Een “fagnard” vertelt over “zijn” Hoge Venen
De brand op de Hoge Venen die op 14 augustus 2026 begon, is vijf dagen later "ingedamd" maar nog verre van geblust. 3000 hectaren van het natuurgebied zijn verbrand, grote delen smeulen nog verder, het moet nog uitgemaakt hoe ernstig de schade is en of een duurzaam herstel mogelijk is in een klimaat dat met meer hete en droge zomers dreigt.
Ik ken de Hoge Venen vooral van de winter. Als de plek in België waar je nog een dik pak sneeuw kan zien. De wijde vlaktes, de knoestige bomen, ze hebben een aparte magie.
In 2004 sprak ik een veengids nadat een Nederlandse wandelaar al dagenlang vermist was in het gebied. Jean-Marie Groulard begeleidt al 50 jaar natuurwandelaars, hij kent het veen van jongsaf, met zijn schoonheid én zijn gevaren .
.© Jan Hertoghs - Humo februari 2004
© Jan Hertoghs
De veengids: "Je kan hier verdwalen op vijf meter van de wandelweg."
Sinds maandagavond 19 januari 2004 wordt een man vermist in de Hoge Venen. Raoul Vanderdonck (40 jaar, getrouwd en vader van een zoontje van twee) parkeert zijn auto in de buurt van het dorpje Sourbrodt en trekt erop uit om een wandeling voor te bereiden voor een groepje collega's (van het rusthuis waar hij werkt). Iets na zessen belt hij naar zijn vrouw om te zeggen dat hij wat later zal zijn "en dat hij nog een heel eind moet stappen tot aan zijn auto". Toen zijn vrouw hém later opbelt om te horen waar hij blijft, komt er geen antwoord meer. Sindsdien zijn er zoekacties geweest waaraan meer dan honderd vrienden en familieleden hebben deelgenomen, het leger en de politie hebben een helikopter en speurhonden ingezet, maar van de vermiste is één maand later nog altijd geen spoor gevonden.
Humo sprak met Jean-Marie Groulard (73), een man die de Hoge Venen kent als zijn achtertuin. Als kind zwierf hij er al rond en als natuurgids van Les Amis de la Fagne heeft hij er duizenden wandelingen begeleid. Hij staat bekend als "un vrai fagnard", met een passie voor dat veenlandschap en een kennis van alle verraderlijke plekken en gevaren van dat terrein. Groulard heeft aan de zoekacties naar Vanderdonck deelgenomen.
«De auto van die man stond aan de parking van Bôsfagne en omdat daar een brandgang tussen twee bossen is, denken we dat hij die route gevolgd is naar la Fagne Wallonne. Die "fagne" is niet wild of slecht toegankelijk, dat is een van de klassieke veengebieden waar veel wandelaars naartoe gaan. Hij is om half vijf vertrokken, dat is een laat vertrekuur in de winter, het is al aan het schemeren en om zes uur wordt het stevig donker in het bos. Maar volgens zijn familie was hij geen zondagstoerist, hij was een ervaren wandelaar en hij kwam vaak in de Hoge Venen. Hij droeg ook een opvallende rode jas, maar toch heeft de helicopter hem niet kunnen vinden in de open vlakte van het veen, en wij hebben hem niet gevonden in de aanpalende bossen.
Hoe kam je een bos uit?
«Je maakt een ketting met één persoon om de drie à vijf meter, je stapt op één lijn vooruit, en met een stok duw je dan biezen, varens en takken opzij om te zien of er iemand ligt. Je let ook op blikjes, papiertjes van snoep, afgebroken takken, wc-papier, uitwerpselen, elke anomalie in die omgeving wordt van nabij bekeken. Het is immers al gebeurd dat iemand stukjes papier of zakdoek op takken spieste om zo een spoor achter te laten voor de hulpverleners. Mogelijk heeft hij een grote boodschap moeten doen. Daarvoor heeft hij de beschutting van enkele dichtere sparren gezocht en bij het verlaten van dat sparrenbosje is hij in de verkeerde richting gestapt en verdwaald.
Wie zich twintig meter in de bosjes verplaatst, verdwaalt toch niet op die korte afstand?!
« Op vijf meter kan je daar verdwalen! Je vergist je éven van richting, je stapt en je stapt, je vindt je route niet meer, je gaat terug, je ziet weer niks dat je kent, en daar sta je dan in dat bos, ineens ben je gedesoriënteerd. De vraag is nu: waar is hij naartoe gestapt en wat is hem onderweg overkomen? Is hij moe geworden, gaan liggen en omgekomen van de kou? Of heeft hij al stappend een hartaanval of een beroerte gekregen? In elk geval moet hij in een zeer dicht sparrenbos gesukkeld zijn, anders hadden we hem al gevonden.
© Jan Hertoghs
Kan je de hele Hoge Venen uitkammen?
«Die 60.000 hectaren van het hele natuurpark ? Nee, dat is onmogelijk en ook niet nodig. Iemand loopt maar verloren tot hij op een grote weg komt, want daar kan hij de bewoonde wereld vinden en om hulp vragen. Dus baken je een zoekgebied af dat binnen de grote asfaltwegen en de brede, verharde boswegen loopt. Wij hebben een gebied van 3 à 4 kilometer afgebakend en daarvan is nu 9O% uitgekamd.
NOOT: Het hele natuurpark beslaat intussen zo’n 70.000 hectaren, het echte veen-natuurreservaat neemt daarvan zo’n 6200 hectaren in, daar doet zich ook de grootste brandschade voor ( jh).
Kan het zijn dat hij in een moeras is beland en kan zo'n moeras iemand helemaal "opslokken"?
« Echte moerassen zijn hier niet, maar er zijn wel verraderlijke gaten in het veen die vijftien à dertig meter groot zijn, en daarin is het zeker mogelijk dat je opgeslokt wordt. Je hoeft maar te struikelen en een stap in die zompige massa te zetten, en van zogauw je de vaste grond niet meer kan bereiken, gaan die soppende veenmossen als drijfzand werken.
Net voor de hittegolf van vorige zomer (2003) had het hier zwaar geregend, een klas met jongens was aan het wandelen, één jongen struikelde, en zakte in het sop. Zijn kameraden wilden hem eruit trekken, maar zij begonnen ook weg te zakken. Toen hebben ze alarm geslagen, een boswachter is met een winch gekomen, ze hebben touwen om zijn borst geslagen en zo hebben ze hem eruit getrokken. En dat was geen zware volwassene hé, dat was een kind, en toch stak het binnen enkele seconden tot aan zijn middel in die sponsbodem. Weet u, vijf kilo veenmos kan tot 72 kilo water bevatten! En mensen die daarin wegzinken, slaan met armen en benen, maar die bewegingen kunnen je niet redden, je zakt onvermijdelijk en beetje bij beetje de dieperik in. Na twee- drie dagen kan zo'n lichaam helemaal verzwolgen zijn door het eigen gewicht.
Het is dus mogelijk dat zijn lichaam nu al onder het veen zit?
« Ah oui! Maar in de sector waar we hem gezocht hebben, zijn nauwelijks van die gaten. Er zijn wel "gaten" uit de tweede wereldoorlog. Vlak voor het von Rundstedt-offensief hebben de Amerikanen hier ondergrondse slaapzaaltjes en een hospitaal gegraven, die waren afgedekt met balken, maar met de jaren is dat hout vermolmd en zijn daar diepe holtes ontstaan. Maar ook daarin is niks gevonden.
© Jan Hertoghs
Ik sprak gisteren een politieman, die vertelde me over een persoon in Raeren die vermist was en wiens lijk ze pas maanden later hebben aangetroffen.
« Oh, maar dat verwondert me niet. Hier zijn ooit mensen vermist die men nooit meer heeft teruggevonden. Dat is vooral in de jaren 1920-1950 gebeurd. Vaak waren het reizende commercanten die te voet of te paard vanuit Eupen zijn vertrokken en die nooit in Malmédy zijn aangekomen. Dat zijn dus mensen die met paard en al in het veen verzwolgen zijn! In die tijd was er ook het gezegde dat "het veen elk jaar zijn dode eiste". De weg over de Botrange was toen nog een aarden weg, als het geregend had, moest je zoéken waar je je voeten kon zetten, soms moest je twintig meter naar links of rechts uitwijken om vaste grond te vinden. Als er dan mist kwam, was de kans groot om je weg te verliezen.
Ja, reizigers en verdwalen, het is een constante op de Hoge Venen. In de 19de eeuw was er maar één herberg in dat gebied, en dat was op de Baraque Michel. Als er mist was, of sneeuwstorm of ander guur weer, dan moest de herbergier een klok luiden om verdwaalde reizigers weer op het juiste pad te brengen. Hij luidde heel de nacht op vaste tijdstippen, het touw hing naast zijn bed!"
Intussen zijn we in de 21ste eeuw, maar het blijkt nog steeds mogelijk dat passanten in het niets verdwijnen. Alle zoekacties, ook van de familie, zijn intussen stopgezet en de politie begint te vermoeden dat de man toch een verharde weg is overgestoken en dat hij zich dus buiten het initiële zoekgebied bevindt: " Die man moet in paniek geweest zijn, en iemand die door paniek bevangen is, kan niet meer kalm denken en waarnemen. Het kan dus zijn dat hij een geasfalteerde weg is overgestoken zonder dat hij het zich gerealiseerd heeft! Er was ook helemaal geen maanlicht die nacht, het had pas gesneeuwd, dus dat speelt zeker mee. Wat wel vast staat: de man heeft niets geënsceneerd, het is geen vlucht van iemand die het moeilijk had en die naar het buitenland is verdwenen. Voor ons bevindt hij zich nog altijd op de Hoge Venen."
© Jan Hertoghs
De Hautes Fagnes hebben een lange geschiedenis van vermiste personen. Alleen al tussen 1973 en 1993 raakten 17O wandelaars en skiërs zodanig op de dool dat er zoekacties nodig waren om ze terug te vinden. Het tijdschrift van Les Amis de la Fagne somt de voornaamste op: zes uur gezocht naar een groep jonge scouts (maart '73) - 15O militairen zoeken drie dagen naar 17-jarige fietser (augustus '77) - twintig kinderen van een Vlaams skiklasje de hele nacht vermist (maart '81) - 11 Nederlandse skiërs buiten de piste gegaan en verdwaald over de Duitse grens (dec '81) - twee Nederlandse verpleegsters stappen een hele nacht door 5O cm sneeuw (januari '85) - 5O jarig koppel uit Brussel roept een hele nacht om hulp (januari '86) - acht langlaufers brengen bibberend de nacht door op een uitkijktoren (december '86). De lijst is lang "en niet volledig". Zo raakte in dezelfde buurt waar Vanderdonck vermist is, vijf Vlaamse scoutsde weg kwijt tijdens het langlaufen (december '90). Het groepje vijftienjarigen verdwaalde op een donderdagavond en werd door boswachters pas 42 uren later teruggevonden.
Niet iedereen overleeft zijn avontuur. In de Hoge Venen staan meerdere kruisen en stenen ter nagedachtenis van ongelukkigen die de weg naar huis nooit meer hebben gevonden. Dat de dood altijd meewandelt met élke sterveling, staat ook te lezen op een kruis tussen Eupen en Raeren: " Wanderer, nutze aus deine Zeit! Bald wanderst Du in die Ewigkeit!"
U hebt intussen al aan meerdere zoekacties deelgenomen.
« Oh ja, verschillende! Eén die ik me goed herinner, was die van twee kinderen uit Eupen, vijf en zes jaar oud. Dat was in december 1962. De vader was houthakker en op een zondag was dat gezin de bossen ingetrokken om te zien waar papa aan het werk was. Enkele dagen na die wandeling was het Sinterklaas, die kinderen kregen 's morgens speelgoed en een zakje rozijnenkoeken. En! Overdag beslissen ze om papa te verrassen: ze gaan hem een paar koeken brengen. Tegen moeder zeggen ze dat ze ergens gaan spelen, en 's avonds komt die vader thuis: waar zijn de kinderen, de kinderen zijn wég! Diezelfde avond zijn we beginnen zoeken, maar pas de volgende dag heeft een boswachter ze gevonden. Ze lagen onder de brede takken van een spar, daar hadden ze de nacht doorgebracht in de bittere kou. Gegeten hadden ze ook niét: hun zakje met rozijnenkoeken hadden ze nog altijd in hun hand, c'était pour papa!
Bron: Het Nieuwsblad
In december '69 hebben we naar vier Luikse studenten gezocht, twee jongens en twee meisjes van rond de twintig. Aanvankelijk waren ze met vijftien maar onderweg was dat viertal achterop geraakt. Eén van de meisjes moest naar het toilet, had een paar minuten tussen de bomen gehurkt gezeten, en toen zij de weg hervatten, waren ze het spoor van de anderen kwijtgeraakt. Het was ook een moeilijk terrein, een riviertje dat ze stroomafwaarts moesten volgen, tussen allemaal rotsen, sneeuw, ijs en afgebroken takken.
Toen de rest van de groep aangekomen was en vergeefs op hen gewacht had, is het alarm gegeven en zijn we beginnen zoeken met politie, rijkswacht en boswachters uit de buurt. Door de mist zat alles echter potdicht en 's avonds hadden we nog niemand gevonden. Omdat het harder waaide en sneeuwde, op sommige plaatsen al 8O cm, is het leger ingeschakeld: een Vlaamse compagnie die op oefening was in Elsenborn. Zo zijn ze gevonden. Die jongelui hadden bijna achtenveertig uren in de kou doorgebracht, het was hoog tijd dat we ze vonden: ze waren totaal verkleumd en uitgeput, een derde nacht hadden ze niet meer overleefd.
Is de winter het uitgesproken seizoen van de verdwaalden?
« Ja. En twee op de drie verdwaalden zijn langlaufers die de pistes verlaten hebben. Het zijn skiërs die moe zijn en die een "binnenweg" willen nemen naar het punt waar ze vertrokken zijn. Of skiërs die het trage geschuifel van de anderen niet meer kunnen verdragen en die dan maar een "snelle weg" kiezen door de ongerepte sneeuw. Ze komen op moeilijk terrein waar de sneeuw bijeen gewaaid is, ze raken niet meer vooruit, ze worden moe, ze zien de andere skiërs niet meer en ze zijn verdwaald. In bijna al die gevallen komt het neer op overschatting van het eigen kunnen en onderschatting van het terrein.
Je hoeft zelfs niet te verdwalen om toch in de rats te geraken. We zijn ooit een klas van zéstig jongeren uit de sneeuw gaan halen. Die wisten goed waar ze waren, maar ze kónden niet meer. De sneeuw waaide in hun gezicht, ze hadden geen eten of drinken meer en ze hadden het opgegeven.
© Jan Hertoghs
Allicht komt die onderschatting ook door de geringe hoogte: het zijn maar "de Ardennen", het is maar op 7OO meter hoogte.
« Inderdaad! Ze wonen in Oostende, Charleroi, Breda, Rijsel of Keulen, ze hebben in de krant gelezen dat je hier fijn kan langlaufen en de mensen komen hier naartoe zonder erbij stil te staan dat het hier veel kouder en veel vochtiger is dan bij hen. Vaak komen ze toe met te lichte kledij en te lichte schoenen. Want bij hen was het droog en nul graden, maar hier sneeuwt het en zit de temperatuur vijf graden onder nul. Als je dan ook nog te laat vertrekt met het langlaufen, dan zoek je moeilijkheden.
Wandelt ù alleen in de Venen?
« Maar natuurlijk! Ik deed het al toen ik twaalf was. Ik had het laatste jaar van de lagere school gedaan, het was vakantie en mijn vader die dokter was in Verviers, kreeg iemand op bezoek, "un ami de la Fagne". Ik vroeg wat dat was, die Fagne? Ha, zei die man, ik zal je zeggen hoe je er geraakt. Je neemt je fiets, je rijdt de weg omhoog nabij Francorchamps, en als je bijna boven bent, zie je een sparrenbos, je zet daar je fiets aan de kant, je stapt door dat bos en dan zie je het wel. Ik doe zoals gezegd en als ik uit dat bos kom, sta ik ineens op die uitgestrekte vlakte met zijn wuivende biezen en zijn knoestige berkjes en ik was gelijk verkocht. Ik wist wel niks van al dat water, na twintig stappen zakte ik tot mijn knieën erin, maar ik was "betoverd" en beetje bij beetje heb ik daar mijn weg leren vinden. Nu kom ik er al tweeënzestig jaar.
Ik heb de Hoge Venen nog gekend toen er amper een gebouw stond. Op de Baraque Michel stond een eethuis en een betonnen uitkijktoren van het leger, maar op de Botrange en op Mont Rigi stond alleen een houten platform waar je met een ladder moest opkruipen. Er reed al wel een bus van Eupen naar Malmédy, maar toerisme was er niet. De streek werd bevolkt door boeren, schaapherders en houthakkers. Sommigen stookten hun huis nog met gedroogde turf!
Woonden er ook kluizenaars?
« Ja. Er woonde een oude monnik naast de afgelegen kapel van Bernister. Die man kwam niet uit zijn huis, ook niet om eten te kopen, want dat werd één keer in de week thuis gebracht. Meestal hing er een bordje op zijn deur: Niet Storen! In de buurt van de Ferme Libert had je de Negus. Dat was een leraar wiskunde die genoeg had van het onderwijs en die een grote hut had gebouwd aan de rand van het veen. Die man speelde viool en piano en die had strozakken liggen waarop je kon overnachten. Nu spreek ik wel over vijftig jaar geleden.
Er zijn nog excentrieke bewoners geweest. Ik las in een oud krantenknipsel dat er een sjeik kwam jagen in de Hoge Venen.
« Hij jaagt hier nog steeds, maar meer in de buurt van Elsenborn en Monschau. Het is de emir van Quatar, hij komt hier enkele weken per jaar op herten jagen. Er zijn hier veel herten, die bordjes van overstekend wild staan er niet voor niets. Met die herten die over de weg springen, zijn al zware ongevallen gebeurd. Hert dood, bestuurder zwaargewond en de auto perte totale. Gelukkig botst men vooral op reeën, die dieren zijn kleiner, die schade is niet zo groot als bij een hert dat tweehonderd kilo kan wegen.
Ja, de Hoge Venen, het is een apart terrein met heel aparte gevaren. Neem het risico op veenbrand. Nu is het streng verboden om vuur te maken, maar vroeger keek men niet nauw: met zoveel water in de buurt dacht men niet aan brand. Maar als je op een droog stuk van de venen vuur maakt en je stampt het uit, dan duw je die gloed eigenlijk in de turfbodem. Dat gaat smeulen en een kwartier nadat je weg bent, steekt de wind op en schiet alles in brand.
Nu is men daar héél streng op: houthakkers die met hun zware bosbouwmachines in het woud gaan werken, krijgen een contract waarin staat dat ze moeten voorkomen om met metalen onderdelen over stenen of langs rotsen te schrapen. De minste vonk kan in de turf gaan smeulen.
Is er een deel van de Hoge Venen waar u zich niet waagt omdat het te riskant is?
“ Vroeger wel, maar nu niet meer. Ik ken het als mijn broekzak. Aan de kleur van het mos en de struiken weet ik of de ondergrond gevaarlijk is of niet, en zo raak ik overal doorheen. Ik leid intussen al wandelingen sinds 1954! Dat was pionieren toen, want je had niet de minste bewegwijzering: verfstrepen of bordjes waren er niet. Ik had alleen maar een stafkaart van het leger, en om te wandelen waren er wat paadjes van houthakkers en tabaksmokkelaars; én enkele wegeltjes van de Amerikanen die ze ooit hadden gebruikt om de mijnen van de Duitsers te ontmantelen. Het was toen in feite nog een niemandsland, dan leer je je wel te oriënteren.
Ik ben intussen al zolang gids in de Venen dat ik met mensen werk die ik nog als kind heb rondgeleid toen ze hier op bosklassen waren. Toen waren het kleine rakkers en nu zijn het voltijdse milieu-animatoren die op hun beurt jonge kinderen rondleiden. Dat zie ik als een verdienste, dat mijn liefde voor de venen iets gerààkt heeft bij die kinderen.
Voor mij zijn de Venen altijd een verademing geweest. In de week had ik een drukke tandartspraktijk, dan was het een plezier om in het weekend groepen te begeleiden. Zelfs met die drukke praktijk probeerde ik soms ook 's morgens naar de Venen te komen. Zo heb ik voor de universiteit van Luik gedurende lange tijd het korhoen bestudeerd (een zeldzame vogel waarvan het aantal in Belgie op 2O koppels wordt geschat, alle in de Hoge Venen,jh). Dan lag ik om vijf uur al met mijn verrekijker in het struikgewas, ik zag de zon opgaan in al haar glorie, en om tien uur stond ik terug in Verviers om tanden te plomberen! (lacht)
© Jan Hertoghs
Bent u nooit verdwaald?
« Eén keer. In de buurt van Rocherath ben ik met een vriend overvallen door dikke mist. We zijn toen op onze terreinkennis en ons oriëntatiegevoel voortgegaan, en na een volledige dag stappen kwamen we uit op driehonderd meter van de plek waar we wilden aankomen. Dus, verder dan driehonderd meter ben ik nooit verdwaald!
In woestijnen en stripverhalen gaat men in rondjes lopen.
« Dat is zo als je weinig oriëntatiepunten hebt. In de winter deed één van onze nieuwe gidsen stage en ik liep mee met die groep. Er was mist, er lag een dik pak sneeuw, en na een half uur stond die groep ineens stil. Ik liep achteraan, ik wist niet welke wandeling hij voorbereid had, maar in de groep was er gemor dat "de gids in rondjes liep". Kan niet, zei de stageair, want ik volg deze voetstappen. Zet je laarzen ernaast, heb ik gezegd, en toen hebben we gemerkt dat het zijn laarzen waren en dat we reeds tweemaal op diezelfde plek waren gepasseerd. En dat op een half uur tijd! Hij was blij geweest dat hij voetsporen zag, voor hem betekende dat dat ie op de juiste weg was (lacht)! Hij was één van de grondregels vergeten: bij slechte zichtbaarheid moet je onthouden waar de wind op je gezicht blaast. En je moet de wind op die plek houden, zo voorkom je dat je in rondjes loopt. 't Is een oud kneepje, hoor, ik heb het bij de scouts geleerd.
Een aantal jaren geleden sprak ik in de VS met park rangers en die kloegen over het misbruik van de gsm: " Mensen kunnen nog amper een kaart lezen: als ze de weg kwijt zijn, bellen ze gewoon naar de boswachter."
«Dat is hier krek hetzelfde. Voor een wandelkaart betaal je 4 of 7 euro, dat vinden de mensen teveel en dus beginnen ze zomaar wat te wandelen of te langlaufen, en als ze de weg kwijt zijn, bellen ze het internationale noodnummer 102. Om de politie niet elke keer te laten opdraven, heeft de administratie van Waters en Bossen op winterse topdagen een bureau ingericht waar al die paniekerige telefoons toekomen. De eerste vraag is dan: waar bent u ongeveer? Nu, daar hebben die verdwaalden amper een besef van. Dan vraagt men: waar hebt u de wagen gezet en in welke richting bent u gegaan? Ook dat weten ze soms niet. "Mijnheer, het was druk op de grote baan, ik heb mijn auto aan een bos gezet en we zijn daar beginnen langlaufen en nu vinden we onze weg niet terug." De mensen kunnen vaak ook niet zeggen of ze naar het oosten of het westen zijn gestapt. Die windrichtingen, die kennen ze dikwijls niet meer, en dan is de vraag: waar ziet u het licht van de ondergaande zon, voor u of achter u? Als de toezichter uiteindelijk vermoedt waar ze zitten, dan zegt hij bijvoorbeeld dat ze honderd meter moeten stappen "met de wind pal in het gezicht" en als ze daar een jagerszitje zien, dan mogen ze daarheen gaan en terugbellen, "dan kan ik u verder de weg wijzen."
© Jan Hertoghs
De boswachter als verkeersleider!
« Exactement! Verdwaalden worden al bellend opnieuw op de goeie weg gezet. Er zijn dagen dat die telefoon niet stil staat. Dat begint meestal tegen een uur of vijf. Vaak zijn ze dan al een uur een "binnenweg" aan het nemen los door het veen. Ah ja, ze hebben ski's, dus ze zijn tous terrains! (lacht)
Het zijn niet alleen de verdwaalden die bellen, er zijn ook mensen die zich bezeren en die nog moeilijk kunnen stappen. Of je hebt zestigplussers die overmoedig zijn, ze gaan dan door dertig centimeter sneeuw "wandelen" en dat is zo zwaar dat ze een lichte hartaanval krijgen. Eén keer is een vrouw ook verpletterd door een vallende spar. Die boom was zwaarbeladen met sneeuw, er stond een stevige wind en omdat sparren hun wortels niet in de diepte maar in de breedte hebben, was die boom door de hevige windstoten overstag gegaan. Dat gebeurt meer als het een natte winter is en als de grond doorweekt is.
Op het Signal de Botrange vertelde men dat er enkele jaren geleden een jong koppel gevonden was in een riviertje, dood, en met de fles alcohol erbij.
« Ik weet dat dat verteld wordt, maar ik heb het nog nergens bevestigd gezien; het moet een gerucht zijn. Feit is wel dat sommige overlijdens pas veel later opgehelderd worden. Zo was er een man vermist uit Verviers, zijn auto werd teruggevonden op de Botrange, de rijkswacht stelde een onderzoek in, maar vond geen spoor. Enkele weken later houdt een compagnie paracommando's een oefenmaneuver in de venen, ze springen uit hun vliegtuig, en één parachutist landt op één meter van een lijk, dat was het lichaam van die man die men zocht. Dat is sterk toeval hé?! Later bleek het om een zelfmoord te gaan.
Vorige winter (2003-2004) was er een topweekend waarin 200.000(!) gasten verwacht werden in de Oostkantons. De taferelen die je dan ziet in de omtrek van de Botrange. Auto's die kilometers lang aanschuiven, ouders die hun blauwverkleumde kinderen op een sleetje voorttrekken tussen bossen van geparkeerde wagens. In de krant stond dat sommigen drie uur gereden hadden op de 16 km van Eupen naar Botrange. Dat heeft toch niks meer met recreatie in de natuur te maken.
« Nee, die files zorgen vooral voor krassen en deuken, en die rijen geparkeerde auto's trekken vaak nog autodieven ook. Ach, het is allemaal een gevolg van de zachtere winters hé! Als er weinig sneeuw valt, dan krijg je in die sneeuwweekends een rush op het witte goud.Ik heb langlaufpistes gezien waar men achter mekaar aan schuifelt, ski tegen ski. De mensen denken: we hebben lang in de file gestaan, nù willen we op de ski's, en dan staan ze weer in de file.
Wat zoeken al die honderdduizenden bezoekers op de Hoge Venen?
« De rust van dat weidse landschap. Op vele dagen is die rust er ook, maar in de winterweekends draait het wel eens anders uit, dan krijg je zelfs ruzies en verkeersagressie op de langlaufpistes. Omdat iemand met zijn ski's op zijn voorganger trapt, omdat wandelaars al stappend 'putten' maken in de geprepareerde pistes, dat geeft gekrakeel onder de sparren, hoor!
Ik begrijp niet altijd wat de mensen bezielt. Ik heb een jong koppel en een fijne meneer al zien vechten op zo'n loopbruggetje (=planken vloertjes die aangelegd zijn om het veen te beschermen,jh). Het koppel maakte zijn wandeling niet af en maakte rechtsomkeert, die man in zijn pak wilde hen passeren, noch dat koppel noch die fijne man wilde één stap opzij zetten in het natte slijk van het veen. Ik was in het slijk gaan staan om te tonen dat ze daar niet wegzakten, maar nee, ze wilden niet. Er komt ruzie van, en ineens paf paf beginnen die twee venten mekaar af te rossen tot die fijne man zich omdraait en op op hoge poten terugloopt (lacht)Un beau jour à la Fagne!
Wordt er veel afval achtergelaten door die stroom bezoekers?
" Dat is fel geminderd omdat de mensen milieubewuster zijn geworden. Wat je nu hebt, zijn de sluikstorten. De mensen willen niet betalen voor het containerpark en droppen hun rommel in de kant van de weg. Matrassen en ijskasten, dat is de nieuwe fauna en flora van de laatste jaren. Tegelijk is er ook een toename van het vandalisme. Volgens een Zwitserse studie gaat acht procent van het budget van de natuurparken naar het herstellen van moedwillige schade. Bij ons is zo'n studie nog niet gemaakt, maar één keer in de maand doen wij een inspectie van de wegwijzers en altijd zijn er wel bordjes die stuk zijn of overspoten met verf en graffiti. We moeten er binnenkort weer een paar gaan herschilderen waarop staat: mort à Bush! Van de Fischbachkapel op de Baraque Michel heeft men eens alle ruiten stukgeslagen met ijzeren staven. En dan volgde een spoor van van zes kilometer: alle wegwijzers, alle bordjes met informatie waren kapotgeslagen. Zelfs rustbanken en slagbomen waren toegetakeld. Het moeten meerdere daders zijn geweest, ze zijn nooit gevonden.
© Jan Hertoghs
De aantrekkingskracht van de Hoge Venen ligt in de magie dat het "de laatste wildernis" van België is.
« Semi-wildernis, want de venen zijn eigenlijk een gevolg van een begrazing door schapen. Zonder de mens, de wolnijverheid en de schapen was het hier één en al bos geweest. Maar ik begrijp wat je bedoelt, voor een Belg is dit een woest en wild gebied omdat er nergens huizen staan. In Frankrijk of Engeland is 6O.OOO hectaren niks, hier is dat al bijna het Amazonewoud!
Wat zoekt u nog op die Venen na meer dan zestig jaar?
« Ik ben als de zeeman die niet zonder de zee kan of de alpinist die niet zonder de bergen kan. De Venen, dat is niet zomaar bos en hei, dat is een landschap dat me nog altijd geweldig kan emotioneren. Gisteren ben ik er nog geweest, het was een grijze dag, de sparren zagen er een beetje triest en monotoon uit met hun natte zwarte stammen in de hoopjes oude sneeuw, maar ineens breekt de zon door de wolken, er schiet blauwe lucht over dat veen, dat dorre biesgras licht helemaal op in die felle zonneschijn, prachtig! En je zou de Venen moeten zien bij volle maan, alles baadt in dat zilveren licht.
Vorig jaar kwam ik van een reportage in Duitsland en toen heb ik bewust de weg over de Hoge Venen genomen omdat het zo'n heldere sterrenhemel was. Op de Botrange stapte er een groot edelhert over de weg. Dat was prachtig, dat langzame silhouet op die verlaten nachtelijke weg.
« Ah voilà! En dan zou je in de paartijd die mannetjesherten moeten horen burlen in de nacht. Of de bosuil, die kan zo zacht huilerig zitten klagen in een boom, dat is ook mooi. Als ik alleen ben, kan ik uren naar die nachtelijke geluiden luisteren.
Veel mensen hebben schrik in het bos en zeker in het donker. Ik heb eens een rondleiding gedaan met een groepje van vijf man, één van hen was doodsbenauwd. Bij elk geluid, bij elk geritsel stond ie stokstijf, wat is dat, wat moet dat hier?! Later bleek dat groepje uit Lantin te komen. Het was een cipier met vier gevangenen die voor hun goed gedrag een nachtwandeling in de venen mochten maken. Die bangerik was een crimineel van een zwaar kaliber, hij was nog nooit in een bos geweest (lacht)!
Bent u nooit ongerust? Bijvoorbeeld als u helemaal ingesloten wordt door de mist?
« Ah, le brouillard! Dat is een aparte gewaarwording. In tien, vijftien minuten doemt hij op, en soms is hij zo dicht dat je alleen nog het gras onder je voeten ziet. De boom op tien meter? Die is er niet meer! Ik voel me dan niet verloren, ik weet nog altijd waar ik ben, maar het is wel alsof iemand je wil afsluiten van de buitenwereld. Je zit werkelijk tussen vier witte muren, en er is ook niet het mínste geluid.
Elk van die ervaringen is bijzonder. Het is nu februari, één van de dagen komen de kraanvogels terug uit Afrika en dan gaan we op de Botrange staan om ze te kunnen observeren. Hoe ze dan in grote formaties over het veen komen gevlogen, dat hoge roepen in de lucht dat dag en nacht doorgaat, dat is fascinerend.
In Chamonix en Grindelwald heb ik met bergredders gesproken en die vertelden dat mensen zelfmoord kwamen plegen in het gebergte. Een vorm van "sterven in schoonheid". Gebeurt dat hier ook?
« Dat hebben we hier nog niet gehad. Tenminste, er zijn al zelfmoorden geweest in de venen omdat het een afgelegen plek is. Niet van, ik heb kanker, ik heb nog vier maanden te leven, dan sterf ik liever op de Botrange, dat niet. Maar ik zal u één ding zeggen dat ik zelfs nog niet tegen mijn vrouw heb gezegd. Als hier ooit een atoombom valt, en iedereen bestraald is en de dood binnen enkele dagen gaat volgen, dan ga ik naar het veen, en dan wacht ik daar mijn dood af. Ca oui!
Nawoord * Jean-Marie Groulard stierf in augustus 2020, hij werd 90.
Het stoffelijk overschot van de vermiste Raoul Vanderdonck werd bijna 6 jaar later pas gevonden, op 5 km van de Botrange, en in een veengebied dat door de heli's niet was onderzocht. De wetsdokter stelde een natuurlijk overlijden vast, vermoedelijk door onderkoeling (https://raoulvanderdonck.wordpress.com/about/)
* Om meer te lezen over het waardevolle veengebied: https://www.amisdelafagne.be/
* In 2003 liep een dagje sneeuwwandelen op de venen bijna fataal af voor twee jonge gezinnen, je leest hier het relaas
© Jan Hertoghs