In het oog van de sneeuwstorm (Maine, usa) - (2) Het licht van Hopper en de zwarte sneeuw van Washington County.
© Tim Dirven
It’s still a blizzard out there, zegt de man van de hotellobby, en dat is niks teveel gezegd. De weg en de lucht zijn grijs van de vlokken, al rijdend tuimelen brokken sneeuw van de motorkap op de voorruit, en de wind zwiept zo hard dat de ruitenwissers geen grip meer hebben, we zien de weg nog amper, en dus moeten we wel stoppen bij het cafetaria en bij de heen en weer zwaaiende verkeerslichten. Tussen de donuts en de koffie meldt het lokale tv-station dat verschillende daken bezweken zijn onder het gewicht van de sneeuw en dat in Kingfield een vrachtwagen in een ravijn is gestort en in een dennenboom is blijven hangen.
We zijn in de staat Maine, anno de barre winter 2001.
(Humo maart 2001 © Jan Hertoghs)
Pas tegen de middag wil die tweede sneeuwstorm in drie dagen wat gaan liggen, en in de straten en tuinen rond Lewiston komt een brigade sneeuwruimers op gang. Alle mannelijke bewoners boven de twintig duwen een motorveger voor zich uit, het lijkt op gazon rijden in de zomer, met hetzelfde fanatisme wordt de sneeuw te lijf gegaan. In alle winkels hangen ook de telefoonnummers van freelance ruimers: u belt, wij vegen! Het zijn mannen met een eigen snow plow die tegen uurtarief de baantjes komen vrijmaken van wie niet uit zijn huis kan, no business like snowbusiness. Op het platteland zie je nog méér sneeuwploegen, daar heeft zeker de helft van de bewoners zijn eigen ruimer: meestal een ouwe pick up waarop een hydraulische sneeuwschop is gemonteerd. Een mens wordt niet graag van de buitenwereld afgesloten.
De vliegende boswachter
De volgende dag is de storm uit de lucht geruimd, en hebben we een afspraak op het vliegveld van Waterfield. Charlie Later neemt zijn zonnebril af en steekt zijn hand uit, nice to meet you. Hij heeft het voorkomen van een astronaut uit de jaren zestig, zo gesneden zit hij in zijn uniform, zo kort zijn de haren geschoren en zo lichtblauw zijn de ogen in zijn bleke gezicht. Charlie is één van hun drie vliegende boswachters van het Maine Department of Inland Fisheries and Wildlife.
We stappen in de roodwitte Cessna-185, gespen de gordel om, en een minuut later klimmen we de lucht in, zonder toestemming van een controletoren, er is zo weinig luchtverkeer dat de piloten hier op het zicht mogen opstijgen en landen. We vliegen op 250 meter, de meren bevroren onder de sneeuw, de boerderijen klein en donker tussen de uitgestrekte witte velden.
In de zomer vliegt Charlie alle soorten van patrouilles (vis uitzetten, wildstand observeren, verdwaalden opsporen) maar in de winter moet hij vooral controleren dat er niet gestroopt wordt. Vanop de grond zijn de natuurgebieden van Maine onmogelijk te controleren, ze zijn té uitgestrekt. Maine heeft een oppervlakte van 53.000 vierkante kilometer (=driemaal de omvang van België) en 89 % van die oppervlakte is bedekt met naaldbossen en loofwouden. Er zijn ook tweeduizend eilanden voor de kust en op het vasteland kabbelen 51.000 kilometer rivieren en riviertjes. Een grote lap natuur waarvan Charlie vandaag een zakdoek zal controleren.
Charlie stuurt zijn Cessna lager en vliegt met een wijde bocht op een bevroren meer aan, de ski’s onder het toestel raken de sneeuwlaag, eerst glijden ze nog, dan ploegen ze er zo diep in dat we stilstaan. De motor slaat af, het meer wordt nog stiller dan het al was. Er is buiten niet het minste geluid, er is alleen maar wit zover we kunnen zien.
We zetten tien stappen in de kilometers ongerepte sneeuw en kunnen ons voorstellen dat mensen naar hier komen om ver weg te zijn van de consumptiemaatschappij en om te leven in eenheid-met-de-natuur. Die mensen zijn er, zegt Charlie. Tot de jaren zestig had je hier nogal wat verstokte kluizenaars. Oudere kerels die je zelden of nooit in het dorp zag en die koppig leefden van de herten die ze schoten en van de bevers die ze uit hun vallen haalden. Maar toen de markt van de vellen en de pelzen in elkaar stortte, was het voor hen gedaan. En dan zijn de sixties en de hippies gekomen, en ook de laatste jaren is er weer een revival van het terug-naar-de-natuur. Maar allemaal knappen ze af op de winter, allemaal krijgen ze het zo verdomde koud en nat in het bos dat ze dat eenzame bestaan opgeven. Het zijn romantics, schampert Charlie, ze denken dat de natuur hun vriend is, maar dat is een dwaas idee, iets dat je in je kop steekt in de zomer, maar iets waarvan je kapotte tenen en vingers krijgt als het een hele maand min dertig is.
© Tim Dirven Charlie: “De hippies en de romantics houden het hier niet uit in de winter.”
En dat Charlie altijd geweten heeft dat hij wilde vliegen. “Ik heb van kleinsaf piloot willen worden. Het zit in mijn bloed. Mijn vader was de éérste boswachter in Maine die met een vliegtuig mocht patrouilleren en hij nam ons al heel vroeg mee." "Als ik drie dagen aan de grond ben, weet ik met mezelf geen blijf. Ik moet de lucht in. Op de grond is het alsof de mensen vast zitten aan hun zorgen en hun problemen, ze zijn zo gefixeerd. In de lucht is het alsof je van alles loskomt, er is meer ruimte, het leven ziet er heel anders uit from up there. “
We kijken nog een keer om, het meer blijft achter zoals we gekomen zijn, niets beweegt en niets verroert, en dan hobbelen de ski’s sneller en sneller door de meter sneeuw tot de pulver ze loslaat. We waren op dertig kilometer van de Canadese grens maar nu buigt Charlie af naar het oosten, naar Embden Pond, om ijsvissers op hun vergunning te controleren.
Jagen en vlees hebben, vissen en vis hebben, het betekent hier nog veel, het hoort bij de way of life. In Maine wonen 1,2 miljoen mensen en tweehonderdduizend onder hen hebben een jachtvergunning om één en ander neer te leggen uit de populatie van dertigduizend elanden, drieëntwintigduizend beren en meer dan driehonderdduizend herten.
Met al die jagers is het geen wonder dat Charlie al eens verdwaalde jagers moet traceren. Meestal komt die oproep tegen de avond, “ze zijn de hele dag op pad geweest, en op de afgesproken plaats komt één man niet opdagen”. Charlie kan ‘s nachts met het vliegtuig op zoek gaan, zijn vlieghelm heeft night vision, maar dat nachtvliegen doet hij alleen als de verdwaalde mens lucifers of een zaklamp bij zich heeft. Het minste lichtpuntje ziet hij vanop vijf kilometer, een aangestoken vuur is twaalf tot vijftien kilometer te zien. Zijn ‘night vision’ helpt hem ook bij het traceren van stropers, “die doven hun koplampen natuurlijk, maar als ze hun koffer of deuren openen, zal ik dat prutslichtje toch vanop duizend meter hoogte zien”.
Ook kinderen verdwalen in de diepe bossen, Charlie heeft al naar twee-driejarigen moeten zoeken die vijf minuten weg waren van de hand van hun ouders en die toch door het woud leken opgeslokt, “ meestal vinden we die kids binnen de twaalf uur, de ouders en grootouders zijn intussen zowat gek van de angst, maar zo’n kleuter is dat niet, die is vaak alleen maar moe van het lange opblijven, die is zich niet bewust van waar het overal had kunnen intuimelen.”
We stijgen opnieuw op, de vissers worden klein, krasselende kevers op het ijs, en dan vliegen we weer naar de basis. Charlie wijst de rivier die niet bevroren is, het water een zwarte stroom tussen de oevers van sneeuw. Daar zitten visarenden en bald eagles, zegt hij, en dat er niks mooier is dan zo’n adelaar die drijvend op de thermiek naast je toestel komt vliegen, wingtip to wingtip, a brotherhood in the air.
We nemen afscheid en rijden die dag nog een heel stuk door de besneeuwde Appalachen. Er zijn wegwijzers naar Manchester, Athens, Rome, Belgrade, Vienna en China, voorwaar, de wereld is klein in de Verenigde Staten van Amerika.
In Pitsfield valt de avond, de zon schuift met lange schaduwen over de sporen en het oude seinhuis. Het is licht dat door Edward Hopper zelf is geschilderd. Goud valt op de trappen en veranda’s van de houten huizen, en een meisje steekt de sporen over, en lacht naar ons, als om te zeggen, vraag me iets, zeg me iets, zeg dan toch iets, en het is het mooiste meisje van Pitsfield waartegen we niets kunnen uitbrengen. Oh Pitsfield, het licht van Pitsfield, waar het nu donker is en waar het meisje woont dat we nooit meer zullen zien.
© Tim Dirven
In Gardiner staan er vijftig auto’s en pick ups bij de kade geparkeerd. Allemaal spieringvissers die op het ijs van de Kennebec-rivier hun barakjes hebben gebouwd. Het zijn tot vijftig hutjes naast elkaar, met een potkacheltje en een paar klapstoelen erin. DE hengellijnen verdwijnen via een groot gat in het ijs, en zo hengelen de vissers grote emmers spiering uit de Kennebec, er staan in elk geval grote emmers klààr. Fish at own risk staat er, en dat is geen lichte waarschuwing. Hier doen verhalen de ronde van hutjes die met het kachelvuur in de fik zijn geschoten, en van zatte vissers die in een ijsgat zijn getuimeld, onder het ijs door de stroming zijn meegesleurd, en tot hun geluk tien hutjes verder door andere vissers zijn “opgehaald”. De straat bewéégt ook. Om de zes uur is er vloed of eb op de rivier, en dan rijst of daalt de ijsvloer mét de huisjes erop, telkens zo’n tweeënhalve meter omhoog of omlaag. Jimmy is geen centimeter ongerust, die getijden zijn van alle tijden, en zijn voorvaderen zijn nooit door het water verzwolgen.
We moeten een kop koffie komen drinken in de snack shack. Een oergezellig hok met een vloer die nat is van de laarzen, uien en vlees sissen in de pan, condens druipt van de ramen, bezoekers leunen tegen elke kast en tafel die er staat, en dat we zeker ook de foto’s moeten bekijken van de jonge Nicolas die op zijn twaalfde een eland van 405 kg heeft geschoten. Veel moeite heeft ie niet gedaan om het dier te bejagen, het liep gewoon over de weg in het bos, en pàng, we hadden ‘m! De weg naar stoofvlees kan kort zijn.
© Tim Dirven De barakjes van de spieringvissers op de Kennebec-rivier.
We rijden op Route One, de highway die als een ruggengraat langs de oostkust loopt, helemaal vanuit Key West in Florida naar Fort Kent bij de grens met Canada, veertien staten doorkruist de Route, en zijn asfalt is 3800 kilometer lang. In Maine is Route One een echte kustweg, links ligt de sneeuw, rechts de Atlantische Oceaan. We zijn op weg naar Washington County, the Sunrise Coast, in dat hoge oosten van Maine zien ze het eerste zonlicht van de VS. Maar er is geen zon, er is alleen maar sneeuw die overgaat in regen, een grijze oceaan onder de wolken, een stroom van water over de weg, de ruitenwissers verzuipen erin. Vorst en sneeuwruimers hebben het wegdek ook aangevreten, grind spat uit de putten in het asfalt en alles is ruw en zonder erbarmen, een trucker staat bij zijn defecte truck, een jekker boven het hoofd gehouden, een donkere gedachte bij de kant van de weg.
Maine is één van de armere staten van de VS, en binnen Maine is Washington County de meest achtergebleven provincie met het laagste inkomen en de hoogste werkloosheid. Elke industrie die er vroeger was, verschaft nu geen werk meer. De kleine papier- en textielfabriekjes in de one factory towns hebben de deuren gesloten en ook de grotere bosbouw, scheepsbouw, en landbouw is al lang op zijn retour omdat er elders in de VS en in de wereld goedkopere arbeidsvoorwaarden zijn. Omdat die traditionele industrieën weinig hooggeschoolde werkkrachten vroegen, wonen er veel laaggeschoolde werklozen in Washington County. 21% van de gezinnen leven onder de armoedegrens.
© Tim Dirven
Cherryfield heeft zijn oude glorie nog enigszins weten te bewaren. Op de oevers van de rivier staan nog de imposante residenties van de houtbaronnen uit de 19de eeuw. Die gouden eeuw is uitgebloeid na de eerste wereldoorlog, en nu is er in Cherryfield alleen nog plaats voor de grootschalige winning van bosbessen, in de zomer zien de velden eruit als “blauwe oceanen”, het is een beperkte industrie die alleen maar seizoenarbeid verschaft. Onze dochter doet het ook, zeggen Rick en Arlene Santerre. Zij meldt zich elk jaar en dan loopt ze wekenlang kromgebogen om de bessen van de rijpe struiken te rakelen. De rest van het jaar volgt ze cursussen om werk te vinden, of knutselt ze souvenirs voor de toeristen.
Rick is de garagist van Cherryfield. Hij heeft er de vuile handen en de rouwnagels voor, en een erf vol schroot. Rick ligt overhoop met zijn overbuur, een rentenier uit Maryland. Die heeft het huis aan de overkant gekocht en er een Bed & Breakfast van gemaakt, “Hij woont hier nog maar een paar jaar, en dan nog niet eens in de winter, maar hij denkt wel dat hij àlles te zeggen heeft omdat hij geld heeft. Hij zegt dat het niet kan, een garage in een woonkern. Waar hij woont, zegt hij, zou het gemeentebestuur zo’n garage allang naar de rand van het dorp hebben gedwongen. Dan ga jij maar terug vanwaar je gekomen bent, heb ik gezegd, en dat dikke nekken verboden zijn in deze bebouwde kom!”
Arlene vindt het spijtig. Mensen zouden mekaar graag moeten zien, en zijzelf is trots, hun huis is ook waardevol, hun huis is tweehonderd jaar oud. En ze laat alle kamers zien, het is doodbrave armemensen-antiek, de duurste spullen zijn twee deftige kachels met krullen aan de poten, maar ze houden van dat huis, het is hùn plek, hùn eigendom.
Zoon Sean laat foto’s zien. Hij heeft een Chevy Monstertrack, zo’n beest op hoge wielen, hij rijdt ermee in de stoet van de fourth of July, en kijk, hier rij ik bovenop een autowrak, je rijdt erop langs de motorkap, en als je op het dak staat, dan kraakt dat wrak door zijn assen. Just playing, zegt hij, en dat die snob van hierover er ook al niet tegen kan, die wil dat het hier ‘s zondags stil is, die belt de politie, terwijl niemand van de buren of van het dorp zich stoort aan mij, die komen zién als ik aan het karren ben. Rick windt zich op: “Laatst kloeg die vent wéér, hij zat in zijn schommelbank in de tuin, en hij zei dat hij niet kon mediteren, de rommel van onze garage stoorde hem. ”
Ik hoor het overal, in Europa, Amerika, steeds diezelfde conflicten tussen het dorp en de nieuwe inwijkelingen uit de stadsgebieden. Rick denkt dat de negentiende eeuw terug is, “het is weer arm tegen rijk. Zij hebben het geld, en wij hebben het niet, en dus denken zij dat ze ons kunnen commanderen!” Het is stil in huis, de koffie is gedronken, de klok tikt naast de kast met de geweren en de vlag van hun land. Of Arlene wil plaatsnemen op de knie van Rick, vraagt Tim, het is voor een foto. Dat is lang geleden, lacht ze, en dan pakken ze mekaar stevig vast, werkmanshandenromantiek, aandoenlijk om zien. We live in the hardest part of the country, glimlacht Rick, but we survive!
© Tim Dirven Rick en Arlene.
Jonesport is een fishing community. In alle tuinen staan de boten van de vissers, ze worden in de winter op het droge getrokken, tussen balken gestut, en soms in een plastic hoes gestopt. Het is vreemd als Christo, die ingepakte boten tussen de stapels sneeuw en de hoge sparren achter het huis. De landschappen bij de oceaan zijn overweldigend, er komen zonnestralen en meeuwen uit, en de sneeuw in de baaien maakt het water nog blauwer, maar nu het winter is, vaart niemand uit, het zeewater slaat hard op de keien.
Ook in Jonesport zijn er de conflicten met de import van rijkelui. Eén familie had een dure advokaat en een proces ingespannen omdat hun uitzicht op de baai werd ontsierd door de aluminium-trailer van een dorpsbewoner. En dat de gemeente die man moest verplichten om een houten bungalow te bouwen in plaats van die lelijke ijzerbak. Dat de grond al tweehonderd jaar aan die ene familie toebehoorde en dat de man alleen maar die trailer bezat, was hùn zorg niet. Dezelfde familie had zich eerder al onmogelijk gemaakt door te eisen dat de vissers in de zomer niet meer bij zonsopgang zouden mogen uitvaren maar pas nà zeven uur ‘s morgens, de rust van de familie werd teveel verstoord door het motorengeronk. Sommige lui verdienen geld, maar ook een lap om de oren.
Lubec ligt op het alleroostelijkste puntje van de Verenigde Staten. Nergens staan ook zo’n lege huizen als hier. Met de bewoners is de verf van de gevel verdwenen, binnen valt gruis uit de vensterkozijnen, het ruikt naar vocht en muizen die nesten maken in een matras, ook wasberen en stekelvarkens hebben al geknaagd aan kasten en tafels, ze komen en gaan door een gat in de vloer. Vroeger was Lubec welvarend. Het had haringvissers en er waren de fabriekjes om sardines in te blikken. Ieders job mocht slecht gaan, er was nog altijd de sardinefabriek. Tot de opkomst van de factory ships, die vangen de sardines en verpakken ze diepvries aan boord. Op slag had Lubec afgedaan.
Lubec is er nu nog voor overlevers als Harvard Shaw. Harvard woont in een afgedankte boot die op het land staat (“ik ben één van de beste stuurlui aan de wal!”) en naast die boot heeft hij een Easyrider neergepoot, een complete chopper met lange vork én gescheurde Amerikaanse vlag. Het is geen motor, het is een assemblage uit afgedankt landbouwalaam, zeisen, stangen, en spaken die aan alle kanten roesten. Harvard is een Vietnam-veteraan uit Massachusetts, na zijn tour of duty is hij een jaar gaan zeilen, en nadien naar Lubec gereisd om er een opleiding te volgen in de scheepsbouwschool. Die school is intussen weg, maar Harvard is gebleven. Omdat Canada dichtbij is, en de supermarkten daar goedkoop zijn. Zijn maat Mike (ook een Vietnam-veteraan) komt op bezoek (“waw, man, drie bezoekers op één dag, is het Kerstmis of zo?!”)
© Tim Dirven Harvard en Mike, Vietnam-veteranen.
En dan mag het er nog wat hout op de kachel, een merkwaardige stoof die hij Mijn Oorlogsslachtoffer Van Irak noemt omdat ze een “warm lichaam heeft en omdat er één poot van ontbreekt”. Die tweede poot heeft hij “moeten amputeren na een precisiebombardement van Onze Vrienden De Amerikaanse Imperialisten!” En zo komen we toch weer op Vietnam, en dat er voor hem maar één film is die echt vertelt hoe het eraan toeging, Dear America - Letters from Home. Ik ken die documentaire met zijn aangrijpende soldatenbrieven, het openingsbeeld zijn landende helicopters op de song Fortunate Son van Creedence Clearwater Revival. Hou je van Creedence, vraagt Harvard. Dan moet dit toeval zijn, jongen. Ik koop bijna nooit cassettes, maar uitgerekend vandaag heb ik in de supermarkt een cassette van CCR gekocht, hier is ze, ze is van jou, fortunate son!
Father Nature
Onderweg hadden we wel eens schamper te horen gekregen, Washington County, daar zijn ze of zat of zot van bij de geboorte; ze leven er alleen nog van de visvangst en de inteelt - maar bij nader inzien is de hartelijkheid nergens zo groot als in deze parochie van de miserie met zijn 35.OOO zielen. Eén zo'n gekwetste ziel is Warren S. Corbett. Hij spreekt ons aan bij de pier van het dorp Cutler, jullie staan zeker te kijken naar de zee, jongens, ik ben heel mijn leven op zee geweest, heb over heel de wereld gezeten, als marinier, heb ook in België gezeten, en in Vietnam, heb ik de napalm in de huizen zien branden, de mensen maken mekaar kapot, jongens, kom naar mijn hut, ginder boven bij het bos.
Daar aangekomen zegt hij: treed binnen in mijn koninkrijk! Jaja, hier liggen twee dooie herten, hun vellen heb ik nodig, en die dooie coyote daar, zijn pels gebruik ik ook. En nu ga ik jullie opnemen in de Heilige Broederschap van de Koukleumen Onder het Grote Gesternte van de Noordpool. God heeft mij gezegd dat ik iedere mens in deze Broederschap moet brengen, ik moet vrede op de wereld brengen, jongens. Ik ga dit heel plechtig doen, in naam van al de rendieren, de ijsberen en de ijsbergen, de poolsterren en de sneeuwsterren, de poolvossen en de walvissen, de myriaden sneeuwvlokken en de blizzards, het pakijs en het driftijs, het heilige noorderlicht, en al wat leeft op het opperste van de wereld, verklaar ik u, Jan en Tim, lid van de heilige Broederschap der Koukleumen, wees gezegend, God bless you, vrienden, de vrede zij met u."
© Tim Dirven Father Nature
En zo staan we in die stacaravan van de man die zichzelf a true survivor noemt, de enige in het hele dorp die nog kan overleven van de jacht en de visvangst. Hij maakt blokhutten zoals de pioniers het deden, en boomhutten, en vishutten, en iglo’s. Hij kent alle dieren, bomen en planten bij naam en bij smaak. Schorsen, bessen en ingewanden, hij heeft ze alle gegeten, “zeg in België dat je Father Nature hebt ontmoet. Ik ben de enige goeie Vader Natuur, ik heb respect voor de dieren en de planten, ik maak ze dood, maar alleen om op te eten. Dat heeft de Grote Vader in de hemel zo gewild. Maar mensen maken mensen kapot, voor het geld. Iedereen wil miljardair zijn, iedereen wil bezit hebben. Waarom willen de mensen geen liefde bezitten, waarom staat er geen liefde op de rekening van hun bank? Ik heb niks, alleen mijn pensioen, maar in het dorp willen ze mijn vel, zie je dat kogelgat daar in het raam, ze hebben op mij geschoten, ik weet wie het is, ik zat in mijn boomhut en ik heb de smeerlap gezien. Ik ben de laatste van de Mohikanen, jongens, ik leef zoals de indianen en daarom willen ze mij kapot.”
© Tim Dirven
Hij zal nu voor ons op zijn elektrische gitaar gaan spelen, hij zet de country-radiozender harder en dan speelt hij mee, in die muziek kan hij al “zijn gekwetste gevoelens leggen”, de versterker zet hij tussen de pannen op het fornuis, het vet van de kouwe worsten leunt tegen de volumeknop. En het houdt niet op, we moeten alles zien wat er op zijn schapraaien staat, alles wat er op tafel en in alle dozen ligt, de honderden foto’s van sneeuwwegen genomen vanachter het stuur, de hertenpoot als presse-papier, de in bruut hout geknutselde Chinook-helicopters aan het plafond, met echte kogels als raketten, “jullie mogen alles zien, want jullie zijn mijn vrienden, ik wil dat alle mensen vrienden worden en vrede vinden, ik moet ze daarbij helpen, ik ben Gods helper, wit, zwart, rood, geel, blauw, of groen, allemaal moeten we broeders worden, er is teveel geld en te weinig liefde op deze wereld, it’s all money and no love! “ En hij loopt buiten en in het duister boven het dorp schreeuwt hij: “ Geldschrapers! Waar is jullie liefde!?” Uit de verre huizen blaft alleen een hond terug.
In Cutler woont een mens met wereldverdriet.
Deel 1: in het spoor van de sneeuwruimers en de krantenbezorgers van de ingesneeuwde abonnees
deel 3: de gewapende boerenmilitie, "wij zijn de Zapatistas!"