Antwerpse skiër overleeft sneeuwgraf in lawine
De voorbije dagen zijn in de Franse en Italiaanse Alpen meerdere skiërs omgekomen door lawines. Het lawinegevaar is erg hoog door de vele sneeuw die op korte tijd is gevallen. In mijn boek "Kind zonder winter" lees je het verhaal van Eric, een Antwerpse skiër die in een Franse skiregio door een lawine werd meegesleurd. Iets minder dan een half uur was hij bedolven, een bijna-doodervaring.
Hieronder het interview van toen en zijn volledige relaas.
© Jan Hertoghs ( Humo / reeks "Natuurrampen"- mei 1989)
“Ik kon niks bewegen, nog geen hand. Die sneeuw, dat was beton.”
Een berg in de winter blijft onberekenbaar. Hij schudt lawines van zijn lijf zoals een hond het water van zijn vacht. Sneeuw op een berg is geruststellend op een prentkaart. Tot die sneeuw aanzwelt en dreigt te kapseizen. Plots barst een bliksem los, een donderwolk gaat schuiven en in haar grimmig spoor neemt ze tienduizenden tonnen sneeuw mee.
Eric K. uit Kapellen is een skifanaat. Hij kent de gevaren van het hooggebergte: meer dan eens raakte hij ingesneeuwd.
"Val Thorens. Bakken sneeuw! Hotel dichtgemetseld! Je moest via een venster op het eerste naar buiten en dan kon je over de bedolven auto's lopen.
Passo Campolongo. Meters sneeuw. Je kon niet uit het hotel. Overal keek je op muren sneeuw.
Brunico. Onze Dolomieten-Express stopt voor een rood signaal. Na drie kwartier volgt het bericht voor de reizigers dat de trein zijn reis niet kan verderzetten, er ligt een lawine op het spoor, gelieve hier uit te stappen...Dat moet je gezien hebben: 1200 toeristen die als gekken hun kleren en koffers bijeen scharrelen, die zich door de deuren op het perron wurmen, en vanuit dat stationnetje dat bergdorp bestormen op zoek naar onderdak voor de nacht. Voor grof bibbergeld zijn ook taxichauffeurs overgehaald om 's nachts over een bergpas te rijden die door lawines werd bedreigd."
Ik vraag hem wanneer hij is beginnen skiën. "Op mijn 27ste. Met ons vriendengroepje van die jaren grijpen we elk weekend en elke wintervakantie aan om te skiën. Met z'n vijven de auto in, ski's op het dak, 's nachts rijden, 's morgens omkleden naast de auto, en de bergen in, van die zotte kuren. Hard skiën én hard drinken.’
Dan komt Tignes, winter 1977. Die dag zijn ze met hun vaste berggids Jean-Claude op pad. Met hem willen ze buiten de pistes gaan, in de luwte, weg van de drukte. "Dat buiten de piste skiën is niet het gevaar opzoeken, integendeel. Veel mensen denken: buiten de pste, dat zijn de spookrijders, de waaghalzen, de zotten. Maar buiten de pistes skiën is rustig en gedsiciplineerd skiën . Je moet technisch onderlegd zijn, je moet kunnen draaien in elk soort sneeuw. En je gaat daar om op plaatsen te komen waar nooit een sterveling komt, wij gingen waar de gemzen zaten. Die ongerepte sneeuw, die machtige bergen en jij als mensje in die stilte en dat licht knerpen van de latten, fascinerend, onbeschrijfelijk!"
Op een nog maagdelijke hang tussen twee heuvelruggen houden ze halt. De regel is: één rij vormen, geen skiër neemt plaats boven een andere. Zo vermijd je dat onder die 'bovenstaander' een lawine losscheurt die de anderen meesleurt. En dat is wat er gebeurt. T. staat wat hoger, hij valt en zo komt een coulée de neige los.
"Ik zag niets, ik hoorde alleen roepen 'pas op'! Vanop afstand moet dat geweest zijn alsof een grote slagroomtaart in tweeën brak en één stuk onderuit schoof. Ik heb niks gezien."
Eric zit er middenin. Nù zwembewegingen maken, nù met armen en benen slaan en zo aan de oppervlakte blijven, dàt herinnert hij zich van een onderricht. Zijn kameraden kunnen hem volgen, het donkere stipje van zijn hoofd blijft op die witte golf dobberen, hij gaat pas kopje-onder na een paar honderd meter, en dan komt ook de lawine tot stilstand... op 10 meter boven het meer van Tignes.('Tien meter en ik was verdronken! In de bergen!')
Hij is niet verdronken, hij is begraven in de sneeuw. Eric ligt op zijn buik en met zijn vuisten voor de mond, dat geeft hem enige ademruimte, maar geen bewegingsruimte: ‘Geen voet, geen been, geen hand, geen arm kon ik nog bewegen. Mijn gezicht zat ingekapseld. Die sneeuw, dat was beton. En alles was afgesloten en donker, zo donker!’
Hij weet dat hij moet spuwen of plassen. De zwaartekracht zegt dan waar onder en boven is, zo weet je de uitweg waarheen je je moet bewegen. Maar hij kan niet spuwen en niet plassen, angst en paniek verlammen hem. ‘Ik wil hieruit, ik wil hieruit, was het enige dat ik kon denken.’ Langzaam krijgt hij zich weer onder controle, hij heeft speleologie gedaan, hij weet dat je opzwelt en minder ruimte krijgt als je in paniek raakt, die gedachte kan hem kalmeren.
'Ik herwon wel mijn zelfbeheersing, maar daarom kan je nog niet bewegen of beter ademen, laat staan uit die sneeuw geraken.En vreemd waaraan je dan allemaal denkt. Ik was heel bezorgd om mijn ouders: wat zouden ze wel denken! dat kon ik hen toch niet aandoen! Ik was ook bekommerd om mijn kameraden: hoeveel staken er nog in de sneeuw, links en rechts van mij? Dat kon toch niet gebeuren, dat kon toch niet waar zijn?!"
"Ik kon echt niet aanvaarden dat ik daar in dat gat aan mijn einde zou komen. Ik heb ook gebeden, gebéden! En dat hielp, dat kalmeerde me. Toen begon de film van mijn leven te draaien. Ik weet dat het een cliché is, maar het wàs zo. Ik ben misschien 15 minuten onder die sneeuwmassa bij bewustzijn gebleven, maar ik zag àlles terug. Dat begon als kleine jongen thuis en op de schoolbanken, mijn hele studententijd, een oud-lief, vakanties, boeken ooit gelezen, dat waren beelden zoals in een film, héél scherpe beelden, en helemaal niet angstaanjagend. Ik sliep rustig in, ik was op dat moment ook heel zeker dat ze me zouden redden. Is het dat wat ze bedoelen met een "zoete dood"?
Zijn kameraden staan intussen op de plek waar ze hem laatst gezien hebben, daar beginnen ze met hun skistokken te sonderen. Hun berggids suist naar het dorp, een kwartier later is hij terug met een reddingsteam en honden. Dat is zijn geluk, dat het dorp zo dichtbij is. Zijn vrienden halen hem 'voor dood' naar boven, hij is 20 à 25 minuten begraven geweest. Meteen beginnen ze met hartmassage en kunstmatige ademhaling, ‘maar eigenlijk hadden ze mij opgegeven.’ Het is door aandringen van een passerende arts dat ze blijven reanimeren.
Eric voelt plots een duw op zijn hartstreek, "en dat deed PIJN. Ik opende mijn ogen en toen kwam dat fantastische moment: ik lag op mijn rug en ik zag al mijn vrienden om mij heen gebogen, ze huilden en ze lachten van pure vreugde dat ik er nog was.’ Jean-Claude valt rond zijn hals, één en al ontroering.
Ze draaien hem in een deken, binden hem op een sleeberrie en voeren hem naar een ambulance. In het hospitaal is de euforie weg, de shock heeft hem te pakken: ‘Ik lag te daveren in dat bed, die sponden rammelden en kletterden, mijn hart bonsde al even hard.’
Rik, hun groepsdokter blijft bij hem, en na vijf uur observatie mag hij terug naar het hotel. Daar is het de sfeer van de grote dagen, uitbundigheid alom. Hij daarentegen zit in de put: "Ik zat daar maar te huilen en snikken zonder ophouden. Iedereen klopte op mijn schouder, ik kon mijn tranen niet tegenhouden. Ik zat nog altijd onder de sneeuw, die gedachte liet mij niet los. Ik kreeg natuurlijk een slaapmiddel, maar ik deed die nacht geen oog dicht, ik lag niet in mijn bed, ik lag in dat sneeuwgraf.’
De volgende dag gaat hij niet skiën, hij moét naar die plek terug. De aanblik van de kuil overweldigt hem, ‘dat was geen kuil, dat was geen put, dat was echt een graf. En ik weet niet wat mij bezielde, maar ik kon daar niet wegblijven. Dat was een kruisweg, een lijdensweg die ik keer op keer moest gaan. En bij die kuil maar kijken en blijven kijken, en niet kunnen geloven: hoe ben ik daar in godsnaam uitgeraakt?!‘
Na twee dagen gaat hij toch weer skiën, op de eerste flauwe helling trilt hij al over heel zijn lijf. Hij zet door, hij vreest dat hij anders nooit meer zal durven skiën. Weer een dag later volgt een rustige tocht, maar onderweg komen ze toch weer voor een gevaarlijke hang te staan, "en opeens zag ik die dikke verse sneeuw onder mij, met allemaal kleine scheurthjes erin, en ik stond aan de grond genageld, ik durfde niet verder, ik was een standbeeld, een zoutpilaar."
Het duurde nog maanden om een en ander te verwerken en na het ongeval kan "het" hem onverhoeds overvallen. Hij zit te eten en ineens begint hij onbedwingbaar te huilen. Overal kan zo'n flashback hem overweldigen, in bed of op het werk, steeds is er dat ene beeld: hij ligt onder die sneeuw en hij is vreselijk ongerust over zijn ouders, ‘wat zullen pa en ma denken als ik hier niet uit geraak?’
Dat heeft hem een jaar achtervolgd, nu kan hij uitleggen wat het was. ‘Er leefden twee Ericcen in mij. De ene Eric leefde nog en was heel blij dat het zo goed was afgelopen, de andere Eric leek dat niet te willen aanvaarden, die was zo dicht bij de dood geweest dat hij niet kon of wilde geloven dat hij gered was. Die tweede Eric zat vol angst dat het fataal had kunnen aflopen. Dat leken twee hersenhelften die er elk anders over dachten, en het heeft lang geduurd voor die tweespalt gedicht was. Ik leefde nog, en ik moest geen angst hebben voor die dood die er niet was geweest.’
De morgen na het interview schrik ik. Eric belt op. Hij heeft een heel slechte nacht gehad, ‘meer dan tien jaar liet het mij gerust, door erover te spreken was alles ineens weer terug’.
Het kan je blijven achtervolgen. De ene seconde sta je nog gaaf op de wereld, de volgende seconde slaat een kracht alles weg onder je voeten. De sneeuw die je liefhad, heeft je dood willen maken.
Twaalf dagen in een sneeuwgraf
Het overgrote deel van de lawineslachtoffers zijn skiërs. Tweederde van hen sterft door verstikking. De longen geraken gevuld met sneeuw, de borstkas wordt zo diep ingedrukt dat ademhalen onmogelijk wordt. Anderen worden dodelijk geraakt door stenen, bomen of ijsblokken die in de lawine rondzwerven. Wie niet op slag dood is, loopt een grote kans op gevaarlijke breuken. Bij skiërs werken stokken en latten in de kolkende sneeuw als "kurkentrekkers" op armen en benen. Wie niet stikt, sterft door de kou. Bij 28 graden dreigt er levensgevaar. Statistisch gezien nemen de overlevingskansen van iemand die 1 à 2 meter onder de sneeuw ligt, zeer snel af. Na een half uur heeft men nog 50% kans, na een uur 38 procent, na drie uur 8 procent en na 4 uur is de kans nihil. De ingeroepen hulp van gespecialiseerde redders komt in het merendeel van de gevallen te laat.
Toch zijn er enkele gevallen beschreven van mensen die het dagen uithielden in een sneeuwgraf. Gerhard Freisegger, een 26-jarige bergerbeider uit het Oostenrijkse Heiligenblut hield het twààlf dagen uit. Hij wasgeen skiër, hij werd op 21 januari 1952 bedolven in zijn houten woonhut nabij een in aanbouw zijnde stuwdam. Toen Freisegger bruusk uit zijn slaap werd gerukt, zat hij tot aan zijn borstkas in de sneeuw gemetseld. Hij kon nog alleen zijn hoofd en zijn rechterhand bewegen, een balk die boven zijn hoofd was blijven steken, zorgde voor net genoeg ademruimte. Hij hoorde zijn inwonende werkmakker om hulp roepen, na enkele uren verflauwde de stem en bleef er alleen stilte en duisternis. Toen de redders kwamen, hoorde hij hun stemmen, hun zware voetstappen, het schoppen en boren in de sneeuw, uren ging dat heen en weer, maar op zijn roepen kwam geen antwoord. De tweede dag stootte de reddingsploeg met een sondeerstang op de balk naast hem, maar Freisegger vonden ze niet. De derde dag hoorde hij hen zeggen "dat er zonder lijk geen begrafenis kon zijn". Een ander zou gek van vertwijfeling worden, Freisegger wanhoopte niet. De vierde dag kon hij een tweede arm bevrijden, maar redders waren nergens meer te horen. Freisegger moest met al zijn krachten vechten tegen de slaap; hij wilde niet indommelen uit angst voor bevriezing: "Ik zong alle liedjes die ik kende, ik praatte uren tegen mezelf."
Daarna hoorde Freisegger bijna een volle week niemand meer; zijn werkmakkers gingen verder met de arbeid, 's morgens haalden ze hun materiaal, 's avonds borgen ze het weer op. Op de achtste dag begon hij een uitweg te graven. Met een grote houtsplinter, zijn nagels waren immers afgesleten. Op de tiende dag zag hij een flauw lichtpunt, na uren graven met de splinter voelde hij ook frisse lucht. Op de twaalfde dag en na 48 uur niemand gehoord te hebben, klonken er plots stemmen. Hij stak zijn hand door het kleine luchtgat en riep, zijn gruwelijke nachtmerrie was voorbij. Freisegger zelf dacht dat hij twéé maanden had opgesloten gezeten. In het ziekenhuis moesten vanwege de bevriezingsverschijnselen twee benen tot onder de knie geamputeerd worden. Freisegger kon nog deels zijn werk hervatten, een psychiater zei dat hij "geen geestelijke letsels had opgelopen". Freisegger stelde dat hij zijn redding dankte aan één beeld dat hij altijd voor ogen had gehouden: de blijdschap op het gezicht van zijn naastbestaanden als bleek dat hij nog leefde.
Lawines en de klimaatopwarming
Het skiseizoen in de Alpen is nu 2 maanden korter dan in de jaren zeventig. Maar minder sneeuw door de opwarming betekent niet automatisch minder lawines.
De prognose (2023) van het Zwitserse instituut voor lawine-onderzoek is dat de lagere berggebieden meer regen en minder lawines krijgen. De hogere gebieden zouden minder strenge en minder stabiele koudeperiodes kennen, maar zij zouden meer sneeuw krijgen, en dan vooral 'korte periodes van hevige sneeuwval'. Die wolkbreuken van sneeuw leggen dikke lagen van natte onstabiele sneeuw boven op mekaar, en vormen een groot risico op lawines. Bij die ophoping van zware doorweekte sneeuwmassa's en dreiging van zware lawines bestaat de enige maatregel erin dat hele skigebieden tijdelijk dicht gaan. Zoals deze week gebeurd is op vele plaatsen in de Haute Savoie.