In het oog van de sneeuwstorm (Maine USA) deel 1
Een groot deel van Amerika wordt in deze winter van 2026 geteisterd door een traag vorderende sneeuwstorm die in honderdduizenden huishoudens de stroom deed uitvallen en die het vliegverkeer zwaar verstoort. In de media kreeg de storm al bijnamen als Snowzilla en Snowapocalyps. Die felle wintertoestand zou nog aanhouden.
In de winter van 2001 ben ik met fotograaf Tim Dirven precies dié sneeuwstormen gaan zoeken in de oostelijke staat Maine.
In mijn boek "Kind zonder winter" staat mijn close encounter met een blizzard beschreven op iets meer dan een pagina.
Dit is het langere verhaal, met zijn drie afleveringen.
(Humo maart 2001) © Jan Hertoghs
Noot: de Verenigde Staten worden niet alleen belaagd door een sneeuwstorm, de laatste weken worden ze evengoed geteisterd door ICE, door de gemaskerde troepen van ICE (de Immigration and Customs Enforcement). In de ijskoude straten van Minneapolis (Minnesota) hebben ze intussen twee burgers gedood.
In het derde deel van deze reeks (over de militie) lees je over de groeiende polarisering in de States, ook al is die reportage 25 jaar geleden geschreven.
© Tim Dirven
Onderweg met de krantenkoeriers “Wij rijden elke nacht naar de verst afgelegen abonnees. Zelfs al zitten die thuis ingesneeuwd.”
De United Airlines-vlucht uit Brussel is in Washington geland, maar verder vliegen naar Portland, Maine is uitgesloten. Die luchthaven is al zeventwintig uur dicht vanwege een sneeuwstorm die het hele noordoosten van de VS lamlegt. Ook morgen zullen we niet kunnen vliegen. Als we aan de infobalie vertellen dat we hoe dan ook naar het noordoosten willen omdat we over sneeuwstormen willen schrijven, is het even stil aan de desk, “je zit nu toch midden in je story, sir, je zit vast door de sneeuw, wat wil je nog meer?!” Maar ze zal ons helpen, ze heeft voor ons nog één vlucht naar Boston, “allicht de enige vlucht die daar vandaag gaat landen”. En van Boston is het normaal gezien slechts twee uur rijden naar Portland. Of “er iets zal rijden” van bussen, treinen of auto’s, dat weet ze niet, dat zullen we ter plekke moeten uitzoeken.
In een woest gehuil van motoren landt het vliegtuig op Boston Logan Airport. Eén uur heeft het boven de stad moeten cirkelen omdat rukwinden en beperkte zichtbaarheid de landing onmogelijk maakten, maar in een luwte heeft de piloot het toestel dan toch aan de grond kunnen zetten. Uit de buik van de sneeuwwolken was ineens de luchthaven te zien, een slinger van lampjes in de stuivende sneeuw, en dan raakten de wielen de tarmac, met de snelheid van een steen over het ijs, je denkt dat zo’n ding nooit gaat kunnen remmen, maar het remt toch, en op alle passagierszetels wordt luid in de handen geklapt. Achter de raampjes woedt de storm, tegen de oostkust jaagt hij golven van negen meter over de dijk, hier op het vliegveld duwt hij de sneeuw in grote duinen omhoog, zestig tot negentig centimeter is er gevallen in de laatste vierentwintig uur.
Onze bagage is er niet bij, “die moet nog met een tweede vliegtuig komen”, maar dat toestel mag door de stormwind niet meer landen in Boston, dat vliegt met zijn honderdtwintig passagiers én onze spullen terug naar Washington. Halfnegen ‘s avonds is het en alle bus- en treinverkeer naar de staat Maine is opgeschort, maar bij de autoverhuring denken ze dat we er met de wagen zullen geraken, ”de sneeuwploegen doen er alles aan om de snelweg vrij te maken”. De auto op de parking staat zo goed als onder de sneeuw bedolven, het openen van de deur is als het openmaken van een koelkast, er brandt alleen een klein lichtje daarbinnen.
Eens de Pontiac Sunfire ontdooid is, stuur ik ‘m de weg op, in voorzichtige bochten tussen de bergen van weggeduwde sneeuw, dit is geen bar buitengebied, dit is het centrum van Boston, een stad met zeshonderdduizend inwoners.De ingesneeuwde Interstate 95 telt nog wat verkeer tot aan de rand van de stad, dan zijn er alleen nog de zwaailichten van de sneeuwruimers, in konvooien van vier of zes rijden ze achter elkaar om één van de drie rijvakken van sneeuw en ijs te ontdoen. Hun grote schoepen schuren het asfalt, een geweld van ijzer en wegspringende vonken, maar ze kunnen amper een bandenspoor ruimen waarin je te nauwer nood veertig per uur kan rijden. Op de grens van Massachusetts en New Hampshire is een auto geslipt, hij ligt gekanteld in de middenberm, het is een jeep, een four wheel drive die nu met zijn vier wielen in de lucht steekt. Het sneeuwen zelf is minder geworden, maar de wind blijft jakkeren en jaagt grote stofwolken sneeuw uit de zwaarbeladen dennen naast de weg.
In België is het nu zes uur ‘s morgens, we zijn al drieëntwintig uren op de been en ik zou moe en slaperig moeten zijn, maar ik ben wakker als een tienjarige, mijn leven al ben ik een kind van de sneeuw, blij met elke centimeter die er lag op weg naar school, en altijd afgunstig op die Amerikanen en hun blizzards. En hier zijn ze nu, de bergen, de stapels, de kilometers met sneeuw, en de auto is een warm zaklampje in die lange koude Oost-Amerikaanse nacht.
Vier uur hebben we over de honderd mijl naar Portland gedaan, twee uur is het in de morgen, en de moteleigenaar is verrast dat er nog iemand in dit poolhondenweer komt opdagen. Alles kreunt en knerpt onder de sneeuw, de kamers hebben hoge witte drempels voor de deuren, en uit de dakgoten hangen pegels van één meter, ijskoude kromzwaarden scheefgebogen onder de last van de wind. De volgende morgen klaart de lucht wel op, maar de storm is daarom nog niet weggeëbd uit de luchthavens. Er zijn niet alleen honderden vluchten afgelast, er is ook een enorme stapel bagage gestrand: vierduizend koffers in Boston en twaalfduizend koffers in Washington (waaronder de onze!) Het leven in Maine en in heel New England lag twee dagen stil. Scholen waren gesloten, winkels waren dicht, en bedrijven hadden zo’n drie miljoen werknemers thuisgehouden. In de straten van Portland liggen intussen tonnen en tonnen gebulldozerde sneeuw, het wil maar niet smelten of dooien, in Maine is het één van de koudste winters van de voorbije honderd jaar.
Omdat de bagage tegen middernacht in Portland zelf zal arriveren, nemen we een hotel downtown. Het is de Inn at St. John, een prachtig Victoriaans gebouw, in 1897 bij het station ingeplant. Voor 44 dollar hebben we twee kingsize bedden en een ontbijt, koper onder de handdoeken, porselein op de waterkranen, en twee kamerjassen om naar de badkamer te schrijden. Kamer 1C is echter een horige kamer. Met luide buren die om twee uur ‘s nachts dronken toekomen, in de fles hebben ze de bodem van hun leven gevonden (Ik ben een vent van niks! Een niemendal! Een waardeloze klootzak! - Zeg dat niet, Joe! - Ik zeg het wel!) En dan zijn er de krijsende meeuwen die achter onzichtbare vissersboten aanvliegen, de vrachtwagens die in de kamer knarsend tot stilstand komen omdat op straat het licht op rood springt, en dan is het zes uur, en daar klinkt al de eerste wekkerradio bij de buren, Oh, baby, baby, it’s a wild world, - Cat Stevens zegt de jukebox van mijn geheugen, en ik kan niet meer slapen.
De vloek van Stephen King
Onze verlate bagage is gearriveerd, en 's middags draaien we naar het binnenland, naar dorpjes als Greene en Leeds, weggestoken achter wilgen en dicht struikgewas, of Lisbon Falls, een dorp dat niet is kunnen ontsnappen aan de rookbruine muren van een fabriek. In Lisbon Falls en het vlakbij gelegen Durham heeft de schrijver Stephen King een deel van zijn jeugd doorgebracht: “ In het Durham van mijn jeugd gebruikte het leven weinig of geen make-up. Ik ging naar school met kinderen die maandenlang hetzelfde vuil op hun hals hadden, kinderen met zweren en uitslag, kinderen met de akelige gedroogde-appel-gezichten die je krijgt als je brandwonden niet laat behandelen, kinderen die met stenen in hun lunchtrommeltje naar school werden gestuurd en die alleen maar lucht in hun thermosfles hadden. (In “Over leven en schrijven”)
King woont al vele jaren in Maine, veel van zijn boeken en filmlocaties situeren zich hier, en het scheelde niet veel of ook zijn dood vond plaats op een doodgewone weg in Maine. Op 20 juni ’99 maakte King een wandeling in de buurt van zijn zomerhuis en werd hij van achteren aangereden door een lichtblauwe Dodge bestelwagen. King werd zeven meter weggeslingerd, brak een been en een heup, had een geperforeerde long, en was na zijn langdurige revalidatie nog zo razend op zijn aanrijder Bryan Smith, dat hij diens Dodge kocht en met een hamer aan diggelen sloeg. Wat King absoluut niet kon verteren, was dat hijzelf op een rechte weg liep en dat Smith hem dus van verre kon zien. Na de destructie van de Dodge kwam het tot een schoorvoetende verzoening tussen beide, maar daarmee was niet alle onheil afgewend, want geen jaar later stierf Bryan Smith. De stakker werd gevonden met een overdosis pijnstillers naast zich. Smith was amper 43 jaar. Het was, zeggen sommigen hier, de vloek van de horrorschrijver.
© Tim Dirven
Geen twee kilometer voorbij Lisbon Falls moéten we stoppen bij een huis. Het is maart, Pasen hangt in de lucht, maar in de tuin is genoeg kerstverlichting voorhanden om een Grote Markt te versieren. Het is het complete gamma van Jezus, Maria en Jozef, van herten, rendieren, sneeuw- en kerstmannen die allemaal licht geven. Ook dennenbomen, dakgoten, raamlijsten en zelfs de omheining van de paardenwei zitten onder de lampjes, het huis en de heuvel gloeien van de kerst. Tienduizend lampjes branden er en Stan en Sandy Craig hebben zes dagen nodig om ze op te hangen. Dat de lichtjes nog maanden hangen, komt omdat Maine iets heeft met kerst en winter, zeggen ze. Zo zijn er in het plaatsje Bethel duizend sneeuwmannen gerold dit jaar. Voor het Guinness Book of Records. Vorig jaar hadden ze in datzelfde Bethel een recordsneeuwman gebouwd, achtendertig meter hoog. Ze laten de foto’s zien van een sneeuwreus, hij heeft de grootte van een flatgebouw en de drie zwarte knopen op zijn jas zijn rupsbanden van een graafmachine. Met zoveel surrealisme vragen we of ze Stephen King kennen. Gekke vraag. Hun zoon krijgt Engels van de juf “die tegen King ooit gezegd heeft dat het nooit wat zou worden met zijn lugubere steek- en moordverhalen”, en vader Craig heeft nog met King himself op school gezeten. Niet meteen de aangenaamste gast, zegt hij voorzichtig.
Om zeven uur kruipen we onder de dekens, om elf uur staan we weer op voor wat een lange nacht zal worden. Omdat we het kleine Amerika van het platteland willen zien, hebben we van plaatselijk verslaggever Scott Thistle het voorstel gekregen om een nacht mee te rijden met de bezorgers van de Sun Journal :” Ze hebben één ronde in het oosten van Maine waar ze elke nacht een paar honderd mijl moeten rijden om enkele honderden abonnees hun krant te bezorgen. Die chauffeurs komen in godverlaten streken waar meer elanden dan mensen wonen!” Sun-transportmanager Bill Mc Carthy is enthousiast dat we meegaan op de Kingfield-run, “waw guys, you gonna see some moose up there!” En gelijk barsten de verhalen los over alle close encounters die zijn krantenronddragers al met elanden gehad hebben. Want er zijn elanden in Maine, véél elanden in Maine, dertigduizend elanden in Maine! En dat we ervoor moeten zorgen dat we niet tegen een eland botsen, en zeker niet tegen Ouwe Bompa. Ouwe Bompa is een eland die zo stokoud is dat niemand weet hoe oud hij is. De Bompa is makkelijk te herkennen aan zijn bagagerek, zo wordt ons gezegd, een gewei van 1,8 meter doormeter, je kan er een satellietschotel op installeren. In de winter is de kans om een eland te ràken niet gering, “ soms lopen ze de hele tijd voor je uit omdat de weg is ingesloten met sneeuwbanken en ze niet de kracht hebben om over die sneeuwbermen te geraken.” Als we, -je weet maar nooit-, dan toch tegen een eland van 6 à 700 kg zouden botsen, dan is de auto meestal total loss. “Maar het kan ook gebeuren dat de eland dood is!” In dat geval moeten we hem niet zomaar aan de kant van de weg laten, we moeten aan onze diepvriezer denken en… de plaatselijke politie bellen, “the police is so nice up there, and so helpful!” En zij zullen het kadaver dan villen en van zijn ingewanden ontdoen: “ Het slachtvlees krijg je mee, maar het hart en de lever zullen ze zelf willen opeten, ze weten wat lekker is!”
Bill gaat er prat op dat de krant -die zeven dagen op zeven verschijnt- al elke dag tot bij zijn meest afgelegen lezers is geraakt. Twee jaar geleden was er van Maine tot Montréal een gruwelijke ijsstorm die bomen en stroompylonen over de wegen knakte en die honderdduizenden bewoners wekenlang zonder stroom zette, but we went through, we missed not a single day. Zelfs nu er gisteren tot negentig centimeter sneeuw is gevallen, is er geen enkel probleem, je rijdt wat hoger op de weg, dat is alles. Bill is nu wel de transportmanager, maar hij reed vroeger zelf die ronde die tot bij de grens met Canada voert. “Elke morgen hield ik bij een meertje stil. Motor af, de zon kwam op, de ganzen vlogen over, de eland dronk bij de oever, het was het mooiste licht op aarde, en ik was een kwartier lang perfect gelukkig.”
De Sun Journal (met zetel in Lewiston) is één van de zeer vele lokale kranten in de States. De Sun dateert al van 1847, heeft een oplage van 38.000 exemplaren en is al vier generaties in handen van de Ierse emigrantenfamilie Costello. Deze nacht is de Sun vooral in handen van de drukkers aan de persen, de mannen met de vettige petten en inkt op de overalls. Bill stelt ons voor aan de chauffeur van vannacht. Mireille Sutton is 49, heeft krullen onder de baseballpet, een bril met guitige ogen, en ze belooft dat we niet eenzaam gaan zijn, “want ik kan niet zwijgen, ik ga de hele nacht jullie oren van je kop praten!” Haar man Dick komt erbij staan, hij is ook chauffeur voor de Sun en hij heeft een zwak voor het filmen van elanden: “De camera staat bij mij op het dashboard en als ik een beest zie, dan duw ik de knop in. Onlangs heeft een eland twintig minuten voor mijn bestelwagen gelopen, en ik maar filmen! Uren en uren heb ik al op de band staan. Van elanden die uitglijden op het ijs. Van elanden die over een sneeuwberm proberen te krabbelen. Van elanden die staan te geeuwen langs de weg. Da’s grappig!” Dick gaat ons een compilatie van zijn beelden opsturen, The Best and Funniest of Moose Videos.
De bundels met kranten zijn intussen in de bestelwagen geladen, time to hit the road. Mireille houdt van de weg, zegt ze. Ze is twaalf jaar chauffeur van een schoolbus geweest, maar dit is beter. “ Hier ben ik alleen. Hier kan ik luidop zingen, luidop naar country & western luisteren en luidop tegen mezelf babbelen, niemand die er wat van zegt.” Ze houdt er ook van om naar al die afgelegen gehuchten te rijden, “ ik wil daar geràken, ik wil daar de krant gaan brengen, want ik weet hoe belangrijk de krant is voor zo’n lezer.” Ze houdt ook van de nacht: “ Ik heb de weg voor mij alleen, er is niemand op straat, er is geen verkeer, zoals nu, er is alleen maar de sneeuw, en de heldere lucht en de sterren aan de hemel. “
Vannacht zal ze kranten gaan bezorgen in winkels, tankstations, hospitalen, postkantoren, en de gewone mailboxes van particulieren, en na die nacht zal er 250 mijl (= ca. 380 km) op de teller staan, it’s a long run, guys!
De lezers slapen, maar wij zien al het nieuws dat ze straks in de bus zullen vinden, het ligt in stapels aan onze voeten. Moordenaar Van Farmington-tiener Weldra Uit De Cel. De Thunder Bay Breekt Het Ijs Op De Kennebec-rivier en President Bush Krijgt De Belastingverlaging Erdoor In Het Parlement.
1u3O Livermore Falls. Het is hier dat de wereldberoemde Wuifman John woont, ik heb erover gelezen in België, zijn verhaal en zijn foto hebben in alle kranten ter aarde gestaan. Jaar na jaar zat John Wilson (67) hier voor zijn deur en hij wuifde naar elke automobilist die voorbijreed. John zei dat God hem deze wuivende taak had toevertrouwd: “God wou dat ik gelukkig was en dat ik tegelijk ook anderen gelukkig maakte.” De ex-rodeo-cowboy stak per dag zo’n drieduizend keren zijn hand op en was zo’n vertrouwde figuur in het straatbeeld dat automobilisten onwennig werden als ze hem een dag niet zagen. Mireille denkt dat hij voor de winter gestorven is, he’s waving hands somewhere else now.
1u44 North Jay. Mireille weet niet hoe weinig mensen er in North Jay wonen, ‘t is in elk geval een plaats van niks, you blink your eyes and it’s gone. In het tankstation van North Jay moet ze een pakje kranten dumpen, ze draait het raampje open, en baf, het pak tuimelt tussen de pompen. Of de kranten niet nat worden? Daarvoor is het te koud, zegt ze.
1u57 Gould’s Filling Station, East Wilton. Hier wachten Joe en John, twee uitdragers van de Sun, die ieder hun stapel uit de laadbak halen en die de krant nog wat dieper het platteland inbrengen. Tot in Mexico, lacht Mireille. Mexico, Maine, twééhonderd inwoners.
© Tim Dirven
Miss Toyota
2u04 Farmington. Met zijn 4200 inwoners is dit de grootste “stad” op onze ronde. Mireille moet op verschillende plaatsen stoppen, bij de Burger King (whoops! tegen de deur), bij de Wal-Mart (los door een halfopen venster) en in het Franklin Memorial Hospital waar de automaat morgen zes kranten zal verkopen.
2u26 Irving Big Stop, Farmington. Als het nacht is zijn er in Amerika duizenden tankstations open en dit is er één van. De koffie warmgehouden op een ijzeren plaatje, de koelkasten met cola en sixpacks ronkend tegen de muur, een trucker over een broodje cheeseburger gebogen, en een stel jonge gasten nog luidruchtig na het feestje waarvan ze zijn teruggekeerd. Brenda Duquette is pompuitbaatster en serveerster in het cafetaria, maar elke Hollywoodregisseur zal haar casten voor de rol van dikke Duitse kampbewaakster, de karwats pafpaf in de handpalm. Alsof ze mijn gedachten kan lezen, commandeert ze dat het haar laatste dag is in het tankstation, morgen wordt ze probatie-begeleidster in de gevangenis. En oproerkraaiers zijn nu al gewaarschuwd, zegt ze, met mij wordt niet gelachen. Ik zie de eerste opstandige bajesklant reeds geprangd tussen de bankvijs harer borsten, genade! Als ik een echte journalist ben, dan moet ik DIT opschrijven, commandeert ze. Voor me legt ze een kleurencopie van een vrouw in shorts die temidden van een pak omstaanders een Toyota Corolla van de grond heft. De vrouw is Brenda zelf en naast de gezichten van de verblufte omstaanders heeft ze tekstballonnetjes getekend, Wow, man, she did it! Wow, man, allright! Can’t believe it! Nice job! Waarom wou je die Toyota optillen, vraag ik. Omdat één of andere vent zei dat ik het NIET kon! That’s why!!
© Tim Dirven (ingescand uit Humo) Brenda, de meer dan kordate serveerster die ooit een Toyota van de grond tilde.
Tim wordt intussen uitvoerig geinterpelleerd door de jongelui, of hij helemaal uit Europa komt, of hij een echte fotograaf is, of hij beroemd is, of hij iets ziét in blote-tieten-fotografie, of hij misschien de boobies van één van de meiden hier wil fotograferen? En ze wijzen op Mia, negentien, het meisje met het kortste pulletje en met de uitdagende make-up die erbij hoort, valse wimpers, zilveren nagels, ze steekt d’r tong uit naar de anderen. Het heeft iets blij en droevig, die opgewondenheid en tegelijk die bleke schaapachtigheid van jongeren om drie uur in de nacht, de dwaze ogen van de drank, the party finally over. Alle willen ze in de “stad” Farmington, of zeker in Maine blijven wonen. En ze willen lerares en mecanicien en psychologe en computerprogrammeur worden. Alleen Mia wil weg. Maine is klote!, zegt ze. Het is een gat. Het is niks. Je kan hier alleen maar kinderen grootbrengen en kreeften vangen. Maar vandaag is het feest, zegt ze, vandaag is het zuipen. Thursday! Thirst day!
Wat later schuiven ze hun stoelen weg, met hun zessen gaan ze de armen om de hals geslagen naar de auto en ze draaien de raampjes open om te wuiven en hard te gillen in het lege tankstation. Straks komt de morgen dat ze groot zijn, en volwassen, en dat het leven begint, een leven dat nooit meer zal zijn als deze nacht, dat alles leeg is, en alles jong is, en alles nog te beginnen is, en dat Farmington, het kleine Farmington een land was dat beloofde.
Nu begint het, wijst Mireille op de donkere weg. Eens we Farmington voorbij zijn komen we in Moose Country . En ze gaat ook effectief over de middenstreep van het asfalt rijden, als er een beest op de weg stapt, heeft ze vanuit die centerpositie een fractie meer tijd om naar links of rechts te zwenken. Van de andere chauffeurs heeft ze ook geleerd om nooit te claxonneren als een eland de weg verspert, zeker niet als het een mannetjes-eland is en zeker niet als het september is. In dat najaar is het immers paartijd, het burlen is dan begonnen, en een eland die een claxon hoort, ziet daarin een rivaal, “en hij zal op alles afstormen, of het nu een auto, een mobilhome of een vrachtwagen is.” Mireille kent een collega die één mijl in achteruit heeft gereden omdat hij getoeterd had naar een mannetjesdier. Met de grote lichten schijnt ze over de hoge sneeuwbermen, hier en daar zijn wel verswitte hoeven van herten te zien, maar van de beloofde elanden ontbreekt elk spoor.
4u12 Madrid. There are not many people living in Madrid. Hier begint het echte bussen, het afleveren van de krant in de op paaltjes staande brievenbussen. Het is een vast maneuver, Mireille die haar auto schuin tegenop de sneeuwberm rijdt, handrem op, raampje open, en krant in de gele krantenkoker van de Sun Journal. Uitstappen is tijdverlies, en ze is ook bang voor elanden en beren die plots in de weg zullen staan. Zoals bij Mrs Ellswort, die ging het wasgoed van de draad halen, en achter de handdoeken stonden twee elanden, ze zag de koppen niet eens, ze keek tegen de poten en de borst aan, zo groot waren die beesten.
5u25 Stratton. Het is opnieuw beginnen sneeuwen, dunne vlokken die wegwaaien in de koplampen van de auto’s die bij de general store zijn geparkeerd en uit die auto’s komen mannen met geblokte hemden die hun eerste koffie komen drinken. In afgelegen streken als deze zie je méér drukte tussen vier en zes uur ‘s morgens dan tussen acht en tien uur ‘s avonds. Dat komt door het werk. Wie hier werk heeft is of houthakker of vrachtwagenchauffeur, of mecanicien (om de trucks van houthakkers en vrachtwagenchauffeurs te repareren), en omdat het vroege beroepen zijn, is iedereen vroeg op, en is de winkel al van voor vijf uur open. In de “store” is alles te krijgen: video’s, overalls, laarzen, wenskaarten, borduurwerk, shampoo, glaswerk, deurmatten met Welcome erop, enveloppes, dobbelstenen, kodakfilmpjes, brood, suiker en jerrycans.
Mireille zit al een uur achter op haar schema, maar ze doet geen moeite om die tijd in te halen. Liever laat ze Americana zien. Zoals het eethuis Mainely Yours. De zaak is een stapelhuis van Elvis-memorabilia. Foto’s, platenhoezen, ingelijste tickets, een glazen sneeuwbal die je kan schudden zodat het sneeuwt op The King, een telefoon met de tune van Jailhouse Rock, en een pendule waarvan de slinger de twistende heup van de zanger is. Het is mogelijk dat Elvis dood is, maar toch niet hier in Stratton.
© Tim Dirven
Als we het straatdorp uitrijden, begint het licht te worden. Een uur waarop de whitetail-herten gewacht hebben. Met stille tred komen ze uit de omliggende bossen om het graan te eten dat door bewoners in de achtertuin is gestrooid. Het zijn grote merels, op stijve poten staan ze in de sneeuw, de oren schichtig naar de weg gericht, we tellen elf herten in één tuin.
Tussen zes en negen moet Mireille alleen nog mailboxen bevoorraden. Sommige huizen hebben zo’n dik ingesneeuwde oprit dat de brievenbus nog begraven is in de sneeuw. Die abonnees krijgen een krant in een plastic overtrek en die hoes zwiert ze vanuit het autoraampje in de richting van de voordeur. Mireille spreekt met liefde over de abonnees die hier wonen, “als het slecht weer is, zoals die sneeuwstorm deze week, dan staan ze achter het raam te wuiven dat er koffie voor me staat. Maar soms ligt de sneeuw zo dik dat ik niet bij hun deur geraak. Dan nog zullen ze opstaan en op me wachten, en als ze me bij de oprit zien, dan steken ze even het keukenlampje aan, blij dat ze zijn dat ik er weer geraakt ben.“
Van Kingfield moet Mireille nu nog het hele stuk terug naar Lewiston, en het is middag als de 380 kilometers voorbij zijn, we zijn omzeggens door heel België gereden om een busje kranten te bezorgen. Op de redactie van de Sun Journal kunnen ze het niet geloven, geen énkele eland gezien?, van de hele nacht niet?, unbelievable! Iedereen is ontgoocheld, en het zal hier nog làng blijven rondgaan, dat ongelooflijke nieuws dat de Belgian guys niet één moose hebben gezien, nog straffer dan Dick die er op één nacht vijftien heeft gezien.
Als we ‘s avonds in het motel door de zesendertig tv-kanalen zappen, blijven we haken bij The Weather Channel. Volgens de weerman is een nieuwe sneeuwstorm in de maak. Het zal van vannacht tot morgenmiddag sneeuwen, zo’n achttien tot dertig centimeter is op komst, en men verwacht ook windstoten van 60g kilometer en meer. Dat belooft.
deel 2: de vliegende boswachter, het licht van Hopper en de zwarte sneeuw van Washington County
deel 3: de gewapende boerenmilitie, "wij zijn de Zapatistas!"