vlakbij was en langs de snelweg had gestaan.
Onderaan de talud en langs de weg naar Werschau staat de gedenksteen, een rots met inscripties en een keurig bloemenperk: “Die van Enghien hebben als kinderen staan huilen toen ze hier de eerste keer waren.” Al vijf jaar verzorgt Willi dat gedenkperkje. ’s Zomers treft hij wel eens bloemen. Belgen die op vakantie gaan en hier halthouden.
Hij gaat op de rijweg staan om te wijzen waar de bus toen lag. Hij vraagt of ik weet hoeveel van de overlevenden nu nog in leven zijn. Ik weet het niet. Het houdt hem bezig. Zijn handen hebben de kinderen nog altijd niet losgelaten.

NAWOORD: over de 60-jarige herdenking verscheen ook een artikel op de site van het Brusselse BRUZZ https://www.bruzz.be/actua/samenleving/zestig-jaar-na-zware-busramp-duits-dorp-herdenkt-zaterdag-28-brusselse-kinderen-2026-07-24

De helm en de entente. © Jan Hertoghs















Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De smeltende Alpen, een reisverhaal (1)

© Jan Hertoghs

De gletsjer’brandweerman’: ”Het smelten van de gletsjers valt niet meer te stoppen. Zelfs niet met de strengste klimaatplannen.”

Op school leerden wij over de Alpen en de eeuwige sneeuw. Zoals wij leerden over Egypte en de piramides. Dingen die niet veranderen. Maar er verandert wel degelijk iets. De sneeuwwinters worden korter. De gletsjers smelten. De permafrost (bevroren bergbodem) dooit en steen- en slijklawines komen naar beneden. En dat in een regio waar veertien miljoen mensen wonen en waar jaarlijks 500 miljoen overnachtingen van vakantiegangers zijn. Wonend op twaalf meter boven de zeespiegel reis ik acht dagen naar die Alpen. Om te zien hoe de klimaatopwarming de bergbewoners beroert. En mij ook, ik ben een kind van de bergen. 

Ik maak deze reis met de trein. Mijn vertrek valt samen met een hittegolf die heel Midden- en West-Europa een weeklang zal treffen. De spoorreis door Duitsland verloopt moeizaam. De perrons en de ICE-treinen zijn overvol. In Frankfurt zijn de rijtuigen te zwaarbeladen, "de 200 laatst ingestapte reizigers moeten uitstappen en op de volgende trein wachten". Ik was bij de 200.
Op een klein station buiten München pikt Ludwig Braun (68) me op.  Braun is glacioloog. We kennen mekaar sinds 2005 toen ik hem en de meteoroloog Wasti Weber interviewde. Dat de gletsjers op alle continenten smolten, zagen zij allang als een onmiskenbaar alarmsignaal: "De gletsjers zijn de kanaries in de koolmijn van ons klimaat." Weber drukte het nog feller uit. "De gletsjers lijden aan de ziekte van deze tijd, namelijk dat de economie alles verteert: olie, steenkool, bergen, wouden, ijskappen, alles wordt opgebruikt."
Ik ga Braun twee dagen volgen. Sinds zijn pensioen heeft hij een missie: zijn academische kennis met zoveel mogelijk burgers delen.  Braun - die Zwitser is - werkte het grootste deel van zijn loopbaan bij de Bayerische Akademie der Wissenschaften in München. Die Akademie heeft een "huisgletsjer" in Tirol, de Vernagtferner in Sölden, waar ze al meer dan honderd jaar opmetingen doet. Braun heeft op 25 jaar zo'n duizend dagen in dat meetstation doorgebracht. "De gletsjer heeft al duizenden jaren bestaan op die plek, en nu kan hij op vijftien jaar weg zijn". Zo snel gaat het.

Al eeuwen zetten de duizenden Alpengletsjers hun laag wintersneeuw gedeeltelijk om in ijs. Maar sinds de jaren tachtig verliezen ze die beschermende sneeuwlaag in de zomer en zo kan de zon aan het ijs, en zo verliezen ze van hun eeuwenlang bewaarde ijsmassa. Door de opwarming en de hogere temperaturen lukt het de gletsjers niet meer om te recupereren. Hooggebergtes zijn immers hitte-eilanden. Omdat ze vooral uit rotsen bestaan, warmen ze heel snel op en houden ze die hitte ook lang vast. Net als steden. Doordat meer gletsjerijs smelt, worden de kale steengebieden groter, wordt het hitte-eiland groter en wordt het smelten nog meer versneld.

© Jan Hertoghs

We zijn onderweg naar Sölden en rijden via Garmisch-Partenkirchen. Ik denk aan nieuwjaar, de melige nieuwjaarsconcerten en de waaghalzen van het schansspringen: er wilden al mensen verongelukken op 1 januari! De nieuwe springschans in Garmisch heeft zelfs geen winter meer nodig, die kan kunstsneeuw aanmaken én op de piste bewaren. Die schans werd wel een schandaal. De stad betaalde haar hoge kostprijs onder andere door de verkoop van een aantal sociale-woning-complexen aan een privébedrijf. Dat bedrijf verhoogde de huurprijzen en raakte daarmee de sociaal zwakkeren, "en dat is vooral het 'hotelproletariaat', in àlle grote winteroorden drijft het toerisme op goedkope werkkrachten".

De weg loopt door bossen en langs wildstromende bergrivieren. Hier zal het altijd koeler zijn dan in de grootstad, zegt Braun. "Nu met deze hittegolf zie je dat direct, in de weekends vluchten de stadsmensen massaal naar hier". Hij noemt ze ook 'klimaatvluchtelingen' omdat steden "bij grote hitte onleefbaar worden". In die klimaatvlucht zit nu al een ongelijkheid: "Alleen wie geld heeft voor een tweede huis of voor een auto kan de stad ontvluchten."

Driftig gesticulerend wijst hij op de te volgen weg: " We moeten weg van de blinde economische groei, de energieverspilling, en de fossiele brandstoffen. Maar wat zien we?! 47 jaar na de waarschuwingen van de Club Van Rome wordt zes-zevende van alle energie op aarde nog altijd gewonnen uit fossiele brandstoffen!" Hij laat het stuur los en heft zijn handen, "das ist furchtbar, dat is een noodtoestand!" Je stuur loslaten is ook geen oplossing, hij gaat heftig verder: "Zie ons hier rijden! Wij hebben een wagen, wij hebben een gps, we hebben een jeugd zonder tuberculose en kinderverlamming gehad, dus al die vooruitgang moeten we omarmen. Maar terwijl wij denken dat we àlles onder controle hebben, ontsnappen de natuur en het klimaat aan onze controle. Terwijl wij denken dat wij comfort scheppen, scheppen wij niet, nee, wij graven! Wij graven ons eigen graf!"

Ik zeg dat ik wel eens wil stoppen om eindelijk de berglucht in te ademen. Dat is maar een woord. In een oogwenk zet hij de auto aan de kant. En hier sta ik, met al de avondlijke koelte uit de rivier, en met op alle velden warmgeurend gras dat vandaag gemaaid is.
Sinds 1976 heb ik geen zomervakantie meer doorgebracht in de bergen, maar tussen mijn twaalfde en mijn drieëntwintigste waren het zéstien zomervakanties, in Zwitserland of Oostenrijk, ik was een kind van de bergen, ik keek er een heel schooljaar naar uit. Dat waren bescheiden gezinsvakanties en jeugdkampen met de zogenaamde Preventieve Luchtkuren van de CM (Christelijke Mutulaiteiten): in grote groep en in afgehuurde treinen  naar de goede alpenlucht reizen.
Na 1976 was ik jaren niet meer in de bergen, pas in de jaren negentig was ik er terug, voor  wintervakanties. Al die jaren bleven de Alpen een stuk van mijn leven, en van mijn werk: een Humo-reeks over klimongevallen in de bergen, een interview met de alpinist-schrijver Joe Simpson, getuigenissen van skiërs die een lawine overleefden, en zes bladzijden over het Zwitserse jodelen, een ernstig stuk!

© Jan Hertoghs

In het Oostenrijkse Oetz begint het Oetztal en stappen we over op zijn "brandweerbus", een Mercedes-Benz 0309. Dertig jaar geleden was het een rijdend crisiscentrum voor brandweerofficieren, ze werd ingezet bij grote ongevallen en rampen, en nu heeft Braun die crisisbus toepasselijk omgedoopt tot Gletscherfeuerwehr. Kort voor zijn pensioen heeft hij ze gekocht, de bus is een rijdend infocentrum over de klimaatcrisis in de Alpen, ze wordt betaald door subsidies en de opbrengst van zijn klimaatlezingen. 
In 2018 toerde hij al een halve zomer door het Oetzal met lezingen voor 25 schoolklassen en honderden lokale bewoners. Hij stalde de bus ook bij campings, berghutten en toerismebureau's en sprak met kampeerders, berggidsen en een groot aantal bergwandelaars. Ook nu zal hij zes weken onderweg zijn. 
's Avonds zet hij me af bij mijn pension in Sölden. Ik was achttien toen ik hier op vakantie kwam met m'n ouders, broer en zus. De spaarzame foto's van mijn vader tonen een volgeling van CCR-zanger John Fogerty. Jeans, houthakkershemd, halflang haar en een bles diep over de ogen; wat zag de wereld er avontuurlijk en veelbelovend uit vanonder dat sixtieskapsel.

Tiroler melk
De volgende morgen belooft het weerbericht een hete 36 graden.
Op de hellingen buiten het dorp wordt gemaaid. Mannen duwen kleine motormaaiers manueel langs de hang, de scheerapparaten van de Alpen. Sölden zelf is niet meer het dorpje van 1971 met zijn familiale pensions. Door het wintertoerisme is het doorgeschoten naar een modieus vakantieoord met trendy sportzaken, een "lifestyle hotel", en terrassen die nu lounges heten. Lange karavanen van motards steken de voeten vooruit door de hoofdstraat, de vakantiewoningen hebben verschillende verdiepingen, de bouwkranen komen boven de kerkspits.
De uitbaatster van het pension begint er zelf over bij het ontbijt. Hoewel het skiseizoen met de jaren onzekerder wordt, is nog volop bijgebouwd in het hogergelegen Obergurgl. Het geld komt van "buitenlandse investeerders, die zetten overal in Europa hotels, die hebben geen oog voor het lokale karakter, en die weten hoe ze met hun megaprojecten zo min mogelijk belastingen moeten betalen binnen de Europese Unie."
Zelfs de yoghurtpotjes van de ontbijttafel kennen een schaalvergroting: "Die yoghurt is van het merk Tirol Milch, maar die melk komt niet meer van onze boeren in Tirol. Dat concern doet hetzelfde als andere grote zuivelbedrijven, ze mikken op een zo laag mogelijke melkprijs en dus willen hun koeltankwagens niet meer naar kleine of afgelegen boeren rijden; er zijn dus bergboeren die hun melk moeten weggieten! Zo'n hard labeur op zo'n moeilijk terein, en dan alles moeten weggieten als putwater!"

Alle wit vloeit weg uit de bergen.

De eerste zetellift in Sölden, een half uur ‘zeilen’ voor 700 m. (Dorpsarchief Sölden)

Dorpen als Sölden kenden vroeger alleen wandeltoerisme. De goldrush van het wintertoerisme heeft ze doen boomen. Hoe Sölden van boerendorp naar boomtown ging, wil ik zien op oude postkaarten. Brunhilde Hochschwarzer is vrijwilligster bij het dorpsarchief, ze is hier geboren en was hier onderwijzeres. Ze haalt de kaften met de ansichten: in 1960 is Sölden nog een gehucht, met amper een paar huizen rond de kerk. "De meeste inwoners waren melkveeboeren, in de zomer trokken ze met hun vee naar de hogergelegen zomeralp." De toerist was nog een 'vreemde, het toerisme heette nog Fremdenverkehr en de boeren verhuurden Fremdenzimmer als bijverdienste. Er zat nog geen businessplan achter.

Ze toont jaren-zeventig-prentkaarten van de winter waar in de verste verte nog geen klimaatverandering te zien is. Wijdse sneeuwlandschappen met her en der een kleine skilift. "Elke boer kon een privé-liftje plaatsen op zijn weidehelling, 50 meter omhoog en naar beneden, dat waren kermisritjes." Sölden had in de jaren vijftig al wel de langste zetellift van heel Oostenrijk. Die overbrugde 700 meter hoogte en duurde een half uur ("een mens kreeg toen nog tijd om na te denken"). Op de foto zie ik houten masten met katrollen, het stoeltje is een ijzeren 'bierbak' aan een haak, "en toch was dat toen een sensatie, zomaar in een zitje over een ravijn kunnen zweven!"

Inmiddels telt het hele Oetztal zo'n 3,5 miljoen overnachtingen per jaar, het grootste deel komt van het wintertoerisme. Sölden is met zijn 144 km pistes één van de grootste skigebieden in Tirol. Maar daarmee ook kwetsbaar, want al in 2006 waarschuwde de OESO dat de ski-industrie zwaar te lijden zou krijgen onder de opwarming. De sneeuw valt later in de winter en de sneeuwlaag smelt sneller in het voorjaar. Ook de gemiddelde sneeuwdikte neemt af, "met een duidelijke versnelling vanaf de jaren '80". Waardoor bijna elk  skigebied machinale sneeuw moet aanmaken met sneeuwkanonnen en sneeuwlansen, een enorme kost aan water en elektriciteit.

Ansichtkaart van de winter in de jaren 70, een opwarming is er nog nergens. (Dorpsarchief Sölden)

's Middags zie ik Braun terug, zijn bus geparkeerd bij de 25 meter brede Oetztaler Ache die uit het hooggebergte komt. Het wildwater kolkt, spat en breekt over de rotsen. Of hij weet hoeveel water hier voorbijschiet? Natuurlijk heeft hij die cijfers, de bus is een bibliobus vol kaften en statistieken. In de maaand juni komt er gemiddeld 50 kubieke meter voorbij per seconde. 50m3, dat zijn vijftigduizend flessen water van één liter, en dat per seconde! Veertig jaar geleden kwam er op zo'n junidag maar 20 M3 per seconde voorbij, minder dan de helft van nu, "want toen bevatte de rivier enkel de gesmolten wintersneeuw en nog geen ijs van de gletsjer."
Het gletsjersmelten valt intussen niet meer te stoppen, "zelfs niet met de strengste klimaatplannen; eens die raket vertrokken is, is ze niet meer tegen te houden".

De opwarming zal de bergen altijd hàrder treffen. Niet alleen  de Alpen, maar evengoed de Andes of de Himalaya. Als men spreekt over een mogelijke opwarming van de aarde met 1,5 graad of 2 graden, dan is dat een mondiaal gemiddelde dat 'laag' wordt gehouden omdat tweederde van het aardoppervlak water is dat langzamer opwarmt. Als het tot een wereldwijde opwarming van twee graden komt, zal het gebergte een gemiddelde opwarming van 5 tot 6 graden ondergaan.  

Braun legt uit dat de gletsjers niet meer "in leven zijn". Door de zwaartekracht stuwt zo'n gletsjer zijn ijs langzaam maar zeker bergaf en zo wordt zijn smeltende uiteinde steeds vervangen door nieuw ijs. Dat proces is gedaan. "De gletsjer smelt en krimpt aan alle kanten, de gletsjer is een dood gewicht geworden, zonder leven."

Een bezoeker vraagt waarom hij Feuerwehr is, hij kan toch niks blussen? Braun zegt: het huis staat in brand, en ik ben inderdaad niet de blusser. Ik ben het zwaailicht en ik hoop dat de mensen stilstaan en omkijken om te zien wat er aan de hand is. En dat er wereldwijd iets verandert, wat hem erg veel zorgen baart: "Dat is de dooi van de permafrost in de arctische gebieden, in Siberië, N-Amerika en Canada. Vorige maand stond het in de Süddeutsche Zeitung: wereldwijd zitten we nu al op het dooiniveau dat pas in 2090 werd verwacht! Het methaangas dat daar vrijkomt, versnelt het broeikaseffect, dat is als een brandversneller." 
De bus is soms te klein voor zoveel rampen.

Fotograaf Josef Oefner. © Jan Hertoghs

Fotograaf Josef Öfner (78) is een man met een timide oogopslag. Hij  was vroeger onderwijzer, later medewerker aan erfgoedprojecten. Zijn vader keerde niet terug van de oorlog, hij is opgevoed op de boerderij van zijn grootouders, zijn jeugd was het landleven. Öfner -die in Längenfeld woont - zag hoe zijn dorp en alle andere dorpen in het Oetztal door het toerisme veranderden: "de mensen verdienden goed, maar de dorpen zijn onherkenbaar geworden". Huizen in natuursteen, gebouwd met zuinig boerenverstand, zijn tegen de grond gegooid en vervangen door betonbehuizing. Hij zegt het voorzichtig: niet iedereen is gelukkig  met die ontwikkeling. "Het is de uniformisering, niet alleen de stadscentra, ook de dorpskernen worden onderling verwisselbaar."

De foto's van Öfner worden bewaard in het Heimatmuseum van Längenfeld-Lehn. We rijden ernaartoe. De twee vrouwelijke curatoren zijn van de stad, ze huggen Josef. Zijn foto's maakte hij vooral tussen 1970 en 1990. Verweerde mensen die brandhout dragen en dikke hooipakken op hun rug, of vrouwen die klerengoed wassen in de kilte van de winterse dorpspomp. Het is documentair werk, "bijna antropologisch".
Hij en zijn vrouw wandelen vaak in de bergen, ze zien de klimaatgevolgen met lede ogen: "Tussen twee berghutten van Sölden, op 2400 en 3000 meter was vroeger een prachtige oversteek over het ijs van de Gurgler Ferner. Daar is intussen zoveel afgesmolten dat je tussen rotsen en steenslag moest oversteken. Lastig en onveilig en dus bouwde men twee jaar geleden een dure hangbrug. Je loopt niet meer over ijs, je loopt boven een gat van stenen en gruis, intreurig! Sneeuw en ijs hoorden bij ons landschap, hoorden bij onze bergen. Dat raken we nu kwijt. Onze dorpen verliezen hun karakter. Onze bergen verliezen hun identiteit."   

© Jan Hertoghs

Ik zie soms nog 'karakter' dat ik verdwenen achtte. Zoals die minigolf gisteren. Hoeveel avonden we daar doorbrachten! De sleetse banen tussen de kleine appelbomen, de tl-verlichting onder de  cementen paddenstoelen, dat landerig lummelen met plankjes en potloden, en toch wou je daar zijn. Alsof je na een dag wandelafstanden afleggen alleen nog maar terplaatse wilde trappelen. Bergen zijn niks zonder minigolf. 

Na mijn bezoek aan Öfner lift ik naar Sölden. Al na vijf minuten stopt een auto, de bestuurder is vijftig jaar berggids en skileraar geweest. Hij zegt dat "alle 20.000 inwoners" van het dal afhankelijk zijn van de klimaatverandering "omdat iedereen hier leeft van het toerisme, en dan vooral van het wintertoerisme. Zelfs de boeren leven ervan door weiden te verhuren in het skiseizoen." Met de korter wordende winters vindt hij het onbegrijpelijk hoe de grootschaligheid nog altijd toeneemt. Zo wil het skigebied Sölden een fusie aangaan met het skigebied van het Pitztal, met voor 120 miljoen euro nieuwe infrastructuur, en met de bouw van skipistes op een gletsjer. "Niemand van de bewoners of de lokale besturen zit daarop te wachten, het zijn de 'kabellift-industriëlen' die het pushen. Om hun dure investeringen rendabel te maken, moéten de skigebieden grootschalig zijn."
Oostenrijk heeft al een mega-ski-arena waar 90 skigebieden zich hebben aangesloten binnen één skipas: 2750 pistenkilometers, het tweede grootste skigebied ter wereld. "Die groei is toch niet te begrijpen als de basis van alles, sneeuw en winter, zo onzeker is geworden?!"

Lang blond haar, honkbalpet en een sportieve auto. Niet meteen het type dat lifters meeneemt en toch stopt ze. Ook haar familie leeft van het toerisme. Oom heeft een sportwinkel, haaar ouders hebben een restaurant en een café. Zij studeert aan een hotelschool, ze zal later één van de familiezaken overnemen, die toekomst is ongewis door het klimaat. Neem de oom met de sportwinkel, die moet geregeld investeren in nieuwe uitrusting en materiaal, en die twijfelt: moet hij inzetten op de winter en het skiën, of op de zomer en de alsmaar populair wordende mountainbike en e-bike? 
Skiën wordt een probleem, zegt ze. Om de skiërs genoeg goeie sneeuw te bezorgen zijn "meer sneeuwkanonnen nodig en de bouw van pistes op hogergelegen gebieden. Dat zal de skipassen duurder maken en die zijn nu al zo duur. Als die dure pas dan gepaard gaat met een kwakkelwinter, dan krijg je  gefrustreerde gasten die op de duur niet meer terugkomen."
En ook: stel dat je in hogere pistes investeert, wat doe je dan met je lagere pistes en liften? Sluiten of nog onderhouden? Ze zegt het nuchter, "het klimaat en de gevolgen ervan, dat is een thema op al onze familiefeesten".
Prettig eindejaar. Het ijs smelt sneller in de glazen. 

Ik zie Ludwig Braun 's avonds terug in de  Raffeissenkasse. In de  bank is een feestelijke receptie: de viering van 150 jaar Deutsches Alpenverein. Die Duitse Alpenvereniging heeft hier aan de wieg van het bergtoerisme gestaan. De notabelen dragen wollen tiroler vestjes in moderne snit, er is wijn en bier, en aan de muren hangen etsen van gletsjers en sneeuwtoppen. Ludwig Braun kent de exposerende kunstenaar. Harold Henker (40) vertrekt elke winter voor drie maanden naar het hooggebergte om er te verblijven tussen sneeuw en ijs. "Ik bouw een iglo en leef als een poolreiziger in temperaturen net boven het vriespunt." Hij noemt zich geen escapist, geen kluizenaar, hij heeft vrouw en kinderen, maar om echt goed te kunnen etsen "wil hij één zijn met zijn onderwerp". De kunstenaar is een alternativo, veel van zijn uitrusting ontwerpt hij met materiaal uit de kringloopwinkel. 

Op de receptie tref ik ook een liefhebber van downhill mountain biking. Een zomersport waar nogal wat sportwinkels op inzetten nu het winterseizoen precair is geworden. Bij "downhill" suis je via een parcours bergaf, en aoals bij het skiën heb je gemarkeerde pistes, groen en blauw voor beginners, rood voor gevorderden, zwart voor de geoefenden. De obstakels zijn rotsen, de fietsen zijn zwaarder dan gewone mountain bikes, en het zijn Amerikanen die de trails komen aanleggen, "de paden, de bewegwijzering, alles". Sölden noemt zich nu "Bike Republic".

Mountainbike-pistes in plaats van skipistes, de zomer wint het van de onzekere winter. © Jan Hertoghs

De nacht valt over het dorp en over dit houten balkon met de bloembakken en de witte plastic stoelen. De nacht is het donkerblauw van de bergen, het niet aflatende gutsen en neerstorten van een bergstroom die ik niet kan zien.

De volgende dag staat de brandweerbus op het pleintje voor de middenschool van Sölden. Het is wachten op de kinderen van het eerste middelbaar. Hun speelplaats grenst aan het kerkhof met zijn lijdende christussen op ijzeren kruisen. Braun brengt zijn geloof ter sprake: "God heeft ons niet gevraagd om onszelf en de aarde op de fossiele brandstapel te gooien. Wij moeten anders omgaan met de schepping." En dat het een kwestie van naastenliefde is: "Wie zich bekommert om de aarde en de natuur, moet zich ook bekommeren om de kinderen en arbeiders in Congo die tegen een slavenloon kobalt delven voor onze smartphones."

De twintig scholieren zijn gearriveerd. Braun legt uit wat een glacioloog is en wat hij als zijn opdracht ziet. Hij zegt dat de klimaatverandering door de mens in gang is gezet en bijna niet meer te stoppen is. "Wij kunnen wat minder autorijden of de thermostaat wat lager draaien, maar het diep ontdooien van de permafrost in de poolgebieden kunnen wij niet tegenhouden." Maar hela-hola, vandaag gaan we niet doemdenken, vandaag gaan we tekenen en schilderen! "Hoe jullie je de bergen en het bergtoerisme voorstellen als jullie het voor het zeggen hebben".   
Het zijn 12-13jarigen, ik ben verwonderd dat ze niet meesmuilend reageren op die gepensioneerde met zijn theatrale gebaren.  De leraar zegt dat het een nieuwe generatie is, "ze zijn minder verhangen aan de smartphone, ze komen graag buiten en ze doen graag iets met hun handen."

Wasco en waterverf worden uitgedeeld. Ze  zetten zich ongedwongen onder de bomen. Er zijn kinderen die zonder aarzelen potlood-alpen kunnen scheppen, met pieken en dennetjes, maar er zijn er evengoed die klagerig vragen, Herr Lehrer, wat moet ik tekenen?! Algauw komt ook de vlakgom boven, het huis is te groot, het mensje te klein, mag ik een nieuw wit blad? Ik vraag de leerkracht of het klimaat een onderwerp is in zijn lessen. Ja, zegt hij, het komt in de lessen aardrijkskunde, biologie en Duits. Hij moet die belangstelling niet schools opleggen, "het is interesse vanuit de kinderen zelf, het houdt hen bezig". En, voegt hij toe, "allemaal kennen ze Greta Thunberg".

Eén meisje tekent een hotel. De naam op de gevel is "Hotel Schöne Aussicht". Heb je die naam zelf bedacht, vraagt Braun. Het meisje kijkt op. Niks bedacht, zegt ze. "Dat is mijn hotel.  Als ik groot ben, neem ik het over van mijn ouders."
Haar hotel heeft nu al veel zon, een groot blauw meer en een cocktailbar.   

Eén van de tekeningen - van het schoolmeisje Anna Rausch (foto Ludwig Braun)

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De smeltende Alpen, een reisverhaal - deel 2

© Jan Hertoghs

De berggids: "De gletsjers sterven en de mensen willen ze nog één keer zien voor het te laat is."

Eén van de grootste toeristische trekpleisters van de twintigste eeuw was de Rhônegletsjer in Zwitserland. In die gletsjer wordt al 120 jaar een ijsgrot uitgehouwen voor toeristen, ze is door miljoenen bezocht. Die ijsgrot verkeert intussen in een terminale fase. De Rhonegletsjer zelf is op weg naar een stoffelijk overschot.

 Na het Oostenrijkse Sölden wacht een treinreis naar Zwitserland. Het station ligt 40km verder, ik lift ernaartoe. De veertiger die me meeneemt, plaatst verwarming in nieuwbouw en ziet "nog overal nieuwe hotels en vakantie-appartementen gebouwd worden". Daarnaast heeft hij een fietsenwinkel met verhuur van "honderd van de nieuwste e-bikes". Nu de skiwinter onzeker wordt, is dat dé grote hype van de zomer. "Al die toeristen die thuis op een elektrische fiets rijden, willen dat ook in de bergen doen." De meeste kabelbanen zijn al voorzien op dat fietstransport, en veel berghutten hebben oplaadpalen zodat je van berghut naar berghut kan fietsen ("zo'n Hüttentour was vroeger alleen weggelegd voor  geoefende bergwandelaars"). Elektrische fietsers op wandelwegen, dat moet toch conflicten geven met de tragere wandelaars? Hij knikt, er zijn al veel conflicten geweest en die gaan nog toenemen, "tot er een regelgeving komt."
Hij heeft de knop al omgedraaid: "Ik mikte vroeger met mijn sportwinkel op de skiwinter, dat is gedaan. Het sneeuwseizoen wordt altijd maar korter met alle nefaste gevolgen vandien. In de weken en weekends dat er sneeuwzekerheid is, staat heel het Oetztal stil, één lange file van wintertoeristen. In dat toerisme zie ik geen toekomst meer."

© Jan Hertoghs


De trein rijdt via Liechtenstein naar Zwitserland. Het is smoorheet. De bergen pieken in een waas van hitte. Oudere mannen in zwembroek zitten op een bank, de armen breeduit op de rugleuning. In het station van Chur vraag ik inlichtingen aan de infobalie, niet omdat het nodig is, maar om mijn beurt te kunnen afwachten in het koele airco-bureau.

De trein van de Rhätische Bahn vertrekt naar Andermatt. Robuuste locomotief, kloeke rode rijtuigen, en de ramen kan je nog steeds openduwen tot aan je middel! Dat zoiets nog kàn en màg! Hier is geen Europese Unie, hier heerst nog niet die internationale regelzucht qua veiligheid; het graveerplaatje vraagt alleen om de kop niet te ver uit het raam te steken. Prachtig, zo'n rijtuig met klapperende gordijnen naast alle passagiers, en met lawaai dat aanzwelt tot luidschurend geraas als de trein in een tunnel verdwijnt. En van overal komt de zomer in de trein waaien, de geur van vlierbloesem, van hooi en droge koeienvla. 
Er is vaak maar een enkelspoor, de treinen kruisen mekaar in de stations, en terwijl de rijtuigen naast mekaar schuiven, zwaaien meerdere reizigers naar mekaar, ook meisjes van vijftien wuiven, hoe geweldig uncool is dat?!

© Jan Hertoghs

De kleine stations in dit deel van Graubunden zijn in hout en donkere beits, met bloembakken aan de ramen en met nog de emailplaat die exact aangeeft hoe hoog het station boven de zeespiegel gelegen is. Stations met prachtige namen als Sumvitg-Cumpadials en Valendas-Sagogn. Soms is er amper een perron, de reizigers stappen uit op het grind naast de sporen.
De trein stopt in Tavanasa. Dat is het dorp van de schrijver Arno Camenisch (41). Zijn laatste boek "Der Letzte Schnee" (2018) gaat over de klimaatverandering en het wegblijven van de sneeuw. Ik ontdekte Camenisch in de bibliotheek met drie mooi vormgegeven boekjes uit 2013. Camenisch is de schrijver van het dorpsbestaan, anecdotisch, tragi-komisch, en in een laconieke verteltrant.  Zijn recente boek over de verdwijnende sneeuw is een dialoog van twee dorpsfiguren die al jaren een kleine skilift bemannen en die de sneeuw en de toeristen zien wegblijven. Camenisch is de schrijver van de vergankelijkheid, in zijn boeken sluiten winkels en postkantoren, vertrekken jongeren naar de stad, en sterven mensen onbeholpen struikelend in een keldergat.

Watervallen storten bijna tot tegen de trein. We komen door een gebied met kloven en tunnels. De trein fluit keer op keer, het is nog krek dezelfde toon als in de jaren zestig. Dat ontroert me. Treinen kunnen dat teweegbrengen.
Wij hadden thuis geen auto, nooit één gehad zelfs. De zomervakantie in de bergen was altijd met de trein. Toen nog nachttreinen met compartimenten en schuifdeuren, en de ligbanken van de "couchettes" die je uit moest klappen. Niet kunnen slapen terwijl moeder zegt: je moét slapen. Vader die heel de nacht zwijgend zijn Davros-sigaretten staat te roken in het gangpad. De duisternis die langs de ramen glijdt met dorpen en kleine straatlichten. De knarsende  rails en de grotere stations waar de trein stopt. Thionville. Metz. Mulhouse. Basel. De silhouetten die tussen de sporen lopen, arbeiders met een vreemde taal in de grote stille nacht. Met slagen van een lange hamer controleren ze of de remmen wel los van de wielen zijn. Dat heldere kalàng-kalàng was hét geluid van de naderende vakantie in de bergen. Terwijl ik dàt schrijf, rijst het haar op mijn armen. Het zit dus diep: de trein en de bergen. 

© Jan Hertoghs

Voorbij de Oberalp-pass raak ik in gesprek met drie medereizigsters. Ze zijn zestig-zeventig en komen uit het Fieschertal, in het kanton Wallis. Ik zeg dat ik daar de ijsgrot van de Rhônegletscher wil bezoeken, en dat ik die als kind gezien heb in 1965: toen begon die ijsblauwe grot vlak achter de souvenirwinkel. Dat weten zij natuurlijk ook nog. Tot de jaren tachtig was het twintig seconden stappen tot aan dat ijs, nu zijn het twintig minuten; die gletsjer blijft maar achteruitgaan! Ze zijn nieuwsgierig. Draag jij ook een Zwitsers zakmes zoals wij? En waar is je vrouw? Zit ze misschien in die grote rugzak? In zo'n gezelschap zit ik.

Op deze spoorlijn naar Fiesch ligt Gluringen. Ik vertel over mijn eerste skilessen daar, in januari 1970, en hoe een maand later die gruwelijke lawine viel op het vlakbije dorp Reckingen. Dertig doden - in 1989 was ik  opnieuw in dat lawinedorp om getuigen te spreken. Ze knikken, het waren bijna allemaal jonge doden. Eén baby overleefde, zijn wieg was bovenop de lawine blijven dobberen.
Ze moeten eerder uit de trein dan ik. De laatste van de drie stapt uit in Münster, "hier staan nog houten huizen van honderden jaren oud", en fijn, hoe we konden babbelen. Ze blijft op het perron, ze zoekt mijn raam, ze wuift tot mijn rijtuig geheel verdwenen is.

Reckingen - het dorp in Wallis waar in1970 dertig lawinedoden vielen. © Jan Hertoghs

Hotel Park serveert op zomeravonden als deze zijn avondmenu in de tuin, een kleine boomgaard met appelbomen en gekleurde gloeilampen. De wind strijkt lauw over de gedekte tafels. Onder elk bord ligt de aloude onderlegger met de vogelvlucht-plattegrond van de omgeving: de kabelliften, de eethuizen, de wandelpaden, en natuurlijk sneeuw op alle bergen. Op papier heeft een berg niets te vrezen.  

De volgende morgen vertrek ik weer vanuit het station Fiesch. De Japanners op het perron hebben grote theemutsen op hun hoofd, andere reizigers dragen een handdoek over kop en schouders. De hittegolf gaat zijn vierde dag in.
Vanaf het station Oberwald rijdt de gele postautobus naar de Furkapas. De Zwitserse "Postauto" is de openbare busdienst: stipt, comfortabel en met een netwerk tot in afgelegen dorpen. In Gletsch (1760 meter) moeten we wachten op de overstap. Gletsch was tot 1980 één van de topattracties van het Zwitserse toerisme, vanaf hier kon je de bergwand met de Rhônegletsjer zien, een enorme gestolde waterval. Wolfgang Goethe (in 1779) en Koningin Victoria van Engeland (in 1868) kwamen speciaal tot hier gereisd en hebben lyrisch over die gletsjer geschreven. Zijn ijs is de bron van de Rhône die 800 km gaat afleggen naar Lyon, Avignon en de Middellandse Zee.
Tot 1996 zag je vanuit Gletsch nog een glimp van de gletsjer, nu kijk je op een richel van steen en gruis. De gletsjer heeft zich  teruggetrokken, heeft aan zijn voet een groot smeltmeer gevormd, en trekt zich nog elk jaar véle meters terug.

© Jan Hertoghs


De bus vertrekt. Mijn naaste medepassagier denkt dat de gletsjers ooit wel terugkomen, maar het kan misschien nog duizend jaar duren. Na een lange zigzagweg is er ineens de legendarische bocht naar het Hotel Belvédère. Die bocht staat op ontelbare postkaarten en op miljoenen foto's. In de jaren vijftig, zestig en zeventig stond er elke zomerdag een kolonne toeristen in die bocht. Allemaal wilden ze fotograferen hoe de gletsjer tegen de vangrail leek te plakken. In de film Goldfinger (1964) wordt James Bond hier achtervolgd en is dat grote ijspak goed te zien. 
Het Hotel Belvedere (°1882) had tot aan de eeuwwisseling nog een restaurant dat op de gletsjer uitkeek. In 2013 heeft het zijn statige deuren gesloten en zijn ramen met planken gebarricadeerd. De gletsjer was dan al een tijd uit het gezicht verdwenen. 

© Jan Hertoghs

We zijn op 2300 meter, een parking vol auto's, moto's en mobilhomes, en overal reclame voor de ijsgrot. Hinein ins eisblaue Vergnügen heet het, en dat de grot open is van juni tot midden oktober en dat je "nergens in Europa zo dicht bij een gletsjer kan komen met de auto of met de touringcar".  

Het Hotel Belvédère en de ijsgrot zijn privé-bezit van de familie Carlen uit Brig, zij heeft het alleenrecht om jaarlijks een ijsgrot uit te houwen. Door het smelten van het ijs, door het inkalven in de zomer, moet de ijsgrot elk jaar op een andere plek komen.De ijsgrot bestaat al meer dan 120 jaar. De bouw ervan duurt zes weken. Begin mei landen de arbeiders met de helicopter op de meters dikke sneeuw. Eens die laag uitgegraven is, graven ze in het gletsjerijs een nieuwe tunnel. Het gepantserde ijs van eeuwen biedt weerstand; het uithollen met machines en kettingzagen duurt zes weken. Elk jaar moet 350 ton ijs weggesleept voor een tijdelijke tunnel van geen honderd meter.

© Jan Hertoghs

Het bord IJSGROT bij de ingang heeft grote druiperige letters, naar analogie met frisco's en ijspegels; dat is nu een bedenkelijke typografie geworden: de lek zit erin. Eerst moet ik nog door de souvenirbazar. Koeienbellen, sneeuwbollen, schnapsglaasjes, bergkristal, alles is aanwezig. Aan de kassa zit Elsa Carlen die triomfantelijk zegt dat zij het oudste souvenir is, ze wordt negentig. Het is 9 Zwitserse frank voor een volwassene, niemand krijgt een toegangsbewijs. Dan stap je door een draaihek en kom je op het bergpad naar de ijsgrot.

In de verte zie je de gletsjer met onderaan de ingang van de ijsgrot. Sinds 2014 is boven die grot zo'n 25.000 m2 met doeken afgedekt. Die moeten het afsmelten afremmen; geschatte kost: 250.000 euro. Aanvankelijk zaten die zeilen strak op het ijs, nu blijven er ijsbulten gehuld in slordige polyesterlappen.  Op het pad lopen twee werkmannen naast een klein elektrisch rupsvoertuig. Daarop twee grote rollen polyesterdoek, in totaal 400 vierkante meter, ze gaan "slechte stukken repareren". 

Reparateurs herstellen de afdekzeilen die het smelten van de gletsjer moeten vertragen. “Het zijn lijkwaden.” © Jan Hertoghs

Ik kom uiteenlopende nationaliteiten tegen, zelfs toeristen uit  Amerika en Kameroen, en hun reacties zijn al even uiteenlopend. Velen weten niet dat de gletsjer smelt en achteruitgaat, ze vinden het normaal dat je voor zo'n ijsgrot een eindje moet stappen. Dat je in 1995 maar 200 meter moest stappen en dat je in 1980 nog gelijk van de souvenirwinkel in de gletsjer kon, wekt algemene verbazing. Nogal wat toeristen weten evenmin dat de gletsjer al jaren met zeilen wordt afgedekt; een Nederlandse familie vindt het "fantastisch dat de eigenaar de gletsjer zo probeert te redden".  Een Zwitsers echtpaar kwam hier de eerste keer in 2011 en komt elk jaar foto's nemen van wat is afgekalfd, "in de hete zomer van 2018 is ie extreem achteruitgegaan". Een Frans koppel "komt nog één laatste keer zien, zoals het klimaat nu gaat, is het hier binnen tien jaar gedaan."Het is geen gemakkelijk pad, wat maakt dat de ijsgrot niet bereikbaar is voor rolstoelgebruikers of slechtgaanden. Na twintig minuten kom ik bij de ingang. Ook die is afgedekt met een kap, als een sombere hoodie.  

Het ijs van de tong van de Rhônegletsjer komt van vallende sneeuw toen Beethoven en Goethe nog leefden, het is ijs van de rococo en de Franse revolutie. Toen ik het ijs binnenging in 1965 was dat een geheimvolle ervaring. Ik kwam in een azuurblauwe spelonk met een stil gewelf, ik betrad een ongenaakbare wereld, een enorme koudeburcht van massief ijs. Nu kom ik in een hol dat klinkt als een stortbad, overal lekt en gutst water, bezoekers komen na enkele minuten ijlings weer naar buiten, sakkerend dat je een paraplu nodig hebt. Er zitten gaten in het plafond, ik zie de blauwe lucht, of erger, ik zie de bruinsmerige zeildoeken, ook die zeilen lekken van het smeltwater. Door de druipende muren en de kletsnatte loopplanken voel ik geen ijsgrot. Ik ervaar een loopgracht, een dodengang.

© Jan Hertoghs

Een Zwitser was hier ook als kind: "tot tien jaar geleden liep de tunnel uit op een 'ijssalon' met een fotograaf in berenpak, die maakte souvenirfoto's waarbij je tussen twee andere beren moest poseren." Nu is er geen einde meer aan de tunnel, de weg is versperd door een instorting.

Op de terugweg spreek ik de Duitser Andreas en de Pool Pjotr, twee bouwvakkers die al maanden in Wallis aan het werk zijn. Andreas was hier vorig jaar voor het eerst, hij vond het verschrikkelijk toen hij die smeltende gletsjer zag. Iemand had hem de vroegere contouren gewezen, hoe hoog en hoe ver het ijs kwam twintig jaar geleden, dat had hem geschokt, dat immense volume dat weg was.
Een Duitse fotografe vindt de gletsjer maar niks, maar die doeken vindt ze "fascinerend: al die tinten wit, grijs en grauw, wunderbar!" Ze is niet de enige. De laatste jaren zijn al meerdere kunstfotografen neergestreken. Ze komen in alle vroegte of met het avondlicht, sommigen kamperen zelfs op de gletsjer. Zij zien geen lapoplossing (Lappenlösung!), voor hen is het "land art", het doet hen denken aan de verpakkingskunstenaar Christo.

© Jan Hertoghs

Ik drink koffie bij de buvette waar Urs, de kelner, me in het Vlaams aanspreekt ("ik heb ooit een Vlaamse vriendin gehad"). Hij opent een zaaltje en daar hangt een prachtige reclameplaat van rond 1900: de gletsjer en het hotel Belvédère in volle glorie en in een gulden lijst. Zijn keukenhulp schampert: "Ach, Urs, dat verleden is voorbij! Alles smelt hier als een sneeuwman in de zomer!"

Van het wijdse hooggebergte kom ik weer in mijn kleine hotelkamer. De goedkoopste van Hotel Park, ik heb er zelf om gevraagd. Voor 50 CHF (45 euro) is er het ontbijt, het bed, het wasbakje, het winterlandschapje aan de muur en het uitzicht op de rotonde waar om halfzes het verkeer op gang komt. Op de gang is er de gemeenschappelijke douche en de gedeelde wc met het spartaans toiletpapier. Ook inbegrepen: de sigarettengeur die soms vrijkomt uit het laaghouten plafond. Ik ben de rugzakreiziger van de jaren '70, ik kan nog altijd geen geld uitgeven aan een hotel. 
De kerkklok slaat tot laat zijn luide kwartieren. De krekel sjirpt door het open raam. Ik schiet kersenpitten de nacht in. Korte tik op de geparkeerde auto's.

Om tien voor zeven luiden de kerkklokken al. Het is warm in de ontbijtzaal, ook al sluiten de gordijnen de zon af. De gedempte stemmen aan de tafels, het scheuren van een zakje suiker, het tikken op een ei, en weer een lange stilte. Waarom zetten ze Radio Eviva niet op? Hèt Zwitserse radiostation met jodelgezang, harmonica-verzoeknummers en plechtige zangkoren. Je hoort een Zwitserland waarvan je het bestaan niet kan vermoeden.   

Berggids Kilian Volken: “ Gisteren was het 19 graden op 3454 meter. Verschrikkelijk!” © Jan Hertoghs

Een uur later spreek ik Kilian Volken (68) in zijn sportwinkel in Fiesch. Hij komt uit een "berggidsengeslacht", zijn vader en grootvader waren  berggidsen, twee broers zijn het ook. De handdruk is stevig, de blik vastberaden: een man die bij elk alpine weertype lastige knopen kan doorhakken. Hij maakt zich druk in de hittegolf van deze week. Gisteren is op de Jungfraujoch (3454 meter) 19 graden gemeten terwijl het daar in juni gemiddeld nul graden is. Negentien! Verschrikkelijk!
Volken kent alle gletsjers in de buurt en heeft al meerdere  Zwitserse glaciologen begeleid. We praten over de Rhöngegletsjer als over iemand met een slepende ziekte die snel achteruit gaat.   

De krant Walliser Bote had de titel: "Laat de gletsjer waardig sterven". Dat was ook een oproep op de sociale media.
"Ik deel die mening. Die Rhônegletsjer is op sterven na dood en die eigenaar Philipp Carlen gaat die dood nog wat rekken, hij gaat die ijsgrot afdekken om zijn gewin veilig te stellen. Dat is toch een schande! Dat zijn ook geen beschermdoeken, dat zijn lijkwaden. Met enkele andere berggidsen zijn we vorig jaar een actie begonnen dat ze die folie moeten verwijderen. Blijkbaar is die Carlen ook een advocaat, want hij wilde meteen juridische stappen ondernemen omdat dat protest hem financiële schade toebracht.
Die eigenaar beweert ook dat het om cycli gaat: gletsjers krimpen en zetten dan weer uit.
"Ik zal u zeggen wanneer de gletsjers aangroeiden. De laatste keer was tussen 1978 en 1984. Met nefaste gevolgen voor het  Fieschertal. Door de ijsaangroei op de Aletschgletsjer brak de gletsjertong al eens af in de Märjelensee. Dat stuwde telkens zoveel water naar het dal dat alles overstroomde, de 74 km van Fiesch tot Sion!
Eigenlijk zijn de bergbewoners altijd beducht geweest voor overstromingen door de aangroei van de gletsjer. In 1678 is hier een jaarlijkse bidprocessie in het leven geroepen en de smeekbede was: Heer God, laat de gletsjers krimpen! Die processie bestaat nog, maar sinds 2000 begon dat te wringen bij die processiegangers. Mijn broer-berggids die ook in de politiek zit, is in 2009 tot bij de paus in Rome geraakt. Dat was e Duitser Ratzinger, die kende iets van bergen, en een jaar later heeft hij de officiële Roomse toelating gegeven dat die eeuwenoude bidprocessie een nieuwe smeekbede krijgt. Heer God: laat de gletsjers weer groeien."

"Eigenijk trekken de getsjers zich terug sinds de jaren twintig, maar zo miniem dat het amper opviel: minder dan één meter per jaar. Tot in de jaren negentig, dan is het snel beginnen gaan. Vorig jaar met die hete zomer is de Aletsch (23 km, de grootste en langste gletsjer van de Alpen red.), 38 meter korter geworden. Ook ging een dikte van 4,20 meter verloren. Dat is extreem veel."

Foto Kilian Volken

Tussen juni en september ben je bijna dagelijks met klimmers of bergwandelaars onderweg. Spreek je met hen over de klimaatverandering?
"Ik hoef niks te zeggen, iedereen kan het zien. Twintig jaar gelegen volgde je een bergpad en stapte je zonder problemen op de gletsjer. Nu smelten de randen af, je krijgt een kloof in plaats van een makkelijke toegang. Neem de Concordiahütte, die is gebouwd boven de Aletsch. Aanvankelijk kon je met een ladder, later met een stalen trap tot op het ijs. In 1976 had je 254 trappen omlaag tot aan het ijs, vorig jaar waren het al 520 trappen!"
"Heel wat klim- en wandelroutes veranderen daardoor. Neem de wandelkaarten. Vorige eeuw kon je daar tien of twintig jaar op betrouwen, maar nu zijn kaarten na 4-5 jaar al achterhaald.
In het tijdschrift van de SAC (Schweizer Alpen-Club) staan voortdurend klimroutes die omgelegd of veranderd zijn, bijvoorbeeld door losgekomen rotsen of gevaar voor steenslag. Ik ken bergtoppen die je vroeger via een gletsjer moest beklimmen: je had een klimtouw, klimijzers en een ijspickel nodig. Nu kan je daar fluitend omhoogwandelen, zonder touw en ijzers. Niks ijs meer, alleen nog slib en sediment, en dat op 3000 meter!" 

Hoe ervaar je die teloorgang als je met die bergen bent opgegroeid?
"Bergen, dat zijn valleien, met bossen en alpenweiden en daarboven de kale rotsen en de hoge pieken die in de zomer nog sneeuw en ijs hebben. Een groene basis met een witte kroon, dat is een berg voor mij, maar dat is gedaan. Elk jaar worden de bergen grijzer, grauwer en eentoniger."

Het lot van de bergen en de gletsjers in zijn regio beroert velen. In 2007 verzamelden zich zeshonderd mensen op de Aletschgletsjer voor een gezamelijke naaktfoto: het kwetsbare lichaam op de kwetsbare gletsjer. En vorig jaar is op de Aletsch de grootste postkaart ter wereld uitgestrekt: 2500 m2 met 125.000 kindertekeningen van over de hele wereld die aandacht vroegen voor de klimaatverandering. Volken zelf merkt de impact op een heel onverwachte manier.
"De laatste jaren was die Gletscherschmelz niet meer weg te branden uit de media. Wij berggidsen zagen dat aan met lede ogen, wij dachten, de mensen gaan geen gletschertouren meer willen. Maar wat zien we de laatste vier jaar?! Een toevloed van aanvragen. Nog nooit hebben wij zoveel mensen over de gletsjers gegidst. Alsof de mensen denken: het is nu of nooit. De gletsjers liggen op sterven, ik wil ze nog één keer zien voor het te laat is. Het is wrang om te zeggen, maar dat smelten is onze beste reclame."

Naschrift: In de zomer van 2024 was er nog steeds een ijsgrot in de Rhônegletsjer. Het afgedekte ijs is intussen wel 'dood ijs'. Het ligt geïsoleerd, het maakt geen deel meer uit van de gletsjer. 

LEES OOK DEEL 3. De bergflank die door het dorp Bondo spoelde

© Jan Hertoghs














Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De smeltende Alpen, een reisverhaal (3)

De berg die in het dorp brak: "Ons dorp was stil, doods, versteend. Het leek wel op Pompeï."

De klimaatopwarming doet niet alleen gletsjers smelten, ze ontdooit ook de permafrost, het tienduizend jaar oude ijs in de ondergrond. Dat maakt de bergbodem week en veroorzaakt grondverschuivingen, ook scheuren rotsen uiteen en tuimelen stukken bergwand omlaag. In het Zwitserse Bondo kwam in 2017 een kolossale bergwand naar beneden, deels door die dooiende ondergrond. Er volgde een enorme slijklawine, acht bergwandelaars kwamen om en het dorp bleef meer dan twee maanden ontruimd. 

Vijfde dag van de hittegolf. De lokale krant verkoopt de gepaste clichés: de verkopers van airco en plonsbadjes spreken over hun steile verkoop, de lachende arbeider van de diepvriesfabriek toont een thermometer onder nul.  Ik ben onderweg naar het zuiden van Zwitserland. Met al m'n treinverplaatsingen door Zwitserland kom ik op menige plek waar ik als kind al geweest ben. Zoals dit Sankt Moritz, daar was ik op m'n twaalfde, bij mijn eerste bergvakantie. In 1965 waren we daar met de goedkope gezinsvakanties van het CM-ziekenfonds. Als reissouvenir koos ik dat jaar een ferme dolk die je aan je broeksriem kon dragen. Het mes had als heft een hertenpoot. Een ander ouderpaar vond het onverantwoord dat mijn ouders zoiets gaven aan een kind. Ik voelde me een held en klaar om dikke boomstammen in hun hart te treffen.  

© Jan Hertoghs

Van St Moritz lift ik richting de Italiaanse grens. De stoppende bestuurder gooit het portier wijdopen, haast je, avanti avanti. Simone is een grensarbeider uit Chiavenna, hij is huisschilder en werkt in Zwitserland, hij pendelt al negentien jaar, elke morgen en avond vijf kwartier rijden. Airco is er niet, we rijden met alle ramen open. Schakelen gaat moeizaam, de auto is van 1997, dit jaar gekocht, 500 euro, zuinig verbruik. In zijn woorden: wenig trinken! Zijn Duits is een botte bijl, vaak blijft hij in de woorden steken.  Als hij hoort dat ik naar Bondo onderweg ben, zoekt hij in zijn smartphone en in een haarspeldbocht toont hij de foto van de verwoestende slijklawine. Bondo! catastrofo! Het dorp lag op zijn dagelijkse weg, de omleiding duurde vele weken.

Ik logeer in Promontogno, in Hotel Bregaglia, één van de oudste hotels (°1876) in het kanton Graubünden. Het lawine-dorp Bondo ligt vlakbij, het hotel was weken ingenomen door crisisstaf, leger en civiele bescherming. Bondo ligt aan de voet van spitse bergen.
's Avonds zie ik de buren van het hotel een ladder tegen de kersenboom zetten. Of ik enkele kersen mag? Ik krijg de handen vol. De boom is 22 jaar oud, geplant op hun huwelijksdag. Marina hoort dat ik van geschiedenis en oude foto's hou, en ze roept naar het terras: papa, dit is iemand voor u!
Arnoldo is oud-onderwijzer en zowat de archivaris van Bregaglia, de fusiegemeente die vijf Italiaanssprekende dorpen groepeert. Hij is opgetogen dat ik uit België kom. Er zijn zoveel banden tussen deze streek en uw land! "Jullie Koning Albert I kwam hier klimmen in de jaren dertig. Hij was toen al in de vijftig, een dappere man!" De bergbewoners zelf hadden toen nog angst voor de bergen, je kon er alleen maar verongelukken of verdwalen, en je had er nog beren en wolven. Na Albert's dood is een bergpiek naar hem vernoemd.
Arnoldo heet Giacometti. Zijn vader was een kozijn van de beroemde kunstenaar Alberto Giacometti (1901-1966).  De beeldenmaker van de uitgepuurde figuren zoals  L'homme qui marche. Het herleiden tot de essentie, mensen en dieren uitgeteerd tot op de graat. Hij woonde in Parijs, maar bracht de wintermaanden altijd door in zijn ouderlijk huis in deze vallei.


Archivaris Arnoldo Giacometti. © Jan Hertoghs

Zo zitten we aan de grote terrastafel. Arnoldo, de pater familias in onderhemd, zijn vrouw Eda die kaart speelt met de  kleindochters, en Marina en Lilio van de kersenboom. Het gesprek komt op de ramp van 23 augustus 2017. "Bondo had al eerder slijklawines gekend maar altijd na zwaar onweer, wolkbreuken, of dagenlange regen. Die woensdag was het een staalblauwe hemel toen we ineens nevel zagen opstijgen, ginder boven de bossen." Die 'nevel' was een stofwolk die in de lucht werd geblazen nadat drie miljoen kubieke meter losbrak uit de noordflank van de Piz Cengalo (3369 meter). Drie miljoen kuub, dat is een steenmassa groter dan de piramide van Cheops. Op de eerste honderd meters steil bergaf had die massa een moordsnelheid van 25O per uur. Acht wandelaars (Zwitsers, Oostenrijkers en Duitsers) werden meegesleurd en zitten nog altijd diep onder de stenen.

In het dorp waren "alle honden intussen fel gaan blaffen, niemand begreep waarom", maar vanuit een berghut had men de 'bergbreuk' gezien. De lokale politieman kreeg telefoon en die is met loeiende sirene door Bondo gaan rijden. Marina:" Ik was aan het strijken en toen kwam mama in paniek aangelopen. De Cengalo! De Cengalo komt!"
Arnoldo:"Ik liep naar de bedding van de Bondasca en zag daar een zwarte brij aankomen: stukken weide en aardbodem die door de lawine werden vooruitgestuwd. Daarna kwam een grauwe pap die als deeg uit de rivierbedding rees, met alsmaar grotere rotsblokken. Die rotsen tuimelden niet. Die dréven op die grijze papstroom, nooit gezien."

De stroom stenen stremde tegen de eeuwenoude brug tussen Promontogno en Bondo. Door die 'dam' kon de lawine gaan afbuigen naar het dorp en toen is ter plekke beslist om de brug op te geven. Een grijpkraan beukte ze kapot, de lawinestroom had weer vrije baan. Intussen waren politiemensen, ambulances en helicopters verschenen, Bondo werd geëvacueerd. Hoewel hun huis onbedreigd was, zijn ze toch ook gevlucht: "overal hoorden we naast de rivieroevers grote dennenbomen knappen, dat maakte ons bang".
De massa slib en stenen had na de vier kilometer 'afdaling' tot in het dorp nog altijd zo'n kracht dat bomen en slijk tot in Chiavenna spoelden, twaalf kilometer verderop.

De steen- en slijklawine schiep een nieuwe hoge bedding van de rivier in het dorp Bondo. © Jan Hertoghs

Toen ze 's anderendaags terugkwamen was hun tuin de landingsplek van helicopters, stond de Zwitserse presidente aan hun deur, en was de parking van Hotel Bregaglia ingenomen door tv-satellietwagens.  
Zoals een aardbeving naschokken heeft, zo had deze slijklawine ook "na-lawines". Die stroomden over de al aangespoelde steenhopen en zorgden voor een nog bredere stroom van vernieling. In de nacht van 25 augustus moesten inwoners van een nabij gehucht met helicopters uit hun huis worden gered. "Die nacht zijn rotsblokken zo groot als een woonhuis-met-verdiepingen omlaag gekomen, niemand begreep hoe dat kon." Hij heeft voor de gemeente Begaglia een foto-verslagboek gemaakt; de gemeentewerkman is een dwerg onderaan die steenreus.
Ieder gaat slapen. Door de gleuven van de kamerluiken hoor ik de Bondasca, een stroom die klinkt als een stortbui. Rivieren spreken luidop met een berg. 

De brug en rijbaan tussen Promontogno en Bondo is weg, er is alleen nog een voetgangersbrug hangend aan stalen kabels. De Bondasca-rivier loopt in een nieuwe bedding, een kloof bijna, de lawine heeft oevers opgeworpen tot twintig meter hoog. Bij de hangbrug staat het alarmapparaat, een onderdeel van een uitgebreid veiligheidssysteem. Op de Cengalo zit immers nog 3 miljoen kubieke meter instabiele bergwand en dalwaarts liggen nog stapels labiele steenslag, sommige tot 40 meter hoog. Daarom zijn er camera's die de bergwanden en de steenslag observeren, is er een geo-radar die rotsverschuivingen tot op de millimeter registreert, en zijn er laserscanners die naar seismische schokken speuren. Ook is er apparatuur die de dooiende permafrost controleert. Als er lawinegevaar dreigt, zijn er voor de inwoners van Bondo drie alarmfases. Bij fase drie loeit de sirene, springen op alle  verkeerswegen de 'lawine-lichten' op rood, en hebben de bewoners vier minuten vluchttijd om de afgesproken verzamelplek te bereiken. Sommige inwoners hebben doorlopend een koffer bij de voordeur staan.

Meet- en alarmapparatuur. Elke trilling, elke verschuiving in het gebied wordt gemonitord. © Jan Hertoghs

Patrizia Guggenheim wacht me op aan het café-met-de-dorpswinkel. Ze gidst me langs granieten dorpsfonteinen, rozenstruiken zo hoog als bomen en smalle straten met doorleefde huizen. Het dorp is duizend jaar oud en telt 182 inwoners. Zij is hier opgegroeid. Haar vader was de schilder Willy Guggenheim, (alias Varlin, 1900-1977). In het antieke salon hangen zijn werken, eigenzinnig figuratief. Varlin woonde lange tijd in Parijs, trok op met Chagalle en Léger, en kwam weer in Bondo wonen, beroemd nu, en bevriend met de schrijvers Max Frisch en Friedrich Dürrenmatt.
Vanuit het salon zien we de Piz Cengalo. "Onze huisberg", zegt ze, "elke morgen kijken we omhoog om te zien hoe zijn hoed staat": zon, nevel, sneeuw of wrokkig in de wolken. Zij en haar man Tobias Eichelberger waren in Basel toen de lawine kwam.
Patrizia: "We zijn gelijk vertrokken, maar Bondo was hermetisch afgesloten. Pas twee dagen later mochten we als bewoners kort naar onze huizen, om te zien of er schade was en om het hoogstnodige mee te nemen. Sommige deuren stonden wijdopen, je zag nog brood en beleg op tafel. Op straat lagen hamers en beitels neergegooid, je zag hoe men halsoverkop was gevlucht. Hier klatert ook altijd pompwater, dat geklater hoort bij het dorp, maar er was geen stromend water meer. Ons dorp was stil, doods, versteend, het leek wel op Pompeï." 
Tobias: "Zeven woonhuizen zijn vernield. Zeven inwoners waren dakloos. Drie van hen konden nog enige bezittingen redden, maar de vier anderen hadden niks meer. Hun woonvertrek zat tot tegen het plafond vol gruis."
Patrizia: "Het rook ook overal naar zwavel en vuursteen van de rotsen die tegen mekaar gevonkt waren en tegelijk rook je de hars van de dennenbomen die geknapt waren. Hars en zwavel, een mix van sauna en de hel. Die geur is nog lang gebleven. Pas later is de klamme geur van puin en nat gruis gekomen."
"De schilderijen van vader moesten snel in veiligheid, elk moment kon er weer een "na-lawine" komen. Bij een normale verhuis is er een geclimatiseerde vrachtwagen en deskundig personeel om te verpakken en te laden. Nu was het improviseren. Met z'n vieren van ons gezin en met mensen van de politie, het leger en de civiele bescherming hebben we die grote doeken over versperringen en rijen zandzakjes kunnen tillen. Ze zijn gauwgauw vervoerd, zonder verpakking en in een groentencamion!"

Tobias Eichelberger en Patrizia Guggenheim, inwoners van Bondo. “Nee, de berg is geen vijand geworden.” © Jan Hertoghs

Pas midden oktober konden ze terug, dik tweeënhalve maand later.
Patrizia: "Twee jaar later zijn de mensen nog altijd in shock. We wisten dat de bergen gevaarlijk kunnen zijn, maar zo rakelings ontsnappen, dat is ingrijpend. We wonen hier nog, maar het dorp was bijna onder onze voeten weggemaaid. Die eeuwenoude bestaansgrond lijkt ineens heel kwetsbaar."
Tobias: "Toch zijn nadien maar heel weinig mensen definitief weggebleven en verhuisd."  

In Bondo is intussen een burgerbeweging opgericht, Pro Bondo, omdat het gemeentebestuur "de zaken te pragmatisch aanpakt; ze zijn vooral bezig met straten, verkeer en het nieuwe rampenplan. Alsof de inwoners bijzaak zijn. Terwijl wij mentaal ook uit ons lood zijn: hoe herstel je dat als gemeentebestuur?!"
Zijn jullie gaan twijfelen aan je woonplaats?
Patrizia: "Nee. Ik voel me helemaal niet bedreigd. Ik voel me nog altijd beschermd. De berg is geen vijand geworden, de berg wààkt over mij. De berg was er heel mijn leven en in zovele eerdere generaties. Berg en dorp zijn één. Als ik tien dagen ergens ben waar geen bergen zijn, dan word ik depressief. Want mijn blik kan zich nergens hechten, ik heb geen uitzicht, geen houvast."
Tobias: "Voor ons is een vlak landschap alsof er niks te zien is. In de bergen zie je achter elke bocht wat anders. In de herfst bijvoorbeeld volgen wij de komst van de eerste sneeuw: zie, hij valt vandaag op 1700 meter, gisteren was het nog 1800 meter. Je ziet de winter afzakken naar het dorp, dat is bijzonder."

© Jan Hertoghs

Na het gesprek wijst Patrizia me op de huizen, de vensterbanken en de straatklinkers. "Dat is allemaal steen uit de berg. Wij kunnen de berg alleen maar erkentelijk zijn. Het is hier een vast gezegde: wij zijn steenrijk!"
's Avonds ga ik opnieuw "buurten" bij Arnoldo. Zijn vrouw Eda is in Bondo. Morgen trouwt een meisje van het dorp. De traditie wil dat de vrouwen gezamelijk een guirlanda maken, een boog van bloemen rond de kerkdeur. Omdat ik in Hotel Bregaglia logeer, laat hij het allereerste gastenboek zien, linnen met gouden opdruk. De 19de-eeuwse gasten komen uit Parijs, Milaan en Brussel, nog meer uit Londen en Engeland, "daar woonden de pioniers van het alpinisme." Zijn vrouw is geboren en opgegroeid in het hotel. Haar ouders waren de vorige eigenaars (tot 1981). Ik zeg dat het hotel nog altijd iets uitstraalt van de tijd van de postiljons. Dat is niet zo vreemd, zegt Arnoldo: het kanton Graubünden was het laatste om auto's toe te laten op zijn wegen. Pas bij een referendum in 1925 was het "ja". Tot dan moest je aan de kantongrens overstappen, van de auto in een  postkoets.

Ik had naar een filmpje van de slijklawine gevraagd, hij heeft er tien op z'n bureaublad klaarstaan. Een bergwandelaar heeft de stofwolk en de bergbreuk gefilmd, bibberend amateurbeeld, je hoort een kerkklokje nog argeloos kleppen. In een ander filmpje steekt de grauwe stroom de hoofdweg over, de vangrails breken als dunne takken, op een soundtrack van aanzwellende violen. Op weer ander beeld zie je de enorme rotsblokken 'drijven', ze wentelen traag op het grijsschuimende sop. Dan filmt iemand de getroffen huizen die in een grauwe korst zijn gegrepen met overal verspeide grote planken, "dat zijn geen loopplanken, de modderstroom is door een houtzagerij gegaan, en heeft die vijfmeterplanken als lucifers rondgestrooid".   

Amateurbeelden van de modder- en slijkstroom die grote rotsblokken meevoert. © Jan Hertoghs

Zaterdagmorgen. De chauffeur van de postbus kijkt naar de warme ochtendzon, "het gaat vandaag niet sneeuwen". De bus vult zich richting Sils Maria. Hier loopt het al vroeg vol  wandelaars. In ganzenrij op het smalle voetpad, een processie van telescopische wandelstokken. Er rijden ook al koetsiers, voor de rondritten met de arreslee op rubberbanden, de paarden zijn zwart van het zweet.

In Samedan woont Felix Keller. Hij was een sneeuwkind ("ik had liever de winter dan  de zomer") en is nu glacioloog. Zijn specialisatie is de permafrost. Keller heeft voor heel Zwitserland de officiële internetkaart getekend waarop alle permafrostgebieden met hun instabiliteitsfactor zijn ingekleurd. Zo'n 5 procent van het Zwitserse grondgebied bestaat uit die bevroren ondergrond, in het kanton Graubünden loopt dat op tot 30%. Keller kent Bondo en zijn omgeving.
"Het zal vreemd klinken, maar voor mij is Bondo een succesverhaal. Het probleem van de steen- en slijklawines is daar bekend, het dorp was voorbereid, het monitoring system gaf een  tijdig alarm en er was een geslaagde evacuatie. Ook het noodbekken heeft zijn werk gedaan, al was het wel te klein. Die acht slachtoffers? Tja, dat waren bergwandelaars die op verboden wandelwegen liepen. Daar staan verbodsborden genoeg."
Welke rol speelde de klimaatopwarming bij die ramp?  
"In de hete recordzomer 2003 zijn opvallend veel stukken berg losgekomen in Graubünden, dus de opwarming verhoogt de permafrostdooi en de instabiliteit. In Bondo was er een samenloop van meerdere omstandigheden. Eén, dat berggebied staat al meer dan honderd jaar bekend als instabiel, en twee, het had evengoed gekund dat die "bergbreuk" daarboven was neergeploft en blijven liggen. Maar op die afgebroken bergwand zat een stuk gletsjer en die massa ijs is onder die vallende berg verpulverd en vloeibaar geworden en dat heeft die stroom van puin en rotsen veroorzaakt."

© Jan Hertoghs

Zijn er nog dorpen als Bondo?
"In Zwitserland zijn geen andere woonkernen bedreigd. Wel zijn er in de kantons Wallis, Graubünden en Ticino berghutten, bergpaden, waterdammen, ski-infrastructuur, autowegen en spoorwegen bedreigd. De bergen boven een dorp kunnen wij bewaken, maar hetzelfde kan je niet doen boven al je verkeerswegen. Daar blijft een risico voor die wegen en die weggebruikers."
"Ik vergelijk die dooiende permafrost met de gevaren van de sneeuw in de winter. Elk jaar vallen in Zwitserland gemiddeld 40 lawinedoden en toch hebben we geen schrik van de sneeuw en van de wintersport. Omdat we geleerd hebben van ermee te leven. Die dooiende permafrost is nog nieuw, we hebben nog niet geleerd van ermee te leven en dus zijn we er bang voor."

Vijftien jaar geleden schreven de kranten over pylonen van kabelbanen en skiliften die wankel werden door de dooiende permafrost. Over dat probleem van de klimaatopwarming lees ik niks meer.
"Het probleem is er nog, maar het is geïntegreerd in onze bouwsector. De overheid heeft richtlijnen opgesteld voor architecten, aannemers en ruimtelijke planners: welke gebieden te mijden zijn en welke voorzorgen je moet nemen in een permafrostgebied; zoals de funderingen  verzwaren en regelmatige bodemcontroles. Zoals bij jullie het bouwen in overstromingsgebieden; dat zal nu ook meer gereguleerd zijn nu er meer wolkbreuken zijn dan vroeger.
Let wel, het mindert nooit  met die voorzorgsmaatregelen. De klimaatopwarming zal met verrassingen blijven komen voor onze gebouwen en wegen, wij mogen nooit denken dat dat fenomeen onder controle is.        
En dat is mijn punt. Heel de klimaatopwarming passeert bijna geruisloos en wij zijn nog altijd niet bang! Wij moeten leren bang te zijn voor de echte problemen. Zoals het drinkwater van 800 miljoen mensen dat bedreigd wordt door het smelten van de gletsjers. In Zuid-Amerika en in landen nabij de Himalaya is het erg. In Noord-India zijn al dorpen onbewoond omdat er geen drinkwater meer is." 

NASCHRIFT
De dooiende permafrost heeft zich niet tot Bondo beperkt. Zelfs de ongenaakbare Mont Blanc "kruimelt dag na dag af". 
In mei 2025 deed zich een tweede "Bondo" voor. Door de dooiende permafrost op 3000 meter hoogte was de berg boven de Birch-gletsjer instabiel geworden. Stukken rotswand kwamen op een gletsjer terecht en door dat gewicht brak die na enkele dagen in stukken: 3 miljoen kubieke meter ijs en puin donderden naar de bewoonde vallei. 90% van het dorp Blatten (Wallis) werd weggeveegd, daaronder een groot hotel en de kerk. De 300 inwoners waren in etappes geëvacueerd; de laatsten hadden slechts tien minuten en konden "niets meenemen". Het dorp bestond al sinds de Middeleeuwen (1433).
Volgens glaciologen gaan dergelijke Bergstürze in de nabije toekomst vaker voorkomen.

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Antwerpse skiër overleeft sneeuwgraf in lawine

De voorbije dagen zijn in de Franse en Italiaanse Alpen meerdere skiërs omgekomen door lawines. Het lawinegevaar is erg hoog door de vele sneeuw die op korte tijd is gevallen. In mijn boek "Kind zonder winter" lees je het verhaal van Eric, een Antwerpse skiër die in een Franse skiregio door een lawine werd meegesleurd. Iets minder dan een half uur was hij bedolven, een bijna-doodervaring.
Hieronder het interview van toen en zijn volledige relaas.

© Jan Hertoghs ( Humo  / reeks "Natuurrampen"- mei 1989)

“Ik kon niks bewegen, nog geen hand. Die sneeuw, dat was beton.”

Een berg in de winter blijft onberekenbaar. Hij schudt lawines van zijn lijf zoals een hond het water van zijn vacht. Sneeuw op een berg is geruststellend op een prentkaart. Tot die sneeuw aanzwelt en dreigt te kapseizen. Plots barst een bliksem los, een donderwolk gaat schuiven en in haar grimmig spoor neemt ze tienduizenden tonnen sneeuw mee.

Eric K. uit Kapellen is een skifanaat. Hij kent de gevaren van het hooggebergte: meer dan eens raakte hij ingesneeuwd.
"Val Thorens. Bakken sneeuw! Hotel dichtgemetseld! Je moest via een venster op het eerste naar buiten en dan kon je over de bedolven auto's lopen.
Passo Campolongo. Meters sneeuw. Je kon niet uit het hotel. Overal keek je op muren sneeuw.
Brunico. Onze Dolomieten-Express stopt voor een rood signaal. Na drie kwartier volgt het bericht voor de reizigers dat de trein zijn reis niet kan verderzetten, er ligt een lawine op het spoor, gelieve hier uit te stappen...Dat moet je gezien hebben: 1200 toeristen die als gekken hun kleren en koffers bijeen scharrelen, die zich door de deuren op het perron wurmen, en vanuit dat stationnetje dat bergdorp bestormen op zoek naar onderdak voor de nacht. Voor grof bibbergeld zijn ook taxichauffeurs overgehaald om 's nachts over een bergpas te rijden die door lawines werd bedreigd."

Ik vraag hem wanneer hij is beginnen skiën. "Op mijn 27ste. Met ons  vriendengroepje  van die jaren grijpen we elk weekend en elke wintervakantie aan om te skiën. Met z'n vijven de auto in, ski's op het dak, 's nachts rijden, 's morgens omkleden naast de auto, en de bergen in, van die zotte kuren. Hard skiën én hard drinken.’
Dan komt Tignes, winter 1977. Die dag zijn ze met hun vaste berggids Jean-Claude op pad. Met hem willen ze buiten de pistes gaan, in de luwte, weg van de drukte. "Dat buiten de piste skiën is niet het gevaar opzoeken, integendeel. Veel mensen denken: buiten de pste, dat zijn de spookrijders, de waaghalzen, de zotten. Maar buiten de pistes skiën is  rustig en gedsiciplineerd skiën . Je moet technisch onderlegd zijn, je moet kunnen draaien in elk soort sneeuw. En je gaat daar om op plaatsen te komen waar nooit een sterveling komt, wij gingen waar de gemzen zaten. Die ongerepte sneeuw, die machtige bergen en jij als mensje in die stilte en dat licht knerpen van de latten, fascinerend, onbeschrijfelijk!"
Op een nog maagdelijke hang tussen twee heuvelruggen houden ze halt. De regel is: één rij vormen, geen skiër neemt plaats boven een andere. Zo vermijd je dat onder die 'bovenstaander' een lawine losscheurt die de anderen meesleurt. En dat is wat er gebeurt. T. staat wat hoger, hij valt en zo komt een coulée de neige los.

"Ik zag niets, ik hoorde alleen roepen 'pas op'! Vanop afstand moet dat geweest zijn alsof een grote slagroomtaart in tweeën brak en één stuk onderuit schoof. Ik heb niks gezien."
Eric zit er middenin. Nù zwembewegingen maken, nù met armen en benen slaan en zo aan de oppervlakte blijven, dàt herinnert hij zich van een onderricht. Zijn kameraden kunnen hem volgen, het donkere stipje van zijn hoofd blijft op die witte golf dobberen, hij gaat pas kopje-onder na een paar honderd meter, en dan  komt ook de lawine tot stilstand... op 10 meter boven het meer van Tignes.('Tien meter en ik was verdronken! In de bergen!') 
Hij is niet verdronken, hij is begraven in de sneeuw. Eric ligt op zijn buik en met zijn vuisten voor de mond, dat geeft hem enige ademruimte, maar geen bewegingsruimte: ‘Geen voet, geen been, geen hand, geen arm kon ik nog bewegen. Mijn gezicht zat ingekapseld. Die sneeuw, dat was beton. En alles was afgesloten en donker, zo donker!’
Hij weet dat hij moet spuwen of plassen. De zwaartekracht zegt dan waar onder en boven is, zo weet je de uitweg waarheen je je moet bewegen. Maar hij kan niet spuwen en niet plassen, angst en paniek verlammen hem. ‘Ik wil hieruit, ik wil hieruit,  was het enige dat ik kon denken.’ Langzaam krijgt hij zich weer onder controle, hij heeft speleologie gedaan, hij weet dat je opzwelt en minder ruimte krijgt als je in paniek raakt, die gedachte kan hem kalmeren.
'Ik herwon wel mijn zelfbeheersing, maar daarom kan je nog niet bewegen of beter ademen, laat staan uit die sneeuw geraken.En vreemd waaraan je dan allemaal denkt. Ik was heel bezorgd om mijn ouders: wat zouden ze wel denken! dat kon ik hen toch niet aandoen! Ik was ook bekommerd om mijn kameraden: hoeveel staken er nog in de sneeuw, links en rechts van mij? Dat kon toch niet gebeuren, dat kon toch niet waar zijn?!"
"Ik kon echt niet aanvaarden dat ik daar in dat gat aan mijn einde zou komen. Ik heb ook gebeden, gebéden! En dat hielp, dat kalmeerde me. Toen begon de film van mijn leven te draaien. Ik weet dat het een cliché is, maar het wàs zo. Ik ben misschien 15 minuten onder die sneeuwmassa bij bewustzijn gebleven, maar ik zag àlles terug. Dat begon als kleine jongen thuis en op de schoolbanken, mijn hele studententijd, een oud-lief, vakanties, boeken ooit gelezen, dat waren beelden zoals in een film, héél scherpe beelden, en helemaal niet angstaanjagend. Ik sliep rustig in, ik was op dat moment ook heel zeker dat ze me zouden redden. Is het dat wat ze bedoelen met een "zoete dood"?

Zijn kameraden staan intussen op de plek waar ze hem laatst gezien hebben, daar beginnen ze met hun skistokken te sonderen. Hun berggids suist naar het dorp, een kwartier later is hij terug met een reddingsteam en honden. Dat is zijn geluk, dat het dorp zo dichtbij is. Zijn vrienden halen hem 'voor dood' naar boven, hij is 20 à 25 minuten begraven geweest. Meteen beginnen ze met hartmassage en kunstmatige ademhaling, ‘maar eigenlijk hadden ze mij opgegeven.’ Het is door aandringen van een passerende arts dat ze blijven reanimeren.
Eric voelt plots een duw op zijn hartstreek, "en dat deed PIJN. Ik opende mijn ogen en toen kwam dat fantastische moment: ik lag op mijn rug en ik zag al mijn vrienden om mij heen gebogen, ze huilden en ze lachten van pure vreugde dat ik er nog was.’ Jean-Claude valt rond zijn hals, één en al ontroering.
Ze draaien hem in een deken, binden hem op een sleeberrie en voeren hem naar een ambulance. In het hospitaal is de euforie weg, de shock heeft hem te pakken: ‘Ik lag te daveren in dat bed, die sponden rammelden en kletterden, mijn hart bonsde al even hard.’
Rik, hun groepsdokter blijft bij hem, en na vijf uur observatie mag hij terug naar het hotel. Daar is het de sfeer van de grote dagen, uitbundigheid alom. Hij daarentegen zit in de put: "Ik zat daar maar te huilen en snikken zonder ophouden. Iedereen klopte op mijn schouder, ik kon mijn tranen niet tegenhouden. Ik zat nog altijd onder de sneeuw, die gedachte liet mij niet los. Ik kreeg natuurlijk een slaapmiddel, maar ik deed die nacht geen oog dicht, ik lag niet in mijn bed, ik lag in dat sneeuwgraf.’

De volgende dag gaat hij niet skiën, hij moét naar die plek terug. De aanblik van de kuil overweldigt hem, ‘dat was geen kuil, dat was geen put, dat was echt een graf. En ik weet niet wat mij bezielde, maar ik kon daar niet wegblijven. Dat was een kruisweg, een lijdensweg die ik keer op keer moest gaan. En bij die kuil maar kijken en blijven kijken, en niet kunnen geloven: hoe ben ik daar in godsnaam uitgeraakt?!‘
Na twee dagen gaat hij toch weer skiën, op de eerste flauwe helling trilt hij al over heel zijn lijf. Hij zet door, hij vreest dat hij anders nooit meer zal durven skiën. Weer een dag later volgt een rustige tocht, maar onderweg komen ze toch weer voor een gevaarlijke hang te staan, "en opeens zag ik die dikke verse sneeuw onder mij, met allemaal kleine scheurthjes erin, en ik stond aan de grond genageld, ik durfde niet verder, ik was een standbeeld, een zoutpilaar."
Het duurde nog maanden om een en ander te verwerken en na het ongeval kan "het" hem onverhoeds overvallen. Hij zit te eten en ineens begint hij onbedwingbaar te huilen. Overal kan zo'n flashback hem overweldigen, in bed of op het werk, steeds is er dat ene beeld: hij ligt onder die sneeuw en hij is vreselijk ongerust over zijn ouders, ‘wat zullen pa en ma denken als ik hier niet uit geraak?’
Dat heeft hem een jaar achtervolgd, nu kan hij uitleggen wat het was. ‘Er leefden twee Ericcen in mij. De ene Eric leefde nog en was heel blij dat het zo goed was afgelopen, de andere Eric leek dat niet te willen aanvaarden, die was zo dicht bij de dood geweest dat hij niet kon of wilde geloven dat hij gered was. Die tweede Eric zat vol angst dat het fataal had kunnen aflopen. Dat leken twee hersenhelften die er elk anders over dachten, en het heeft lang geduurd voor die tweespalt gedicht was. Ik leefde nog, en ik moest geen angst hebben voor die dood die er niet was geweest.’
De morgen na het interview schrik ik. Eric belt op. Hij heeft een heel slechte nacht gehad, ‘meer dan tien jaar liet het mij gerust, door erover te spreken was alles ineens weer terug’.    
Het kan je blijven achtervolgen. De ene seconde sta je nog gaaf op de wereld, de volgende seconde slaat een kracht alles weg onder je voeten. De sneeuw die je liefhad, heeft je dood willen maken.  

Twaalf dagen in een sneeuwgraf
Het overgrote deel van de lawineslachtoffers zijn skiërs. Tweederde van hen sterft door verstikking. De longen geraken gevuld met sneeuw, de borstkas wordt zo diep ingedrukt dat ademhalen onmogelijk wordt. Anderen worden dodelijk geraakt door stenen, bomen of ijsblokken die in de lawine rondzwerven. Wie niet op slag dood is, loopt een grote kans op gevaarlijke breuken. Bij skiërs werken stokken en latten in de kolkende sneeuw als "kurkentrekkers" op armen en benen. Wie niet stikt, sterft door de kou. Bij 28 graden dreigt er levensgevaar. Statistisch gezien nemen de overlevingskansen van iemand die 1 à 2 meter onder de sneeuw ligt, zeer snel af. Na een half uur heeft men nog 50% kans, na een uur 38 procent, na drie uur 8 procent en na 4 uur is de kans nihil. De ingeroepen hulp van gespecialiseerde redders komt in het merendeel van de gevallen te laat.

Toch zijn er enkele gevallen beschreven van mensen die het dagen uithielden in een sneeuwgraf. Gerhard Freisegger, een 26-jarige bergerbeider uit het Oostenrijkse Heiligenblut hield het twààlf dagen uit. Hij wasgeen skiër, hij werd op 21 januari 1952 bedolven in zijn houten woonhut nabij een in aanbouw zijnde stuwdam. Toen Freisegger bruusk uit zijn slaap werd gerukt, zat hij tot aan zijn borstkas in de sneeuw gemetseld. Hij kon nog alleen zijn hoofd en zijn rechterhand bewegen, een balk die boven zijn hoofd was blijven steken, zorgde voor net genoeg ademruimte. Hij hoorde zijn inwonende werkmakker om hulp roepen, na enkele uren verflauwde de stem en bleef er alleen stilte en duisternis. Toen de redders kwamen, hoorde hij hun stemmen, hun zware voetstappen, het schoppen en boren in de sneeuw, uren ging dat heen en weer, maar op zijn roepen kwam geen antwoord. De tweede dag stootte de reddingsploeg met een sondeerstang op de balk naast hem, maar Freisegger vonden ze niet. De derde dag hoorde hij hen zeggen "dat er zonder lijk geen begrafenis kon zijn". Een ander zou gek van vertwijfeling worden, Freisegger wanhoopte niet. De vierde dag kon hij een tweede arm bevrijden, maar redders waren nergens meer te horen. Freisegger moest met al zijn krachten vechten tegen de slaap; hij wilde niet indommelen uit angst voor bevriezing: "Ik zong alle liedjes die ik kende, ik praatte uren tegen mezelf."
Daarna hoorde Freisegger bijna een volle week niemand meer; zijn werkmakkers gingen verder met de arbeid, 's morgens haalden ze hun materiaal, 's avonds borgen ze het weer op. Op de achtste dag begon hij een uitweg te graven. Met een grote houtsplinter, zijn nagels waren immers afgesleten. Op de tiende dag zag hij een flauw lichtpunt, na uren graven met de splinter voelde hij ook frisse lucht. Op de twaalfde dag en na 48 uur niemand gehoord te hebben, klonken er plots stemmen. Hij stak zijn hand door het kleine luchtgat en riep, zijn gruwelijke nachtmerrie was voorbij. Freisegger zelf dacht dat hij twéé maanden had opgesloten gezeten. In het ziekenhuis moesten vanwege de bevriezingsverschijnselen twee benen tot onder de knie geamputeerd worden. Freisegger kon nog deels zijn werk hervatten, een psychiater zei dat hij "geen geestelijke letsels had opgelopen". Freisegger stelde dat hij zijn redding dankte aan één beeld dat hij altijd voor ogen had gehouden: de blijdschap op het gezicht van zijn naastbestaanden als bleek dat hij nog leefde.

Lawines en de klimaatopwarming

Het skiseizoen in de Alpen is nu 2 maanden korter dan in de jaren zeventig. Maar minder sneeuw door de opwarming betekent niet automatisch minder lawines.
De prognose (2023) van het Zwitserse instituut voor lawine-onderzoek is dat de lagere berggebieden meer regen en minder lawines krijgen. De hogere gebieden zouden minder strenge en minder stabiele koudeperiodes kennen, maar zij zouden meer sneeuw krijgen, en dan vooral 'korte periodes van hevige sneeuwval'. Die wolkbreuken van sneeuw leggen dikke lagen van natte onstabiele sneeuw boven op mekaar, en vormen een groot risico op lawines. Bij die ophoping van zware doorweekte sneeuwmassa's en dreiging van  zware lawines bestaat de enige maatregel erin dat hele skigebieden tijdelijk dicht gaan.  Zoals deze week gebeurd is op vele plaatsen in de Haute Savoie.

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

In het oog van de sneeuwstorm (Maine USA) deel 1

Een groot deel van Amerika wordt in deze winter van 2026 geteisterd door een traag vorderende sneeuwstorm die in honderdduizenden huishoudens de stroom deed uitvallen en die het vliegverkeer zwaar verstoort. In de media kreeg de storm al bijnamen als Snowzilla en Snowapocalyps. Die felle wintertoestand zou nog aanhouden.
In de winter van 2001 ben ik met fotograaf Tim Dirven precies dié sneeuwstormen gaan zoeken in de oostelijke staat Maine. 
In mijn boek "Kind zonder winter" staat mijn close encounter met een blizzard beschreven op iets meer dan een pagina. 
Dit is het langere verhaal, met zijn drie afleveringen.
(Humo maart 2001)  © Jan Hertoghs
Noot:  de Verenigde Staten worden niet alleen belaagd door een sneeuwstorm, de laatste weken worden ze evengoed geteisterd door ICE, door de gemaskerde troepen van ICE (de Immigration and Customs Enforcement). In de ijskoude straten van Minneapolis (Minnesota) hebben ze intussen twee burgers gedood.
In het derde deel van deze reeks (over de militie) lees je over de groeiende polarisering in de States, ook al is die reportage 25 jaar geleden geschreven.

© Tim Dirven

Onderweg met de krantenkoeriers  “Wij rijden elke nacht naar de verst afgelegen abonnees. Zelfs al zitten die thuis ingesneeuwd.”

De United Airlines-vlucht uit Brussel is in Washington geland, maar verder vliegen naar Portland, Maine is uitgesloten. Die luchthaven is al zeventwintig uur dicht vanwege een sneeuwstorm die het hele noordoosten van de VS lamlegt. Ook morgen zullen we niet kunnen vliegen. Als we aan de infobalie vertellen dat we hoe dan ook naar het noordoosten willen omdat we over sneeuwstormen willen schrijven, is het even stil aan de desk, “je zit nu toch midden in je story, sir, je zit vast door de sneeuw, wat wil je nog meer?!” Maar ze zal ons helpen, ze heeft voor ons nog één vlucht naar Boston, “allicht de enige vlucht die daar vandaag gaat landen”. En van Boston is het normaal gezien slechts twee uur rijden naar Portland. Of “er iets zal rijden” van bussen, treinen of auto’s, dat weet ze niet, dat zullen we ter plekke moeten uitzoeken.

In een woest gehuil van motoren landt het vliegtuig op Boston Logan Airport. Eén uur heeft het boven de stad moeten cirkelen omdat rukwinden en beperkte zichtbaarheid de landing onmogelijk maakten, maar in een luwte heeft de piloot het toestel dan toch aan de grond kunnen zetten. Uit de buik van de sneeuwwolken was ineens de luchthaven te zien, een slinger van lampjes in de stuivende sneeuw, en dan raakten de wielen de tarmac, met de snelheid van een steen over het ijs, je denkt dat zo’n ding nooit gaat kunnen remmen, maar het remt toch, en op alle passagierszetels wordt luid in de handen geklapt. Achter de raampjes woedt de storm, tegen de oostkust jaagt hij golven van negen meter over de dijk, hier op het vliegveld duwt hij de sneeuw in grote duinen omhoog, zestig tot negentig centimeter is er gevallen in de laatste vierentwintig uur.
Onze bagage is er niet bij, “die moet nog met een tweede vliegtuig komen”, maar dat toestel mag door de stormwind niet meer landen in Boston, dat vliegt met zijn honderdtwintig passagiers én onze spullen terug naar Washington. Halfnegen ‘s avonds is het en alle bus- en treinverkeer naar de staat Maine is opgeschort, maar bij de autoverhuring denken ze dat we er met de wagen zullen geraken, ”de sneeuwploegen doen er alles aan om de snelweg vrij te maken”. De auto op de parking staat zo goed als onder de sneeuw bedolven, het openen van de deur is als het openmaken van een koelkast, er brandt alleen een klein lichtje daarbinnen. 

Eens de Pontiac Sunfire ontdooid is, stuur ik ‘m de weg op, in voorzichtige bochten tussen de bergen van weggeduwde sneeuw, dit is geen bar buitengebied, dit is het centrum van Boston, een stad met zeshonderdduizend inwoners.De ingesneeuwde Interstate 95 telt nog wat verkeer tot aan de rand van de stad, dan zijn er alleen nog de zwaailichten van de sneeuwruimers, in konvooien van vier of zes rijden ze achter elkaar om één van de drie rijvakken van sneeuw en ijs te ontdoen. Hun grote schoepen schuren het asfalt, een geweld van ijzer en wegspringende vonken, maar ze kunnen amper een bandenspoor ruimen waarin je te nauwer nood veertig per uur kan rijden. Op de grens van Massachusetts en New Hampshire is een auto geslipt, hij ligt gekanteld in de middenberm, het is een jeep, een four wheel drive die nu met zijn vier wielen in de lucht steekt. Het sneeuwen zelf is minder geworden, maar de wind blijft jakkeren en jaagt grote stofwolken sneeuw uit de zwaarbeladen dennen naast de weg. 
In België is het nu zes uur ‘s morgens, we zijn al drieëntwintig uren op de been en ik zou moe en slaperig moeten zijn, maar ik ben wakker als een tienjarige, mijn leven al ben ik een kind van de sneeuw, blij met elke centimeter die er lag op weg naar school, en altijd afgunstig op die Amerikanen en hun blizzards. En hier zijn ze nu, de bergen, de stapels, de kilometers met sneeuw, en de auto is een warm zaklampje in die lange koude Oost-Amerikaanse nacht.

 Vier uur hebben we over de honderd mijl naar Portland gedaan, twee uur is het in de morgen, en de moteleigenaar is verrast dat er nog iemand in dit poolhondenweer komt opdagen. Alles kreunt en knerpt onder de sneeuw, de kamers hebben hoge witte drempels voor de deuren, en uit de dakgoten hangen pegels van één meter, ijskoude kromzwaarden scheefgebogen onder de last van de wind. De volgende morgen klaart de lucht wel op, maar de storm is daarom nog niet weggeëbd uit de luchthavens. Er zijn niet alleen honderden vluchten afgelast, er is ook een enorme stapel bagage gestrand: vierduizend koffers in Boston en twaalfduizend koffers in Washington (waaronder de onze!) Het leven in Maine en in heel New England lag twee dagen stil. Scholen waren gesloten, winkels waren dicht, en bedrijven hadden zo’n drie miljoen werknemers thuisgehouden. In de straten van Portland liggen intussen tonnen en tonnen gebulldozerde sneeuw, het wil maar niet smelten of dooien, in Maine is het één van de koudste winters van de voorbije honderd jaar.      
Omdat de bagage tegen middernacht in Portland zelf zal arriveren, nemen we een hotel downtown. Het is de Inn at St. John, een prachtig Victoriaans gebouw, in 1897 bij het station ingeplant. Voor 44 dollar hebben we twee kingsize bedden en een ontbijt, koper onder de handdoeken, porselein op de waterkranen, en twee kamerjassen om naar de badkamer te schrijden. Kamer 1C is echter een horige kamer. Met luide buren die om twee uur ‘s nachts dronken toekomen, in de fles hebben ze de bodem van hun leven gevonden (Ik ben een vent van niks! Een niemendal! Een waardeloze klootzak! - Zeg dat niet, Joe! - Ik zeg het wel!) En dan zijn er de krijsende meeuwen die achter onzichtbare vissersboten aanvliegen, de vrachtwagens die in de kamer knarsend tot stilstand komen omdat op straat het licht op rood springt, en dan is het zes uur, en daar klinkt al de eerste wekkerradio bij de buren, Oh, baby, baby, it’s a wild world, Cat Stevens zegt de jukebox van mijn geheugen, en ik kan niet meer slapen.

De vloek van Stephen King
Onze verlate bagage is gearriveerd, en 's middags draaien we naar het binnenland, naar dorpjes als Greene en Leeds, weggestoken achter wilgen en dicht struikgewas, of Lisbon Falls, een dorp dat niet is kunnen ontsnappen aan de rookbruine muren van een fabriek. In Lisbon Falls en het vlakbij gelegen Durham heeft de schrijver Stephen King een deel van zijn jeugd doorgebracht: “ In het Durham van mijn jeugd gebruikte het leven weinig of geen make-up. Ik ging naar school met kinderen die maandenlang hetzelfde vuil op hun hals hadden, kinderen met zweren en uitslag, kinderen met de akelige gedroogde-appel-gezichten die je krijgt als je brandwonden niet laat behandelen, kinderen die met stenen in hun lunchtrommeltje naar school werden gestuurd en die alleen maar lucht in hun thermosfles hadden. (In “Over leven en schrijven”) 
King woont al vele jaren in Maine, veel van zijn boeken en filmlocaties situeren zich hier, en het scheelde niet veel of ook zijn dood vond plaats op een doodgewone weg in Maine. Op 20 juni ’99 maakte King een wandeling in de buurt van zijn zomerhuis en werd hij van achteren aangereden door een lichtblauwe Dodge bestelwagen. King werd zeven meter weggeslingerd, brak een been en een heup, had een geperforeerde long, en was na zijn langdurige revalidatie nog zo razend op zijn aanrijder Bryan Smith, dat hij diens Dodge kocht en met een hamer aan diggelen sloeg. Wat King absoluut niet kon verteren, was dat hijzelf op een rechte weg liep en dat Smith hem dus van verre kon zien. Na de destructie van de Dodge kwam het tot een schoorvoetende verzoening tussen beide, maar daarmee was niet alle onheil afgewend, want geen jaar later stierf Bryan Smith. De stakker werd gevonden met een overdosis pijnstillers naast zich. Smith was amper 43 jaar. Het was, zeggen sommigen hier, de vloek van de horrorschrijver.

© Tim Dirven

Geen twee kilometer voorbij Lisbon Falls moéten we stoppen bij een huis. Het is maart, Pasen hangt in de lucht, maar in de tuin is genoeg kerstverlichting voorhanden om een Grote Markt te versieren. Het is het complete gamma van Jezus, Maria en Jozef, van herten, rendieren, sneeuw- en kerstmannen die allemaal licht geven. Ook dennenbomen, dakgoten, raamlijsten en zelfs de omheining van de paardenwei zitten onder de lampjes, het huis en de heuvel gloeien van de kerst. Tienduizend lampjes branden er en Stan en Sandy Craig hebben zes dagen nodig om ze op te hangen. Dat de lichtjes nog maanden hangen, komt omdat Maine iets heeft met kerst en winter, zeggen zeZo zijn er in het plaatsje Bethel duizend sneeuwmannen gerold dit jaar. Voor het Guinness Book of Records. Vorig jaar hadden ze in datzelfde Bethel een recordsneeuwman gebouwd, achtendertig meter hoog. Ze laten de foto’s zien van een sneeuwreus, hij heeft de grootte van een flatgebouw en de drie zwarte knopen op zijn jas zijn rupsbanden van een graafmachine. Met zoveel surrealisme vragen we of ze Stephen King kennen. Gekke vraag. Hun zoon krijgt Engels van de juf “die tegen King ooit gezegd heeft dat het nooit wat zou worden met zijn lugubere steek- en moordverhalen”, en vader Craig heeft nog met King himself op school gezeten. Niet meteen de aangenaamste gast, zegt hij voorzichtig.           

 Om zeven uur kruipen we onder de dekens, om elf uur staan we weer op voor wat een lange nacht zal worden. Omdat we het kleine Amerika van het platteland willen zien, hebben we van plaatselijk verslaggever Scott Thistle het voorstel gekregen om een nacht mee te rijden met de bezorgers van de Sun Journal :” Ze hebben één ronde in het oosten van Maine waar ze elke nacht een paar honderd mijl moeten rijden om enkele honderden abonnees hun krant te bezorgen. Die chauffeurs komen in godverlaten streken waar meer elanden dan mensen wonen!” Sun-transportmanager Bill Mc Carthy is enthousiast dat we meegaan op de Kingfield-run, “waw guys, you gonna see some moose up there!” En gelijk barsten de verhalen los over alle close encounters die zijn krantenronddragers al met elanden gehad hebben. Want er zijn elanden in Maine, véél elanden in Maine, dertigduizend elanden in Maine! En dat we ervoor moeten zorgen dat we niet tegen een eland botsen, en zeker niet tegen Ouwe Bompa. Ouwe Bompa is een eland die zo stokoud is dat niemand weet hoe oud hij is. De Bompa is makkelijk te herkennen aan zijn bagagerek, zo wordt ons gezegd, een gewei van 1,8 meter doormeter, je kan er een satellietschotel op installeren. In de winter is de kans om een eland te ràken niet gering, “ soms lopen ze de hele tijd voor je uit omdat de weg is ingesloten met sneeuwbanken en ze niet de kracht hebben om over die sneeuwbermen te geraken.” Als we, -je weet maar nooit-, dan toch tegen een eland van 6 à 700 kg zouden botsen, dan is de auto meestal total loss. “Maar het kan ook gebeuren dat de eland dood is!” In dat geval moeten we hem niet zomaar aan de kant van de weg laten, we moeten aan onze diepvriezer denken en… de plaatselijke politie bellen, “the police is so nice up there, and so helpful!” En zij zullen het kadaver dan villen en van zijn ingewanden ontdoen: “ Het slachtvlees krijg je mee, maar het hart en de lever zullen ze zelf willen opeten, ze weten wat lekker is!” 

Bill gaat er prat op dat de krant -die zeven dagen op zeven verschijnt- al elke dag tot bij zijn meest afgelegen lezers is geraakt. Twee jaar geleden was er van Maine tot Montréal een gruwelijke ijsstorm die bomen en stroompylonen over de wegen knakte en die honderdduizenden bewoners wekenlang zonder stroom zette, but we went through, we missed not a single day. Zelfs nu er gisteren tot negentig centimeter sneeuw is gevallen, is er geen enkel probleem, je rijdt wat hoger op de weg, dat is alles. Bill is nu wel de transportmanager, maar hij reed vroeger zelf die ronde die tot bij de grens met Canada voert. “Elke morgen hield ik bij een  meertje stil. Motor af, de zon kwam op, de ganzen vlogen over, de eland dronk bij de oever, het was het mooiste licht op aarde, en ik was een kwartier lang perfect gelukkig.”

 De Sun Journal (met zetel in Lewiston) is één van de zeer vele lokale kranten in de States. De Sun dateert al van 1847, heeft een oplage van 38.000 exemplaren en is al vier generaties in handen van de Ierse emigrantenfamilie Costello. Deze nacht is de Sun vooral in handen van de drukkers aan de persen, de mannen met de vettige petten en inkt op de overalls. Bill stelt ons voor aan de chauffeur van vannacht. Mireille Sutton is 49, heeft krullen onder de baseballpet, een bril met guitige ogen, en ze belooft dat we niet eenzaam gaan zijn, “want ik kan niet zwijgen, ik ga de hele nacht  jullie oren van je kop praten!” Haar man Dick komt erbij staan, hij is ook chauffeur voor de Sun en hij heeft een zwak voor het filmen van elanden: “De camera staat bij mij op het dashboard en als ik een beest zie, dan duw ik de knop in. Onlangs heeft een eland twintig minuten voor mijn bestelwagen gelopen, en ik maar filmen! Uren en uren heb ik al op de band staan. Van elanden die uitglijden op het ijs. Van elanden die over een sneeuwberm proberen te krabbelen. Van elanden die staan te geeuwen langs de weg. Da’s grappig!” Dick gaat ons een compilatie van zijn beelden opsturen, The Best and Funniest of Moose Videos.     

De bundels met kranten zijn intussen in de bestelwagen geladen, time to hit the road. Mireille houdt van de weg, zegt ze. Ze is twaalf jaar chauffeur van een schoolbus geweest, maar dit is beter. “ Hier ben ik alleen. Hier kan ik luidop zingen, luidop naar country & western luisteren en luidop tegen mezelf babbelen, niemand die er wat van zegt.” Ze houdt er ook van om naar al die afgelegen gehuchten te rijden, “ ik wil daar geràken, ik wil daar de krant gaan brengen, want ik weet hoe belangrijk de krant is voor zo’n lezer.” Ze houdt ook van de nacht: “ Ik heb de weg voor mij alleen, er is niemand op straat, er is geen verkeer, zoals nu, er is alleen maar de sneeuw, en de heldere lucht en de sterren aan de hemel. 
Vannacht zal ze kranten gaan bezorgen in winkels, tankstations, hospitalen, postkantoren, en de gewone mailboxes van particulieren, en na die nacht zal er 250 mijl (= ca. 380 km) op de teller staan, it’s a long run, guys! 

 De lezers slapen, maar wij zien al het nieuws dat ze straks in de bus zullen vinden, het ligt in stapels aan onze voeten. Moordenaar Van Farmington-tiener Weldra Uit De Cel. De Thunder Bay Breekt Het Ijs Op De Kennebec-rivier en President Bush Krijgt De Belastingverlaging Erdoor In Het Parlement. 
1u3O Livermore Falls. 
Het is hier dat de wereldberoemde Wuifman John woont, ik heb erover gelezen in België, zijn verhaal en zijn foto hebben in alle kranten ter aarde gestaan. Jaar na jaar zat John Wilson (67) hier voor zijn deur en hij wuifde naar elke automobilist die voorbijreed. John zei dat God hem deze wuivende taak had toevertrouwd: “God wou dat ik gelukkig was en dat ik tegelijk ook anderen gelukkig maakte.” De ex-rodeo-cowboy stak per dag zo’n drieduizend keren zijn hand op en was zo’n vertrouwde figuur in het straatbeeld dat automobilisten onwennig werden als ze hem een dag niet zagen. Mireille denkt dat hij voor de winter gestorven is, he’s waving hands somewhere else now.
1u44 North Jay
. Mireille weet niet hoe weinig mensen er in North Jay wonen, ‘t is in elk geval een plaats van niks, you blink your eyes and it’s gone. In het tankstation van North Jay moet ze een pakje kranten dumpen, ze draait het raampje open, en baf, het pak tuimelt tussen de pompen. Of de kranten niet nat worden? Daarvoor is het te koud, zegt ze. 
1u57 Gould’s Filling Station, East Wilton. Hier wachten Joe en John, twee uitdragers van de Sun, die ieder hun stapel uit de laadbak halen en die de krant nog wat dieper het platteland inbrengen. Tot in Mexico, lacht Mireille. Mexico, Maine,  twééhonderd inwoners.

© Tim Dirven

Miss Toyota

2u04 Farmington. Met zijn 4200 inwoners is dit de grootste “stad” op onze ronde. Mireille moet op verschillende plaatsen stoppen, bij de Burger King (whoops! tegen de deur), bij de Wal-Mart (los door een halfopen venster) en in het Franklin Memorial Hospital waar de automaat morgen zes kranten zal verkopen.
2u26 Irving Big Stop, Farmington. Als het nacht is zijn er in Amerika duizenden tankstations open en dit is er één van. De koffie warmgehouden op een ijzeren plaatje, de koelkasten met cola en sixpacks ronkend tegen de muur, een trucker over een broodje cheeseburger gebogen, en een stel jonge gasten nog luidruchtig na het feestje waarvan ze zijn teruggekeerd. Brenda Duquette is pompuitbaatster en serveerster in het cafetaria, maar elke Hollywoodregisseur zal haar casten voor de rol van dikke Duitse kampbewaakster, de karwats pafpaf in de handpalm. Alsof ze mijn gedachten kan lezen, commandeert ze dat het haar laatste dag is in het tankstation, morgen wordt ze probatie-begeleidster in de gevangenis. En oproerkraaiers zijn nu al gewaarschuwd, zegt ze, met mij wordt niet gelachen. Ik zie de eerste opstandige bajesklant reeds geprangd tussen de bankvijs harer borsten, genade! Als ik een echte journalist ben, dan moet ik DIT opschrijven, commandeert ze. Voor me legt ze een kleurencopie van een vrouw in shorts die temidden van een pak omstaanders een Toyota Corolla van de grond heft. De vrouw is Brenda zelf en naast de gezichten van de verblufte omstaanders heeft ze tekstballonnetjes getekend, Wow, man, she did it! Wow, man, allright! Can’t believe it! Nice job! Waarom wou je die Toyota optillen, vraag ik. Omdat één of andere vent zei dat ik het NIET kon! That’s why!!

© Tim Dirven (ingescand uit Humo) Brenda, de meer dan kordate serveerster die ooit een Toyota van de grond tilde.

Tim wordt intussen uitvoerig geinterpelleerd door de jongelui, of hij helemaal uit Europa komt, of hij een echte fotograaf is, of hij beroemd is, of hij iets ziét in blote-tieten-fotografie, of hij misschien de boobies van één van de meiden hier wil fotograferen? En ze wijzen op Mia, negentien, het meisje met het kortste pulletje en met de uitdagende make-up die erbij hoort, valse wimpers, zilveren nagels, ze steekt d’r tong uit naar de anderen. Het heeft iets blij en droevig, die opgewondenheid en tegelijk die bleke schaapachtigheid van jongeren om drie uur in de nacht, de dwaze ogen van de drank, the party finally over. Alle willen ze in de “stad” Farmington, of zeker in Maine blijven wonen. En ze willen lerares en mecanicien en psychologe en computerprogrammeur worden. Alleen Mia wil weg. Maine is klote!, zegt ze. Het is een gat. Het is niks. Je kan hier alleen maar kinderen grootbrengen en kreeften vangen. Maar vandaag is het feest, zegt ze, vandaag is het zuipen. Thursday! Thirst day! 
Wat later schuiven ze hun stoelen weg, met hun zessen gaan ze de armen om de hals geslagen naar de auto en ze draaien de raampjes open om te wuiven en hard te gillen in het lege tankstation. Straks komt de morgen dat ze groot zijn, en volwassen, en dat het leven begint, een leven dat nooit meer zal zijn als deze nacht, dat alles leeg is, en alles jong is, en alles nog te beginnen is, en dat Farmington, het kleine Farmington een land was dat beloofde.                 

Nu begint het, wijst Mireille op de donkere weg. Eens we Farmington voorbij zijn komen we in Moose Country . En ze gaat ook effectief over de middenstreep van het asfalt rijden, als er een beest op de weg stapt, heeft ze vanuit die centerpositie een fractie meer tijd om naar links of rechts te zwenken. Van de andere chauffeurs heeft ze ook geleerd om nooit te claxonneren als een eland de weg verspert, zeker niet als het een mannetjes-eland is en zeker niet als het september is. In dat najaar is het immers paartijd, het burlen is dan begonnen, en een eland die een claxon hoort, ziet daarin een rivaal, “en hij zal op alles afstormen, of het nu een auto, een mobilhome of een vrachtwagen is.” Mireille kent een collega die één mijl in achteruit heeft gereden omdat hij getoeterd had naar een mannetjesdier. Met de grote lichten schijnt ze over de hoge sneeuwbermen, hier en daar zijn wel verswitte hoeven van herten te zien, maar van de beloofde elanden ontbreekt elk spoor. 
4u12 Madrid. There are not many people living in Madrid. Hier begint het echte bussen, het afleveren van de krant in de op paaltjes staande brievenbussen. Het is een vast maneuver, Mireille die haar auto schuin tegenop de sneeuwberm rijdt, handrem op, raampje open, en krant in de gele krantenkoker van de Sun Journal. Uitstappen is tijdverlies, en ze is ook bang voor elanden en beren die plots in de weg zullen staan.  Zoals bij Mrs Ellswort, die ging het wasgoed van de draad halen, en achter de handdoeken stonden twee elanden, ze zag de koppen niet eens, ze keek tegen de poten en de borst aan, zo groot waren die beesten.               

5u25 Stratton. Het is opnieuw beginnen sneeuwen, dunne vlokken die wegwaaien in de koplampen van de auto’s die bij de general store zijn geparkeerd en uit die auto’s komen mannen met geblokte  hemden die hun eerste koffie komen drinken. In afgelegen streken als deze zie je méér drukte tussen vier en zes uur ‘s morgens dan tussen acht en tien uur ‘s avonds. Dat komt door het werk. Wie hier werk heeft is of houthakker of vrachtwagenchauffeur, of mecanicien (om de trucks van houthakkers en vrachtwagenchauffeurs te repareren), en omdat het vroege beroepen zijn, is iedereen vroeg op, en is de winkel al van voor vijf uur open. In de “store” is alles te krijgen: video’s, overalls, laarzen, wenskaarten, borduurwerk, shampoo, glaswerk, deurmatten met Welcome erop, enveloppes, dobbelstenen, kodakfilmpjes, brood, suiker en jerrycans.  
Mireille zit al een uur achter op haar schema, maar ze doet geen moeite om die tijd in te halen. Liever laat ze Americana zien. Zoals het eethuis Mainely Yours. De zaak is een stapelhuis van Elvis-memorabilia. Foto’s, platenhoezen, ingelijste tickets, een glazen sneeuwbal die je kan schudden zodat het sneeuwt op The King, een telefoon met de tune van Jailhouse Rock, en een pendule waarvan de slinger de twistende heup van de zanger is. Het is mogelijk dat Elvis dood is, maar toch niet hier in Stratton.      

© Tim Dirven

 Als we het straatdorp uitrijden, begint het licht te worden. Een uur waarop de whitetail-herten gewacht hebben. Met stille tred komen ze uit de omliggende bossen om het graan te eten dat door bewoners in de achtertuin is gestrooid. Het zijn grote merels, op stijve poten staan ze in de sneeuw, de oren schichtig naar de weg gericht, we tellen elf herten in één tuin. 
Tussen zes en negen moet Mireille alleen nog mailboxen bevoorraden. Sommige huizen hebben zo’n dik ingesneeuwde oprit dat de brievenbus nog begraven is in de sneeuw. Die abonnees krijgen een krant in een plastic overtrek en die hoes zwiert ze vanuit het autoraampje in de richting van de voordeur. Mireille spreekt met liefde over de abonnees die hier  wonen, “als het slecht weer is, zoals die sneeuwstorm deze week, dan staan ze achter het raam te wuiven dat er koffie voor me staat. Maar soms ligt de sneeuw zo dik dat ik niet bij hun deur geraak. Dan nog zullen ze opstaan en op me wachten, en als ze me bij de oprit zien, dan steken ze even het keukenlampje aan, blij dat ze zijn dat ik er weer geraakt ben.“  

 Van Kingfield moet Mireille nu nog het hele stuk terug naar Lewiston, en het is middag als de 380 kilometers voorbij zijn, we zijn omzeggens door heel België gereden om een busje kranten te bezorgen. Op de redactie van de Sun Journal kunnen ze het niet geloven, geen énkele eland gezien?, van de hele nacht niet?, unbelievable! Iedereen is ontgoocheld, en het zal hier nog làng blijven rondgaan, dat ongelooflijke nieuws dat de Belgian guys niet één moose hebben gezien, nog straffer dan Dick die er op één nacht vijftien heeft gezien. 
Als we ‘s avonds in het motel door de zesendertig tv-kanalen zappen, blijven we haken bij The Weather Channel. Volgens de weerman is een nieuwe sneeuwstorm in de maak. Het zal van vannacht tot morgenmiddag sneeuwen, zo’n achttien tot dertig centimeter is op komst, en men verwacht ook windstoten van 60g kilometer en meer. Dat belooft.    

deel 2: de vliegende boswachter, het licht van Hopper en de zwarte sneeuw van Washington County
deel 3: de gewapende boerenmilitie, "wij zijn de Zapatistas!"

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

In het oog van de sneeuwstorm (Maine, usa) - (2) Het licht van Hopper en de zwarte sneeuw van Washington County.

© Tim Dirven

It’s still a blizzard out there, zegt de man van de hotellobby, en dat is niks teveel gezegd. De weg en de lucht zijn grijs van de vlokken, al rijdend tuimelen brokken sneeuw van de motorkap op de voorruit, en de wind zwiept zo hard dat de ruitenwissers geen grip meer hebben, we zien de weg nog amper, en dus moeten we wel stoppen bij het cafetaria en bij de heen en weer zwaaiende verkeerslichten. Tussen de donuts en de koffie meldt het lokale tv-station dat verschillende daken bezweken zijn onder het gewicht van de sneeuw en dat in Kingfield een vrachtwagen in een ravijn is gestort en in een dennenboom is blijven hangen.
We zijn in de staat Maine, anno de barre winter 2001.
(Humo maart 2001 © Jan Hertoghs)
Pas tegen de middag wil die tweede sneeuwstorm in drie dagen wat gaan liggen, en in de straten en tuinen rond Lewiston komt een brigade sneeuwruimers op gang. Alle mannelijke bewoners boven de twintig duwen een motorveger voor zich uit, het lijkt op gazon rijden in de zomer, met hetzelfde fanatisme wordt de sneeuw te lijf gegaan. In alle winkels hangen ook de telefoonnummers van freelance ruimers: u belt, wij vegen! Het zijn mannen met een eigen snow plow die tegen uurtarief de baantjes komen vrijmaken van wie niet uit zijn huis kan, no business like snowbusiness. Op het platteland zie je nog méér sneeuwploegen, daar heeft zeker de helft van de bewoners zijn eigen ruimer: meestal een ouwe pick up waarop een hydraulische sneeuwschop is gemonteerd. Een mens wordt niet graag van de buitenwereld afgesloten. 

De vliegende boswachter

De volgende dag is de storm uit de lucht geruimd, en hebben we een afspraak op het vliegveld van Waterfield. Charlie Later neemt zijn zonnebril af en steekt zijn hand uit, nice to meet you. Hij heeft het voorkomen van een astronaut uit de jaren zestig, zo gesneden zit hij in zijn uniform, zo kort zijn de haren geschoren en zo lichtblauw zijn de ogen in zijn bleke gezicht.  Charlie is één van hun drie vliegende boswachters van het Maine Department of Inland Fisheries and Wildlife.
We stappen in de roodwitte Cessna-185, gespen de gordel om, en een minuut later klimmen we de lucht in, zonder toestemming van een controletoren, er is zo weinig luchtverkeer dat de piloten hier op het zicht mogen opstijgen en landen. We vliegen op 250 meter, de meren bevroren onder de sneeuw, de boerderijen klein en donker tussen de uitgestrekte witte velden.
In de zomer vliegt Charlie alle soorten van patrouilles (vis uitzetten, wildstand observeren, verdwaalden opsporen) maar in de winter moet hij vooral controleren dat er niet gestroopt wordt. Vanop de grond zijn de natuurgebieden van Maine onmogelijk te controleren, ze zijn té uitgestrekt. Maine heeft een oppervlakte van 53.000 vierkante kilometer (=driemaal de omvang van België) en 89 % van die oppervlakte is bedekt met naaldbossen en loofwouden. Er zijn ook tweeduizend eilanden voor de kust en op het vasteland kabbelen 51.000 kilometer rivieren en riviertjes. Een grote lap natuur waarvan Charlie vandaag een zakdoek zal controleren.        
Charlie stuurt zijn Cessna lager en vliegt met een wijde bocht op een bevroren meer aan, de ski’s onder het toestel raken de sneeuwlaag, eerst glijden ze nog, dan ploegen ze er zo diep in dat we stilstaan. De motor slaat af, het meer wordt nog stiller dan het al was. Er is buiten niet het minste geluid, er is alleen maar wit zover we kunnen zien. 
We zetten tien stappen in de kilometers ongerepte sneeuw en kunnen ons voorstellen dat mensen naar hier komen om ver weg te zijn van de consumptiemaatschappij en om te leven in eenheid-met-de-natuur. Die mensen zijn er, zegt Charlie. Tot de jaren zestig had je hier nogal wat verstokte kluizenaars. Oudere kerels die je zelden of nooit in het dorp zag en die koppig leefden van de herten die ze schoten en van de bevers die ze uit hun vallen haalden. Maar toen de markt van de vellen en de pelzen in elkaar stortte, was het voor hen gedaan. En dan zijn de sixties en de hippies gekomen, en ook de laatste jaren is er weer een revival van het terug-naar-de-natuur. Maar allemaal knappen ze af op de winter, allemaal krijgen ze het zo verdomde koud en nat in het bos dat ze dat eenzame bestaan opgeven. Het zijn romantics, schampert Charlie, ze denken dat de natuur hun vriend is, maar dat is een dwaas idee, iets dat je in je kop steekt in de zomer, maar iets waarvan je kapotte tenen en vingers krijgt als het een hele maand min dertig is.

© Tim Dirven Charlie: “De hippies en de romantics houden het hier niet uit in de winter.”

 En dat Charlie altijd geweten heeft dat hij wilde vliegen. “Ik heb van kleinsaf piloot willen worden. Het zit in mijn bloed. Mijn vader was de éérste boswachter in Maine die met een vliegtuig mocht patrouilleren en hij nam ons al heel vroeg mee." "Als ik drie dagen aan de grond ben, weet ik met mezelf geen blijf. Ik moet de lucht in.  Op de grond is het alsof de mensen vast zitten aan hun zorgen en hun problemen, ze zijn zo gefixeerd. In de lucht is het alsof je van alles loskomt, er is meer ruimte, het leven ziet er heel anders uit from up there. “   
We kijken nog een keer om, het meer blijft achter zoals we gekomen zijn, niets beweegt en niets verroert, en dan hobbelen de ski’s sneller en sneller door de meter sneeuw tot de pulver ze loslaat. We waren op dertig kilometer van de Canadese grens maar nu buigt Charlie af naar het oosten, naar Embden Pond, om ijsvissers op hun vergunning te controleren.
Jagen en vlees hebben, vissen en vis hebben, het betekent hier nog veel, het hoort bij de way of life. In Maine wonen 1,2 miljoen mensen en tweehonderdduizend onder hen hebben een jachtvergunning om één en ander neer te leggen uit de populatie van dertigduizend elanden, drieëntwintigduizend beren en meer dan driehonderdduizend herten.
Met al die jagers is het geen wonder dat Charlie al eens verdwaalde jagers moet traceren. Meestal komt die oproep tegen de avond, “ze zijn de hele dag op pad geweest, en op de afgesproken plaats komt één man niet opdagen”. Charlie kan ‘s nachts met het vliegtuig op zoek gaan, zijn vlieghelm heeft night vision, maar dat nachtvliegen doet hij alleen als de verdwaalde mens lucifers of een zaklamp bij zich heeft. Het minste lichtpuntje ziet hij vanop vijf kilometer, een aangestoken vuur is twaalf tot vijftien kilometer te zien. Zijn ‘night vision’ helpt hem ook bij het traceren van stropers, “die doven hun koplampen natuurlijk, maar als ze hun koffer of deuren openen, zal ik dat prutslichtje toch vanop duizend meter hoogte zien”. 
Ook kinderen verdwalen in de diepe bossen, Charlie heeft al naar twee-driejarigen moeten zoeken die vijf minuten weg waren van de hand van hun ouders en die toch door het woud leken opgeslokt, “ meestal vinden we die kids binnen de twaalf uur, de ouders en grootouders zijn intussen zowat gek van de angst, maar zo’n kleuter is dat niet, die is vaak alleen maar moe van het lange opblijven, die is zich niet bewust van waar het overal had kunnen intuimelen.” 
We stijgen opnieuw op, de vissers worden klein, krasselende kevers op het ijs, en dan vliegen we weer naar de basis. Charlie wijst de rivier die niet bevroren is, het water een zwarte stroom tussen de oevers van sneeuw. Daar zitten visarenden en bald eagles, zegt hij, en dat er niks mooier is dan zo’n adelaar die drijvend op de thermiek naast je toestel komt vliegen, wingtip to wingtip, a brotherhood in the air.
We nemen afscheid en rijden die dag nog een heel stuk door de besneeuwde Appalachen. Er zijn wegwijzers naar Manchester, Athens, Rome, Belgrade, Vienna en China, voorwaar, de wereld is klein in de Verenigde Staten van Amerika.
In Pitsfield valt de avond, de zon schuift met lange schaduwen over de sporen en het oude seinhuis. Het is licht dat door Edward Hopper zelf is geschilderd. Goud valt op de trappen en veranda’s van de houten huizen, en een meisje steekt de sporen over, en lacht naar ons, als om te zeggen, vraag me iets, zeg me iets, zeg dan toch iets, en het is het mooiste meisje van Pitsfield waartegen we niets kunnen uitbrengen. Oh Pitsfield, het licht van Pitsfield, waar het nu donker is en waar het meisje woont dat we nooit meer zullen zien. 

© Tim Dirven

 In Gardiner staan er vijftig auto’s en pick ups bij de kade geparkeerd. Allemaal spieringvissers die op het ijs van de  Kennebec-rivier hun barakjes hebben gebouwd. Het zijn tot vijftig hutjes naast elkaar, met een potkacheltje en een paar klapstoelen erin. DE hengellijnen verdwijnen via een groot gat in het ijs, en zo hengelen de vissers grote emmers spiering uit de Kennebec, er staan in elk geval grote emmers klààr. Fish at own risk staat er, en dat is geen lichte waarschuwing. Hier doen verhalen de ronde van hutjes die met het kachelvuur in de fik zijn geschoten, en van zatte vissers die in een ijsgat zijn getuimeld, onder het ijs door de stroming zijn meegesleurd, en tot hun geluk tien hutjes verder door andere vissers zijn “opgehaald”. De straat bewéégt ook. Om de zes uur is er vloed of eb op de rivier, en dan rijst of daalt de ijsvloer mét de huisjes erop, telkens zo’n tweeënhalve meter omhoog of omlaag. Jimmy is geen centimeter ongerust, die getijden zijn van alle tijden, en zijn voorvaderen zijn nooit door het water verzwolgen.
We moeten een kop koffie komen drinken in de snack shack. Een oergezellig hok met een vloer die nat is van de laarzen, uien en vlees sissen in de pan, condens druipt van de ramen, bezoekers leunen tegen elke kast en tafel die er staat, en dat we zeker ook de foto’s moeten bekijken van de jonge Nicolas die op zijn twaalfde een eland van 405 kg heeft geschoten. Veel moeite heeft ie niet gedaan om het dier te bejagen, het liep gewoon over de weg in het bos, en pàng, we hadden ‘m! De weg naar stoofvlees kan kort zijn.                   

© Tim Dirven De barakjes van de spieringvissers op de Kennebec-rivier.

We rijden op Route One, de highway die als een ruggengraat langs de oostkust loopt, helemaal vanuit Key West in Florida naar Fort Kent bij de grens met Canada, veertien staten doorkruist de Route, en zijn asfalt is 3800 kilometer lang. In Maine is Route One een echte kustweg, links ligt de sneeuw, rechts de Atlantische Oceaan. We zijn op weg naar Washington County, the Sunrise Coast, in dat hoge oosten van Maine zien ze het eerste zonlicht van de VS. Maar er is geen zon, er is alleen maar sneeuw die overgaat in regen, een grijze oceaan onder de wolken, een stroom van water over de weg, de ruitenwissers verzuipen erin. Vorst en sneeuwruimers hebben het wegdek ook aangevreten, grind spat uit de putten in het asfalt en alles is ruw en zonder erbarmen, een trucker staat bij zijn defecte truck, een jekker boven het hoofd gehouden, een donkere gedachte bij de kant van de weg.  
Maine is één van de armere staten van de VS, en binnen Maine is Washington County de meest achtergebleven provincie met het laagste inkomen en de hoogste werkloosheid. Elke industrie die er vroeger was, verschaft nu geen werk meer. De kleine papier- en textielfabriekjes in de one factory towns hebben de deuren gesloten en ook de grotere bosbouw, scheepsbouw, en landbouw is al lang op zijn retour omdat er elders in de VS en in de wereld goedkopere arbeidsvoorwaarden zijn. Omdat die traditionele industrieën weinig hooggeschoolde werkkrachten vroegen, wonen er veel laaggeschoolde werklozen in Washington County. 21% van de gezinnen leven onder de armoedegrens. 

© Tim Dirven

Cherryfield heeft zijn oude glorie nog enigszins weten te bewaren. Op de oevers van de rivier staan nog de imposante residenties van de houtbaronnen uit de 19de eeuw. Die gouden eeuw is uitgebloeid na de eerste wereldoorlog, en nu is er in Cherryfield alleen nog plaats voor de grootschalige winning van bosbessen, in de zomer zien de velden eruit als “blauwe oceanen”, het is een beperkte industrie die alleen maar seizoenarbeid verschaft. Onze dochter doet het ook, zeggen Rick en Arlene Santerre. Zij meldt zich elk jaar en dan loopt ze wekenlang kromgebogen om de bessen van de rijpe struiken te rakelen. De rest van het jaar volgt ze cursussen om werk te vinden, of knutselt ze souvenirs voor de toeristen.
Rick is de garagist van Cherryfield. Hij heeft er de vuile handen en de rouwnagels voor, en een erf vol schroot. Rick ligt overhoop met zijn overbuur, een rentenier uit Maryland. Die heeft het huis aan de overkant gekocht en er een Bed & Breakfast van gemaakt, “Hij woont hier nog maar een paar jaar, en dan nog niet eens in de winter, maar hij denkt wel dat hij àlles te zeggen heeft omdat hij geld heeft. Hij zegt dat het niet kan, een garage in een woonkern. Waar hij woont, zegt hij, zou het gemeentebestuur zo’n garage allang naar de rand van het dorp hebben gedwongen. Dan ga jij maar terug vanwaar je gekomen bent, heb ik gezegd, en dat dikke nekken verboden zijn in deze bebouwde kom!”                
Arlene vindt het spijtig. Mensen zouden mekaar graag moeten zien, en zijzelf is trots, hun huis is ook waardevol, hun huis is  tweehonderd jaar oud. En ze laat alle kamers zien, het is doodbrave armemensen-antiek, de duurste spullen zijn twee deftige kachels met krullen aan de poten, maar ze houden van dat huis, het is hùn plek, hùn eigendom. 
Zoon Sean laat foto’s zien. Hij heeft een Chevy Monstertrack, zo’n beest op hoge wielen, hij rijdt ermee in de stoet van de fourth of July, en kijk, hier rij ik bovenop een autowrak, je rijdt erop langs de motorkap, en als je op het dak staat, dan kraakt dat wrak door zijn assen. Just playing, zegt hij, en dat die snob van hierover er ook al niet tegen kan, die wil dat het hier ‘s zondags stil is, die belt de politie, terwijl niemand van de buren of van het dorp zich stoort aan mij, die komen zién als ik aan het karren ben.  Rick windt zich op: “Laatst kloeg die vent wéér, hij zat in zijn schommelbank in de tuin, en hij zei dat hij niet kon mediteren, de rommel van onze garage stoorde hem. ”

Ik hoor het overal, in Europa, Amerika, steeds diezelfde conflicten tussen het dorp en de nieuwe inwijkelingen uit de stadsgebieden. Rick denkt dat de negentiende eeuw terug is, “het is weer arm tegen rijk. Zij hebben het geld, en wij hebben het niet, en dus denken zij dat ze ons kunnen commanderen!” Het is stil in huis, de koffie is gedronken, de klok tikt naast de kast met de geweren en de vlag van hun land. Of Arlene wil plaatsnemen op de knie van Rick, vraagt Tim, het is voor een foto. Dat is lang geleden, lacht ze, en dan pakken ze mekaar stevig vast, werkmanshandenromantiek, aandoenlijk om zien. We live in the hardest part of the country, glimlacht Rick, but we survive!                    

© Tim Dirven Rick en Arlene.

Jonesport is een fishing community. In alle tuinen staan de boten van de vissers, ze worden in de winter op het droge getrokken, tussen balken gestut, en soms in een plastic hoes gestopt. Het is vreemd als Christo, die ingepakte boten tussen de stapels sneeuw en de hoge sparren achter het huis. De landschappen bij de oceaan zijn overweldigend, er komen zonnestralen en meeuwen uit, en de sneeuw in de baaien maakt het water nog blauwer, maar nu het winter is, vaart niemand uit, het zeewater slaat hard op de keien.
Ook in Jonesport zijn er de conflicten met de import van rijkelui. Eén familie had een dure advokaat en een proces ingespannen omdat hun uitzicht op de baai werd ontsierd door de aluminium-trailer van een dorpsbewoner. En dat de gemeente die man moest verplichten om een houten bungalow te bouwen in plaats van die lelijke ijzerbak. Dat de grond al tweehonderd jaar aan die ene familie toebehoorde en dat de man alleen maar die trailer bezat, was hùn zorg niet. Dezelfde familie had zich eerder al onmogelijk gemaakt door te eisen dat de vissers in de zomer niet meer bij zonsopgang zouden mogen uitvaren maar pas nà zeven uur ‘s morgens, de rust van de familie werd teveel verstoord door het motorengeronk. Sommige lui verdienen geld, maar ook een lap om de oren.                     

Lubec ligt op het alleroostelijkste puntje van de Verenigde Staten. Nergens staan ook zo’n lege huizen als hier. Met de bewoners is de verf van de gevel verdwenen, binnen valt gruis uit de vensterkozijnen, het ruikt naar vocht en muizen die nesten maken in een matras, ook wasberen en stekelvarkens hebben al geknaagd aan kasten en tafels, ze komen en gaan door een gat in de vloer. Vroeger was Lubec welvarend. Het had haringvissers en er waren de fabriekjes om sardines in te blikken. Ieders job mocht slecht gaan, er was nog altijd de sardinefabriek. Tot de opkomst van de factory ships, die vangen de sardines en verpakken ze diepvries aan boord. Op slag had Lubec afgedaan. 
Lubec is er nu nog voor overlevers als Harvard Shaw. Harvard woont in een afgedankte boot die op het land staat (“ik ben één van de beste stuurlui aan de wal!”) en naast die boot heeft hij een Easyrider neergepoot, een complete chopper met lange vork én gescheurde Amerikaanse vlag. Het is geen motor, het is een assemblage uit afgedankt landbouwalaam, zeisen, stangen, en spaken die aan alle kanten roesten. Harvard is een Vietnam-veteraan uit Massachusetts, na zijn tour of duty is hij een jaar gaan zeilen, en nadien naar Lubec gereisd om er een opleiding te volgen in de scheepsbouwschool. Die school is intussen weg, maar Harvard is gebleven. Omdat Canada dichtbij is, en de supermarkten daar goedkoop zijn. Zijn maat Mike (ook een Vietnam-veteraan) komt op bezoek (“waw, man, drie bezoekers op één dag, is het Kerstmis of zo?!”)

© Tim Dirven Harvard en Mike, Vietnam-veteranen.

En dan mag het er nog wat hout op de kachel, een merkwaardige stoof die hij Mijn Oorlogsslachtoffer Van Irak noemt omdat ze een “warm lichaam heeft en omdat er één poot van ontbreekt”. Die tweede poot heeft hij “moeten amputeren na een precisiebombardement van Onze Vrienden De Amerikaanse Imperialisten!” En zo komen we toch weer op Vietnam, en dat er voor hem maar één film is die echt vertelt hoe het eraan toeging, Dear America - Letters from Home. Ik ken die documentaire met zijn aangrijpende soldatenbrieven, het openingsbeeld zijn landende helicopters op de song Fortunate Son van Creedence Clearwater Revival. Hou je van Creedence, vraagt Harvard. Dan moet dit toeval zijn, jongen. Ik koop bijna nooit cassettes, maar uitgerekend vandaag heb ik in de supermarkt een cassette van CCR gekocht, hier is ze, ze is van jou, fortunate son! 

Father Nature 
Onderweg hadden we wel eens schamper te horen gekregen, Washington County, daar zijn ze of zat of zot van bij de geboorte; ze leven er alleen nog van de visvangst en de inteelt - maar bij nader inzien is de hartelijkheid nergens zo groot als in deze parochie van de miserie met zijn 35.OOO zielen. Eén zo'n gekwetste ziel is Warren S. Corbett. Hij spreekt ons aan bij de pier van het dorp Cutler, jullie staan zeker te kijken naar de zee, jongens, ik ben heel mijn leven op zee geweest, heb over heel de wereld gezeten, als marinier, heb ook in België gezeten, en in Vietnam, heb ik de napalm in de huizen zien branden, de mensen maken mekaar kapot, jongens, kom naar mijn hut, ginder boven bij het bos.
Daar aangekomen zegt hij: treed binnen in mijn koninkrijk! Jaja, hier liggen twee dooie herten, hun vellen heb ik nodig, en die  dooie coyote daar, zijn pels gebruik ik ook. En nu ga ik jullie opnemen in de Heilige Broederschap van de Koukleumen Onder het Grote Gesternte van de Noordpool. God heeft mij gezegd dat ik iedere mens in deze Broederschap moet brengen, ik moet vrede op de wereld brengen, jongens. Ik ga dit heel plechtig doen, in naam van al de rendieren, de ijsberen en de ijsbergen, de poolsterren en de sneeuwsterren, de poolvossen en de walvissen, de myriaden sneeuwvlokken en de blizzards, het pakijs en het driftijs, het heilige noorderlicht, en al wat leeft op het opperste van de wereld, verklaar ik u, Jan en Tim, lid van de heilige Broederschap der Koukleumen, wees gezegend, God bless you, vrienden, de vrede zij met u."

© Tim Dirven Father Nature

En zo staan we in die stacaravan van de man die zichzelf a true survivor noemt, de enige in het hele dorp die nog kan overleven van de jacht en de visvangst. Hij maakt blokhutten zoals de pioniers het deden, en boomhutten, en vishutten, en iglo’s. Hij kent alle dieren, bomen en planten bij naam en bij smaak. Schorsen, bessen en ingewanden, hij heeft ze alle gegeten, “zeg in België dat je Father Nature hebt ontmoet. Ik ben de enige goeie Vader Natuur, ik heb respect voor de dieren en de planten, ik maak ze dood, maar alleen om op te eten. Dat heeft de Grote Vader in de hemel zo gewild. Maar mensen maken mensen kapot, voor het geld. Iedereen wil miljardair zijn, iedereen wil bezit hebben. Waarom willen de mensen geen liefde bezitten, waarom staat er geen liefde op de rekening van hun bank? Ik heb niks, alleen mijn pensioen, maar in het dorp willen ze mijn vel, zie je dat kogelgat daar in het raam, ze hebben op mij geschoten, ik weet wie het is, ik zat in mijn boomhut en ik heb de smeerlap gezien. Ik ben de laatste van de Mohikanen, jongens, ik leef zoals de indianen en daarom willen ze mij kapot.” 

© Tim Dirven


Hij zal nu voor ons op zijn elektrische gitaar gaan spelen, hij zet de country-radiozender harder en dan speelt hij mee, in die muziek kan hij al “zijn gekwetste gevoelens leggen”, de versterker zet hij tussen de  pannen op het fornuis, het vet van de kouwe worsten leunt tegen de volumeknop. En het houdt niet op, we moeten alles zien wat er op zijn schapraaien staat, alles wat er op tafel en in alle dozen ligt, de honderden foto’s van sneeuwwegen genomen vanachter het stuur, de hertenpoot als presse-papier, de in bruut hout geknutselde Chinook-helicopters aan het plafond, met echte kogels als raketten, “jullie mogen alles zien, want jullie zijn mijn vrienden, ik wil dat alle mensen vrienden worden en vrede vinden, ik moet ze daarbij helpen, ik ben Gods helper, wit, zwart, rood, geel, blauw, of groen, allemaal moeten we broeders worden, er is teveel geld en te weinig liefde op deze wereld, it’s all money and no love! “ En hij loopt buiten en in het duister boven het dorp  schreeuwt hij: “ Geldschrapers! Waar is jullie liefde!?” Uit de verre huizen blaft alleen een hond terug.
In Cutler woont een mens met wereldverdriet.


Deel 1: in het spoor van de sneeuwruimers en de krantenbezorgers van de ingesneeuwde abonnees
deel 3: de gewapende boerenmilitie, "wij zijn de Zapatistas!"

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

In het oog van de sneeuwstorm (Maine, vs) (3): de gewapende boerenmilitie

© Tim Dirven

De ‘ongeregelde’ vleugel van de 2nd Maine Militia: “Wij zijn de Zapatistas van Maine!”

Het dorp was al afgelegen, het bos waar we onze weg zoeken is dat nog meer. Tot we een bordje zien met onze namen, dààr moeten we afslaan tussen het dichte geboomte. En het moet wel een schrijfster zijn die hier woont, want op elke boom hangt een vel tekst, Pas Op Voor Vallende Rotsen! - De Weg Is Niet Geruimd Omdat Onze Sneeuwruimer Kapot Is, Sorry! - Maximum 3,5 mijl Per Uur Er Lopen Hondjes! En dan staat schrijfster Carolyn Chute (53) in de deur van haar grote blokhut. En zo begint de vijf uur durende audiëntie bij de pasionaria van de 2nd Maine Militia.     
(Humo maart 2001 © Jan Hertoghs )

Binnenshuis maken we kennis met haar man Michael (46)en met hun twee hondenDie lopen wat ouwelijk en behoedzaam door het volgestouwde interieur, bij elke kast kunnen ze door een lawine boeken en papieren bedolven worden, en verder is er een parcours van kratten, schoendozen, en bokaaltjes, alles wordt hier bewaard, of van de ene stoel op de andere gelegd, zoals de kleren die nog moeten versteld worden. Er hangen ook gedroogde bloemen, quilts en een koekoeksklok aan de muur, wat nogal botst met de koelkast die krom staat van de stickers en de politieke cartoons, en met de twee  geweren op het rek. Oma heeft niet alleen bakpoeder in huis.
Bij het woord militie denkt men nogal gauw aan extreemrechtse milities.
Carolyn: «Zo denkt men in de grote steden en in de media. Zij ergeren zich aan de milities op het platteland, ze denken dat wij simpelweg meelopers zijn van de wapenlobby. Wat meteen bewijst dat ze niks weten over het ontstaan van de milities. Bijna alle milities op het platteland zijn ontstaan in de rampzalige jaren tachtig. In die Reagan-jaren zijn honderdduizenden Amerikaanse boeren op de fles gegaan, tientallen boeren hebben zich voor de kop geschoten, en toén zijn op het platteland heel wat boerenmilities ontstaan. Hun eerste doel was boeren bijeenbrengen zodat ze mekaar konden zien en moed inspreken en ervoor konden zorgen dat niemand zich nog van het leven beroofde. Milities zijn niet zomaar schietclubs van boerenhufters. Het zijn verenigingen van mensen die vaak niks meer hebben, die alleen mekaar nog hebben, en die in zo’n groep hun waardigheid en hun zelfrespect terugvinden.
Elke militie is ook anders. Wij zijn tamelijk progressief, terwijl de milities in de Midwest vaak ultra-rechts zijn: anti-regering, pro-wapenlobby en dan nog racistisch op de koop toe.
Ik las dat je een wapen moét hebben als je lid wil worden van de 2nd Maine Militia. Jouw criterium om zeker boerenmensen bijeen te krijgen en niet het “zoveelste zootje progressieve bourgeois”. 
Carolyn: «(schaterend) Niemand moét een wapen hebben om lid te zijn. Wij hebben ook veel niet-wapendragende medestanders. In feite hebben wij drie vleugels. Een linkervleugel: daarin zitten de ecologisten, anarchisten, en anti-globalisten, dat is onze actiefste en ook meest politieke vleugel, die vergadert elke maand, die leden moeten niks van wapens hebben, die zweren bij betogingen, pamfletten en stapels politieke lectuur. En dan heb je de rechtervleugel, dat is zowat onze ‘militaire’ vleugel, die hebben wapens thuis, die verdedigen heel sterk het wapenbezit, maar die zijn niet zo actief, die vergaderen slechts een paar keer per jaar. In die vleugel vind je vooral de gewone mensen van het platteland, de boeren, houthakkers, loodgieters en truckchauffeurs. En dan is er de derde vleugel, de no-wing, dat is een kleine groep van ‘vrijdenkers’ die zowel de vergaderingen van de linker- als de rechtervleugel bijwoont. Michael en ik zijn no-wing." 
«De linker- en de rechtervleugel zijn even groot, die tellen ieder zo’n tweehonderd leden, de no-wing is de kleinste vleugel met vijftien leden. Apropos, bij onze leden zijn zowel mannen, vrouwen als kinderen. En wij zijn de baas van die ongeregelde troep (lachend), this is headquarters, guys!       
Als de rechtervleugel vergadert, wordt er met wapens getraind?
Michael: « Dan wordt er vergaderd én gegeten én bluegrass gespeeld én ook geschoten, ja. We zetten wat blikken busjes op een plank, of we hangen een doelwit tegen een boom, en na het schieten pràten we over de nieuwe spullen die op de markt zijn en waar je ze zoal goedkoop kan kopen. De gewone babbel van sportschutters onder elkaar.
Carolyn: « Maar de meeste tijd stoppen we in vergaderen en  het praten met mekaar. En meestal gaat het erover hoe de mensen hier de eindjes aan elkaar moeten knopen. Er is armoe in Maine en er is armoe op het Amerikaanse platteland. Een kwart van de inwoners van Maine leeft onder de armoedegrens! 27% van alle kinderen op het Amerikaanse platteland gaat ‘s avonds met honger naar bed! En dat noemen ze een welvaartsstaat! Mijn dochter combineert vijf part time-jobs om aan één volwaardig inkomen te geraken en bij geen enkele werkgever krijgt ze iets van sociale zekerheid of gezondheidszorg. Eén van haar jobs is opdienen in een restaurant, daarvoor krijgt ze twee dollar (88 fr) per uur! En de rest moet ze goedmaken met fooien. Die ze amper krijgt, dat restaurant is een self service-buffet. It’s so depressing. De mensen kunnen met al die parttime jobs hun huur en hun eten betalen, maar daar houdt het vaak bij op. Elektriciteit en telefoon zijn er tot ze worden afgesloten, en er wordt met kleren in huis gelopen omdat de kosten van de verwarming niet te betalen zijn. Werkmensen in Amerika leven werkelijk met de daver op hun lijf, ze kunnen nog net overleven, maar er mag hen medisch niks overkomen of ze tuimelen in een put vol schulden! Een tandvulling kost hier bij de vijfhonderd dollar, dus wat doen de mensen, ze maken een touwtje aan de klink en ze sleuren die tand eruit, much cheaper, maar je moet de mensen hun gebitten zien als ze zestig zijn. 
Zelf heb ik een kind verloren omdat ik het geld niet had om het in een materniteit te laten geboren worden. De materniteit weigerde ons gewoon op te nemen! Dat is toch om wanhopig van te worden. Vijftien jaar geleden had ik een huidkanker, die heb ik kunnen laten verwijderen omdat mijn eerste boek (The Beans of Egypt, Maine ) toen een succes was. Maar nu heb ik een gezwel op de knie en om dat weg te halen, heb ik het geld niet. Ik heb er al over zitten denken om het aan de veearts te vragen of hij het niet wil wegsnijden, dat zou in elk geval goedkoper zijn (lacht weifelend). Op dit moment zitten we ook bijna zonder eten, en ik heb er al over zitten denken om de muizen te vangen die hier overal rondlopen, er zijn er genoeg om op te eten
Ik zie jachtwapens. Jullie zouden kunnen jagen. 
Carolyn: « Ja, maar we hebben er eh…moeite mee om dieren dood te schieten, we zijn teveel dierenliefhebber daarvoor.
Michael: « Ik heb in mijn leven nog maar één hert geschoten. Maar nu is het gebrek aan eten wel zo groot dat ik opnieuw wil jagen, maar ik kan niet omdat ik geen jachtvergunning heb, ik kon ze niet betalen dit jaar. En stropen durf ik niet. Als ze je betrappen, kunnen ze je wapens en je auto in beslag nemen. De boswachters weten dat het hier een arme streek is en dat mensen soms gedwongen worden te stropen. Maar ze hebben weinig meelij. Ze zetten namaakherten langs een weg in het bos en als je daarop durft te mikken, dan vatten ze je in de kraag.”
We zijn onderweg niet alleen armoede maar ook nogal wat wrok en rancune tegengekomen “tegen de rijke luizen uit Boston en New York”.
Carolyn: « Het platteland wordt al lang aan zijn lot  overgelaten, maar de laatste jaren blijkt het ineens toch weer waarde te hebben. Als immobiliënsector voor de rijken of als recreatiegebied voor het toerisme. Ineens kunnen de huizen waar de boeren aan het verkommeren zijn tweede residenties worden, en ineens kunnen de bossen die een karig loon opbrengen voor de houthakkers een bestemming krijgen als natuurpark! Dat is de vooruitgang, sinds enkele jaren zien wij het geld met laarzen aan door de bossen gaan (lacht)! Maar hoe denk je dat die boeren en die houthakkers zich voelen? Zij kunnen amper bestaan op dat land en nu blijkt dat anderen toch rijk kunnen worden met dat arme platteland!! Is het dan te verwonderen dat die mensen razend zijn op die rijkelui?! Honderd jaar hebben hun ouders en voorouders geprobeerd om met hard werken een fatsoenlijk bestaan op te bouwen, dat is nooit echt gelukt, en nu moeten ze toezien hoe buitenstaanders zonder veel moeite daar een dikbelegde boterham aan verdienen. Het is een slag in hun gezicht!”             

© Tim Dirven Michael: “Wij weten niet of het ooit tot een boerenopstand komt . Als het ooit zover komt, dan gaan we ons verdedigen. En op dat moment moet je die wapens natuurlijk niet meer gaan kopen. Je moet ze hébben en je moet ermee geoefend hebben. Je moet klààr zijn. “

Met de militie nemen jullie het op voor boeren en houthakkers, maar schrik je potentiële medestanders  niet af door je groep een militie te noemen en door een gewapende vleugel te hebben? 

Carolyn: « Sommigen blijven daardoor weg, ja. Maar wij denken er niet aan om de wapens op te geven. Wapens horen bij het platteland, en dus horen ze ook bij een plattelandsmilitie.”
Michael; « Maar die wapens zijn wel de reden waarom we niet populair zijn in de steden en in de media. Want die leunen allemaal aan bij de middle class en de middle class is onvoorwaardelijk tegen wapenbezit.”
Carolyn: « De progressievelingen in de steden wensen een draconisch verbod op wapens, want -zeggen ze- wapens maken de maatschappij kapot. Maar verrek, negen op de tien gezinnen in Maine hebben geweren of pistolen in huis, hebben al honderd jaar wapens in huis, en toch hebben wij hier in Maine een normale maatschappij, de mensen schieten mekaar niet af, en er is hier één van de laagste crime rates van de VS! “
Michael: « En zo staat die boerensukkel weeral met zijn rug tegen de muur. Eerst hebben ze zijn werkgelegenheid afgenomen, dan zijn vrije toegang tot het viswater en de bossen, en nu gaan ze ook zijn laatste restje autonomie afnemen, zijn wapens.”
Carolyn:” Wapens worden hier gezien als sport, maar ook als een vorm van zelfbeschikking. Je hebt ze in huis om te jagen maar ook als laatste redmiddel als je je bedreigd weet. Zo is het al meer dan honderd jaar. Maar niemand begrijpt dat in de steden. De mensen in de steden hebben elke voeling met het platteland verloren. Ze zien die wapens alleen maar als “gevaarlijk” en wij zijn dan de “achterlijke boeren” die dat niet willen inzien. Ik zal je dit zeggen, vroeger hadden ze in de stad een hekel aan de mensen van de buiten, maar door heel die wapendiscussie is die hekel overgegaan in haat. Ze haten ons echt in de steden, it’s plain hate against the rural folks.

Zapatistas
Tegen wie of wat zou jullie militie de wapens opnemen?
Carolyn:” Het is niet omdat we die wapens hebben, dat we ze ook gaan gebruiken. We zijn een politieke beweging, we organiseren meetings, we nemen deel aan de verkiezingen om meer bekendheid te krijgen, we doen al eens een bezetting van een regeringsgebouw om onze eisen kracht bij te zetten. Maar dat is praten, protesteren, en discussiëren, daar komen geen wapens bij te pas. Je gaat je wapens dus alleen maar gebruiken als praten niet meer helpt. “
Michael:”« Wij weten niet wat de staat met ons voorheeft. Wij weten niet of het ooit tot een boerenopstand komt die zij dan de kop willen indrukken. Maar als het ooit zover komt, dan gaan we ons verdedigen. En op dat moment moet je die wapens natuurlijk niet meer gaan kopen. Je moet ze hébben en je moet ermee geoefend hebben. Je moet klààr zijn. Niet gewapend zijn is onnozel in onze ogen.
Zouden jullie zover gaan om no-go areas te creëren op het platteland?
Carolyn: « Jazeker. Precies zoals de Mexicaanse Zapatistas van subcommandante Marcos vrije zones hebben gecreëerd. Wij hebben heel veel sympathie voor de Zapatistas en in feite zien wij onszelf als de Zapatistas van Maine. De Mexicaanse Zapatistas staan sterk in de achtergestelde gebieden, zij zijn een spreekbuis van de Indianen aldaar, en met de 2nd Maine Militia willen wij hier ook een spreekbuis zijn van de achtergestelde plattelandsbevolking. De Zapatistas denken ook niet lokaal, zij linken hun strijd aan de strijd van de landloze boeren in Brazilië en aan alle groepen die strijden tegen de globalisering, en zo denken wij er ook over. 
Kan je met de conservatieven in je rechtervleugel over die linkse Zapatistas spreken?
Carolyn: « Ik moet toegeven dat ik soms met gespleten tong spreek. Tegen onze linkervleugel kan ik over de Zapatistas spreken, met hen heb ik het ook over het neo-liberalisme, de grote multinationals, en de mastodontscholen. Bij de boeren van de rechtervleugel heb ik een enigszins ander discours .Omdat die multinationals molochen zijn die de economie én het beleid van de overheid dirigeren, heb ik het over commie schools en commie corporates, communisten-scholen en communistenbedrijven. Zo verstaan die boeren mij, want communisme is groot en slecht en dictatoriaal. (grinnikt) Terwijl de linkse rakkers in de groep niet liever horen dan dat wij communistisch bezig zijn! They love the word communist! De linksen weten ook dat ik voor de legalisering van marihuana ben, maar bij de boeren spreek ik daar niet over. Zij moeten niks hebben van marihuana, want een boer die zich klotig voelt, die zal bier drinken. Terwijl een leftie die zich gestresseerd voelt een jointje zal opsteken. Ja, wij hebben beer guys and weed guys, en ik moet altijd opletten wat ik zeg!   
Het lijkt me redelijk onmogelijk om die twee strekkingen samen te houden.
Carolyn: « Het is ook moeilijk, maar ik hamer steeds op hetzelfde: bij ons mag er geen vijanddenken zijn tegenover links of rechts, onze enige vijand zijn de grote multinationals die alle regeringen ter wereld de wet opleggen.
Daarmee komen jullie aardig in de buurt van José Bové en zijn Franse boerenvakbond. Dat is ook een beweging die op het platteland is ontstaan, zij weren zich ook tegen de globalisering en de macht van de grote bedrijven. Het zijn zij die onlangs een McDonalds hebben ‘ontmanteld’.
Carolyn: « Great stuff! tell us more! (Als ik ze meer vetel over de ontmanteling van de McDonalds zitten Carolyn en Michael te stralen alsof ze een stuk familie hebben teruggevonden,jh) Dat is fantastisch, zo’n boerenkrijg die een massa volk op de been brengt, oh boy, dat moet nogal een stamp geweest zijn onder het gat van Mc Donalds! En knap dat die ouwe 68-ers daar landbouwcoöperatieven hebben opgezet, zo blijven ze baas over hun land en kunnen ze niet afgeperst worden door Monsanto en consoorten! Ken je dat lied van Woody Guthrie, This land is your land, this land is my land?, dat is een hymne in Amerika, maar wij hebben de tekst aangepast. Het heet nu: This land’s not your land, this land’s not my land, en het refrein, This land is Wal-Mart’s, this land is Mc Donald’s, this land is Monsanto’s, this land is Exxon’s, this land weren’t made for you and me!                 

Prima! Maar iedereen kan natuurlijk in het wilde weg op die grote concerns spuwen.  
Caolyn « Voor mij gaat het dieper. Die concerns zijn niet zomaar bedrijven die overal hun wetten stellen. Ik acht ze ook verantwoordelijk voor de consumptiemaatschappij en voor het kapotmaken van het leefpatroon op het platteland. Ik ben opgegroeid op een kleine boerderij, dat was in de jaren vijftig, en op school zag je toen de eerste verschillen tussen boerenkinderen en burgerskinderen. De boerenkinderen kwamen nog uit een verstel-maatschappij, je moeder verstelde je kleren en de kleren gingen van de oudere kinderen naar de jongere. De burgerkinderen waren de eerste kinderen van de consumptiemaatschappij, zij droegen niks af, zij hadden modieuze kleren, en een eigen kamer en een eigen platendraaier en een eigen transistorradio, die waren veel individualistischer ingesteld. Ik was ook kwaad op de leerkrachten. Want zij hadden het voor die ‘moderne’ modieuze kinderen en op ons keken ze neer, wij waren de ouderwetse boerenkinkels. Ik weet nog dat de psycholoog van de school aan mij vroeg wat ik later wilde worden. Boerinzei ik naar waarheid, en toen zegden ze, oh, dan kunnen wij niks voor je doen, en ik kon gelijk de deur uit. Wij waren out, out of fashion.Het leek wel alsof er nieuwe kinderen moesten komen met nieuwe kleren en een nieuwe levensstijl. Geen kinderen die op een suffe boerderij gingen hokken, maar kinderen die de wereld introkken, kinderen die carrière maakten!
En dààr is mijn hekel ontstaan tegen ons schoolsysteem. De school is de eerste om de kinderen een ieder-voor-zich-mentaliteit aan te kweken. Mijn ouders hadden me geleerd dat het voornaamste was dat je a nice person was en dat je de anderen moest helpen. En wat deed ik? Ik liet zwakke kinderen spieken. Want dàt hadden mijn ouders me geleerd, de zwakkeren moet je helpen. Maar! In de ogen van de leerkrachten was ik daardoor een slecht kind, een gemene bedriegster! Het is ieder-voor-zich, zegden ze. Ik zat nog in dat ouwe platteland-systeem van mekaar-helpen, en zij waren de kinderen al aan het kneden tot individuele consumenten. En het resultaat zie je nu. Meer dan tweehonderd miljoen Amerikaanse consumenten die ieder voor zich ‘vrij’ zijn om hun eigen lifestyle te bepalen maar die te machteloos zijn om nog iets aan het systeem te veranderen. Noch aan het systeem van de veel te grote mammoetscholen, noch aan de gigantische kapmaatschappijen die onze wouden platleggen, noch aan de gigantische auto- en olieconcerns die onze lucht vervuilen en ons klimaat verpesten.
Duidelijk weer een discours voor de linkervleugel.  
Michael « Oh, maar ik kan het ook wel overbrengen voor de rechtervleugel. Kijk, zeg ik dan, vroeger waren we zelfstandig en nu zijn we dat niet meer. Vroeger konden jullie -als boer of arbeider - jullie auto zelf herstellen op jullie erf. Nu gaat dat niet meer. Nu stoppen ze zoveel elektronica in die wagens dat je ze niet meer zelf kan herstellen en dat je verplicht bent om naar een garage te stappen en daar nieuwe vervangstukken te kopen. En dat kost handenvol geld dat je vroeger kon uitsparen. Dat is toch klare taal, en dat is toch een prima illustratie van de harde logica van die grootschalige bedrijven.    
Carolyn: “De realiteit blijft die kloof tussen onze linker- en onze rechtervleugel. De linkse medestanders zijn vaak de hoger opgeleiden en de rechtse medestanders zijn vaak de laaggeschoolden. En dat uit zich onder andere in hun geloof in de toekomst. Als we in groep erover spreken dat mensen maatschappelijk en economisch uit de boot vallen, dan zullen de hoger opgeleiden zeggen dat het ‘onaanvaardbaar’ is, en dat het systeem er iets aan moet doen. Zij zijn optimistisch, want zij hebben gestudeerd, zij zijn goed opgeleid, en zij denken dat het kapitalistische systeem een machine is die gewoon wat beter moet afgesteld worden.
De mensen op het platteland, de mensen uit mijn familie en mijn dorp, denken daar anders over. Die zijn niet optimistisch, die zijn gebroken, die zitten compleet aan de grond en die hebben de hoop opgegeven dat er ooit nog iets zal veranderen. Er is toch niks aan te doen, dat is wat iedereen hier zegt. Het probleem met de hoger opgeleide kritische mensen in onze groep is dat ze die houding niet aanvaarden, ze willen dat de mensen van het platteland even optimistisch denken als zij, namelijk dat het systeem nog wél te veranderen is. Zij zullen tegen de mensen op het platteland zeggen dat ze moeten gaan betogen om iets te veranderen, maar de reactie is dan: betogen? dat helpt zoveel als hoge hakken in de modder!

© Tim Dirven

Wat zeg je hen als ze zo defaitistisch zijn?
Carolyn: « Ik probeer ze er tenminste van te overtuigen om het gemeenschapsleven en het mekaar helpen niet op te geven. Dat bestaat hier gelukkig nog. Je mag hier in het dorp een drinker zijn, je mag hier al eens met het gerecht in aanraking komen, je mag hier geldproblemen hebben, maar er blijft de kleine dorpsgemeenschap om je op te vangen. Je bent één van hen en je blijft één van hen. En dat is waardevol, want dat staat haaks op die maatschappij van ieder-voor-zich.Maar het wordt moeilijk, ouders scheiden en gaan in een andere staat wonen, jongeren gaan studeren en blijven in de grote stad, en grootouders en ouders wonen soms zo ver uit elkaar dat ze de kleinkinderen alleen nog op een scherm te zien krijgen. De samenleving is mobiel geworden, en daardoor gaan er wortels verloren, in de familie en in in het dorp.           
Vroeger was een familie een work unit, ouders, grootouders en kinderen dreven samen de schapenboerderij, werkten samen op het land, of hielden samen de general store open. Door de schaalvergroting zijn veel van die familiebedrijfjes verdwenen en tegenwoordig is de ‘work unit’ een tandem van twee mensen: vader en moeder die gaan werken en geld verdienen. Dat houdt een dubbele vereenzaming in. Van de kinderen die meer uren in de kribbe zijn dan bij hun ouders. En van de ouders, die meer uren op het werk zijn dan thuis.
Vroeger was er werk, en hard werk, maar het werd door de hele familie gedragen. Nu heb je een job -een werkplek waar je op je eentje zit te presteren- en die job staat los van het familieleven én ook boven het familieleven. De eerste vraag die je altijd te horen krijgt, is “hoe is met je job?”. De vraag “hoe is het met je gezin en je familie?” wordt bijna niet meer gesteld.
Die fragmentering in gezin- en beroepsleven is toch al langer aan de gang?
Michael: “ Ja, maar hoe spreekt men erover? Men zegt dat de familiebanden niet meer zo hecht zijn, en dat het sociale weefsel in de stad verloren gaat en dat het gemeenschapsleven op het platteland achteruitgaat. Maar het wordt voorgesteld alsof daar een individuele keuze achter steekt. Terwijl er een systeem achter steekt. Het systeem van ieder-voor-zich van de consumptiemaatschappij. Dàt heeft de steden, de dorpen en de families uiteen doen vallen. En nadien verdeelt die maatschappij de mensen nog eens in zij die geld hebben en zij die niet genoeg geld hebben. En van die laatste groep moet ze niks hebben. 
Carolyn:« Je merkt dat goed aan onze presidenten en hun geleuter over de family values. Zij verdedigen zogezegd de familiewaarden, maar het enige wat hen in die ‘waarden’ bezighoudt is de bescherming van de modelconsument: het gezinnetje met de twee ouders en de twee kinderen. Die zijn oké, die passen in het systeem, maar al wat daarvan afwijkt, al wat extra-aandacht of zorg vraagt - zoals alleenstaande ouders of ongehuwde moeders -, dàt zijn degenen die de ‘family values’ - lees de consumptiewaarden- ondermijnen. Dat kleine gezinnetje is nu eenmaal het best draaiende radertje in het mechanisme, al de rest doet de machine stokken.”

We gaan buiten foto’s nemen, en zoals ze door de sneeuw sjokken - zij met lange rok en hij met lange baard- doen ze eerder aan Maria en Jozef op de vlucht naar Egypte denken. Ze gaan ook moeizaam, zij met het gezwel op de knie en hij met moeilijke ogen die het licht van de zon op de sneeuw niet kunnen verdragen. En zelfs met een camouflagevest en een Kalashnikov over de schouder, heeft het iets deerniswekkend zoals ze daar lopen en op hun honden roepen. Hoe dan ook, ze lachen veel en ze willen ook al lachend met hun wapen poseren: “ Als je foto’s van activisten ziet, die lachen nooit, die zien er altijd zo grimmig uit. Alsof ze dan au serieux zullen genomen worden. Wij lachen veel, en de mensen moeten maar leren om ons ook au serieux te nemen. We zijn ook geen militie van geweld, we are a militia of love, wij zien de mensen graag!”  

NAWOORD: The 2nd Maine Militia werd in 2009 door de leden zelf ontbonden. Carolyn Chute is nog steeds een actieve geëngageerde schrijfster "mét wapens in huis". Op Wikipedia is veel over haar te lezen. https://en.wikipedia.org/wiki/Carolyn_Chute

Deel 1: in het spoor van de sneeuwruimers en de krantenbezorgers van de ingesneeuwde abonnees
deel 2: de vliegende boswachter, het licht van Hopper en de zwarte sneeuw van Washington County

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Schaatsbergen, Siberië, Kouwenberg: op zoek naar de Vlaamse winteroorden

Laat de winter langer dan drie dagen duren en dan overheerst de wind chill in de nieuwsgaring, de dunne lippen van het weerbericht, de gure berichtgeving over files, en dat eeuwige afgezaagde zouttekort van die strooiwagens.  Tegelijk lees je in de kranten over lieden die wel tegen de opwarming zijn, maar die bij een graadje vorst alweer naar de zomer verlangen. Remember, er zijn viér seizoenen en geen drie!
Wij gingen de winter opzettelijk opzoeken op plaatsen die naar koude verwijzen. Dat had Vorst en Winterslag kunnen zijn, we kozen voor de kleinere winteroorden.

(© Jan Hertoghs Humo 2010 - licht ingekort)

© Jan Hertoghs

Schaatsbergen is een gehucht van Olen, vlakbij de E313, het Albertkanaal en een lawaaierige industriezone. Ik zie meteen waar ik moet aanbellen. Decort Diepvriesprodukten. Mevrouw Decort doet open, ik heb geluk, zij hoùden van diepvries en van de winter. Met allemaal fervente skiërs in de familie, "elk jaar gaan we wel twee of drie keer op skivakantie." In huis hebben ze ook een groot schilderij hangen, een wintertafereel met stille boerenhuizen. Het Oude Schaatsbergen misschien? Nee, Schaatsbergen is het niet. En vanwaar die naam komt, weet ze niet: er zijn hier geen bergen en er is ook geen ijs om te schaatsen.
Geïntrigeerd door de naamgeving doe ik navraag bij de heemkundige kring. Schaats komt van "scheids" - het gehucht lag gescheiden van het dorp - en "bergen" verwijst gewoon naar de hogere ligging van het gehucht. That's all folks! Niks hint voor een wintervriend.  

© Jan Hertoghs

Winterdijk maakt deel uit van het Limburgse Kaulille. De secundaire weg is nog met harde sneeuw bedekt en leidt tot bij enkele boerderijen. Aan een raam zie ik de middagtafel met brood en koffie, man en vrouw wenken me binnen. Aan de muur hangt de kalender van de Tractoren John Deere, de maand januari heeft een sneeuwruimer. En dat lawaai dat ik hoor, is een straaljager van de basis Kleine Brogel. Tegen het aanvriezen van hun start- en landingsbanen "gebruiken ze ureum naar het schijnt". Dat is een zoute chemische stof "die ook in pis te vinden is". En of ik de mop ken van Prosper die zijn naam in de sneeuw wilde schrijven? Hij geraakte maar tot PROSP, en vroeg aan zijn kameraad of die nog pis had voor de E en de R. "Dat heb ik, Prosper, maar dan moet gij de mijne wel vasthouden, want ik kan niet schrijven."
En of ik weet dat ik bij de énige zingende boer van België terecht ben gekomen. Hij is al op radio en tv geweest. Boer Martijn, de zingende boer!  Als kind zong hij al op de fiets, als jongeman stond hij op de biljart met een keu als microfoon. Hij heeft een repertoire van tweehonderddertig liedjes. Of hij ook een liedje over de winter heeft? 't Is weer voorbij die mooie zomer, dat is het enige.

In Peer begint het licht te sneeuwen langs het raam van het koffiehuis. Ik ben er voor een broodje, en wat lees ik op de openingsbladzijde van de menukaart: Welkom bij Johnny en Suzy Winters.

Midden in de velden van de gemeente Peer verschijnt de meer dan 100 jaar oude kolonieSiberië”.© Jan Hertoghs

Nabij het gehucht Wouberg wordt het landschap uitgestrekter met kaarsrechte wegen. De sneeuw ligt in kleine duinen bijeen tegen de bomen en de houten telefoonstaken. Dit is Siberië volgens de topografische kaart. En de boer op de Maastrichterdijk zegt dat het hier àltijd twee graden kouder is dan vijf kilometer in de omtrek: "Het ligt hier op een hoogte en de wind heeft vrij spel. Ook de gewassen komen hier trager uit dan elders." En als ik meer wil weten over de geschiedenis van Siberië, dan moet ik bij Leo Pinxten zijn, de oude hoofdonderwijzer, ginder in dat witte huis.
Die Leo zoekt een volle twintig minuten naar een brochure die hij ooit nog geschreven heeft, maar eigenlijk kent hij de historie van Siberië uit zijn hoofd: "Het heette hier al Siberië in de negentiende eeuw. 't Moeten soldaten van Napoleon zijn geweest, teruggekomen van Rusland, en omdat het hier zo'n gebied was van barre hei en moerassen, hebben ze dat Siberië genoemd. En het kàn hier koud zijn! Vorig jaar januari hadden we hier een min eenentwintig; de klimophaag in de tuin was van onder tot boven kapot gevroren. En eer klimop bevriest, dan moet het al erg zijn."
In 1909 is hier een steenrijke Brusselaar aanbeland. Armand Denisty, dokter in de geneeskunde en weduwnaar van een rijke dame uit Hoeilaart, ze had hem een fortuin nagelaten. En deze Denisty kreeg het in zijn muts van hiér een landbouwkolonie uit de grond te stampen. Hoe hij hier in Peer is gekomen? Niemand die het weet. "Maar hij zal wel geweten hebben dat de grond in Siberië heel goedkoop was."

Vijfhonderdtachtig hectaren bracht hij in ontginning. Overal kwamen kaarsrechte zandwegen met diepe grachten ernaast die voor de afwatering zorgden. Een centrale weg was verhard met kaarsrechte dennenstammen zodat de paardenwagens altijd konden rijden en de ontginning in elk seizoen kon doorgaan. Om de gronden vruchtbaar te maken, werden wagons mest met de trein aangevoerd naar de statie van Helchteren. Vandaar ging het naar Siberië waar een spoorlijntje met kipwagons de aanvoer verderzette. Op Siberië ging Denisty in een groot herenhuis wonen en rond dat huis kwamen boerderijen, stallingen, een school, melkerij, bakkerij, schrijnwerkerij en smidse. "Dat was een dorp op zich. Hele gezinnen woonden in Siberië. Denisty had meer dan tweehonderd werklui die voor hem werkten, dat was ongezien, iets enorm voor die tijd." 

In 1922 bouwde hij vijftig serres om druiven te telen. "Die kassen werden verwarmd met warme lucht van een cokesoven, revolutionair in die tijd. Er kwam zelfs een vliegveld voor de export naar Londen!" Maar die vluchten waren te duur zodat de export beperkt bleef tot kistjes die naar Brussel spoorden.
Pinxten heeft het Heerke van Siberië nog persoonlijk gekend, "toen ik hier in 1948 in Wouberg als onderwijzer werd benoemd. De kolonie liep toen al op zijn einde door de bezetting van '40-'45 en door slecht beheer van de rentmeesters." De grond werd in percelen verkocht aan plaatselijke boeren, Denisty ging weer in Brussel wonen en in 1953 is hij in Etterbeek overleden.
"Voor het gehucht Wouberg en voor de stad Peer is hij heel belangrijk geweest. Nu zitten hier melkveehouders met goeie weilanden; zonder Denisty was het hier een arme heide gebleven."

Al het hele gesprek zie ik een grote Delftsblauwe schotel op de sierkast. Daarop staat een Siberisch tafereel, een vurig paard dat een arrenslee trekt met een freule, en aan de teugels een voerman met een lang geweer, een wapen tegen de wolven. Hoe hij aan die "Siberische schaal" is geraakt? Het schoolhoofd kijkt lang en peinzend naar de schotel: "Nu ge het zegt, dat heeft iets Siberisch. En dat ik daar nooit van mijn leven op gelet heb. Dat hangt hier al vijftig jaar!"

© Jan Hertoghs

In de Kempense gemeente Retie ligt het gehucht Werbeek en daar staat de zeer oude kapel van O.L.Vrouw Ter Sneeuw. De concierge van de kapel woont wat verder. Ze zegt dat er nog elk jaar bedevaarten komen ("om hulp te vragen bij ziekte, nood en pijn") en dat de devotie de laatste vijf jaar weer is toegenomen. Ik mag de sleutel hebben, een staak van zeker vijfentwintig centimeter die geheel past bij de zeventiende eeuw. In een brochure lees ik de legende. Een marskramer vond het Mariabeeldje "in stapels sneeuw", maar waar het warme(!) beeldje lag, was "geen sneeuw te vinden". Dat was een straf mirakel in 1645, want de zestig koudste winters van De Kleine Ijstijd moesten toen nog beginnen. De marskramer overleefde ook nog een stel vileine struikrovers, en hing het beeldje uit dankbaarheid aan een boom "waar het al snel een toeloop kende." Er werd een kapel gebouwd "waar men bescherming kwam afsmeken tegen de pest", en dan zal het nog vier eeuwen duren eer Humo in een auto voorbij komt.   

© Jan Hertoghs

In datzelfde Werbeek staan vader en zoon Adriaensen bij hun tractor, en dat het verdekke koud is, en dat ze ook deze winter weer een paar luxevoituren uit de gracht hebben moeten trekken. Ik vertel dat ik gisteren in Peer-Siberië was, en dat moet treffen, vader Jos heeft ook nog in Siberië gewerkt, in het Siberië dat bij Arendonk ligt. Er zijn dus twéé Siberiës in België! En dat ik binnen moet komen, binnen is het warmer dan buiten.
"In de jaren vijftig heb ik daar gewerkt. Ik was tot mijn veertiende naar school geweest en in Arendonk kon ik bij een boer beginnen. Elke morgen met mijn rammelvelo daarnaartoe, veertien kilometer langs een zandpaadje.  
't Waren slechte tijden, 't was crisis, er was weinig werk, en dus begonnen de boeren maar arme grond en hei te ontginnen met jong werkvolk, dat goedkoop was natuurlijk. En wij moesten naar Siberië. Zo noemde die boer dat stuk grond, een grote plak hei bij de Hollandse grens, een heel eind te voet door de bossen. Wij moesten stronken uitspitten, bulten afgraven en putten dempen. Alles met de hand. Niks machines. En als die grond effen was, dan moesten we die omploegen en met mest en teeltaarde vruchtbaar maken. Het hele jaar door stonden wij daar te spitten en te graven. Ook op winterdagen werkten we door, met in de kant een vuurke om onze handen te warmen.  Soms moesten wij ook een bos kappen en die bomen sleepten we weg met een paard. Zo heb ik mijn been gebroken met een stam die tegen mijn been schoot. Dat onderbeen in een knak. Ze hebben mij uit dat bos gedragen met twee man. En ik moest mijn been vastpakken en aaneen houden met mijn eigen handen. Een jaar heb ik platgelegen, en twee keer hebben ze dat been opnieuw moeten breken omdat den doktoor het verkeerd aan elkaar had gezet."
Dat was Siberië, zegt hij. En dat er in Gestel (bij Meerhout) nog een motorclub is die ook Siberië heet, dat is misschien ook iets voor u? En dat hij in die jaren vijftig niet eens wist dat Siberië een land was. Siberië betekende gewoon "alle dagen hard werken" en verder niks. En dat hier in Werbeek een stuk grond is dat Het Rusland heet. Ja jong, hoe komen ze aan al die namen?!  

Jos Adriaensen (links): “Ik heb nog heide ontgonnen in Siberië nabij Arendonk. Ik wist toen niet dat Siberië een land was. Siberië betekende gewoon alle dagen hard werken,en verder niks.” © Jan Hertoghs

Kouwenberg in Vorselaar is op het eerste gezicht een teleurstelling. Een groot uitgevallen woonerf waar om vijf uur nog weinig licht in de huizen brandt. Maar dan stopt er een bestelwagen waaruit een Kouwenberger stapt. Het is Meco Jasari (28) en hij komt uit Mitrovica, in Kosovo. Elf jaar woont hij in België en "dit is de eerste keer" dat hij een winter ziet.  En of ik weet dat zijn geboorteland heel strenge winters kent? Dagen van min vijfentwintig en sneeuw tot hier, hij wijst tot boven zijn middel. En dat hij nog iets van de winter ginder gaat vertellen, "iets dat u nog nooit gehoord zal hebben". En dan verhaalt hij hoe de kinderen in Mitrovica zelf hun ski's maken. Hij wijst op een krat mineraalwater. "Van zo'n plastic bak maken ze het. Het onderstuk zagen ze eraf en het bovenstuk zagen ze in twee delen. Dat zijn de delen met de afgeronde hoeken, en die binden ze onder hun schoenen met een touw of een riempje." En om de piste te prepareren gingen alle kinderen staan schuifelen op een hellinkje, tot de sneeuw hard en glad was en dan schoven ze met hun krattenlatten twintig meter naar beneden! Hij is zichtbaar fier dat hij het kan vertellen. "Wij zijn maar een arm land. Met weinig speelgoed voor de kinderen. Maar wij zijn vindingrijk, heel vindingrijk."

Vijf winteroorden heb ik bezocht. Maar er zijn er nog: Ijshoute, Koudeborn, Koudehaard, Koudekeuken, Wakken, Wintershoven, Winterkeer en niet te vergeten: Koudekot (bij Dranouter). En allemaal liggen ze in dat opwarmende België.
En dan is er nog de man die de letterlijke koudeplekken zoekt. Karel Holvoet is "koudejager", en heeft één doel: de allerkoudste plek van België vinden.
«Ik zoek het op de Hoge Venen, traditioneel de koudste regio van ons land. Daar ben ik locaties beginnen uittesten en de koudste plekken zijn kleine valleien met een rivier en veel veenmoeras. Vooral dat veen is belangrijk, dat slaagt er blijkbaar in om de kou goed vast te houden.

Mijn koudste plek totnutoe is Grand Bongard, dat is tussen Mützenich en de Botrange. Daar heb ik op dinsdag 19 december min 32,2 gemeten. De officiële waarneming van die dag spreekt van min 17 op de Botrange. Dat is een meting onder thermometerhut, aan de grond mag je dan rekenen op een - 23 à -24. Dan ben ik fier dat ik in diezelfde omgeving een plek weet waar het nog eens àcht graden kouder is. Het was dan nog een bewolkte nacht, met een heldere lucht had het nog veel kouder kunnen zijn!
Je metingen blijven natuurlijk officieus omdat ze niet onder thermometerhut gebeuren.
«Dat klopt. Maar zolang er geen systeem is om zo'n thermometerhut te verplaatsen, ben ik gedwongen om op de grond te meten. Maar dan nog is het objectief om naar de koudste plek te zoeken. Het KMI heeft ook waarnemingsposten die aan de grond meten, en ik maak me sterk dat ik plaatsen kan vinden die kouder zijn.  
Hoeveel thermometers drop je zo in de Venen?
«Ik leg er meestal vijf, waarvan drie op de Venen en twee in de wijdere omgeving. Ik ga bij valavond de natuur in en zorg dat mijn voetsporen zo min mogelijk zichtbaar zijn. Ik wil immers niet dat anderen mij zien en die meters oprapen, ze kosten tachtig euro per stuk. De thermometer van Grand Bongard ligt het vérst. Daarvoor moet ik zo'n acht kilometer de Venen in. Vorige maandag ben ik er nog geweest, dat was anderhalf uur door sneeuw en ijs ploeteren. Ik ben ook al door ijs gezakt, dat ik een halve meter in dat kouwe moeraswater schoot. Dan rol ik mij met m'n natte broek en schoenen door de losse sneeuw. Dat heb ik van Dixie Dansercoer afgekeken, die droge losse sneeuw zuigt al het water uit je kleren.
En dat allemaal voor een streepje op de thermometer.
«(Lacht) ja, je moet er iets voor over hebben. Ik hou ook van die desolate plekken waar zo goed als niemand komt. Ik heb zo al veel reeën gezien, en een prachtig edelhert, en vorige week nog een gigantisch everzwijn.
En die beesten zien op hun beurt een tweevoeter die met een thermometer door de sneeuw baggert?
«'t Klinkt misschien freaky. Andere mensen kijken gewoon naar de thermometer aan hun tuinmuur. Ik stap in mijn auto, rij tweehonderdveertig kilometer en stap dan nog eens een paar uren door bos en hei om vijf thermometers te droppen. En de week daarop rij ik opnieuw dat hele eind om ze op te pikken en alle waarden te controleren. Ik ben ook al enkele nachtjes blijven logeren in de buurt, dan kon ik ze gelijk de volgende dag controleren. In feite is dat zottenwerk, al die verplaatsingen, al die benzine, dat manueel controleren, zo'n dingen zouden met een computer gelinkt moeten zijn. Maar ja, dat budget heb ik niet. Volgende week wil ik al nieuwe thermometers gaan kopen. De meters die ik nu heb, gaan maar tot min 36 en dat is veel te warm. In Eynatten is een bedrijf dat thermometers uit de ex-DDR verkoopt, onverwoestbare alcoholmeters die tot min veertig en min vijftig gaan. 

Je wil in België een "min veertig" ontdekken.    
«Officieel is op 20 januari 1940 de koudste temperatuur van België gemeten. Dat was in Rochefort: - 30,1 onder thermometerhut. Aan de grond is dat misschien - 38 geweest. Dus als ik in de Venen ergens min 40 kan meten, dan heb ik dat record officieus geklopt. Ik hoop dat het me zal lukken.
In Vlaanderen ben ik evengoed op zoek naar de koudste plek. Hier in Dworp is er de wijk Bruineput, dat is een kom tussen heuvels van vijftig-zestig meter, en dat is alvast één van de koudste plekken in Vlaanderen. Vorig jaar januari heb ik daar  -25,9 gemeten aan de grond. 't Is ook een dichtbewoonde wijk, dus ik vraag me af hoe hoog de verwarmingskosten daar zijn en of de auto's daar meer startproblemen hebben dan elders. (Noot: intussen heeft hij een nieuwe koudste plek gevonden. In Limburg, in Oudsbergen.)   
Vanwaar die fascinatie voor kou en sneeuw?
«Ik heb dat van kindsaf. Sneeuw zien we maar weinig in Vlaanderen, dus elke sneeuwval is een belevenis. En als er geen sneeuw is, dan ga ik 'm opzoeken: in de Venen, de Eifel of soms ook de Alpen. Ik hou van die diepe stilte als het gesneeuwd heeft. Ik loop ook graag te zwoegen door zo'n dik tapijt. Helemaal alleen in de Venen, zonder gsm, gps of zaklamp. Gewoon om te zien of ik me kan redden in zo'n extreme omgeving. Ik vind de winter ook een kracht, het is nog altijd een seizoen dat respect afdwingt: alle verkeer, iedereen moet zich aanpassen en gehoorzamen aan dat natuurelement. “

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

“Kind zonder winter” - eerdere winterreportages

Een aantal passages in het boek “Kind zonder winter” zijn gebaseerd op eerder gemaakte winterreportages.

In dit WINTERARCHIEF kan je die stukken herlezen in hun oorspronkelijke lengte.

BINNENLAND

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

R Antwerp FC: het einde van Tribune 2

© Jan Hertoghs

Het einde van het rauwe Bosuilstadion: de sloopkogel voor Tribune 2

Kan men treuren om een verdwijnende voetbaltribune? Kan men hartzeer hebben om een bakbeest van beton? Het kan. Op tribune 2 ("den twee" ) van Royal Antwerp Football Club kon het naar pis rieken in de coulissen, de dakgoten hadden de neiging tot overstromen en duiven kakten op onze houten zitbanken. Toch was ik er thuis.
Het Bosuilstadion van R.A.F.C. was in recente jaren al grotendeels vernieuwd, maar tegenover de pralerige Tribune 1 stond tot vorige week de oudste tribune uit de Belgische eerste klasse, de legendarische en intussen 102 jaar oude Tribune 2. Na 5 jaar in onbruik te zijn is dat monument definitief gesloopt, tegen het najaar komt een nieuwe constructie met 8500 plaatsen.
Een hommage aan die tribune. Een afscheid van wat in West-Europa zowat de laatste oldtimer tribune in eerste klasse moet zijn.  
© Jan Hertoghs

Midden jaren zestig: dan is mijn vader zijn drie kinderen beginnen meenemen naar "den Antwerp". Wij woonden in de Noord-Deurnese wijk Ruggeveld, de Bosuil lag op amper vijf minuten fietsen. We stalden onze fietsen tegen de stadionmuur waar een pensioengerechtigde die tweewieler voor twee frank (5 eurocent) in bewaring nam. Uit zijn blauwe stofjas kwamen de houten nummerplaatjes zoals in een vestiaire, en zo had hij negentig minuten lang tientallen fietsen onder zijn hoede. Na de match vroeg hij altijd wat de uitslag was, hij was de buitenstaander, aan het gejuich en het boegeroep was niet op te maken wat de eindstand was.      
Vader ging altijd op dezelfde plaats zitten, een kort stukje boven de "tunnel", de halvemaan-ingang van Tribune 2. Daar zat ook zijn broer, onze nonkel Frans. De twee broers zagen mekaar uitsluitend hier, bij de thuiswedstrijden, en ze hadden vanop die tribune al eens 60.000 toeschouwers gezien tijdens de België-Holland-matchen, toen  die bomvolle Bosuil "De Hel Van Deurne" was.

Poster 1970: de ploeg van mijn jeugdjaren poseert voor Tribune 2. Met o.a. Eddy Braem, Flor Bohez, Roger Van Gool, Bob Geens e.a.

Een abonnement was toen een kartonnen kaart met evenveel vakjes als speeldagen, een controleur knipte het met een tang. Jeugd onder de 14 moest geen entree  betalen en met een korte broek zijn we nog lang jeugd gebleven om abonnementen uit te sparen. Later kocht vader twee abonnementen en raakten we toch met zijn drieën binnen door een nu ondenkbaar smokkelsysteem. De maatschappij had al dieven, inbrekers, en vaders die hun kinderen sloegen, ons plaatselijk misdrijf vonden wij nogal meevallen. Niet dat de club toen hebberig was. Je kon altijd het begin van de tweede speelhelft afwachten: dan gingen de poorten van Tribune 2 barmhartig open voor iedereen zonder centen.

Vanop die zittribune keken wij links en rechts op de hoog oplopende staanplaatsen, de gradins met hun zwarte assen en met de verspreide balustrades om op te leunen. Bovenaan was de klok en het scorebord waar de bordjes nog letterlijk verhangen  werden. Bij een treffer klom de man op zijn ijzeren trapje, verdween achter het grote bord en verving het 0-plakkaat door een "1", enzoverder. Waren het De Bezoekers die scoorden, dan was er nooit haast mee gemoeid.   

Op de betonnen bovenrand van die staanplaatsen stonden vlaggen die bij elke thuiswedstrijd van plaats leken te wisselen. Dat was geen optisch bedrog, dat was de rangschikking in eerste klasse: de wapperende vanen in de clubkleuren volgden de puntentelling van een heel seizoen. Een klassement dat dan wel verdween op windstille dagen.  
In de winter van 1972 lag er sneeuw, de match tegen FC Luik ging beginnen, en plots schoot een haas over de gradins. Zijn hazenpad liep dood bij de bovenste betonmuur, een kerel dreef langoor in het nauw, sloeg 'm in de nek, stak 'm onder zijn jas en verliet gehaast en onder verward applaus het stadion. 

Als er veel volk was, zagen wij De Neger. De zwarte man droeg een witte kiel en op zijn kale schedel balanceerde een blinkende schaal met witte puntzakjes. Hij was in meerdere stadions de verkoper van borstbollen en riep lakkelakkelakke, wat ook de naam was waarmee hij werd aangesproken.     

Arbiters waren in de jaren zestig en zeventig evenzeer als nu de kop van jut. Eén keer schoot een toeschouwer vierklauwens naar beneden, de schutting over en met zijn geheven paraplu wilde hij de arbiter te lijf; de spelers moesten hem tegenhouden. Er waren nog geen hekkens of gevlochten ijzerdraad, en op de tribunes waren paraplu's en andere steekwapens nog vrij toegelaten. Wijzelf hadden een knoert van een koperen toeter , zo'n misthoorn voor binnenschippers die alleen in scheepskringen te verkrijgen was. Vanwege die maritieme vuvuzela ben ik vaak scheef bekeken ("hé lawijtmoaker kannetwaminder?"

In die jaren zestig en zeventig zat je ook nog samen met de supporters van de tegenpartij. Een uitvak bestond niet. Tussen de roodwitte Antwerpsjaals zaten evengoed paarswitte Beerschotsjerpen, dat was de prehistorie, er bestaan zeker nog grotschilderingen van.  
Na een onverdiend verloren derby, begin jaren '70, trok ik buiten het stadion al fietsend zo'n triomfantelijke Beerschotsjaal uit het zijraam van een vertrekkende auto en met die trofee spurtte ik weg. Waarop die bestuurder de daaropvolgende fietser van zijn fiets sleurde, dat was mijn neef, en ik vervolgens diende terug te keren en daarna de klappen kreeg waarom ik vroeg.

Onze business-as-usual-seats. (Foto Zonen Hertoghs)

Sinds die jeugdjaren is de infrastructuur van Tribune 2  nauwelijks veranderd, en tot vijf jaar geleden zat ik met beide zonen op die zitbanken van toen. De lezer van 2025 kan nu naast mij plaatsnemen: dit is het decor waarin wij tot 2020 vertoefden.  
Onze zitbanken zijn zitplanken vastgeschroefd op betonnen sokkels, het hout heeft barsten en afgebladderde verf, en waar ooit een plank gebroken is, is die breuk gespalkt met twee andere planken. Naar boven kijkend zien we een net van verroeste kiekendraad, die diende ooit om duiven uit het nokgebinte weg te houden; sommigen beweren dat dat kippengaas de dakplaten in hun val moet afremmen; veiligheid boven alles! De stadionduiven wonen daar al vele generaties, ze hebben ook hun vaste slaapplaatsen, wat maakt dat steeds dezelfde zitbanken met een dikke laag uitwerpselen zijn bedekt. Om je broek van duivenkak, houtsplinters en roestnagels te vrijwaren, hebben sommige aanwezigen een krant of een zitkussen bij, meestal zo'n ding in schuimrubber waarmee je in vijf kleuren in je tuin kan werken.  

Vaste abonnees zijn de duiven . (Foto Zn. Hertoghs)

Als het waait op Tribune 2, is er het onheilspellende kraken en kriepen van de lichtmetalen dakspanten. Onderaan dat dak hangen rustieke TL-buizen die in alle seizoenen hun koud licht geven. Tijdens een match tegen Anderlecht ging zo'n lichthouder aan één schroef hangen in plaats van twee. Dan stoten we mekaar aan, zie die buis hangen, maar dan verwittigt niemand het bestuur en dan rekenen we uit op wiens hoofd die lichtbuis gaat vallen, krijgtdatopuwekop! Afbraakvoetbal kent hier een andere invulling.

In de dakgoot zit bijvoorbeeld ook een onbedoelde uitlaatklep waar het water bij hevige regenval gutsend naar beneden kletst. Wij bekijken dat als een natuurfenomeen dat bij de tribune hoort. Vlakbij die wateremissiezone zit een vast groepje, zij noemen hun zitplek "onder de waterval". 

In de laatste jaren van Tribune 2 maken we kennis met mobiele urinoirs, vroeger piste je op zowat alle verdiepingen in een geul, aan je voeten stroomde dat plaswater naar een traag afwaterende buis. Later kwamen er halve regenpijpen op kruishoogte, met buizen die gingen lekken, als voorbijganger moest je goed opletten voor de looplijnen van die urine.

De sanitaire faciliteiten voor de heren. © Jan Hertoghs

Mijn oudste zoon is bouwkundig ingenieur, hij ziet meer mankementen dan ik. In het betonnen geraamte dat de tribune draagt, ziet hij betonrot, in de draagbalken ziet hij bloot betonijzer dat roest. Ook wijst hij op het onderste deel van de tribune, daar hellen de zitbanken naar voren, als toeschouwers bij een wielerkoers. Dat komt doordat het onderste deel op een zandheuvel is gebouwd, en na een eeuw begint dat zand te verzakken en leunen die banken voorover. (Noot: over dit gehavende erfgoed hebben de clubvoorzitter Paul Gheysens en de grondeigenaar Tania Mintjens later ruzie gekregen waardoor de sloopplannen jaren zullen stilliggen.)

Sommige banken zijn al meermaals hersteld (lees: opgelapt met één of meerdere planken) Foto Zn Hertoghs

Zo'n tribune lijkt een logge anonieme mastodont, toch heeft hij zijn eigen groepsvorming. In de sociologie en psychologie is dit amper bestudeerd, deze clanvorming van individuen die dezelfde liefdevolle kleuren aanhangen en die ondanks weer en wind (de regen slaat ook met gemak in de tribune) toch steeds op dezelfde plek en tussen dezelfde mensen willen zitten.  
De gesprekken in ons vaste groepje gaan vaak alleen over de club en de spelers, je spreekt mekaar ook niet uitvoerig, vaak alleen voor de match en tijdens de rust, je komt mekaar buiten het stadion nooit tegen, en desondanks zoek je altijd datzelfde gezelschap op. Van haast niemand ken je een telefoonnummer of adres, laat staan een familienaam en toch is het familie. In het seizoen zie je ze om de twee weken; zo vaak zie ik mijn échte familie niet eens.   

Toen Antwerp nog in tweede klasse speelde, heb ik vier jaar naast den Erik gezeten. Hij was een eerder teruggetrokken figuur, van hem wist ik alleen dat hij biljartte en dat hij elke wedstrijd stoïcijns kon ondergaan, zelfs al floot de scheids als een gek tégen ons. Deze onverstoorbare Erik keek vaak opzij naar mij met geschamper als: 'zijt gij thuis ook zo zenuwachtig?' en: 'amai, ge zijt zo hevig, is dat wel goed voor uwen tikker?' Nu zit den Dirk al vele jaren naast mij. Met hem heb ik een beter contact. Ik weet dat hij in Schoten woont, liften controleert en soms nog zaalvoetbal speelt, maar "met Brufen" tegen de pijn in zijn knieën. Ik informeer desgevallend ook naar zijn hernia. Naast hem zitten zijn twee zussen, Ingrid en Vera, ook zij missen zelden een match. Ingrid heeft een Italiaanse man en schoonfamilie, haar zoon heeft onlangs een gecompliceerde operatie ondergaan, en enige tijd geleden is ze naar een concert van Adamo geweest. Het andere leven, buiten het stadion.
Het zijn deze goede buren die je bij elk nieuw jaarbegin de hand drukt, "beste wensen' en dat een goeie gezondheid het voornaamste is.       

Met de sjaals plaats reserveren voor de buren. © Jan Hertoghs

Toen er nog plaats genoeg was op Tribune 2, met telkens ook genoeg tickets voor niet-abonnees, kwam mijn vrouw soms mee. Die ene keer was het toevallig haar verjaardag, en ik had de ons omringenden gevraagd of ze Happy Birthday wilden zingen als zij de trap opkwam; zij arriveert meestal later, wij zitten lang van tevoren in het stadion. Die vraag was heel ongewoon, ik had die omzittenden nog nooit als groep aangesproken, ik kon niet uitmaken of ze dat zingen echt wilden doen. Toen zij op de trap verscheen, gingen in die bijna volle tribune toch ineens vijftien kelen Happy Birthday zingen. Dat doet wat met je hart.  

Een opvallende figuur was de Jean. Die had op zijn naamloze en ongenummerde zitplank een roodwit plaatje gelijmd met de gegraveerde tekst dat dit stuk hout voorbehouden was aan 'Jean V. abonnee sinds 1984". Jean was vroeger chauffeur voor de OCMW-rusthuizen en hij is ooit op twee krukken naar een match komen zien ("ge moet er iets voor over hebben"). Jean woont tot ons aller verwondering in de buurt van het Beerschotstadion. Hij durft bij valavond en vanop zijn balkon luidop en meerdere keren na elkaar "ratten buiten" roepen, waarop zijn vrouw hem komt vragen of hij soms op zijn kop is gevallen. Zo'n verhalen, die onthouden wij.
Voor ons zat de man die altijd tien minuten voor tijd de tribune  verliet, wat wij onbegrijpelijk vonden, maar hij wilde liever "rustig van de parking kunnen wegrijden". Van zijn broer horen we nu dat hij een attakske heeft gehad en niet meer mag autorijden, meer nog, dat hij nu in een rusthuis zit, en dat hij nooit meer zal komen. Slecht nieuws en die afwezige was al zo'n pessimist. Schoot Antwerp op de paal, dan zei hij "ge zult het zien, seffens sjotten d'ander bij ons paal-en-binnen". Kregen wij geen penalty, dan "gaan d'ander er seffens wél ene krijgen". Was het 2-0 voor ons, dan zou het wel eens "rap 2-1 kunnen zijn". De ene winstwaarschuwing na de andere, defaitisme was zijn devies.   

© Jan Hertoghs

Al die zitbankplaatsen zijn ongenummerd en toch komt een vreemde zomaar niet in ons midden zitten. Die indringer krijgt te horen dat hij het zo dadelijk "zal mogen uitleggen aan de personen die hier àltijd zitten" en meestal is die opmerking voldoende om hem te doen opkrassen. Toen twee nieuwkomers toch eens twee lege plaatsen inpalmden en zij tijdens de eerste helft élke tien minuten bier gingen halen, werden ze in de rust verbannen: "als ge hier komt om te drinken, dan zit ge verkeerd, dat is hier geen café, bol het maar af!" Ons groepje telt amper bierdrinkers en wij hebben een hekel aan dat heen-en-weer-geloop in dat smalle gangpad tussen de banken, dat  gesukkel langs knieën en over tenen waarbij ons ook het zicht op de match ontnomen wordt. Daarin zijn we lichte uitzonderingen, want Tribune 2 staat natuurlijk bekend als zuipcentrale, wat inhoudt dat je aan de Fingerspitzen van elke hand vier volle bekers bier omhoog moet kunnen dragen op een betontrap met zeer ongelijke treden.  
In de periferie van ons groepje zit ook een bouwvakker uit Ranst, en de vader met zijn twee tienerkinderen, de papa goed herkenbaar aan zijn nektapijt en zijn wilde bos neusharen, ik heb ze al eens zien glimmen in de ondergaande zon. Iets dieper zit ook Guido Belcanto als hij niet moet optreden, en rechts heb je de man-met-de-zeer-grote-vlag van wie de vlaggenstok waarschijnlijk een vishengel is, zo'n uitschuifbare stok van 8 meter. Ook onze neef Steven hanteert intussen zo’n grote vishengel-vlag.

Van de omzittenden zijn er zeer weinigen die weten dat ik journalist ben. Een tijdje heb ik wel bekend gestaan als "die van zijn plastieken zakske" omdat ik mijn beklag had gemaakt nadat de fouillerende steward aan de stadionpoort de plastic zak van mijn fietszeil in beslag had genomen. Tijdens die match kwam er ineens een plastic zak boven het veld aanwaaien, zeker vijf koppen draaiden zich om "daddisaawezak, joeng!" Die zak ging nog verder opbollen in de wind, van de zijlijn vloog hij naar de grote backline, recht op het doelgebied af, het hele stadion had het gezien, op alle banken zwol het rumoer en het juichen, en dan ging die zak net naast de paal, met een grote oooh van teleurstelling doorheen het stadion. Het was pure poëzie, maar hoe leg je zoiets uit aan voetbalnegationisten?

Nog zo'n aparte belevenis was één van de allereerste matchen terug in eerste klasse. De euforie van de pas behaalde promotie hing nog in de lucht, Racing Genk was op bezoek, die liepen uit naar 1-5, maar op Tribune 2 bleven we zingen alsof het 5-1 was, en zo werd het toch nog 3-5, we kwamen zelfs dichtbij de 5-5. Imke Courtois zei toen op tv dat "die Tribune 2 Unesco werelderfgoed" moest worden.  

Foto Zn Hertoghs

En ja, die promotie naar eerste was een klein mirakel aan het eind van een bewogen seizoen en aan het einde van dertien jaar tweede klasse. Op 26 februari 2017 was het Geoffrey Hairemans die de penalty tegen Lommel scoorde, een feilloze trap waarmee hij de poort naar eerste klasse halfopen duwde. Op YouTube is die penalty vanuit 20 hoeken gefilmd, dat zijn 20 hoeken met een orkaan van ontlading, en daarmee is die jonge Geoffrey, kind van Deurne-Noord, voor altijd een held in onze harten.   

Ik moet wel toegeven dat ik jaren ontrouw ben geweest. Pas halfweg dat vagevuur van dertien jaar in tweede klasse heb ik de draad weer opgenomen, op aandringen van de zonen. Tweede klasse, dat was vaak spelen tegen onbeduidende ploegen die nog geen 28 uit-supporters konden meebrengen. Op de Bosuil kwamen in die magere jaren gemiddeld nog 5000 toeschouwers opdagen, met gemak het grootste supporterslegioen in tweede klasse. Maar niemand keek naar ons om. Geen Sportweekend, geen Extra Time, alleen de regionale ATV had zijn verslagje. Toen kwam eerste klasse en toen kwamen ook de successupporters. In plaats van een kwartier moesten we plots anderhalf uur van tevoren aan de poort van Tribune 2 staan om onze ongenummerde zitplek te kunnen innemen en om sjaals en fietszeilen te leggen als plaatsreservering voor onze buren.
Ach, dat anderhalf uur routineus zitten wachten! Je kijkt naar de komst van de arbiters, eerst nog in kostuum en keuvelend tussen de kalklijnen, dan de komst van de tegenstander met hun keeper die gelijk met zijn hand naar de deklat springt, dan de eigen warming up met de schoten op doel, wie faalt, wie doet de netten trillen, en tot slot onze fanfare met achteraan de vlaggen van bijna 30 supportersclubs. Altijd zoek ik dan die éne vlaggenvrouw die uitbundig zwaait en kushandjes gooit naar onze tribune, is ze erbij deze week? Het is zoals bij TikTak, komt het hondje na de schaapjes of komt-ie-niet? Zo en niet anders begint dus een wedstrijd in eerste klasse.     

De fanfare in kersttenue. Foto Zn Hertoghs

Al die onnozele details, al die nederlagen en overwinningen, al dat lief en leed heb je vanop die planken en betonnen poten meegemaakt. Het is de plek waar je in de 89ste minuut bij een 0-0 of een 0-1 hevig naar een goal verlangt. Er is nog die ene laatste corner, die ene laatste vrijschop, je roept inwendig je overleden familieleden aan, je vader, je tante Jeanne, allebei roodwit, en je bidt: laat het binnen zijn, duw die bal erin, help ons! En dan wordt er niet gescoord, er wordt afgefloten, de mistroostigheid waarmee je dan weggaat, langzaam stappend van de ene houten bank op de andere, die zitplanken zullen ook nog eens je zwaarmoedigheid dragen.

Als zestienjarige dacht ik dan al aan de hoon op de speelplaats van maandag, als 50-jarige aan de spottende blikken op de Humo-redactie. Die waren er niet altijd, maar ik kon alleen maar zo neerslachtig denken.
Voor je weggaat, kijk je nog een laatste keer om. Naar dat veld zonder spelers, naar de cornervlaggen die ze uit de grond halen, naar de gaten die ze dichtstoppen in het gras, naar de gedeukte bierbekers die zwijgend achterblijven, die algemene verlatenheid en gelatenheid.
Ook op niet-speeldagen heb ik het stadion en zijn verweerde tribune al bezocht. Op de lege trappen staan, de wind zingt in de scharnieren.



De laatste match op Tribune 2 was in september 2020. Corona hield nog lelijk huis, tegen Eupen kwam de uitzondering om in het stadion met zijn 12.000 plaatsen toch 4.000 toeschouwers toe te laten.  Met mijn oudste zoon was ik uitgeloot; daar zaten we, in onze bubbel van twee, met verspreid over de houten banken nog meer 'gelukkigen' die zich verbijsterd afvroegen waar iedereen was. Er liepen stewards rond, drinken was verboden, rondlopen ook, en natuurlijk moest je je masker ophouden tijdens het roepen en aanmoedigen. Antwerp speelde een enerverende 2-2, en ik kreeg onenigheid met mijn zoon omdat ik wou dat hij nog méér foto's nam van die allerlaatste match in dat ziekelijke halflege stadion. 

Sinds augustus 2021 zijn we gedwongen verhuisd naar de nieuwe Tribune 4. We hebben niet meer het wijde overzicht van Tribune 2, we zitten nu achter het doel waardoor doelpunten aan de overkant soms lastig te zien zijn. De houten zitplanken zijn  vervangen door kuipzetels in plastic, dat was wennen, dat we nu achterover kunnen leunen.   

Helemaal wennen was het seizoen 2022-2023. Antwerp begon met een ongeslagen reeks, 27 op 27, het won de beker van België en  Toby Alderweireld knalde ons in de allerlaatste wedstrijd en in de 93ste minuut naar de landstitel op het veld van Racing Genk. Zijn trefzekere door niemand tegen te houden schot ging pàng in de winkelhaak, wij zaten op de Bosuil met 12.000 rond een groot scherm, er ontplofte een bom, ze was na de oorlog nooit ontmanteld geweest, het dak ging eraf, we bestormden het veld, euforie en opperste verbazing stonden op alle gezichten te lezen, er was deze keer ook dronkenschap van vreugde, iedereen omhelsde iedereen, en ik ging op de knieën om twee plukken gras te ontwortelen die later geen wortel wilden schieten in mijn tuin.

Antwerp speelt zijn kampioensmatch op het veld van Genk. We volgen de match op een groot scherm in de Bosuil. Na het fluitsignaal wordt de grasmat bestormd en worden ook de hekkens van de verlaten Tribune 2 opengeduwd. We nemen opnieuw plaats op onze ouwe vertrouwde ‘tribun’.. (Foto Zn Hertoghs)


Dàn zagen we dat de hekkens naar Tribune 2 werden opengeduwd. Met honderden zijn we de trappen opgegaan. Niet gehaast, niet in looppas, bijna ingetogen zijn we naar onze oude zitplaatsen geklommen en daar hebben we ons neergezet.
Hier zat ik nu met mijn jongste zoon. In 1967 was ik zelf nog een zoon, en zat ik hier met mijn vader en broer en zus. Beneden duizelde het titelfeest, op die ouwelijke zitplaatsen kwam het besef. Al die generaties voor ons hebben hier ook met hart en ziel gezeten, ongeacht of we kampioen speelden dan wel tegen de degradatie vochten. En dàt is niet te slopen, dat is onverwoestbaar. Die liefde houdt alles overeind.

In de laatste thuismatch tegen Union zullen we de puinhoop zien. De ruïne. De zandwoestijn. De fanfare maakt een kwartslag en speelt een eresaluut. Wij staan recht. Bankzitters forever.    

*** Bekijk ook het prachtige filmpje waarin voorganger Guido Belcanto afscheid neemt van “Den Twee” in aanwezigheid van tal van ex-Antwerpspelers; zijn roerende tekst is geschreven door een die hard fan. ***

Foto Zn Hertoghs

Wat erover blijft van de tribune op 18 mei 2025 (foto W. Hertoghs)

   

 

Meer lezen
Winter Jan Hertoghs Winter Jan Hertoghs

<w> De hometown en jeugdjaren van Bob Dylan: zijn buurjongen, eerste drummer en anderen

Deze week verschijnt de nieuwe film over Bob Dylan in de filmzalen. "A complete unknown" portretteert de jonge Dylan die als volslagen onbekende in New York arriveert om daar in de koffiehuizen  op te treden, met later in de film: zijn 'electrische' uitbraak uit het klassieke folkmilieu.
Van zijn nog jongere jaren dat hij als Robert Allen Zimmerman in 'the North Country' opgroeide, is veel minder bekend. Vandaar deze reis naar zijn hometown, het oude mijnstadje Hibbing in het noorden van Minnesota.

© Jan Hertoghs: Humo april 1999 (2de deel in de reeks “Op naar het Wilde Noorden”) - samen met Stephan Vanfleteren

“Hij was verlegen, maar eens binnen, wilde hij het huis van zijn jeugd kamer voor kamer zien en in zijn geheugen prenten.”

© Stephan Vanfleteren (scan uit Humo)

De wind snijdt over de parking van het motel en de wind chill thermometer wijst min 21 aan als we de 300 kilometer naar het noorden aanvatten. De lange stukken highway ruilen we voor de kleinere country roads, we passeren dorpjes als Kerkhoven en Clearwater, duwen het gas in op ingesneeuwde boerenlaantjes en slippen op een grindweg met de groteske naam 555th Avenue. Van langsom verdwijnen de boerderijen en de kromme brievenbussen, ze maken plaats voor bomen waarin geen kraai te zien is en witte meren waar elk geluid verstomt in de sneeuw. Het is stil in het noorden van Minnesota en uit die stilte komt de stem van Bob Dylan. 

Bij een boerderij aan de rand van het Hill River State Forest komt een kringel rook uit de schoorsteen maar verder beweegt er niets, er zijn alleen voetstappen in de sneeuw. Het is een huis aan de rand van de wildernis, aan de grens waar wolven komen als de winter streng is. Minnesota telt meer dan tweeduizend wolven, die doen géén mens kwaad, maar bewoners vinden ‘s morgens soms de waakhond niet meer, alleen nog de ketting en het bloed in de sneeuw. Het was een kluif voor de wolf, heet het dan, ‘een hond aan de leiband, dat is een lolly met vlees.’
Opzij van de boerderij en aan de rand van het bos bevriest de Mississippi; het ijs is dik genoeg om erop te wandelen. Dit ijs moet in het voorjaar nog door eenendertig staten van Amerika, helemaal naar Louisiana op 3600 km van hier. Pas daar kan het mijlenbreed in de warme Golf van Mexico stromen. Nu ligt de Mississippi hier stil, veertig meter breed en toch bevroren als een beek. 

Het laatste stuk highway naar Hibbing is een magere streep asfalt alsof de weg alsmaar dunner wordt en uitrafelt naar het noorden toe. We houden stil om foto’s te nemen en de eerste auto stopt al om te vragen of ‘ze kunnen helpen’. Het gevoel naar een uithoek te rijden neemt toe. Dylan zei zelf dat hij uit een dead end town kwam en dat hem daar maar één ding te doen stond ‘en dat was weglopen’. Maar eens we er zijn heeft het mijnstadje Hibbing (18.000 inwoners) niks van treurnis en niks van een gat of negorij, integendeel, het bezit nog het blauw van de valavond en neons die wenken naar laundromat en liquor store, en bij Mister Nick’s zwaait de kroegdeur open en valt een kegel licht op straat. In deze straten heeft Bobby Zimmerman dus zijn jeugd doorgebracht, een brave jongen in een brave wijk met brave ouders in een braaf stadje in de VS. 

Geboren in Hibbing is Bob Zimmerman niet, dat was in Duluth op honderd km hiervandaan, maar van zijn zesde tot zijn achttiende heeft de Litouws-joodse familie Zimmerman onafgebroken in Hibbing gewoond. De woning in Seventh Street is gauw gevonden, een grijs paviljoenachtig huis met plat dak en tuin, er brandt licht, ik weet, Dylan doesn’t live here anymore, en toch doet het me iets zijn hometown en zijn huis te zien. Want het is hier dat de Dylan opgroeide die nu in de hoofden en huiskamers van miljoenen woont.

Dylan’s ouderlijk huis © Stephan Vanfleteren (scan uit Humo)

Ook bij mij zit een flinke groef. Sara, Mozambique en Hurricane doen me nog altijd aan mijn eerste studentenkot denken, Lay, Lady, Lay was de opener op m’n trouwfeest, Paths of victoryOnly A Hobo, All along the watchtower, Man in the long black coat, Blind Willie Mc Tell, ze zijn me bijgebleven als lampjes van vroegere radio’s, ze gaven licht dat je nimmer vergeet.

Ik moést wel hierheen komen, want kort voor deze reis liep ik door de stad met een in de bib geleende Dylan cd op zak en zag ik iets nuitengewoon:: een langharige in een leren jekker fietste voorbij en speelde al rijdend op een mondharmonica! En wat speelde hij met één hand aan de mond en één hand aan het stuur? Blowin’ in the wind! Als dat geen teken van boven was om mij op Bob’s wegen te begeven!
Blowin’ in the wind heb ik in 1968 nog als een ‘nieuw’ lied leren zingen. De leraar, recht uit het rumoerige Leuven, had het ons  aangeleerd, voor het bord op twee rijen, ‘goed ademen en armen op de rug, jongens'. Met zo'n leraarsbevel zongen wij natuurlijk over onze scheten, my friend, are blowin’ in the wind. Maar het is in mijn herinnering wel een klashymne gebleven, die wij te pas en te onpas ten berde hebben gebracht.

Wij waren de nozems
De eerste avond in Hibbing eten we een hap in Zimmy’s, in rock-atlassen aangegeven als de enige Dylan-place-to-be. De bediening is vriendelijk en de pizza’s zijn groot als wasteilen, maar ze kunnen het amper verstoppen: dit is Dylan quatro stageoni, dit is alles op een hoop gegooid. Concertposters in glas, zwartwit foto’s in de authentieke raamkozijnen van Dylan’s ouderlijk huis en dan verder de gewone Amerikaanse kermis van trekbiljarten, grijpkranen voor knuffelbeesten en drie tv-programma’s die mekaar overstemmen, moet er nog popcorn zijn!?
Meest memorabel is nog het gastenboek, met kreten als Dylan ist der Beste! en Bravo Bob, tu es le meilleur!, maar er zijn ook aandoenlijke hommages, hele bladzijden over hoe Dylan in iemands leven ingetrokken is. Eerbetonen die op het volgende blad al verbleken als iemand het eethuis bejubelt als ‘ an incredible restaurant for the prophet of the century’, alsof Jesaja hier zopas de Comme Chez Soi heeft open gedaan.

De volgende morgen begint uitstekend. Debbie Jensen, de manager van het Hibbing Park Hotel, neemt om negen uur ‘s morgens nog gauw het telefoonboek, Fuller, Funk, Furey, Furlong!, en geen half uur later staat Larry Furlong met zijn zilveren Cadillac en fluwelen zetels voor de deur. Larry is een buurjongen van Dylan geweest (‘I lived one block away from the Zimmermans’) en hij zal vandaag onze gids én chauffeur zijn: "zeg maar naar wie ik moet rijden, jongens, dit is een klein stadje, hier helpt iedereen iedereen."
Larry doet in begrafenisverzekeringen en immobiliën, houdt van Hibbing, houdt niét van de muziek van Dylan, maar hij is wel naar het legendarische concert in Duluth geweest. Dat was vorig jaar in oktober, de allereerste keer dat Dylan in ‘zijn’ geboortestad en in ‘zijn’ Noord-Minnesota optrad, ‘de 7500 plaatsen waren in vijf uur uitverkocht’. Wat Larry zich vooral herinnert, waren de twee fans uit Engeland en Schotland die naar Minnesota waren overgekomen en die uren hadden gewacht om op de eerste rij te staan, ‘dat is iets wat de mensen van Hibbing te weinig weten, dat Bobby een wereldster is, dat beseffen ze hier niet!’
De eerste die we opzoeken is Leroy Hoikkala (59). Hij was vriend en klasmaat van Dylan en speelde als drummer in zijn eerste band, The Golden Chords. Leroy woont in een nette buurt, heeft de foto’s van zijn kinderen en huwelijk in een blinkend lijstje op de vleugelpiano staan en is zopas gepensioneerd als manager van de industriereus US Steel.

Welke muziek speelden jullie eind van die jaren vijftig?
« Rock met ‘n zuiderse invloed. Dat kwam omdat we ùren luisterden naar die rhythm-and-blues radiostations uit faraway places als Louisiana en Tennessee, dat waren ook stations die pas tegen middernacht sterk genoeg door de ether kwamen. We namen die muziek op met een bandopnemer, zo’n ding met van die grote spoelen en daarna probeerden we die songs na te spelen, op het kleine zoldertje van de Zimmermans. We hadden toen nog helemaal geen band, we waren teenagers, amper veertien-vijftien jaar oud. We traden ook niet op, we gingen hoogstens ergens jammen in iemands garage of op iemands barbecue. Bob was wel het meest bezeten door muziek, hij had het erover hoe ik moest drummen, ‘van die blues’, zei hij, ‘van die trage luie be bop blues’. Okay, zei ik, want dat vond ik makkelijk als drummer. Ons eerste optreden met de Golden Chords was in 1958, in The Armory in Hibbing, wij hadden het zelf georganiseerd, een soort rock ‘n roll party, er werden platen uit de top honderd gedraaid, en wij traden ook zelf op, de entree was vijftig cent, en er waren een paar honderd teenagers. We begonnen te spelen, eerst was iedereen stil, pas na een paar hevige nummers had de zaal de sfeer te pakken, dat was heel spannend, je voelde echt dat je iets helemaal nieuw losliet op die jonge mensen, de meesten hadden amper iets van rock ‘n roll gehoord, laat staan het van dichtbij gezien.
Wat vonden Dylan’s ouders ervan? Je leest steeds dat ze niet met hem mee waren, dat ze niks van hem begrepen, dat hij niks mocht, nooit eens laat mocht opblijven..
«Ik vond dat hij geweldige ouders had, heel aardige, heel geschikte lui, en ik heb ze nooit wat onaardigs over Bob horen zeggen, maar het was wel een beschermd milieu en Bob wilde daartegen rebelleren. Dat was zo in de jaren vijftig, je wilde niet je ouders zijn maar James Dean.»

Leroy Hoikkala, de drummer van Dylan’s eerste band. (bron: “Dylan in Minnesota’ van Dave Engel)


Allicht daarom heeft Dylan jarenlang zijn afkomst verloochend. Hij vertelde dat hij een wees was, of opgegroeid in een circus, of een kind van Indianen, of weggelopen bij pleegouders. Zelfs toen geweten was dat hij uit Hibbing kwam, zei hij nog dat hij daar al sinds zijn twaalfde van huis was beginnen weglopen.
«Hij is niet één keer van huis weggelopen, en ik weet ook niet waarom hij zijn afkomst zolang verborgen heeft. Maar ja, hij wilde nu eenmaal liever een bluesy dan een bourgeois imago hebben.»
Dat is in Hibbing wel gelukt, want jullie werden bij de jonge delinquenten’ gerekend. 
« Ja, wij waren the hoods. De nozems in de zwartleren jekkers, kraag opgeslagen, vetkuif, t-shirt met één mouw omgeslagen rond je pakje sigaretten én een peuk in de mondhoek. (lacht) Dat was de stijl zo’n beetje, en we hadden van die ijzeren plaatjes onder onze schoenen, dan sleepte je met je zware engineer boots over de tegels van de school, dat kraste geweldig, that was a big thing! En we reden op een motor natuurlijk! Bob had een tweedehands Harley-Davidson, die had ie zwart geschilderd, en daarmee scheurden we door het stadje, altijd dezelfde straten in en uit, en dààr waren zijn ouders wél tegen. We namen ook meisjes achterop om de stoere bink uit te hangen. Meisjes hoorden erbij, alcohol hoorde er niet bij. Vreemd voor een mijnstadje met zoveel bars en kroegen, maar zo was het, de teens dronken niet, zelfs toen we al optraden in bars, dronken we nog niet.»

 Hoofd naast de rails

Dylan is met zijn motor aan de dood ontsnapt op een spooroverweg. Was jij daarbij?
« Daar was ik bij, ja. En het kwam doordat Bob tijd zo’n zenuwpees was, always moving, nooit willen stilstaan, en we moesten stilstaan voor het rooie licht, wachtend op een trage goederentrein die voorbijschoof, en dat dùùrde en dùùrde, en Bob maar aan zijn gashendel draaien, broom,broom, en toen de trein voorbij was, schoot hij het spoor over en gelijk kwam er uit de andere richting een trein, en toen heeft hij zich in het zand tussen twee spoorbundels laten vallen, zijn motor nog draaiend en de trein is rakelings langs ‘m heen gegaan. De dood ook! Ik stond te trillen op mijn benen, waw man, waw Bob, maar hij klopte het stof van zijn kleren, tilde zijn motor op, keek alles na, keek mij aan, en zei ‘Forget about it!’ Dat was het. En zo was Bob ook, never look back
Was hij in dat motorgroepje the leader of the pack?
« Nee. Bob was een loner, als hij zich ergens bij aansloot, was het vaak maar voor korte tijd. Bob was de man op z’n eentje, de onafhankelijke geest, de egoïst ook wel, mensen voor zich laten opdraven en zo, maar zijn wezenlijk karakter was alleen zijn en zich aan niets of niemand binden. Dat zag ik ook in zijn muziek, hij speelde vaak songs van anderen, maar hij was op zijn best als hij improviseerde, als hij zich aan geen tekst of akkoorden moest binden, dan sloeg hij die snaren aan, dan herhaalde hij een paar zinnen of een paar woorden, een naam van iemand of een plaats uit de buurt, op zich had dat weinig inhoud, maar bij hem kregen die paar woorden dan vleugels en een ziél. Muziek was nooit zomaar wat spelen bij hem, nee, hij wilde altijd een snaar raken om een gevoel te raken, Bob was a blues man
Kon de blues man ook grappig zijn?
« Oh ja, heel grappig, en hij had zo zijn vaste gimmicks. Dan had hij het over een muis met een apensmoel (spreekt "als" een aapje, met de tong tussen de onderlip en de ondertanden), je had ‘m moeten horen, hele verhalen verzon hij, en lol dat hij had!»
Dylan heeft nog altijd dat aureool van sociale bewogenheid. Sommigen zeggen dat hij die bewogenheid opdeed toen hij voor zijn pa geld moest ophalen bij de mijnwerkers. 
« Dat verhaal klopt, de mijnwerkers kochten hun tv’s en radio’s en huishoudtoestellen bij Bob’s vader, die had zo'n uitgebreide electrowinkel. Maar als het slecht ging in de mijn, of er waren stakingen aan de gang, dan kochten ze op krediet en Bob moest die maandelijkse afbetaling soms gaan collecteren. Als zo’n mijnwerker blut was, moest hij die tv of radio weghalen uit dat huis, en mogelijk heeft hij van die ellende wat meegedragen, dat zou kunnen.
Wanneer zag je hem voor het laatst?
« Dat is vele jaren geleden, maar met zijn moeder heb ik nog lang contact gehad. Als ik daar kwam, dan lagen er altijd briefjes van haar, dat Bob aan de telefoon naar die en die had gevraagd en dan vertelde ik hoe het met die maten van hem ging, en dan kon zij dat aan Bob vertellen als hij weer eens belde.
Luister je nog naar zijn muziek? 
« Oh ja, ik volg ‘m nog altijd, zijn live-albums heb ik bijna allemaal, en ik draai ze vaak, ik kan er nog altijd in opgaan. Sommigen zeggen dat hij geen stem heeft om te zingen, maar wat heb je aan een zangstem als je d’r niks bij voélt? Bij hem voél je iets, bij hem word je iets gewààr.» 
Hoe reageren mensen erop dat je hem als vriend kende?
« Vaak doen ze dan een stap achteruit, zo van :waw, you were his friend! Zij zien dat als jij-was-de-vriend-van-een-superster. Dat is nonsens, ik ben alleen maar de vriend van een jongen uit Hibbing geweest, that’s all.’»

Hibbing in de winter en in de sixties (uit “Dylan in Minnesota” van Dave Engel)

 Ik heb zijn kamer verkocht 

We nemen afscheid, de gepensioneerden Larry en Leroy informeren naar mekaars gezondheid en die van de vrouw, er staan hen heel andere jaren zestig te wachten. En dan is het off to Hibbing High School. Het is een high school als in de film waar luidruchtige jongelui met boeken onder de arm van de ene klas naar de andere dweilen en bij de lockers het meisje aanspreken dat al een afspraakje heeft. En ja, hier had ik wel school willen lopen, wat een fantastisch gebouw, met zwembad en worstelklas, met marmer in de gangen en statige trappen en grote muurschilderingen in de hall.

'Wil je de vrouw spreken die het huis gekocht heeft van de Zimmermans,’ vraagt Larry, ‘ze werkt hiér! Hi Angel, these guys are from Belgium!’
Angel Marolt en haar man kochten het huis in 1966 van Abe en Beatty Zimmerman :’ Heel sympathieke mensen, ze vroegen 26.000 dollar, ik schreide en zei dat wij zoveel geld niet hadden en toen kregen we het huis voor 22.000 dollar.’ Angels gezin heeft er 21 jaar gewoond, en ze heeft nogal wat Dylan-fans aan het tuinhek zien passeren, ‘maar nooit problemen, nooit iets uit de tuin gestolen als souvenir, hoogstens is hier en daar wat bezetting van de muur gekrabd, och ja, dat zou er toch afgevallen zijn. Af en toe belde wel ‘ns iemand aan of hij het huis ook vanbinnen mocht zien, maar dat wou ik niet, tenzij die fans van heel ver kwamen. Ik heb jongens gehad uit Europa, helemaal door de States tot in het noorden van Minnesota gelift, dan kan je moeilijk de deur dicht houden’. 

Of Dylan het ouderlijk huis nog bezocht heeft toen zij er woonde. ‘Tweemaal is hij nog langs geweest. Eén keer met zijn vrouw Sara en de kinderen, en een keer op z’n eentje in 1985. Hij wist blijkbaar dat we het huis wilden verkopen en hij wou het nog één keer zien. Ik zag een auto op straat, die stopte nu eens voor het hek en dan weer om de hoek, ik ging zien wie erin zat, en toen de man me zag, wilde hij wegrijden, maar ik wuifde, hij draaide zijn venster open en het was Bob Dylan. Kom erin, zei ik. Nee, zei hij, ik wil je niet storen, er staan twee auto’s op de oprit, dus je hebt bezoek. Nee, zei ik, ik ben alleen thuis en pas toen durfde hij binnenkomen. En hij wou alles nog eens zien, van de kelder tot de zolder, elk hoekje en plaatsje nam hij in zich op, he was very nostalgic about it. En hij was ook verlegen, praatte met een hele zachte stem en niet één keer heeft hij me aangekeken, shy as he was!’

Het oorspronkelijke interieur van de Zimmermans, het salon, de eetkamer, de sofa, de stoelen, én de kamer van Bobby Zimmerman heeft ze nadien verkocht aan een man uit Chicago. ‘Hij zei dat hij een verzamelaar was. Voor mij was het toch maar een huis als een ander en ik heb het allemaal in één keer verkocht. Voor hoeveel? Voor iets meer dan wat je geeft voor een tweedehands inboedel, dus zeker voor veel te weinig geld. Misschien haalt die man het wel boven als Dylan dood is, je weet hoe dat gaat!’
In ’87 is Angel verhuisd, ‘een platenfirma heeft het huis nog willen kopen, maar het stadsbestuur was tegen ‘iets commercieels’ in die buurt, en nu woont er opnieuw een gezin in de woning.  

Steinway schoppen

Charles Miller: “Wat hij zong , kwam recht uit mijn cursus.” © Stephan Vanfleteren (scan uit Humo)

We schudden de hand van Charles Miller, 81, en oud-leraar sociale wetenschappen van laatstejaars Bobby Zimmerman. Hij draagt bretellen en een berenmuts en maakt met zijn ouwe knoken nog een vuist: ' Young man, deze prachtige high school is er gekomen op kosten van de mijnbazen, maar ik mocht in de klas vrijuit zeggen dat ze de arbeiders uitzogen, geen directeur die me wat zei. Dit was een geweldige school, I got complete freedom of speech!’ Met niet weinig trots toont hij het schitterende auditorium met zijn 1800 goudfluwelen zitplaatsen en zijn zware kristallen luchters ‘uit België!’ Grote feesten van de school, historische speeches van de principal en de muziek van machtige orkesten is hier over de hoofden gegaan en ook Bobby Zimmerman is hier tweemaal voor een vol huis opgetreden. Het zijn de legendarische schooloptredens waarbij z’n driekoppig rock ‘n roll bandje door een groot deel van de studenten werd uitgelachen en uitgejouwd. 

 De Steinway waar Dylan toen op speelde, lééft nog altijd. Twee klusjesmannen van de school zullen ze speciaal voor ons uit de coulissen halen, een lage kast plooit open, en uit dat donkere tabernakel komt de 77 jaar oude Steinway, de vleugel heeft krassen op het blad en littekens waar splinters zijn afgebroken. Eén van zijn ruwste toetsenisten is zonder twijfel Bobby Zimmerman geweest. Charles Miller weet het nog: ‘Boy, stond hij daar te springen en te dansen achter die vleugelpiano, hij speelde niet, hij hamerde op die toetsen, eerst schakelde de directeur de versterkers uit, maar toen Bob bleef doorgaan, heeft ie het doek laten dichttrekken, en omdat hij dan nóg doorspeelde, heeft hij ‘m van het podium gestuurd! Ik moet zeggen, ik was ook geschokt, it was so loud, en nadien zagen ze dat hij het pedaal van de piano eraf had gestampt, zo hevig was hij tekeergegaan!’ 

Was Dylan in de klas ook zo’n luide bek? ‘Nee, in de klas was hij eerder teruggetrokken, hij zei alleen maar wat als je hem iets vroeg. But he had a mind, de dingen die hij zei en de verhandelingen die hij schreef waren helder en heel uitgesproken, daar was over nagedacht. Ik gaf mijn leerlingen ook stof tot nadenken, als er sociale onrust in de mijnen was, dan legde ik uit hoe de mijnbazen de stakingen probeerden te breken met knokploegen, patsers die met revolvers en baseballknuppels rondliepen om de arbeiders af te tuigen of neer te schieten. Ik leerde ze ook het belang van vakbonden inzien en hoe de bazen de unions vreesden; ze gingen zover dat ze postbodes omkochten om gesyndiceerde arbeiders te verklikken, als ze zagen dat iemand post van de vakbond kreeg. Ja, jongen, over mijn lessen werd thuis aan tafel nog gesproken. Op een dag belde een pastoor zelfs op om te zeggen dat ik moest stoppen met mijn rooie ideeën. Go to hell, heb ik hem gezegd! (fier) Ik word in één van Bob’s biografieën vermeld als de eerste bij wie hij zijn progressieve ideeën haalde. Ik weet nog dat ik voor het eerst ‘Blowin’ in the wind’ en The times, they are a-changin’ hoorde en dat ik dacht, verdorie, dat komt recht uit mijn klas!’ 

Het auditorium van de high school met de Steinway waarop Dylan enkele rocknummers “hamerde”. Zie ook de luchters van Belgisch kristal. © Stephan Vanfleteren

 Come back, kid

This was High School, zegt Larry laconiek. Hij draait de sleutel in het contact en rijdt ons naar zijn ouderlijk huis, om de hoek van the Zimmermans. Hij stopt bij het pleintje waar ze als buurjongens nog samen baseball en hockey hebben gespeeld. Als kind waren we close, zegt hij, maar op high school zijn Bob en ik uit elkaar gegroeid. Ik was een sportman, lid van het hockeyteam, hij was de muzikant en de straatloper, two different worlds. De laatste keer dat Larry Dylan nog van dichtbij zag, was in ’85 , het best herinnert hij zich nog zijn bezoek in ‘69: ‘ Bob was toen naar de tiende reünie van de graduates van ’59 gekomen. Ik ben met hem en Sara en de kinderen nog door onze school gelopen. In het auditorium waar hij was uitgejouwd is hij lang gebleven, hij heeft één van zijn kinderen op zijn schouders genomen en is er toen alle trappen mee opgelopen tot hij helemaal boven was. Boy, ik wou dat ik toen in zijn hersenen had gekund om zijn gedachten te lezen. 
Toen we nadien in de reüniezaal kwamen, zat daar driehonderd man, die wilden allemaal een handtekening en hij is weggegaan, we zijn ergens een glas gaan drinken met een paar vrienden, hij haat het als ze hem zo willen omringen. Ik zei toen dat mijn moeder nog foto’s had van toen hij klein was en of hij ze wou zien. I’d love to, zei Sara, en toen zijn ze bij ons thuis geweest en mijn moeder maakte de blikken doos open met al die zwartwitte prentjes van toen we klein waren, en Sara zei: ‘Weet u wel dat die foto’s duizenden dollars waard zijn?’ Ze zijn niet te koop, zei mijn moeder, en toen heeft ze een groot pak van die foto’s aan Sara gegeven, here, I give them to you. Ja, jongens, zo zijn wij hier. Ik had van heel die bezoekdag ook foto’s genomen, de vrienden waar hij langs ging, ons pleintje, de high school, Bobby back in Hibbing you know. Niks heb ik gehouden, elk filmrolletje heb ik hem gegeven. Eerst wou hij ze niet aannemen, maar ik wou het, omdat ik weet dat hij van zijn privacy houdt en zo was ik zeker dat niemand anders ze ooit in handen zou krijgen. Het zijn de foto’s van zíjn leven, ik heb daar geen recht op. Ook al omdat het zo’n hard leven is, overal klampen ze hem aan, overal moeten ze iets van hem, het is de tol van de roem. Wel, ik vraag geen tol, ik moet niks hèbben, dat joch was mijn buurjongen, met die herinnering alleen heb ik genoeg.’ 

Zo vertelt Larry en intussen laat hij het ouwe Hibbing zien, de winkel waar Dylan’s vader werkte, de terrils buiten de stad en de gaten in het landschap van de open ijzermijn. Dan legt hij de motor stil op een heuvel, Hibbing ligt in de voorruit en daar gaan zijn gedachten naar uit:’ In juli vieren de graduates van ’59 hun veertigste reünie, en al veel mensen hebben me gebeld of Bob er ook zal zijn, want dat zou velen plezieren, er zijn nog genoeg mensen die hem een warm hart toedragen. Maar ik weet zeker dat hij niet zal komen omdat hij de media schuwt. En toch spring ik op als ‘s avonds de telefoon gaat, ik weet dat het niet kan, maar elke keer verwacht ik een stem te horen die zegt ‘Hi Larry, this is Bobby... ‘

 Bob Who?

Tussendoor lopen we nog langs de bibliotheek, in een kleine kelderzaal is een Bob Dylan Room ingericht. Niet door de bibliothecaris van Hibbing, maar door een fan uit Wisconsin. Het zijn maar plastic plakkaten, een tijdlijn, een biografie en een discografie opgehangen aan spijkers, maar het is tenminste iéts, en zo kom je nog te weten dat het befaamde blad Life Dylan in 1990 bij de Twintig Invloedrijkste Amerikanen van de Eeuw rekende. In Hibbing is daar vooralsnog weinig van te merken.

De cover van het boek van Dave Engel, met een foto van Dylan in het schoolalbum (1958)

Manager Debbie heeft intussen niet stilgezeten, of we met Steve Jurenes willen praten, zijn zus is getrouwd met David, de zes jaar jongere broer van Dylan. Wow, we zitten al bij de aangetrouwde familie, straks spreken we nog met His Masters Voice zelf.
Steve heeft van zijn werk een uurtje vrijaf gekregen voor dit gesprek, hij schudt ons hartelijk de hand, en met een haast naïeve openhartigheid ("So, what can I do for you guys?!) zal hij gelijk over de familie vertellen. Dat Dylan nooit de verjaardag van z’n moeder vergeet, dat hij geregeld het graf van zijn vader in Duluth bezoekt en dat hij ook nog wel eens door Hibbing toert omdat een oom hier nog in de buurt woont. En geloof niet diegenen die zeggen dat hij dan in een zwarte limousine met donkere ramen rijdt, dat is flauwekul, zegt Steve. Dylan rijdt in een pick up zoals er buiten op de parking wel tién staan. Hij rijdt altijd in gewone wagens, he’s a real down to earth guy, heel gewoon, heel onopvallend, en dat maakt dat hij weinig herkend wordt, hij heeft daarvoor geen limousine nodig. Steve ging met hem een keer naar een football match, ‘Dylan droeg toen dezelfde kleren als op de hoes van één van zijn albums, het was dat vestje van Street Legal, en dan nog herkenden de mensen hem niet.’ Het ligt ook wel aan Minnesota, zegt Steve, zelfs als ze hem herkennen, zullen ze zich nooit aan ‘m opdringen, ‘zo zijn ze hier’. Vandaar dat Dylan hier ook wil wonen, op drie plaatsen in de VS heeft hij een huis, één daarvan is een boerderij in Minnesota, een eind buiten Minneapolis. Steve heeft er met zijn vrouw één zomer verbleven om op de kinderen van Dylan te passen. ‘Het was een fijne plek, hij had er eenden en schapen en varkens lopen, de geiten sprongen op zijn auto en zijn kinderen holden achter de biggen aan, we had a great time!’ 

‘Dylan heeft die boerderij laten ombouwen tot een groot woonhuis, het is een farm met een traditioneel zadeldak en met een groot venster dat uitkijkt op een kreek, ùren kon hij aan dat venster zitten kijken. Die woonplaats is something special. Tegen de onderkant van het plafond zit stro, net alsof iemand de bussels naar het plafond heeft gegooid; er is een fantastische open haard helemaal in rots en natuursteen,  als verlichting hangt er een karrewiel met lampen, en in het midden van die grote woonruimte staat een wagon wheel dat als tafel dienst doet, met ergens ook nog een wegwijzer naar Highway 61 (Dylan maakte in 1965 het album Highway 61 Revisited,jh). Vlakbij de boerderij heeft hij ook een ruimte ingericht als recording studio, daar zat hij vaak te schrijven, maar hij vertelde nooit waarmee hij bezig was. Op die boerderij had hij ook zijn collecties staan, zijn verzameling oldtimers en ook paardjes van oude kermismolens. Wij woonden met zijn kinderen in een apart huisje en als er onbekende bezoekers op het erf kwamen, moesten we die afwimpelen. Je had van die fans die pal in ons gezicht zegden, 'we know Bob Dylan lives here', en dan zegden wij, Bob who??? In het dorp doen ze net hetzelfde, het is zo’n plaatsje met een paar honderd inwoners, één main street en één liquor store, iedereen weet dat Bob Dylan die farm heeft, maar niemand zal iets over hem vertellen, niemand zal een vreemdeling de weg wijzen, ze respecteren zijn privacy.

Met nonkel Bob in de keuken

Als er familiefeestjes zijn, wordt er dan soms over zijn muziek of optredens gesproken? Nooit, zegt Steve, onder familie wordt alleen over family matters gesproken. Wat je wel  kan doen, is hem plagen. Hi, Bob, ik heb gehoord dat je platen maakt en dat je hier en daar optreedt, je begint een beetje bekend te worden, hoor ik. Dat kan hij pruimen, maar je moet ‘m nooit naar de inhoud van zijn laatste album vragen, that’s not done. Of vragen om gitaar te spelen, dat is helemaal not done. Ik heb ‘m trouwens nog nooit in familiekring zien spelen. Op die familiefeestjes is hij ook geen luidruchtige nonkel Bob. Meestal neemt hij een stoel en gaat hij in de keuken zitten, daar waar weinig mensen zijn. Maar hij is benaderbaar, hij praat, en als ik ‘m in één woord zou moeten omschrijven, dan zou ik zeggen dat hij écht is, he’s genuine. Als hij tegen je zegt, nice talking to you, dan meent hij dat. Maar je voelt ook wel dat hij anders is, dat hij intellectueel sterker is, he’s different from the crowd, he’s an artist. ‘

Steve weet ook wel dat hij amper met journalisten praat, dat hij amper te benaderen is en dat interviews met hem cryptisch of heel oppervlakkig kunnen zijn: ‘Zo is hij met de media, maar zo is hij niet met zijn familie omdat wij ‘maar’ familie zijn, wij laten hem gerust, wij zitten niet op zijn huid.
Of Steve weet waarom hij in ’97 voor de paus van Rome is opgetreden? ‘Ik denk dat hij veel respect had voor de paus, hij ziet ‘m als een staatsman, als een president, als een belangrijke man in de wereld, en ik denk dat hij het een eer vond om voor ‘m op te treden. Veel mensen zijn daarover gestruikeld dat de rebel Dylan voor zo’n conservatief wilde optreden, maar ik denk dat Dylan niet meer zo rebels is, ik heb de indruk dat hij na zijn scheiding in ‘77 een stuk behoudsgezinder is geworden. Hij is ook nog een tijdje Born Again Christian geweest eind van die jaren zeventig, dat is wel voorbijgewaaid. Dat was meer iets dat hij wilde proberen zoals het verzamelen van die oldtimers en die kermispaardjes. Wanneer dat voorbij was, was het definitief voorbij.' 

Excuses voor het boegeroep

'Al die kritiek op dat christen zijn en dat spelen voor de paus, dat raakt ‘m niet, dat glijdt van hem af. Als iets ‘m echt geraakt heeft, dan denk ik nog altijd dat het die twee optredens in de high school zijn geweest, toen hij daar in het auditorium werd uitgejouwd. Hij was dan wel die coole rocker in die leren jekker, tegelijk was hij nog jong en kwetsbaar en hij heeft dat heel persoonlijk opgenomen. Het feit dat hij zich zo weinig in Hibbing vertoont, of geen memorabilia wil schenken aan de stad heeft daar zeker mee te maken. Een inwoner heeft al voorgesteld om een straat naar hem te noemen, die man is door het stadsbestuur weggelachen, en hij weet dat, hij komt dat te weten, en het maakt hem niet milder tegenover Hibbing.
Toch heeft Hibbing nog een plek in zijn hart, dat weet ik zeker. Maar hij zit met die hard feelings, ergens voelt hij zich uitgejouwd en aan de deur gezet door Hibbing. Het lijkt er soms op dat hij nog altijd op een excuus zit te wachten.’ 
Moeten ze het auditorium van de high school naar hem noemen? Dat kan hij toch ook als hypocriet ervaren? ‘Zo’n gebaar zou toch betekenen dat ze hem terug willen, ik denk dat hij het een eer zou vinden.'

 Spookbestaan

Steve vraagt of Dylan ‘big is in Belgium’? Ik vertel ‘m onder andere dat zijn naam vaak in interviews opduikt omdat artiesten bij hem zoveel inspiratie vinden. En dat ik in mijn eigen hometown Deurne  een uitstekende tribute-band hoorde spelen: Roland, Guy Swinnen, Kris De Bruyne, Jan Hautekiet, Patrick Riguelle, Bruno Deneckere en Wannes Van De Velde, zes artiesten die een hele avond Dylan-covers brachten puur als hommage aan hun held. Steve schudt zijn hoofd: "In Hibbing beseffen ze niet half hoe groot hij wel is. Outside he is a hero, here he is a ghost’. Iedereen weet van zijn bestaan en zijn beroemdheid, maar omdat niemand ‘m hier ziet of hoort, is het alsof hij niet echt bestaat voor dit stadje’. 

Steve zelf weet maar al te zeker dat Dylan bestaat, ‘ik heb ooit een aanrijding met ‘m gehad! We waren op de verjaardag van zijn moeder, en ik had toen net een nieuwe wagen. Ik was gek op die auto, ik poetste en boende hem elke dag en Dylan had me nog geplaagd, hé Steve, wat zou je ervan vinden als ik ertegen zou botsen?’ Een tijdje later ging hij naar huis, maar vijf minuten daarop stond hij weer in de keuken, helemaal bleek en bedremmeld: Steve, je zal me niet geloven, maar ik ben per ongeluk tegen je auto gereden en de grill en de bumper zijn nogal geraakt. Ik zakte door de grond, ik dacht dat ik dood ging, maar ik ging niet dood en ik ben zelfs niet kwaad op ‘m geworden, you can’t be angry on Bob Dylan, can you? En ik weet nog dat ik met die kapotte grill in de garage kwam en dat die man zei: ‘Ik heb net telefoon gehad van de man die uw schade gaat betalen, en hij zei dat hij Bob Dylan was. Dat kan niet, hé?! Nee, heb ik gezegd, dat kan niet.’ 

De overweg waar Dylan bijna dodelijk verongelukte. Vroeger was er nog een dubbel spoor. © Stephan Vanfleteren (scan uit Humo)

 De laatste morgen in Hibbing gaan we naar de plek die Leroy Hoikkala ons gewezen heeft, de overweg waar Bobby Zimmerman in 1958 met zijn motor bijna onder de trein, bijna blood on the tracks is geweest. Eén halve meter verder en er was geen sprake van hem. Op de railroad crossing van Brooklyn is het min veertien, wind jaagt de ritselende sneeuwvlokken over de overweg, en dan komen plots de koplampen van een goederentrein uit de verte . We horen het stampen van de diesel en het heldere geluid van de bel op de locomotief, hij fluit en fluit en komt traag, traag dichterbij. Pas na vijf volle minuten is hij aan de overweg, de machinist zwaait, we zwaaien terug, dan duikelen we uit die bittere kou als gek weer in de warme auto. En we weten het zeker. Met die slow train coming heeft Dylan een teken gegeven. Met die wind and snow in the north country fair was hij terug in Hibbing.  

* * * * *
Nawoord (1) : Drummer Leroy Hoikkala is intussen gestorven: op 29 april 2020.
(2)
In Hibbing is toch een en ander beginnen bewegen rond Bob Dylan. Vooral na 2016 toen hij de Nobelprijs kreeg. Voor de Hibbing High School is een herdenkingsmonument opgericht,. (Zie hieronder(. Larry Furlong en zijn dochter waren mede-initiatiefnemers.

Hieronder: pas later gelezen. Heerlijke compilatie van Dylan-ontmoetingen met vooral onbekende fans -hopelijk online nog te vinden?

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Hoe Herman Selleslags België zag veranderen

Nog meer dan anderen zien fotografen hoe mensen, steden en dorpen veranderen.
Daarover verscheen een reeks in Humo waarin ik met oudere (pers)fotografen sprak: De Donkere Kamer van België (2011).
Herman Selleslags was één van hen. Hij had alles zien veranderen na de oorlog. “Coca Cola kwam op en van de meester moest heel de klas het proeven. Ik zei: het smaakt naar afwaswater”.
De blue jeans, de jukebox, het lange haar, de nieuwe snelwegen, dat alles heeft hij zien verschijnen.
Een terugblik door een lens, door een oog dat het leven wilde bewaren “voor later”.

(c) Jan Hertoghs

© j hertoghs

"Op de tram is ieder verdiept in zijn gsm. Niemand kijkt nog uit het raam, niemand kijkt nog naar het werkelijke leven." 

Hij is van het bouwjaar 1938, twee jaar jonger dan Humoradio. Niet dat Herman Selleslags alleen voor dit blad gewerkt heeft. Hij heeft voor àlles gewerkt: dag-, week- en maandbladen, maar ook voor het theater, de vakbond, de autofabriek en het stroombedrijf. Op zijn twaalfde was hij al onderweg, samen met zijn vader Rik die een eigen fotobureau had. Vanaf zijn zestiende deed hij opdrachten op z'n eentje "en op die leeftijd hield mij dat al bezig, dat ik fotografeerde voor later."

"Op m'n twaalfde ben ik beginnen helpen in de donkere kamer van mijn vader. En ik mocht ook met hem mee: statief en glasplaten dragen, licht opstellen, die hele voorbereiding. Op m'n zestiende fotografeerde ik zelf en werd ik met journalisten van dag- en weekbladen meegestuurd. In feite was ik hun aanhangsel, zij wézen wat ik moest fotograferen. Daarnaast nam ik de foto's die ik zelf de moeite vond, die gaf ik ook af op de redactie. Die vrije fotografie vond ik natuurlijk beter dan die verplichte foto's. Op m'n achttiende dacht ik heel simpel: als ik van elk onderwerp, van elke reportage één goeie foto overhoud, ben ik binnen tien jaar beroemd. Dan kan ik in het museum gaan hangen. Terwijl ik als jonge gast een hékel aan musea had (lacht)! Dus ja, zelfzekerheid te over.
Het motto van vader was: we specialiseren ons niet, we doen àlles. We werkten voor Het Handelsblad, De Post, Ons Land, Humo, noem maar op. Maar naast die dag- en weekbladreportages heb ik evengoed huwelijken gedaan, bedrijfsfotografie en publiciteit, veel theater, film en klassieke concerten, werkelijk alles, alles, alles. 

Tankstation van Hopper
Als je veel onderwerpen voor veel opdrachtgevers wilde doen,  moest je een auto hebben. Mijn vader en ik, wij deden onder ons beiden al honderdduizend kilometer per jaar in de jaren vijftig. Voor mezelf denk ik dat ik tussen 1955 en 2005 2,5 à 3 miljoen kilometer heb gereden, waarvan zeker driekwart binnen die kleine driehoek van België.
De nieuwe Koning Boudewijnsnelweg, of althans het eerste  gedeelte tussen Antwerpen en Herentals, heb ik nog gefotografeerd. In 1958, dat was toen de tweede snelweg in België, nà Brussel-Oostende (1956). Ik weet niet meer voor welk blad, maar ik moest dat informatief fotograferen. Zodat de lezers zouden zién, dit is nieuw, dit is voor auto's, dit is om op korte tijd grote afstanden te overbruggen, en zo ziet het eruit! (lacht) Ja, hier spreekt iemand over een tijd toen er nog geen tv was om zoiets uit te leggen!
Er waren twee rijstroken in elke richting, maar er was op dat moment zo weinig verkeer dat ik mijn eigen auto mee op de foto heb gezet. Vanop die snelwegbrug ben ik via een zijweg op die snelweg gereden, zo simpel toegankelijk was dat nog, niks grachten of vangrails. En dan heb ik die auto in de zijkant van dat beton gezet als bewijs dat die wijdse baan voor auto's moest dienen!

Dat die spoorwegmaatschappij van de jaren vijftig heel snel een automaatschappij is geworden, dat staat vast. Maar je staat 's morgens niet op: hola, de wereld is veranderd, d'r zijn meer auto's dan gisteren! Als dat aan het gebeuren is, dan sta je daar niet bij stil. Het is pas achteraf dat je dat beseft.
De eerste tankstations (met een drive-in naar Amerikaans model) dat moet eind de jaren vijftig zijn geweest. Die eerste stations werden meestal bij bestaande autogarages aangebouwd, de selfservice was er nog niet, een pompbediende kwam je tank volgooien. Dat had iets romantisch toen, een tankstation in de avond. Overal, en dan zeker op de buiten, was het nog donker, en dan doemde daar die kleine lichttempel op: een stukje beschaving aan de rand van de wildernis, helemaal zoals in dat schilderij van Hopper. Ik heb nog lang zo'n bolvormig melkglas gehad met het logo van Esso: dat was zo'n "ballon" die bovenop de pompen stond en die 's avonds verlicht was.
's Nachts sloten de pompstations. Als ik begin jaren zestig naar Cannes reed, moest ik voor tien uur 's avonds mijn tank volgooien en dan kon ik ongeveer doorrijden tot vijf uur s' morgens, want dan gingen de eerste tankstations weer open langs de Route Nationale 7. Zelfs op die 1400 km naar Cannes waren toen geen snelwegen. Toch lapte ik die 1400 km af in goed veertien uur want 's nachts was er amper verkeer op de weg. Een autoreis naar Cannes, dat was toen nog geweldig. Al mijn copains keken naar mij op: naar Cannes, Herman, amai! fantastisch! Als je nu zegt dat je naar Cannes rijdt, dan vallen de omstaanders in slaap terwijl je 't vertelt!

Hardrijder
Vroeger waren er ook amper snelheidsbeperkingen buiten de agglomeraties. Als ik eind jaren zestig 's nachts terugkwam van een opdracht in Amsterdam, was ik met m'n auto - toen een knalrode Mercedes- op anderhalf uur in Antwerpen. En dan moet je weten dat er alleen maar snelweg was tot Breda en dat de rest rijks- en steenwegen waren, en je aan de grens ook nog moest stoppen bij een slagboom en een douane die de in- en uitvoerpapieren van je camera moest afstempelen. Dan nog ging het zo rap!
In 1973 maakte ik een reportage met Will Tura, we waren bij hem thuis en ineens wordt hij gebeld door zijn bassist: "Will, het is ermee gedaan!"' Je denkt aan iets ernstig, iets fataal zelfs, maar die man had het over de nieuwe wettelijke snelheidsbeperkingen op de snelwegen! (lacht) Tura was een notoire hardrijder, en maximum 120 per uur, dat was natuurlijk slécht nieuws voor hem. Die maximum 120 is er overigens niet gekomen voor de veiligheid, maar vanwege de oliecrisis!
A propos, mijn vader reed ook hard. Hij had een Ford décapotable, een zescilinder, en in de jaren dertig had hij ooit nog gekoerst tegen een express-stoomtrein in Tsjecho-Slowakije, en die trein had gewonnen. Dat stàk hem natuurlijk, en ook dat die lelijke machinist nog gewuifd had vanuit zijn locomotief. Dat heb ik hem heel zijn leven horen vertellen (lacht).  

Nog iets dat met auto's te maken heeft, en dat nu zo goed als verdwenen is: de sticker of zelfklever! Dat is in de jaren zestig begonnen met naar het buitenland te reizen, de mensen waren in Tirol of de Zwitserse Alpen geweest en plakten een sticker van die vakantieplaats achterop hun auto. Pas op, IK heb dat niet gedaan hé (lacht) Het was zo'n beetje uitpakken met waar je per auto al geweest was, net zoals ze vroeger van die klevers op de valiezen plakten. In de jaren zeventig zijn daar de stickers van alle mogelijke actiegroepen bijgekomen. De auto was een uithangbord, een manier om je overtuiging te laten zien.

Bloed op de drempel
(Toont een foto van sjofele Italiaanse gastarbeiderskinderen bij hun noodbarakjes naast een terril in Winterslag) Dat is een foto van mijn vader, begin jaren vijftig. En natuurlijk fotografeerde ik dat ook, die armoede van toen. Ik vond: alles wat je zag, dat moest je kunnen fotograferen. Zo ben ik in de jaren vijftig voor Het Handelsblad foto's beginnen maken in de rechtbank. De betichte, het slachtoffer, de familie, ik zette ze d'r allemaal op, zonder enige morele rem. Ik was jong, ik stond daar niet bij stil. A propos, de patron die dat soort saillante foto's graag publiceerde was Jan Merckx, de man die later de "vader van de VTM" is geworden! Er was toen nog geen wet op de privacy. Als de rechter niks zegde, dan kon je gewoon je gang gaan. Ik weet ook nog dat ik in de Antwerpse hoerenbuurt een keer voor een moord ter plaatse moest gaan. En in dat huis heb ik de met bloed besmeurde drempel gefotografeerd, niet bepaald fijngevoelig, en nu zou ik er zelfs niet meer aan denken om zo'n plek nog maar te benaderen. Maar toen vloog ik erin: hier ben ik, hier is de fotograaf, alleman opzij. Toch wel verschrikkelijk...
Ik heb dat altijd gehad dat ik àlles wilde registreren. Maar met ouder worden, zeg ik erbij: niet alles wat je fotografeert, is ook om te publiceren.

Verwarmd wegdek
Ik ben de huisfotograaf van Humo geweest, maar evenzeer van  EBES (de voorloper van Electrabel).  Als je spreekt van veranderingen, dààr zag je de wereld veranderen. Want voor hun bedrijfsblad en voor het huis-aan-huisblad (met Reddy Kilowatt!) lieten ze me alles fotograferen: oude en nieuwe stroomkabines, oude en nieuwe schakelaars en stekkers, de eerste elektrische kookplaten én de eerste pylonen van de hoogspanning. Ook niet te vergeten: hun gepensioneerde bedienden en kaderleden. Elk jaar hadden die een groot diner, en die aanblik van duizend mànnen allemaal in wit hemd en das aan lange feesttafels gezeten, dat is surrealistisch als je dat nu terugziet. Die zelfgenoegzaamheid, die ernst en dat vol zijn van die "belangrijke job", dat spat er gewoon vanaf. 
Elektriciteit kwam toen zwaar op eind jaren vijftig, begin jaren zestig: elektriciteit ging de ziel van de maatschappij worden, en op elk gebied wilden ze de elektriciteit toen introduceren. Bij de bouw van het grote viaduct aan het Antwerpse Sportpaleis (eind jaren zestig) had Ebes het lumineuze idee om verwarming aan te brengen in het wegdek zodat de weg 's winters ijzelvrij zou blijven. Daarbij vergetend dat er ook smeltwater ontstaat en dat dat water opnieuw aanvriest daar waar die wegverwarming ophoudt. Waardoor je dus aan het begin en aan het eind van die brug een grote ijsplek kreeg (lacht). Twee dagen heeft dat gewerkt en toen was het ermee gedaan. Dat moet pakken geld gekost hebben en als het niet uitgebroken is, zit het daar nog altijd in.
Ook de bouw van de kerncentrale in Doel heb ik gedocumenteerd, dat was ook van Ebes. Iedereen kent dat zicht van de dampende koeltorens, ik heb er nog binnenin gestaan toen ze die begin jaren zeventig aan het bouwen waren.

De éérste TV
De Wereldtentoonstelling van 1958, de Expo, dat heeft België een boost gegeven. Van dan af kon alles, van dan af was alles mogelijk. En iedereen hoopte, nee, iedereen was zeker dat het alleen maar beter kon gaan. De mensen waren op zoek naar nieuwigheden, naar alles wat het leven comfortabel kon maken. Humo speelde daarop in, begin jaren zestig was er elke maand een tv te winnen bij Humo. Elke maand laadde ik die tv in mijn auto en ging ik die met redacteur Karel Anthierens thuis bezorgen. Dat waren grote cadeau's, al die mensen hadden zonder uitzondering nooit een televisie in hun huiskamer gehad. Toch besefte ik: dit gaat niet blijven duren. Er gaat een tijd komen dat de mensen een televisie heel gewoon en zelfs banaal zullen vinden. Maar toen kon je alles vragen: hier is de nieuwe tv, kom we gaan ermee op straat. En de mensen poseerden op straat, met die tv, en zo fier als een gieter. Je ziet, ik gebruikte hier een flash, op de middag en in volle daglicht, dat deed ik bewust, want zo gingen die kaken en die voorhoofden nog meer blinken van contentement... 

Natuurlijk gaf de tv een grote ommekeer. De mensen bleven meer in hun eigen huiskamer dan op straat, en ook het straatbeeld veranderde fors. Als we ervan uitgaan dat de tv doorbrak met de Expo en met het huwelijk van Boudewijn en Fabiola in 1960, dan mag je gerust zeggen dat in 1965 de daken vol antennes stonden. Ik heb er nog foto's van gemaakt: je zocht in Antwerpen of Brussel een vijfde verdieping en dan zag je een zee van harken, ongelooflijk. Op élk dak stond een antenne. Een dak zonder antenne, dat was onmogelijk.  
De televisie had ook een grote impact op al die wijkcinema's in de steden en op de kleine dorpscinema's. Die hebben hun ondergang te danken aan de tv. In 1956 was ik achttien en toen ging ik nog minimum drie keer per week naar de cinema, er was niks anders. Mijn vader en ik werkten trouwens voor Georges Heylen, de grote cinema-baron van Antwerpen. Elke zaterdagavond moest één van ons standby zijn en als er ergens een succesfilm was met lange wachtrijen tot op straat, dan moesten we die toeloop gaan fotograferen, samen met die prachtig geschilderde calicot die boven de ingang te zien was. Die foto kwam dan in de Antwerpse reclamebladen  zodat de mensen konden zien: dààr is het te doen!    

Foorknapen
Nee, de Coca Cola is niet van de Expo, maar van vlak na de oorlog. Ik weet nog dat de cola totaal onbekend was en gelanceerd werd in de scholen. Ik was toen acht of negen jaar en van de onderwijzer kregen wij ieder een miniflesje, identiek aan de 25 cl, mét de glazen krulletters en mét dezelfde kroonkurk, maar daar zat slechts één slok cola in. En De Schoolgaande Jeugd mocht dat gratis proeven, en iedereen in de klas trok een vies gezicht, en de meester maar vragen: en jongens, vindt ge 't lekker. En ik dan met mijn grote bek: "Het is precies afwaswater!"

Ook de botsauto's op de kermis zijn niet van de jaren vijftig. Die waren er al in de jaren veertig. Maar in de vijftiger jaren kreeg je wel die schitterende decors, die  canvasschilderingen van Elvis Presley, Bill Haley en ook Rosemary Clooney. Dat is de tante van George Clooney, die zong toen dat fantastische "Come on-a my house", heel populair in die tijd. Ha! De botsauto's met hun handlangers! Die gasten die de achtergelaten autootjes in de zijkant moesten parkeren! Van die foorknapen die zich vastgrepen aan de stangen met de wimpeltjes, en die van de ene rijdende stootband op de andere sprongen! Die elegantie, die choreografie, schitterend!

De sigaret van de sportman
Of de jaren na de Expo écht de golden sixties waren? Tiens donc! Je kon toen geld verdienen, je kon toen opslag vragen, de bomen groeiden tot in de hemel. Ik zie Humo-hoofdredacteur Jef Anthierens nog zeggen: Herman, goeie fotoserie vorige week, hier is een vliegtuigticket, ga maar een weekje naar Spanje. Gewoon als beloning! In 1967 of '68 had ik voor het weekblad De Post een foto gemaakt van het kleine prinsesje Charlotte die pas kon schrijven en die met een krijtje die ene zin op het schoolbord schreef: ik schrijf Nederlands. De foto komt op de voorpagina en dat nummer had een geweldige verkoop. Paar dagen later word ik bij de grote baas Van Thillo geroepen: proficiat, Herman, we hebben vijftienduizend exemplaren meer verkocht, hier is 15.000 frank. Vijftienduizend frank, daar moest een bediende toen anderhalve maand voor werken! Ja, dat was een gouden tijd. 

(Toont een foto van een aantal omstaanders na een koers) Dit is ook typisch jaren zestig: geen enkele gekleurde mens en bijna allemaal mannen die een sigaret of sigaar in de hand houden. Iedere man rookte op straat en iedere man rookte per-ma-nent op straat. Dit is Eddy Merckx thuis in zijn zetel met de kleine Axel en ook hij is aan het roken. Nu zijn we al in 1978-79, maar de sigaret was nog altijd de gewoonste zaak van de wereld. Tabak was in de jaren zestig en zeventig trouwens een belangrijke wielersponsor. Boule d'Or sigaretten! Willem II sigaren! Caballero cigarillo's!

© Herman Selleslags / scan uit “Archief 07”

Dit is ook een beeld van de koers met onder andere Briek Schotte, en je ziet hier nog de reservetube om de schouders zodat ze onderweg zélf een lekke band konden vervangen. Als je dat aan mensen laat zien, dan denken ze aan iets van voor de oorlog, maar tot in de jaren vijftig reden coureurs nog met zo'n tweede tube om de schouders. Daar is het spandoek met de sponsor: dat was Kledingzaak Het Meuleken, in Antwerpen zeer bekend, dat waren de ouders van Dries Van Noten.
Van afscherming in vip-dorpen of toerbussen was toen natuurlijk nog geen sprake, dat heeft zeker tot in jaren zeventig geduurd. In juli 1975 kon ik Eddy Merckx nog gewoon aanspreken 's morgens in de Tour. Ik heb met 'm gebabbeld die dag in '75 dat hij zijn gele trui verloor, in die fatale bergrit, hij had misschien 's morgens al een slechte dag, maar dan nog was er geen sprake van zo'n toprenner af te schermen.   
Nadarhekkens bij de aankomst? Pas gezien in de jaren zestig. In de jaren vijftig stonden de toeschouwers nog op de stoep, of hoogstens achter een dik touw. A propos, het dranghekken is uitgevonden door een pionier van de fotografie Félix Nadar (1820-1910), een ongelooflijk genie. Nu heeft elk festival of evenement zijn draagbare hekkens, ze worden met honderden aangevoerd, in alle maten en gewichten.

Blue jeans
Dit is Jazz Bilzen, voorloper van de latere rockfestivals, je ziet de opkomst van de langharigen. Hier met Ferre Grignard, toen de ster van Bilzen, en absoluut een beatnik in die tijd. Ik herinner me dat we in '64 of '65 samen de trein namen naar Parijs waar hij toen ging optreden. Dat was nog de Trans Europ Express, de stijlvolle zakenmannentrein mét elegante restauratiewagen, tapijt op de vloer, schemerlampjes tegen het raam en garçons in een hagelwit galajasje. En daar zat ik met de Ferre, en hij  met dat lange haar en op zijn blote voeten, een sensatie. Je kent toch dat verhaal van de schilder Chagall en Bill Wyman van de Stones die nog naast mekaar gewoond hebben in Frankrijk. Chagall zei, you have to cut your hair. En Wyman antwoordde: I invented long hair! (hilariteit)  

En natuurlijk zijn er op sommige foto's van Jazz Bilzen nog mensen met een wit hemd en een das te zien, zelfs in 1968 kon je dat nog zien! Jij kijkt daarvan op, maar zeg me eens: wat is nu het interessantste? Dat sommige festivalgangers in de jaren zestig nog een kostuum willen dragen om naar Jazz Bilzen te gaan? Of dat ze allemààl datzelfde t-shirt en diezelfde jeans dragen zoals nù het geval is?!
Toen ik uitging in 1955 droeg ik ook een kostuum en een wit hemd en 't was vooral in de knopen van onze das dat we ons toen manifesteerden. We zouden zeker geen deftige knoop leggen zoals de bedienden die naar hun werk gingen, daar zetten we ons tegen af. We keken hoe onze muziekidolen hun das knoopten. Zoals de Amerikaanse jazzsinger Billy Eckstine, die droeg van die extravagante hemden met onder de hemdskraag zo'n brede dikke knoop, dat imiteerden wij dan.  

Weet je wat we ook nog deden om ons te onderscheiden van het plebs? We droegen een hemd onder onze pull, en die col zetten we dan omhoog als een kraag in onze nek. Toen waren we nog maar twaalf jaar of zo, en toen wilden we ons al vestimentair manifesteren.
En natuurlijk wilden we als vijftienjarige een blauwe jeans, maar die waren moeilijk te vinden. Die kon je alleen kopen via dokwerkers die dat uit de haven smokkelden als het zogezegd "van de camion gevallen was". In de winkels lag dat nog niet.
De meisjes hadden toen nog heel spannende rokken die nauw boven de knieën sloten: als we op De Keyserlei naar de cinema gingen, lieten we ze altijd voorgaan, want met zo'n rok kan je alleen maar trappen oplopen als je knie voor knie naar binnen plooit, en zo gingen ze heupwiegend naar boven (lacht)!

                                                                                                                                                      © Herman Selleslags

Vechtcafé

De jukebox hoort natuurlijk ook bij mijn uitgaansjaren, maar die was er al van vlak na de oorlog, ik zou bijna zeggen, met de eerste boot van de  Amerikaanse troepen. Zij moesten vanuit de haven naar Duitsland doorreizen om dat land verder te bezetten, maar bij hun ontscheping in Antwerpen kwamen ze drinken en dansen in de cafés en plaatsten ze hun meegebrachte vinylplaatjes in de jukebox: zo is hun jazz en later ook de rock 'n roll hier doorgebroken.
In heel veel Antwerpse cafés stond een jukebox en mocht er ook gedanst worden. Je stak wat muntstukken in die chromen bak, je duwde tafels en stoelen opzij en je begon te dansen. Daar was geen Sabam of andere taks, dat was vrij. Die eerste muntgleuven waren nog op Amerikaanse munten berekend en voor ze in het café kwamen moest dat mechanisme omgebouwd worden naar vijffrankstukken. Dat weet ik pertinent, want ik heb ook nog gefotografeerd voor de federatie van de automatenverdelers (lacht).
De "Washington" op het Eilandje, dat was een beroemd dans- en jukeboxcafé in de haven. Een vechtcafé ook! Elk café had zijn eigen publiek en als je daar als buitenstaander binnenviel en je gedroeg je wat te opvallend, dan had je ambras. Zo had je in het centrum van Deurne dancing "De Freddy's". Ik ben daar eens als niet-vaste klant binnen gestapt, het was er stampvol, en omdat ik toch naar binnen wilde doorschuiven, kreeg ik van een gast gewoon een kopstoot. Bàf, en halt, want je kwam te ver op hun territorium.

Ik heb in de jaren vijftig en zestig aardig wat cafégevechten gezien. In café-dancing "de Picass" heb ik eens zo'n bekende vechtjas bovenop een stoel zien springen. Op zich niks bijzonders, maar wel als je weet dat z'n voet in het gips zat! En met die plaasteren moker schopte hij in het gezicht van een Italiaan die zogezegd aan 't valsspelen was bij het pokeren. En dan spreken ze nu over "zinloos geweld", maar toen werd gevochten, verschrikkelijk! En om een bagatel. Ik moet wel zeggen, niemand haalde een knipmes of een revolver boven, het ging allemaal met de blote vuist. Of al eens met de fietsketting. Of met het bierglas, ze sloegen er een stuk vanaf en dan hadden ze een steekwapen. Maar och, er was ook veel theater bij, zo'n gevecht duurde amper veertig seconden, en dan hield het op. Stijl: hou mij hier tegen of ik doe hier een ongeluk (lacht).
Dat was zo in die tijd: cafés hadden hun eigen knokkers net zoals de pleintjes in de stad hun eigen bendes hadden. En het kwam allemaal neer op hetzelfde: terrein verdedigen. Of dat gratuite geweld te vergelijken is met de verkeersagressie van de laatste twintig jaar? Het zou kunnen, het is ook snel ontstoken agressie, en die autobestuurders hebben natuurlijk ook dat territorium waar ze zich gauw bedreigd of aangevallen voelen.

God is dood
Fotografie is dé manier om iets van een andere tijd te laten zien. Al van toen ik zestien was, dacht ik aan later, aan documenteren voor later. Een fotograaf die beweert dat hij niet aan later denkt, dat is een ongelooflijke dommerik, want waarom fotografeer je dan? Fotografie is per definitie voor later. Op het moment dat je een foto maakt, is het al een getuige van het verleden.
Zo dacht ik in 1968 dat ik dringend de joden moest fotograferen. Het was de tijd van de anti-godsdienst, "God is dood!" was de kreet, en ik dacht oeioei, ik moet eraan beginnen, want binnen tien jaar is die godsdienst hier misschien opgedoekt. En zo heb ik -op mijn wandelingen met de kinderen - heel veel joden gefotografeerd.

Mijn vader heeft ook nog voor het Katholieke Onderwijs gewerkt en ik voor het ABVV. Voor die vakbond moest ik mandatarissen en manifestaties fotograferen, en ook stakingen waar hun militanten aan meededen. Dat is niet het spannendste werk voor een fotograaf, maar na zo'n meeting zag ik en passant altijd nog wel een ander onderwerp. Op élke plek staat altijd wel iéts te gebeuren. En dat vind ik zo verwonderlijk aan andere persfotografen. Ze worden ergens heen gestuurd, ze doen hun opdracht en als het gebeuren afgelopen is, pakken ze in en rijden ze terug. Wat nadien gebeurt, als alles zogezegd voorbij is, dat rateren ze, en dat vind ik net het interessantste.

© Herman Selleslags/ scan uit Humo

Man bijt Hond
Achteraf gezien heb ik misschien tevéél verschillende dingen gedaan. Niet die variatie vind ik spijtig, want zo ben ik in alle mogelijke milieus gekomen, maar de hoeveelheid werk, die is teveel geweest, ik heb veel te hard gewerkt vroeger.
Zo heb ik voor Renault in Vilvoorde ook nog catalogi gemaakt toen hun splinternieuwe fabriek gebouwd werd eind jaren zestig. Ik mocht de hele opbouw, het opstarten van de productielijn en ook de arbeiders fotograferen. Dat was ongezien, normaal doe je de fabriek en dan de opening met al de directeurs en de politici erbij. De arbeiders in hun werkkleren op de foto zetten, dat was niéuw, dat was bijna maoïstisch! Niet toevallig had ik die opdracht gekregen van de toenmalige patron Jan Herdies, dat was een vriend van mij en een man van linkse signatuur.
Je weet toch dat ze dat viaduct van Vilvoorde daar hebben moeten bouwen vanwege Renault. Dat bedrijf was toen top in Europa, en dat wilde niet dat haar fabriek moest wijken voor de Brusselse Ring. Bouw maar een brug in de hoogte, zegden ze. En zo is het ook gegaan, faut le faire!    

Het is soms niet te geloven hoe rap alles kan veranderen. Hier is de drukkerij van de Volksgazet, gefotografeerd voor Vrij Nederland begin jaren zeventig. Daar zie je nog de zetters hun loden letters manueel in een bakje plaatsen. Elk woord en elke regel werd nog met de hand en letter voor letter gerangschikt alvorens de drukinkt eroverheen kwam. Zo ambachtelijk, niet te geloven!   

Het is wel allemaal "sociale fotografie", en dat willen de bladen en de mensen nu niet meer zién. Toen ik zestien was, werkte ik voor Het Handelsblad en voor hen mocht ik elke dag één foto maken: soms was dat een opdracht in verband met de actualiteit en soms kreeg ik carte blanche, en kon ik met een beeld van de stad terugkomen, gepensioneerden op de Groenplaats of dokwerkers in de haven, iets wat ze later human intrest zijn gaan noemen. Was die foto goed, dan kwam ze op de voorpagina, en ik mag ik zeggen: ik heb dikwijls die eerste pagina gehaald. Toen vond ik dat gewoon, nu zou ik een gat in de lucht springen met zo'n luxe, want reportagefotografie, dat wordt niet meer gevraagd in de kranten en de weekbladen. 
Onlangs heb ik het nog in een mail van een fotohistoricus te lezen gekregen, hij had het over de uitstervende manier van fotograferen die u bedrijft. Toch mooi uitgedrukt?! En het is waar, die fotografie is niet meer van deze tijd. Als je nu nog sociale fotografie wil zien, moet je naar Man Bijt Hond kijken. Hoe zij op straat en thuis gewone mensen volgen, chapeau voor die gasten, ik vind dat fan-tas-tisch.  Ze maken wel mijn soort fotografie helemaal kapot, maar ik vind ze gewéldig. Dat zouden goeie fotografen zijn!   

Tramkijkers
Ik vond het straatbeeld vroeger mooier. Maar ligt dat aan het straatbeeld of ligt dat aan mij? Zes vrouwen die op een maandagmorgen en op één rij het stof van de straat vegen naast een asbestfabriek, dat was in de jaren tachtig. Inktzwarte rivieren waarop het schuim van de pollutie aan het dansen is, dat was in de jaren zeventig. En oké, dat is manifest lelijk én zéér ongezond, maar daar zat toch ook een schoonheid in. Vandaar dat ik me afvraag: dat mooiere straatbeeld, lag dat misschien aan mij? Dat ik toen ànders keek dan nu?

Wat nu wel mooier is geworden, is het licht in de stad. Zoals nu de ramen van hoge gebouwen reflecteren, dat heb ik vroeger nooit gezien. Ga maar eens op de hoek van de Quellinstraat en de Keyserlei staan op het moment dat de zon ondergaat: dan wordt dat kruispunt verlicht vanuit honderd ramen, al die weerkaatsingen, dat is fan-tas-tisch! (schamper) Maar als je met zo'n foto's naar een krant of een blad gaat, dan ben ik zeker dat ze worden weggegooid.

Ik loop nog vaak door de stad en wat me opvalt, is natuurlijk dat je meer exotische mensen op straat ziet. Als ik dan aan de jaren vijftig denk, toen woonden er in heel Antwerpen misschien twintig zwarten en Noord-Afrikanen. Die zag je al van heel ver aankomen, zo zeldzaam waren ze.

Wat me ook opvalt, is dat de reizigers van een tram niet meer naar buiten kijken. De jonge gasten zijn verdiept in hun gsm of in hun muziek, en de anderen zijn verdiept in zichzelf. Vroeger keken de mensen naar buiten om te zien wat er gebeurde. Nu kijkt niemand nog door dat raam om te weten wat er op straat gebeurt. Men kijkt niet meer naar het werkelijke leven. De mensen kijken tv. Daar zullen ze wel zien wat er in de wereld gebeurt.

© Herman Selleslags /scan uit Humo

Ongelooflijk cool

Of ik spijt heb dat ik iets niet gefotografeerd heb? Ik heb zoveel gefotografeerd, zoveel onderwerpen, dus spijt heb ik niet. Of ja toch wel, van enkele dingen. Zoals van die middag dat ik in de Crystal Palace kwam, dat was zo'n ex-bordeel in het Antwerpse havenkwartier. Ik kom daar binnen en aan de toog zitten twee mensen. Een grote dikke madam met op haar schoot een klein mager zeemanneke met een pet op, en die kijken allebei naar mij. Dat ik dat niet gefotografeerd heb, dat schiet nog regelmatig door mijn kop. Dat is al bijna vijftig jaar geleden, en dat beeld achtervolgt me nog. Dat heb je met de dingen die je niet fotografeert. Die gemiste foto's worden met de jaren alleen maar perfecter. Vandaar dat ze je ook blijven kwellen. En de dingen die je wel fotografeert, die héb je, en dat worden stapels op de zolder.  

Wat ik nu zou fotograferen in het straatbeeld àls ik jonge fotograaf zou zijn? Dat weten jonge fotografen beter dan ik. Zij kennen de straat van vandaag beter dan ik. Dat is zo als je oud bent, dan sta je veel meer buiten de maatschappij: je hebt geen rol meer, je doet niet meer mee. En dat voel ik wel. Maar als ik jonge fotografen van nu iets mag aanraden, dan zou ik zeggen: fotografeer je vrienden en vriendinnen. Want dat is essentieel, en dat heb ik veel te weinig gedaan. Ik had onder m'n vrienden nogal wat gasten van het slag fuifbeest, pokeraar en schuinsmarcheerder. Ze nu nog eens bezig kunnen zien op foto, dat zou geweldig zijn. Maar ja, sommige zaken beleef je gewoon, zonder aan een foto te denken. Omdat het onder vrienden is, omdat het privé is. Niemand is honderd procent fotograaf, niemand fotografeert àlles wat hij ziet of meemaakt.
Zo ben ik met een vriend naar de Wereldtentoonstelling gereden in '58. We waren twintig, hij was met z’n lief, ik was met m'n lief, en we reden in een open auto, een Chevrolet 52 décapotable! Hoe hij aan dat stuur zat in zijn lange trenchcoat: dat ik dàt niet gefotografeerd heb! Jongens toch, wij voelden ons toen ongelooflijk cool!

Lees ook: Afscheid van Herman Selleslags , een laatste keer op reportage

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Afscheid van Herman Selleslags

Herman Selleslags (86) is eergisteren gestorven.
Ik bewaar goéie herinneringen aan hem. Hij was de eerste fotograaf waarmee ik optrok als jonge journalist. Iedereen kent hem als huisfotograaf van Humo, van zijn foto's met de bekenden, met de rockvedetten, maar hij ging heel graag mee naar de "kleinere" onderwerpen. Ik ben met hem langs containerparken, levende kerststallen, vergeten treinstopplaatsen, en rusthuizen-met-wantoestanden gepasseerd. We hebben bij rijke baronnen, anonieme stropers, kwieke honderdjarigen, boeren en voetbalveteranen gezeten. Die laatste zijn nog altijd fier op de groepsfoto die hij nam, FC Herenthout, dé oudste veteranenploeg van dit land.
Onderstaande reportage verscheen in 2007 in Humo naar aanleiding van de grote Selleslags-retrospectieve (1956-2006) in het Fotomuseum FOMU.
Het is enigszins een afscheidsgesprek; het was één van de laatste keren dat hij voor Humo mee op reportage ging.

(c) Jan Hertoghs

© foto jh

"Een fotograaf is een visiteur waar niemand om gevraagd heeft. Een fotograaf is altijd out of place."

Aan de telefoon vraag ik of hij een laatste keer foto's wil maken, en of het goed is dat we daarvoor een fuif kiezen in een dorp. Ik schets de couleur locale: Meifeesten in Pulderbos, dorpsplein met danstent en kermismolen, fuif georganiseerd door de Koninklijke Fanfare De Kempenzonen. Hij lacht, verkocht! Twee dagen later staan we onder de lindebomen waar merels tegen het laatste licht van de zon fluiten. Selleslags (69) loopt op sneakers en is gekleed in een lange gabardine, een hoogstpersoonlijke uitgaanstenue die niemand hem vanavond zal nadoen.
In de grote tent wordt alles in gereedheid gebracht. De lange dranktoog wordt gezeemd, de bonnetjes klaargelegd, de dj draait zijn volume open tegen het kale zeil en Selleslags fotografeert het uitdelen van de t-shirts aan de vrijwilligers ("geestig, die bedrijvigheid in die grote tent waar nog niks te doen is"). Omdat er weinig op gang komt, verhuizen we naar een fuif in het nabije Sint-Antonius-Zoersel. De feesttent staat dichtbij een kerk, er hangt een Christus te sterven aan een kruis en aan zijn voeten liggen hopen fietsen ("'t Zou een schone foto zijn als één fiets nog een brandend lichtje had."). De jongens kijken alsof ze niet kijken, de meisjes doen hetzelfde met een gsm aan hun oor en overal hangt er verlangen in de lucht en is er de uitgelaten sfeer van jong te zijn en ook de avond nog jong te weten.
Ik vraag wat hem de eerste minuten zoal opvalt. "Dat altijd bij de hand hebben van die gsm, dat controleren van die berichtjes, dat voortdurend willen bellen en babbelen, dat gekwek is toch fascinerend. Ik kom uit een tijd dat jonge mensen amper hun bek durfden opendoen."

De organisatie van de 75-Cent-Fuif is in handen van de lokale Harmonie De Vriendenband en de drank kost inderdaad maar 0,75 euro. Er klinkt luide muziek, het lichtorgel zwaait, enkele jongens doen heftig aan jumpen, en daartussen slentert Selleslags, easy goin', in zijn gabardine, met af en toe zijn Leica naar zijn oog. Hij is op zijn gemak, en later, in een rustig café kan ik hem de vragen stellen.           

Toen ik je aan de telefoon die locatie schetste ("met feesttent en paardenmolen") waaraan dacht je dan?
« Aan La Strada, een film van Fellini uit 1954 over een koppel dat met een kleine circustent langs de dorpen trekt. Zo werkt je geheugen en je verbeelding. Elke nieuwe informatie interpreteer je met clichés, met beelden die je al kent. En bij mij zijn dat vaak cinemabeelden, of in elk geval  beelden van lang-lang geleden.

Zo'n fuif, dat is toch van een grote rusteloosheid die moeilijk is vast te leggen?
« Dat geldt niet alleen voor fuiven, dat geldt bijna overal: als je iets ziet, is het op datzelfde moment al voorbij. Als fotograaf moet je dus een situatie vóór zijn. En dat kan ik. Ik heb die ervaring en die intuïtie om te weten wat mensen gaan doen en dààr te zijn waar enkele seconden later iets gebeurt wat ik wil fotograferen. Zien en fotograferen is te laat, je moet voorzien en fotograferen. Dat klinkt misschien pretentieus, maar zo werkt het nu eenmaal.

Maar hoe selecteer je nu mensen uit zo'n gewemel van bijna duizend man?
«Ik heb daar geen recept of theorie voor. Ik fotografeer wat me opvalt, dat is alles wat ik daarover kan zeggen. En soms vallen kleren me op, soms valt een houding op, soms valt een blik op, ik kan dat niet zo strak definiëren.

Je bent zo'n uitdagend blondje op pumps naar buiten gevolgd, ze was druk met haar gsm.
« Ik had ze al langer op het oog, die jonge Marilyn Monroe (lacht)! Ik heb ze gefotografeerd tussen een paar jongens. Die droegen zo'n sweater met van die grote Amerikaanse cijfers erop. Die kledij dateert je foto. Later zal men zeggen, die sweaters en dat truitje van dat meisje, dat moet ergens tussen 2005 en 2008 zijn geweest. Dat van die kleren is een bedenking achteraf, op die 125ste van een seconde dat ik afdruk, denk ik hoegenaamd niets. En in je geestesoog zie je altijd iets bijzonder, maar het resultaat kan tegenvallen en lijkt soms in niets op wat je voor ogen had. Als ik honderd foto's maak, dan hou ik uiteindelijk slechts drie procent over die ik de moeite vind.

© Herman Selleslags/ scan uit Humo

Moet een fotograaf niet kunnen wachten? Eerst een half uur de kat uit de boom kijken tot je de essentie van een plek beethebt, tot je wéét wat je moet fotograferen.
« Helemaal niet! Wie weet wat je allemaal mist in dat half uur. Ik maak nooit zo'n verkenning, zo'n omtrekkende beweging. Ik zie waar de actie is en ik ga erop af. Er zijn fotografen die op "het goeie licht" wachten om in actie te schieten. Dat goeie licht kan mij gestolen worden, op die tijd kan ik een reportage maken. In plaats van te wachten kan je beter een eindje verderop wandelen. Zó werkt het: als fotograaf ben je een wandelaar. Je stapt en je stapt tot je iets ziet wat bruikbaar is. Ik hou van dat beeld van de wandelaar, ik wilde mijn tentoonstelling in het Fotomuseum zelfs De Wandelaar noemen tot ik ontdekte dat dat Hollands is voor "hoerenloper" (lacht)!

Zoek je dan niet de essentie van zo'n fuif: De Jeugd, het Onbekommerd zijn, het Verlangen naar een Lief.
«Dat is me te hoogdravend, te zwaar op de hand. Ik ga niet met zo'n stramien of concept aan het werk. Al dat denken vooraf, dat dient tot niets. Met wat geluk hou je na zo'n avond enkele geslaagde foto's over en daarin kan wel dat éne beeld zitten dat het hele verhaal van die avond vertelt.

Die twee jongens die stoer kwamen vragen om een foto te nemen van hen, daar ga je gelijk op in. Ik zag het ook op andere  foto's van je: uitdagende Marokkanen in de Seefhoek, vranke nozems op de Sinksenfoor, je hebt het voor cool.
« Ja, ik heb het voor cool en voor bravoure. Ik vind dat fascinerend. In de Seefhoek keken die gasten me buiten met zo'n air van wa komt die pipo ier doeng, en dat je die gespeelde stuursheid kan doorbreken, dat is toch fantastisch.

Je hebt zelf ook bravoure. Ik zie je gaan door zo'n tent vol jonge mensen, met je leeftijd en je lange jas, en jij loopt daar alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.
« Een fotograaf is een visiteur waar niemand om gevraagd heeft. Een fotograaf is àltijd out of place. Maar mij stoort dat niet. Ik heb mijn camera en dat is mijn alibi. Zonder dat toestel zou ik daar niet rondlopen.

  Straatfotograaf   

Ben je vooraf nog nieuwsgierig naar zo'n plek en de mensen die je daar gaat zien?
« Na meer dan vijftig jaar fotograferen kan je dat geen nieuwsgierigheid meer noemen, en dat is spijtig, nieuwsgierigheid moét je drijfveer zijn. Maar als je al zoveel plaatsen hebt bezocht en zoveel mensen hebt gezien, dan wordt dat belangstelling. Die gretige nieuwsgierigheid van vroeger, die is er niet meer. Daarstraks zegden ze in Pulderbos: je moet hier om zes uur zijn, dan liggen de zatten hier op straat. Vroeger zou ik direct jà! gezegd hebben, met dat romantische idee van "we doen een nachtje door". Nu denk ik: pff, ik heb het allemaal al gezien. Verder voel ik er ook niks voor om die jonge mensen thuis in de problemen te brengen omdat ze daar 's ochtends in de goot hebben gelegen.

Je wordt straatfotograaf genoemd en dan denkt iedereen aan de stad, maar heb je ook iets met het dorp of het platteland?
« Ik heb daar weinig mee. Ik ben een kind van de stad en daarenboven een Antwerpenaar, een kind van de grooote stad (lacht)! Maar of ik nu in een dorp of in een stad ben, ik zal altijd naar mensen kijken en benieuwd zijn hoe ze met mekaar omgaan. Op landschappen zal je mij zelden betrappen.

Valt het je ook op dat Vlaanderen alsmaar keuriger wordt? De krotten en autowrakken verdwijnen en tegelijk is er een 'wildgroei' van veilige rotondes, verkeersdrempels en bloembakken. Dat lijkt me geen interessante evolutie voor een fotograaf.
« Voor mij is die keurigheid inderdaad niet aantrekkelijk. Ik heb liever chaos en die vind je makkelijker in de stad dan op de buiten. Anderen doen wel iets met die nieuwe keurigheid, die specialiseren zich in rotondes, of supermarkten. Dat is dan wel fotografie bedoeld voor galerieën en fotoboeken.

Loop je anders over straat mét een camera?
« Nee. Ik kijk àltijd rond. Maar met een camera ben je wel iets meer gespannen. En zonder camera vloek je soms, potverdoeme, ik had 'm bij me moeten hebben. Twee seconden later denk ik: goed dat ik 'm niet bij me heb, het brengt alleen maar gespannenheid mee om van dat beeld een goeie foto te maken, het brengt werk mee waar ik tegenop zie. Ik heb de laatste tijd last van evenwichtsstoornissen, één of andere virus in mijn oor, en vooral in de donkere kamer ben ik rap duizelig. Een foto maken brengt tegenwoordig narigheid mee."

 Sterren in de traphal
Het is bijna middernacht. We rijden terug naar Pulderbos waar de tent onder de sterren staat en waar de plankenvloer flink is volgelopen. De sfeer is hier dorpser en minder stylish dan  in de vorige tent. Er zijn ook meer jongens, dat betekent meer drinken en minder dansen. Als we later in de nacht het theater van de kapotgetrapte bekers verlaten, mikken drie gasten hun straal pis tussen de spijlen van een nadarhek. Eéntje draait zich met zijn blote fluit naar zijn kameraden, kvraaghetaan, kvraaghetaan!

De volgende dag sta ik aan zijn deur. De trap naar zijn archiefkamer is een tentoonstelling op zich. Met de Belgische piloot Olivier Gendebien die in de 24 uren van Le Mans (1962) de start neemt en in een open Ferrari springt ("zie die cowboyboots, zo zat die gast dus achter het stuur!"). En verder: Hugo Claus. Julien Schoenaerts. Jimi Hendrix. Tina Turner. Paul Mc Cartney. John Lennon en Vele Anderen.
Zijn archief vult een volledige verdieping van kaften en dozen, hij slaat een portfolio open, de ene grote foto na de andere en alle hebben ze een verhaal. Ike en Tina Turner in 1967: " In het voorprogramma van de Stones! Die Tina en haar Ikettes, zoals die dansten, amai-amai! Ik hoor het Tina nog zeggen over de Stones: die gasten staan stil, die bewegen veel te houterig. Een jaar later zie ik de Stones in Parijs en wie paradeert er met zijn schuddende kont over het podium? Mick Jagger, puur afgekeken van Tina!" En dat hij Tina Turner ooit privé heeft zien optreden in een Oost-Vlaams café, "in Zelzate of all places!" We zien Burt Lancaster ("schone kop, sjieken tiep"), Iggy Pop (" toen nog in zaal Roma in Borgerhout), en ook Herman De Coninck in café De Volle Maan, "zo'n bruine progressieve kroeg op de Oude Koornmarkt in Antwerpen. Ik kwam er een keer met Juan Lozano en zijn reactie was: "Herman, moéte lelijk zen oem ier te meuge binnekoome?!"

Hij vertelt het met liefde en plezier en ik kijk lang naar een foto van Johan Cruijjf uit 1973, die zelfverzekerde uitstraling in dat jonge gezicht en toch die rustige ogen, je kan aan een jonge schrijver denken, zo'n verstild portret ("Die foto is genomen in de schoenwinkel van Cruijff's vrouw in Amsterdam. Hij vroeg wel duizend gulden (= 500 euro) voor dat interview en de foto's.") We zien The Who en de Talking Heads en er is zelfs de Scott McKenzie van If you're going to San Francisco, die hitlijster zit gewoon in het Antwerpse Rubenshuis.
Naast al die Bekende Koppen zijn er de portretten van gewone mensen: madammen in een tea-room, Joodse schriftgeleerden die op tora-rollen schrijven, jonge rolkragen in een Antwerps jazzcafé en een oudere heer die met een boeket rozen van een Antwerpse markt komt. Ze hebben alle een leven op aarde gehad en de fotograaf heeft ze gezien.              

 Lennon en Mc Cartney
Er is sprake van om je archief naar het Fotomuseum over te brengen, en om het te catalogeren en digitaliseren.
« Het is een heel lastige karwei om daarin te gaan wroeten, want wie heeft dat in zijn hoofd: een algemeen historisch overzicht van 1956 tot nu ? Dat moet iemand zijn die Sartre kent én de Rolling Stones én alle schrijvers uit Vlaanderen en Nederland én alle Belgische politici en sportmensen. En op de meeste foto's staat wel een naam, maar als je niet weet dat het om een Belgische politicus gaat, dan kan je lang zoeken. Paul-Henri Spaak op zijn sloefen in zijn huiskamer, is dat een politicus of een nonkel van mij?! (lacht) Gelukkig is er internet en ik kan ook aanwijzingen geven, maar niet tot in der eeuwigheid. Ik hoor het de FOMU-directeur nog zeggen dat "ze zich wel een beetje moesten gaan haasten" waarmee hij te kennen gaf dat ze met een dode Selleslags natuurlijk niet veel meer kunnen aanvangen.  

Het is de eerste keer dat je in een groot museum kan tentoonstellen. Vervult je dat met trots?
« No big deal, ik hecht daar geen belang aan. Pas op, ik wil wel dat mijn werk gezién wordt, maar die foto's horen niet thuis in een zaal, die horen thuis in kranten en weekbladen. En natuurlijk heb ik graag dat mijn foto's voortleven, en het is ook een bevestiging van mijn werk, maar mij wringt het dat er in de pers geen plaats meer is voor die straatfotografie en sociale fotografie. De enige uitweg zijn nog de fotoboeken en de musea en soms de krant De Morgen. Maar voor de rest is het op. De fotografie zoals ik ze bedrijf, die is out, die is versleten. De media en het publiek willen die blijkbaar niet meer zien, het schijnt dat alles nu meer feelgood moet zijn. Maar verder geen kwaad woord over de media (lachje), want nu ineens komt er een hoop aandacht op gang die er niet zou zijn zonder die expo. Plots word ik van overal gebeld, zelfs voor tv-programma's en daar waar ik drie weken geleden nog brommend néé zou gezegd hebben, zeg ik nu opgewekt jà! De ijdelheid, nietwaar, een gevaarlijke eigenschap!  

Is de tentoonstelling ingedeeld rond thema's?
« Nee, het is een algemeen overzicht: zowel Lou Reed als Eddy Merckx als de Seefhoek zitten erin. De enige twee uitgewerkte series zijn het filmfestival van Cannes in 1961 en 1962 (met o.a. het bekende Meisje met de Feesttoeter, jh) en de filmopnamen met de Beatles voor hun Magical Mystery Tour (1967) waar alle journalisten en fotografen van de set werden weggestuurd en waar Paul Mc Cartney mij toch heeft toegelaten omdat we hetzelfde leren vestje droegen. Een héél gelukkig toeval, want alleen al het localiseren van die filmset heeft ons drie dagen rondreizen in Engeland gekost én 27.000 frank aan hotels, restaurants, treinen en taxi's! Omgerekend naar nu zal dat zo'n slordige 270.000 frank zijn geweest, een  onkostennota waarmee je allicht niet meer moet afkomen bij Humo! Ik fotografeerde John Lennon toen ook, hij stond in een wei en omdat ik de enige fotograaf was, meende hij dat ik de fotograaf van een agentschap was en ineens zei hij : I'll be standing here for the next six months! En dat was heel clever gezien van Lennon dat hij zichzelf zag terugkomen in àlle kranten, magazines en concertaffiches over heel de wereld en dat voor de duur van zes maanden, want dat was de "levenscyclus" van zo'n agency-opname.  

 © Herman Selleslags / scan uit Humo

 Tina Turner in Zelzate
Je hebt het etiket van de bevoorrechte chroniqueur. Bij de joodse gemeenschap in Antwerpen heb je al veel bewaard omdat je dacht dat die ging verdwijnen. Maar had je dat ook bij het begin van de rock 'n roll: die gedachte van dit is voorbijgaand, deze tijdsgeest moet ik vastleggen voor hij verdwenen is?
  
« Ja. En ik zat daarbij ook op de eerste rij, simpelweg omdat niemand op die eerste rij wilde zitten. De pers bracht aanvankelijk bijna niks over de Rolling Stones, want dat was crapuul eersteklas. Maar hoofdredacteur Karel Anthierens  van Humo vond dat heel interessant. En natuurlijk is die onbevangen rockcultuur van die eerste jaren verdwenen van zogauw de grote commerce er zijn klauwen in zette. Bij de eerste popconcerten van de jaren zestig stonden twee fotografen, een Engelsman en ik, en verder niemand. En nu staan er honderd of een paar honderd, dat is het verschil. In de beginjaren liep je een artiestengang in, je klopte op een deur, Francoise Hardy deed open en je vroeg hààr persoonlijk of je een foto mocht maken, een promo-flurk kwam er toen niet aan te pas. Er speelde nog iets in mijn voordeel: in die tijd waren nogal wat fotografen oudere deftige mannen, dus als je jong was en wat langer haar had, dan werd je als een generatiegenoot beschouwd.

Fotograaf Stephan Vanfleteren zei dat hij jaloers is op je foto's van de Beatles en de Stones en vooral op de toegankelijkheid van die grote sterren waarvan jij nog hebt kunnen profiteren.
« Die foto's suggereren toegankelijkheid, maar als je een stap verder dan het podium wilde, als je ze persoonlijk voor de lens wou, dan stond er toen ook al een cordon van roadies, vriendjes en impresario's rond die sterren met als ordewoord: wij willen geen buitenstaanders. Het was elke keer weer dringen en ruziën om toch een minuutje af te pingelen. Het is me dus nooit in de schoot geworpen, behalve bij Sandy Shaw (Engelse winnares van het Eurovisie-songfestival 1967,jh). Ik had een geweldige touche op haar en zij allicht op mij, want bij haar was het: alle fotografen buiten behalve die ene! Twintig jaar later zagen we mekaar terug en die touche was er nog altijd (lacht).

Jij hebt Tina Turner kunnen zien in Zelzate City Limits! Dat is toch toegankelijk te noemen.
« Dat was een privé-optreden en om daar binnen te komen moest je wel de directeur van het casino van Knokke kennen en die leerde je maar kennen door veel in dat casino te werken bij optredens allerhande. Niks gaat vanzelf, bij alles komt werken. En nu zijn er controles en badges, maar die waren er ook al begin de jaren zestig op het filmfestival van Cannes. En oké, toen waren er in Cannes geen zevenhonderd fotografen. Maar als vijfenzeventig fotografen in je rug en je ellebogen staan te duwen, dan voel je dat even hard. Ik vind het erg als fotografen zeggen dat het toen makkelijker was. Misschien is 2007 ook makkelijker dan 2027. Profiteer ervan, zou ik zeggen, doe nù je best!                 

Foto jh ©

Het is een retrospectieve. Ben je zelf iemand die makkelijk achteromkijkt?
« Als je oud wordt, mijn beste, dan heb je elke dag niks anders te doen dan achteromkijken (lacht)! 't Is in elk geval vanzelfsprekender dan vooruit te willen kijken. In mei '68 heb ik tegen Piet Piryns gezegd: mei '68, dat is binnen een paar maanden over. Piet was ràzend en ik was verkeerd, die periode hééft nog lang nagewerkt. Toch heb ik mijn bedenkingen als ze nu -veertig jaar later- heel hard beginnen zeggen dat de jaren zestig sleuteljaren waren. Ik merk immers dat er om de maand fotoboeken over die fantastische sixties verschijnen. Weet je wat het is? Al die fotografen die toen jong waren zijn nu zestigplussers, grumpy old men bij wie het werk niet meer zo goed marcheert als vroeger, en dus gaan die kerels in hun oude negatieven delven en aan fotoboeken over hun vroege jaren werken. 't Is fysiek ongemak, maar het wordt gepresenteerd als geschiedenis. Mijn been doet zeer, ik zal maar naar mijn donkere kamer gaan (hilariteit)!

Je hebt filmische schrijvers, jij noemt jezelf een literaire fotograaf.
«Ik ben een fotograaf die een verhaal wil vertellen. Maar ik kan het niet zo goed in één foto, ik heb er een paar foto's voor nodig. Het verhaal dat bij mij altijd terugkomt is De Mens en Zijn Leven. Dat klinkt algemeen, maar ik kan het niet specifieker formuleren. Tenzij je echt om een theorie verlegen zit, dan verzin ik er nu wel één (lacht).

Je hebt iets met het portretteren van mythische personen, iconen van een bepaalde tijd. Mensen met sowieso een geweldig verhaal erachter.
« Dat is zo. Een foto van Lennon of Merckx, die staat nooit op zich, die roept automatisch een heel verhaal, een hele voorgeschiedenis op. Ik heb iets met geweldige verhalen omdat ik opgegroeid ben in een tijd dat de cinema nog heel belangrijk was, een tijd waar mensen nog anderhalf uur in een zaal gingen zitten om hun grote helden aan het werk te zien. Dus ja, ik heb iets met iconen en helden en personages met een straffe persoonlijkheid.  

Valt de Seefhoek daar ook onder omdat die plek mythisch is in Antwerpen en daarbuiten?
« De Seefhoek is anders, dat is heimwee naar de tijd dat ik in dat soort volksbuurten woonde (na de oorlog werd vader Rik Selleslags vijf jaar gevangen gezet, het gezin moest helemaal weer "van nul beginnen", ze woonden een tijdlang in een steeg van de Provinciestraat, jh) Je kan heimwee hebben naar die slechte tijd in die zin dat je dat idealiseert: je denkt de ellende en de armoede weg en je onthoudt de goeie dingen. Dat ik in dat achterhuis ben en dat de zon in de kamer valt en dat ik door de muur de dialogen van een Franse film hoor in cinema Majestic van de Carnotstraat. Het gescheld van de buren, de buiten-wc die je met een emmer moest doorspoelen en waarvan het porselein soms stuk vroor in de winter, dàt denk ik dan weg. Maar ik heb dat, een buurt met sjofel volk geeft mij nog altijd een warm gevoel. Tegelijk denk ik: de fotografen zouden beter wat méér foto's nemen van hoe de rijke mensen wonen en leven, het zou ons een beter inzicht geven in het maatschappelijk bestel. Nu staan de rijken alleen maar in de afgelikte lifestyle magazines waar ze keurig en netjes worden geportretteerd. Niks scherpe kanten, niks diepgang of verwondering. Het heeft er natuurlijk mee te maken dat de rijken zich wegstoppen. Een volksbuurt is vrij toegankelijk, iederéén kan er zoveel foto's nemen als ie wil.

Foto Herman Selleslags / scan uit Humo

 Socializer

Je hebt ook voor andere opdrachtgevers gewerkt, maar je staat  bekend als dé huisfotograaf van Humo en dat al sinds 1956. De eerlijkheid gebiedt me echter te zeggen dat je foto's soms een kelder- of zolderplaatsje kregen in ons huis-blad.
« Mja, gemiddeld één keer in de zes jaar ging ik bij Guy Mortier wat meer ruimte vragen voor mijn foto's, en hij had er dan alle begrip voor, maar in de realiteit veranderde er niets. Dat is bitter om dat achteraf te moeten zeggen, maar ja, Humo is een tv-blad en geen fotoblad.

Hoeveel reportages maakte je in de jaren dat je veel voor Humo werkte?
« Ik had vroeger een afspraak voor twintig reportages per maand, dat is dus één reportage per werkdag, en voor sommige van die reportages maakte ik honderden foto's. Ik heb het eens uitgerekend, ik denk dat ik zo'n negenduizend reportages voor Humo heb gemaakt, dus ik zit dicht bij de één miljoen negatieven.

Toch ben je bitter over die vaak weggestopte foto's. Hoe heb je dat dan volgehouden?
«Ik had plezier in dat fotograferen en in al die mensen die ik tegen kwam, en zo hield ik dat vol. Humo gaf me ook een financiële zekerheid. Eigenlijk kan ik het Guy niet kwalijk nemen dat hij minder belang hechtte aan de foto's, ik had maar duidelijker moeten zijn: ofwel geef je me meer ruimte ofwel ben ik weg. Zo heb ik het nooit gespeeld. En zo is het mijn schuld en niet Guy's schuld dat het zo gelopen is. Fotografen moeten maar nee zeggen tegen zo'n overproductie en moeten maar zelf die ruimte en dat respect afdwingen. Maar het is natuurlijk jammer dat dat respect niet vanzelfsprekend is.  

Je hebt ook veel foto's gemaakt van je kinderen. Met welk oog keek je naar hén?
« Met het oog van de vader, met ouderliefde dus, en met het oog van de pure registrator. Je legt iets vast waarvan je weet dat het niet meer zal terugkomen. Niet alleen die gezichtjes, maar ook hun kleren, hun mutsjes, hun slee in de winter. En nu vertellen die albums: zó zagen je kinderen eruit dertig à veertig jaar geleden (toont een album).

Mooie onbewaakte momenten. Die lukken niet bij een schrijver thuis.
« Je kan er wel voor zorgen dat mensen zich ontspannen en op hun gemak voelen. Niet dat dat een regel hoéft te zijn. Want mogelijk levert de foto van een gespannen en wantrouwige politicus ook een prachtig beeld op. Dat is het fijne aan fotografie, je kan met elke omstandigheid je voordeel doen. 

Ik ken je als een socializer, je stelt de interviewee op zijn gemak, vaak voor de journalist één vraag gesteld heeft.
« Ik heb dat socializen moeten leren want ik was van nature erg verlegen. Maar intussen ben ik er zo goed in dat mensen heel hun leven vertellen na amper één vraag van mij (lacht). In de Seefhoek stapte ik ook af op zogenaamde hangjongeren, van die Marokkaanse gasten met een nijdige cool op hun gezicht, en eerst is het, wadist, wa komde ga ier doeng, maar na een tijdje is het, allez joa, 't is goe. Nadien hoor ik andere fotografen zeggen dat ze daar dagen hebben rondgelopen en dat er met die gasten "niet te klappen valt" (lacht)! 

Je bent ontwapenend, dat is het.
« Ik zie veel fotografen die niet relaxt zijn, die te gespannen zijn. Dat zie je vooral als ze erg bekende mensen moeten fotograferen. Ze zijn dan zo vol ontzag dat het hen in de weg zit om een goeie foto te maken. Je ontzag of bewondering mag niet omslaan in verlamming, je moet eerder iets hebben van: fuck, u en ik, wij zijn ook maar mensen."

Nawoord: intussen heeft het Antwerpse Fotomuseum het volledige archief van Selleslags in zijn bezit en is er begonnen met het catalogeren en digitaliseren.

Lees ook: hoe fotograaf Herman Selleslags België zag veranderen (uit Humo 2011)




Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De kermisfotografen van de Kempen

Het is zomer en de blikken trompet van de kermis klinkt door dorpen en steden. In de tweede helft van de vorige eeuw was er zelfs nog "kermisfotografie" . Ik had er nooit eerder van gehoord, ik kwam ermee in contact door een vader en een zoon in een botsauto.
Die kermisfotografie moet op tal van plaatsen bestaan hebben, maar ze heeft het langst bestaan in de Kempen.
Ik schrijf erover in mijn boek "Alles voor de Kempen" ;
de passage in het boek is gebaseerd op deze reportage .

© Jan Hertoghs -Humo juni 2014

“Ik moést die foto kopen. Je ziet mij immers smoren, en dat mochten ze thuis absoluut niet weten !”

 De kermis staat onder druk. Het is vertier dat nog niet geheel door een administratie te beteugelen is en dus wordt de kermis al eens verbannen naar de industriële buitenkant van steden en gemeentes. Ik ben zelf niet zo'n kermisvogel, maar ik betreur het als zwieren, zwaaien, schieten en rondrijden als behorend tot een industriezone wordt beschouwd. Het autoverkeer, nog veel meer een mallemolen van overlast, wordt makkelijker gedoogd in de steden. Verder gaan mijn bedenkingen niet.
Tot die ene dag. Toen een botsauto op een vreemde manier in m'n leven kwam.

Erik Nagels is schilder en kunstenaar. Bij hem thuis zag ik een bijzonder schilderij. Hoe hij als kleine jongen in een botsauto zit, naast zijn vader die het stuurwiel vasthoudt en een arm om z'n zoontje legt. De basis van dat portret was een kermisfoto uit 1959. Ze was in Beerse genomen door een kermisfotograaf. ("Zo'n man nam honderden foto's en drie dagen na de kermis lagen die foto's te koop in één van de dorpswinkels.")
Ik had nooit van kermisfotografen gehoord, en zo begon een meeslepende zoektocht.

Erik Nagels en zijn vader.

Naast de kerk van Itegem rijden de botsauto's hun licht daverende ritten op de metaalvloer van Autoskooter Claes & Zonen.  De uitbater komt met zijn hoofd naar het raampje: ja, hij weet van kermisfotografen. Die hebben bestaan tussen de jaren vijftig en de jaren tachtig. Dat waren gelegenheidsfotografen, "nooit geweten vanwaar ze kwamen". Hij is de kermisfoto van zijn lief ooit gaan kopen in een winkel in Lint. Dat was aanvang jaren zeventig, en later is dat lief zijn vrouw geworden, "die foto was dus het begin."

De aalmoezenier van de foorkramers zou meer weten. Ik bel  pater Kristiaan in Herentals. Hij denkt dat het schoolfotografen waren die in de zomermaanden zonder werk zaten en dan maar de kermissen afdweilden: "'t Was vooral iets van de buiten, in de stad zag je ze niet."
Jeanine Klessens heeft de fotografen vaak bezig gezien in de  danstenten Klessens. Als de foto's te koop hingen, ontstond er elke keer een rush van de jongens op de meisjesfoto's: "Zij kochten die om in hun portefeuille te stoppen, dan konden ze ermee stoefen dat dat meisje hun lief was. Terwijl dat meisje van niks wist!"
In Rijkevorsel vind ik een concreet spoor. Hier zouden de kermisfoto's "minstens tot in 1992" in enkele winkels hebben gehangen. Ik word ook ingelicht dat kermisfoto's ràre foto's zijn: "Op zo'n foto staat iedereen en alleman, maar bijna nooit de kermis zelf. Ge zult wel zien!"

Aanpappen

Rita Mariën had samen met haar ouders een dagbladwinkel in  Rijkevorsel, en daar hingen die kermisfoto's uit. "Dat was elk jaar een belevenis als die dozen arriveerden; met ouders en kinderen zaten we rond de tafel om alles goéd te bekijken. Het hele dorp passeerde door je handen". De foto's werden in cellofaanstroken gestopt en 's nachts nog opgehangen: "s' Morgens vroeg stonden de mensen al te kijken. In de succesjaren werden daar honderden stuks van verkocht".
Hugo Bastiaensen komt thuis met een dik pak. Hij heeft deze namiddag worst en stoofvlees gewonnen bij de kaartprijskamp. Hij en zijn vrouw Theresa Renders hadden eerst een café in Rijkevorsel en dan twintig jaar lang een dagbladwinkel. Zij  hebben de foto's véle jaren uitgehangen. 
Hugo: «Op dinsdagavond was de kermis gedaan, op donderdag werden die foto's verwacht, en op woensdag was er al vraag naar. 'Hugo, zijn ZE nog niet binnen?' Die eerste dagen stond er dikwijls twintig man in die winkel. Allemaal met het bonnetje van de fotograaf waarop het nummer van hun foto stond. Dat nummer verwees naar een doos met een serienummer, en wij moesten daarin orde houden: gij met die doos ginder! gij met die doos daar! En niet onder mekaar rommelen hé!» 
Theresa: «Dat was een begankenis. Zelfs van de omliggende dorpen en gehuchten kwamen ze naar hier.»
Hugo: «En volk dat er voor het raam stond! Daar hingen we zo'n vijftig foto's: bij voorkeur jonge koppeltjes of kermisgangers die d'r zwaar waren ingevlogen.  Die fotografen liepen de hele avond rond, die hadden àlles gezien. Die wisten ook goed in welke danstenten en café's ze moesten zijn: daar waar de ambiance was, daar waar de beschonken figuren te zien waren. Hoe zotter de foto hoe beter ze verkocht. Dat wisten ze. Al die mensen die d'r onnozel op stonden, die kochten hun foto, om ze wég te hebben uit de etalage. Wij speelden daarop in: de dwaze en genante foto's hingen wij éérst. Cafégangers die zich hadden laten gaan, kwamen ons vooraf opzoeken: Hugo, als ge mij ziet, leg die foto's dan opzij, hang ze niet in het raam hé.»

Theresa «Ook te jonge koppels kwamen zeer vroeg kopen; vooral de meisjes waarvan ze thuis niet mochten weten dat ze op hun zestiende al een vrijer hadden.»
Hugo «Zo'n fotograaf had dat natuurlijk gezien hé, dat er zo twee achter een tent wat stonden aan te pappen. Die zagen ook  intuïtief wanneer een vent of vrouw met een ander ging. Ook die foto's waren rap weg hé. (lacht) Wij hadden die revue natuurlijk hélemaal gezien op de avond dat die dozen toekwamen. Dan deden wij niet anders dan aanwijzen, en ziet den dezen! en ziet dié hier!
Er waren ook mensen die niks kochten, die alleen maar uit curieuziteit naar de etalage kwamen. Wij zorgden dat er altijd wat te beleven was, om de twee dagen hingen wij andere foto's.»

Vrolijke vrienden
Hugo heeft nog plezier en leedvermaak. Theresa zegt dat het toch ook schoon souvenirs zijn, zij bewaart nog altijd de kermisfoto's van ons klein mannen. En één van haar eerste foto's was als kind op de kermis.
Hugo «Na zo'n kermis leverden ze ongeveer duizend foto's. Wij kregen dertig procent. In het begin waren die foto's goedkoop, vijf frank per stuk, later werden ze groter en kostten ze 25, 40 en zelfs 80 frank. Tot zes weken na de kermis kwamen nog altijd kopers opdagen, en je kon ook bijbestellen natuurlijk. Na twee maanden was het gedaan; dan kwamen ze de onverkochte terughalen."
Theresa haalt het rode deksel van een oud Gevaert-fotodoosje. Hugo becommentarieert. Die jonge gasten met hun fietsen, dat is Theresa met d'r gezelschap op de kermis in Hoogstraten. Andere foto's zijn genomen in hun café "Patria". Theresa achter de tapkraan. Theresa met een witte schort. Theresa met twee trappisten, een sigaar en een stuk sjokolat. Ik herken de in cellofaan verpakte sigaren en de reep chocola voor degene die niet kon volgen met het drinken. Het is ongewoon beeldmateriaal. De beslotenheid van het volkscafé opengetrokken door een buitenstaander.

Drie ouderen hebben een sullig papiermutsje op de kop. Zo'n zotte hoofddeksels droegen ze toen met de kermis, zegt Hugo, en dat die alledrie al dood zijn. Het is een bevreemdend en ontregelend beeld: vrolijke kapjes dragen en niet vrolijk zijn. De gekruiste vrouwenarmen na de te lange avond. Het luidruchtige afweren van de brutale flits van de fotograaf. En ook dat ene uitdagende ik-ga-nog-niet-naar-huis-gezicht in het midden. Zo'n momentopname, zo'n kwartslag in een leven, het had van een heel bekende fotograaf kunnen zijn.        

Op alle foto's is het er nog: het onbeperkt en ongestoord roken op café, met de blikken asbakken van het biermerk, tot de rand vol met kromgeduwde peuken.
Ik meen dat ik een ontdekking heb gedaan. Want weinigen namen in die jaren foto's en zo goed als niemand fotografeerde op café. Toch zeker niet op de buiten.  Sommige foto's zijn vergeeld. Die hebben jàren in het café van Hugo en Theresa gehangen. Met kleefband tegen het schap met de glazen, of met een punaise in het behang. "Die foto's kochten wijzelf. Dat was een geste van ons. Op die foto's stonden de goeie klanten van ons café; die mochten gezien worden door iedereen."
Op zo'n punaisefoto zitten jonge gasten stevig te heffen aan de toog. Ze zijn niet ouder dan vijftien, en dat minderjarig drinkgelag heeft dus jaren als een toonbeeld uitgehangen. Leren drinken was toen nog een vorm van naschoolse opleiding.

Verboden te smoren
Hugo merkt ook op dat er zo weinig kermis op die kermisfoto's staat: "De foor was maar een aanleiding voor die fotografen. Ze moesten volk hebben, dat was wat telde."
Theresa zegt dat er "ergens" nog onverkochte foto's liggen van de plaatselijke motocross, "daar kwamen die kermisfotografen ook, want daar konden ze ook veel volk fotograferen".
Hugo trekt kasten open en komt terug met vijf blokfoto's. Vijf  motocrossers springen hoog uit het zand. Het zijn foto's van plaatselijke vedetten die Hugo liet uitvergroten om in het café te hangen. De piloten jumpen nog uit alle macht, maar verder beweegt er niets meer na 1970. 

Ik vraag Erik Nagels of hij op de achterkant van zijn botsauto-foto soms de naam van een fotograaf ziet staan. Hij moet toegeven dat hij niet meer weet waar die foto bewaard zit. Maar hij zal enkele winkeladressen geven in Beerse,  misschien kennen die vroegere uitbaters die fotografen nog. In Beerse creëer ik grote cultuurhistorische spanning en onenigheid over de precieze winkellocatie waar die foto's uithingen. Het was bij Peeters-Govers! In de Végé! Bij Van Den Heuvel! Bij Bolckmans! Of nee, in De Selderbos! Uiteindelijk zou het De Welvaart-winkel zijn. Jos Buyens heeft er ooit nog een kermisfoto "raprap moeten wegkopen. Ik was met m'n vriend Eddy nogal stoer sigaretten aan 't smoren. En ineens kreeg ik een bonneke dat wij gefotografeerd waren. Ongevraagd natuurlijk. Ik was amper vijftien, ik moést die foto hebben, ze mochten dat thuis absoluut niet te weten komen."

Sheriff Jos Buyens (rechts) met kameraden op de kermis.

Ik doe research in de Kempen, maar de 'kermisfotografie' is evengoed gekend in andere regio's. Op internet lees ik dat de Heemkundige Kring van Nevele (O-Vl.) een doos met onverkochte kermisfoto's uit de jaren zestig terugvond. Ze hielden een expo, en wie zich herkende, kreeg zijn foto. Maar ook in Nevele vonden ze geen spoor van de fotograaf.
Foto-Rapid

Ik bel kennissen in Nijlen, Herenthout, Zandhoven, Merksplas, en Kasterlee, maar het enige wat men zich herinnert, is hoe die fotografen tewerk gingen, "ze riepen u toe op straat of op café, ge draaide u om, en pats-boem, ge stond op de foto". Zelden werd de toelating gevraagd. Je kreeg je bonnetje en zo wist je waar je kermisbeeltenis te koop zou liggen.
Hugo Bastiaensen zegt dat de fotografen Ollanders waren "of Belgen die werkten voor een Hollandse fotostudio. In de jaren zeventig moet dat al slecht betaald zijn geweest, want toen kwamen hier zelfs Marokkanen fotograferen!" Hennie Van Oers, archivaris van de Nederlandse Stichting Kermiscultuur, woont niet ver van de Belgische grens. Volgens hem waren er al kermisfotografen vanaf de jaren dertig. Dat Nederlandse fotografen ook in België kwamen, kan best, maar ook hij kent geen enkele fotograaf. Wel heeft hij een grote verzameling fotobonnetjes, hij zal er enkele opsturen, misschien vind ik zo een spoor. De bonnetjes hebben standaardzinnen: U bent zojuist gefotografeerd. Deze genummerde bon bewaren a.u.b. Binnen enkele dagen af te halen bij... en daar kwam de stempel van het verkooppunt. De bonnetjes hebben alleen een naam, geen adres of telefoonnummer. Foto-Rapid, Foto de Hoop, Foto S. Bougas. Noch in Nederland noch in België vind ik een spoor via die namen. Foto Bougas had ik graag opgezocht. Vanwege die ene zin op hun bonnetjes: "Deze mooie foto zal een herinnering zijn aan gezellige uren." De wereld van miljoenen foto's per seconde was nog veraf.        

Zwieren met vrouwen
Hugo Bastiaensen is niet verrast dat ik geen spoor van die fotografen kan terugvinden. Hij had ooit aan een passerende fotoverdeler gevraagd wat ze met onverkochte exemplaren en negatieven deden; ze hielden niks bij, "alles ging op de container". Hoe zou ik die sjarels dan kunnen vinden als ze zélf alles hebben weggegooid?!
M'n zoekwerk ligt maanden stil tot ik op café in Oostmalle in gesprek raak met iemand die een kermisfotograaf ként. "Bel met mijn groeten naar Jef De Beuckeleer in Zoersel! Hij weet er alles van."  
De 77-jarige Jef heeft op kermissen gefotografeerd van 1958 tot 1973. Hij ging wel ànders tewerk dan de fotografen die met de dorpswinkels werkten: "Dat waren losse mannen in dienst van een fotolabo; zo'n labo kon grote oplagen drukken om dorp na dorp honderden foto's aan die winkels te bezorgen. Ik werkte als kleine zelfstandige. Ik vroeg de mensen om vooraf te betalen, ik ontwikkelde de foto's en ik stuurde ze op met de post."

Ondanks die bescheiden aanpak heeft Jef in heel de Kempen, en tot een stuk in Limburg gefotografeerd ("ik had een kalender met alle data van kermissen, en zo reed ik elke zaterdag-, zondag- en soms ook maandagavond van kermis naar kermis.") Hij ging ook minder bruusk tewerk dan die "labo-mannen". Hij vroeg om toestemming, en als de mensen hun akkoord en hun geld gegeven hadden, dan kregen ze een betaalbewijs met zijn naam en adres. Een foto op postkaartformaat kostte toen 40 frank (=1 euro). Wat niet echt goedkoop was, want een pint in datzelfde café kostte maar vijf frank. 

Jef was een typische kermisfotograaf in die zin dat hij niét op de kermis fotografeerde: "Ik deed alleen de cafés. Ik stootte de deur open. Ik flitste een paar keren met mijn flash tegen het plafond. Het volk keek om, -aha, de fotograaf is er!- en dan ging ik van tafel tot tafel vragen of ik een foto mocht maken. Soms ging ik mee aan tafel zitten, wat zeveren, zwanzen en moppen tappen, en als er gelachen werd, dan vroeg ik of ik mocht trekken." En zo kwamen de mensen in zijn lens. Met de pint de lucht. Met de armen over mekaars schouder. Of al dansend, wang tegen wang.
Jef sloeg geen enkel café over, en elk café was ook "volzet"  vanwege de kermis. "Er werd meer lol gemaakt, en er werd ook meer gedronken omdat er toen amper wegcontroles waren." De tijd van de vele dorpscafés is echter voorbij, "waar er vroeger tien waren, daar zijn er nu nog twee."

Zolang er volk op café was, bleef hij aan het werk, "het kon  makkelijk drie uur worden voor ik stopte." Hij moest "toch naar niks of niemand zien", hij was vrijgezel, en dat is hij nu nog. Op zo'n weekend verkocht hij gemiddeld honderd foto's, dat was een schone bijverdienste; van beroep was hij lasser.  
Het was wel niet altijd feest op zo'n kermis, in de late uren heeft hij vaak ambras gezien, de drank bracht dat met zich mee. Hij zag veel 'vrouwenaffaires', en buitenechtelijke foto's heeft hij zeker ook gemaakt, "die koppels kwamen dan aan mijn huis bellen: ik moest hun foto niet opsturen, dat zou natuurlijk het spel verraden."

Fotograaf Jef, omringd door vrouwen en vrienden. Links de trekbiljart! (Jef De Beuckeleer)

Jef vraagt of ik zijn truc ken om met vrouwen af te spreken? Ik kan het niet bedenken. Wel, hij was als de cowboy met zijn revolver. Hij kon vanuit de heup een shoot maken, "en dan had dat vrouwke dat gezien, en dan vroeg ze: hebt gij een foto van mij gemaakt?" En dan zei Jef ja. En als ze haar foto wilde zien, dan moest ze volgende week daar terugkomen, en dan bracht hij ze mee. Dat was zijn manier van versieren.Ja, met vrouwen op café heeft hij "zotte dingen meegemaakt". Zo is hij een keer verhoord door de politie. "In een café zat een zatte kliek en één vent had een vrouw bij d'r voeten gepakt en hij zwierde haar zo rond." Jef vertelt het droog alsof dat soort draaimolen wel meer voorkomt in herbergen. En zo was de politie komen binnenvallen. Men had hem aangewezen als getuige, hij zou foto's hebben van het gebeurde. Jef had de zaak wel gezien, maar hij had géén foto genomen. Wel was er een andere foto "waarop je zijdelings de zwierende haren van die vrouw zag en zo dacht de politie dat ik meer foto's had." Ik vraag voorzichtig naar de afloop van dat geweld, was die vrouw gekwetst? Jef denkt niet dat het een kwestie van slagen en verwondingen was, "meer iets van zedenschennis" vermoedt hij, "omdat haar rok over haar oren vloog." Het soort zedenschennis dus waarbij een vrouw alle hoeken van de kamer krijgt te zien.   

Meisjes van vermaak

In de herfst en de winter waren er weinig kermissen, dan deed Jef de carnavals en de baancafés waar gedanst werd. In december verkleedde hij zich als Sint. In de cafés wilde men graag met de goedheilige op de foto; hij had dan een helper om te fotograferen. Als Sint had hij "veel aantrek bij de vrouwen; ze wilden dat ik op hun schoot kwam zitten, of ze trokken me op de dansvloer." In die gevallen lette hij er wel degelijk op dat er geen kinderen in de buurt waren.


Van de Sint springt hij moeiteloos op soldaten: Jef heeft ook in de soldatencafés van Turnhout gefotografeerd. Je had er de kazerne Blairon waar duizenden miliciens hun opleiding kregen, "en vlakbij waren er zo'n vijftien soldatencafés". De best draaiende hadden zogenaamde "meisjes van vermaak" in dienst. Meisjes van achttien-negentien die overdag werkten en die 's avonds met de soldaten dansten, "een bijverdienste die betaald werd door de cafébaas".
Zelfs zonder die soldatenfoto's te tellen, schat ik dat Jef  tussen 1958 en 1973 zo'n achtduizend foto's heeft gemaakt. Daarvan heeft hij toch wel wat bewaard? Niks van bijgehouden, zegt hij. En om het nog erger te maken: "ik denk dat ik mijn negatieven nog had tot in de jaren negentig, maar toen heb ik alles weggegooid." Of hij daarvan geen spijt heeft. Ja, nù wel. Nu ik ernaar kom vragen.
Gisterenavond heeft hij kasten en dozen uitgeladen en toch nog drié foto's gevonden. Op de eerste foto omhelst een serveuse  een man. Die man is Jef. De foto is door een kameraad genomen. Een uitzonderlijk beeld. Hier zie je hoe een vrouw de armen rond de hals van een man kan leggen en hoe ze tegelijk een sigaret en drie lege pilsglazen tussen de vingertoppen kan houden. Van zo'n foto kan je een film maken.

Jukebox in de winter

De tweede foto is ronduit fantastisch. Een meisje in een soldatencafé. Ze staat bij de jukebox in een lichte danshouding. Zo'n pose kan pretentieus zijn, maar de pretentie valt hier weg door de argeloze couleur locale. Een kleine kerstboom achterin. Een schichtige soldatenkop die ongevraagd in beeld komt. En dikke winterwanten op tafel die zeggen dat het koud is buiten en dat straks iemand met zijn bromfiets zal vertrekken. Van de fotograaf mag het allemaal in beeld. Het deert zelfs niet. Het meisje in haar danspasje blijft volmaakt naast die chromen platendraaier. Ze is daar zonder nadenken en toch is ze veel ineens. Ze is de jaren zestig. Ze is de hoes van een 45-toeren-single. Ik hoor Petula Clark en Dell Shannon, en zo heeft Jef dus honderden foto's weggegooid. Hij vindt het ook spijtig. Dat meisje is José. Een oud-lief van hem en daarom heeft hij die foto bewaard.     

Ik vraag of hij enige foto-opleiding heeft genoten. Dat is niet het geval. Hij zegt dat er geen opleiding mee gemoeid is als je alleen maar in een café moet binnenstappen "en trekken wat ge ziet". In het begin hanteerde hij een kleine simpele appareil, en toen hij wat geld gespaard had, heeft hij een Leica gekocht.
Dacht hij na over de compositie? Hield hij rekening met de belichting in die café's waar het soms halfdonker en dan weer helverlicht was door de tl-lampen? Jef hield met niks rekening, hij trok altijd met een flash, dan was er altijd licht genoeg. Gaf dat geen storende glanspuntjes in de ogen? Dat trokken de mensen zich niet aan! Of hij ooit een foto geretoucheerd heeft? Wat zou hij zich daarmee bezig houden. Hij nam zelfs geen tijd om scherp te stellen. Zijn lens stond scherp op twee meter, en dus ging hij altijd op twee meter afstand staan, en klik! Simpel als bonjour!

Ik sta te dralen hoe ik zijn drie foto's zal fotograferen. De hoeken krullen om, dat gaat het beeld vervormen. Ook nu heeft Jef een simpele oplossing. Met een Pritt-stift plakt hij de foto's op het blad van een bijzettafel, "nu krullen ze niet meer om". Fotografie kan ongecompliceerd zijn. 

Tranche de vie

Dat is ook het eerste wat fotograaf Herman Selleslags zegt, als hij de foto's ziet. "Toch geweldig dat er naar niks is gekeken. Fuck de compositie. Gewoon boem, de flash erop!" Dat complexloze, dat pretentieloze, "dat is fantastisch, zo zouden alle foto's moeten zijn. Er is een kermis. De cafés zitten vol. Er komt een fotograaf binnen en die fotografeert. De gebeurtenis is het belangrijkste. De fotograaf is de passant. Hij ziet een tranche de vie, hij registreert, en alles gaat gewoon verder.  Op teveel foto's zie je dat de fotograaf het belangrijkste is. Hij heeft de scène naar zijn hand gezet. Hij zoekt een compositie, een effect. Dat ergert mij, terwijl ik dat zelf allicht ook gedaan heb (lacht).   

Op haast al die foto's wordt geposeerd, maar dan nog is het zonder teveel pose. Zie naar die jongens en meisjes met hun fietsen. Als je dat zou dirigeren hoe ze moeten gaan staan, met die onhandige houdingen van wie-pakt-wie vast, dat kan je onmogelijk ensceneren. Hier valt alles perfect op zijn plaats. De koppels, de fietsen, hun houding, de lange straat met de kramen in de verte, en niet te vergeten die prachtige vinnen van die Amerikaanse slee."
Anno 2014 vindt hij die foto's charmant en fantastisch, maar hoe zou hij ze in 1968 bekeken hebben. Misschien wel als stom of achterhaald? "Zeker! Ik zou ze hebben weggegooid. Onzin om ze bij te houden. Maar vijftig jaar later krijgen die foto's wel zin omdat dat soort cafévermaak met de bijpassende interieurs niet meer bestaat. Nu krijgen die foto's charme en waarde omdat ze zaken oproepen die we vergeten zijn."
Selleslags had ook niet eerder van deze kermisfotografen gehoord. De straatfotografie die hij kent, dat waren de portretmakers op de Antwerpse Keyserlei, "maar dat waren beroeps; die werkten met een statief en goed materiaal."

Curiosum

Kermisfotografie had dus amper allure. Maar dat fotografen  naar een dorp kwamen, duidt erop dat de kermis in die jaren een stévige allure had. Zo'n kermis stond daarmee op hetzelfde 'foto-niveau' als een bezoek aan de kust, de Antwerpse Keyserlei of de Dierentuin. Het was een belevenis waarvan je een souvenir wilde hebben.
Intussen raakt het raadsel opgelost waarom die kermisfotografen zo weinig kermis trokken. De verklaring is eenvoudig: op de kermis was teveel volk en dat was moeilijk werken voor hen. Dat zegt kermis-expert Van Oers en ook nog een andere foorgetuige: "Je zag ze alleen op café, of op honderd meter van de kermis. Daar hielden ze jonge koppels of een groep vrienden tegen. Op café of op zo'n toegangsweg konden ze die groepjes isoleren. Op de kermis was dat niet mogelijk, teveel storende omstaanders."

Het zegt iets over de grote toeloop die er toen was. Ik blijf niettemin zoeken naar kermisfoto's met wat kermis erop. Een glimp van karabijnen, plastic eenden, galettes of pluche beren, als het maar in een kraam past. Maar die queeste moet ik na talloze vruchteloze telefoons opgeven. De botsauto-foto van Erik moet welhaast een curiosum zijn. En de conclusie is: een kermisfoto is pas een échte kermisfoto als er geen kermis te zien is.
Hugo Bastiaensen: "Op honderd foto's waren er hoogstens twee met iets van kermis erop. En die raakten amper verkocht. De kermis, dat was geen attractie. Zo'n koppeltje dat te jong was, zo'n vent die zat was of te dicht bij een andere vrouw zat, dàt waren de attracties!"

Flosj

De (Hollandse) studio's met hun seriefoto's lijken gestopt te zijn rond het jaar 2000, allicht vanwege de opkomst van de digitale fotografie. In enkele gemeentes (zoals Niel, Kasterlee, Wildert en Rijkevorsel) is hun plaats ingenomen door hobbyfotografen. Hun foto's hangen ook nog in de dorpswinkel, maar het wilde karakter, het volkse voyeurisme is weg. Er wordt niet meer op café gefotografeerd, veeleer poseren ouders met hun kind bij de schattige draaimolen. De kermisfoto is een brave schoolfoto geworden. 
Vorige week kwam nog een late tip. Paula uit Merksplas heeft in de ouderlijke winkel ook kermisfoto's weten ophangen. Meer nog, "érgens moeten nog clicheekes liggen, een hele doos onverkochte zwartwit foto's die ze niet zijn komen ophalen." Het klinkt als een schatkist. Ik zal een geweldige en lang vergeten stoet van kermisklanten in handen krijgen. Drie dagen later belt ze dat het onbegonnen werk is. Renovatie en een schier ontoegankelijke zolderkamer maken dat ze haar voornemen "een paar weken moet uitstellen".

Ik ben er het hart van in. Het is de vloek van de flosj. Ze is er, en krijg ze maar eens te pakken.     

Met dank voor het fotomateriaal aan Jos Buyens, familie Bastiaensen, familie Mertens en Hennie van Oers. Hieronder staan nog meer kermisfoto’s.

 

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Memoires van een Ijsboerke

Tien jaar geleden werd Ijsboerke - het bekende bedrijf uit Tielen - overgenomen. De 140 verkopers van Ijsboerke kwamen bij circa 230.000 Belgische huisdeuren. Na die overname in 2013 verloren die verkopers hun baan en die paar honderdduizend gezinnen die klant waren verloren een vertrouwd gezicht. Voor de bezorgers waren die klanten vaak een "stuk familie."
De thuislevering van ijsroom was dé kernactiviteit waarmee stichter Staf Janssens het Ijsboerke groot maakte: hij begon in Tielen met schepijs in 1935, en met diepvriesijs in 1968. Nu smelt die kern weg: de naam en de producten blijven bestaan, maar de thuislevering verdwijnt. En zo zitten de verkopers Jef G., Jef P., Michel en Annick nu zelf thuis. Ze tellen hun dienstjaren (37, 31, 29 en 14) en ze vertellen over hun loopbaan, "zeg maar: ons levenswerk". 

Uit Humo maart 2013 © Jan Hertoghs

(c) Thomas Sweertvaegher

Geboortes, huwelijken, overlijdens, ik heb dat allemaal weten vertellen aan de deur. Die klanten, dat was familie.”

Goeiedag, meneer, madame, wij komen zo'n beetje reclame maken voor het Ijsboerke.' En of ze een vriezer hadden, dat moesten we natuurlijk éérst vragen.

Jef G. «Nieuwe klanten werven was een belangrijk werk. Werd ergens een nieuwe woonwijk aangelegd, dan werd er een prospectieteam op afgestuurd. Maar ook op je eigen ronde moest je alert zijn. Opletten als je een nieuw huis zag bouwen. Nog meer opletten als het glas in de ramen werd gezet, en helemaal opletten àls ze de meubels installeerden, dan moest je daar zo rap mogelijk aanbellen. Met een folder en gratis staaltjes."
Michel: «In Wallonië is het Ijsboerke begin jaren zeventig begonnen. Maar ik kwam in '83 nog altijd in dorpen en gemeentes waar nog niemand klant was. Ik herinner me zo'n zaterdag dat ik tweehonderd staaltjes had uitgedeeld in Andenne. Twee weken later ging ik terug en negentig procent van die proevers werd klant. En via die klanten kwamen ook de broer, zus, tante en nicht erbij. Want de familie kwam op bezoek, proefde dat ijs en wilde hetzelfde. Het waren gouden tijden, de diepvriezer kwam op, en de supermarkten (met hun goedkoper ijs) waren nog niet zo alomtegenwoordig. Kwam daarbij dat men in Wallonië veel langer vertrouwd is gebleven met de bakker, de slager en de melkboer die aan huis kwamen. Het Ijsboerke paste daarin. "
Jef G. « De mensen deden open, zagen ons logo, en 't was al half verkocht. Ze wisten dat wij goéie kreem hadden. Maar dat aanspreken van onbekenden was een drempel voor mij. Ik was niet echt verlegen, maar wel ne stille, weinig van taal. Dat ik vlot heb leren babbelen, dat dank ik aan het Ijsboerke, dat heb ik geleerd aan de deur."   

De naam Ijsboerke is overal bekend. Dat komt door onze camionnekes die in heel België te zien zijn.

Jef P. "En natuurlijk ook door die wielerploeg die er was van van 1973 tot 1980. En zeker ook door al de Ijsboerke-ballen die zijn uitgedeeld. Hoeveel schooljongens zouden daarmee niet gevoetbald hebben?! Dat moeten er honderdduizenden zijn geweest. En die ballen zijn nu nog populair. Leg wat ballen op een tombola van de gepensioneerden, en al die grootouders die er één winnen, die wéten dat hun kleinkind blij zal zijn.  “
Annick: «En al die klakskes die de mensen blijven dragen. Soms nog uit de jaren zeventig. Je moet dat zien in Tielen hoeveel oudere mensen daar in hun hof werken met zo'n  klakske. En met dat klepje omhoog hé, zodat je de naam goed kan lezen." 
Jef P. «Wat heel goed is aan die naam, dat is dat "boerke". Dat wekt sympathie op bij de mensen. Want een boerke, dat is klein, dat is bescheiden, dat heeft niks van pretentie. En kopen bij een boerke, dat heeft nog iets ambachtelijk ook."

En al die klakskes die de mensen blijven dragen. Soms nog uit de jaren zeventig. Je moet dat zien in Tielen hoeveel oudere mensen daar in hun hof werken met zo'n  klakske.

Kocht de klant twee dozen in plaats van één, dan was dat beter voor onze portemonnee.

Jef G. «Wij hadden een goed basisloon en een commissie op onze verkoop. De meeste klanten hebben nooit gemerkt dat wij op commissie werkten. Want wij pushten nooit. Als je pusht, dan kan je onmogelijk dertig jaar bij dezelfde klanten komen. Met die commissie erbij kon je een schoon pree verdienen, zeker in die beginjaren toen je nog veel uren mocht kloppen. Dertig jaar terug kon ik in een zomermaand een pree halen van tachtig- à honderdduizend frank. Maar in de winter viel je in een gat natuurlijk. En dat gat moesten wij dan in de zomer dichtrijden." 
Annick: «Wij komen bij de 'gewone' huizen, maar ook in de tavernekes, de eethuizen, de rusthuizen en de scholen. Wij komen overal."
Jef G. «Bij die gezinnen zijn er die elke dag kreem eten. Van die habitués zijn er méér dan je denkt!"
Jef P. « Ijs is niet langer een luxe. Als kind kreeg ik alleen 's zondags één frisco, dat was zo bijzonder, ik zou dat houtstokske mee hebben opgegeten! Nu trekken de kinderen zelf de koelkast open. Die frisco is een stuk snoep geworden."  
Jef G. « Gezonde snoep vinden ze dat, omdat er melk en verse room in zit." 
Annick: «Boerenmensen zijn wel de grootste afnemers. Die zijn gemoedelijk, die hebben zoiets van leven-en-laten-leven, iedereen moet zijn kost kunnen verdienen. Ik kwam er liever dan bij die mensen in de nieuwe verkavelingen. Met hun gras proper afgereden en een hekwerkske rond hun gazon. Die tuin was afgemeten, en die mensen soms ook."

Moeder tegen kind: die meneer heet Ijsboerke.
Kind: En wat is uwe achternaam dan?

Jef P. «In het begin zeggen ze nog meneer en dan wordt dat algauw "Ijsboer" of "Ijsboerke".
Annick: «Dat zegden ze ook tegen mij als vrouw. Ijsboer, hebt gij nog dit? Ijsboer, brengt nog eens dat."
Jef G. «Als je ergens lang genoeg komt, dan spreken ze je aan met de voornaam. Met dat verschil dat het op de buiten iets langer duurt voor ze vertrouwelijk worden."
Jef P. «Op de buiten blijf je langer een vreemde. Ik kan het weten want ik heb elf jaar het Oost-Vlaamse platteland gedaan. De laatste zesentwintig jaar heb ik door Deurne getoerd. Dat is "het stad" natuurlijk, en ik moet zeggen: ik kwam daar graag, want als een Antwerpenaar je sympathiek vindt, dan ben je gelijk zijne vriend. En dat is zonder komedie, want zo zijn ze daar, rechtuit en zonder omwegen."
Jef G. «Ik kwam twintig jaar in Geel en omstreken en ik kende die mensen beter dan de inwoners van mijn eigen dorp. Eerst ken je alleen de ouders, dan worden hun kinderen geboren, dan worden die kinderen groot, dan gaan ze trouwen en heel dikwijls nemen die getrouwde kinderen ons mee naar hun nieuwe adres. En als zij ook kinderen krijgen, dan ken je dus drie generaties."
Jef P. «Aan elke deur doe je maar een kort klapke, maar als je dat om de veertien dagen doet, en jaren na elkaar, dan is dat bijna familie hé. En elke verkoper heeft zo'n 'familie' van om en bij de tweeduizend mensen. En als je zo'n grote familie hebt, dan maak je nogal wat lief én leed mee."

Ineens een doodsprentje: "ja, mijne man is overleden." En ik had die man twee weken tevoren nog gezién! Als jonge gast was ik zo aangedaan dat ik 's middags mijn boterhammen niet kon opeten.

Jef G. « Geboortes, huwelijken, overlijdens, ik heb dat allemaal weten vertellen aan de deur. Soms hadden de buren het al gesignaleerd dat er een sterfgeval was. Dan belde ik daar niet aan. Dan sloeg ik twee weken over. Die mensen hebben wel andere dingen aan hun kop dan die doos kreemglace. En ja, als ik dan langs kwam, en mijn deelneming betuigde, dan kwam soms het hele verhaal: van de ziekte, of het ongeval, of het attakske dat ze niet hadden zien aankomen."  
Annick: «Echtscheidingen hoor je niet zo rap van de betrokkenen zelf. Dat komt al eens van de buren: zeg, daar moet ge niet meer stoppen, want 'zij' is er niet meer, 'zij' is eruitgetrokken. Of soms heb je het van de ouders: geef maar een doos extra, want de dochter woont terug thuis. En dan krijg je soms het hele verhaal van die echtscheiding."
Jef G. « En hoe hard die ouders daarmee bezig zijn. Ze kunnen er niks aan doen, maar ze trekken het zich geweldig aan.”
Annick: « En dan de kanker hé. Daarmee kunnen ze je soms overvallen: "Kunt gij de volgende keer wat later komen, want ik moet naar de chemo." Anderen zeggen niks, maar je ziet een  vrouw d'r haar verliezen en een sjaaltje dragen, dan moet je niet onnozel doen hé, dan moet je iets vragen. En door te informeren laat je je medeleven zien."
Jef G. « Al zo'n zaken, dat zou ik in mijn eigen dorp niet eens wéten. Maar het is wel: horen, zien en zwijgen. Dat blijft tussen u en de klant. De mensen vroegen ook naar mij, mijn vrouw en mijn kinderen. En die klanten bij wie ik dertig jaar kom, die kénnen mijn gezin, die kennen een heel groot stuk van mijn leven.Doordat ze je leren kennen, mag je al heel gauw langs achteren gaan, en op de duur moest ik zelfs niet meer op het keukenraam of de verandadeur kloppen om te laten horen dat ik er was. Ik deed dat uit beleefdheid, maar nee, ik moest doen zoals een familielid, gewoon binnenkomen zonder kloppen.  De mensen vertrouwden ons voor honderd procent. Als ze niet thuis waren, dan kon ik zo naar de diepvriezer in het schuurtje. En onder de klep zat het bokaaltje met het bestelbriefje en het geld erin."  
Annick: «Een collega kwam ooit bij een madammeke in één van die blokken in de stad. En ze had geen geld in huis. Hier is mijn bankkaart, zei ze, en dat is mijn code. Wilt ge bij de bank eens veertig euro afhalen? En hou dat van u er maar af! Zo vertrouwelijk zijn de mensen." 

't Gaat niet meer, vriend. Ik kan het niet meer betalen.

Jef G. «Wij komen in grote villa's zowel als op kleine boerderijen en in arbeidershuizekes. Rijke mensen zijn wel anders. Stijver, afstandelijker, minder familiair. Maar het zijn wel de klanten die bij 18,5 euro zeggen: laat maar zitten. En dan kom je bij mensen die van het OCMW leven, en die moeten diezelfde anderhalve euro bijeen schrapen in hun portemonnee. Die nemen ook altijd het goedkoopste in ons gamma, maar ik vind dat chapeau dat ze bij ons blijven. En niet overlopen naar de Aldi waar het toch goedkoper is."
Annick: «Wij hadden klanten waar we op het einde van de maand niet moesten komen, want dan was hun geld op. Dat zegden ze vlakaf en zonder schaamte: we hebben nu geen geld. En als we weer wat hebben, dan kopen we wel opnieuw."
Jef P. «Anderen verstoppen het. "Ik heb nog genoeg, ik kan nog voort." Maar je kent al jaren hun bestellingen en dan weet je dat het een beleefde manier is om te zeggen dat ze geen centen meer hebben."  
Michel: « Ik zeg het u: de middenklasse krijgt klappen. Dat voelen wij, en dat voelen de supermarkten ook. Ik weet het van een lokale bankier: de gepensioneerden die altijd financieel bijsprongen voor hun kinderen, die beginnen nu zelf het einde van hun spaarpot te zien."
Annick: «Toch zullen die oudere gepensioneerden hun volume  blijven kopen. Het zijn de jonge gezinnen die zuiniger worden." 
Michel: «Die jonge gezinnen met al hun afbetalingen en met meer werkloosheid, die gaan niet besparen op hun digitale tv, gsm of internet, maar op de voeding." 
Jef G. «Je merkt de crisis. Vroeger kochten de mensen makkelijker, impulsiever. Ze bestelden twee dozen aan de deur en terwijl je naar je camion liep, riepen ze nog om een derde doos, 't moest maar zo lekker niet zijn! Nu kopen ze bewuster. Nu is de gedachte: wat hebben we nodig? Terwijl het vroeger was: waarin heb ik goesting?"
Jef P. «Er is ook een voordeel aan de crisis. Het schepijs is duur geworden en dan zijn wij het alternatief. Voor vier ijsjes van de ijscokar kan je een hele doos diepvriesijs kopen aan de deur. Wat mij opvalt, is dat ze in de stad minder zuinig zijn. Daar leven ze tot hun geld op is, en als het op is, dan is het gedaan. Op de buiten zitten ze toch iets meer op hun portemonnee."
Annick: «In de Kempen zijn ze fameus zuinig! Daar wachten ze tot je die vijf cent hebt teruggegeven. Zelfs al kom je daar jàren. De mannen zullen zeggen, laat maar zitten, maar de vrouwen niet! Met nieuwjaar krijgen mijn mannelijke collega's ook fooien, toch zeker in het Antwerpse, maar ik krijg niks! Vrouwen zullen wel iets aan een man gunnen, maar nooit aan een andere vrouw!" 

(c) Thomas Sweertvaegher

't Lijkt een routine, dat rondbrengen. Maar geen dag is dezelfde.

Jef G. «Ik heb mijn werk altijd heel graag gedaan. Je bent buiten, je bent onder de mensen, en je bent je eigen baas want je regelt zowat zelf je ronde. Ik was ook stipt. Ik probeerde bij die honderdzeventig à tweehonderd klanten per dag altijd op hetzelfde vaste tijdstip te komen zodat zij nooit moesten wachten. Op ons kon je je klok gelijkzetten."
Annick: «En die oude mensen keken uit naar dat uur dat je kwam: puur voor die korte babbel en dat vriendelijk woord. Hoe is't? Alles goed? 't Weer is maar friskes hé? En terwijl zet je die doos in hun diepvriezer zodat ze dat zelf niet moeten doen."
Michel: «We hadden een sociale rol. Soms vroeg zo'n oudje om iets van de winkel mee te brengen of om een zware zetel te verschuiven. Dat deden wij natuurlijk."
Annick: «Ik deed m'n oudere mensen altijd in de voormiddag, dan zijn ze ook àltijd thuis. Ik nam dan iets meer tijd om te babbelen, en in de namiddag deed ik dan de nieuwe wijken waar de jonge gezinnen wonen. Zo'n verkaveling van jonge gezinnen, dat gaat vooruit. Die beschouwen je niet als een huisvriend, die zien je meer zakelijk, als een leverancier. Wat wel is: de mensen zijn minder thuis. De jonge mensen werken met z'n tweeën en de gepensioneerden zijn actiever, die gaan 's namiddags wandelen of fietsen."
Michel: « In een gehucht van vijftig huizen was vroeger overal iemand thuis. Nu telt datzelfde gehucht tweehonderd huizen en nu is er nog maar twintig man thuis."

Hebt gij dat nog geweten, dat vrouwen in hun bikini tot aan de camion kwamen?

Jef G. «Vroeger waren de mensen jovialer, losser, meer familiair. Vrouwen kwamen in hun bikini opendoen. Dat zie je nu niet meer. Of terwijl je het hek opende, hoorde je de dochter op het gazon: 'mama, mag ik hier zo blijven liggen?' Dat was niet in d'r winterkleren hé! Die onschuld, dat kom je de laatste tien jaar niet meer tegen. De mensen zijn veel voorzichtiger, om niet te zeggen banger geworden." 
Jef P. « Weet je wat dat is. Als we vroeger in een straat leverden, dan kwamen de mensen met z'n allen naar ons toe gewandeld. En bij warm weer was dat zo: de mannen in zwembroek en de vrouwen in bikini, dat was zo'n sociaal gebeuren. Maar dat sociaal gebeuren is weg, de mensen staan nu ieder in hun eigen deur, en die bikini, die is voor in de eigen tuin en onder de eigen zonnebank. Dat de mensen zich meer in hun cocon terugtrekken, dat zien we ook aan het feit dat vroeger één buurvrouw de bestelling had van meerdere buurvrouwen tegelijk. Zo'n lijstje vol bestellingen, dat is ook op zijn retour."

Dat ze iets pikken uit de wagen, dat gebeurt nooit op de buiten, dat gebeurt alleen in de stad.

Jef P. «Vooral op de pleintjes keek ik uit voor de straathangers, of hangjongeren zoals ze die noemen. Je moet je ogen op je rug hebben, want terwijl jij aan een huisdeur staat, durven zij zo'n koeldeur opentrekken. Eén keer heeft zo'n groepje de camion "overvallen". Een vrouw was beginnen roepen, en toen waren ze weggelopen, maar ondertussen hadden ze al ingebroken, deels voor het pikken, en deels ook voor de lol van het vandalisme, ze konden al dat ijs niet dragen en mikten het dan maar op de straat.  Veel erger was dat voorval dat er ineens een meisje uit een huis kwam gelopen waar ik nog moest leveren. Dat kind was hysterisch: 'onze papa is ons mama aan het steken met een mes!" En gelijk zie ik die vader uit dat huis komen, lijkbleek, en met het bebloede mes in zijn achterzak, geen gewoon mes, een lang slagersmes. En zo naar zijn auto, en wég. Met dat meisje ben ik tot bij die mama gelopen, ze lag onderaan een trap en ze was één en al bloed. En dat meisje maar snikken: "mama mama, ik heb u verlaten! sorry, sorry mama" Zo ging dat. En een buurvrouw probeerde dat bloeden te stelpen, de M.U.G. kwam, de politie kwam, maar ze heeft het niet gehaald. Ik moest een verklaring afleggen bij de politie geven, en zo mijn ronde verderzetten. De eerste twee klanten vroegen natuurlijk waarom ik zo lààt was. Maar ik kon dat niet vertellen, ik kon dat niet. Ik heb ook maandenlang niks gezegd tegen kameraden of collega's." 

(c) Thomas Sweertvaegher

Ja jong, 't is maar kreemglace en toch zit daar een hele wereld aan vast.

Jef G. «In 1983 hadden wij al zestien tefrente smaken. Van vanille tot rum-rozijnen. Een paar van die nieuwste smaken zijn nog door de klanten aangebracht. Dan waren ze in Italië op verlof geweest en dan vroegen ze of wij ook stracciatella hadden? En dan schreven wij dat op een blad en stopten dat in de ideeënbus. En als er genoeg vraag naar was, dan werd die smaak in ons eigen labo uitgewerkt.  Zelf vind ik het een heel schoon produkt. Ijs schept een band in een huishouden. Want zo gaat dat toch: als er eentje een frisco uit de diepvriezer gaat halen, dan vraagt die automatisch aan de anderen of ze ook wat moeten hebben. Ijs eet je nooit alleen. Ik kan daarop zitten denken: hoe die mensen 's avond bij de krant of de tv zitten en een hoorntje van ons eten. Dat geeft mij een content gevoel." 

Ik heb ze niet allemaal kunnen doen, maar ik heb toch bij zo'n tweeduizend mensen die laatste goeiendag kunnen brengen.

Jef P. « Van eind december tot begin maart waren dat twee maanden vol onzekerheid. De klanten vroegen vanalles, maar wij wisten zelf niet hoe het ging uitdraaien. Dat was enorm-enorm stresserend. En al dat vragen en meeleven doet deugd, want dat gaat over u, over uw job en over uw toekomst, maar ik moest dat gesprek ook telkens afbreken om voort te kunnen met mijn werk. En dàt was heel lastig. En je zei goeiedag en dat je hoopte van hen weer te zien binnen veertien dagen, maar dat je niks kon beloven, dat je geen glazen bol had om de toekomst te zien. En hoeveel mensen dan gezegd hebben dat ze voor mij een bougieke zouden aansteken! Dat waren oude én jonge mensen hé!"
Jef G. «Toen dan bleek dat ze ons gingen afstoten, ben ik het aan mijn klanten gaan zeggen. Dat het ermee gedaan was, maar dat onze kreem nog altijd in de winkels lag. En hier en daar heb ik fles wijn of een doos Mercikes gekregen. Ik vond dat heel zwaar, dat afscheid nemen. Elke voordeur deed zeer. Elke deur die openging, was de laatste keer dat die open ging. En elke mens die ik zag, was ook de laatste keer dat ik 'm zag. Anderhalve week heb ik dat gedaan, van 's morgens tot 's avonds vaarwel gaan zeggen."
Annick: « Tegen sommige klanten kreeg ik het niet eens gezegd. Ze vroegen dan: is 't gedaan, vriend? En ik wist dat het gedaan was, maar ik zei: och, we zullen wel zien hé. Ik kon dat niet zeggen dat het voorbij was. Je wil dat die mensen niet aandoen. En je wil zelf ook niet te emotioneel worden door dat slechte nieuws uit te spreken."  
Jef G. «Veel chauffeurs hebben dat verteld, hoe zwaar ze 't hadden. Wij hebben ons dikwijls moeten omdraaien en rap weggaan omdat de tranen in ons ogen stonden. Die zin, " het is de laatste keer, mensen," die kwam er soms niet uit. D'r kwam alleen maar een krop in de keel. Een krop die zeer deed en die niet weg te slikken was."  
Annick: « 't Was overal maar een minuutje dat je bij die mensen kwam, en toch mis je dat contact."
Jef G. «Je verliest een stuk familie. Anders kan ik het niet zeggen."

Ik hang aan die mensen, en zij hangen aan mij, dat komt van de twee kanten.

Annick: «En zo'n goeie maanden januari en februari dat wij hadden! De mensen hebben nog echt van ons gekocht, uit solidariteit. Dat ze je tegenhielden op straat, allee, geeft me nog maar een doos, ik zal ellie nog es steunen sè!
Jef P. «Een vrouw gaf me een valentijnhart in marsepein, ze had het voor iemand anders gekocht, "maar ik vind dat gij dat ook verdient; beschouw het maar als een hart onder de riem ! Dat doet zo'n deugd hé. En wat er allemaal op die kaartjes stond van die flessen wijn! Aan onze superlieve trouwe Ijsboer. En dat ze hoopten dat ik zou terugkomen. En dat ik -bij ontslag-  niet mocht vergeten van zéker eens terug te komen langs Deurne. En dan de klanten die bellen! Eén klant zei letterlijk: "Eigenlijk zijn wij familie hé, en nu trekken ze ons uit elkaar."

De bazen zagen het groot, maar groter is niet altijd beter.

Met een simpele bakfiets. Zo is Kempenaar Staf Janssens met zijn schepijs begonnen.

Jef G. « Ze hadden nooit die twee concurrenten (het Luikse Mio en het West-Vlaamse Artic, jh) mogen overnemen in 2005-2007. Van dan af is het moeilijk beginnen gaan. “
Michel: « Sinds we in de portefeuille van Albert Frère zitten (1997), worden we veel meer beheerd als een financieel product. Ons werk werd geüniformiseerd, onze routes kregen een Geo-route zoals de postbodes, aan alles voelde je hun financiële bekommernis. Winst maken met zo weinig mogelijk kosten.
Jef G. «En ineens kregen we dat van de bazen te horen. Dat de home vending niet meer rendabel was. Ineens draaien zij het licht uit! Ineens leggen zij uwe moteur stil!”
Jef P. « Omdat de brandstof zo duur is, omdat de garage van de camions zoveel geld kost, enzovoort. Terwijl je met die thuisbezorging een verschil zou kunnen maken. Omdat die chauffeurs echte cracks zijn op het gebied van dienstverlening. Maar nee, Ijsboerke gaat nu op de supermarkten mikken. Waar we met onze kwaliteit moeten concurreren met die grote concerns en hun lage prijzen. En met hun ijs waarin een hoog percentage lucht is geïnjecteerd."  
Jef P. « En daar sta je dan met je levenswerk. Je hebt een 'building' van honderden klanten opgebouwd, je hebt die verzorgd en onderhouden, en nu moet je toezien hoe dat levenswerk ineen stuikt."
Jef G. « Je mag een heel leven gewerkt hebben voor dat product. Ineens ben je toch maar een nummer."
Jef P. « Vandaag is het zacht en zonnig weer. Dan weet ik dat de stad naar buiten wil, dat de mensen uit hun konijnekotters komen en dat de parken vol lopen alsof er een voetbalmatch gedaan is. Met zo'n weer stormen wij normaal gezien de baan op om de horeca vollenbak te bevoorraden. In Deurne heb ik zo'n goeie klant, de minigolf van het Rivierenhof. Daar komen de wandelaars en de fietsers nu naar onze kreem vragen, en dat ik die niet kan bezorgen, dat is mij alsof ik die mensen in de steek heb gelaten. De klant was alles. Als zo'n zwembad in Deurne-Zuid ineens een toeloop kreeg en ze mij belden, dan mocht het mijn verlofdag zijn, dan reed ik daar naartoe om die vriezer te vullen. Dat hoorde zo." 
Jef G. « Ziek zijn, dat kenden wij niet. De klanten moesten bezocht worden. Je wilde toch niet dat ze op een ander gingen  kopen?!"

En elke nacht om vier uur wakker. En liggen keren en draaien en niet meer kunnen slapen.

Jef P. «Alle werknemers van de home vending mochten kiezen: je C4 krijgen met een ontslagvergoeding, of een nieuw contract tekenen met twintig procent loonverlies. Dat was kiezen tussen de pest en de cholera. Want ook in je commissie gingen ze snoeien, dus op die manier verloor je misschien wel veertig procent van je vroegere loon. En mogelijk mocht je niet eens bij Ijsboerke blijven, maar werd je later overgeheveld naar Bofrost of Eismann, dat wil bijna niemand, want daar moet je meer  pushen bij de verkoop.  De overnemers dachten dat zestig van de honderdveertig 'home venders' dat voorstel zouden aanvaarden, maar het waren er slechts zes. Noem dat dan maar clubliefde. Ik ben heel mijn leven loyaal geweest aan Ijsboerke, na zevenendertig jaar ga ik niet veranderen van club, ik ben geen overloper. En dat gold voor de meesten van ons.

En dan hebben we de camion, de sleutels en onze tankkaart moeten binnenbrengen. Dat was alsof ik dertig jaar van mijn leven moest afgeven.

Annick: «Vanuit heel België waren ze naar Tielen gekomen. Alle chauffeurs van de vier Vlaamse en de twee Waalse depots. En één voor één moesten we onze nummerplaat dicteren, de tankkaart en de sleutels afgeven, een papier ondertekenen en vertrekken. Zo triestig. Precies een begrafenis, zoals wij daar aanschoven in een lange rij. En dan zijn we naar een café gereden om wat te drinken, en zo zaten wij daar, als aan de koffietafel bij die begrafenis. En daar dacht ik ook: nu heb ik geen foto genomen van mijn camion. Ik had er spijt van. Want het is toch jaren m'n compagnon geweest.  En zo erg dat dat soort jobs verdwijnt. De loketten in de banken sluiten. De facteurs mogen minder bij de mensen komen. En ook die huis-aan-huisverkoop moet weg. En terwijl lees ik dat de holding van onze baas Albert Frere in 2012 vier keer zoveel winst gemaakt heeft als in xx. Meneer maakt de grote winsten en wij staan op straat. En zo zitten wij nu te wachten op onze C4. Dat thuiszitten, dat is niet te doen. Wij zijn gewend van elke dag onderweg te zijn." 
Jef P. «Ik had me voorgenomen om mijn hof eens onder handen te nemen. Maar het lukt me niet. Vroeger had ik daar nooit tijd voor. Nu heb ik tijd, maar ik heb geen goesting. Echt geen goesting." 
Jef G. «Ik heb drie dagen in mijn hof gewerkt, alles is proper, maar dan stond ik daar. En om toch iéts te doen, ging ik naar de winkel en naar mijn zuster thuis. Daar waren m'n schoonbroer en ons vader met de duiven bezig, en ik zag ze staan, met allebei zo'n veertig jaar oud koersklakske van het Ijsboerke op hun kop. Al die jaren heb ik er nooit op gelet, en nu kon ik alleen maar denken, dat wàs mijn werk.”  

Begin jaren 60: op een zware BSA-500 motor werden twee “voor”wielen en een bak met ijs gemonteerd. (uit “Ijsboerke - roomijs en renners”)

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Kaasfabriek Kempico : kroniek van een aangekondigde dood

(c) Stephan Vanfleteren (ingescand uit Humo)

"Dat was hier de Droomfabriek!"

Het was goed werken in de kaasfabriek Kempico in Gierle. De bazen waren soepel, de arbeiders waren loyaal, de productiviteit lag hoog en afnemers voor de (Italiaanse) kazen waren er genoeg. De fabriek - ooit als melkerij begonnen in 1900- had de nieuwste technologie in huis, de toekomst was geen bang vooruitzicht. Dan kwam plots de klap in 2008. Het hoofdbedrijf in West-Vlaanderen ging uitbreiden en al zijn activiteiten centraliseren. Gierle moest sluiten. Zestig arbeiders en elf bedienden verloren hun werk. Het relaas van een aangekondigde sluiting. Het verhaal van een sterfhuis dat nog lang moest openblijven.
Humo: artikels uit 2009 en 2012 samengevoegd (+ ingekort)

-

Kempico vernam zijn sluiting anderhalf jaar geleden. Het grote bedrijf Belgomilk, later uitgebreid tot Milcobel was eerst een partner, maar ging uiteindelijk zijn vroegere concurrent opslokken.
Stanny en Raf werken respectievelijk vijfendertig en achtendertig jaar in Kempico. De ene woont vijfhonderd meter van de fabriek, de andere honderd ("ik kan mijn werk vanuit de slaapkamer zien!")
Stanny: «Van zolang ik werk, zijn hier nooit ontslagen gevallen. Er was ook amper verloop. Wie hier kwam, die wist: hier zit ik goéd tot aan tot mijn pensioen!
Raf: «Onze beide vaders hebben hier ook altijd gewerkt. “
Stanny: «En zij hebben altijd gezegd: "Als ge uw boterham wilt verdienen, menneke, komt dan mee naar de melkerij! Dat is voor 't leven, want die koeien blijven toch elke dag hun melk geven." 
Raf: «Dat was hier soepel! Als ge overdag uw duiven eens wilde loslaten, dan reed ge rap over huis, en dan sprong een ander wel in. Directeur Frans Peeters maakte daar nooit een punt van. Als het werk maar gedaan geraakte, dat was zijn devies, en zijn zoon André was zo ook."
Stanny: «Wij waren ook soepel tegenover de directeur: als hij 's zondags meer volk nodig had, dan zegden wij ook direct ja. Staken, dat kenden wij niet. Mensen die staakten, daar lachten wij mee, dat waren onnozelaars. Wij snapten niet waarom iemand het in zijn bol kreeg van zijn werk neer te leggen."
Raf: «En werken in eigen dorp, dat is toch goud waard. Uw gezin heeft maar één auto nodig, want ge fietst naar uw werk."
Stanny: «Wij 'verdienen' elke vier jaar een nieuwe auto omdat we met de fiets komen. Ga eens in Antwerpen werken, dat kost benzine en elke dag staat ge in de file en in de stress. En dan moogt ge nog geen accident hebben!    
Het is ook een supermoderne fabriek, en waar dat kaas maken vroeger zware handenarbeid was, is alles nu op en top geautomatiseerd. En toch is daar op al die jaren amper een job verloren gegaan omdat de produktie alsmaar is toegenomen."
Raf: «De grote aanzet is directeur Frans Peeters geweest. Dat was een clevere kerel! Bijna vijftig jaar geleden reisde die al naar Italië voor de export. Hij zag dat ze daar veel kaas aten en niet genoeg melk en melkvee hadden, en al in de jaren zestig maakten we hier parmezaankaas. Bollen van dertig kilo!  Toen zijn hier zelfs Italiaanse gezinnen jarenlang komen wonen om dat proces op te starten."
Stanny: «In het dorp kende niemand die parmezaan. Ook pasta's waren nog onbekend; wij leefden toen nog in de tijd van de worsten en de gebakken patatten. Wat hier allemaal gemaakt is! Zelfs de 'typische' Emmentaler en de 'typische' Oostenrijkse alpenkaas is hier gefabriceerd. Ja, jong, die Frans Peeters heeft Giel op de landkaart gezet! En die fabriek staat hier nu bijna honderd en tien jaar. Niemand die hier geboren is kan nog zeggen dat hij ze heeft zien bouwen, want ze stond er al! "
Raf: «Ja, de oude Peeters heeft hier een monument neergezet, maar... zijn zoon heeft het laten afbreken."

Het begin van “de Kempico” was de coöperatieve melkerij De Gier (°1900). “De Gier en de Kempico hebben Gierle op de kaart gezet.”

Stanny: «Een jaar voor het bericht van de sluiting hebben ze hier nog nieuwe wrongelbereiders geplaatst, dat is het hart van de fabriek, en dat mocht toen nog anderhalf miljoen euro kosten! Er was ook een receptie, daar hebben we nog flink gedronken en dik in ons pollen gewreven, amai mannen, als ze hier zo'n joekels kunnen plaatsen die in orde zijn met de milieuvergunning, dan hebben wij op zijn minst tien jaar werkzekerheid!"
Raf: «En moeite dat wij gedaan hebben! Drie weken hebben wij dag en nacht gewerkt om dat hier binnen te krijgen en om de productie zo min mogelijk stil te leggen. Dat wil toch zeggen dat wij dat bedrijf in ons bloed hebben en dat wij daar alles voor over hebben."
Stanny: «Tussen kerst en nieuwjaar hadden we nog onze traditionele cadeau gekregen. Deze keer was het een plastic box met wijn, snoep en voedingswaren, maar het is ook al een reiskoffer op wieltjes, een kistje dure sigaren of een grote chocolade clown geweest. Afijn, iedere werkman moet dan op het bureau van de directeur komen en krijgt zijn 'nieuwjaar' persoonlijk overhandigd. "Beste wensen, Stanny, en nog een goed jaar hé man." En ik heel fier: "Ha, meneer de directeur, en voor u hetzelfde hé! En amai, dit jaar weer een nieuwe kaas erbij. Het draait goed. We kunnen weer vele jaren verder!" En die directeur verpinkte niet hé, en tien dagen later was het Schluss."
Raf: «Dag tevoren telefoon, morgenvroeg allemaal samenkomen in de refter. Dat was in geen dertig jaar gebeurd! En vooraan stond de gedelegeerde bestuurder van Milcobel en iets daarachter onze directeur André."
Stanny: «Die West-Vlaanderaar hadden wij hier nog nooit gezien. Nog nooit! Maar dat het slecht nieuws was, viel direct te zien: die gezichten, zo bleek als een achturenlijk. En dan die uitleg, dat ze een studie hadden gemaakt en dat Gierle te duur werd om operationeel te houden, en dat ze alleen maar in Moorslede goed konden uitbreiden en dat de productie daarheen ging en dat Gierle dicht ging. En dat ze wisten dat sommigen hier al vele jaren werkten, en dat ze een rugzakske voor iedereen zouden voorzien zodat niemand met lege handen zou staan. Dat rugzakske was hun sociaal plan, maar daar zat begot niks in. Dat 'rugzakske' hebben we door onderhandelingen nog zelf moeten vullen, anders was dat leeg gebleven."
Raf: «Op een kwartier was die sluiting uitgelegd. Vragen stellen was voor een andere keer. Wij zaten daar gelijk vastgenageld! Niemand kon dat geloven."
Stanny: «Ze gaan ook niet direct sluiten. O nee, pas op 31 december 2011. Weet gij wat dat is?! Dat is alsof den doktoor tegen u zegt: gij hebt nog een paar jaar te leven en dan is het ermee gedaan. Zo'n zeer deed dat! Dan heb ik liever dat ze gelijk de prise uittrekken. Dus zitten wij hier tot 2011 gegijzeld. Maar dat woord mag ik niet gebruiken van de directie, "er staat toch geen pindraad, ge kunt gaan wanneer ge wilt!" Ja, hallo, ga maar eens werk zoeken als ge tweeênvijftig zijt! En dat in deze tijd!"

Stanny: «Die sluiting is op 3 januari 2008 meegedeeld en intussen moet die productie maar voort draaien. Overal is het crisis, maar in de zuivel draait het op volle toeren, dus wij moeten maar produceren en produceren. Tot einde 2011 en dan stopt het hier in Gierle. (sarcastisch) Ha ja, want dàn is het aan Moorslede! Want, Moorslede, dat ligt pas centraal in België! Moorslede, dat ligt pas dicht bij de Kempen dat het grootste melkwinningsgebied is van Vlaanderen! Honderd keer op een dag vragen wij ons af waarom onze fabriek dicht moet. Hier is de meeste automatisering, hier stonden de modernste machines! Maar ja, ginder kunnen ze zogezegd makkelijker uitbreiden dan hier in de Kempen. Ginder kunnen ze allicht een tikske goedkoper produceren en een tikske meer hun zakken vullen! Als ze kunnen centraliseren, dan kijken ze niet op een sociaal bloedbad meer of minder. En dat al die koeltankwagens met Kempense melk nu langs de Antwerpse ring en door de drukke Kennedytunnel naar West-Vlaanderen moeten, dat kan hen niks schelen. Waar zit toch die logica?!"
Raf: «En waarom moet dat nog zo lang aanslepen? Waarom moet dat zwaard van Damocles zo lang boven onze kop hangen?"
Stanny: «Volgens mij hebben ze dat uitgerekend dat er eind 2011 heel wat brugpensioenen zijn en dan moeten zij minder afscheidspremies betalen. Dat hoort ge overal. Dat bedrijven met een herstructurering willen dat de staat alles op zich neemt. Als ze konden, zouden ze mensen op vijftig, wat zeg ik: op twintig jaar op brugpensioen sturen."
Raf: «Intussen is er bovenop die sluiting ook nog de onrust van de crisis gekomen. Als er overal jobs worden opgedoekt, waar moeten wij de komende jaren dan naartoe?
Stanny «Het voorbije jaar is hier vijfentwintig man weggegaan en bij sommigen wreekt de crisis zich al. Ze hebben nog maar pas ander werk of hun bedrijf herstructureert, en wie moet er als eerste gaan?! Die jongens die laatst zijn binnen gekomen. En wat moeten die dan doen? Zich aanbieden bij een interimbureau. En nu is hier eentje weer aan het werk. Op zijn oude post, maar nu met een mager interim-contract. Dat is allemaal zo erg en zo lelijk!"

“Niemand van de familie, vrienden en kennissen kon dat geloven dat de fabriek dicht ging. Ze hoorde al meer dan een eeuw bij het dorp” (c) Jan Hertoghs

Stanny: «We hadden nooit gedacht dat dit ons ooit kon overkomen. Eigenlijk is er maar één vaag voorteken geweest en dat was in 2005. Onze directeur kreeg toen een hogere functie, en op de dagen dat hij in West-Vlaanderen was, kwam hier een Westvlaming "directeur spelen". Komedie spelen, dat ook!"
Raf: «En maar glimlachen en zich oefenen om àl onze voornamen te kennen. Gij zijt de Raf hé! En ik zo fier als wat, de nieuwe directeur kent mijn naam al!"
Stanny: «Ik zal u iets zeggen! Ne Vlaanderaar, dat is ne koekoek! Die komt hier zijn ei leggen, en als dat jong uitkomt, dan stampt die met zijn poten en vleugels alles naar buiten. Schrijf dat zo maar in uw boekske! (lacht)
Raf: «Hij is hier nog hé, en heeft nog altijd die smile alsof er niks gebeurd is." 
Stanny: «Zo'n mannen kennen geen blikken of blozen. Vorig jaar was het barbecue, dan gaat hij iedereen een hand geven en komt ie gezellig mee aan tafel zitten. Ge hebt mannen die met hun armen gekruist staan en die hem geen hand meer willen geven, en zelfs dan steekt hij zijn hand nog uit!"  
Raf: «Eentje draaide zijn rug toen de directeur hem een hand wilde geven. Ge verwacht dat die hoge mannen uit de Vlaanders zich schamen en weg blijven, neenee, die komen met hun dikke auto's en met de vrouwen, het hele showteam is erbij! Maar ze gaan wel op tijd naar huis, want als er wat pintjes zijn gedronken, dan betrouwen ze het niet meer."
Stanny: «In september is het weer barbecue, op een sjieke locatie nog wel. En dan zien ze op geen geld: vrouw, lief of kinderen, brengt ze maar allemaal mee! Onze voetbalploeg heeft zelfs al een keer in de truitjes van Cercle Brugge mogen spelen omdat zij daarvan een sponsor zijn. Pure verwennerij is dat. Gelijk een terminale patiënt, die moet ook palliatieve zorg krijgen, die mag ook niks tekort komen."
Stanny: «Het enige wat ze zeggen is dat we naar Moorslede mogen komen als het hier stopt. Maar wie gaat er elke dag 166 km op en af rijden?!  

Raf: «Hoe dichter die einddatum komt, hoe erger de  onzekerheid wordt, en mensen worden dan al eens bits tegen mekaar. Toch blijft het één grote familie."
Stanny: «Hier zijn collega's die op de communiefeesten en trouwfeesten van mekaars kinderen worden gevraagd. Collega Mark gaat trouwen met zijn Suzyke, oké, iedereen legt bij voor een cadeau. Later trakteert de Mark op zijn beurt, en heel 't fabriek mag dan een pint komen drinken."
Raf: «Heeft iemand een boeleke gekocht, de collega's gaan met de vrouwen naar dat baby'tje kijken. Iemand op pensioen, dan stonden de bakken bier in de kantine tot tegen het plafond. En de vrouwen smeerden belegde broodjes, man, dan was het grote feest. 't Was ook letterlijk een familiebedrijf, hier werkten ooit de vijf zonen van eenzelfde gezin. Hadden die mannen een trouwfeest of een begrafenis in de familie, dan was dat een probleem, dan lag de fabriek wijd stil (lacht)!
Stanny: « Was het zomer, dan kwamen onze kinderen hier vakantiejob doen, en allemaal kwamen ze graag, want de sfeer was goed én het betaalde goed! De vrouwen kenden malkanderen, de kinderen ook, dat was hier één familie. En nu trekken ze die familie uit elkaar. Ja, jong, die collegialiteit van hier, die vindt ge nergens meer."
Raf: «Dat is hier De Droomfabriek! "
Stanny: «Ge krijgt dat ook niet uitgelegd in het dorp of aan uw familie waarom de fabriek dicht gaat. Niemand kan dat geloven. Ook mijn vrouw niet: 'Och Stanny, dat kan niet, die mannen hebben een kwaaie dag gehad, dat is een bevlieging!' Zo ongeloofwaardig was dat. 't Is dat we hier ook zoveel plezier hebben gemaakt en pertzakkerij hebben uitgestoken. Mekaar natspuiten met de waterslangen!" 
Raf: «Of een grote ijzeren bak aan iemands fiets hangen, niet met een touw hé! Met een betonijzer dat ze rond zijn porte-bagage hadden geplooid! Had 'm een remorkske! (lacht)"
Stanny: «Hier zijn vorig jaar nog jonge gasten van de vakschool begonnen, die weten dat het eind 2011 dicht gaat en toch komen ze hier. Omdat hier nog werk is en omdat het plezant is. Zelfs de interim-arbeiders, waarbij toch veel allochtonen zijn, zeggen dat het hier plezant is. Ja, jong, ge zit hier met een hoop verknochte arbeiders, met een plank verroeste nagels die amper los te krijgen zijn."

“Ons 100 jaar bestaan hebben we gevierd op een feestboot. Die foto hing in de kantine. Op die boot hebben we TITANIC geschreven.”

-
Stanny: «En dan al de beloftes die ze doen! In 2000 hebben ze hun fabriek in Retie gesloten, want twee zuivelbedrijven op twintig kilometer van elkaar, dat moesten ze rationaliseren. En in de plaats ging een grote nieuwe fabriek komen op een paar kilometer van hier. Ja, tarara, ze gaan naar Moorslede, op honderdzestig kilometer van hier! En hier danken ze d'r af en ginder nemen ze d'r nieuwe aan."
Raf: «In 200O spreken was hier ook een groot personeelsfeest omdat de fabriek honderd jaar bestond. Ze hadden toen een feestboot gehuurd in Turnhout, voor al het personeel en voor de partners en daarmee hebben we de hele dag gevaren, en terwijl goed eten en drinken!"
Stanny: «De foto van dat bootfeest hing in de kantine, en op die boot hebben we nu TITANIC geschreven... Terwijl het hier zo rendabel is. Wij staan wereldwijd bekend als goeie kaasmakers.  Oostenrijk, Amerika, Vietnam, overal zijn er afnemers."
Raf: «Zelfs aan het Lybië van Khadafi leveren wij kaas, daar gaan containers en containers naartoe! 't Is niet te geloven. Wij zijn bedrogen, bedrogen en nog eens bedrogen."
Stanny: «Zo gaat dat met werkmensen tegenwoordig. Ge zijt een  schotelvod. Ge wordt gebruikt, uitgewrongen en weggesmeten. Daens komt terug, jong! De bazen hebben opnieuw al de macht. En met de werkmensen doen ze wat ze willen."

Op 30 april 2011, vieer maanden later dan voorzien, ging de zuivelfabriek Kempico dicht. Het bericht haalde alleen de regionale media. Voor de werknemers werd het een lange en uitputtende doodsstrijd: "Op een ander trekken ze de stekker eruit, de arbeiders stoken wat paletten op en drie maanden later is het achter de rug. Wij hebben ook paletten opgestookt maar wij moesten dan nog meer dan vier jaar werken. " Dat schrijft Stanny Van Ouwenhuysen (55) die voor Humo een dagboek heeft bijgehouden, van oktober 2010 tot het einde. Stanny is een ancien van Kempico, hij heeft achtendertig jaar dienst als onderhoudstechnicus, hij is vakbondsdélégué en zijn vader werkte ook een heel leven in dezelfde fabriek. Toch is dit niet het verhaal van één fabriek en één arbeider, dit is het relaas van een verknochtheid en een loyaliteit die niet langer opweegt tegen de koude cijfers van een steeds killer wordende economie.
De hoofdrolspelers in zijn dagboek zijn de Arbeiders, Bedienden en Interims, en natuurlijk ook de directeur (De Chef) en het kaderlid Den Botsauto, zo genoemd "omdat hij onvriendelijk is en omdat hij altijd zijn armen voor z'n borst kruist; zo speelden wij vroeger botsauto op de speelplaats" 

 Oktober - december 2010: het schrikbewind
Oktober: De Chef laat camera's installeren, zogezegd voor de veiligheid van onze persoonlijke bezittingen. Wij zien die camera's als afschrikking. Het is Big Brother, De Chef wil controleren wat wij doen. Hij denkt dat we gereedschap gaan stelen of machines gaan saboteren als revanche voor de sluiting. 
In het werkhuis hangt nu ook een camera. Dat is ons terrein, daar zijn wij baas en daar herstellen wij soms kapotte zaken van thuis, zoals een afgebroken oor van een inox kookpot. Dat gebeurt hier al jàren dat wij klein huisgerief repareren  tijdens de werkuren. Nu kan De Chef dat zien op de camera. Nu wordt dat zoals stropen. Zal hij ons betrappen of niet?!  
Oktober (2): De Botsauto is er om iedereen schrik aan te jagen. Zo komt hij de rokers dag na dag melden dat ze te lang buiten staan. Sommigen krijgen zelfs een aangetekende brief thuis dat ze gaan buiten vliegen als ze hun rookpauze niet inkorten.

November: De Botsauto en De Chef blijven ons opjagen. Wij zijn een zinkend schipke en toch staan ze naar ons te roepen dat wij geen tijd mogen verliezen, dat wij nog harder moeten roeien.
Onze vroegere kaderleden steken geen hand uit naar ons. Ze verstoppen zich in hun bureau, ze kijken de andere kant op. Nooit protesteren ze. Nooit vragen ze respect voor mensen die hier al dertig jaar hun werk komen doen. Dat is geen kader, dat zijn schoothondjes die met de tong uit de bek hun bazen achternalopen.    
November (2): De spanningen nemen toe. We worden met een paar van de oudste anciens op het matje geroepen bij De Chef en De Botsauto. Ze dreigen ons zwaar af, dat we teveel kritiek hebben en dat we onruststokers zijn. (...) Ook dat artikel in Humo wordt ons na anderhalf jaar nog altijd kwalijk genomen. Ik heb op een vergadering al eens gehakkeld: "ge moet dat een beetje humo-humoristisch bekijken!" Kwaad dat De Chef was!

December: Koud en veel sneeuw. We krijgen onze eindejaarscadeau's: een Sinterklaas in chocola, een bon om met twee te gaan ontbijten, 95 euro ecocheques, 125 euro cadeaubons, het kan niet op! Vroeger kregen we maar één cadeau, maar wel een handdruk van de directeur, met de beste wensen én een proficiat voor uw werk. De bazen zelf zijn niet te zien dit jaar. We moeten alle cadeau's afhalen op den bureau en onze naam schrappen bij ontvangst. Zo onpersoonlijk! Het is een koude winter, buiten én hier binnen!

“De spanningen nemen toe. De bazen verwijten ons dat we teveel kritiek hebben en onruststokers zijn.” (c) Jelle Verrmeersch

Boem boem boem
31 december 2010 - notities van (jh) Op oudejaarsdag is het een Kempense traditie dat de kinderen van deur tot deur gaan zingen om een nieuwjaarswens te brengen. Ik rij in de vroege morgen naar Gierle. De daken en hagen zijn nog bedekt met oude sneeuw, en het wegdek van de buitenstraten is met grijs ijs bevroren. Er gaan kleine groepjes langs de deuren en ik herken sommige liedjes: Nievejaarke hottentot M'n vader hee ne kletskop. Mè haar, zonder haar, 'k wens u ne zalige nievejaar! Sommigen hebben nog de linnen zak om de hals, daarin kunnen ze de snoep bergen, en in de zak hangt ook het washandje, daarin stoppen ze het geld. Ik zeg dat ik vroeger ook nog gezongen heb in het buurdorp Tielen, in 1963.
In café Biljart gaat het drieband stoten verder terwijl de zangerkes de deur van het café openduwen. Ze zingen Oud Jaar Nief Jaar, 'k Wens u ne zalige nievejaar. Dat is een kort refrein, maar ik heb het nog korter gehoord, Boem boem boem, 't jaar is oem! Morgen begint het laatste jaar bij Kempico.

Januari-februari 2011: het verschil met Opel
(Dagboek Stanny) Januari: op het tv-nieuws gaat het over Opel-Antwerpen waar een hoop mensen aan de deur zijn gezet. Zij krijgen een 'rugzak' met allerlei premies. En ze mogen met voorrang gaan solliciteren bij De Post en bij De NMBS. Waarom krijgen wij die behandeling niet? Is dat eerlijk dat arbeiders van een grote fabriek een duwtje in de rug krijgen en wij een stamp onder ons gat? Waarom krijgt een onderhoudstechnieker van Opel een brugpensioen van 1700 euro en waarom is dat bij ons maximum 1300 à 1400 euro? Iets waarvoor we dan nog hard hebben moeten onderhandelen. Januari(2): We beginnen het te begrijpen waarom ze de sluiting al in 2008 hebben aangekondigd. Enerzijds hebben ze eerlijk willen zijn, ons geen illusies willen geven. Anderzijds is het ook een strategie, want intussen zijn al zevenentwintig van de tachtig vaste werknemers weg gegaan, dat is dus éénderde van de werknemers aan wie ze minder afscheidsvergoeding moeten betalen aangezien ze niet tot het einde blijven. Het loont dus om zo vroeg over een sluiting te spreken. In de plaats komen goedkope interims. Veel allochtonen. De kantine ziet soms zwart van het volk. Ik had vroeger niks tegen allochtonen, maar nu komen hier ook een paar fundamentalisten werken. Hun geloof is het enige goede geloof. Ze kunnen niet verdragen dat er voor een verjaardag een fles jenever in de koelkast staat: die wordt in de gootsteen gekapt. Veel spanningen met die mannen. Vorig jaar ging het nog, maar nu de fabriek op zijn laatste benen loopt, zijn er meer conflicten.

Januari (2) De Chef is geen man van de dialoog, hij is direct kwaad en gaat gelijk roepen en tieren. We krijgen veel opmerkingen over het werk en dat we teveel tijd nodig hebben. Allemaal opjagerij. Tegen de interims zegt hij niks, maar de anciens wil hij precies kwijt. In zijn ogen zijn wij de dure vogels. Als we protesteren tegen zijn opmerkingen, dan zegt hij: "er staat geen prikkeldraad rond het bedrijf!" Met andere woorden: bol het maar af als het u niet aanstaat! Al honderden keren heeft hij dat gezegd. Zowel op de werkvloer als in de syndicale vergadering. Gelukkig staan we sterk, ABVV en ACV. Wij spreken vooraf onze standpunten af, wij stemmen onze gitaren, en tijdens het overleg spelen wij altijd dezelfde muziek. Wij veranderen geen noot. De Chef probeert het -verdeel en heers- maar hij kan ons niet tegen mekaar opzetten. Het ABVV heeft maar acht leden, wij hebben er veertig en toch vormen we één blok. De Chef bijt er zijn tanden op kapot.

April-Mei 2011: saucissonneren
April: De Chef kondigt aan dat men in juli-augustus met een langzame afbouw gaat beginnen. Hij spreekt van saucissonneren, dat is sluiten in schijfjes.

Mei: ik ga solliciteren bij een rusthuis. Maar ik krijg te verstaan dat het om een project van zes jaar gaat, "en u bent al 53". Tussen de regels: u bent al te oud.
Juni-augustus 2011: donderslag !

Juni : er komt een nieuwe directeur in Gierle. En de Grote Baas uit Brugge komt op bezoek. Hij is de man van de grote beslissingen, hij is de man die onze fabriek sluit, maar hij is uitermate kalm en correct, dit in tegenstelling tot zijn pionnen (De Chef en de Botsauto) die ons afdreigen en opjagen. Hij zorgt voor financiële tegemoetkomingen die de sluiting moeten verzachten. Hij belooft zelfs een Groot Afscheidsfeest in 2012 aan iedereen die na 2008 het bedrijf heeft moeten verlaten (noot: en hij heeft woord gehouden!) Juni (2): er worden nog extra interims aangenomen. De bazen willen altijd genoeg mankracht hebben zodat de kaasproductie geen vertraging oploopt. Een buitenstaander zou zeggen dat wij in volle expansie zijn! Pijnlijk voor ons om te zien: er is een enorme vraag naar onze kazen, er is ook geld voor extra werkkrachten, waarom moeten we dan dicht?!  

18 juli: Donderslag bij heldere hemel. We krijgen te horen dat de fabriek niet gaat stoppen op 31 december, maar dat ze vier maanden langer open blijft. Het komt zelfs in de krant en op de regionale tv. We zijn terminaal, maar ze gaan ons nog eens vier maanden extra aan een infuus leggen. Algemene verwarring. Sommigen hebben al ander werk gevonden en die moeten beginnen op 1 januari 2012. Wat nu?! En waarom moeten we open blijven? Er gaan geruchten dat er iets mis is in de nieuwe fabriek in Moorslede waardoor de sluiting van Kempico vertraging oploopt. Er wordt volop gefantaseerd en gespeculeerd. Die Westvlamingen gaan nog op hun stappen terug komen! Wij gaan open mogen blijven! Honderden keren beginnen we erover aan tafel, we kunnen er niet over ophouden. Eigenlijk zijn wij kankerpatiënten, die leven ook van dag tot dag. In 2008 hebben wij de diagnose gekregen dat we nog vier jaar te "leven" hadden, maar daarom weet ge nog niet hoe ge gaat sterven. De ene dag is er hoop, -de fabriek draait goed, de fabriek blijft misschien open?- , maar de andere dag is alles zwart, we moeten ons geen illusies maken, er is geen licht aan het einde van de tunnel. En zo slingeren wij al vier jaar tussen licht en donker.

Eigenlijk waren we al aan het aftellen naar 31 december en nu komen ineens die vier maanden erbij. Wij zijn een zieke koe die in het stro ligt, wij zijn op sterven na dood, en ineens komen ze tegen onze uier stampen: komaan, vriend, ge moet nog vier maanden uw melk geven!

“We moeten maar produceren. De kaasverkoop groeit en we worden opgejaagd. Het is werken tegen de tijd en tegelijk is het werken in een sterfhuis.” (c) Jan Hertoghs

September-december 2011: koppijn en buikpijn
September: Nog altijd veel onderlinge spanningen. Ook vriendschappen lijden eronder. Zie De Tandem, twee onafscheidelijke collega's, met allebei meer dan twintig jaar dienst. Altijd waren ze samen, alles deden ze samen. Ging de ene schaften, dan schaftte de andere ook. De ene kocht een motor, de andere ook. Hun vrouwen gingen samen winkelen, ze gingen samen op vakantie en nu is die vriendschap kapot. Door afgunst. Omdat de ene dàcht dat de andere een premie meer kreeg dan hem. Het was pertinent niet waar, maar het is nooit meer goed gekomen. Nu draaien ze mekaar de rug, en hun vrouwen spreken niet meer tegen mekaar. De ene is er ziek van geweest, de andere is hier weg gegaan. Vriendschap gedaan.

Oktober: Ik heb te dikwijls koppijn en buikpijn, en ik lig ook nachten wakker, allemaal van de spanningen en de stress.  2011 is het jaar teveel. Niet het werk steekt me tegen, dan wel al die onderhandelingen om gunstige voorwaarden te krijgen voor de collega's. Het gaat over brugpensioenen, afscheidspremies, verbrekingsvergoedingen en outplacement. Ge probeert voor iedereen goed te doen, maar altijd zijn er ontevredenen en moet er bemiddeld worden. 's Nachts in bed doe ik niks anders dan piekeren en wikken en wegen. Als ze mij de uren betalen dat ik 's nachts wakker lig van de fabriek, dat zou nogal een bonus zijn!    

November: De onderhandelingen slepen maar aan. Ik kom thuis van het werk en ben nog tot weinig in staat. De gazon afrijden? De gazon interesseert me niet! Met de hond gaan wandelen? Dat zal voor een andere dag zijn! De kinderen vragen van alles? Laat me gerust, ik heb al genoeg aan mijn kop. En zo gaat dat nu al drie jaar. Koppijn, buikpijn, pijn in de lies, pijn in de rug. Naar de dokter geweest, platen genomen, niks te zien, ik mankeer niks. Dan zeg ik wat er allemaal mankeert op het werk. De dokter verstaat het, hij heeft nog 'zieken' van de Kempico. 

December: Wat heb ik al dikwijls aan mijn vader moeten denken! En aan al die werkmensen die deze fabriek hebben opgebouwd. Altijd hebben ze gewerkt, altijd hebben ze vooruit gewild om die fabriek groter en beter te maken. En wij hebben dat voortgezet, en ineens valt dat levenswerk aan stukken. Al die arbeid is voor niets geweest. Dat is zo'n ontgoocheling. Ik moet ook aan ons huis van vroeger denken. Al wat daar stond, was het resultaat van de arbeid van m'n vader. En ook bij mij thuis, al wat daar is, dat is met mijn werk in de fabriek betaald. En nu is dat gedaan. Nu spat dat uit elkaar.    

31 december -notities van (jh) Eigenlijk zou het vandaag afgelopen moeten zijn met Kempico. Ik rij naar Gierle waar de nieuwjaarszang weer door het dorp gaat. Er hangt mist in de natte straten en de vrouw van bakker P. zegt dat er elk jaar minder gezongen wordt. De ouders worden bang om hun bengels de straat op te sturen, en de traditie neemt af. In café Biljart zijn het De 1000 Klassiekers van Radio 2, met Verdronken Vlinder van Boudewijn De Groot en Who'll Stop the Rain van Creedence Clearwater Revival. De laatste dag van het jaar met zijn onveranderlijke overval van jeugdsentiment.  

Januari-maart 2012:  wij zijn mijnwerkers

(Dagboek Stanny) Januari: Het jaar gaat gewoon verder: er komen nog altijd schoolbezoeken en rondleidingen alsof er niks aan de hand is. De kinderen zien hoe er kaas wordt gemaakt, maar ze zien niet hoe mensen en hun loopbaan worden gekraakt.

Januari (2) Eigenlijk is dat toch straf dat de bazen u zomaar aan de deur kunnen zetten. Met een leeftijd boven de vijftig, met achtendertig jaren trouwe dienst en met een brugpensioen van 1175 euro. Ik zou willen weten hoe groot hùn pree wel is! Ondank is 's werelds loon!
Zondag zaten mijn twee kinderen en schoonkinderen naar wekelijkse gewoonte rond de tafel. Ze vertellen enthousiast over hun werk en over hun baas en hoe goed ze met hem kunnen samenwerken. Ik moet op mijn tong bijten. Ik gun ze hun jeugdig enthousiasme. Terwijl ik ze eigenlijk wil verwittigen: ik was ook altijd loyaal en vol lof voor mijn bazen, ik had ook altijd ideeën om het werk te verbeteren, maar het brengt niks op: als zij dat willen, dan stampen ze u buiten. Trap dus niet in dezelfde val als ik! Dat zou ik willen zeggen, maar ik zeg niks. Terwijl het toch dikwijls door mijn kop gaat. Ben ik schuldig als ik ze niet verwittig? Of ben ik schuldig als ik hun enthousiasme afpak? Wat moet ik ze zeggen? 

Februari: Het wordt tijd dat het gedaan is. De spanningen nemen toe. Er ontstaan zelfs ruzies, wat we vroeger nooit hebben meegemaakt. Mensen zijn ongerust en wantrouwig. Alles wordt nagevraagd en berekend omdat ze denken dat een ander beter af is. 

Maart: We weten nu al vier jaar dat de fabriek gaat sluiten, een toekomst is er niet en nog is iedereen braaf en plichtsgetrouw tegenover de bazen. Wij Kempenaars profiteren niet van de toestand, wij werken en wroeten tot de laatste bol kaas. Enige tijd geleden moest de productie van de Fontal (Italiaanse kaas,jh) ineens worden opgedreven. Er moest in de weekends gewerkt worden, en in de normale werkweek werd er om vijf uur 's morgens begonnen in plaats van om zes uur. En wij, brave sloefen, wij deden dat! In april vorig jaar hadden ze dringend een kaasmaker nodig. Ze bellen iemand op. Die is in verlof, maar hij laat zijn verlof voor wat het is, en komt naar de fabriek. Zo hard werken wij, en dat met een C4 in onze achterzak! Ik moet aan een spreuk denken die ik ooit bij een nonneke heb gezien: "Uit de gouden korenaren schiep God de Kempenaren - uit de restant maakte hij de overigen van 't land!" Daar zit veel in. Alleen is er dat feit dat wij veel te braaf zijn, maar wij zijn zo opgevoed. Als er werk is, dan moet er gewerkt worden. Als de baas roept, dan moet ge komen. Dat heb ik thuis altijd te horen gekregen. En dat zit er zo in bij de meesten van ons.

Maart (2) Gelukkig is de familiale sfeer nog blijven bestaan onder de bijna vijftig overblijvende anciens: met huwelijken, verjaardagen en pasgeboren baby's wordt er nog altijd samen gelegd voor een cadeau en de feesteling trakteert op zijn beurt de collega's. Ik speel met zes andere collega's op de lotto. We zijn ermee begonnen toen de sluiting bekend raakte. Als de bazen gokken met hun werkvolk, dan mogen wij ook gokken met ons pree.   
Eigenlijk zijn wij mijnwerkers. Als ik die kolenmannen hoor vertellen over hun cameraderie en hoe ze verknocht zijn aan hun werk, dan denk ik: dat was bij ons ook.  Gelijk de mijnwerkers zijn wij een ras apart. De Kempico-boys. Hard werken in de fabriek en hard roepen en drinken op café. En één grote familie zijn. Dat zit in uw bloed en dat gaat er niet meer uit.

“Door de onzekerheid en de spanningen komt er onenigheid. Vrienschappen gaan kapot. De familiale sfeer van vroeger, die slaat om in achterdocht: wie heeft er meer premie dan ik?” (c) Jan Hertoghs

april 2012: afscheid van de persluchtcompressor

April: eind deze maand is het gedaan. Ik heb achtendertig jaar gewerkt en ik ben op al die jaren geen twee maanden ziek geweest. Ik moet me geen verwijten maken, ik kan zeggen dat ik me heb ingezet voor de fabriek. Ik heb me nooit op de ziekenkas laten zetten om het wat rustiger aan te doen. Want zo zijn er hier ook, veertig jaren dienst, en zeker vijf jaar geprofiteerd van dop en ziekenkas. Toch voel ik me slecht: ik had me het einde van mijn loopbaan wel anders voorgesteld. Ik had nooit kunnen denken dat ze ons na zoveel jaren dienst zo konden afdanken. Als vuilbakken worden we aan de deur gezet, als afval worden we op het stort van de economie gegooid. 

April (3): Twee jonge collega's gaan op onze laatste dag een barbecue organiseren. Iedereen kan inschrijven voor tien euro. Op het menu: varkenssaté, varkensworst, varkenshamburger, zo zullen er wel geen allochtonen komen. De vroegere directeur en De Botsauto schrijven zich ook in. Groot kabaal in de kantine: hoe durven ze?! als die komen, dan breken we het kot af! Eén jonge collega gaat zeggen dat ze niet welkom zijn. Ze vragen hun geld terug. Dat is het verschil. De mannen met de schone pree vragen hun geld terug, en een werkgast die inschreef maar die verhinderd is, die heeft ons het geld laten houden: drink maar iets op mijn kosten!  

Dinsdag 24 april: Om tien voor één rijdt de laatste tankwagen binnen. Het is de laatste melk die hier gelost wordt.
Woensdag 25 april: In de vooravond hebben we onze laatste bak kaas gemaakt.

Donderdag 26 april: Alle leidingen worden leeg gemaakt. 

Vrijdag 27 april: Alle machines worden afgesloten. Op die machines staan urentellers die aangeven wanneer het volgende onderhoud moet gebeuren. Dat is een routine, ik kijk nooit naar die geheugentellers, en nu sta ik ernaar te kijken. Want er komt geen volgende onderhoud meer. Ik heb u voor de laatste keer onder handen gehad, jongen. Zo spreek ik tegen de afromer. Laatste keer dat ik u vast pak, man! Zo spreek ik tegen de persluchtcompressor. Dat zijn maar onderdelen, dat zijn maar machines. Maar ik heb ze jaren gekend, met hun kuren en humeuren. Ik was in zekere zin hun vader. Naar mij luisterden ze want ik wist hoe ik ze moest behandelen, ik wist hoe ik ze moest aanpakken. En zo loop ik langs die machines, en elke handeling is voor het laatst. 't Is geen fabriek meer, 't is een sterfhuis.      
De regionale tv RTV komt filmen. Ze vragen of ik het licht uit wil doen en de pneumatische deuren wil sluiten. Ik neem die schakelaars vast en dat pakt mij. Mijn keel gaat dicht. Ik krijg het kwaad. Met een hele ploeg gaan we op café. Ik doe mijn werkkleren niet uit, in overall en op werkschoenen ga ik naar Café Den Eik, iets wat ik van m'n leven nog nooit gedaan heb. De rest van de dag mij vol troost gegoten. Mijn boterhammen niet opgegeten. Ze later aan de hond gegeven.
(Einde dagboek.)

Raf en Stanny op hun laatste dag. De schoofzak wordt aan de ingangpoort gehangen. (c) Jan Hertoghs

Waarheen leidt de weg

Maandag 3O april is de allerlaatste werkdag. Aan de ijzeren poort van de fabriek hangen de werknemers hun 'souvenir': een rugzakje met hun voornaam en het aantal jaren dienst dat ze hebben. Vandaag is het barbecue. De tafels zijn gestapelde paletten met een blad van karton. De baas heeft geen vrijaf gegeven, iedereen heeft compensatie-uren moeten opsparen of verlof moeten nemen om hier aanwezig te kunnen zijn. Op de parking staan de twee vrachtwagens die voor de laatste keer met kaas naar Italië zullen rijden. Robert en Fernand zijn de chauffeurs, ze pendelen al meer dan twintig jaar tussen Gierle en het zuiden. Fernand zegt het stil, hij heeft geschreid toen hij hoorde dat Kempico dicht ging.
lse
met negentien jaar dienst zegt wat haar ongerust maakt, ze is niet de enige: "Hoe zal dat met ons verder gaan? Al zolang dat wij samen zijn. En zoveel dat we samen hebben meegemaakt. Eerst trouwden we. En dan waren we in verwachting. En dan waren er de klein mannen die geboren werden. En altijd dat we meeleefden met mekaar, wij kenden niet anders. En nu moeten we ander werk gaan zoeken en nu gaan we overal de nieuwe, de buitenstaander, de indringer zijn. Dat gaat lastig zijn. "  
Met krijt schrijven de werknemers hun gram tegen de bazen, maar op de bakstenen muur staat ook dikwijls: Ik Was Hier Graag. En dan is het vier uur en komt Diego het terrein op, een doedelzak onder de arm. Hij speelt Amazing Grace, beter bekend als Waarheen Leidt De Weg? En niks zo toepasselijk, niks zo weemoedig als die sleperige klaagtoon op dit fabrieksterrein dat er straks verlaten zal bijliggen. Ogen krijgen tranen en camera's komen boven. En dan vertrekken Fernand en Robert en ze krijgen een "erehaag zoals bij het einde van Sabena": met druklansen wordt een watergordijn gespoten boven de trucks. De twee chauffeurs halen hun hand niet meer van de claxon. Diego speelt "Ik zeg u geen vaarwel, mijn vriend".
Iemand schrijft met grote krijtletters  "Kempico Forever".  

(c) Jan Hertoghs

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

<w> 70 jaar na 1953: toen de zee kwam en mensen wegdreven op hun dak

In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 voltrok zich één van de grootste natuurrampen in het Europa van de 20ste eeuw. Door een combinatie van een orkaan en springtij kwamen grote delen van Nederland en België metershoog onder water te staan. In Nederland verdronken 1836 mensen; in België 22. 
In die stormnacht ben ik geboren.
Het maakte van jongsaf een diepe indruk: ter wereld komen terwijl dichtbij bijna tweeduizend mensen van de wereld verdwenen.
Het was ook de reden dat ik als jonge journalist een reportagereeks over natuurrampen maakte - in 1989-  en het eerste stuk ging over de watersnood van 1953.
Ik sprak met overlevenden wat toen nog "nieuw" was. Het eerste boek met uitvoerige getuigenissen (“De ramp, een reconstructie” van Kees Slager) verscheen pas in 1992.
Wie de ramp van ‘53 meemaakte , had jarenlang gezwegen. Omdat élke familie wel slachtoffers had en omdat huis en  dorp moesten heropgebouwd.
Pas na 35 jaar begon de oudere generatie te spreken: over het verdriet, het gemis en alle trauma's die waren weggestopt.

 Humo maart 1989 © Jan Hertoghs - onderaan de reportage nog een link naar m’n andere stukken over de watersnoodramp

"Buurman! Dit stuk hout drijft niet genoeg. Ik moet verdrinken.” 

uit “Watersnood” (Kees Slager)

De storm kwam van de Britse eilanden. Aan de Schotse kust had de wind al een derde van het bosbestand geknakt en pieken tussen 120 en 180 km per uur gehaald. Op de Ierse Zee woedde een razende sneeuwstorm. De ferryboot "Princess Victoria" kapseisde, de golven eisten 139 doden. Vanuit het noord-noord-westen beukte de orkaan tegen de Noordzeekust. Over een lengte van 1000 km werd het zeewater opgestuwd. De stormvloed hoopte zich op in de trechter van de Nederlandse, Belgische en Engelse kust; het was bovendien springtlj. Eén kubieke meter water weegt duizend kilogram. In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 kraakten miljarden kubieke meters water tegen de kust van Nederland. Men sprak van een "lawine" van water, "de zee ging scheef staan tegen de kust".

Bram De Krom woont langs de oude weg tussen Tholen en Halsteren. In 1953 was hij twintig jaar.

«31 januari was een gewone zaterdag, maar het stormde al flink. Met vader hadden we bij Bergen-Op-Zoom een houtwal gehakt, het dunne mutsaardhout lag hoog op de kar gestapeld, en de paarden moesten zich schrap zetten tegen de wind om vooruit te komen. 's Avonds was er op de radio sprake van gevaarlijk hoogwater en iemand aan tafel vroeg wanneer het hoogtij was. Vader heeft toen nog gezegd "Wat is er? Moet je gaan zwemmen?
Om halftwaalf zijn we gaan slapen en om halfvijf zijn we wakker geworden van geklop op de vensters, een vrouw riep "Watersnood ! Watersnood !" Dat was de vrouw van de dijkbaas, die man had heel de nacht de dijken in de gaten gehouden. Vader zei dat we alvast de paarden moesten inspannen, dan konden we nog wegrijden als het water kwam. lk haalde de paarden van stal en terwijl ik het tuig om hun nek wilde hangen, sloeg het water kniehoog tegen mijn benen. Dat water was er ineens, dat was een suizen en een blinken, dat schoot naar alle kanten. ik heb de paarden losgelaten, die galoppeerden de nacht in en ik ben met moeite nog binnenshuis geraakt. We zagen de brandweer voorbijrijden, die probeerden met hun wagen voor de golf uit te blijven, maar het water liep gelijk met de wielen. Langs de weg liepen ook twee moeders met een kinderwagen, de brandweer is gestopt, heeft nog geprobeerd om ze op de wagen te tillen, maar het water sloeg al met zo'n kracht dat de twee moeders en de twee baby’s voor hun ogen verzwolgen werden, samen met een brandweerman.

Het water stond hier twee meter hoog, de varkenshammen aan de zoldering hingen half in het sop. Wij zaten boven aan de trap te kijken hoe het water trede voor trede omhoogklom. Soms zakte het ineens twee treden, dat was weer een dijk die brak, weer een polder die volliep, dat nam even de druk weg, maar al vlug begon het stijgen opnieuw. Toen brak de trap af met zo'n gekraak dat we dach-ten dat het huis eraan was. Dat waren van die momenten, nou, dan werd er hardop gebeden: weesgegroet en onzevader.
Tegen acht uur 's morgens zagen we de eerste bootjes uit Tholen komen. Het gezin van mijn oom en mijn tante, met oma en de kinderen is in zo'n mosselschuit gestapt. Ze voeren voorbij en ze riepen nog : "Wij zijn weg, hoor!" Nou, onderweg is die boot op een paal gestoten en gezonken."
Zijn vrouw: «Toen oom zag hoe iedereen verdronk, dacht hij : ik laat mezelf ook maar zakken, maar toen hoorde hij ineens zijn dochter roepen "Vader! Vader!" en dat heeft hem weer de kracht gegeven om naar iets te grijpen en boven water te blijven. Oom leeft nog, samen met een dochter en een zoon, maar drie andere kinderen, zijn vrouw en oma zijn verdronken.»
De Krom : «Om negen uur 's morgens zijn ze iedereen komen halen met de boot, maar vader, mijn oudste broer en ik zijn pas om vier uur weggehaald. Die schipper van dat motorbootje kwam langszij en zette een ladder recht in zijn boot tegen onze dakgoot. Toen het dakvenster te smal bleek voor mijn vader, rukte ik die vensterstijlen met mijn blote handen uit het dak en trapte de planken met mijn voeten kapot, tot ie erdoor kon. In zo'n omstandigheden ken je je eigen kracht niet. Ons bootje is dan naar de boerderij van de buren gevaren, daar hebben we nog vijf mensen geladen, en daar is de volle omvang van de ramp plots tot me doorgedrongen. Achter hun huis stond een grote perenboom en daar hing een lijk in.

Evacuatie van overlevenden in een binnenschip, het ruim is met stro bedekt. (uit “Watersnood”)

 Omdat de motorboot overladen was, zijn mijn broer en ik met twee schippersjongens in een roeibootje gestapt dat met een touw achter die sloep hing. Het water deinde geweldig, we gingen als een dobber over de golven. Plots ging het mis, de motorboot botste tegen een huis, ze gooiden ons los, de lijn weg, en wij dreven met de stroming tegen een ingevallen schuur. Het water zoog en trok aan onze boot, maar gelukkig zijn we daar weggekomen. Een schippersjongen zat aan het roer, een tweede roeide wat ie kon, ik zat plat op mijn knieën en trok mee aan de riemen en mijn broer hoosde zonder ophouden. Zo zijn we toch aan wal geraakt.

 De eerste keer dat we terug in ons huis sliepen, dat was na een paar maanden, nou, dat was wel eng, je hield altijd maar die trap in de gaten, daar waar het water gestaan had. Maar dat gaat over. De mensen die aan die ramp iets hebben overgehouden, zijn meestal mensen die met schuldgevoelens zitten omdat zij alleen het er levend vanaf gebracht hebben. Zo is er een boer die niet meer met de tractor op de weg durft, die ziet overal gevaren.»
Zijn vrouw: « Die man heeft heel zijn familie zien verdrinken en toen er ineens een deur aan kwam drijven, sprongen hij, zijn vader en zijn broer met een laatste krachtinspanning naar die reddingsplank. Hij had ze. Zijn vader en zijn broer verdwenen in de golven. Dat schuldgevoel, als enige te overleven, is blijven knagen.»  

De Tholense weg waar Bram De Krom woonde; het beeld is van enkele dagen na de ramp en bij eb. (uit “Watersnood”)

Bengelend onder een "hélicoptère" 
Jan Huizer
woont alleen op een boerderij, een eind buiten Oude Tonge. In dat dorp overleefden 300 van de 3000 inwoners de ramp niet.
«Zaterdag stormde het de hele dag. Om negen uur 's avonds ben ik de beesten gaan voeren. Normaal komen de koeien overeind wanneer ze je zien binnenkomen, maar nu stonden ze al recht, en maar opgewonden draaien met die koppen, en maar rukken en schurken aan de ketting. Die avond waren we met zeven thuis: moeder, drie broers, twee zussen en een verloofde van een broer. Rond elf uur zijn we naar bed gegaan, maar niemand kon slapen. De wind huilde zo om het huis, dat we van lieverlee een aantal bedden en matrassen naar beneden gedragen hebben, we vertrouwden het niet onder het dak. Ik heb heel de nacht niet geslapen, mijn kamer lag dichtbij de schuur en daar stond de wind pal op: dat suisde zonder ophouden, net een ouwe locomotief die stoom afblaast, zo'n hoog en schril geluid was het. Om vijf uur hoorde ik plots water onder de vloer stroelen, ik sprong uit bed en wilde met mijn broers naar de stal lopen om de beesten los te snijden, maar het water pakte ons bij de benen, we hebben moeten spartelen om terug binnen te geraken.
Op de vliering zat de rest van de familie rond een kannetje melk en een petroleumlantaarn. Eén bonk angst was het daar, ik dacht niet minder of we zouden allemaal verdrinken. En heel de tijd dat kraken van die orkaan en dat brullen van de koeien die in doodsnood verkeerden! Dat is erg voor een boer, zijn dieren horen sterven en niks kunnen doen.
Zondag is de storm gaan liggen, maar pas maandag hebben we voor het eerst mensen gezien. Twee keer is een watervliegtuig vlakbij geland, maar ze konden niet bij onze voorgevel komen omdat er jonge boompjes in de weg stonden. Die piloten draaiden een paar cirkels rond het huis, schoven het raampje open, staken hun duim op en vlogen weg. Alsof ze wilden zeggen wij gaan hulp halen. Maandag-avond is de hélicoptère gekomen. Ik had zo'n tuig nog nooit gezien. Eerst hoorde je dat geluid; heel anders dan een vliegtuig, en toen zag je dat kleine ding komen aanvliegen. Altijd maar lager en lager tot boven het huis. Uit de buik kwam een kabel en een stangetje naar beneden, tot voor het zoldervenster. Eén voor één gingen we op de vensterbank zitten, één voor één ging het omhoog en één voor één werden we naar Oude Tonge gebracht. Bij mijn moeder liep er iets mis, die was te zwaar, dat mens woog wel 100 kg. We zagen hoe de kabel schokte en schokte, maar ze geraakte toch boven, ik zie haar benen nog buitenboord hangen terwijl de helicopter naar het dorp vloog.
Na mijn moeder was ik zelf aan de beurt. Bleek dat het motortje van die takel verbrand was door het overgewicht van mijn moeder, ze kregen me niet omhoog ! Om me terug te laten zakken was het al te laat, het toestel zwenkte a! weg. Daar bengelde ik aan die kabel, vier meter onder de helicopter en zestig, zeventig meter boven het water. De wind benam mijn adem, er sloeg een sneeuwbui in mijn gezicht, het leek uren te duren voor ik eindelijk op de begane grond werd afgezet.» 

(uit “Watersnood”)

 Afgesneden van de  buitenwereld  
Jan Huizer behoorde tot de bijna 40% getroffenen die meer dan 24 uur geïsoleerd hebben gezeten; haast 30 zaten tussen 6 en 24 uren vast. Uit een enquête onder 900 geëvacueerden bleek ook dat 66 % al die tijd op zolder vertoefde, 25 % zat urenlang op het dak, in een boom of in een andere benarde positie. Amper 6% van de geteisterden kon vrijelijk door het huis gaan.
Dat duizenden mensen een etmaal lang van de buitenwereld afgesneden waren, had te maken met het compleet verbreken van alle telefoonverkeer. Een eiland als Schouwen-Duiveland werd daardoor bijna tot maandagmiddag door de overheid in Den Haag over het hoofd gezien. De ware omvang van de ramp drong ook pas maandag door. Op zondagavond telde men officieel 58 doden, maandagmiddag waren het er ineens 394.
De eindbalans kwam op 1836 slachtoffers, een derde van hen was geen 20 jaar. 200.000 stuks vee verdronken, meer dan 200.000 ha land overstroomden. Tienduizenden huizen waren wég, 70.000 daklozen ' werden geëvacueerd. De schade beliep 1,3 miljard gulden (ca. 650 miljoen euro). In België bedroeg de schade 2 miljard Bfr en kwamen 22 mensen om, daarvan acht in Oostende. In de Antwerpse polders raakten honderden gezinnen geïsoleerd na doorbraak van de Scheldedijken. In Vlassen-broek (bij Dendermonde) zaten tientallen mensen uren op hun dak. In Groot-Brittannië verdronken in totaal 504 mensen. 

"Het Is een verloren  zaak!"  
Zeeland. De lucht is grijs. Moet hier grijs zijn met al die meeuwen en kilometers hoogspanning. De horizon is gemaakt van dijken, met hogerop een vage vangrail van bomen niet veel groter en sterker dan lucifers. Verder, zover het oog kan zien, gras en omgeploegd land. Midden in dat land staan huizen, stenen boten, gezonken in de grond Er is geen mens te zien.
Van het dorp Stavenisse stonden na de ramp nog maar enkele huizen overeind. Van de 1700 inwoners verdronken er bijna 200. Bram Smits, lange tijd wethouder van het dorp, wijst door het raam waar het allemaal gebeurde.
"Dit jaar is het een mistige januarimaand, wel, januari 1953 was dat ook, dagenlang hing de mist stil over het land, het had iets beklernmends. Maar zaterdag 31 januari ruimde de stormwind de lucht en was het mooi en helder, met tussendoor buien. Toen ik 's middags naar het hoogwater in het haventje ging kijken, lag de veerboot van Tholen naar Schouwen-Duiveland zo hoog dat hij met de boeg boven de dijk uitstak, wat vreemd was, normaal zag je enkel de tuigage.
s Avonds waren mijn verloofde en ik kennissen gaan bezoeken en toen we terugkeerden over de dijk, kwam de wind met stoten over de weg, er lagen al dakpannen en stukken schoorsteen op de grond.
Ik heb mijn verloofde thuisgebracht en ben zelf naar huis gegaan, ik woonde alleen met mijn moeder op de Stoofdijk, in een boerderijtje. Ik ben op bed gaan liggen, hoogstens een kwartier, langer hield ik niet uit, het bed schudde, de vloer schudde, het huis schudde, zo hevig rukte die wind. Ik kleedde me weer aan en ben naar het haventje gegaan. Het was middernacht, normaal zou het laagtij moeten zijn, maar het water stond op het peil van hoogtij. We stonden met een paar mensen naar dat water te kijken en de dijkbaas maar zijn handen wringen: "Nog nooit beleefd I Nog nooit beleefd!" Via de brandweer hebben we de sirene laten loeien en velen hebben toen gedacht "Wat een nacht. Zo stormen, en nu nog brand ook." Er kwamen meer mensen kijken, maar van echte onrust was nog geen sprake, het water was wel eens meer over de dijk gekomen. De dijkbaas en zijn manschappen hadden ondertussen een taxi opgebeld en zij reden rond de polder om de dijken te bekijken. Die taxi is teruggekomen, ik heb die man zien uitstappen en hij zei "Het is een verloren zaak. Het water spoelt al over de kruin."
”In het haventje zelf liep het water langs drie kanten uit de havenkom. Maar opeens, rond halfvier, zakte het water en veel mensen zijn naar huis gegaan, gerustgesteld, onwetend dat het een polder was die vol water liep en die zo de druk van de haven haaide. “ 

Een gedeelte van de verwoeste Stoofdijk in Stavenisse. Op dit dijkje woonde Bram Smits met zijn moeder. (uit “Watersnood”)

Oh, God, help me!

Om vier uur was het water er weer en toen was er geen houden meer aan. Een paar ooms en een paar kennissen hadden ondertussen de koeien, de paarden en de varkens van stal gehaald en vastgemaakt aan een oude schuur op de Stoofdijk. Ons huis was dus leeg, moeder zat op een zolder bij de buren, ik stond buiten, keek nog een laatste keer om naar ons huis en zag nog licht branden in de schuur. Hoewel het water vlakbij was, liep ik terug om het licht uit te doen. Je wilde geen kortsluiting in huis met al dat water, maar eigenlijk riskeerde ik mijn leven. Want op de tijd dat ik door het huis was gelopen om de schakelaar om te draaien, kraakte er een vloedgolf langs de schuur die mij de terugweg versperde. Amper zeven meter was ik gescheiden van de dijkberm, maar het waren zeven meters woeste zee. "Dat haal ik niet", dacht ik, "hier kom ïk niet door." Maar ik moest en ik zou naar die dijk en met een schreeuw "Oh, God, help me!" sprong ik in het water. Even kreeg de stroming mij in haar greep, maar klauwend onder water kreeg ik ineens gras te pakken — gras van de dijk! — en ik ben op het droge geraakt. Dat was waarlijk een wonderbare redding. Pas dan drong het ook tot mij door dat er iets verschrikkelijks gebeurd was, dat er waarschijnlijk mensen verdronken waren. Op dat ogenblik viel ook de straatverlichting uit, dat vond ik beangstigend, geen licht meer op straat, geen licht meer in de huizen, alles aartsdonker.
U bent met de auto een viersprong gepasseerd, daar stond ik toen. En daar stond ook mijn verloofde. Met een kussensloop in d'r handen en daarin staken twee broden en een nieuw tafellaken. Kijk, dat neemt een mens mee op zo'n reddeloos moment!
Op die plek stonden ook het vrachtwagentje van de molenaar en de taxi van de dijkbaas te keren en te draaien: waarheen, waarheen?!In de lichtbundels van die voertuigen zagen we het ene huisje na het andere weggeslagen worden. Dat was geen water meer, dat was een moordende golf. Ik heb mensen gesproken die de vloedgolf over de dijk hebben zien breken. In één keer over een lengte van drie kilometer! Een muur van wit schuim moet het geweest zijn, wel drie me-ter hoog! De dijken zijn eigenlijk niet gebroken, ze zijn overspoeld, van binnen uitgeloogd en ingevreten, en dan pas is de kruin stukgebroken. Heel dat buurtschap is toen verdwenen op één huis na. Tweeënveertig mensen zijn er in dat dorpshoekje verdronken. Ik heb een vrouw met haar kinderen in de hanebalken zien hangen en die hoorde je in doodsangst gillen boven het gebrul van die storm. Tot het water hen wegsleurde.  

De ravage in de Kerkstraat in Stavenisse. (uit “Watersnood”)

Beelden van Zadkine stonden moeders daar
baby's boven de springvloed uit te beuren.
Zonen zagen hun vaders medesteuren;
wat wordt een ouder in ie handen zwaar;
de schuren van de boerderijen scheuren.

(uit "Watersnood" van Gerrit Achterberg)

"Ik moet verdrinken..." 

»Zelf moesten we toen ook weg van die viersprong, want je zag de berm onder je voeten afkalven. Ik ben dan naar het schuurtje gelopen waar onze dieren vastgemaakt waren en daar op het zoldertje gekropen. Ik zat nog maar net boven of de achtermuur sloeg onderuit en met die golf water kwamen er varkens en stro en tafels en stoelen onder me doorspoelen. Dat waren dieren en huisgerei uit het dorp. Die stroom van beesten en meubels hield maar niet op, naar mijn gevoel heeft dat een uur geduurd. Allicht was het niet zo lang, maar als je angst hebt, schijnt er geen eind aan te komen, tijd wordt eeuwigheid. Toen ik merkte dat ons paard niet meer tot aan zijn middel maar slechts tot halfweg zijn poten in het water stond, laag genoeg om er met mijn laarzen door te waden, heb ik de schuur verlaten. Ik liep enkele meters, plompte plots in een gat en tegelijk pakte iemand me ruw bij de schouders "Bram ! Bram! Heb je mijn vrouw en mijn jongen niet gezien? Dat was een oom van me. Ik wist niks van beiden, maar ik voélde gewoon dat ze verdronken waren. Een heel benauwend voorgevoel dat later bleek te kloppen. » Ik ben dan tot op het zoldertje bij mijn schoonvader geraakt, waar ik droge kleren heb gekregen. Daar zaten we met zo'n dertig mensen. Elkeen tenvolle doordrongen doordrongen van het feit dat we ons op een plek bevonden waar eigenlijk geen ontkomen meer was. Als je toen naar de gezichten van de mensen had kunnen kijken, dan zou je de doodsangst hebben kunnen aflezen. Je zat daar samen met allemaal mensen die kort tevoren familieleden, vrienden, kennissen of buren hadden zien verdrinken. Mensen die ook zelf de dood in de ogen gekeken hadden. Mensen die op een mum van tijd overvallen waren door bruut watergeweld, door een kracht en een macht die ze niet voor mogelijk hielden. "Laten we nog maar eens uit de bijbel lezen", werd er gezegd. En een van de verhalen die werden voorgelezen, was het verhaal van Jona die in een storm wordt opgeslokt door een walvis, maar Jona wordt gered. Ja, er is die nacht hárd gebeden !»
“Maar hoe klein en nietig de mens ook is, de wil om te overleven was heel groot. Kinderen en volwássenen hebben uren in dunne, doornatte kleren op een dak gezeten of half in het water gestaan en toch is niemand nadien ziek geworden. Op zo'n ogenblikken schijnt de mens psychisch én fysiek zoveel weerstand te kunnen op-brengen, dat hij die ontbering kan verdragen. Mensen van tachtig jaar die geen drie stappen op een trap konden zetten, kropen tot in de nok van hun dak! En dar zaten ze, op de dunne rand tussen leven en dood, want terwijl zagen ze hun buren verdrinken. Intussen hoorden ze hun buren verdrinken.  "Buurman, ik heb een stuk hout dat drijven kan, maar het is te klein, ik moet verdrinken!" Ja, een hoop mensen waren er zich héél bewust van dat ze verdronken. 

Nog een beeld van de zwaar gehavende buurtschap op de Stoofdijk in Stavenisse. “Niemand op de hele wereld wist van ons lot.” (uit “Watersnood”)

Met zijn rug dwars  door het dak 
 » Ginds staat een oude boerderij. Die boer is vorig jaar gestorven, hij was 92 jaar. Zijn verhaal wil ik wel vertellen, Die boer hoorde vanuit zijn alkoof water lopen, stapte uit bed en kreeg natte voeten. Hé, dacht ie, het aquarium met de tropische visjes loopt leeg. Daar zat 350 liter in. Toen hij besefte dat het vloedwater was, bracht hij zijn gezin in veiligheid en ging in de keuken nog wat eten halen. Maar ineens sloeg het water de voordeur eruit en duwde de keukendeur dicht. Die boer was sterk als een beer, maar hij kreeg met geen geweld die deur meer open, Toen versplinterde het water de ramen, spoelde binnen en sleurde zijn onderbroek van zijn lijf. Hij kroop eerst op tafel dan bovenop een kast, maar het water stuwde hoger en hoger. Op die kast lag een groot broodmes en met dat mes is hij in het gebinte beginnen kerven van het dak dat schuin boven de keuken uitliep. Toen de planken her en der doorgekerfd waren, is hij gebukt op die kast gaan staan, hij heeft zijn rug gekromd tegen dat dak en is met zijn volle opwaartse gewicht beginnen duwen tot de panlatten het begaven en de dakpannen wegrolden. Met zijn rug heeft hij een gat in het dak gebroken! In zijn slaaphemd zat ie op het dak, en nog altijd dreigde het water, hij moest alsmaar hoger kruipen. Uiteindelijk is hij over de nok geklommen en heeft hij zich in de schuine "wig" tussen het dak en de schoorsteen klem laten vallen, hij kon niet meer. Pas 's morgens vond hij weer wat kracht om daar weg te geraken. U kan zich het weerzien met het gezin wel voorstellen! Kijk, dat is één van die ontelbare verhalen over hoe mensen handelen uit lijfsbehoud. Je denkt niet meer, je vraagt je niks meer af, je handelt nog alleen. Puur impulsief. Anderen zijn dan weer verdronken omdat ze puur in paniek weggevlucht zijn, vaak náár het water toe! En man die veilig en wel in de kerktoren zat, haalde het bijvoorbeeld in zijn hoofd om het klokkenzeel op te halen en zich met dat touw op het dak van de kerk te laten zakken. Dáár ging ie zitten, in regen en wind! Overal gebeurden vreemde dingen. In de dorpsstraat werd een man "zittend" meegesleurd door het water. Ooggetuigen die hem zagen voorbijkomen,vroegen zich af hoe hij het klaarspeelde om tegen die snelheid en tussen al dat wa-ter recht te blijven op zijn fiets, maar hij zat niet op zijn fiets, hij zat half in, half op het water!
En dan had je de kinderen, die beseften amper wat er gaande was. De kleinsten van een jong gezin dat ronddreef op een dak, begonnen na een paar uren te huilen : "Wanneer mogen we nu naar bed ?! Zo'n peuter ziet dat water niet, het denkt, het is nacht, ik wil slapen in mijn bedje." 

In het boek "Februari-ramp" beschrijft J.E. Eelemers het gedrag van kinderen tijdens de ramp. Wanneer de ouders kalm bleven, bleven de kinderen ook kalm. Wanneer de ouders opgewonden deden, raakten de kinderen ook overstuur. Hoewel er ook gevallen bekend zijn van volwassenen 'die de ramp niet konden of wilden vatten ("Ik ging op bed liggen en wilde het water niet meer zien."), waren het vooral kinderen tussen zes en tien die zich van geen kwaad of gevaar bewust waren. "Mijn zoontje van zes stond voor het raam te lachen als er kadavers van koeien voorbijdreven. Kijk die koe eens dik zijn, lachte hij." Andere kinderen amuseerden zich met ronddrijvende voorwerpen of konden met moeite weerhouden worden van in het water (twee meter diep!) te spelen. De ramp leek zich buiten hun blikveld af te spelen. Pas wanneer ze iets van "hun wereld" verloren zagen gaan, beseften ze iets van het gebeuren: "Mijn jongste dochtertje huilde het meest toen ze een pionnetje van Mens Erger Je Niet weg zag drijven." 

Evacuatie op rubberboten van het leger. “Kinderen leken de draagwijdte amper te beseffen. Ons dochtertje huilde pas toen ze een pionnetje uit Monopoly zag wegdrijven.” (foto Hollandse Hoogte: ingescand uit Humo)

"Ik wou dat  ik dood was !" 
Bram Smits
: « Om negen uur 's morgens luidden de klokken. Hé, dacht ik, het is zondag vandaag. Daar had ik nog niet eerder bij stilgestaan. Normaal zat het dorp dan in de kerk. Maar nu zat het dorp her en der verstrooid op zolders. Mensen dreven nog rond op wrakhout. Een man hield zich staande bovenop een hooiopper die geschraagd werd door vier staken. Dat was de man van wie ik de vrouw en de kinderen uit de hanebalken in het water had zien verdwijnen. Die hooiopper stond scheefgezakt in het woelige water, dat houten dakje golfde onder de deining, daarop zat hij te wiebelen.
De dubbele inrijdeuren van een schuur hebben we op elkaar gespijkerd, en met een hoop touw wilden we dat "vlot" in zijn richting laten drijven, maar het lukte niet. Pas 's middags raakte ie daar weg.
Waar je rondkeek vanop de dijk zag je mensen op het dak zitten of uit het dakvenster leunen, zwaaiend met vlaggen en met lakens. Maar je kon niks doen, je kon ze niet bereiken. Pas tegen zondagavond, het schemerde al, kwam er een vliegtuigje over: ons eerste contact met de buitenwereld! Vijftien bange uren waren toen verstreken en het was weeral nacht, een nacht vol onzekerheid. Ik weet dat ik op een stoel zat en dat ik heel goed besefte dat er niemand in heel Nederland, niemand op de hele wereld tenzij God in de hoge hemel, van ons lot afwist. Dat gevoel had ik heel sterk.»

"Maandagmorgen 2 februari scheen de zon en kwam de hulp op gang. Vliegtuigen gooiden voedselpakketten, jerrycans met water en rubberbootjes uit. De meeste rubberbootjes dreven naar niemands-land, maar op een dijkje bij een boerderij zag ik een man alléén in zo'n bootje stappen. Vreemd was dat, want op die boerderij zaten meer mensen. Dat rubberen ding vlood met de stroming, tolde met de wind mee, schoot met een vaart door een bres in een dijk en kwam toen in een luwte stil te liggen, tegen een dijk waar het vol wrakhout, meubels, lijken, dieren en stroschoven lag. Waggelend kroop hij op de dijk, wij liepen ernaartoe. Zijn handen sloeg ie in elkaar, zijn hoofd was één meelijwekkend schudden: "Mensen, men-sen, ik leef nog, maar ik wou dat ik dood was! Ik heb mijn twee jongens van mijn rug moeten gooien!" Hij was weggespoeld, terwijl hij een zoontje van dertien aan de hand hield en een zoontje van zes op zijn schouders droeg. Ze waren weggelopen voor het water, maar de vloedgolf haalde hen in. De vader voelde hoe de oudste jongen uit zijn hand werd gerukt, het baasje riep nog, maar toen was het al weg. Twee stappen verder schoot die man de dieperik in, in een vijvertje naast een boerderij. "En toen heb ik mijn eigen kind van mijn hals moeten losmaken Mijn eigen kind! Ik wou dat ik dood was! En mijn vrouw is verdronken 1 En mijn dochter is ook verdronken!" Wij wisten dat beiden nog leefden, wij zegden dat ook, maar het drong niet tot hem door, hij bleef maar herhalen hoe hij die ene jongen had losgelaten en die andere van zijn schouders had getrokken om zichzelf te redden. Blijkbaar was hij uit wanhopige doodsverachting alleen in dat rubberbootje gestapt.
Die boerderij waar hij vandaan kwam, heeft nog uren staan waggelen op haar muren. Verroeren durfden ze zich haast niet op hun boerenzoldertje. Toen die mensen gered werden, vertelden ze dat er 's nachts een koe was aangespoeld in de huiskamer. Dat beest wilde ook zijn vel redden en kwam de trap opgekropen. Kan je voorstellen, dat huis staat daar te dobberen en dan komt er nog zo'n gevaar opzetten. Ze hebben dat beest met een spade de hersens moeten inslaan.

Ruimen van de kadavers in Stavenisse. “Er kwam een koe binnendrijven die op de trap naar de zolder klom. Die hebben we de kop moeten inslaan.” (uit “Watersnood”)

 Wég van die plek
"In mijn familie zijn 18 mensen omgekomen. Onder andere een nichtje van dertien. Moeder had haar opgedragen bij de buren een handje te gaan helpen en ze is nooit meer weergekeerd. Een niet te stelpen verdriet was dat, je dochter wegsturen om elders te gaan helpen en dáár verdrinkt ze. De zelfverwijten die die moeder zich maakte! Ja, het was een verschrikkelijke nacht en er gebeurden verschrikkelijke dingen. Neem dat boerderijtje in de polder dat in brand gestoken was na de aftocht van de Duitsers in '45. Die mensen hadden recht op oorlogsschadevergoeding, maar het had zeven jaar geduurd voor hun huis hersteld was. Zeven jaar hadden ze in een ellendig noodwoninkje gewoond en eindelijk, op vrijdag 30 januari, waren ze feestelijk en blij in hun nieuwe boerderij getrokken. Eén nacht hebben ze er kunnen slapen! De nacht daarop is het huis verwoest en zijn ze allemaal verdronken, op één zoon na.»

 Maandag 2 februari kwamen de eerste vissersbootjes aan en de mensen stapten als blind op die mosselscheepjes. Stonden daar op dat open dek met amper een jutezak over hun schouders, rillend onder de sneeuwbuien: als ze maar wégkonden, wég van die plek! Maandagavond is ook een groot schip uit Rotterdam aangemeerd, de "Crescendo". Honderden mensen zijn meegevaren, opeengepakt in een groot ruim vol stro en brancards. lk weet nog hoe ik naar beneden keek en hoe weldoend het voor de ogen was weer eens elektrisch licht te zien. Vreemd genoeg wilde ik niet mee. Hoe doods het dorp ook was, het scheen mij tegen te houden. Met nauwelijks tien mannen zijn we daar gebleven. Tot donderdag. Toen zijn we meegevaren met een boot die het laatste nog levende vee kwam weghalen. Voor het eerst voelde ik weer warmte. Vijf dagen had ik in natte en kouwe kleren rondgelopen, niks was droog, alles wat je vastpakte was nat, op geen enkel bed kon je gaan liggen, dutten deed je op een stoel. Maar ik zei het al, een mens kan veel hebben in zo'n benarde omstandigheden.»

(uit “Watersnood”

 Een stroom van hulp 
De "golf" van vrijgevigheid die deze nationale ramp losmaakte, was geweldig groot. Op 6 dagen tijd beschikte het Rampenfonds al over 17 miljoen gulden. Er stroomde zoveel geld binnen dat de bankjes en muntstukken in grote vuilnisbakken verzameld moesten worden. Op een bepaald ogenblik vreesde  de overheid zelfs dat het onttrekken van al dat geld aan andere uitgaven "kon leiden tot een ontwrichting van de nationale economie". Ook vanuit het buitenland kwam massale hulp. Denemarken verzamelde op enkele dagen 7 miljoen gulden aan hulpgoederen. Toen er een oproep kwam om kruiwa-gens, had men er op enkele uren honderden bij elkaar. Schoolkinderen reden de wagentjes in triomfantelijke rijen naar het station van Kopenhagen. Na drie dagen vroeg het Rode Kruis al om de vloed aan kleren en meubelen stop te zetten. Ook de vloed aan spontane hulpbiedenden was "te groot". Al na één dag werd van hogerhand gevraagd om thuis te blijven omdat de toegangswegen overvol zaten en de opvang van al die hulpbiedenden de eigenlijke reddingswerkzaamheden bijna in het gedrang bracht.

De aantrekkingskracht van een rampgebied is velerlei. Er is het (onbewuste) schuldgevoelen omdat men zelf niet getroffen is, men wil ook ontberingen lijden, mede-lijden. Het was ook een nationale ramp, men ging mééhelpen omdat zovelen gingen. Er was ook de drang naar avontuur en zeker niet te vergeten "die speciale sfeer van kameraadschap, het mee opgenomen worden in een kleine groep, het samenwerken, alles zo verschillend van het alledaagse leven". Daarom was het voor vele vrijwilligers van het eerste uur zo frustrerend om al na enkele dagen hun werk te moeten afstaan aan professionele hulpverleners. Afhaken was moeilijk. Sommige amateurs bleven verstokt seinen via kleine radio-apparatuur, terwijl de telefoon allang hersteld was. Andere vrijwilligers bleven als verstokt in het gebied rondzwerven, "doorrampen" zoals het werd genoemd.

Het was een nationale ramp en vanuit heel Nederland kwamen vrijwilligers om hulp te bieden.

 Geen schrik  voor de erfvijand 

 Bram Smits: «Toen iedereen geëvacueerd en bij familie of gastgezinnen gelogeerd was, is het opruimwerk begonnen. Weken heeft het geduurd eer alle kadavers geruimd en de meeste lijken geborgen waren. Anderhalve maand heeft het geduurd eer het meeste water weg was, miljoenen zandzakjes waren er nodig om de bressen te dichten. Van hogerhand wilde men het dorp al opgeven als zijnde "van de kaart geveegd", maar de mensen kwamen terug. De mensen logeerden op schepen, timmerden barakken op stukjes drooggemaakt land en begonnen vandaaruit de boel terug op te bouwen. Mensen hebben soms tot twee, drie jaar na de ramp bij elkaar gewoond in erg provisorische omstandigheden, met twintig slapend op een houten vloer, met planken voor de ramen in huizen die eigenlijk onbewoon-baar waren verklaard. Bezoekers en journalisten vroegen zich af wat wij nog zochten op die onheilsplek. Alles was dood, geen boom stond nog overeind, het slijk had alles dichtgeslibd, het enige dat blonk en schitterde was het zout in de zon. Dat overdekte alles. Maar een mens wil terug naar zijn geboortegrond en Stavenisse is verrezen uit het slijk en het puin. In het dorp van nu merk je niks meer van de ramp, op het massagraf na. Ook familiaal is met de "wederopbouw" begonnen. Diezelfde zomer zijn al een stel mannen die hun vrouw in februari verloren hadden, opnieuw getrouwd. Onder andere met vrouwen die amper enkele maanden weduwe waren. Toch wel merkwaardig voor die kleine traditionele gemeenschap die Stavenisse was.»

(uit “Watersnood”)

Ik vraag Bram of hij sindsdien bang is voor het water.
Smits: «1953 is een mijlpaal in de tijd, men spreekt hier van voor en na de oorlog, en van voor en na de ramp. Maar de mensen zijn niet banger geworden, wel waakzamer, er is bijvoorbeeld een stormwaarschuwingsdienst opgezet. Maar schrik, nee. Wij Zeeuwen wonen al bijna 1.000 jaar op eilanden en eilandjes. Het water is onze erfvijand, maar het water heeft ons ook het vruchtbare land gegeven. Ik maak graag de vergelijking met mensen die dichtbij een vuurspuwende berg wonen of in een gebied dat vaak door aardbevingen getroffen wordt. Wie zet daar in hemelsnaam zijn huis, vragen wij ons af. Maar wij gaan wonen op een land dat lager is dan de zee! Nou, dat doen ze ook niet overal en toch vinden wij dat doodnormaal. Toch willen wij daar blijven wonen. »  

Drijvend op het dak

Leonard Hout was in '53 schipper op de binnenvaart. Paar dagen varen. Paar dagen thuis. In Stavenisse.
"Zaterdagavond 31 januari was ik alleen thuis, met mijn vader en mijn moeder. Mijn jongere broer was naar zijn meisje in Tholen. Rond elf uur zijn we gaan slapen, maar om half drie werden we gewekt door het luiden van de kerkklok, wij woonden in de Kerkstraat. Dat snelle kleppen van die klok, dat ging als een rilling door je lijf, je voelde meteen dat er iets zeer ernstig op handen was. We zijn toen beneden aan tafel gaan zitten, hebben een bakje thee gedronken en ik ben naar het haventje gegaan, daar stond het water al tegen de kade te hellen. Ik ben langs de dijk gelopen, weer naar huis toe, maar ik kon niet binnen blijven, ik wilde weer naar het haventje. Toen ik het poortje openmaakte om langs het achtersteegje op straat te gaan, schoot de golf tegen me aan. Ik sprong naar binnen, roepend "Daar hebben we het water!", vader en moeder liepen de trap op, ik keek nog om en ik zag in het lamplicht hoe de deur kromgespannen tegen het water stond, luttele seconden, toen sprong ze uit slot en scharnieren. Daar zaten we op zolder te luisteren hoe het water tekeer ging. Eerst ontplofte de kachel door de plotse afkoeling, dan hoorden we de ronddrijvende stoelen tegen de zoldering bonken, later was er het geplof van stukken muur die los braken. Een korte tijd hoorden we niks meer, alleen kolkend, stromend water, dan weer een klap, het huis van de buren! De voor- en achtergevel kwakten weg, het dak plofte naar beneden, de dakpannen vlogen bij ons naar binnen. Door ons zolderraam konden we de ravage zien waaronder onze twee oude buren en een jonge vrouw met haar zoontje van vier bedolven zaten. Die ouwe mensen hoorden we niet meer, maar met die vrouw hebben we nog een paar woorden gewisseld, hoe verschrikkelijk het wel was. Maar ja, wat zeg je verder tegen mensen die de dood nabij weten? Wat voor uitkomst kan je geven? Toen scheurde bij ons ook de gevel weg en je zag de zijmuren al afbrokkelen. Moeder liep wanhopig heen en weer op de zolder, "laat ons maar bij elkaar blijven staan", zei ik nog, en toen zakten alle muren weg en het dak klapte plat op ons. Hoe het mogelijk is, weet ik niet, maar wij zijn alledrie door de latten en de pannen heengeschoten, en ineens stonden wij niet meer op de zoldervloer maar op een drijvende helft van het dak. Je weet niet of je moet staan of zitten, later zouden mensen me vertellen hoe ze van het dak zijn gesnokt door telefoon- en elektriciteitsdraden.  Iets meer dan een kilometer hebben we zo gedreven, schuddend op golven en draaikolken. Hoelang dat duurde, weet ik niet meer, je gedachten staan gewoon stil, ik herinner me alleen dat moeder neerzat, met haar voeten in het water en dat we onderweg nog een vrouw hebben horen roepen. Op een gegeven moment zijn we tegen een paal van een hoogspanningsleiding gebotst, en toen zijn mijn moeder en mijn vader in het water geschoven. Ik had meteen die paal vast, hij kwam als het ware in mijn armen. Ik zag hoe zij die paal ook even vast konden nemen, maar dat was maar heel even. Het dak brak door de stroming tegen de paal aan stukken. En zij schoven weg. En zij verdronken allebei. Vader was 64, moeder was 60. Het was toen zondagmorgen zes uur.

Leonard Hout uit Stavenisse en zijn ouders dreven weg toen het dak van hun huis werd gesleurd. Zijn vader en moeder verdronken, hij kon een telefoonpaal grijpen. Beeld: de Kerkstraat in Stavenise. (uit “Watersnood”)

Ik ben hoger in die dubbele paal geklommen tot op de dwarsbalk, daar kon ik zitten. Die paal was acht meter hoog, maar hij stak amper twee meter boven het water uit. Als kind sta je wel eens naar zo'n paal te kijken, naar het bordje 12.000 volt, en dan zie je die beugel met ijzeren tanden die je moet beletten van erin te klimmen, maar ik zat al boven, ik heb niet hoeven klimmen. Zat ik daar in die houten punt, rondom mij kilometers woelig water, storm en wind en in de verste verte geen levende ziel te zien. Ik zag wel de dijk op zo'n 150 meter, maar er was geen mens. Ja, om elf uur zag ik één man, maar die bleef niet lang kijken. Ik heb nog geroepen, maar mijn stem wam niet boven de storm uit. Daar zat ik, hoog en vreemd genoeg ook droog, het sneeuwde en het hagelde wel, met zo'n felle buien dat ik mijn gezicht moest beschermen, maar de wind joeg en droogde dat meteen op. Ik droeg zo'n korte gevoerde jekker met een bonthalsje, een trui en een manchester broek. Mijn schoenen was ik kwijt, ik had alleen natte sokken aan mijn voeten. Mijn muts was ook weg, die was ik kwijtgespeeld toen we door het dak schoten. Een sjaal had ik nog wel. Mijn eerste zorg was in beweging blijven, je raakt meteen versteven bij zo'n guur weer. Dus ging ik op de dwarsbalk staan om door mijn knieën te kunnen buigen. Die paal begon dan nog meer te schommelen en te wiegen dan ie al deed door de golfslag, maar dat kon me niet schelen, eigenlijk wilde ik dat hij afbrak, dan kon ik wegdrijven. In gedachten rekende ik al uit waar ik ongeveer terecht zou komen, niet ver van het huis van mijn zuster. Dat waren de dingen die je bezigbielden : wegkomen. Ik heb ook overwogen om naar de dijk te zwemmen, maar dat was tegen de wind en de golfslag in, je laat zo'n plan vlug varen als je voelt hoe verkleumd je bent, ik voelde mijn voeten niet meer.

Toen de avond viel, kreeg ik ergens weer hoop omdat ik een zaklantaarn bij me had. Gezwaaid en geseind heb ik met dat licht, maar vergeefs. Ik heb ook geroepen, 's nachts was het stiller en leek mijn stem verder te dragen, maar ook vergeefs. Geslapen heb ik niet. Soms werd ik wel overmand door de slaap en dat was gevaarlijk, want je moest maar net iets teveel knikkebollen en dan lag je in het water. Ik had dan wel mijn benen en mijn armen om die paal geslagen, maar voor alle zekerheid heb ik me 's nachts met mijn sjaal vastgebonden. Om wakker te blijven en om mijn geest bezig te houden, heb ik ook vaak tegen mezelf gepraat. Dat was ik als schipper eigenlijk al gewend, dan ben je ook dikwijls alleen.
Hoewel ik er nooit aan getwijfeld heb dat ik gered zou worden, verloor ik maandagmorgen toch wel een stukje hoop. Een boerderij die niet ver van die paal stond, ik kon ze net achter de dijk zien, was verdwenen, verzwolgen. Man en vrouw en dochter verdronken, de zoon zat in een grote boom naast het huis. Dat was 's nachts, ik heb heb niet zien gebeuren. Maandag was ook de eerste dag dat er bootjes langs het dorp kwamen varen, één bootje kwam mijn richting uit, maar de vier inzittenden voeren naar de dijk om die jongen uit die boom te halen. Toer ik begon te roepen, wisten ze echt niet waar kijken, mijn stem leek wel uit het water te komen. Met een paar roeislagen waren ze bij mij, ik liet me stijf en stram in die boot zakken, ik bedankte die jongens, maar meer heb ik niet gezegd, je hebt op zo'n moment geen woorden meer. Die jongens hebben mij op de dijk afgezet, ik heb tegen de berm een paar aangespoelde klompen gevonden en zo ben ik dertig uren nadat ik op ons dak weggedreven was — naar ons huis gesukkeld, maar ja, ons huis was helemaal weg. Ik ben dan maar met een vissersbootje naar Tholen gevaren, daar woonde mijn zuster.

Leonard Hout zat dertig uur in de nok van een telefoonpaal voor hij werd gered. “Ik bond me vast met mijn broeksriem aan die paal, uit schrik om in te dommelen en in het water te vallen.” (beeld uit “Watersnood”)

Soms zit ik er nog wel eens aan te denken, aan die nacht, en hoe snel het met je gebeurd kan zijn. Je schrikt waarlijk van het besef dat je het er levend vanaf hebt gebracht: op dat moment ril je meer dan op dat nare ogenblik zelf. Ineens dringt het heel diep in je door hoe dicht je bij de dood stond, hoe overgeleverd je was, een overweldigend besef! En dan denk je ook aan het dorp Stavenisee. Die kleine diepgelovige gemeenschap, met mensen die zondag en weekdag godvruchtig ter kerke gingen, waarom juist dat dorp zo zwaar werd getroffen. Als de geteisterden mensen waren geweest die er een losse levenswandel op nahielden, zou je nog ergens van een verdiende straf kunnen gewagen, maar Stavenisse was zo godvrezend. Ach ja, elke mens wordt schuldig geboren, en die schuld loopt tijdens zijn leven alleen maar op. Je kan dat niet aflossen met gebed en kerkgang. Ik zoek dan troost in de gedachte dat ik dankzij de goedertierendheid des Heren toch nog in leven ben. En die goedertierendheid van God is nergens aan gebonden, kerkgaand of niet, voor God zijn we allemaal mensen, Zeeuwen of Armeniërs, we zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd. En de vraag waarom de ene getroffen wordt en de andere niet, dat antwoord ligt bij God, dat kan een mens niet vinden.»

  Andere artikels die ik schreef over “1953”:

1953: geboren in Zeeland en in die langste nacht

 1953: de Belgische redders vanuit de lucht

1953: hoe de storm een 48 uur durende blizzard veroorzaakte in Hoog-België

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Remedie tegen de energiecrisis: hout hakken (het maakt je zen)

Dit is brandend actueel.
Met de blijvende stijging van de Europese gasprijzen is in de (hete) zomer een rush op houtkachels en brandhout begonnen. Al in juli 2022 konden de leveranciers van stookhout de vraag amper volgen. ("Mensen die al tien jaar hun houtkachel niet gebruiken, gaan weer stoken. En zij die nog stoken, bestellen soms dubbel zoveel als andere jaren") In enkele provincies van Nederland is sinds kort geen brandhout meer te krijgen, en door de grote vraag is de prijs van brandhout verdubbeld op minder dan een jaar tijd.
Zeven jaar geleden al raakte ik geïntrigeerd door de blokken hout die op de winter en het houtvuur liggen te wachten. De wondere wereld van de stapels, de knoesten en de basten. De vraag was toen nog niet: hoe komen we de winter door? De vraag was toen: is houthakken het nieuwe zen?

Humo 2015 © Jan Hertoghs

Stilleven met hout en vogelhokken bij Lode in Opgrimbie. © Jan Hertoghs

“Hout is het leven. Wij komen in een wieg op de wereld en wij gaan in een kist er weer af.”

Het begon in Noorwegen toen ik de schrijfster Åsne Seierstad over de Utøya-massamoordenaar Anders Breivik ging interviewen. Zij vertelde dat houthakken een geweldige therapie is bij een lastig schrijfproces, en ook dat hout stapelen een kunst is. Dat wist ze uit eigen ervaring en uit het boek “De Man en het Hout” van Lars Mytting. Deze Lars schreef een boek over houthakken, hout klieven, hout stapelen en hout stoken, een onverwachte bestseller die door bijna 250.000 Skandinaven is gekocht. Die “houtbijbel” is in het Nederlands vertaald, ik las de 239 bladzijden, (geen dikke turf om in brandstoftermen te blijven) en hoewel bedoeld als handleiding voor de houtstoker, zijn er genoeg meditatieve passages over de “aparte zielenrust” die deze handenarbeid meebrengt. Veertig jaar na Robert Pirsig (“Zen en de kunst van het motoronhoud”) is het nu tijd voor een “zen en de kunst van het hout stapelen”.
Maarten ’t Hart schreef in de VPRO-gids een “vlammend stuk” over het boek. Matthijs van Nieuwkerk is al aan een kapblok gesignaleerd, en Kobe Desramaults wil terugkeren naar het “oerkoken” met een houtoven en “het blote vuur”.
Ik voel me eveneens aangestoken, ik zal onze contreien doorkruisen en als ik een kunstige houtstapel zie, zal ik de eigenaar vragen naar zijn inzichten: wat doet hout met een mens? En: welke rol heeft hout nog in dit moderne bestaan?

Bij Louis Snijers (Oostham) kan ik zo de boomgaard in. Ik zal hier meteen de les van Lars Mytting kunnen uittesten, namelijk dat élke houtstapel het karakter van de eigenaar weerspiegelt.
Mytting beschrijft vijftien stapel-profielen: van “de voorzichtige” tot de “roekeloze”, van de “levensgenieter” tot de “zwaarmoedige”.
Bij Louis is zo nauwkeurig gestapeld waardoor ik denk dat we hier met een “perfectionist, mogelijk introverte persoon” te maken hebben. Zo oordeelt Mytting, de vrouw van Louis knikt geweldig van ja, en Louis moet het ook toegeven: hij is industrieel ingenieur, hij is een man van meten en passen, hij kàn niet verdragen dat die blokken slordig op elkaar liggen. Goed stapelen is ook schoon: “Geen enkel stuk is gelijk, en toch vormt dat één geheel; zo’n stapel is een mozaïek, een schoonheid die je dagelijks kan bewonderen.” Louis denkt bij z’n hout ook aan Het Vuur. Die prehistorie van de bliksem die in een boom sloeg en van de holbewoner die ineens een houtvuur zag branden, “dat is een ontdekking die heel onze wereld heeft veranderd.”
Hij staat er ook bij stil dat al die blokken ooit bomen waren, “heel die cyclus van scheuten en groeien, al die seizoenen van lentegroen en herfstkleuren, en nu liggen ze hier ter beschikking van de mens.” Dus, uit respect, gooit hij dat nooit op een hoop. Na het schavot van het kapblok verdient dat langzaam gegroeide hout een waardige opslagplaats. En of ik ook zie “hoe de laatste zon ginder op dat hout vlamt? Zo schoon. En dan moet straks het grillige spel van de vlammen nog beginnen.”
Als aan de grote zenmeesters gevraagd werd wat zen was, dan antwoordden ze: “Zen is hout hakken en water halen.” Anders gezegd: je wordt pas “verlicht” als je de dagelijkse dingen een diepere aandacht geeft. Daar komt deze Louis dichtbij.

Elke houtstapel zegt iets over het karakter van de eigenaar. © Jan Hertoghs

In Blauberg (Herselt) slingert een weg door de bossen en dan opent zich een idyllische zonneplek met weilanden. Nu wil iedereen hier wonen, maar dertig jaar geleden was niemand daarop uit. “Wij woonden afgelegen. Wij werden bekeken als bosmensen,” zegt Eddy Verbinnen. Zijn moeder is gestorven, zijn oude vader woont hier nog, met de paarden en de houtstapels. Hij vertelt van de houtkachel waarvan z’n moeder zo hield “dikwijls zei ze: d’r is weer niks op tv, ik kijk veel liever naar de vlammen.” Die gehechtheid aan de huiskachel beschrijft Lars Mytting: “Een mens vergeet zijn schoolkameraden, zijn reizen en zijn favoriete speelgoed, maar nooit de kachel uit het ouderlijk huis.” 

Ik ben onderweg door Limburg en ik zie de bossen langs de snelweg niet meer als bomen, maar als geveld, gezaagd en gestapeld. M’n nieuwe en flink gefragmenteerde kijk op het landschap. Intussen rij ik langs de afrit Houthalen, steek ik een camion met HOUTVEZELS voorbij, en valt het woord woodstove me op in een song van Sufjan Stevens die ik al honderd keer gehoord heb. De geestesverandering die zich voltrekt. Als het “Blokken” op tv is, zal ik aan een open haard denken.

Lode Dexters is gepensioneerd schooldirecteur van Opgrimbie. Zijn vader werd in het dorp “de houtworm” genoemd, bijnaam voor iemand die continu stookhout vergaart. Zijn stapels onttrokken zelfs het zicht op het huis van de buren. Lode heeft die houtworm geërfd: “met houtarbeid kom je tot rust en vergeet je je zorgen.” Wel één voorwaarde: je moet er tijd voor uittrekken, een halve of hele dag, “niet raprap een halfuurtje voor het eten”.
Het zit zo. Wie met een zaag of bijl bezig is, denkt aan de veiligheid van poten en vingers, “en doordat uw kop maar aan één ding kan denken, is er geen tijd voor gepieker”. Dus ja, houtwerk vermoeit het lichaam, maar het verkwikt de geest. En Lode heeft nog iets ontdekt. Als je lang zaagt of klieft of stapelt, dan komt er een ritme, een schwung, een flow over je, “en dan ontstaan vaak nieuwe gedachten.” Bij het overlijden van een dorpsbewoner vroeg de familie of hij de kerk kon toespreken. “Dat heb ik tijdens het klieven voorbereid. In gedachten sta ik voor die rouwende kerk en ben ik aan het spreken. Ik monster dat hout, ik overweeg waar ik dat ga raken met m’n bijl, en intussen ben ik ook aan het wikken en wegen in m’n hoofd. Met woorden dan, met passages en zinnen. En de goeie zinnen beklijven, die hoef ik ’s avonds maar op te schrijven.” Als schooldirecteur bereidde hij ook personeelsvergaderingen voor: “Zittend voor een wit blad kwam er niks en raakte ik gefrustreerd. Maar dan ging ik zagen, en in die langzame ritmiek zag ik mij die vergadering voorzitten, zag ik agendapunten, zag ik voor en tegen, en hoe ik daarop kon inspelen.” Ook hout stapelen is een goeie voorbereiding: “Dan schik je blokken en dan ga je vanzelf ook argumenten schikken en opbouwen”. Maar het gaat niet niet op commando: “Als ik ga klieven met het doel van een vergadering voor te bereiden, dat lukt niet. Het moet vanzelf komen.”

Lode Dexters: “Als de tv uit is, kijken we soms nog uren naar het houtvuur.” © Jan Hertoghs

Naast de goudvissenvijver en de rozenstruiken liggen zijn rustieke houtstapels, hij en z'n vrouw kunnen ze zien vanuit de living. Verderop een schuurtje met ouwe vogelkooitjes en nog meer vunkelhout (=brandhout). Daar liggen berkenblokken en aan die witte bast heeft hij goeie herinneringen. Ooit heeft hij gratis(!) een hectare berk mogen kappen in het Koninklijk Domein in Opgrimbie. Vijftien jaar royaal van kunnen verwarmen! Schoon hout, “als je goed keek, zag je nog het kroontje van Fabiola!”
We staan nu achter het huis van zijn vader die 104 is geworden, die mens was natuurlijk van eikenhout. En ook daar nog houtstapels, allemaal deposito’s van de bankrekening voor de winter. Hij heeft het over de uitstraling van houtvuur: “Met een centrale verwarming mag je stoken wat je wil; dat warmt alleen de lucht op. Een houtvuur strààlt zijn warmte uit, dat kruipt genoeglijk onder je vel.” In de winter zitten hij en zijn vrouw Rita “makkelijk tot twee uur ‘s nachts bij die open haard.” Krant en tv zijn dan al weggedeemsterd, maar dat vuur houdt hen uren in de ban. (Mytting: “Hout en vuur raken iets in ons binnenste. Het is onze alleroudste energiebron. Het zien van een houtvuur geeft een instinctief gevoel van veiligheid.”)
Bij dat knetterend vuur heeft Lode ook al vaak aan de stilte van een boom moeten denken. ”Een heel leven hoor je hem amper tenzij wat ruisen in de wind. Slechts één keer in zijn leven maakt ie groot gedruis. Als je hem omhakt. Dat trage kraken in zijn voegen en dan die geweldige boenk op de aarde, dat is een groot orgel dat omvalt. Maar daarna moet je luisteren… niks meer. Dat is het meest doodstille dat er is, een boom die geveld is.”
En of ik dat ook merk dat het anders is van door een bos te rijden dan tussen huizen. “Als je tussen de hoge bomen van een bos rijdt, komt er rust en stilte over je.” Hij kan het waarom niet echt uitleggen, maar misschien is het dit wel: “Een boom is robuust en solide. Die staat vast en onwrikbaar in het leven. Zelf zijn wij druk en gejaagd en soms “ontworteld” bezig, en misschien dat een bos daarom een heilzame werking heeft?”
Zo ken ik mijn houtmannen. Stille wortels, diepe gronden.

Lode: “Hout zagen en stapelen kan een goede voorbereiding zijn van een personeelsvergadering.”© Jan Hertoghs

Iets minder stil en peinzend is Guy Franck. Ik ken deze Guy omdat hij al tweemaal onze kerstboom in de grond stopte ter verlenging van zijn eindejaarsbestaan. In de zomer moet ik dan telkens afscheid nemen van een dor en gelig exemplaar, maar dat is dan mijn eigen schuld, “hij heeft al zijn naalden verloren, van verdriet omdat je hem aan de deur hebt gezet.”
Guy woont pal in een bos. Onder een paraplu van dennenbomen die hij mondjesmaat opstookt. Ik arriveer er ’s avonds. Het woonhuis is verlicht met snoeren van kerstlampjes en verder is zijn junglebos een duistere struikelplaats met bakstenen en dakpannen. Hij laat zijn kapblok en zijn twee kliefbijlen zien, zo scherp, “daarmee kunt gij u vanavond nog scheren, Jan!” En dan is er zijn “houtmagazijn”, een soort wagon van paletten en houten schotten met binnenin een enorme lading brandhout. Ik ken Guy als vrijbuiter en halve hippie, dus vraag ik of dit zijn “Woodstock” is. En zo heb ik het verkorven. Door die Woodstock-woordspeling kan Guy “niet meer serieus nadenken over de contemplatieve relatie met zijn brandhout”. Vraag dus niet of hout klieven rustgevend is, want dan grijpt hij naar z’n hoofd "hout vasthouden, mijn kop moet ook rustgevend blijven!" Vraag evenmin of houtkappen het nieuwe zen is, want hij zal onnozel ja zeggen, “ik zèn elke dag aan het houtkappen, Jan, zo zeggen ze dat toch in Antwerpen.”
We eten geroosterd vlees bij het buitenvuur. De vlammen slaan hoog naar de sterren, en “hout, dat is opgeslagen zonne-energie. Die warmte van dat vuur, dat is alsof die boom alle warmte uitstraalt die hij in zijn leven van de zon ontvangen heeft.” Dat is toch nog één wijsgerige beschouwing. Guy heeft ooit zelfs een boot vervaardigd uit coniferenhout. Maar dat die gelijk zonk, “ah ja, die con-nie-vèren”.  

Guy Franck: “ Die warmte van dat vuur, dat is alsof die boom alle warmte uitstraalt die hij in zijn leven van de zon ontvangen heeft.” Jan Hertoghs

Buiten Bouwel tref ik meerdere houtstapels in een weiland. De buren wijzen het huis van houtman Theo, een kilometer verderop. Zeker wil Theo een en ander demonstreren, hij heeft zopas zijn kettingzaag geslepen. Dus terug naar zijn houtplek. Hij voorop met de fiets, en zo zie ik hem vertrekken: een man met een kettingzaag aan het rijwielstuur, niks  chainsaw massacre, eerder een braaf fanfare-instrument. Zijn vrouw roept mij nog na: “Weet ge wat een houtliefhebber is? Een man van wie de vrouw het goed vindt dat er een houtstoof is. Want veel vrouwen zijn daartegen; zo’n stoof geeft heel veel stof.”
Bij zijn houtopslag haalt Theo de twintig jaar oude Dolmar (van Hollands fabricaat) uit het versleten foedraal. Hij laat de scherpe tanden voelen en wijst op een snee in de tip van zijn bottien, daar is de zaag rakelings langs zijn tenen gegaan. Dat is geluk hebben, want zo’n zaag snijdt een gat in je vlees, tegen gemiddeld zeventig per uur en negenduizend toeren per minuut. Hij snokt aan hendel en touw, en de zaag kruipt in knoestig hout. De schilfers spuiten tegen m’n kleren. (“Als die schilfers zagemeel worden, dan is uw kettingzaag bot.”)

© Jan Hertoghs

Dan het klieven. Waar de barsten zitten van het drogen, “daar moet je de bijl slaan, dan splijt het in één keer.” Bàf. Het klopt.
Ik sta in bewondering voor zijn stapels, of hij dat stapelen van zijn vader heeft geleerd, of op eigen houtje (ik zweer het, de woordspeling was er voor ik het besefte). Och, zegt Theo, wie van boerenafkomst is, die kàn kappen en stapelen. Hij huldigt ook maar één filosofie: hout is warmte, en je hebt dat nodig in de winter, “meer spel moet ge daarvan niet maken”. Ik heb intussen oog voor een bijzondere paal die een houten plaat torst, dat is zeker een geavanceerde techniek om te stutten. Nee, zegt Theo, onder die plaat schuil ik als het regent, en hij gaat demonstratief onder dat afdakje staan. Ik moet nog veel leren, onder andere dat ik het “niet te ver moet gaan zoeken”. 

In een normale winter stookt hij elke dag een kruiwagen hout op. Die inhoudsmaat is mij onbekend, maar het komt neer op “tien kuub” voor die koude maanden. Of het een normale koude winter wordt? Dat weet Theo op 21 december. Staat de wind dan oost of noordoost, dan krijgen we kou en vorst. Staat hij die dag west of zuidwest, dan wordt het een zachte winter. Zo kan hij ook op 21 maart, 21 juni en 21 september de andere seizoenen voorspellen. “Deboosere moet het ook maar eens proberen!”   
Boerenzoon Theo werkte twaalf jaar in de bouw en 28 jaar bij de spoorwegen, onderhoudsman in een Antwerps rangeerstation. Een werkplek, vuil en smerig, waar hij “gekouillonneerd werd door zijn collega’s”.  Als ze dan heel de dag “op zijn kop hadden gezeten”, was hij blij dat hij ’s avonds naar zijn hout en naar zijn bos kon. Dat vertelt hij aarzelend, ik zie hem nog lijden zoveel jaren later. Hoe vaak heeft hij de bijl in dat brute hout gezet, in die tronies van zijn plaaggeesten?

Theo fietst naar zijn houtplek in Bouwel. © Jan Hertoghs

Op de topografische kaart vind ik de Vlaamse bosgebieden en in die periferie zoek ik m’n houtstapelaars. Mijn aanwezigheid blijft nooit lang onopgemerkt. Het bos houdt me angstvallig in het oog. Het bos weet waarvoor ik gekomen ben. Voor de bijl, de zaag en de kliefkamer. Ik zie alle soorten houtstapels, keurig en woest, lage muurtjes en hoge omwallingen. Sommigen zijn drie meter(!) hoog, en worden bijeengehouden met palen, ex-garagepoorten, skeletten van voormalige serres, en karkassen van oude bedden. Veel stapels zijn nog afgedekt met de eeuwige eterniet golfplaat, en met die architectuur voor ogen kunnen we officieel stellen dat de houtstapels intrinsiek deel uitmaken van onze Belgische koterijencultuur.
In Hulshout zie ik een fleurige stapel naast een gerenoveerd boerenhuis. Terwijl ik voor het huis rondloop om te zien of iemand thuis is, arriveert een auto. De bestuurder klimt eruit, met een uitvouwbare rolstoel. Het gesprek verloopt stroef, dat ik als onbekende bij zijn afgelegen huis rondhing, maakt Johan wantrouwig. En dan –om iets te zeggen- vraag ik of hout soms een belangrijke rol heeft gespeeld in zijn leven. Eén tel kijkt hij me aan en dan zegt hij: “ik was dakwerker, maar ik ben gevallen; het was de eerste dag op dat dak, ik stond bij dat houten gebinte en toen viel ik van de stelling.” Ongenadig neergekomen op zijn rug, schoot het meteen door hem heen: hier eindigt het, ik kan nooit meer op een dak. Hij was toen eenendertig en vier jaar later zit hij nog altijd thuis en zonder werk.
Ik kan alleen nog voorzichtige vragen stellen. Of hij in coma was. Of er een collega bij was. Hoelang hij revalideerde. En of zijn kinderen al groot waren toen het gebeurde. Omtrekkende bewegingen, wat anders kan je maken als je zo plots tegenover een knak in een leven komt te staan. Boomstammen hebben ringen die nooit verdwijnen. Mensenlevens hebben kringen die niet kunnen uitdijen.

De houtstapel behoort zonder twijfel tot onze Belgische koterijencultuur. © Jan Hertoghs

Ik bel naar Jo. Man met vuur in zijn leven en een houtkachel in huis. Hij heeft het over de zwarte houthandel in Limburg (“hout is hier het nieuwe zwarte goud!”), en over chirurgen die “heel lelijke wonden” van kettingzagen zien. Ook blijken progressieve mannengroepen te bestaan die ter meditatie een weekendje gaan houtkappen en stoken. En onlangs zag hij behangpapier met foto’s van houtstapels. Dat is de trend die ik ook zie. Hout is natuurlijk, hout is eerlijk, en past perfect in die stoere en in opgang zijnde outdoor-cultuur. Dat houtstapels het behangpapier gehaald hebben, wil zeggen dat ze geaccepteerd worden als een rustgevend archetype. Vanaf nu staan ze rollengewijs op hetzelfde niveau als de zonsondergang en de waterval.  
Van Jo moet ik zeker langsgaan bij Francesco Del Campo in Vresse-sur-Semois. Die Italiaanse Limburger is daar een bed-and-breakfast begonnen en is in een geheel apart stookhout-universum terechtgekomen.

In de Semois-streek (provincie Luxemburg) zie ik houtstapels zoals ik ze nergens zag. Hier was ooit een florererende tabaksteelt en in de séchoirs, de houten schuren-zonder-muren waar vroeger de tabaksblaren te drogen hingen, liggen nu grote stapels brandhout opgetast: alsof hakhout is komen aandrijven in een staketsel van palen en balken.  

 Oude “séchoir” in de Semois-streek: nu gebruikt als houtopslag. © Jan Hertoghs

In Vresse zelf praat ik uren met Francesco. Kort gezegd komt het hierop neer. De gemeente Vresse leeft van de commerciële bosbouw en heeft 8000 hectaren in eigen beheer. Een gemeente met zoveel bosbezit is op zich al zeldzaam, en dan is er nog een “eeuwenoude wet” waardoor iedere inwoner “het recht heeft om zich te verwarmen”. Dat recht houdt in dat hij elk jaar een lot bos krijgt toegewezen waarin hij het gemarkeerde hout (lees: de niet-commerciële bomen) mag hakken voor zijn huisverwarming. Zo’n lot komt neer op 15 à 20 kuub loofhout, “eik, beuk, berk en es, dat is stookhout van hoge kwaliteit, met heel veel warmterendement.”
In Wallonië heeft dat een waarde van 1200 euro (“in Vlaanderen is dat 1800 euro waard”) en daarvoor vraagt de gemeente slechts 60 euro, voor de administratie van de boswachters en voor een verplichte verzekering. Enige voorwaarde: je moet een huis en domicilie hebben in Vresse (of in een deelgemeente) en het hout moet binnen het jaar gekapt en geruimd zijn. De “oogst” is uitsluitend voor privé-verbruik, je mag het niet verhandelen.
Tot zover het concept van dat gemeentelijke “geschenk aan de gemeenschap”, maar het grote genoegen is de "Sinterklaas-beleving" errond. Enkele dagen na nieuwjaar worden de loten door een onschuldige hand getrokken, en eens dat blad in handen, vliegt iedereen (“bakker, slager en postbode”) nog diezelfde avond het bos in om zijn perceel te gaan bekijken.“ Af en toe eindigt die avond in een pandemonium van te haastige bosgangers die zich vastrijden in slijkgreppels of in de nog aanwezige dikke sneeuw. “Ongelooflijk, de stress van die avond! ’t Is alsof dat bos ’s nachts nog kan weglopen.” Elkeen wil immers weten of z’n terrein makkelijk of moeilijk toegankelijk is, steil of licht hellend, allemaal factoren die een rol spelen bij de kap.

In de weekends van januari en februari wordt er geveld, als de bosgrond nog koud en hard is en als de bomen nog zonder sap en blaren zijn. “Niemand gaat alleen. Men gaat als koppel, gezin, of als vriendengroep.” Francesco zit in een club met vijf kapgenoten, ieder heeft zijn machete, bijl en kettingzaag, ééntje heeft een tractor om de stammen uit het bos te slepen, dat voertuig wordt door allen gedeeld.
“Alleen in het bos gaan, dat doe je niet. Je moet minstens één partner hebben om desgevallend hulp in te roepen.” Dat is nodig, vorig jaar brak een vallende boom iemands been, en twee jaar geleden stierf een jongeman onder omvallend geweld. Eiken en beuken van soms tachtig jaar oud kunnen wel dertig meter groot zijn, “en dat is altijd oppassen: bij het trillen van de kettingzaag kan één tak uit die boom breken, en tien kilo die van hoog valt, die spiest u kapot.”

Francesco Del Campo: “ Bij elke blok die in het haardvuur leg, herinner ik mij alles van die dag dat ik dat blok gekapt heb.” (ingescand uit Humo/ Wouter Van Vaerenbergh)

Voor de rest geen zorgen. Om negen uur ’s morgens zijn er koffie en boterhammen in het bos, men ontsteekt een vuur waarop ’s middags de worsten zullen braden, en naar het slot van de dag komen de borrels boven. “Je houtvrienden zijn je goeie vrienden. Dat zijn de mannen aan wie je zelfs privézaken vertelt. Het is als voetballen in een vriendenploeg. Er is dat sjotten, maar het plezier zit ‘m in het samenzijn, in het zwanzen en zeveren voor en na.”
Zoals voetbal heeft het ook dat viriele, van vuil en smerig zijn en schrammen op je huid. “Dat stoere hoort erbij. Ik ben bijvoorbeeld de enige met helm, oogklep, oorbeschermers en een beschermende broek en schoenen. In Vlaamse overheidsbossen is dat intussen verplicht, maar hier vinden ze mij een mietje. Zij houden het bij hun gewone kleren: waarom je toetakelen als een veiligheidsagent?!”
Slechts een kwart van de kap wordt door vrouwen gedaan, “en dat zijn dan ook kastaars, vrouwen die soms beter met de tractor en de kliefhamer om kunnen dan veel mannen.”

We rijden het bos in. De 4x4 ploegt met schokken en bokken door de diepe plassen. Hij zegt dat er naast hem en zijn vrouw Hilde nog wel meer inwonende Vlamingen zijn in Vresse, en dat hij bij een knetterende kettingzaag “vanop grote afstand kan horen of het een Waal of een Vlaming is.” De Vlaming heeft een gelijkmatig en “bijna monotoon” zaaggeluid. Bij de Waal is het vurig “als bij de start van een motocross: met heftige vroemvroem’s en sportief gas geven.”   
Hij wijst oude stapels, dat is hout van een gestorvene, “dat blijft daar liggen tot het rot is. Niemand denkt aan inpalmen, aan het makkelijke gewin. Je profiteert niet van een dode.”
De kaptraditie heeft ook voordelen voor de gemeente zelf: “het is een vorm van beheren. De inwoners dragen zorg voor hun hout én tegelijk voor heel het bos. Het is sociale controle. Zwerfvuil wordt direct opgeraapt.”
Is men onderweg in het bos, dan zal men ook àltijd stoppen bij een collega-houtveller. “Dat Vlaamse voorbijrijden-met-een- knikje, dat vinden ze grof en onbeleefd. Je stopt de auto, je stapt uit en je informeert hoe de kap vordert. Als iemand het moeilijk heeft, dan zeg je dat je straks of morgen komt meehelpen. Je helpt iedereen, want iedereen is ooit zelf geholpen geweest. Met een vastgelopen kettingzaag, of met stammen wegslepen op een lastig terrein. Die samenhorigheid is hier vanzelfsprekend.”
Hij ziet zelfs hoe het bos het gemeentebeleid bepaalt: “Hier doen ze niet aan kortetermijndenken. Hier weten ze dat een boom pas na tientallen jaren kaprijp is en zo zien de bestuurders ook het gemeentebeleid. Langzaam iets opbouwen voor de toekomst. Denken in generaties. Nooit een steekvlambeleid.“

In Vresse-sur-Semois hebben alle inwoners jaarlijks recht op een lot brandhout. Gratis, maar zelf te kappen “met de vrienden of de familie”. © Jan Hertoghs

In een wirwar van varens wijst hij de wildpaadjes en de keutels van een edelhert, natuurkennis die hij leerde tijdens het kappen: “Altijd is er aandacht voor de natuur. Iemand ziet een kudde edelherten, sssjjt, alle zagen stil, en alleman kijken. In hun leven hebben die al honderden herten gezien, en nog altijd vinden ze dat magisch, zo’n edel dier. Het geeft ook een oeroud gevoel, zo van wij en de wilde dieren in het woud. De bewoonde wereld is dan veraf.”
Een vergezicht hebben van “miljoenen hoge bomen” maakt je ook nederig: “je bent maar een kleine mens in die grote natuur.” Dat brengt hem op het Vlaamse bosbeleid dat hij te schools vindt: “ze behandelen bossen als parken. De bezoeker is de recreant die alleen maar bordjes mag aflezen. Die nooit paadjes mag verlaten en die zeker niks mag plukken of sprokkelen. Hier is het bos er nog voor het volk. Het geeft de mensen warmte, bessen, paddenstoelen en wild; hier màg het bos nog geven.”
Dan stopt hij bij de houtstapels van zijn vriendenclub. Voor het oog ontvouwt zich een soort rangeerstation, met lange treinen en compartimenten van hout. Dat krijgen ze toch in geen jaren opgestookt? Hij zegt van wel: “in Vlaanderen ben je met zo’n stapel een houthandelaar, hier is dat het normale volume voor een particulier.”
Hij kan naar zijn stapels staan kijken “als naar een goedgevulde spaarpot." Maar het is meer dan financieel. Aardgas en elektra komen automatisch binnen, "deze energie heb je met eigen handen in huis gehaald: dat is een diepe voldoening.“

Voor Lars Mytting is de houtstapel een onverwoestbare investering: “Een houtstapel is wat hij is. Hij verliest niet op de beurs. Hij roest niet. Hij vraagt geen echtscheiding aan. Hij doet slechts één ding: wachten op de winter.”
En buitenstaanders zullen het niet geloven, zegt Francesco, maar “een echte houtman herinnert zich bijna elke blok. Op het moment dat ik die blok in de haard leg, zie ik alles terug. Het bosperceel, wie daarbij was, dat mijn kettingzaag vastliep, dat één van ons lomp over een stronk struikelde, en hoe we daarmee lachten. Elke blok is een déjà vu. Elke blok is een zin en zo’n houtstapel is een boek.”
Het zijn woorden waaraan ik me kan warmen.

De “oldtimer” houtstapel van Lode in Opgrimbie, gestut met een Ford-T wielvelg uit de jaren ‘30: de spaken zijn van hout. © Jan Hertoghs

Nog één keer rij ik langs schooldirecteur Lode in Opgrimbie. Hij wilde de prehistorische kettingzaag van z’n vader laten zien, maar ze is nog “in reparatie”. Wel heeft hij nog een ander stokoud stuk gevonden. Eén van zijn houtstapels wordt gestut door het onderstel van een Ford-T uit de jaren dertig: de wielvelgen hebben nog houten spaken. Ja, jong, van hout kunnen ze àlles maken. Als onderwijzer vroeg hij het aan zijn klas en dan riepen de kinderen: Tafels! Deuren! Trappen! Daken! Boten! Bruggen! Hout is er altijd. Een heel leven lang. “Je komt in een houten wieg op de wereld en je verdwijnt in een houten kist terug in de aarde.”

Of dat geen goed slot is voor uw artikel. 

NASCHRIFT: de "houtbijbel" van Lars Mytting verkocht niet alleen 250.000 exemplaren in Scandinavië, maar ook nog eens 200.000 exemplaren in de Engelse versie. Sinds 2014 is Mytting ook een succesrijke romanschrijver: zijn oeuvre heeft intussen al aardig wat bomen in beslag genomen.  

© Jan Hertoghs

Meer lezen