Reportages
Een archief van eigen reportages.
Over bliksemjagers en voetbalveteranen,
klaroenblazers van de Last Post en autobestuurders die geen 1000 km per jaar rijden.
En natuurlijk nog Vele Anderen.
Het boek “Kind zonder winter” heeft zijn voorgeschiedenis. Een hele reeks winterreportages ging eraan vooraf; zie ‘Winterreportages’ (in de header) of zie onder October 2025 .
ARCHIEF
-
juli 2026
- 28 jul 2026 De bosbranden en vuurstormen van 2026 (en 1988)
- 23 jul 2026 25 juli 1966 : de bus die van de snelweg viel
-
juni 2026
- 28 jun 2026 De smeltende Alpen, een reisverhaal (1)
- 28 jun 2026 De smeltende Alpen, een reisverhaal - deel 2
- 28 jun 2026 De smeltende Alpen, een reisverhaal (3)
-
februari 2026
- 18 feb 2026 Antwerpse skiër overleeft sneeuwgraf in lawine
- januari 2026
- november 2025
-
oktober 2025
- 30 okt 2025 “Kind zonder winter” - eerdere winterreportages
-
mei 2025
- 16 mei 2025 R Antwerp FC: het einde van Tribune 2
- februari 2025
-
oktober 2024
- 20 okt 2024 Hoe Herman Selleslags België zag veranderen
- 19 okt 2024 Afscheid van Herman Selleslags
-
juli 2023
- 5 jul 2023 De kermisfotografen van de Kempen
-
mei 2023
- 26 mei 2023 Memoires van een Ijsboerke
- 26 mei 2023 Kaasfabriek Kempico : kroniek van een aangekondigde dood
- januari 2023
- september 2022
- juni 2022
- mei 2022
- februari 2022
-
september 2021
- 22 sep 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (4): tijd willen winnen in de non-stopmaatschappij (24/24)
- 22 sep 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt ? (3): het 'kopen' van andermans tijd (met o.a. de hondenuitlater en de ‘loopjongen’ voor je kleren)
- 22 sep 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (2): meer vrije tijd en toch meer opgejaagd
- 22 sep 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (1): het Vlaamse gezin en zijn dagelijkse 'rit tegen de tijd'
- 8 sep 2021 11 september (2): Mohammed Atta, de student stedenbouw die architect van de aanslagen werd
- 8 sep 2021 80 Vlaamse bakkers en “hun” 11 september
-
augustus 2021
- 30 aug 2021 Katrina (2): de boswachters als redders van New Orleans
- 30 aug 2021 Orkaan “Ida” - 16 jaar na de ravage van orkaan Katrina
- 24 aug 2021 20 jaar 'Zomerbeelden' op de VRT !
-
juli 2021
- 22 jul 2021 Tien jaar na Utøya (3): de ontreddering van de redders en de hulpverleners
- 22 jul 2021 Tien jaar na Utøya (2): de onderzoeksjournalist en de psychologe van de overlevenden
- 22 jul 2021 Tien jaar na de tragedie in Utøya (1): het relaas van de overlevenden
- 16 jul 2021 Zomeroverstromingen: het nieuwe normaal?
- 12 jul 2021 Na het EK Voetbal : het EK Minigolf in België
- juni 2021
-
mei 2021
- 1 mei 2021 Interview met de allereerste Mol (1999)
- april 2021
-
maart 2021
- 27 mrt 2021 Vogelspotten (2): blij met een levende mus
- 27 mrt 2021 Vogelspotten (1): een vroege-vogel-wandeling en de eerste Belg die vogelzang op vinyl zette
- 23 mrt 2021 De laatste dagen van Doel: kroniek van een aangekondigde dood
- 7 mrt 2021 Altijd wind mee: fietsenmakers over de demarrage van de elektrische fiets
-
februari 2021
- 23 feb 2021 Diefstal per brief: Bpost wil de postzegel in Belgische frank doen verdwijnen
- 9 feb 2021 <w> De marathonwinter van 1962-1963 (2) : de bevroren zee
- 9 feb 2021 <w> De marathonwinter van '62 -'63: de koudste winter sinds 1833
- 2 feb 2021 <w> De achtenveertig uur durende “blizzard” over zuidoost-België (1 februari 1953)
- 1 feb 2021 De overstromingsramp van 1953 (2) : de Belgische redders vanuit de lucht
- januari 2021
-
december 2020
- 27 dec 2020 Op kerststallentocht in de Kempen: een autocar van goede wil
- 18 dec 2020 De Grote Glühweinroute (revisited)
- 11 dec 2020 <w> Het kerstbomenbos: hoe de Nordmann de Ardennen inpalmt
- 8 dec 2020 <w> De winter in Lapland (2): Onze Man valt van de hondenslee
- 8 dec 2020 <w> De winter in Lapland (1): de Belgische die de jaarlijkse ijstijd en rendieren trotseert
- 4 dec 2020 Sint en Piet in het echt: uit koets gevallen, van baard beroofd en andere waargebeurde feiten
- 4 dec 2020 Sint en Piet gaan hard méé met hun tijd: van schimmel tot bulldozer en parachute
-
november 2020
- 26 nov 2020 Op huisbezoek met Sint en Piet (2) : in Antwerpen
- 26 nov 2020 Op huisbezoek met Sint en Piet (1): in de Kempen
- 19 nov 2020 Van deur tot deur (4): de verkopers van stofzuigers en gebakken lucht
- 19 nov 2020 Van deur tot deur (zonder corona) (3): de getuige van Jehova en de huis-aan-huis-winkelier
- 17 nov 2020 Van deur tot deur (zonder corona) (2): Hans de Booij (zanger-boekenverkoper) en een Franciscaanse bedelbroeder
- 17 nov 2020 Van deur tot deur (zonder corona) (1) Martin Heylen en de Appelleurders
- 10 nov 2020 Jodelen: de nieuwe superverspreider van corona
- 1 nov 2020 Trump: staat de verongelijkte kiezer nog altijd aan zijn kant?
- 1 nov 2020 De sprookjes van Trump
-
oktober 2020
- 23 okt 2020 De derby Antwerp-Beerschot: rood-witte honden versus mauve-witte ratten
- 16 okt 2020 De laatste "westerners" en cowboydorpen van België (3): Texas City in Tremelo
- 15 okt 2020 De laatste “westerners” en cowboydorpen van België (2): van Antwerpse indianen en Kempense outlaws
- 14 okt 2020 De laatste “westerners” en cowboydorpen van België (1) : begraaf mijn hart bij de baan naar Wuustwezel
- september 2020
-
augustus 2020
- 31 aug 2020 Het nieuwe schooljaar: leerkrachten vertellen hoe ze een klas aanpakken in het éérste lesuur
- 27 aug 2020 De pottenkijkers (2): voetbal kijken ondanks gesloten deuren / de dakfans en andere voetbalburen
- 26 aug 2020 De pottenkijkers (1): toch voetbal kijken in stadions met gesloten deuren
- 14 aug 2020 De hittegolf en een coup de foudre: op stap met een bliksemjager
- 7 aug 2020 Beiroet en de honden van de (puin)hoop
- 5 aug 2020 De ramp van Beiroet en de ramp van Tessenderlo (1942): als tonnen ammoniumnitraat exploderen
- 1 aug 2020 De machtige duivenvlucht uit Barcelona: vertrokken in volle corona
-
juli 2020
- 31 jul 2020 De stille bekerfinale tijdens corona en de roodwitte roots van Luk Perceval
- 30 jul 2020 De alziende corona-camera: de burgemeester met het fotografische geheugen
- 26 jul 2020 Zomer van verveling: 13-jarige rijdt 800 km met oma's auto
- 9 jul 2020 Voetnoten langs de weg: achter de schermen van de zelfgeknutselde wegwijzers
- 3 jul 2020 Zomer zonder Werchter (3): the day after
- 3 jul 2020 Zomer zonder Werchter (2): de pionier van de mobiele toiletten
- 2 jul 2020 Zomer zonder Werchter (1): twee trouwe soldaten van de frontstage
-
juni 2020
- 29 jun 2020 Toerisme in eigen land (1): koninklijke familie bezoekt Bokrijk
- 21 jun 2020 De stille overwegen (3): ontsnapt aan de klap
- 20 jun 2020 De stille overwegen (2): koeien op het spoor
- 19 jun 2020 Lege treinen en stille overwegen (1): de laatste onbewaakte spoorovergangen
- 12 jun 2020 Experimenteel reizen in eigen land (4): met een gocart de grens over
- 11 jun 2020 <w> Experimenteel reizen in eigen land (3): in volle zomer liften met een slee
- 10 jun 2020 Experimenteel reizen in eigen land (2): de pionier van de maffe reisformules
- 9 jun 2020 Experimenteel reizen in eigen land (1) : rugzaktoerist op 500 meter van je voordeur
- 5 jun 2020 Café Corona: hoe moet het verder met het volkscafé?
- 1 jun 2020 Kinderen van de holocaust: de vrouw die honderden kinderen hielp onderduiken
-
mei 2020
- 28 mei 2020 Record social distancing op café: 245 uur in quarantaine op een barkruk
- 27 mei 2020 Uit onze gevoelige platenkast: de huwelijksfotografen !
- 23 mei 2020 De hobo’s (5): een klein foto-album
- 22 mei 2020 De hobo’s: zwerven op goederentreinen (4) / de overlevers van de Grote Depressie
- 21 mei 2020 De hobo’s: zwerven op goederentreinen (3) / de Vietnam-veteranen
- 20 mei 2020 De hobo’s: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (2) / de rammeling voor het slapengaan
- 19 mei 2020 De hobo's: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (1) / de leerschool
- 13 mei 2020 2020: het jaar van het lange haar (de “hippie-comeback”)
- 9 mei 2020 Rock-’n-roll-model voor alle online huiskamerconcerten: de Slechtste Gitarist van Vlaanderen
- 7 mei 2020 60 jaar geleden: veel minder auto's en véél moorddadiger verkeer (2)
- 7 mei 2020 60 jaar geleden: veel minder auto's en véél moorddadiger verkeer (1)
- 3 mei 2020 <w> 75 jaar Buchenwald: de dodenmars in sneeuw en ijs
-
april 2020
- 28 apr 2020 Yo de dobbermannen! Bekende Vissers (BV’s) over hun watersport
- 24 apr 2020 Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (2)
- 24 apr 2020 Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (1)
- 21 apr 2020 Hoe een bezoek aan de supermarkt zes dagen kon duren
- 17 apr 2020 Een leven zonder gsm en zonder vaste telefoon (2)
- 17 apr 2020 Een leven zonder gsm en zonder vaste telefoon (1)
- 16 apr 2020 Arendonk? Gitarendonk! De revival van het mini-festival
- 15 apr 2020 De man die 29 jaar in quarantaine leefde
- 7 apr 2020 Verhalen uit het containerpark (2)
- 7 apr 2020 Verhalen uit het containerpark (1)
- 2 apr 2020 De voetbalveteranen (3): de zwarte panter van SK Waanrode
- 1 apr 2020 De voetbalveteranen (2): de oldtimers van KFC Herenthout
- 1 apr 2020 De voetbalveteranen (1) : de éminence grise van KFC Putte
-
maart 2020
- 29 mrt 2020 De pionier-tv-verkopers (jaren ‘50 en ‘60)
- 24 mrt 2020 De eenzaamheid van de Last-Post-klaroenblazer
- 21 mrt 2020 De zeldenrijders (2)
- 17 mrt 2020 De zeldenrijders (1) chauffeurs met 1000 km per jaar
Meer reportages lezen?
Wil je ingelicht worden als er nieuwe
reportages verschijnen?
Vul dan hier je e-mail-adres in:
De "kleine" tornado van Beauraing en de "grote" tornado van Hautmont
Het onweer hield gisteren op vele plaatsen lelijk huis. Onder andere in Beauraing (provincie Namen) waar een "kleine" tornado (of zogenaamde “mini-tornado”) 92 woningen zwaar beschadigde en 17 (licht)gewonden maakte.(*)
Vroeger waren tornado's uiterst zeldzaam in onze contreien. Maar met de klimaatopwarming zijn de stormen, de onweders en de wolkbreuken in kracht toegenomen.
De tornado in Beauraing doet me denken aan de tornado in Hautmont in 2008. Dat Noord-Franse stadje ligt op dezelfde as als Beauraing, een as die veel onweersfronten volgen in het zuiden van België, het stadje Hautmont ligt ook maar net over de Belgische grens . De tol in Hautmont (2008) was wel veel zwaarder omdat de tornado een lang en breed spoor trok: er waren 4 doden, 18 gewonden en 700 huizen werden beschadigd. Aanvankelijk sprak men daar ook over een "mini-tornado"...
(*) het KMI onderzoekt nog of het om een tornado gaat of om een valwind (“downburst” zoals in Pukkelpop)
Humo augustus 2008 © Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo
"Het was een geraas alsof een vliegtuig op ons af kwam."
In dertig seconden kan je huis een kaartenhuis zijn. Dat ondervonden de inwoners van het Noord-Franse Hautmont op zondagavond 3 augustus. Toen trok een uitermate zware tornado een breed spoor van vernieling door het stadje. Vier mensen lieten het leven, achttien raakten gewond en voor Frankrijk was het de zwaarste tornado van de afgelopen vijfentwintig jaar.
Vér moet ik niet rijden: de plaats van het onheil ligt op minder dan tien kilometer van de Belgische grens, op dertig kilometer van Bergen en op negentig kilometer van Brussel. De eerste touchdown van de tornado vond plaats in Boussières-sur-Sambre, een dorp van vijfhonderd inwoners en glooiende maïsvelden. Eerst is er alleen de bushalte waar het glazen wachthok aan scherven ligt, dan volgt een rij losstaande huizen die uiteenlopende schade vertonen. Van het eerste huis is het halve gebinte en pannendak weggerukt. "'t Is het huis van mijn zoon," zegt de man die van de ladder klimt, "en dat gebinte hebben we tachtig meter verder teruggevonden in het koren."
Hij woont een paar kilometer verderop en zag het ontij beginnen: "Het was niet zo'n warme dag geweest, misschien 24 graden, maar rond half elf begon het te bliksemen zoals ik nooit eerder gezien heb. Dat was de ene flash na de andere, ik stond aan het raam en kon niet tot twee tellen of er was weer een flits. De lucht zag wit op de duur, helwit, en ik kon alles zien staan in de tuin. Dat heeft zo'n twintig minuten geduurd en toen kwam er telefoon. Ik dacht dat het de schoondochter was, zij stond op bevallen, maar het was heel ander nieuws: ze zei dat we diréct moesten komen want dat het dak was weggewaaid. Toen ik hier kwam, heb ik de regen nog in het huis zien stromen. En nu timmeren we een voorlopig gebinte en we hopen maar dat de zijmuren niet verder gaan scheuren."
© Jan Hertoghs
Een heli van de Franse politie scheert over de weg, experten van de verzekering bladeren door een polis op hun motorkap en de jonge huisvader met zijn boodschappen zegt dat ze geluk hebben gehad: van hun huis is alleen de dakbedekking weg "en een aantal kasseien zijn uit de oprit gerukt en weggewaaid". Zijn schade is miniem in vergelijking met het twee jaar oude huis van zijn buurman: die fermette is omvergeblazen en tot de grond verwoest. Het groene maïsveld achter het huis is helemaal platgeslagen en zit onder de witte en gele vlokken isolatiebekleding. Tot waar de bouwstenen liggen, is niet te zien, "sommige zijn tot diep in het bos gevlogen".
"Het is een wonder dat mijn moeder nog levend uit die puinhoop is gekomen, "zegt Benoit Blondiau die uit vakantie terug is gekeerd. "Ze hoorde de wind opsteken, ze wilde de rolluiken neerlaten en dan is het venster ontploft en is ze tot in de tuin geslingerd. En toen ze weer bij bewustzijn kwam en achterom keek, was haar huis weg! Haar vriend is wél gewond geraakt, maar niet erg: als je met een driedubbele scheenbeenbreuk uit dat puin kan kruipen, dan heb je geluk gehad."
In de tuin stond een bungalow van dikke planken en ijzeren poutrels: "Die ijzeren balken wogen tientallen kilo's, die zijn nog nergens teruggevonden." En dat je al die verhalen hoort over de stilte voor de storm: "Geen vogel die nog zong, geen blad dat nog bewoog, het was dood-en-doodstil. " En dan was er die plotse benauwdheid geweest, heel kort voor de tornado, "in huis leek het alsof ze een heet nat deken over hun gezicht kregen".
Een derde huis ziet er van buitenaf gespaard uit, maar de dakwerkers schudden van nee, "het staat op instorten". In de living en het salon stutten ijzeren palen het plafond, in de gang naar de slaapkamers zijn de binnenmuren verbogen en staan de deurlijsten scheef uit hun voegen. Daar waar de bedden staan, zijn de muren gebombeerd en valt het licht binnen via de kamerhoeken die centimeters breed zijn opengespleten: "Dat moet een geweld geweest zijn! Dat de wind zomaar beton uit elkaar kan scheuren!"
© Jan Hertoghs
Geknakt bos
We komen uit de voordeur als de eigenaar arriveert. Ik verontschuldig me voor de ongevraagde entree, maar hij grimlacht dat het geen erg is, "'t is nu eenmaal een huis om met de deur in huis te vallen". Hij vertelt hoe hij de rolluiken wilde sluiten, maar dat de wind het gesloten raam uit de scharnieren sloeg: "Dat raam knalde open en ik werd achterover tegen de muur gesmakt. Dat geluid! Dat was als een kettingzaag! En het hele huis kreunde en kraakte, ik dacht dat het op mijn kop ging vallen." Gisterenavond is hij gaan kijken naar de uitgebreide schade in Hautmont, ("daar is het alsof er bulldozers op de huizen zijn ingereden"). Wat hem ergerde, waren de vele ramptoeristen: " De CRS sluit de getroffen straten wel af, maar je had de weg naar Vieux-Mesnil moeten zien, die kijkt uit op het getroffen gebied, en daar waren ze vannacht om half twaalf nog aan het cruisen en flaneren, het leek wel feest, net de quatorze juillet!"
De dakwerkers vertellen dat boeren geperste hooibalen van 350 kg hebben zien wegstuiteren alsof het niets was. En dat ik zeker naar het Bois de Boussières moet gaan zien: "daar zijn duizenden bomen geknakt". Eén van hen heeft een oude eik zien staan, één meter doormeter, "maar zijn kruin is van de stam gewrongen als een bosje selder!"
De enige weg van Boussières naar Hautmont loopt door het dichte bos en het asfalt is afgezoomd met geruimde en in stukken gezaagde berken, beuken, eiken en canada's. Bomen die nog overeind staan hebben een amputatie ondergaan, dikke takken zijn nu blote stompen.
© Jan Hertoghs
Ik rij Hautmont binnen en ik herken de doffe onverschilligheid die je wel vaker ziet in uitgeleefde stadjes: het is begin augustus en de kerststerren hangen nog altijd aan de straatverlichting.
Drie CRS-agenten staan bij het dranghekken en laten alleen bewoners toe tot het getroffen gebied. Journalisten kunnen "met wat geluk" een volmacht aanvragen bij de crisiscel in het gemeentehuis. Op de mairie laat ik m'n eerdere artikels over tornado's zien en dat zorgt vlot voor een 'passe-partout'.
In de getroffen straten staan overal ladders tot tegen de dakgoten, er wordt druk genageld en getimmerd, takken worden uit tuinen gesleept en er zijn de vormeloze resten van natgeworden huisraad op de stoep. ("Dit is nog niks, monsieur, wacht tot u aan de Rue du Vélodrome komt!") Dat is zowat het hoogste punt van Hautmont en daar is de aanblik licht apocalyptisch. Over een breedte van meerdere honderden meters heeft de wervelwind daken van huizen gerukt, ramen uit flatgebouwen geblazen, muren omver geduwd en auto's in de lucht gegooid en "tot vijftig meter ver gekatapulteerd".
Huizen hebben werkelijk elke beschutting verloren. Het dak is nog een geraamte, de zijgevel is weg en wat ooit privacy was, zijn nu eet- en slaapkamers waar je botweg kan binnenkijken.
Ik zie ingebouwde keukens waar de kastdeuren zijn weggewaaid maar waar de cornflakes, de confituur en de bokalen met suiker nog netjes op de rekken staan. Een kinderbed staat nog op de hoogste verdieping, maar wel onder de blote hemel. Een oven steekt nog in een muur, maar dat is alleen de klep, de achterkant van de oven en de rest van de keuken is weggevaagd. Mensen durven hun huis niet meer te betreden via de voordeur, en klimmen via een ladder naar hun eerste verdieping om toch nog wat huisraad te redden. In de voor- en achtertuintjes liggen boeken, tv's, stukgeplofte zetels en beslijkte computers naast elkaar. Op het voetpad tref je paarse kaarsen die nooit meer licht zullen geven. Op een parking staat een gele Toyota waarvan het koetswerk getroffen is door honderden steentjes en glasscherven. Tegen de lekke banden liggen rollen roze toiletpapier, twee tuinslangen, een witte peignoir en een dvd van Harry Potter. De andere auto's zijn al weggetakeld, zegt een CRS agent, dat waren stuk voor stuk pertes totales. Van een rij van vijftien garageboxen is geen enkele muur overeind gebleven, alle auto's zijn door stenen bedolven en alle kantelpoorten zijn in het niets verdwenen.
Een vrouw sluit snauwend haar gsm-gesprek af: "Maman! Stop met huilen! Dat hebben we hier al genoeg gezien!" Haar ladder staat tegen een tienerkamer, de boekentas van één van de kinderen staat roerloos naast het bed, het is nog altijd vakantie.
© Jan Hertoghs
Mini-tornado ?
Een jonge moeder vertelt: "Ik lag al in bed en ineens werd ik wakker door een hoog gefluit. Ik wilde aan het raam gaan kijken, en tegelijkertijd hoorde ik in de kamer ernaast het raam met een slag aan scherven gaan en ik zàg een auto door de lucht vliégen, niet veel lager dan mijn appartement, en ik woon op de vijfde verdieping! Ik heb mijn dochtertje uit haar bedje gesleurd en ik ben op de grond gerold achter een muur. Toen de tornado weg was, kon ik mijn ogen niet geloven. Mijn keukentafel was kapot, maar mijn keukenstoelen waren geen centimeter verschoven. Een kast met speelgoed lag omver, maar de plastic badeendjes op het schap ernaast, lagen er nog als net tevoren. Hoe kan dat nu? De sofa was doorboord met de scherven van het raam, zware meubels waren van het ene eind van de living naar de andere geschoven, maar speelgoed van geen honderd gram lag nog op zijn plaats!"
In het nabije voetbalstadion is het dak van de tribune half weggescheurd en rond de niet geknakte lichtmasten hangen stukken hangar gedrapeerd als lichtmetalen vlaggen.
Ik begrijp allerminst dat men dit een mini-tornado heeft kunnen noemen. Dat was de term van het agentschap AFP en die is klakkeloos overgenomen door onder andere VRT en VTM. De opgetilde auto's, de daken en muren die uiteengereten zijn, het is een schade die op de schaal van Fujita zeker tot de categorie F3 behoort en dat stemt overeen met windsnelheden die kunnen oplopen tot 330 km per uur. Haast elke ooggetuige die ik spreek, is gedegouteerd over dat minimaliseren: "Ze blijven maar mekkeren over die minitornado alsof hier een paar huizen schade hebben geleden. Weet u, aanvankelijk wilde de Franse meteo zelfs niet over een tornado spreken, men had het over plaatselijke felle windstoten (rafales). Ook de minister van Binnenlandse Zaken die hier op bezoek was, heeft nog altijd niet het woord 'rampgebied' of 'natuurcatastrofe' over de lippen kunnen krijgen!"
La Voix du Nord 5/8/08
Tot 417 km/u
De tornado was allerminst te onderschatten. Hij trok een spoor dat bijna elf kilometer lang was en tot tweehonderd meter breed: naast Boussières en Hautmont werden ook Neuf-Mesnil en de grotere stad Maubeuge getroffen. Zevenhonderd huizen zijn beschadigd, tweehonderd ervan zijn onbewoonbaar verklaard.
Al op maandag 4 augustus waren twee onderzoekers van het Belgische KMI ter plaatse. In hun verslag wordt de tornado tot de categorie F4 gerekend wat de op één na zwaarste categorie is. In weerkundig onderzoek krijgt een tornado altijd het 'label' van de plek waar de hevigste schade is genoteerd en de KMI-onderzoekers baseren zich ondermeer op de huizen die met de grond gelijk zijn gemaakt: "Dat een nieuwgebouwd stenen huis zo compleet tegen de vlakte gaat, is een duidelijke indicatie van een F4". De kwotering F4 geeft ook aan dat er op sommige plaatsen windsnelheden tussen 331 en 417 km per uur zijn opgetreden. )
De Association Météorologique du Nord-Pas de Calais komt tot dezelfde F4-vaststelling en voegt eraan toe dat "een tornado van zulke vernietigende kracht zeldzaam is in Frankrijk: het is nog maar de tweede in vijfentwintig jaar. Om nog een F4 terug te vinden in deze regio (Nord-Pas de Calais) moeten we teruggaan naar zaterdag 24 juni 1967. Toen sloeg een F4 toe tussen Douai en Arras met een balans van zeven doden en eenenzestig gewonden." Dat weekend in juni 1967 was wel het zwaarste tornado-weekend ooit, want één dag later (op zondag 25 juni '67) raasden er ook tornado's door de Westhoek en de Kempen. In Boezinge, Dikkebus en Oostmalle raakten zowat duizend huizen zwaar beschadigd. In het Nederlandse Noord-Brabant vielen zeven doden.
© Jan Hertoghs
Fluo stoomwolk
De Rue Fernand-Rousselle is de meest gehavende straat in Hautmont. Ze ligt pal tegen de bosrand en je kan zien hoe de tornado met zijn rondwervelende breekmolen van takken en bomen pal op de straat is ingevlogen. Hier zijn huizen compleet ingestort en hier hebben drie oudere inwoners het leven verloren: "Zoals in de oorlog hebben ze willen schuilen in hun kelder, maar hun woning is ingezakt als een kaartenhuis en ze zijn bedolven nog voor ze hun schuilplaats konden bereiken." Het vierde slachtoffer woonde wat verderop, zag geen leven en toekomst meer in zijn vernielde huis en schoot zich door het hoofd met een revolver. De man was 76.
Het is een vreemde sensatie. De straat is een bouwwerf van stof, puin en vrachtwagens en toch ruikt het hier naar hars, de scherpe en frisse geur van kerstmis die is vrijgekomen uit geknakte naaldbomen. Een bulldozer schraapt een dikke tak van het wegdek, een grote kinderpop rolt mee met het stalen blad. Op de hoek van de straat nog meer surrealisme: puinruimers zitten op een muurtje te eten, een middagpauze van stokbrood, paté en grote plakken camembert, en achter hen ontplooit zich de enorme tuin van een villa waar een surrealistische hagel is neergeslagen: gecrashte kramen uit de bewaarplaats van een kerstmarkt, plastic palmbomen van een handelsbeurs, en het verwrongen geraamte van een draaimolen.
Omdat het zo laat en donker was, heeft niemand de verwoestende slurf van de tornado kunnen zien, maar wie kort voor de 'inslag' naar buiten keek, zag een onheilspellend spektakel. Leila Louafi: " Ik zat nog tv te kijken, hoorde een zwaar geronk en dacht dat er wat mis was met m'n oude tv, maar het geluid kwam van buiten en tegen dat ik aan het raam was, dacht ik dat er een vliegtuig op het huis kwam gevlogen, (klemt de handen op de oren), zo'n geraas was dat. En de lucht zag eruit alsof er een stofwolk én een stoomwolk op ons afkwam, de ene seconde zag het grijs en dan sloeg het om in akelig wit en lichtgroen, die 'wolk' leek zelfs fluorescerend. Ik ben achter de zetel gekropen en ben er de eerste minuten niet vandaan durven komen. En dan die ravage! Incroyable. Ik kan er nog niet over. Dat zijn nu al twee ochtenden dat ik ben opgestaan en vanuit mijn slaapkamer, badkamer, keuken en living zie ik alleen maar puin en huizen die kapot zijn. Dat herstel gaat nog lang duren en gaat me nog maanden aan die tornado herinneren, ik denk niet dat ik hier ga blijven wonen."
© Jan Hertoghs
Vrijwilliger in het vaccinatiedorp: wij zijn pijlen, wij zijn wegwijzers
In mei ben ik als vrijwilliger begonnen in het Antwerpse vaccinatiedorp Spoor Oost. Ik had niet de bedoeling om er een stuk over te schrijven, maar al na de eerste “shift” was het duidelijk dat ik erover moést schrijven. Al die uiteenlopende mensen die uur na uur voorbij komen, oudere koppels die arm in arm naar hun inenting gaan (“‘t is een uitstapke voor ons”), al die commentaren en opmerkingen van de gevaccineerden, de kameraadschappelijke sfeer onder de vrijwilligers, het was een belevenis, een avontuur. En het is dat nog altijd, ik ben nog steeds steward ( u herkent me aan mijn gele hesje!)
Vandaag komt een link naar het stuk in de online nieuwsbrief van de 7000 Antwerpse vrijwilligers “omdat het goed beeld geeft van het werk van de vrijwilliger”. En dus zet ik het ook op deze site.
Humo 1 juni 2021 © Jan Hertoghs
© Jan Hertoghs
"Hierlangsss Dààmessss en Heren ! Allez Rrrrroulez!”
In België zijn er 162 vaccinatiecentra, 94 daarvan in Vlaanderen. Het grootste vaccinatiedorp is dat van Antwerpen waar al meer dan 300.000 vaccins zijn gezet. Zoals alle centra draait dit "dorp" hoofdzakelijk op vrijwilligers. Onze Man schreef zich in, werd steward, en wees duizenden de weg naar hun speeddate met het vaccin. Een mijlpaal in de geschiedenis van de wereldvolksgezondheid. En de vragen zijn navenant. "Kunnen wij bij u een pintje bestellen?"
10 mei. Het tentendorp van Spoor Oost (4000 m2 groot) heeft een aparte ingang voor de vrijwilligers (de crew) en als crew hebben wij ook een backstage: een reftertent met klapstoelen en klaptafels, lockers voor je spullen, automaten met warme dranken, een prikbord en een onthaal. Later zal ik jong en oud zien, maar vandaag zie ik veel grijs, een backstage van gepensioneerden.
Elk onderdeel van het dorp heeft een "straatmeester" en die verantwoordelijke leest de namen af van "zijn" vrijwilligers. Ik ben ingedeeld bij de check-out en krijg m'n gele hesje. Ooit zal iemand een boek wijden aan dit wereldwijde flodderobject, en hoe wij als stervelingen alsnog licht afgaven in een tamelijk duistere 21ste eeuw.
De check-out ligt net voorbij de inenting. Een "scriptor" scant je documenten en geeft je het vaccinatiebewijs met in grote cijfers het tijdstip wanneer je het dorp mag verlaten. Niemand spreekt hier over het vaccinatiebewijs. Wij spreken over "het bewijske", "het bonneke" of "uw kasticketje".
De gevaccineerden moeten dit bonnetje tonen en ik moet ze naar de observatieruimte (alias "de wachtzaal") wijzen. Die zaal ligt voor hun neus en toch moet ik ze naar rechts wijzen, naar een lange brede gang, zo komt er ruimte in de mensenrijen.
Scootmobiel
Alle documenten vragen om alléén te komen, maar ik zie veel koppels bij deze vijftigers en zestigers. Het is deels nieuwsgierigheid deels gezelligheid, de niet-vacciné kan al eens zien hoe de zaak verloopt, en ja, eigenlijk beschouwen ze dit dorp "als een uitstapke". Wie had dat een jaar geleden kunnen denken dat koppels arm in arm naar een inspuiting zouden wandelen.
Volgens de instructieve webinar moet ik "grote gebaren maken" om de gevaccineerden in de juiste richting te loodsen. Soms is de rij te dichtbij en temper ik mijn gebaren. Ik wijs rustig de weg maar dat wordt niet altijd begrepen. Ik zeg, rechts afslaan, en dan zeggen sommigen, "naar links hier?" Of ook: "ik kan rechts en links niet uiteenhouden, meneer." Een enkeling loopt zelfs terug richting inenting.
Voor ons is dat dorp overzichtelijk, maar voor velen is dit een doolhof van gangen, cabines en stoelenrijen. Wij zijn de lichtboeien waarop ze zich kunnen richten, maar omdat we met zoveel boeien zijn, raken sommigen toch nog in de war.
Plots schiet een donker voertuig onze kant uit, een rap rijdende scootmobiel! De vrouw wil nog wel bruusk remmen voor ons, maar nee, ze wil niet gaan wachten in de wachtruimte, "ik zal op mijn scooter wel een kwartier blijven zitten!" En we moeten linten en stoelen opzij trekken, want madame wil nù naar de uitgang. Een scriptor draait zich om, "amai, zeker de verkeerde spuit gekregen."
© Jan Hertoghs
Er is maar één vaccin vandaag (Moderna), maar er zijn zovéél uiteenlopende mensen! Een vrouw op stiletto's. Een straatloper op bottines. Een zwijgzame figuur met een verlopen mondmasker, de naad zo bruin als koffie. Bouwvakkers met bespatte werkbroeken. Agenten in volle uitrusting: pistool, pepperspray en handboeien. Marokkaanse drerries met hun oude vader. Chassidim joden met lange zwarte jassen en lange witte baarden. En daartussen staan we. Wij zijn pijlen. Wij zijn wegwijzers. Wij wijzen, wij gebaren, wij wuiven tegemoet. "Amai! Iedereen wuift hier naar mij. Dat zou op straat ook mogen gebeuren."
De mensenrij neemt hier een bocht, maar soms moeten we iemand uit de rij halen wegens geen bewijsje in handen. Dat is tien stappen eerder uitgeprint en op die korte afstand
zijn ze het al "kwijt". Mannen zoeken hun zakken af, vrouwen diepen hun handtas uit. En zoveel trillende handen! Ik heb compassie, al die stress in dit bestaan. En ze vinden bonnetjes van de Carrefour en de Delhaize, maar niks van het vaccin. Ze moeten gaan zitten, ze hijgen, ze moeten naar huis, nog eten maken, en eindelijk-eindelijk hébben ze het. En tegelijk de muziek uit de luidsprekers. Pretty Woman van Roy Orbison. Uptown girl van Billy Joel. En nu ook het weemoedige So Long Marianne. Naar Leonard Cohen luisteren tussen het stappen op de holle vloeren, het kraken van de plasticwanden en het blazen van de warmeluchtkokers, ik zal het niet gauw vergeten.
Dan luwt de drukte. Een collega-steward gaat in een rolstoel zitten, hij zal eens zien of hij dat kan, achterwaarts parkeren in de rolstoelenrij. Hij wielt en maakt Formule-1-geluiden. Wij zijn kinderen op pandemieschoolreis.
Team volzet
De selectie van de Rode Duivels halen is zwaar, maar het steward-shirt bemachtigen van Het Grootste Vaccinatiedorp in Vlaanderen is ook niet eenvoudig. Omdat er zovéél vrijwilligers zijn: zo'n 7000 voor circa 150 plaatsen per shift. Eind februari schreef ik me in, toen waren we slechts met 2500, maar toen begonnen ook de hindernissen. Eerst brak ik een rib. Daarna kon ik een tijdlang niet uit de voeten met m'n online profiel. Vervolgens kreeg ik drempelvrees om ongevaccineerd rond te lopen tussen honderden potentiële virusdragers. Pas na mijn eerste vaccin durfde ik op een shift intekenen, maar toen moest de grootste horde nog komen: het team van vrijwilligers was soms al op tien minuten volzet. Jan Stroobants (spoedarts en hoofd van het vaccinatiecentrum) noemde dat "het minpunt van ons dorp, dat zoveel vrijwilligers naast de boot vallen". En ik viel vér naast de boot vanwege geen smartphone en dus geen app. Of zoals een collega-steward het verwoordde: "Uit welke donkere prehistorische put komt gij gekropen?!" Maar begin mei kan ik in één keer meerdere shiften vastleggen. Ik ben vertrokken.
Marathondag
11 mei. Vandaag wordt de "meest uitdagende dag sinds ons dorp begon". Dat zeggen ze in de microfoon en dat we op deze "marathondag" 7500 personen gaan vaccineren. Dat blijkt vooral een test voor de parking te zijn: "omdat zovelen met de auto komen, willen we nagaan of we die toestroom van auto's kunnen bolwerken." Het dorp zelf kan een grotere snelheid aan (in de krant was sprake van 1000 "tot zelfs 2500 prikken per uur",jh), maar het zijn "de autofiles die het werk stremmen en die in het voordeel van het virus spelen". Zo wordt het letterlijk gezegd, de auto als rem op de vaccinatiesnelheid.
Ik sta opnieuw bij de afslag naar de observatieruimte, ik ben opnieuw pijl en wegwijzer, met één extra taak: mindermobiele bezoekers mag ik een 15-minuten-zitplaats geven vlakbij de uitgang. De eerste is een kassierster die hyperventileert, "omdat het zo druk is, omdat hier zoveel mensen zijn." De volgende die naar adem hapt, is een zeventiger bij wie ze "hele stukken long hebben afgepakt, ik was er bijna geweest, de MUG is moeten komen. Hebt ge mij niet gezien, ik zat in "Spoed" van de VTM."
Een vrouw praat zonder opkijken. Ze is zo onzeker met dat mondmasker. "Ik stap moeilijk en ik probeer altijd te zien waar ik mijn voeten zet. Maar met dat masker kijk ik op die naad en zo wordt stappen alsmaar lastiger. Ik ben mijn zelfvertrouwen kwijt én mijn oriëntatie. Och meneer, wat heb ik toch tegenwoordig?!"
Onze Man in de hoedanigheid van pijl, wegwijzer en wandelknooppunt. © Wietse Hertoghs
Pukkelpoppen
Op deze marathondag is het blijkbaar ook triatlon van de moeizame stappers, de rolstoelen, de rollators en de krukken. Een zeventiger met een kruk begint over de zomerfestivals, "de Pukkelpoppen en de Tomorrowlands. Binnen drie maanden is het zover, dan hangen ze daar opeen met 60.000 man, en dan heel de dag drinken, en 's avonds kruipen ze in hun tent, en dan kruipen ze opeen, ah ja, dat is allesbehalve social distancing dat ze daar doen!"
Ik breng hem met de rolstoel naar de taxipost en als ik terugkeer met de lege stoel zie ik wuiven om hulp: "Mijnheer, wij komen van de tramhalte, maar mijn zus ginder kàn niet meer." Dat is een manco aan dit dorp. Kom je met een taxi of de wagen, dan is er bijstand. Kom je met de tram, dan is het een lang eind stappen, en geen hulp voorzien.
Zij moet nù haar vaccin hebben en haar zus binnen twee uur. Ze willen wachten. Via de helpdesk is het een kleine moeite, ze mogen samen naar binnen. Dat hadden ze niet verwacht, ze blijven me bedanken. Daar ben ik het hart van in, want ik zal het nog vaak tegenkomen: doodbrave mensen die nooit naar helpdesken bellen, mensen die niets vragen, die niemand tot last willen zijn. En zo is dit een bijzonder dorp. Je kan goed doen voor de mensen.
Onderweg met de rolstoel is er vaak het relaas. Over de nieuwe heup. Over Parkinson, multiple sclerose en hartklachten. Zoveel miserie. En de wrange slotsom. Het vaccin helpt tegen het virus, maar niet tegen het leven en het lijden.
Winterhandschoenen
Het is een drukke dag vandaag. Was dit een tv-programma, dan ging nu een drone omhoog en zag je mieren die in gestage rijen in en uit dit witte nest zwermen.
Ik begin op de mens en zijn stap te letten. De stap kan monter zijn, gezwind, licht verend of gehaast. Er is ook de aarzelende, weifelende stap, de wankele en de manke stap, de stap van de dikke benen en de zware voeten, zoveel mensen die moeilijk vooruit gaan. Een flaneur is zeldzaam, slechts één heb ik gezien die werkelijk alles met grote verwondering in zich opnam.
Heel soms is er de woeste stap. En altijd is het een man en altijd is er die blik van waar-is-hier-de-uitgang! "Ik wil geen kwartier wachten, ik wil buiten, jong, laat mij door!" Het zijn uitzonderingen, maar voor hen is dat kwartier rust er teveel aan. Eén vent sjeest weg met zijn vrouw in de rolstoel, "niks te wachten, waaj gon deur!" Antwerps voor de kortste weg. Eén man heb ik kunnen bedaren. "Binnen een kwartier kom ik persoonlijk uw handboeien losmaken." Hij is lachend gaan zitten.
Een wolkbreuk hoost over het dorp. De mensen komen doorweekt en drijfnat aan de check-out, en toch klinkt geen sakkeren of klagen. Je leest van zuur en sjagrijn en polarisering, daarvan is hier geen sprake.
Wel is er sprake van schrik. Zo vallen mij de grote plexi-spatmaskers op en bezoekers die latexhandschoenen en zelfs dikke winterhandschoenen dragen. De smetvrees zit er bij sommigen goed in. Ondanks al die maskers, de alcoholpompjes en de injecties denk ik hier amper aan corona, zijn cijfers en zijn besmettingen. Ik denk aan De Mens die hier passeert. Al die koppen, al die kleren, al die voetstappen. Een nooit geziene revue.
's Avonds kom ik op dreef. De rijen mensen, de muziek in de tent, The Band, Bob Dylan, Neil Young, ze doén iets. Ik zwaai, ik wijs, ik ga méé. In de flow. In the zone.
Ik ben snel op mijn gemak tussen onbekenden. Niet op Werchter of Pukkelpop, daar zwerf ik verloren tussen de luidruchtigheid en de uitbundigheid. Maar zet me op een trouwfeest waar ik niemand ken, vraag me als bijzitter bij de verkiezingen, en in zo'n klein bain de foule ben ik in mijn element.
De stroom verdunt en wordt druppelgewijs. Buiten valt de avond. Het silhouet van de spoorweg in de ondergaande zon, de langzaam schuivende goederentreinen, de geur van gras na de regen. M'n shift zit erop.
© Jan Hertoghs
Operatie Binnenwipper
Bij m'n kapper zeg ik dat ik vaxdorp-vrijwilliger ben. Hij maakt een theatraal gebaar, dat er maar "één groot nadeel is aan dat dorp", namelijk dat "een mens niet eens de tijd heeft om al die vriendelijke vrijwilligers te bedanken." En natuurlijk verstaat hij mijn plezier van daar "onder de mensen te zijn". Daarom zal hij ook levenslang kapper blijven. Een kapsalon is zoals een vaccinatiecentrum, en het is beter dan een café, "ge hebt sociaal contact zonder zàt te worden!"
14 mei. M'n derde shift op dat oude spoorwegrangeerterrein. Normaal staat hier de jaarlijkse Sinksenfoor met zijn vele tientallen attracties. Nu is er maar één trekpleister: een spitse naald en zijn rollercoaster aan emoties.
Er zijn shiften van 7 à 8 uur, vandaag is het een "korte" van 4 à 5 uur. Met weer die kameraadschappelijke sfeer: onze straatmeester verifieert de badge van 'zijn' vrijwilligers en roept dan luid: Let's go! Let's go crazy! Wat er vandaag op neerkomt dat we bij de ingang moeten postvatten waar we met stemverheffing aan de mensen moeten vragen om hun e-ticket en identiteitskaart klaar te houden. We zijn de binnenwippers van de vaccinatietent.
Het is een ouder publiek dat voor zijn tweede Pfizer komt en velen hebben al honderden meters van tevoren die gevraagde paperassen in de hand. Eén mevrouw komt met uitgestoken arm vlak voor mij staan en zegt luid: Ik Kom Hier Vandaag Voor Mijn Vaccinatiespuit. Alsof ik die hier en nu ga steken. Zo kinderlijk, zo aandoenlijk.
Dan ontwaar ik Guy Mortier en z'n vrouw Marleen. Lang niet gezien, en een hele uitleg natuurlijk, en zo veroorzaak ik niet alleen een opstopping maar zondig ik ook keihard tegen De Basisregel. Een babbel mag wel, maar alleen "op voorwaarde dat de doorstroming en de dynamiek niet wordt gehinderd."
Dan komt een stortbui. Ons afdak wordt een slagveld waar iedereen vecht met papieren, smartphones en druipende paraplus. Een nonnetje in ouderwets bruin-wit habijt stapt tussen de hekkens. Of ik mag vragen van welke orde ze is. Van de Karmelietessen. Hun kloosterleven is al decennia een quarantaine, slechts uitzonderlijk mogen ze buiten de muren. Wat een contrast, van die stille kloostercel naar deze mallemolen.
Een koppel zeventigers arriveert zichtbaar blij. Hun tweede inenting vandaag! M'n collega-steward zegt proficiat, ik roep hen na "dat ze nu naar de festivals mogen". Het kwaaie gebaar dat ze dan maken! Die versoepeling ligt gevoelig bij deze generatie.
© Jan Hertoghs
Tsjernobylmaskers
Het valt ook op hoe ernstig en plichtsbewust deze leeftijdsgroep is. Sommigen verstijven en houden hun pas in bij elk geel hesje dat ze zien om toch maar geen stap verkeerd te zetten. Hun ernst valt ook af te lezen aan de ordelijkheid van hun documenten. Nog meer dan andere dagen zie ik plastic mapjes met uitgestreken papieren. Op vele documenten is met bic onderstreept, met fluo-stift gemarkeerd en ook nog eens met post-it gekleefd op welke dag en welk tijdstip ze hier verwacht worden. Veel papieren zijn ook geniet om onderweg géén blad te verliezen. De zorgvuldigheid én de schrik om verkeerd te doen op deze cruciale dag.
Maar dan nog kan de verstrooidheid toeslaan. Je vraagt hun "pas" en ze tonen hun bankkaart. Als je dat opmerkt, dan de grote verwarring, en ineens kunnen ze die I.K. zelfs niet meer vinden. Ik ken het zelf maar te goed. Het is de nervositeit van de péage en van de autokeuring, de zenuwen die gaan opspelen als je gecontroleerd wordt.
We staan op zeker honderd meter van de vaccinatiecabines, maar één vooruitziende mevrouw heeft de jas al uit en de schouder reeds ontbloot. Dan twee doemfiguren, beide met een volgelaatsmasker, de grote filter onder hun kin, de dikke straps achter hun oren. Een beeld uit Tsjernobyl. Ik wil hun e-ticket zien, maar voor ik één stap zet, wijzen ze me schuw terug. De grote smetvrees in hun gezichtsschild.
Er zijn nog bange mensen. Een vrouw komt aangefietst "om te zien hoe het eraan toegaat". Ze probeert "nu al aan het gedacht te wennen," want ze moet pas binnen een maand komen.
Dan twee argelozen die twee dagen te lààt komen. Ik stuur ze naar de helpdesk voor een nieuwe afspraak. Die desk is onze toeverlaat, wat zij allemaal aan vergetelheid en complexe paperassen kunnen oplossen!
Eén Antwerpenaar hebben ze allicht niét kunnen helpen. Hij had geen afspraak, geen code, geen officiële papieren, hij had alleen enkele webpagina's over het vaccinatiedorp afgedrukt en daarmee bood hij zich aan. Alsof je in de luchthaven arriveert met de vakantiebrochure als ticket.
De helpdesk: toeverlaat van de “moeilijke gevallen”. © Jan Hertoghs
Surveillant
18 mei. Vierde shift. Vandaag zijn er heel veel jonge vrijwilligers. Ik begin opnieuw bij de check-out, maar kan na een uurtje naar de observatieruimte. In deze "wachtzaal" is er dat kwartiertje post-vaccinale rust om plotse bijwerkingen snel op te vangen. Zo'n "rustgang" telt 70 à 80 plaatsen. Als steward wijs je de plaatsen toe en stel je de mensen op hun gemak. Het is prettig werk, ik ben een ouvreuse uit een ouderwetse cinema, en ik verwelkom met een galant gebaar alsof die dunne klapstoel de beste zetel is.
In wezen ziet die rustgang eruit als een lange wachtzaal van een huisarts. Er wordt amper gesproken, de meesten zijn verdiept in hun smartphone, een enkeling heeft een boek, krant of kruiswoordraadsel. Een paar kleine kinderen zijn met hun mama meegekomen. Een meisje van vier "weet al wat een spuitje is en wat corona is", en een bijdehandje van zeven is de "helper van zijn mama". Zij was bang voor het spuitje, hij is voor niks bang, "met al zijn accidenten heeft ie al veel ziekenhuizen vanbinnen gezien". En hoe vond hij dit injectiedorp? Hij vond er niks aan.
Ik vul een nieuwe rij. Eén man wil niet gaan zitten: "Hier blijf ik niet. Hier is toch niks te doen." Als alle stoelen bezet zijn, staan een moeder en dochter al na enkele minuten weer op. "Waaj gon ni blijve. Waaj voele niks. Waaj zen weg." De hele gang heeft het gezien, ik maak een verontschuldigend gebaar tegenover de zittenblijvers en krijg meteen steun, "dat er overal van die tegenwringers zijn". Ja, het draagvlak van de steward, dat is énorm.
Ik loop traag hen en weer in de gang, geruststellend knikkend, nog even en u mag naar huis. 't Is niet makkelijk om jezelf een houding te geven tussen die wachtenden. Ik wil in géén geval de schoolsurveillant zijn, dus geen gekruiste armen, en geen handen op de rug.
De observatieruimte aka ‘de wachtzaal’: “Kan ik bij u een pintje bestellen hier?” © Jan Hertoghs
Paco Paco
Er komen vragen of dat bonnetje een bewijs is om op reis en op een vliegtuig te mogen. Nee, daarvoor moeten ze wachten op de vaccinpas, dat certificaat komt pas binnen enkele weken. Een vrouw monkelt, "kunnen wij bij u een pintje bestellen?" Ze wil haar man trakteren voor z'n eerste spuit. Ik zeg dat het te moeilijk is om op dit terras 70 bestellingen te noteren.
Iemand heeft suikerziekte en vraagt of het masker af mag om cola te drinken. Dat mag. Een man heeft z'n arm om zijn vriendin, die zit met het hoofd ineengedoken tussen haar handen, "het zijn teveel prikkels, ze kan dat hier niet aan." Ze mogen rustig blijven zitten, ik vraag de EHBO.
Ik vul de gang opnieuw en als de laatsten in hun stoel zitten en ik me omdraai, is het alsof ik een vol vliegtuig zie, met die rijen en koppen achter elkaar en die lege gang in het midden. Deur dicht, gordels vast, zo dadelijk zien we Antwerpen onder ons liggen.
Door de luide ventilatie is de muziek hier slecht hoorbaar, maar ineens klinkt het taka takata van Paco Paco, een ook het pum catapum pumpum. Ik zeg tegen een koppel dat ik zin heb in een paar moves, ze knikken allebei bemoedigend, "laat u gaan, jong, laat u efkes volledig gaan!" Ik durf niet, het is hier niet echt een trouwfeest. "Natuurlijk is het hier wel feest," zegt hij, "wij hebben zojuist onze tweede prik gekregen."
Vamos a la playa
Om de minuut mag een tiental mensen vertrekken. Een jonge gast staat al naast zijn step voor een vliegende start. Ik wens alle vertrekkers een goede avond, van overal klinken groeten en dank u, en de duim omhoog. Een vrouw bedankt nadrukkelijk. Ze is knap, kijkt me vol aan en "dat het geweldig is dat jullie zo vriendelijk en behulpzaam zijn". Ik bloos.
Dat vertrek uit de wachtruimte (ook "het lossen van de duiven" genoemd) mag elke steward naar believen aankondigen. Als het 17u12 is, zegt eentje dat "de winnende lottogetallen 17 en 12 zijn". Een andere heft zijn armen, iedereen kijkt op en hij roept als afscheid: Vamos a la playa!
Het is intussen zo druk dat een extra observatietent open moet. Hierrrlangsss Damesss en Heeeerrre! Allez Roulez! De steward zegt dat het bijna Sinksen én Sinksenfoor is, "dus ik blijf in de traditie".
Er is een "piek" bij de vaccinatoren, ze zoeken een extra steward. Ik word kort gebrieft. Er zijn 48 "injectie-cabines" (ook "de kottekes" genoemd) en in elke gang zijn vier stewards verantwoordelijk voor zestien cabines. Zo gauw een cabine vrijkomt, steek je de hand op en mag de volgende bezoeker komen. Dat is continu zwaaien, verwelkomen en de vaste uitleg herhalen over de documenten en de bovenarm die vrij moet. Het tempo ligt hoog, het is haasten van cabine naar cabine. Dit is het hart van het vaccinatiedorp. Hier wordt het virus de pas afgesneden. In pashokjes.
“Waar ik een hekel aan heb, zijn mannen met hemden en lange mouwen.” © Jan Hertoghs
Tattoo-prik
Een bevriende arts vertelt haar ervaring als vaccinator-vrijwilliger.
"Ik babbel gemakkelijk en de mensen hebben dat graag. Het ontspant, het leidt af, het mindert de schrik. Als babbelen niet helpt, mogen ze in mijn ogen kijken, ook een goéie afleiding!
Er is zeker ook schrik voor "den Astra" en die bijwerkingen van dat vaccin, maar de schrik is er vooral voor de naald. Zo had ik een oudere Marokkaanse man, zijn ogen dicht en maar bidden-bidden, en ineens vraagt hij: wanneer begint u? Ik zeg: meneer, het is al gedààn!
Een vrouw zei dat ze heel bang was, maar dat ze al gekalmeerd was, ze had zojuist een paracetamol genomen. Een kalmeermiddel dat ik als arts zelfs niet ken. (lacht)
En de mensen zijn zo gelukkig. Soms zelfs ontroerd. Want met dat vaccin valt er een last van hun schouders. Eindelijk terug de vrienden en de familie zien. En ze bedanken mij hé. Ik ben dat dorp. Ik heb daar alles geregeld zodat zij hun spuitje konden krijgen!
Ik vind dat geweldig, al die verschillende mensen die je ziet. En het is prettig werken met de andere vaccinatoren: artsen en verpleegkundigen die op pensioen zijn of die hier na hun uren komen. En ook verpleegkundigen in opleiding; die hebben een prima leerschool: het prikken zelf, het omgaan met mensen, het leren kennen van allergische reacties.
De enige mensen waar ik een hekel aan heb, zijn mannen met een hemd. Terwijl gevrààgd is: loszittende kledij! En dan doen ze de drie bovenste knoopjes los en dan staan ze te wurmen om hun schouder bloot te krijgen. Wat niet lukt. Zenuwachtig rollen ze dan hun mouw op, nog dwazer! Want je geraakt niet tot boven, en je knelt ook nog eens je bovenarm af.
Hoeveel tattoos ik gezien heb? Heel veel. Versierde voornamen vooral, en gelukssymbolen, draken en fantasy. Een enkele keer moet het naast de tattoo, maar meestal is het hup, los erin! Grappig is wel dat sommige van die stoere binken met hun ogen dicht staan van de schrik."
Ze gaat de komende weken blijven vaccineren, maar wel minder shiften per week doen, "want zo'n zeven uur rechtstaan, dat is best wel zwaar."
Mijn shift zit erop. Met vermoeide voeten stap ik naar de fietsenstalling. Het is half elf. De maan boven de stad, de silhouetten van de slapende tenten, je zou zo'n vaccindorp bijna romantisch gaan noemen.
Sabeltandtijger
21 mei. Vijfde shift. In de observatieruimte is een gedeelte voor mensen die minder mobiel zijn, dat heb ik onder de hoede. Deze middag is storm opgestoken. Alles steunt en kraakt in dit tentendorp en de plasticwanden waaien over en weer als rietstengels. Sommige "inzittenden" kijken enigszins ongerust naar mij, "amai meneer, dat is hier nogal een ambiance!"
Dat steunen en kraken heeft wel iets, het dorp is een groot zeilschip. Dan beginnen ook de grote spots onregelmatig te flikkeren en niemand blijft één minuut langer zitten dan nodig, "niet dat ik het hier niet plezant vind, hé vriend, maar ik ga toch liever naar huis." De vrouw die ik met de rolstoel naar de taxipost duw, heeft nu al compassie met mij: "Gij kunt hier niet blijven, jongen. Gij gaat wegvliegen met tent en al!" M'n collega-steward heeft al erger meegemaakt: "In maart! Toen kwamen zelfs de vloeren omhoog en is het dorp geëvacueerd moeten worden."
De stormachtige bui is voorbij. En vandaag passeert weer een scala aan mondmasker-prints. Redelijk veel voetbalclubs (overwegend roodwit, amper paarswit), plus de onvermijdelijke hartjes, smileys en bloempatronen. Eén drager is schriel en mager, maar op zijn mondmasker brult een sabeltandtijger met opengesperde muil en gevaarlijke slagtanden. Hij vertelt minzaam dat hij thuis "ook nog een wolf en een indianenopperhoofd heeft". Soms is een mondflap een Harley.
Een dochter arriveert met de mama in een rolstoel. Ze zijn opgewekt, "door de toffe muziek hier, 't is nu Michael Jackson!" De mama zegt, ik krijg goesting om te dansen, soms danst ze in haar living, "draaiend met de rolstoel en met de poezen op mijn schoot." Dat is ook het vaccinatiedorp, je komt in zoveel huiskamers.
“Gaan zitten en ontspannen? Ik ben weg. Hier is niks te doen!” © Jan Hertoghs
Van Ranst
Om half zes gaat de tent opnieuw tekeer bij een tweede stormvlaag. Nu gaan ook de dakspanten op en neer, de spots slingeren, de ventilatoren zwaaien. Af en toe klinkt een geweldige klap, niemand weet waar die vandaan komt, vele ogen kijken bevreesd naar de nok, een steward zegt dat de tent "berekend is op 100 à 120 km windstoten". Eén man zegt droogjes: "Dat is toch wat Van Ranst wil. Genoég ventilatie".
Ook een jonge vrouw lacht de ongerustheid weg: "Dan denk je, ik ben veilig, ik ben gevaccineerd en dan vallen hier de ijzeren balken op je kop!"
De storm luwt. Een scriptor van de check-out komt met een paraplu, de eigenaar zit allicht nog in de 'wachtzaal'. En zo loop ik tussen de lange rijen die wachten en zwijgen, "of iemand deze paraplu herkent?" Na honderd ogen zal ik 'm zelfs majorettegewijs rond m'n hand laten draaien. Eén wachtende is heel blij, ze wist niet dat ze hem had laten staan.
Na de paraplu draai ik met m'n duimen. De avond brengt een jonger publiek en amper rolstoelen. Op de vele schermen duren de minuten heel lang. Niks te doen, ik kijk afgunstig naar de stewards die pijl en wegwijzer zijn. De laatste die ik help, is een zwangere vrouw met een voetbrace. Ze woont nabij Geraardsbergen, het was "twee uur rijden met de files". Ze stond op de lijst van Qvax, kreeg vandaag telefoon met het adres in Antwerpen, haar schoonmoeder kon rijden, en hup 100 kilometer naar hier. Ze heeft geen seconde getwijfeld, ze wilde absoluut een vaccin. Niemand begrijpt waarom ze naar het verre Antwerpen is gestuurd. De wegen van Qvax zijn ondoorgrondelijk.
De shift is gedaan. Buiten plaatsen stellingbouwers een grote selfie wall. Die zal spiegels hebben, en zo zal het dorp een blinkend landschap zijn bij elk zelfportret.
De datum: 2021.
Het Jaar van de Naald.
<w> Bij de dood van Dixie Dansercoer (58): over ijs en kou en mentale veerkracht
Dixie Dansercoer is overleden. Tijdens een expeditie op Groenland. Gevallen in een gletsjerkloof. Zijn lichaam zal misschien nooit geborgen kunnen worden. Dixie was thuis in sneeuw en ijs, men zal geneigd zijn het een “mooie dood” te noemen, , maar die gedachte wil voorlopig niet wennen. Ik zag Dixie als een survival kid, jongensachtig, grappen makend, relaxed, altijd enthousiast en altijd grondig voorbereid. Iemand die de dans zou ontspringen, iemand die nooit zou neerstorten van het slappe koord. Dat is nu een in memoriam.
Ik heb Dixie enkele keren geïnterviewd. Hieronder een: Humo-gesprek uit 2002 aangevuld met een interview uit 1998 (samen met zijn compagnon Alain Hubert). Daarin vertelt hij onder andere over het mentale gevecht met het ijs en met de kou, en hoe je kan leren om tegenslagen te incasseren, op het poolijs en in het dagelijkse leven.
Humo 5/2/2002 herwerkt en ingekort - © Jan Hertoghs
(bron: Compaq)
“De sterkste momenten in mijn leven heb ik doorgebracht in de natuur.”
Na hun vorige expeditie in de winter van ‘97-‘98, toen ze 3.900 kilometer aflegden over het ijs van Antarctica, gaan Alain Hubert (48) en Dixie Dansercoer (40) binnenkort op de noordpool af voor een Ultimate Arctic Crossing: een nooit eerder uitgevoerde oversteek van 2.400 kilometer over het drift- en pakijs van de Poolzee. Het tweetal wordt onderweg nergens bevoorraad en wil de afstand in honderd dagen afleggen, going on is going far! Het vertrekpunt in februari zijn de Nieuw-Siberische eilanden, de aankomst is in mei gepland op Ellesmere Island, een eind ten noorden van Canada. Humo zette een muts op en trok naar de polaire persconferentie in Sint-Petersburg.
Het vliegtuig landt. Er ligt wat sneeuw op de magere akkers, de roestige treinwagons en de bruine dennenbossen. Een autocar brengt ons naar de stad, daar is de sneeuw al gesmolten door de dooi. Het water drijft van de straten, de bomen zijn zwart, de bussen hebben droefgeestige reizigers achter de bedompte ruiten.
Een bezoek aan het Arctisch en Antarctisch Museum. Door krakende deuren en in hout gevat glas komen we in galmende zalen waar de Russische poolexpedities zijn vereeuwigd. Er hangen indrukwekkende schilderijen van mannen met grote snorren en bontmutsen die houten sloepen over het ijs sleuren. Er staan ijsberen en poolvossen in een glazen kast en er is een bivaktent waarin ooit overwinterd is, de marconist zit nog gebogen onder zijn koptelefoon. Dit is een heldhaftig museum. Nergens zakt een pionier door het ijs, overal worden elementen getrotseerd, vlaggen gehesen en mannen omarmd. In de grote zaal staat een gipsen maquette van de noordpool die zachtjes om haar as kan draaien, er drijven ijsschotsen rond, het zijn stukjes glas. De gids wijst met een stok het traject dat Alain en Dixie zullen volgen; wat op de maquette één meter is, zijn in werkelijkheid 2,4 miljoen meter to go.
Ingescand uit Humo
Humo: Wat zijn de verschillen tussen de noordpool en Antarctica?
Alain: « De noordpool is lastiger. Het is er veel vochtiger, wat maakt dat we de kou harder zullen voelen, en het terrein is ook meer ‘opgebroken’ omdat het ijs constant in beweging is. Die ruwheid maakt het ook moeilijker om ons voort te laten trekken door onze power kite (een ultralicht en bestuurbaar zeil dat aangedreven wordt door de wind, jh).»
Dixie: « Het wordt trekken en sleuren met de slee. Vandaar dat ze mij in mijn dorp Huldenberg nog meer in dat gareel hebben zien trainen: ik liep daar met zware autobanden én velgen achter mij aan, door het slijk en over de kasseien, heuvel op en heuvel af.»
Humo: Bestaat er op de noordpool een plek met eeuwig ijs?
Dixie: « Onmogelijk. Het oudste ijs is vier-vijf jaar oud. De noordpool is een bevroren oceaan van acht miljoen vierkante kilometer die de hele tijd in beweging is. Dat scheurt en breekt en stoot tegen mekaar, dat verbrijzelt en verdwijnt, dat is dus een zéér geaccidenteerd terrein.»
Alain: « Er zijn ook geen landkaarten van de noordpool, dat landschap verandert van dag tot dag.»
Dixie: « Je hebt zeestromingen die de ijsvelden helemaal in stukken kunnen breken, en je hebt schotsen die over elkaar heen schuiven tot een hoogte van zes meter. Zes meter ijs, dat is een muur hé! We zullen dus constant doorgangen moeten zoeken, en zo moeten navigeren dat we toch de juiste koers aanhouden.»
Humo: Gaat het ijs slechter worden naarmate jullie vorderen?
Dixie: « Er zijn ruwweg drie periodes. In het begin zal de zon maar een paar uur schijnen met temperaturen onder min dertig. Bij die kou krijgt het ijs zo’n structuur en zo’n frictie dat het de slee zal afremmen. Als de dagen dan langer worden en de zon meer gaat schijnen, krijg je temperaturen tussen min dertig en min tien en heb je perfect glijdend ijs. Naar het einde toe zal het stilaan naar nul graden gaan en dan krijg je zwaar ijs, traag ijs en ook meer open watergeulen die we zullen moeten oversteken.»
Alain: « Veel hangt af van de opwarming van de aarde. Sommige wetenschappers hebben ons gezegd dat het poolijs de laatste tien jaar gemiddeld 40% minder dik is geworden! Dat wil zeggen dat er steeds meer jong ijs komt, dat in de winter gevormd wordt, maar de zomer niet overleeft. En dat is een risico voor ons, want dat betekent meer kans om door het ijs te zakken.» Dixie: « Toch zullen de eerste weken de zwaarste zijn. De sleden zijn dan nog volgeladen, de dagen zijn nog kort, en het terrein zit vol breuken omdat we nog dicht bij het land zitten en er meer ijs tegen mekaar wordt opgestoten.»
'Haal eens vierhonderd blokken ijs uit je koelkast, gooi ze door elkaar op een tafel en stel je een kleine mier voor die zijn weg moet banen door die wildernis van ijs. (uit 'De Witte Hel' het verslag van een eerdere noordpoolexpeditie van Alain Hubert en Didier Goetghebuer)
Magnum 44
Humo: Hoe bereiden jullie je voor op extreme kou?
Dixie: "We voelen de kou, maar we verwerken hem mentaal op een meer berustende manier. Dat was al zo op de zuidpool. We zien die kou niet als een vijand die ons tegenwerkt of doet afzien."
Alain: "Wij staan niet te sakkeren van: zie me hier staan, ik verga van de kou!"
Dixie:" Wij zien die kou en die snijdende wind als iets dat nu eenmaal bij de pool hoort. En zodra je dat aanvaardt, bleek die kou veel minder te bijten. Het was een vorm van innerlijke rust en zelfbeheersing waarop ik vooraf ook getraind had. Als ik op mijn duim sloeg met een hamer of mijn hoofd stootte, dan ging ik geen au! of shit! roepen. Ik hield die impulsieve reacties tegen, ik liet me niet gaan. Ik probeerde steeds mijn kalmte te bewaren. Het zijn yoga-technieken en dat bewaren van die rust heeft ons sterk geholpen."
Hubert: "Ja, dat was onze toverdrank. Die heeft ons over alle dramatische momenten heen geholpen."
Dixie: "Hoe groot de merde ook was, met een zeil dat hopeloos in de knoop zat na een valpartij, toch meldden we in ons vestzarkadiootje: "Cool. No problem. Seffens gaan we een pintje drinken hier om de hoek."
Humo: Wat doe je bij een close encounter met een ijsbeer?
Alain: « Elke expeditie komt twee tot negen beren tegen, maar er is nog nooit iemand gedood. ‘s Nachts kan zo'n dier natuurlijk ongezien naderen, maar we gaan zeker niet wachtlopen. Beren naderen tegen de wind in, dus dan gaan we de ingang van de tent niét tegen de wind in zetten.»
Humo: Hebben jullie een geweer bij je?
Alain: « Een geweer was teveel gewicht ineens. We hebben een handwapen, een Magnum 44. Dat vraagt natuurlijk een heel andere schiettechniek en die zijn we gaan oefenen in een schietclub.»
Dixie: « Je moet dat geoefend hebben. Het is niet genoeg dat je dat wapen meeneemt, je moet dat ook kalm kunnen gebruiken, (mikt denkbeeldig met twee gestrekte armen), je moet die knal al eens gehoord hebben, die agressie en die terugslag van dat wapen gevoeld hebben. Je moet dat under control hebben. Want precies in die precaire situaties moet je d’r stáán en niet gaan aarzelen of twijfelen.»
Alain: « We gebruiken dat wapen alleen maar als hij op ons afkomt. We nemen wel patronen mee om eventueel op zeehond te jagen; ik heb het geoefend bij de Inuit op Groenland, en dat valt te proberen als ons voedsel opraakt.»
Dixie: « Zie jij ons jagen?! Dat is toch veel te lang wachten en stilstaan tot ergens die zwarte neus boven water komt, dat is toch té tijdrovend?!»
Alain: «Zeehond is lekker. Aan de buitenkant zit veel vet, maar het binnenste is als rundvlees. Dat is een goeie afwisseling in ons menu?! Ik wil zelfs vissen op het ijs.»
Dixie: « Vissen? Jagen? Maar allez, Alain, straks gaat ge nog wonen op dat ijs!»
***
Het ijs is maar enkele centimeters dik, soms zakken de platen wat dieper onder mijn stappen, soms golft het ijs lichtjes als was het slechts wit papier op het donkere water. Ik sta in het midden van het flinterdunne meer van zowat tienduizend m2 en ik moet er overheen.' (De Witte Hel, p. 109)
(Bron: Compaq)
Alain: « Het water is onze grote vijand. Als je in het water valt, is de kans op onderkoeling en een snelle dood zeer groot. Dus je moet vlug uit het water, maar daarmee is niet alles opgelost, want in de poolkou is het verschrikkelijk moeilijk om je kleren en je schoenen te drogen. Je moet dus vermijden dat je kleren nat worden, en de plaats waar het eerst water binnendringt is de schoen. Daarom hebben we speciale schoenen laten ontwerpen die naadloos overgaan van de ski’s naar onze broek. Aan die schoenen is vier jaar research voorafgegaan, en het resultaat is dat we nu tot aan onze heupen in het water mogen zakken voor er vocht binnendringt.»
Humo: Voor jullie sleden hebben jullie ook nieuwe materialen en een nieuwe vorm moeten uitproberen.
Dixie: « Ja, eerst ga je op zoek naar het geschikte materiaal - onder andere kevlar en kunsthars - en daarna test je dat materiaal om te zien of het een koude aankan van min vijftig, en of het bij die temperatuur schokken, inkervingen en torsies kan verdragen. Dat zijn de eerste tests, en die doen we in een diepvrieskamer in België. Pas in een latere fase zijn we op echt ijs gegaan in Siberië. Daar ben ik vorig jaar twee weken geweest, samen met Bernard (Bleeckx, de ontwerper van de sleden, jh). En daar hebben we álles gedaan met de slee: trekken, sleuren, botsen, laten vallen, kortom een volledige crashtest op het ijs. Eerst zag het er wel niet ruw genoeg uit, er lag te veel losse sneeuw, en toen zijn we naar de plaatselijke brandweer gegaan om water over die sneeuw te laten spuiten. Dan kreeg je vanzelf een keihard terrein vol bulten en putten.»
Humo: En wat zegden die Sibériens? You are crazy!
Dixie: « Nee. ‘t Is honderd dollar! (lacht)»
Alain: « Die slee is voor ons van kapitaal belang. Tot hiertoe zijn alle noordpoolexpedities van de laatste jaren maar ten dele in hun opzet geslaagd, omdat er een breuk of scheur in hun slee was gekomen. Als je dus een slee hebt die incassable is - touchons bois! - dan is dat een heel belangrijke psychologische stap. Want als je honderd procent zeker bent, honderd procent gerust bent, dan kan je dat probleem schrappen in je hoofd, en zo schep je ruimte en rust in je geest. Als jij in een auto rijdt waarvan je denkt dat de banden elk moment kunnen klappen, dan rij je ook niet gerust!»
Dixie: « Met de vorm die we nu hebben, heeft de slee iets van een kogel én van een slang, ze vertrekt onmiddellijk als je aan het touw trekt en tegelijk schuift ze in elke geul, in elk handig spoor, in elk stukje ijs dat glad genoeg is om vooruit te geraken. ‘t Is echt een vernuft wat Bernard ontwikkeld heeft. De sledes kunnen ook als boot gebruikt worden als we watergeulen moeten oversteken. Met onze ski’s kunnen we de beide sledes zo aan mekaar vastmaken dat we een stabiele catamaran hebben.»
Alain: « En je doet die research voor de grote slee, maar ook voor het kleine cellofaantje waar ons voedsel in verpakt is. Dat cellofaan komt van een Bretoens bedrijfje, dat zet uit of krimpt naargelang van de omringende temperatuur en dat is belangrijk, want zo kan de verpakking van ons eten nooit scheuren. Het levert ook geen stapel afval op. Na het eten houden we het cellofaan boven een vlam, en whoop, er schiet niet meer dan een granule plastic van over. Wat ook weer plaats bespaart in onze slee. En zo ga je heel de tijd te werk. Voor elk stukje uitrusting zoek je het beste materiaal, voor elk probleem zoek je de beste oplossing. »
Dixie in de Russische helicopter bij de persconferentie (Compaq)
Mezenbol
Vannacht is de temperatuur in Sint-Petersburg tot acht graden onder nul gedoken, alle water op de trottoirs is glad bevroren, ik duik in mijn jas en in deze vreemde stad. Het is nog bijtend vroeg, maar in het naamloze donker van de ochtend haasten de Russen zich al naar hun werk, een tram kaatst zijn blauw elektrisch licht tegen de duistere huizen, vanaf het metrostation stappen duizenden de stappen die ze ook gisteren nog hebben gezet. Zo kijkend naar de mensen begint het weer heel onnozel Kalinka! Kalinka! te neuriën in mijn hoofd, ik kan er niks aan doen, het heeft met lange jassen en dikke mutsen te maken, en verrek, daar loopt ineens ook een soldatenkoor! Werkelijk een kolonne van wel tweehonderd soldaten, ieder met een lange uniformjas en een valiesje, rekruten en hun refrein van rappe laarzen in de stille straat, de laatste heeft een rood lampje, dit is Rusland, en daar valt al de eerste sneeuw.
Om elf uur stappen we in twee gecharterde Mi-8-helikopters. We landen na een halfuur vliegen op het Ladoga-meer, tweehonderd kilometer lang en dertig centimeter dik bevroren. De sledes worden van boord gehaald, Alain en Dixie trekken hun kap met wolvenpels over het hoofd, en dan breekt een klein mediacircus los als de vijf cameraploegen hun eerste stappen op het ijs willen filmen, het moeten beelden van een splendid isolation zijn, dus al die andere koppen en lijven moeten weg, wég uit hun beeld!
De beelden zijn gemaakt, de sleden gedoopt met Russische champagne, en dan is het tijd voor de lunch. Die bestaat uit een diepvrieszakje met het standaardproviand van de expeditie: een tablet van 67% plantaardige vetten vermengd met gemalen noten, zaden, granen, en wat vet en vezels van kip en kalkoen. Driemaal daags zullen ze zo’n plak aanbreken, meestal aangevuld met een kleine portie chocola, kaas of puree. Ik eet mijn polaire rantsoen met smaak, het ziet er misschien uit als een platgedrukte mezenbol, maar het smaakt naar muesli en gesmolten boter.
Dixie en Alain hebben intussen hun iglotentje opgeslagen volgens het onwrikbare ritueel dat ze de hele expeditie zullen volhouden.
Dixie: « Zo’n tent opstellen of afbreken, dat moet in rust en kalmte kunnen gebeuren. Vandaar dat we elke beweging, elke handeling verdeeld hebben tussen ons beiden. Ik pak een draagstang, Alain een bindstuk, tsjik tsjak, de twee delen in elkaar, en zo vergissen we ons nooit, zo gaat niks verloren of kapot, en zo vermijden we tijdverlies en ergernis.
Bron: Compaq
Humo: Hoe kijk je aan tegen die 2.400 kilometer?
Dixie: « Zeker niet als heen en weer naar Zuid-Frankrijk, of vijftig keer van Brussel naar Antwerpen. Je mag niet met kilometers in je hoofd zitten, want dan ga je de verbruikte energie van één dag altijd afmeten aan de afstand, en soms zal dat tegenvallen, en dan word je ongedurig, dju, we hebben maar zo weinig gedaan! Je kan je beter concentreren op de stappen die je zet. Dat je ze vloeiend zet, dat je met stijl vooruitgaat. En dan kan je in die herhaling plezier vinden, je kan er zelfs energie uit putten. Als je de kilometers gaat aftellen, dan wordt het letterlijk afmalen, dat is dom, dat vréét aan je energie. En natuurlijk kan je ritme stokken, je kan pijn hebben en doodmoe zijn, maar voor die moeilijke momenten heb ik mantra’s om op te zeggen. Zo één zinnetje van mijn vrouw Julie is: dreams take work - en dat zinnetje blijf ik dan herhalen, dat dromen inderdáád een inspanning vergen, en vaak dooft zo’n repetitief zinnetje dan ook mijn pijn.»
***
'Hoe vreemd het ook lijkt, ik moet het vorderen op dit pakijs niet belangrijker achten dan mijn dagelijkse taken in België. Als ik dat niet doe, besteed ik te veel energie aan het vergelijken van mijn mars in deze vijandige omgeving met de gerieflijkheden van thuis en de warmte van mijn gezin. Ik neem me dus voor om mezelf in de komende maanden te beschouwen als een doodgewone ambtenaar van het pakijs.' (De Witte Hel, p.38)
Humo: Dixie, jij hebt nu al constant een film van de expeditie in je hoofd.
Dixie: « Ja, ik zie mezelf voortdurend op het ijs. Ik kom bijvoorbeeld in een winkel, ik zie een paar wanten liggen, ik voel aan dat materiaal, en in gedachten neem ik die mee op het ijs, ik doe ze aan en uit, ik zie of ik ze snel en makkelijk kan wegstoppen, van die dingen. In mijn ‘film’ - die al drie jaar in mijn hoofd loopt - ben ik ook al dikwijls in het water gevallen, en de ene keer word ik gehinderd door de slee, dan weer door een ski, en telkens bedenk ik een scenario om op het droge te geraken. Dus als ik straks in het water val, dan ben ik niet angstig of verrast, dan schieten er tien scenario’s door mijn hoofd om snel weer op het vaste ijs te geraken. Als ik iets lees, hoor of zie dat nieuw én nuttig is, dan verander ik het scenario: ik schrap beelden en ik monteer er andere in de plaats.»
Humo: Is het een kleurenfilm?
Dixie: « Efkes zien... Ja, ‘t is in kleur. En ik heb ook geluid. En het is ook een langspeelfilm hé, 2.400 kilometer!»
Humo: Op de persconferentie zei je dat je veel geleerd had van eenzame bejaarden, ernstig zieken en gevangenen.
Dixie: « Ik ben niet speciaal naar ziekenhuizen en gevangenissen gegaan om mensen te interviewen die ervaring hebben met geïsoleerd zijn of met pijn lijden. Maar met de jaren en met de voordrachten die ik overal gaf, ben ik toch in die instellingen geweest, en vaak wilden de mensen met de meeste pijn en de meeste eenzaamheid nog napraten met ons. Die voelden zich het sterkst aangetrokken door ons verhaal. In Leuven-Centraal zijn Julie en ik na een voordracht in contact gekomen met een paar keiharde kleppers, en dat was heel leerrijk, hoe zij aan hun isolement proberen te ontsnappen. Zo was er een gast die met zijn luttele franken aandelen kocht op de beurs, die volgde de koersen, die las de Financieel Economische Tijd, voor hem was dat een manier om te dromen, om vooruit te gaan ondanks zijn opsluiting. Zoiets doet nadenken, dat je in de meest hopeloze en geïsoleerde omstandigheden toch nog een hoopgevende activiteit kan verrichten. En al die dingen schrijf ik op in een boekje. Het houdt nooit op, ik zit altijd met die expeditie in mijn hoofd. Overal waar ik kom, I’m always on the lookout.»
Alain: « Die mentale voorbereiding is uiterst belangrijk. Een volgehouden expeditie drijft 20% op fysieke kracht en 80% op mentale weerbaarheid.»
Bron: Compaq
Humo: Compaq heeft er zo’n 400.000 euro voor over om jullie naar de kou te sturen. Hebben jullie er al over nagedacht dat daklozen élke dag en zonder één cent in de kou moeten leven?
Dixie: « Jazeker, en daar heb ik het moeilijk mee. Wij leven in luxe en goedverwarmde huizen en wij gaan dan de kou 'trotseren'. Maar ik troost me met de gedachte dat we dat niet alleen voor onszelf doen. Met de ervaringen die ik opdoe, ga ik straks - samen met Julie - cursussen geven. Niet om de mensen ook naar de noordpool te jagen, maar om ze op zoek te leren gaan naar de passies en de dromen die ze in zich dragen en die ze vaak niet uitvoeren vanwege verplichtingen als werk en gezin.»
Alain: « Zo’n expeditie is een geweldig avontuur voor jezelf, maar je moet er méér mee doen. Die expeditie moet een inspiratie zijn. Dat duurzame, dat ecologische, dat zuinig omspringen met energie. Op 2.400 km geen vliegtuigen, geen fuel en geen verspilling nodig hebben, dat is een belangrijk idee. Dat alleen mankracht én verbeelding ons vooruit brengt!»
Dixie: « Die simplicity, dat beeld van twee gewone mensjes die een sleetje over de pool trekken, dat is ook waarvan ik hou.»
Humo: Jullie expeditie kost jaren voorbereiding. In hoeverre is zo’n onderneming nog een jongensdroom?
Alain: « De volwassene die nu de noordpool oversteekt is niet meer dat jongetje dat in de Ardense bossen liep te dromen van Jules Verne, Jack London en Scott en Amundsen, maar het is nog wel datzelfde kind dat graag in de natuur verdween om onbekend terrein te verkennen en zo zijn grenzen te verleggen. En als ik straks op de pool sta, dan ga ik een intens geluk voelen omdat ik op een terrein kom dat me extreem onbekend is. Dat ijslandschap dat nooit hetzelfde is, dat altijd verandert en altijd bougeert, elke dag en elk uur, ik heb dat nodig. Ik moet in mijn leven periodes hebben dat ik een grens kan verleggen, en dat lukt het beste in een omgeving waarin ik me heel klein en heel nietig voel.»
Dixie: « Ik heb dat wel, dat ik mezelf terugzie als kind. Dat zijn vaak enorme golven van nostalgie, je zit ‘s avonds in dat pooltentje, het komfoortje brandt en ineens zit ik weer bij de scouts en bij het kampvuur, dat kan me heel intens overvallen. De sterkste momenten in mijn leven heb ik doorgebracht in de natuur. Eigenlijk wil ik constant nabij de natuur zijn, vandaar dat Julie en ik erover denken om in de bergen te gaan wonen. Daar is een vanzelfsprekende rust en harmonie.»
uit de tv-reeks De Poolreizigers 2003 -Dixie als noordpoolgids voor Mathias en Dieter Coppens
Humo: Nemen jullie gezelschapsspelletjes mee voor ‘s avonds?
Dixie: « Ja, alvast een spel kaarten en een blaadje met een aantal spelregels. Op Antarctica hadden we ook kaarten mee, en dan wilden we fretten, maar geen van beiden kende nog de spelregels (lacht). Misschien nemen we ook weer de keukendoos mee met op de onderkant een dambordpatroon; als damschijfjes gebruiken we witte en gekleurde stukjes papier.»
Humo: Vorige keer had je een boekje met met allerlei notities van vrienden.
Dixie: « Mijn vrouw Julie heeft weer zo’n poëzie samengesteld met foto’s, korte passages uit boeken, anekdotes over zeer intense momenten in ons dagelijks leven, en ook briefjes van vrienden. Maar het moeten wel nadenkertjes zijn. Dus niet Sterkte Dixie!, want dat haalt niks uit. En ik neem ook nogal wat muziek mee. Geen emotionele of trage nummers, want dan val ik in een put, maar energieke muziek van Steve Vai, Herbie Hancock, Pearl Jam, en ook nog wat jeugdsentiment van Deep Purple.»
Alain: « Als je het maar voor jezelf houdt, hé Dixie!»
Dixie: « La même chose hein, met al die Franse chansons van u!»
Humo: Jullie zijn twee zeer uiteenlopende karakters. Alain is de leidersfiguur, de radicale idealist, Dixie is meer de pragmaticus, de man van de joke en de kwinkslag.
Alain: « Ja, ik ben ook explosiever en sneller gestrest, terwijl Dixie meer relaxed is, meer laidback. We zijn heel anders en juist daarom ook zo complementair. Als ik sakker of uitvlieg, is Dixie de enige die dat kan incasseren en relativeren. Dixie anticipeert ook meer dan ik. Hij is vooraf bezig met die film in zijn hoofd. Ik ben impulsiever, instinctiever, ik zal wel zien als het moment daar is. Als ik straks over dat ijs stap, dat soms zo dun is dat het als een rubberen mat begint te golven, dan word ik als een dier in de wildernis, voorzichtig stappend, heel alert, helemaal toegespitst op die omgeving. Ik ben benieuwd hoe jij gaat reageren op dat onrustige terrein, Dixie. Want jij hield toch zo van die uitgestrekte vlaktes van de zuidpool, waar je urenlang kon zeilen over sneeuw en ijs? Voor jou was dat bijna een meditatie.»
Dixie: « Ja, en als blijkt dat we maar weinig kunnen zeilen en heel veel moeten stappen, dan zal dat een domper zijn voor mij, maar tegelijk ben ik heel benieuwd naar dat altijd veranderende ijs. Ik kijk uit naar dat spektakel, ik zal tegen dat ijs zeggen: laat maar eens zien wat je kunt, show me! entertain me!»
Gazet Van Antwerpen 2001
Humo: Toen jullie in 1997 je gezin vaarwel zegden, hebben jullie toen niet gedacht: misschien zie ik ze nooit meer weer?
Alain: "Absolument pas."
Dixie: "Dat komt gewoon niet in je op. Er is maar één gedachte en die is: wij geràken op onze bestemming. Zelfs in de moeilijkste momenten heb ik nooit aan een ongeluk gedacht. Je twijfelt nooit! Geen moment!"
Alain: "Dat klinkt pretentieus, maar dat is het niet. Zodra wij op het ijs stonden, hebben wij ons ook heel heel klein gemaakt. Wij waren geen veroveraars, nee, wij waren kleine fragiele mensjes met een nietig sleetje op een continent van sneeuw en ijs."
Dixie: "Geen helden dus, geen onoverwinnelijke supermensen. Maar gewone stervelingen, dat zijn wij, en wij hebben een diep ontzag voor de krachten van de natuur. En in onze expedities zijn we totnutoe geslaagd, maar bij een volgende confrontatie met de natuur draait het misschien heel anders uit."
Humo: Wat gaan jullie tegen mekaar zeggen als je de eerste voet zet op het ijs?
Dixie: « Niks pathetisch, niks dramatisch, gewoon: kom schat, d’r is werk aan de winkel!»
Nawoord: Er is een bijzonder boek over de drang naar expedities en het verlangen naar het poolijs, en dat is de biografie van Knud Rasmussen, die opgroeide in een Inuit-gemeenschap op Groenland. Rasmussen ondernam in de eerste helft van de 20ste eeuw meerdere poolexpedities en ontsnapte enkele keren aan een tragische dood. De kern is evenwel: je thuis voelen daar waar alles ontbering en eenzaamheid is. (Stephen R. Bown “Witte Eskimo -Knud Rasmussen” - naar het hart van de noordpool)
Er is ook het verhaal van de Britse klimster Allison Hargreaves. Zij stierf als jonge dertiger dicht onder de top van de K2, de tweede hoogste berg ter wereld. Dat was in 1995 en haar lichaam kon nooit gevonden worden. Haar man en de twee kleine kinderen gaan niettemin dat bergmassief beklimmen om “het graf van mama te bezoeken vanuit de verte”. De BBC maakte er een ontroerende tv-docu over (Allison’s Last Mountain, 1996) en er is ook het boek : One And Two Halves to K2: Alison Hargreaves' Family Retrace Her Final, Fatal Journey .
Wie meer over de “roeping/verslaving” van berg- en ijsklimmen wil lezen, met zijn narrow escapes, kan ik het werk van de Britse alpinist-schrijver Joe Simpson aanbevelen. O.a. “De smekende stilte”.
Interview met de allereerste Mol (1999)
Morgen zal één van de vier kandidaten in de tv-reeks "De Mol" moeten afvallen. Dan blijft nog het drietal over dat naar de finale gaat op zondag 9 mei.
De allereerste reeks van de Mol kwam rond de jaarwisseling 1998-1999 op de VRT en was meteen een succes met een miljoen kijkers. De inzet was ook enorm: een pot van 1 miljoen Bfr of 25.000 euro. (Dit jaar staat de pot momenteel historisch laag op minder dan 8000 euro.)
Drie dagen voor de finale van 1999 kreeg ik het adres waar de Mol zich bevond. Humo had die primeur. En zo zat ik tegenover Magda Ral. Die vertelde hoe keihard het spel toen al gespeeld werd, en dat ze zelfs "dreigde te flippen": ze zou nog lang naweeën ondervinden van die rol.
Humo januari 1999 -ingekort- © Jan Hertoghs
Coverfoto: gie Knaeps
“ Het was acteren. De échte Magda had dat nooit gekund, al dat huichelen en bedriegen.”
Een dakappartementje in het Brusselse, een raam dat uitgeeft op de wijde lucht, de dromerigheid van gedroogde boeketten , en in de stoel met opgetrokken knieën en blote voeten, de figuur waar honderdduizenden naar op zoek zijn geweest. Wekenlang tastten we als mollen in het duister en dit is ze nu: Magda is DE MOL!
Magda Ral (41) is freelance reisleidster en actrice én content dat ze niet langer bang moet zijn om haar mond voorbij te praten. Eindelijk kan ze vrijuit spreken. -
HUMO: De vermoedens zijn pas écht op jou gaan rusten in de zevende aflevering toen alleen Hugo, Mon en jij nog overbleven.
Magda: "Ja, toen zijn veel mensen ineens aan mij beginnen denken. Mon en Hugo hadden in alle afleveringen een heel duidelijk profiel gehad, en ineens kwam ik daar als vrouw bij de laatste drie zonder een uitgesproken profiel, en toen hoorde ik veel mensen zeggen: ha ja, die is stilletjes haar gang gegaan, die is discreet en subtiel tewerk gegaan, die heeft niet zoveel gerucht als die mannen gemaakt, en toch is ze zo ver geraakt, dàt zou wel eens de mol kunnen zijn!"
HUMO: Op het Internet had je allerlei clubjes: de MOFOMO’s, de HUFOMO’s en de MAFOMO’s (Mon for Mol, Hugo For Mol en Magda for Mol) en jouw club had op het einde de sterkste aanhang. Maar de theorieën die rond jou geweven werden! Magda is De Mol “want ze draagt hetzelfde pak als de mol in de strip van Alfred Jodocus Kwak (pagina 17)”! Of “ Magda is De Mol, want zij draagt de beginletters van de ex-deelnemers M-oniek, A-nke, G-uy, D-imi en Armand” !
Magda: "Het is niet te geloven wat men allemaal verzonnen heeft. Zo waren er die dachten dat ik het was omdat in Man Bijt Hond een rubriekje zit dat “Magda?” heet en aangezien Man Bijt Hond ook door Woestijnvis gemaakt wordt, zag men dat ook als een aanwijzing."
HUMO: Op Studio Brussel hadden ze zelfs een Limburgse politiespeurder opgetrommeld om uit te leggen waarom jij de mol was.
Magda: "Dat zal die politiespeurder geweest zijn die wekelijks in Het Belang Van Limburg werd opgevoerd. Die man verdacht me al na de eerste aflevering. Die zag in heel die groep maar twee mensen met een natuurlijk gedragspatroon, dat waren Belle en ik. Al de anderen hadden volgens hem een opgejaagd gedrag, een gedrag dat op overleven gericht was met die vijandelijke mol in de buurt, en bij mij en Belle was dat gedrag volgens hem niet te zien."
HUMO: Het feit dat je reisleidster was, heeft je uiteindelijk ook verdacht gemaakt, schreef iemand, “want een reisleidster kan zich makkelijk bewegen in een vreemde groep en kan ook invloed uitoefenen op die groep”.
Magda: "Dat klopt. Het gegeven van met een groep mensen te vertrekken die je helemaal niét kent, dat is mij vertrouwd. Hoewel, normaal moet ik zo’n groep zien bijeen te houden en hier was dat het tegenovergestelde. Maar er zijn zaken die van pas komen. Op reis met zo’n groep gebeuren onvoorziene dingen, het vliegtuig is te laat, iemand is zijn paspoort of portefeuille kwijt, dan moet de reisleider toch altijd klaar staan met een snelle uitleg of een rappe kwinkslag, en die reflex had ik dus al. En verder heb ik in mijn leven allerlei jobkes gedaan, van telefoniste tot plooister in een kartonbedrijf. Dat zijn allemaal verschillende milieus en verschillende ervaringen die je meedraagt en die je kunnen helpen."
De bescheiden aankondiging van de (tweede) uitzending van De Mol in de tv-bladzijden van Humo. (13/12/98)
In de val
HUMO: Hoe was de sfeer bij het vertrek, want jullie hebben mekaar al op de trein naar Frankrijk weten te vinden.
Magda: "Dat vertrek was een beetje bizar. We hadden allemaal op een ander tijdstip ons ticket moeten halen in het station van Brussel-Zuid, we waren allemaal nog onbekenden voor mekaar, en toch kwam ineens Mon op mij af en die zei al lachend: “Ha, gij zijt zeker ook ne mol!” En op de trein was het nog straffer. Blijkbaar waren al die Vlaamse alleen-reizenden zowat aan mekaar opgevallen, want op de duur zat iedereen al in kleine groepjes bijeen, behalve Guy, en iedereen maar grapjes maken over de mol. Moniek had voor de grap een mollenklem bij, ik kom langs haar en ineens sprong die klem dicht, mijn broek zat ertussen en Moniek riep: ”Voilà, we hebben de mol!”(lacht) Toen heb ik het wel efkes koud gekregen."
HUMO: Op het einde van elke uitzending was er de beruchte selectie. Welke vragen moesten de kandidaten over jou beantwoorden?
Magda: "In het begin was dat nogal ruim, dingen die iedereen had kunnen zien, zoals welke wijn, welk dessert heeft De Mol genomen? Naar het einde toe werd dat persoonlijker, hoeveel keer is De Mol al verhuisd in zijn of haar leven of waar heeft De Mol gewoond als kind? Dan was het echt de bedoeling dat we mekaar gingen uitvragen over die persoonlijke zaken."
HUMO: Voor de vorm moest jij dus ook die anderen uitvragen?
Magda: "Dat is zo, maar ik moet zeggen, naar het einde toe werd er niet veel meer gesproken. Dat was echt mekaar beloeren en in het oog houden, een spontane babbel was niet meer mogelijk. Het was allemaal paranoia en achterdocht en op je hoede zijn."
HUMO: Wie heeft jou het eerst en het langst verdacht?
Magda: "Dat was Hugo. Die heeft me vrij snel verdacht en die heeft me niet meer losgelaten. Die ging ook ‘professioneel’ tewerk, die had een boekje waarin hij constant notities maakte, (er bestonden toen nog geen molboekjes, jh) die had in zijn kamer briefjes met aanwijzingen hangen die hij constant zat te vergelijken. Die ging daar helemaal in op. Niet voor 1OO%, niet voor 2OO%, maar voor 3OO%. Die was gewoon gefixeerd door die mol. En hij en hij alleen zou ‘m te pakken krijgen."
De benji-hel
HUMO: Had je d’r lol in om te saboteren?
Magda: "Er waren twee soorten sabotages. De daadwerkelijke en de psychologische, het werkelijk in de soep draaien van iets en de meer subtiele aanpak waarbij je mensen moest beliegen, bedriegen of op verkeerde ideeën brengen. Dat echte saboteren heb ik graag gedaan, maar die psychologische oorlogvoering, dat was niet evident voor mij.
Ik heb ook psychisch met mezelf moeten vechten. Neem dat benji springen. Zo’n sprong doet iets met jezelf, je moet daar klaar voor zijn. Dat gaat zo diep, dat is zo’n grote angst die je moet overwinnen dat je zelfs niet denkt aan het geld dat er te winnen is. Het ging niet om geld winnen, het ging om angst overwinnen. Ik zou nooit gesprongen hebben als ik niet De Mol was geweest. Nooit!”
HUMO: Dus jij hebt het daar ook moeilijk gehad?
Magda: "Het was de hel. Ik ben echt door een hel moeten gaan om mijn angst op die brug te overwinnen."
HUMO: Als mol wist jij toch dat die opdracht zou komen?
Magda: "Ik wist dat die sprong ging komen, maar ik had nooit verwacht dat zovelen zouden springen. En ineens kwam ik voor dat dilemma te staan: ofwel overwin je je angst en heb je die ervaring, ofwel spring je niet en moet je je straks serieus gaan verantwoorden met alle verdenkingen vandien. En omdat we toen nog maar in de tweede aflevering zaten, en ik nog geen verdachte wou zijn, heb ik toch maar gesprongen. Het was dus puur strategisch dat ik gezegd heb: komaan Magda, mee de dieperik in."
HUMO: Hadden ze jou vooraf een planning en een lijst met de opdrachten gegeven?
Magda: "Ja, ik was van alle opdrachten op de hoogte. Maar er is geen overleg geweest naar wat ik zou saboteren en wat niet. Op dat gebied mocht ik compleet autonoom handelen."
HUMo: Was er een afgesproken tactiek: low profile in de twee eerste afleveringen en nadien hard toeslaan in de derde en de vierde?
Magda: "Nee. Om de eenvoudige reden dat Tom (Lenaerts), Bart (De Pauw) en Michiel (Devlieger) ook niet wisten hoe het spel zich zou ontwikkelen. Mijn enige opdracht was om de proeven af te wachten en op het moment zelf mocht ik beslissen of ik ging toeslaan of niet."
HUMO: Konden je ‘chefs’ je nog briefen overdag of ‘s avonds?
Magda: "Elke avond was er die biecht voor de camera, en dan had ik tien minuutjes de tijd om te checken of ik de zaak goed in handen had. Maar voor de rest was ik op mezelf aangewezen."
Presentator was toen Michiel Devlieger (midden) Met in de productieploeg: Bart De Pauw en Tom Lenaerts - ingescand uit Humo : foto gie Knaeps
Schuldcomplex
HUMO: Je leek Hugo nogal vroeg te willen uitschakelen. Je had constant kritiek op hem.
Magda: "Dat was geen tactiek als mol. Het was een persoonlijk conflict. Hugo is iemand met een nogal dwingende autoriteit en ik ben iemand met een autoriteitsprobleem. Ik kan wel gezag aanvaarden, maar ik zal niet zomaar aanvaarden dat iemand heel directief mijn gedrag gaat bepalen. En omdat Hugo zo zwaar opging in dat spel, wilde hij dat spel én die hele groep naar zijn hand zetten. Hugo was echt kwaad op de mol. Hugo zag De Mol als De Saboteur, De Slechterik."
HUMO: En zichzelf als The Good Guy.
Magda: "Ja, als iemand met een verantwoordelijkheid. En die verantwoordelijkheid was: ik ga winnen, maar de groep moet ook meegaan in dat geld verdienen. Dat iemand hem en zijn plan wilde saboteren, dat irriteerde hem. Het erge was dat hij mij zo vroeg verdacht. En hij wilde mij niet alleen pàkken, hij wilde mij ook kraken.
Hugo was een geval apart. Die heeft vanaf dag één met een huizenhoog schuldgevoel gezeten: ik zit mij hier in Frankrijk te amuseren en thuis zit mijn gezin zich niet te amuseren. En om zijn schuldcomplex te compenseren heeft Hugo-de-personeelschef zich ook niet willen amuseren. Hij heeft zich nùttig willen maken. Hij heeft zichzelf die job opgelegd van die mol te vinden. Zodat hij naar huis kon gaan en zeggen: mannekes, hier is het geld, ik ben niet zomààr weggegaan. Voor hem was dat geld de kroon op zijn WERK." (Hugo won de pot, jh)
HUMO: Naast Hugo waren er allicht nog kandidaten die jou verdacht hebben?
Magda: "Alleen Mon. Hij is me beginnen verdenken na de vijfde aflevering, maar hij heeft toch nog lang aan mij getwijfeld door mijn emotionaliteit. Magda? Dat kan niet! Die is te gevoelig! Dat heeft hij zeker lang gedacht. De dag dat zijn verdenking tegen mij begon, was voor mij trouwens een heel indringend moment. Op een avond kruisten we mekaar ergens buiten het hotel en ineens hield hij me tegen en hij keek recht in mijn ogen en hij zei: “Jamaar...De Mol, dat zoudt gij wel eens kunnen zijn, hé Magda?!” En dat was, wàps, een slag in mijn gezicht. Want met Mon had ik een heel tof contact. Je staat daar echt in je eentje op te boksen tegen die groep, dus je zoekt wel iemands schouder om tegen te leunen, en ineens viel die schouder van Mon wég, dat was een ferme schok voor mij."
HUMO: Achteraf bekeken heb jij je eerder verstopt in die groep, je hebt nooit opdrachten naar je toegetrokken. Was dat ‘low profile’ vooraf afgesproken?
Magda: "Het enige wat is afgesproken was in welke groepjes ik niet mocht terecht komen. Ik moest zien dat ik eerder terechtkwam in een groepje dat fysiek ging afzien dan in een groepje dat gespaard werd, zoals Mon en Belle die eens lekker in een limousine en een sauna konden vertoeven. Mon en Belle hebben door die ‘verwenning’ een zekere verdenking op zich geladen en ik bleef buiten schot omdat ik op de Mont Ventoux ben meegefietst."
foto gie Knaeps
Bijna geflipt
HUMO: Wij hebben slechts acht tv-uurtjes gezien van een spel dat een volle zestien dagen heeft geduurd. Hoe verliep het slapen en eten en terrasjes doen? Was dat niet de zwaarste opdracht om in al die verloren uurtjes je niet bloot te geven?
Magda: "Het was heel vreemd. Er werden aan tafel heel de tijd grappen gemaakt over De Mol, maar zogauw je ergens met iemand alleen was, werd er angstvallig over gezwegen. Er hing altijd een schaduw. Zelfs tijdens de losse babbels aan tafel was iemand met jou aan het spreken, maar intussen zag je ‘m luistervinken naar wat aan de tafel ernaast gezegd werd. ‘t Was altijd spanning, ‘t was altijd alert zijn. Voor mij ook, ik moest ook luistervinken om te horen wat er in de groep leefde en dat moest ik dan ‘s avonds ‘overbrieven’ aan Tom en Bart."
HUMO: Dus het was niet bepaald vakantie voor jou?
Magda: "Nee, en ik heb met momenten op flippen gestaan. Dat ik helemaal in de greep zat van de paranoia. Dat ik heel de tijd dacht: iedereen volgt mij, iedereen let op mij. Dat was naar het einde toe en dat was een combinatie van vermoeidheid - er waren veel nachten dat ik slecht sliep- plus het feit dat er voor mij geen moment van ontspannen was. Ik ben iemand die na gedane dagtaak zich moet kunnen ontspannen en dat was hier niet mogelijk. Er was bijna geen tijd voor privacy, geen tijd om eens uit die groep te stappen, en dus ook geen tijd om eens niet alert te zijn. We sliepen bijvoorbeeld heel vaak samen in groep, en zelfs wanneer ik in mijn bed kroop, moest ik nog opletten wat ik zei tegen de persoon naast me.
Dat was een constante druk: dat altijd verzwijgen, dat altijd iemand anders moeten zijn dan wie je werkelijk bent. Gelukkig had ik mijn ervaring van theater en van acteren. Dan beeldde ik mij in dat ik op een filmset was en dat ik een rol aan het spelen was. Zo heb ik het kunnen volhouden. Als De Mol. Als Magda had ik dat nooit gekund. Onmogelijk! Want me anders voordoen in een groep waarmee je zo lang samenleeft, dat zou de echte Magda niet kunnen."
HUMO: Maar toch heb je het gedaan?
Magda: "Ja, dat die rol zover van mij af stond, dat was dan ook weer de uitdaging om het toch eens te proberen. Ik kom graag in vreemde en nieuwe situaties terecht."
Foto: gie Knaeps
Moeder de mol
HUMO: Hoe heb je je mentaal voorbereid op je rol?
Magda: "Mijn rol zat dicht bij de houding van een reisleidster. Je gaat die groep zo onbevangen mogelijk tegemoet, je ziet wel wat er gebeurt en intussen maak je je sympathiek op een niet al te stroperige of opdringerige manier. Met een grapje of...
HUMO:...door de mensen te soigneren bij het ontbijt. Jij bent zo iemand die vraagt wie nog een broodje of een sapje moet hebben.
Magda: "Precies! Ik ben zo’n beetje een moederfiguur. (lacht) ‘t Was ook niet moeilijk om zo te zijn, ik had die mensen graag, dat waren op zich allemaal toffe mensen. Zelfs Hugo. Tijdens het spel heeft die een hard masker opgezet, maar nadien heb ik van hem nog een brief gekregen, en dat was een heel andere Hugo, dat was een Hugo die vriendelijk was en die zijn hart liet spreken."
HUMO: Waar heb je als actrice gewerkt?
Magda: "Vooral in het Brusselse, ik geef theatercursussen en ik heb zelf ook een aantal producties gemaakt onder andere rond mijn ervaringen in een vluchtelingenkamp in ex-Yoegoslavië." HUMO: Je hebt allicht verrassing of verontwaardiging of blijdschap moeten acteren. Had je ook excuses of uitvluchten ingeoefend om je vel af en toe te redden? Als iemand je bijvoorbeeld vlakaf zei dat jij de mol was?
Magda: "Dat gebeurde dikwijls hé. Aan tafel vooral. Reggie had daar een handje van weg, zo van: “Magda, ge moet gij niet zeveren, joeng, gij zijt toch de mol!” Maar omdat hij dat zo vaak zei, antwoordde ik: "Ah ja, hé Reggie, ik ben de mol, dat weet ge nu toch al wel?!” Maar bij iemand anders reageerde ik dan weer heel verontwaardigd, zo van “zie je mij dat al doen soms?” Of ik zei iets van de anderen, iets verdacht dat ik zogezegd van hen had opgemerkt."
HUMO: Kostte je dat moeite om op die momenten te liegen?
Magda: "Nee, die uitvluchten kon ik wel aan. Maar 24 uren op 24 uren een rol spelen, dat kon ik niet. Er zijn persoonlijke gesprekken geweest dat ik 1OO% Magda was. En niet meer De Mol. " HUMO: De Mol heeft het naar verluidt ook emotioneel moeilijk gehad “omdat de Mol ook maar een mens was en hij zich ook aan bepaalde mensen gehecht had”. Aldus Michiel Devlieger. Magda: "Oh! Ik heb het in de éérste aflevering al moeilijk gehad toen Dimi afviel! Ineens moest die jongen gaan en ineens viel mijn frank, Magda maske, wat zijt gij hier allemaal bezig?, ineens besefte ik dat ik degene was die ze daar allemaal aan het uitschakelen was en dan heb ik echt moeten teruggrijpen naar mijn rol, zo van: het is een spel, en iedereen heeft ingetekend op dat spel en iedereen weet dat hij of zij op elk ogenblik naar huis kan vliegen. Maar eigenlijk heb ik het met iedereen moeilijk gehad als ze afvielen. Zeker met Belle. Zij viel af en ineens was ik de énige vrouw tussen drie mannen, en toen had ik duidelijk het gevoel: ik ben het opgejaagde wild van die meute mannen."
Chill out
Humo: Er is ook een zware ruzie geweest in de groep, en het had met vrijstellingen te maken.
Magda: "Na die opdracht met die vrijstellingen was iedereen pissig op iedereen en niemand wou nog met iemand praten. Die kilte is zo zwaar opgelopen dat de groepspsycholoog er ‘s nachts nog is bij moeten komen. Vooral om Hugo te kalmeren. Die ging compleet uit zijn bol, die was een soort van slijtageslag begonnen tegen mij. In dat groepsgesprek heb ik toen tegen Hugo gezegd: "Als je zo verder doet, dan kraak ik, en dat kan toch niet de bedoeling zijn van dit spel!” Ik heb zelfs op het punt gestaan om in zijn gezicht te roepen, awel foert, ik ben de mol, en zijt ge nu content!? Niet omdat ik dat geheim niet meer kon dragen, maar gewoon omdat ik niet meer kon functioneren in dat kille zwijgen van die avond en die nacht. Oké, het was een keihard spel, en het begon toen echt om het geld te gaan, maar daarom moesten er toch nog geen messen getrokken worden?! Na die opmerking van mij is hij wel wat milder geworden in de omgang."
HUMO: We zagen je op een veldbedje kapot gaan van vermoeidheid en gebrek aan slaap. Of deed je alsof?
Magda: "Jongen! Ik wàs kapot! Ik had al veel nachten te weinig geslapen en je zit daar tussen altijd dezelfde koppen, dat werd allemaal ineens teveel. Ik herinner mij ook dat we toen met ons gevieren op de opstelling van de camera’s moesten wachten voor de selectie, wel, daar werd geen woord meer gesproken. Viér uur aan een stuk! Ik durfde niet bougeren omdat ik de mol was en die anderen zaten zich maar te concentreren en hun hersenen te pijnigen om geen verkeerde keuze te maken, want zo dicht bij het miljoen (25.000 euro) wil je dat niet meer laten ontglippen hé."
"Het was zwaar. Echt zwaar. Ik vraag me nog altijd af hoe ik het heb kunnen volhouden: die spanning, dat huichelen, dat gezicht in de juiste plooi houden, die vermoeidheid. Ik heb me soms echt slecht gevoeld in die rol, en alleen en eenzaam, maar dan zag ik heel die ploeg van de productie dag en nacht werken, en dat was dan voor mij meestal toch weer de stimulans om de moed niet te laten zakken.
Ik was trouwens niet de enige die op zijn tellen moest passen. Bart en Tom en Michiel hadden het minstens zo moeilijk, want zij moesten met de cameramensen werken en die wisten ook niet wie De Mol was, dus zij moesten ook altijd op hun qui vive zijn dat er geen hint of verspreking over hun lippen kwam. En zij hebben ook heel weinig geslapen, al die mensen van de productie, al die cameramensen waren er van het moment dat we opstonden tot we gingen slapen, en zelfs ‘s nachts was er een cameraploeg bij de groep. Ja, chapeau voor heel die ploeg!"
HUMO: Ben jij ook nachtelijke sporen gaan leggen? Of was die gekalkte mol-slogan op de Mont Ventoux het werk van iemand in de productie?
Magda: "Neenee, dat was ik. Al wat ‘s nachts gebeurd is, heb ik zelf moeten doen. Ik heb dus ook ‘s nachts moeten functioneren, en vandaar dat ik zeg dat ik kapot was, écht kapot op het einde."
In observatie
HUMO: Hoe hebben ze jou als kandidaat-Mol voorbereid? Met een rollenspel waarbij ze een aantal situaties op je loslieten? Of met een kruisverhoor waarbij je als Mol niet door de mand mocht vallen?
Magda: "Nee, geen opgezet spel. Dat ging heel doordeweeks, ik zat tegenover Tom en hij babbelde met mij over de dingen van het leven, maar van de hak op de tak, het ene onderwerp na het andere, en midden in dat gesprek vuurde hij dan ineens een persoonlijke vraag op mij af om te zien of ik uit mijn lood werd gebracht en hoe ik na zo’n vraag terug op mijn pootjes kwam. Bart was daar ook, die observeerde mij, die lette minder op mijn uitleg dan wel op mijn mimiek en mijn lichaamstaal. Ddie aanpak heeft mij uitstekend geholpen. Ik ben zo iemand die wel regisseurs nodig heeft, maar die eigenlijk vooral vertrouwen en carte blanche moet krijgen. En eens dat vertrouwen er was, hebben ze ook nooit meer getwijfeld aan mij, en dat is mee de reden geweest dat ik het heb kunnen volhouden tot het einde."
Paranoia
HUMO: Had je foto’s gezien van degenen die meegingen? Had je van elke kandidaat een biografie ?
Magda: "Foto’s had ik niet, maar wel een korte omschrijving van de kandidaten."
HUMo: Was je ingelicht voor wie je uit moest kijken?
Magda: "Nee, zoiets is nooit gezegd."
HUMO: Heb je misschien boeken gelezen over beroemde mollen of spionnen?
Magda: Nee. Eigenlijk is mijn eigen leven mijn beste training geweest. Ik heb op psychisch gebied al een aantal watertjes doorzwommen, zowel op professioneel als op persoonlijk vlak. Ik heb op mijn groepsreizen en in België ook al voor een paar benarde situaties gestaan dat ik me moest zien te redden en dat heeft me bij De Mol zeker geholpen."
HUMO: Dat begeleiden van die groepsreizen lijkt wel je grote troef te zijn geweest.
Magda: "Ja, want daar leer je bijvoorbeeld hoe je een lastig iemand de pas kan afsnijden. Kijk, Hugo is op een bepaald ogenblik lastig geworden op de mensen van Woestijnvis, zo van: allez zeg, wat zijn dat nu voor opdrachten en wat doen jullie ons allemaal aan? Toen heb ik hem afgeblokt met één opmerking. Omdat ik wéét dat zo één zageman die niet ophoudt de geest van heel de groep kan verpesten. Ik wéét dat je zo’n mensen niet moet laten doen, want voor je het weet, hebben ze iedereen tegen jou in het harnas gejaagd. En aangezien ik niet wou dat de gevaarlijke Hugo-die-mij-verdacht de groep in handen kreeg, heb ik hem op zijn nummer gezet."
Sorry
HUMO: Kon je na je thuiskomst makkelijk zwijgen? Want je komt terug van zo’n bijzondere ‘expeditie’ maar je kan niet vertellen wat je écht hebt meegemaakt.
Magda: "Dat was moeilijk en ik ben heel heel blij dat het nu gedaan is. Want die druk is groter geweest dan ik ooit had kunnen denken. Elke week dat miljoen kijkers en al die verhalen in de kranten. En ook dat rare gevoel: ik doe al twintig jaar theater, ik begeleid al twintig jaar reizen, daar heeft nooit een mens naar gekraaid en nu spreken een miljoen mensen over mij en over dit programma! Ik stond zelfs op de voorpagina van De Morgen. Ik kon het amper geloven, een kandidaat in een tv-spel als voorpaginanieuws, en dat naast twee ernstige artikels over verbrandingsovens en een vertrouwingsstemming in het Europees Parlement! Ze hadden het in dat stuk zelfs over m’n telefoonnummer en toen werd het helemaal rottig, want mensen begonnen me ‘s nachts op te bellen: ik heb me zo slecht gevoeld.
We zijn nu enkele dagen voor die finale ontknoping, en niemand heeft me gezegd dat ik in huis moet blijven, maar ik durf bijna niet anders dan op mijn appartement blijven en me gedeisd houden. Weet je, normaal was me dit niet overkomen, normaal was ik in die drie maanden na de opnames een voettocht naar Santiago de Compostela gaan doen met Oikoten, dat is met jongeren uit een instelling die tijdens die tocht allerlei ongemakken leren overwinnen zodat ze met meer vertrouwen in de maatschappij kunnen staan. Maar die tocht is niet doorgegaan en ineens zat ik weer in België en ineens heb ik die rol van "leugenaar" dus noodgedwongen weer moeten opnemen. Vooral tegenover vrienden en tegenover mijn broers en zussen vond ik dat niet gemakkelijk om ze wijs te maken dat ik de mol niét was. Ook mensen die mij kenden van theater hadden zware vermoedens dat ik het was, maar ik ben dat blijven ontkennen."
HUMO: Wist niemand uit je naaste kring dat jij het was?
Magda: Alleen één vriendin die ook op de bezoekdag is geweest, en mijn moeder. Want mijn eigen moeder om de tuin leiden, dat ging me te ver, dat kon ik niet opbrengen. Ik heb haar dus betrokken en ze heeft er ongelooflijk van genoten. Want ja, er waren ook de plezierige dingen, mensen die me met nieuwjaar allerlei toepasselijke kaartjes stuurden. Iemand die een heel blad had gemaakt met allemaal foto’s van molshopen en met een zakje aarde erbij dat van een molshoop kwam.
Maar daarnaast is er toch ook weer die keerzijde... Er zijn al mensen die me hebben laten weten dat ze mij niet meer willen zien... als zou blijken dat ik De Mol ben. Die kunnen zich niet verzoenen met mijn rol in De Mol. Die vinden dat ik iets smerig heb gedaan, dat ik een ‘verraadster’ ben, dat ik niet langer eerlijk ben. Die hebben het idee dat ik me heb laten verleiden tot het meedoen met iets achterbaks. Zo van “Hoe heeft Magda zoiets kunnen doen?! Dat hadden wij nooit van Magda gedacht!!”
HUMO: Een mol kan een en ander omwoelen ...
Magda: "Ja, vreemd hé, dat dat zo’n gevolgen kan hebben. En het is allemaal goed afgelopen, het is allemaal wel geslaagd, maar als ik erop terugkijk en mij weer tussen die groep zie bewegen, dan zie ik mij zeker niet als een harde mol. Ik weet goed dat ik daar vaak verontschuldigend heb rondgelopen, met een houding van, alstublieft mensen, begrijp mij en neem mij niet kwalijk want ik ben niet zoals ik nu ben. Ik ben maar een rol aan het spelen, sorry!"
Nawoord - In 2006 sprak ik haar nog een keer ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van Humo. Ze vertelde toen wat een impact dat had om plots een publiek figuur te zijn: " Ineens stond ik op de cover van Humo. Dat was heel vreemd om mezelf overal tegen te komen: in de krantenwinkels, op de trein en in de bus, op affiches in de winkelstraten, ik was het op de duur beu van mezelf overàl te zien. Het was ook geen mooie foto vond ik.
Humo: Je staat erop als opgejaagd wild. Met lichtjes opengesperde ogen.
"Zo'n beetje half gedrogeerd, zo leek het wel. Dat sommige mensen zelfs vroegen, "Magda, waart gij wel in orde toen?! (lacht) Feit is dat heel die mediahype mij toch hard geraakt heeft. Ik werd overal gevraagd voor foto's en interviews. Ik voelde mij plots niet meer vrij, ik was ineens publiek domein, mensen wisten ineens van alles van mij. Er stonden soms ook foute uitspraken in interviews, je wilde die dan corrigeren, dat ging niet meer, mensen lazen dat, kregen een verkeerde indruk van mij, ik wist niet meer hoe ik mij moest houden in gezelschap, ik werd op de duur mensenschuw, ik wilde écht als een mol in de grond kruipen. "De Mol" vind ik nog altijd een fantastisch avontuur, maar nog tot een half jaar na dat programma ben ik flink van de kaart geweest."
Langs de lijn van het jeugdvoetbal (2): hoe verteer je 50 - 0 en oerwoudgeluiden?
© Jan Hertoghs
"Ik heb een stel ouders ooit met paraplu's en handtassen op elkaar los weten slaan, terwijl de kinderen verbaasd toekeken”
Lees hier deel 1: de voetbalvaders en de druk om te presteren
Nergens zoveel handen zien geven als op jeugdterreinen. Vaders aan vaders, jongens aan trainers, jongens aan ploegafgevaardigden, jongens aan de scheidsrechter, jongens aan vaders, vaders aan de voorzitter, voorzitter aan de jongens. Dag vriend, dag kameraad, dag brave gast, dag knappe gast, dag Joske, dag Monneke, dag mijnheer, dag mijnheer. Eens de wedstrijd begonnen, worden diezelfde handen wel eens aan de mond gezet en hoor je heel andere refreinen waarin lam-, zwart- en andere zakken een belangrijke rol spelen. Ouders roepen naar scheidsrechters dat ze ouwe badsloefen zijn. Ouders roepen naar kinderen dat ze staan te slapen op het veld. Ouders roepen naar Marokkanen dat ze beter bananen zouden gaan plukken. En ouders roepen dan ook nog eens naar andere ouders dat ze... sportief moeten blijven! Vorige week ging het voornamelijk over de prestatiedruk op die jonge en heel jonge spelers, deze week gaat het over sportiviteit, racisme, (kadaver-)discipline, spelvreugde en... babysitten.
Al een kwartier hebben een paar vaders en moeders staan roepen. Komaan Stijn! Vooruit Marco! Naar voren Jeroen! Als ze 'naar voren' schreeuwen, hangen ze helemaal over de ijzeren balustrade. Als ze 'vooruit' schreeuwen, klappen ze met twee handen op de reling of stampen ze op de grond. En als ze de arbiter verwensen, heffen ze een bril naar hem, 'ge moogt 'm hebben!' Een toeschouwer van de tegenpartij vraagt of ze geen spuit moeten hebben om te kalmeren. Zij kwaad: 'Gij verstaat er niks van, palul! Gij zijt maar een gewone stomme supporter. Wij niet. Wij doen mee! WIJ... WIJ ZIJN ECHTE SJOTTERS!!'
Arbiter: «Ik zeg u. de kinderen op het veld zijn sportiever dan de ouders. Kinderen roepen nauwelijks, kinderen vloeken nauwelijks, kinderen zijn veel minder gespannen dan hun ouders die vaak gestresseerd langs de lijn staan.»
Vader: "Ik heb ooit een aantal ouders handgemeen weten worden, er werd met paraplu's en handtassen geklopt - de moeders deden ook mee! - en je zag die kinderen op het veld staan kijken, met hun handen in hun zij, zo van: wat krijgen die ouders nu weer?!»
Arbiter: "Scheidsrechters zijn doorgaans ook niet hang van die jongere spelers, maar wel van de agressie van hun ouders. ik ken scheidsrechters die op het scheidsrechtersblad alleen nog hun naam invullen en niet langer hun adres omdat ze bang zijn voor represailles of dreigtelefoontjes van ouders. Meestal blijft het bij verbaal geweld. Ouwe zak of vetzak of zwartzak, van die dingen. Maar daaraan mag je je niet storen, vind ik, dat zijn de normale uitlatingen op een voetbalveld, ik kan daar mee om.
Maar ik kan er minder mee om dat ouders ook verbaal geweld tegen die kinderen gebruiken. Sommige kinderen kunnen daar echt niet tegen als hun vader of trainer tegen hen aan het roepen is. En vaak is dat negatief. 'De lamzak, hij staat weer te slapen!' De prutser, hij kan er weer niks van!' Ik zie wel meer kinderen ineenkrimpen en tranen in de ogen krijgen. En het gebeurt dikwijls dat ik naast kinderen ga lopen om ze moed in te spreken: 'Niet aantrekken, jongen. Laat ze maar roepen. Ge zijt goed bezig!' En dan zie je dat gezichtje opklaren: 'Oké mijnheer!'»
Ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags
Onsportief
Arbiter: "Agressie op het veld, dat begint eigenlijk pas bij de juniores. Dat kom je bij min-veertienjarigen weinig tegen. Wat je wel hebt, zijn van die pesterijen. Ik heb het meegemaakt in een kleine gemeente, de knapenploeg verloor met 4-0, en die trainer riep direct na de match: 'Den arbiter geen hand geven hé, mannen! Als er nu iets heilig is bij het jeugdvoetbal, dan is dat toch wel die hand aan de scheidsrechter na de match! Dat hoort erbij, dat is de fairplay! Maar nee, die volwassen trainer vond het sportiever om dat niet te doen.
Arbiter 2: "Ho, maar die kinderen verzinnen dat zelf soms ook. Dan steken die gastjes hun hand uit, en als je die hand dan wil schudden, trekken ze die terug en sta je voor schut. Of ze smeren hun hand nog eens extra door het slijk en dan krijg je zo'n vuile handdruk, dat gebeurt.»
Miniem: "Ik vind toch dat vooral de ouders en de trainers niet tegen hun verlies kunnen. Wij wonnen als klein provinciaal ploegje een keer een match tegen een grote club en die trainer was heel kwaad en die riep: `Als gijlie denkt dat ge zomaar kunt verliezen tegen zo'n onnozel ploegske, dan heb ik ook nog een cadeau! Volgende woensdag straftraining en seffens in de kantine GEEN BONNEKES!!' Die pakte van die jongens hun drankbonnetjes af! Kinderen van tien en elf die hun cola en pakje chips niet krijgen omdat de trainer niet tegen zijn verlies kan."
Arbiter: "Onsportiviteit, dat voel je soms al bij aankomst in de club. In een sportieve club kom je binnen, die kinderen geven je een hand, dag mijnheer, en laten je voor aanvang van de match spontaan de noppen van hun shoes zien, alstublieft mijnheer. Dat is daar in orde, dat voel je. In een onsportieve club druipt het er ook af. Je komt daar aan, je krijgt een bal die te plat of te hard is, het scheidsrechtersblad is niet keurig ingevuld, de lijnen zijn niet of maar half getrokken, de délégué's in de neutrale zone dragen geen band. Dat zijn kleinigheden, maar dan weet ik: oppassen, voorzichtig zijn, want hier zijn ze niet ingesteld op een correcte gang van zaken.»
Arbiter Grijzenbaard
'Amai! Die ziet niet goed zeker! Dat is een blinde zeker?! Ouwe zak! Waar staat 'm nu! Honderd meter van den bal! Dat zo'n ouwe zakken nog mogen fluiten! En dan nog bij de jeugd! Hé arbiter, gaat al rap terug bij de bomma slapen! 'Verdomme, hij ziet het wéér niet. Hebben ze nu echt geen goeie arbiters voor de jeugd? Nee, dat hebben ze niet. Iedereen mag fluiten tegenwoordig. Ook de debielen. Zie, die kan niet meer lopen! Hé, ouwen badsloef, gaat algauw in de statie fluiten, dan moet ge niet meer lopen!'
Vader «Als er herrie rond het veld is, ontstaat die bijna altijd na een betwiste beslissing van de scheidsrechter. En ik moet zeggen: ik zie heel veel foute beslissingen. Sommige scheidsrechters zijn echt te oud om te fluiten.»
Arbiter: "Er is inderdaad veel kritiek op de oudere arbiters in de jeugdreeksen. In die reeksen heb je twee mogelijkheden. Ofwel ben je een jonge arbiter die aan zijn carrière begint, ofwel - en dat gebeurt vaker - ben je ouder dan vijftig en moet je volgens de statuten bij de jeugd gaan fluiten. Veel scheidsrechters die in hogere voetbalafdelingen hebben gefloten, willen niet bij de jeugd fluiten. Die zien dat als een afgang. Die hebben van de top of de subtop geproefd, die hebben op goede terreinen gefloten, die hebben na de match diners of recepties gekregen, en ineens staan die op een hobbelveld tussen tweeëntwintig krasselende kadetten, met hoogstens een kop koffie na de match, en intussen een lawine scheldwoorden op hun nek. De meesten houden dat dus niet lang vol, en degenen die het wel volhouden, zijn vaak de minder goeie scheidsrechters, de scheidsrechters die het doen voor dat envelopke met zevenhonderd of achthonderd frank in. En daartussen zitten van die krukken die hun fysiek niet verzorgen, die weinig lopen en die de match vanuit de middencirkel fluiten.»
© Jan Hertoghs
Arbiter 2:«Maar er is verjonging op komst, dat zie je goed op scheidsrechterscursussen. Ik hoor hij die jongere generatie en zelf wil ik scheidsrechter worden omdat ik als jeugdspeler zo vaak in een wedstrijd zat waar het fluiten beneden alle peil was.»
Arbiter 1 « Nog een positieve kentering is dat sommige kinderen na de match naar je toe komen en zeggen: 'Goed gefloten, arbiter!' De eerste keer dat dat gebeurde, stond ik perplex. Dat had ik nu nog nooit gehoord; dat had ik zelf als jeugdspeler ook nooit gedaan! Maar het gebeurt nu meer dat die kinderen oog hebben voor je inspanningen en dat ze ook mondig genoeg zijn om dat te zeggen.»
Fairplay
Een sliding met de voet vooruit, een kadet zijgt neer, de scheidsrechter trekt geel, een vader roept dat hij nog harder had moeten stampen, 'Voor mijn part stampt hij heel die ploeg eraf'. De moeder van de getorpedeerde maakt zich vreselijk koleirig, weet niet wat eerst roepen en begint dan maar met overslaande stem haar ploeg aan te moedigen, 'Komaan mannen, vooruit mannen, 't zijn hier allemaal rotzakken, mannen'. Ze roept zich hees. 'Zo'n wijf wil ik wel hebben,' zegt een kerel, 'dat krijst zich rot één dag in de week, en voor de rest van de week zwijgt het dan. Za-lig!' Andere moeders nemen het voor haar op, iemand roept 'sportief blijven hé', het oude adagio van de zijlijn. Maar het blijft gekrakeel. Vier ouders zijn het zat en gaan tien meter verderop staan.
Vader: "'t Is altijd een minderheid van ouders die zich zo fanatiek aanstelt, maar ze bepalen wel dikwijls de sfeer rond de velden. Mij zit het soms zo hoog dat ik dan zin heb om tegen mijn zoon te zeggen: komaan jongen, stop met dat voetballen, dit is toch geen spel meer.»
Jeugdcoördinator: "Die onsportiviteit komt er onder andere omdat de maatschappij en de media zelf weinig aandacht schenken aan sportiviteit en fairplay. Kijk naar de elleboogstoot van Gilles De Bilde, die krijgen we vijftig keer te zien op tv. Waarom eigenlijk? Bij die jonge gastjes ook: er moet maar één incident zijn en ze spreken al van een "miniemenwedstrijd die in geweld ëindigt". In koeien van letters op een sportbladzijde, bijna zo groot als bij Dutroux. Dat is niet in verhouding. Nooit besteden ze aandacht aan de goeie kanten van het jeugdvoetbal, nooit lees je eens een ernstig artikel over de inzet van jonge voetballertjes, maar één vechtpartij en de krant staat vol.»
© Jan Hertoghs
Trainer: "In jeugdvoetbal, waar het niet om geld draait, kan je nochtans een heel goeie en sportieve sfeer rond het veld creëren, zelfs als het ploegje vierkant draait. Belangrijk is dan dat de ouders elkaar leren kennen zodat het tenminste langs de lijn goed botert. Om dat te bereiken organiseren wij al eens een pannenkoekenavond, een barbecue of een kwisje, en als de ouders elkaar beter kennen, maken ze ook meer plezier langs de lijn, en dat straalt af op de kinderen. Zelfs als ze verliezen, hebben ze toch nog plezier aan het spel.
Ik herinner mij een match, we kregen 18-2 op ons kas, maar de ouders lieten het niet aan hun hart komen, die applaudisseerden voortdurend, deden de ene wave na de andere, en je had die kinderen moeten zien gaan. Die gaven niet op! Die hebben bangelijk gespeeld, die hebben gevochten als leeuwen! En je had die van het veld moeten zien komen, rooie kaken en zo gelukkig als wat. En dan zie je ook de ouders veranderen. Ouders gaan dan niet kijken naar het resultaat, die gaan dan kijken naar de inzet van hun kinderen, en dat voelen de kinderen heel sterk als hun inzet geapprecieerd wordt! We hebben onze twee doelpuntenmakers van die 18-2 zelfs op de schouders gehesen, en die andere ploeg was haast jaloers. Die hadden gewonnen, maar die hadden minder plezier dan wij! Zó moet dat zijn bij die kleine gasten. Laten ze zich amuseren als ze jong zijn. En als ze talent hebben, dan komt dat er wel uit. De trainer zal dat wel op tijd zien.»
Robotjes
Arbiter: "Zo'n gezellige sfeer tref je vaker bij kleinere clubs, daar gaat het familiaal toe, daar wordt meer gespeeld voor het plezier. Dat is een keuze die een club altijd moet maken omtrent haar jeugdbeleid: doen we het professioneel en maken we er sterk opgeleide voetballers van. Of houden we het gezellig, en maken we er jeugdwerk van: de kinderen bezighouden, de kinderen van straat houden, de ouders een gezellige tijd bezorgen? De twee gaan zelden samen. Want in het ene geval ligt de nadruk op plezier, en in het andere geval op prestaties. Als arbiter voel je meteen welke keuze de club gemaakt heeft. Als je in een club arriveert waar het om de prestaties gaat, dan hangt daar altijd een meer gedisciplineerde maar ook een meer afstandelijke sfeer.»
Vader: "Bij onze club is het: we maken er goeie voetballers van. Punt aan de lijn. Hier parkeer je je auto, je kind neemt zijn sportzak en verdwijnt in de kleedkamer en daarmee is voor de ouders de kous af. Hier is geen barbecue, geen tombola, geen kwis, geen tralala. Hier wordt gesjot. Bij andere ploegjes moeten ze allerlei organiseren om het gezellig te houden, en om ervoor te zorgen dat de kinderen én de ouders zich amuseren en bij de club blijven. Hier is dat niet nodig. Hier ben je blij als je kind mag blijven... en alle-maal willen ze blijven. Tot ver uit de omtrek staan ze te trappe-len om hier te mogen spelen.»
© Jan Hertoghs
Arbiter: "Bij grote clubs die ook met hun jeugdelftallen kampioen willen spelen, is het allemaal wat killer en wat kaler, maar de kinderen leren er anderzijds veel beter voetballen omdat er betere trainers zijn en omdat ze met kinderen kunnen samenspelen die de beste uit de hele omtrek zijn.»
Vader: "In die clubs moet je dan wel aanvaarden dat je als ouder nauwelijks meetelt en dat de club alleen zakelijk contact met je houdt. Als je zoon volgend seizoen nog mag meespelen, dan komt niemand je dat zeggen. Je hoort het alleen maar als ze hem niét meer moeten hebben. Dan valt er een kort briefje in de bus dat 'de samenwerking' voorbij is en dat is het."
Vader 2: "In die prestatie-clubs zijn ze ook streng qua discipline. Strenger dan op heel veel scholen.
Ik heb een trainer gekend die een systeem van strafpunten had uitgewerkt om 'onnozel gedrag' te sanctioneren. Fikfakken in de kleedkamer, strafpunt. Onderweg naar het trainingsveld met de bal botsen, zo van bots-bots-bots op de grond, strafpunt. Tijdens de training - uit zottigheid - een ander een voetje lichten: gaan aankleden en strafpunt. En die strafpunten hadden gevolgen, want wie te veel slechte punten had, mocht in het weekend niet meespelen. Het verhaal gaat hier dat een miniem een bal in de haag trapte en dat hij die bal niet wilde gaan halen, en hup, die kon zijn lidkaart afgeven, en die moest niet meer terugkomen. Ik ga daarmee akkoord als vader. Discipline moet er zijn.»
Arbiter: "Het nadeel is dat die kinderen vaak in zo'n kadaverdiscipline zitten dat het robotjes worden. Maar dat is meestal ook de bedoeling: men kwéékt kinderen die kunnen gehoorzamen, die blindelings de richtlijnen van de trainer zullen volgen. En je kan daar tegen zijn, maar voor scheidsrechters is het ideaal om bij die clubs te fluiten. Die trainer is gedisciplineerd en roept nooit. Die kinderen zijn gedisciplineerd en maken weinig fouten. En die ouders zijn ook gedisciplineerd. Je zal ze zelden horen schelden of brullen of herrie maken.»
Vader: "Het is een strenge discipline, en veel van die jonge gastjes zouden die discipline allicht niet aanvaarden op school. Maar hier bij de ploeg waar ze graag spelen, nemen ze die regels aan. Allemaal! Omdat ze gemotiveerd zijn. Omdat ze bezeten zijn van voetbal! Vraag het hier maar aan de ouders. Die hebben allemaal een kind dat altijd met een bal bezig is. Opstaan, bal aan de voet. Speelplaats, sjotten. Thuiskomen, huiswerk maken, en sjotten. Regent het, dan sjotten ze in huis. Met een prop papier, met een sinaasappel, met een kurk van een fles, met alles.»
© Jan Hertoghs
Strijkijzers en niet-Belgen
Jeugdcoördinator: "Jonge spelertjes moeten een heel goeie opleiding krijgen, maar toch gaan we ervan uit dat jeugdvoetbal bij ons (=Beerschot) voor 90% sociaal werk moet zijn. Als wij ons alleen maar zouden bezighouden met de jongens die het mogelijk tot professional zullen schoppen, dan moeten wij ons niet met driehonderd maar hooguit nog met dertig kinderen bezighouden. Ons motto is: wie zich inschrijft, mag spelen. Wij zijn geen club alleen voor de besten. Zelfs strijkijzers (trage spelers) mogen hier blijven. Want een kind dat niet goed speelt en dat toch blijft komen, dat beleeft plezier, dat is graag in de club. En zo'n kind mag je niet de deur wijzen, want dan stort zijn wereld in. Ja, dat is jeugdwerk en jeugdopvang dat wij doen.
En dus zou ik willen dat het stadsbestuur ons financieel zou steunen. Maar de stad geeft ons amper steun. Terwijl er toch redenen genoeg zijn! Neem nog maar de grote rol die wij spelen als jeugdopvang voor de niet-Belgen! In onze ploegjes spelen bijna dertig procent allochtonen. En dan vraag ik u: hoeveel jeugdverenigingen, hoeveel scouts of Chiro's kunnen dat eggen? En die jeugdverenigingen worden wél gesubsidieerd!»
Jeugdcoördinator: "Er zijn ook clubs die bewust migranten weren. Een eersteklasseclub zag dat er in de jeugdreeksen te veel Marokkaantjes en Turkjes liepen, verhoogde haar lidgeld fors en de zaak was opgelost, ineens waren al die vreemde kinderen weg. Wij (=Berchem) doen iets voor de integratie en wij zien de zaken verbeteren. Marokkaanse vaders die naar de wedstrijd komen kijken en die een thee komen drinken in de kantine: dat was een betrokkenheid die voor enkele jaren ondenkbaar was.
Het is heel moeilijk om voor jeugdvoetbal steun te krijgen van het gemeentebestuur. Voetbal heeft geen opvoedende waarde, zeggen ze dan, dat is toch maar tegen een bal stampen. Maar ze zijn fout, zo'n ploeg jonge kinderen kun je veel leren. Je kunt ze leren dat ze voor elkaar moeten opkomen, dat ze elkaar niet moeten uitkafferen, dat ze verdraagzaam moeten zijn. Je kunt ze leren het gezag te aanvaarden van volwassenen, van een trainer, een délégué, of een arbiter. En ook hoe ze zich correct moeten uitdrukken tegenover die volwassenen als ze ergens niet mee akkoord gaan. En dat is toch anders dan op school, waar ze alleen maar mogen spreken als ze het juiste antwoord weten. Op school leren ze ook alleen maar iets met hun hoofd. Hier ontdekken ze dat ze ook iets kunnen met de rest van hun lichaam.»
FC Babysit
Jeugdcoördinator: "Ouders van nu voelen zich ook meer betrokken bij de vrije tijd van hun kinderen, maar je hebt ook ouders die ons als babysit beschouwen. Die kinderen worden hier gedumpt en anderhalf uur later weer opgehaald. Als ze het kind niet vergeten zijn! Want we hebben het al meegemaakt, moeder was gaan winkelen en was gewoon haar kind vergeten. 't Ventje heeft hier een uur voor de poort staan wachten in de gietende regen.
Ouders beseffen niet eens wat voor goedkope babysit wij zijn. 5.000 frank lidgeld en daarvoor zijn wij meer dan 320 uren per jaar met dat kind bezig. Dat is nog geen twintig frank per uur! En dan spreken we nog niet over het warm water, de shirtjes en de verplaatsingen met de bus, dat zit allemaal in het lidgeld! (Noot: clubs vragen aan jeugdspelers tussen 1500 en 7500 fr lidgeld.)»
Vader: "'t Is misschien goedkoop als babysit, maar als je je kind een goeie uitrusting wil geven en als je ook regelmatig mee op verplaatsing wil gaan, dan is het niet goedkoop. Mijn zoontje speelt bij de Duiveltjes. Wel, dat kost mij 20.000 frank per jaar. Aan lidgeld, truitjes, broekjes, twee paar shoes, een trainingsvest, een stage met Pasen en met de kerst, de tornooien her en der, het toegangsgeld als ze op verplaatsing spelen enzovoort. En als ik dan ook nog de autoverplaatsingen en de drankjes en hotdogs in de kantine erbij tel, dan kom ik aan 30.000 frank per jaar! Voor één voetballend kind!»
Ingescand uit Humo/ Herman Selleslags
Jakkamakka
'Dat is gene van hier, dat ziet ge zo. Dat is weer zo'n bananenplukker van Jakkamakka. Ja, en 't is veel te groot om miniem te zijn. Twee koppen groter dan de rest, en zeker ook twee jaar ouder. Weer zo ene met ne valse geboortedatum op zijne pas. Dat krijgt ge natuurlijk als ge uwe pas in de brousse hebt gekregen.'
Vader: "Kinderen maken dat onderscheid niet tussen Belgen en niet-Belgen, die roepen niet zo gauw 'makak' naar een Marok-kaantje of een Turk. Meestal zijn het de ouders die daarmee beginnen en zo voor problemen zorgen.»
Trainer: "In mijn ogen is er meer racisme op de buiten dan in de stad. Onze club is van Burgerhout, en spelen wij in zo'n dorp, dan roept er al iemand binnen de vijf minuten: 'Makakken-ploeg! Ga maar terug naar uw makakken in Borgerokko!' Als je dan vraagt waarom ze zoiets zeggen, dan ben je al een dikke nek hé: 'Gij van 't stad moet niet denken dat gij het hier voor het zeggen hebt!' Ik vind dat vreselijk dat ze zulke dingen naar zesjarige kinderen roepen. Die komen dan in de rust naar mij en vragen: 'Mijnheer, wat is dat, een makakkenploeg?!»
Arbiter: "Je hoort het ook in luide discussies met de trainer, ouders gaan niet akkoord met de vervanging van hun zoon, en dan hoor ik ze roepen tot op het veld: 'Allez, waarom moet mijn kind eraf?! En dan nog voor nen bruine ook!'
Vader: "'t Is latent aanwezig, dat racisme, en het komt heel makkelijk boven als de ploeg aan het verliezen is. Vairbeeld: er zijn ouders met hun zoon Birger, en die ouders roepen heel de tijd: `Komaan Birger.' Wat verder zaten vier Marokkaantjes die voor de andere ploeg supporterden, en die na elke 'komaan Birger' op hun beurt 'komaan hamburger'! riepen. Kinderachtig gedoe, niet eens kwaadaardig, maar toen ze dat tien keer geroepen hadden, wilde een oudere supporter één van die kinderen bij zijn benen van de tribune sleuren, die kleine dreigde anderhalve meter omlaag te vallen. lk heb die twee uit elkaar moeten trekken. Kan je je `dat voorstellen, een vent van zeventig die een kind van twaalf aanvalt?!!» Jeugdcoördinator: "Ook scheidsrechters hebben soms racistische neigingen. Ik wik mijn woorden, maar je ziet dat hoe ze die vreemdelingetjes stiekem strenger aanpakken. Voorbeeld: Marokkaan is gekwetst, wordt verzorgd buiten de lijn, wil er terug in, maar mag er niet terug in. Pas na vier stilliggende fases en nadat ouders en trainer en délégué hebben staan roepen, mag hij er weer in. Nog een voorbeeld: arbiter fluit voor buitenspel, Marokkaan roept kwaad 'Allez arbiter' en hij moet van het veld. Die speler was goed bezig, die had zich niet misdragen, maar toch moest hij eraf. Op de koop toe in de negentigste minuut! En dan wachtte die arbiter drié minuten tot die speler helemaal verdwenen was, in de kleedkamer op 400 meter van het veld, om dan na 15 seconden de match af te fluiten. Dat zijn toch racistische pesterijen! En dan nemen ze het kwalijk dat die jongens soms opvliegend zijn en zich geviseerd voelen."
Arbiter: "Een scheidsrechter zou de laatste moeten zijn om zich racistisch te gedragen of racistische opmerkingen te dulden. In dat opzicht krijgen wij van de voetbalbond heel strenge richtlijnen. Bijvoorbeeld: als een gekleurde speler de bal heeft en als het publiek oeh!oeh!oeh!oeh! een aap begint te imiteren, dan hebben wij de taak het spel stil te leggen, en via de plaatselijke ploegafgevaardigde het publiek tot zwijgen te manen. Zolang dat niet gebeurt, wordt er ook niet voort gespeeld.»
© Jan Hertoghs
Eenentwintig-nul
Laatste minuut van de wedstrijd. De stand is 1-1. Een kadet gaat alleen op doe af, hij heeft de 2-1 aan de voet, hij dribbelt de goalie en schuift de bal tegen de paai en buiten. Geen seconde later fluit de scheidsrechter af. Fuck! De aanvalier zakt verslagen ineen op het veld, trekt zijn shoes uit, gooit ze tien meter ver, staat op, pakt ze weer bij de veters en kwakt ze keihard tegen de ijzeren balustrade.
Arbiter: "Dat is toch iets dat me begint te verontrusten, die rauwe frustratie, dat niet meer kunnen verliezen bij die wat oudere gasten. Het is gelukkig nog niet doorgedrongen onder de zestien jaar, maar bij de (gewestelijke) juniores is er nu een nieuw fenomeen om midden in de match met z'n allen het veld te verlaten. Ze staan bijvoorbeeld 3-0 achter, ze krijgen een strafschop tegen, ze gaan niet akkoord en de hele ploeg trapt het af. Zo van, er is niks meer aan te doen, dus zijn we weg. Dat engagement om die wedstrijd tot het einde uit te spelen, is weg. En ik vind dat nefast voor de jongere kinderen. Want die juniores zijn hun voorbeeld, zij kijken op naar die juniores, en dan krijgen ze zo'n voorbeeld van Onsportiviteit te zien.»
Trainer: "Dat niet kunnen verliezen zie je ook heel sterk bij de. ouders. Het liefste wat ouders hebben is dat hun kinderen over de tegenpartij heen walsen! Zes-nul! Acht-nul! 'Amai, mannen, goed gespeeld!' Terwijl ze niet eens hun best hebben gedaan omdat het zo'n zwakke tegenstander was. Ik heb soms liever dat mijn jongens met 1-0 verliezen, dan hebben ze tenminste moeten knokken, dan hebben ze tenminste iets kunnen leren. Maar daar moet je bij de meeste ouders niet mee afkomen!»
Vader: "Ik geef het toe. Als vader zie je doodgraag dat de netten regelmatig worden bol gezet. En eigenlijk kunnen wij een lesje leren van die kleine gasten, want die kunnen meestal beter tegen hun verlies dan de ouders. Onlangs verloor het ploegje van mijn zoon met 21-0 alstublieft, en vijf minuten later hingen die gasten te tuimelen aan de omheining. Geen spatje verdriet meer. Pas op, als ze van het veld komen, hangt hun lip op hun kin, en bij sommigen staan hun ogen eerder op bleiten dan op lachen.
Die verliesmatchen zijn echt niet mals hé: 10-0, 20-1, 30-2. Beenhard is dat! Zelfs bij 49-0 zullen ze nog keihard naar de 50-0 spelen om die andere af te maken en in de grond te boren. Geen medelijden: zo zijn kinderen. Maar het is ook allemaal zo snel vergeten. Zeker wanneer het ploegje goed aan elkaar hangt, deemstert dat verlies nog sneller weg omdat ze elkaar geen verwijten maken. Ik ken jeugdploegjes die bijna tweehonderd doelpunten in hun bak hebben gekregen en die op het einde van de competitie nog altijd NUL punten hebben, en toch komen die jongens elke week opnieuw spelen. Want die kinderen willen voetballen hé, die willen spelen! Die willen op dat plein lopen, die willen drib-belen, die willen een tegenstander voorbijgaan, die willen een schot op doel geven, die willen tacklen en sliden en koppen, álles willen ze. En winnen willen ze natuurlijk ook, maar als ze verliezen, is dat geen drama voor hen. Het drama wordt altijd gemaakt door de volwassenen. Wij zijn de slechte verliezers!»
Langs de lijn van het jeugdvoetbal (1) : de voetbalvaders
In het topvoetbal wilden minstens twaalf zeer kapitaalrijke clubs zich afscheuren in een elitecompetitie, de Super League. Die gesloten competitie is huizenhoog verheven boven het spelen voor lokale supporters met hun druilerige hotdog, vanaf nu wordt het galactisch spelen voor honderden miljoenen televisiekijkers in hun lauwe zetel. Intussen is die Super League (bijna) aan duigen gevallen, maar de toon is gezet: topvoetbal komt in handen van de happy few, de andere clubs moeten tevreden zijn met minder planetaire krijtlijnen.
Al die topvoetballers en veel van die ambitieuze clubvoorzitters zijn ooit als jeugdspeler begonnen op kleine veldjes met vaak alleen een handvol ouders als publiek. Een wereld die lichtjaren af staat van dat topvoetbal, en toch ook niet. Ook op het niveau van kinderen is er geld, afgunst, onverdraagzaamheid, en een grote druk om te presteren. In 1998 was ik vele weekends onderweg om jeugdwedstrijden bij te wonen en om voetbalvaders (soms -moeders) bezig te horen.
Een luidruchtig verslag.
Humo februari 1998 -licht ingekort - © Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags
Staat zo'n vader daar te brullen tegen zijn kind van negen: Raakt 'm! Stampt 'm de poten vanonder zijn lijf !
Het is een beeld van de zondagmorgen. Er is amper verkeer, de wegen zijn zo goed als leeg, maar als auto's in één rij voor een stoplicht staan, dan kan je er kalk op innemen dat het vaders met voetbalzonen zijn. Achterin de wagen zit het vol jeugdige koppen. De haren fel gekamd, de rits tot hoog onder de kin gesloten. Jonge voetballers onderweg naar het gras hunner dromen. In België zijn zo'n 240.000 jonge voetballers aangesloten bij de Belgische Voetbalbond. 150.000 daarvan zijn jonger dan veertien. Dat zijn de Duiveltjes (6 tot 8 jaar), de Preminiemen (8 tot 10 jaar), Miniemen (10 tot 12 jaar) en Knapen/Kadetten (12 tot 14 jaar). Over die kinderen gaat het. Maar meer nog over de ouders van die kinderen: de voetbalvaders, en in mindere mate de voetbalmoeders en voetbalgrootouders. Die ouders langs de krijtlijnen die hun kind aanmoedigen, maar met even groot gemak de grasmat inboren. Die ouders - aldus sommige trainers- die zich menen te moeten moeien met de opstelling van de ploeg. Die ouders - aldus sommige scheidsrechters- die menen zich minder sportief te moeten gedragen dan de kinderen zelf. Die ouders - aldus andere ouders- die uiteindelijk maar één ding hopen, namelijk dat hun zoon ooit in eerste klasse zal spelen. De kans dat hem dat gouden schoentje past is... één op duizend.
*De reportage is gebaseerd op gesprekken langs de lijn van Antwerp, Beerschot, Lierse, Germinal Ekeren, Berchem, Tubantia Burgerhout, Schilde en "s Gravenwezel.
Vader: "Mijn zoon is negen. Hij traint twee keer per week en volgt nu ook de speciale keepersschool. Negen jaar zijn en al individuele training krijgen, dat is niet meer spelen, dat is presteren. Als vader ben ik daar niet voor: een kind van negen, dat moet zich ontspannen, dat moet zich amuseren. Maar hij WIL het doen en ik laat hem doen. Want wat doe je ertegen? Het hoort bij deze prestatiemaatschappij. Alles is tegenwoordig prestatie. En wie niet presteert, die kan gaan. Dus moet hij oefenen, dus moet hij trainen, dus moet hij beter zijn dan de anderen. Zelfs al op negen jaar.»
Een miniemenwedstrijd. Goal. Bal zuiver onder de keeper. De tienjarige doelman vloekt 'shit', gooit zijn handschoenen tegen de grond en trapt ze nog na terwijl ze op de grond liggen. De doelpuntenmaker zit intussen op één knie en trekt met gebalde vuist een denkbeeldig kanon af. Eén-nul!
Vader: "Als die kinderen scoren, dan weten ze wat ze moeten doen. Dansen bij de cornervlag, vliegtuigske spelen, op hun buik landen, schoenen poetsen, elkaar bij de enkels pakken en in kikkerpas over het veld huppen, je ziet het allemaal. Voor de profs uit eerste klasse is dat eventjes kinderachtig doen, voor die kinderen is dat eventjes de professionele uithangen.» Jeugdcoördinator: "Als je scoort, ben je de held. Ook bij de ouders. Er zijn spelertjes die honderd frank van hun ouders krijgen als ze scoren. En dan ook nog eens honderd frank van den bompa en vijftig frank van de nonkel. Wij zijn daar vierkant tegen en we zeggen dat ook duidelijk tegen de ouders: doe het niet, want zo worden de kinderen te individualistisch in hun spel.»
Vader: "In onze club is er een kind dat naar de Quick mag als het scoort. En als het twee keer scoort, krijgt het niet één maar twee hamburgers. Enzovoort! Wel, zijn spel zag je veranderen en hyper-individueel worden, want ja, dat ventje speelde voor zijn hamburgers."
Moeder: "Ik ken ouders die hun zoon-keeper hebben gezegd: als jij tot Kerstmis - er waren nog zestien matchen te spelen -geen enkel doelpunt binnenlaat, dan krijg je van ons vijfduizend frank (125 euro)! Veertien weken heeft die jongen het uitgehouden en toen kreeg hij d'r twee binnen. Zo'n druk leggen op een kind van tien jaar!»
Vader: "Je hebt ook al ouders die geld geven voor een assist! Vijftig frank voor een beslissende pass, waar zijn we dan mee bezig, zeg?!
Maar wat ik een nog kwalijker individualisme vind, zijn ouders van wie de ploeg gerust met 5- 1 mag verliezen, als hun zoon maar die ene goal heeft gescoord. De ploeg is bijzaak. Hun eigen kind, dat is de hoofdzaak.»
Jeugdcoördinator: "Ja, dat eigen kind, dat moet presteren. En soms kan dat niet rap genoeg gaan. Ik heb hier een vader gehad die powertraining gaf aan zijn zoontje van elf! Want hij vond dat zijn kind 'fysiek wat mankeerde'. En toen de trainer zei dat 'poweren' slecht was voor zo'n kind en dat hij daarmee beter zou wachten tot ie zestien was, zei die man:' Maar allez, dat kan toch geen kwaad? Twee gewichtjes van twee kilo aan zijn polskes en wat zwaaien met zijn armen !?»
Ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags
Hij speelt in Nationale!
In het jeugdvoetbal heb je een opdeling in Gewestelijke, Provinciale en Nationale. Dus: bij de Miniemen van een club heb je Gewestelijke Miniemen, Provinciale Miniemen en Nationale Miniemen. Spelen de jongens Gewestelijk, dan spelen ze tegen teams uit de omgeving, spelen ze Provinciaal, dan spelen ze tegen teams uit de provincie, en spelen ze Nationaal, dan spelen ze tegen teams uit heel België. 'Nationale' jeugdspeler zijn bij een club is dus het hoogste niveau halen, en sommige ouders wensen meer dan vurig dat hun kind in 'Nationale' zou spelen.
Jeugdcoördinator: "Ouders zijn fier als hun zoon in die 'hoogste klasse' speelt. Mijn zoon is Nationale Miniem van Beerschot! Of, onze jongste is van de Gewestelijke naar de Provinciale Kadetten van Germinal gegaan! Zo wordt dat gezegd. En van mij mogen ouders daar fier op zijn, maar o wee, als hun kind `zakt'! Ik ken ouders die hun zoon met voetballen lieten stoppen omdat hij niet meer geselecteerd was voor Nationale. Die jongen speelde nog steeds bij Provinciale Miniemen van zijn club, die speelde daar zelfs heel goed, maar zij vonden dat maar niks en hij moest maar iets anders gaan doen, gaan tennissen of zo. Maar waarom hebben ze dat kind afgeschreven?! Kijk naar Jan Ceulemans. Die heeft altijd in Gewestelijke en Provinciale gespeeld. Die is nooit 'Nationaal' geweest. En dat is één van de beste spelers geworden die België ooit heeft gehad!"
De kantine. Plaveien op de vloer, tralies voor de vensters en blinkende bekers achter de toog. Vaders in rooie anorakken drinken een pint, moeders lichten het deksel van hun filterkoffie. En nog een preisoepke, een currysoepke, twee palmkes, een cola, en een thee. En Louis! Louis! Die journalist wil dat niet geloven van die moeder en die trainer! Louis komt erbij staan, jaja, in club Y stapte een 'gewillige' moeder al eens met de trainer in bed opdat de zoon van twaalf jaar toch maar in de eerste ploeg van de kadetten zou staan!
Vader: "Over het al dan niet in de ploeg mogen staan, doen veel verhalen de ronde. Mij zijn gevallen bekend van vaders die de trainer elke week wat geld toestoppen zodat hun jongen elke week zijn stek in de Nationale Knapen houdt. Een goeie manier om te maken dat je zoon elke week speelt, is sponsor worden van de jeugdafdeling. Dan stort je bij het begin van het seizoen 50.000 frank (1250 euro) in de kas van De Jeugd, en dan is het voor de trainer wel heel moeilijk om je zoon niet te zien staan, want hij is tenslotte 'de zoon van een sponsor'. Wat bij onze club bijvoorbeeld ook helpt, is jezelf opgeven als verzorger of ploegafgevaardigde. Dan ben je het soort vrijwilliger dat zijn hele weekend aan de club besteedt, en dat kan ook helpen bij de selectie van je kind.» Jeugdcoördinator: "Sommige ouders proberen het op een heel simpele manier: die gieten de trainer na de match flink wat pinten op.»
Moeder: "Dat zal bij onze club niet lukken. Trainers hebben de strikte opdracht na de match van de toog weg te blijven, onder andere om die beïnvloeding uit de weg te gaan.»
Vader: "Ik begrijp maar al te goed dat trainers niet te veel contact zoeken. Omdat de ouders zich nu meer met de selectie willen bemoeien dan vroeger. En ze schuwen niks. Sommige ouders lopen de deur plat bij het bestuur, andere hoor je op het veld hardop naar de trainer roepen. 'Zeg, dat kan toch niet dar onze Tom weer aan de kant staat! Als dat zo voortgaat, dan komt 'm niet meer, dan gaat 'm naar een ander ploeg!'»
Ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags
De bankzittertjes
De preminiemenmatch wordt afgefloten. 2-0 gewonnen, en toch zijn drie moeders van de winnende ploeg niet tevreden. 'De mijne heeft maar tien minuten op het veld gestaan. De mijne maar vijf! De mijne helemaal niet! 't Is elke week hetzelfde. 't Zijn altijd dezelfde die mogen spelen. Dat is toch belachelijk van die trainer!'
Trainer: "Ja, de ouders gaan dan klagen hé. De ploeg heeft wel gewonnen, maar o wee, hun ventje zat er niet hij! 't Gaat zel-den om de ploeg. 't Gaat altijd over hun kind.»
Moeder: "lk vind dat erg voor die kleine gasten. Ze zijn negen jaar en ze zitten de hele match op de bank. Of ik dat ook tegen de trainer durf te zeggen? Nee, dat durf ik niet want dan mag hij volgende week helemaal niet meer meedoen, daar ben ik zeker van.»
Trainer: "Och, je hoort het zo vaak. Zodra een ploeg aan de winnende hand is - zelfs al gaat het maar om een Gewestelijk Miniemenploegje- , dan zal die trainer dat winnende team willen behouden. In theorie mag hij de hele match 'vliegende wissels' doorvoeren, kinderen mogen de hele tijd in en van het veld zodat iedereen kan meedoen, maar ze krijgen de kans niet. Ze komen er niet op. Of hoogstens de laatste vijf minuten. En dan krijg je dat: jongens die weken aan een stuk op de bank zitten en nooit aan spelen toekomen.»
Moeder: "Zo'n winnersploegje mag niet meer verliezen en kan op de duur ook niet meer verliezen. Zelfs het kleinste verlies kunnen ze niet aan. Ik heb elfjarigen van het veld zien komen, het was 0-0, en sommigen hadden de tranen in hun ogen!» Jeugdcoördinator: "Als zo'n ploegje in de running is voor een kampioenstitel, gaan de trainers echt beslag leggen op die elf goeie spelers. Ze moeten er altijd zijn, op elke training en bij elke match. En dat gaat soms ver. Het kind is geblesseerd - wat een zeer geldige reden is om afwezig te blijven - en toch gaan ouders het dwingen mee te spelen. Om de trainer toch vooral niet teleur te stellen. Want een teleurgestelde trainer, dat kan soms betekenen dat je zoon er de week daar-op niet bij mag zijn. Als straf! Voor hem, en voor die ouders ook natuurlijk."
© Jan Hertoghs
De Goed Geprobeerd-Ouders
Twee vaders in gesprek aan de lijn. 'Ik weet niet wat 'm heeft tegenwoordig, maar hij is precies zijn shot kwijt. Bij 't begin van 't sei-oen schoot hij d'een bom na d'ander binnen, en nu is 't niks meer.' - 'Ja, jong, dat kan zo ineens weg zijn hé. Misschien wilt hij het te veel forceren, en dat is zo, als ge dat wilt forceren, dan gaat dat niet hé.' - 'Ja, 't is waar, hij zou dat niet mogen forceren.'
Vader: "« Of vaders echt iets van voetbal kennen, hoor je aan hun geroep tijdens de wedstrijd. Zo is het opvallend dat degenen die wel iéts van voetbal kennen, vrij weinig roepen, en dan nog meer in instructieve zin, zoals 'Bertje, speel volgende keer eens in de diepte' of `Komaan, Thomas, direct terug bij uwe man!' Dat noem ik de Richtlijn-Ouders. Die zijn in de minderheid, want de grootste groep ouders wordt gevormd door de 'Goed-Gedaan' en de 'Goed-Geprobeerd'-Ouders. Dat zijn ouders die alleen maar willen zien dat de ploeg op de goal afstormt. Alleen aanvallen telt, de rest van het spel is niet belangrijk, en die ouders schreeuwen hun kinderen letterlijk naar de muit. 'Vooruit! Voor-uit! Langs de lijn! Langs de lijn!' - 'Afgeven, die bal, afgeven!' -'Voor de goal zetten, voor de goal! Goed gedaan! Goed geprobeerd!'» Nog iets. Ouders die iets van voetbal begrijpen, die gaan ergens staan waar ze het spel kunnen overschouwen. Ouders die er weinig van begrijpen, gaan vaak gewoon in de buurt van hun kind staan. Speelt hij rechtsachter, dan staan papa en bompa ook rechts-achter. Kunnen ze direct roepen waar hij de bal moet trappen. Wat ook opvalt: hoe jonger het kind, hoe meer men alleen maar voor zijn-kind-schoon-kind! supportert. 'Vooruit Kevin! Komaan Kevin! Niet afgeven Kevin! Naar rechts Kevin!'Dat houdt niet op. Dat is geen kind meer, dat is een robotje, een Gameboy waarvan de ouders denken dat ze de afstandsbediening in de hand hebben. 'Naar rechts! Naar links! Vooruit! Schieten!' En hoe slechter hun kind speelt, hoe korter ze roepen. Dat begint met "Goed gespeeld, Kenny, goeien bal, Kenny, goed gedaan, Kenny.' En dat eindigt met 'KEN-NY', van die korte nijdige blafjes zoals je een hond tot de orde roept. Eigenlijk verstomt dat roepen van de ouders pas naarmate de jongens ouder worden - scholier en UEFA-junior- én naarmate ze niet meer in Gewestelijke maar in Nationale spelen. Want degenen die dan nog spelen zijn stuk voor stuk goeie spelers én hebben niks meer te leren van de ouders."
© Jan Hertoghs
De papa of de trainer?
Een training van de Duiveltjes (6 tot 8 jaar). Bomma vraagt of Michael geen kou heeft. Nee, bomma. Ook niet aan uw billekes? Nee, bomma. Dan is 't goed, schat! Een andere moeder langs de lijn 'coacht' haar kind zonder ophouden. Komaan, Sean, lopen! Naar de witte kegel, Sean, niet naar den blauwe! Haast u, Sean, lopen, Sean, de anderen zijn al klaar, Sean, nu op uw poep zitten, Sean, op uw poep, Sean! Poep, Sean! En nu den bal pakken, Sean. Den bal pakken! Het kind draait zich om naar zijn mama, en naar welke kegel moet ik nu, mama? Ja, Sean, dan had ge maar beter naar de trainer moeten luisteren!
Jeugdcoöordinator: "Het ergste voor een kind op het veld is wanneer ouders en trainer mekaar tegenspreken. Voor de match zegt de trainer, 'Bert, jij blijft RECHTS', en dan begint de match en is er op links een zee van ruimte en dan roept papa: 'naar links, Bert, verdomme naar LINKS, ziede gij dat gat dan niet!' En wat moet die jongen dan doen? Naar zijn vader luisteren of naar de trainer luisteren?
Ik heb zo'n vader gehad. Die kleine hield zich strikt aan de richtlijnen van de trainer en die vader werd razend omdat dat kind niet naar hém luisterde. Na de match stapte die in zijn auto en reed in volle vaart naar huis. 'Zie maar dat ge alleen thuis geraakt' riep hij nog. Stond die kleine daar!»
Trainer: "Wij hebben ook zo'n vader gehad. Die jongen ging op het doel af, iedereen - de trainer, de délégué en de assistent- brulden dat hij moest passeren, en die vader brulde nog harder dat hij niet moest passeren. En in zijn koleire riep hij: `Naar wie zou hij godverdomme passeren, 't is den enige op 't veld die kan sjotten!' Je kan je dat voorstellen, die vader kreeg trainer en supporters tegen, die jongen kreeg zijn medemaats tegen, en op de duur - want dat herhaalde zich een paar matchen- was die jongen doodongelukkig. Ik heb hem een keer het veld zien afkomen, helemaal alleen, tot bij de afsluiting, waar zijn vader ook helemaal alleen stond, en die jongen liet zich op de grond vallen, zijn handen voor zijn gezicht, en snikken, snikken. Dat kind was kapot, dat kind heeft het seizoen niet uit gedaan.»
Arbiter: "Vaders die zich zo gedragen, hebben geen enkel besef van wat hun kind aan het doen is. Want hun kind is aan het leren. En als je iets leert, dan ben je fier als kind en dan wil je ook aan je ouders laten zien wat je kunt. Al die dingen die je van de trainer geleerd hebt. En dan staat die vader daar en dan wil die niet eens zien wat je geleerd hebt!»
Délégué: "Ouders die zo fanatiek zijn, vind je overal. Maar ik zou hen niet met de vinger wijzen: ouders gedragen zich pas fanatiek als ook de trainer fanatiek is. Ouders gaan pas hard roepen als ook die trainer luid naar die kinderen roept. Ik heb het al te dikwijls gezien. Ouders en trainer die zo staan te roepen en te blaffen dat de kinderen op het veld ineenkrimpen en soms met tranen in de ogen aan het spelen zijn. Helemaal verkrampt, helemaal in de war.»
Arbiter: "Ik merk het als kinderen schreiend op het veld lopen. Dan hebben ze naar doel geschoten en gemist, en dan is er naar hen gescholden door de trainer of de ouders. En dat kind weent dan omdat het niet kan voldoen aan die hoge verwachtingen van de trainer en van de ouders.»
Délégué: "En wat voor agressieve dingen vaders soms roepen, ook naar de allerkleinsten. Ik heb een vader naar zo'n zevenjarige horen roepen: 'Stampt dien andere de poten vanonder zijn lijf!' Daar ga ik als ploegafgevaardigde direct naartoe, en daar wil ik desnoods tien minuten mee praten tot die man bekoeld is.»
Vader: "Godverdomme, raakt 'm! stampt 'm tegen de grond! Dat heb ik een vader horen roepen tegen zijn zoontje van negen, omdat die kleine al twee of drie keer door een aanvaller gepasseerd was. Ik zei, mijnheer, weet gij wel wat gij zegt tegen dat kind? En zijn antwoord was: Hé boerke, gij komt van een boerengat, gij moet ons niet komen vertellen hoe wij hier moeten sjotten hé!» Délégué: "Trainers kunnen soms ook zo bruut zijn. lk zag een Duiveltje van zeven jaar een foute pass geven en die trainer vloog uit: 'Kijk uit uw doppen! Ge kunt er weer geen kloten van! Wacht maar tot woensdag, dan zal ik het u 'ns léren op de training.' Zo iemand geeft niet alleen een verschrikkelijk voorbeeld aan de ouders, zo iemand is ook een verschrikkelijke trainer.»
Vader: "Je hebt van die trainers: die kennen wel iets van een bal, maar die kennen niks van een kind. Die weten dat een bal altijd naar hen luistert, maar die begrijpen niet waarom een kind soms nièt naar hen luistert. Dat is één van de grote problemen van het jeugdvoetbal. Dat de trainers vaak te technisch en te balgericht zijn, en te weinig kindgericht.»
Arbiter: "Wat sommige vaders naar de kinderen roepen is vaak krek hetzelfde wat ze naar volwassen voetballers roepen. "Wat ge te klungelen in dat centrum?! Dekt nu eens die linkerkant af! Beweegt eens wat meer, lamzak!' Dat soort vaders kijkt niet naar een spel van kinderen, dat kijkt alsof daar een match van 'de groten' bezig is. En als dat kind nog maar een paar fouten maakt, beginnen ze vaak al te grommen. 'Hij staat weer te slapen vandaag. Hij ziet weer niks vandaag!' Met andere woorden: hij is weer geen grote voetballer vandaag. En dat is de grote ontgoocheling die bij veel vaders op de loer ligt: omdat zij mindere goden zijn geweest, omdat zij niet die jongensdroom-van-de-grote-voetballer hebben waargemaakt, willen ze van hun zoon een god maken. En als die god hen dan ontgoochelt, kunnen ze dat niet verdragen hé.»
© Jan Hertoghs
De kapbeweging
Speler: "Er wordt door vaders nogal wat afgezaagd tijdens de match, maar wat ik ook erg vind, is het gezeur na de match, in de kantine. Dan krijg je het te horen hé. 'Het trok weer op niks! Ze hebben er weer hun kas aan geveegd! Ze kregen 'm er weer niet in! En d'r is geen ene die op zijn juiste plek staat! En den trainer trekt op geen ballen!' Altijd maar negatieve commentaar, zelden iets positiefs. Ik moet dat niet meer horen, ik mijd de kantine. Ik wacht in de kleedkamer tot de bus er is, en dan spring ik recht in de bus. De ouders denken nog al te vaak dat wij dat niet voelen, die commentaren op het veld en in de kantine. Ze denken dat wij met de jaren een dik vel hebben gekweekt. En voor een deel is dat zo, als ze 'lomperik' of 'lul' of 'sukkel' roepen, dan hoor je dat niet meer. Maar als ze je aanmoedigen, als iedereen roept en fluit en applaudisseert, dat voelen wij maar al te best, maar dat krijgen wij veel te weinig te horen.» Jeugdcoördinator: "Ouders weten niet wat ze hun kind soms aandoen met al die negatieve commentaar. Want als die jongen niet zo goed presteert op school, dan wordt daar al op hem 'gekapt', en als ze dan ook nog eens tijdens het voetballen (zijn uitlaatklep voor de school!) op hem beginnen te 'kappen', dat is wreed, dat is nefast voor zo'n kind!
Op het veld wordt gesakkerd, in de kantine wordt gekankerd en dan heb je nog van die huishoudens waar ook de barometer thuis door de match van het weekend bepaald wordt. En heeft de zoon slecht gespeeld, dan zit het ertegen, dan is het daar soms de hele week ruzie. Ik heb huwelijken weten afspringen omdat het voetbal zo de gezinssfeer beheerste, omdat alles om voetbal draaide, omdat over niets anders dan voetbal werd gesproken.»
Vroeger, och, vroeger!
Zijn kleinzoon speelt ginder, zegt hij, dat manneke met die wittekop. 't Is een goed spelerke, maar soms wat aan de trage kant. Hij heeft vroeger ook gespeeld. Niet te vergelijken met nu. Ze speelden met een harde geschilderde bal waar de verf in schilfers van het leer brak. En ja, ze gingen ook op verplaatsing. Met de fiets en met de boterhammen onder de snelbinder. En na de match geen douche, maar u wassen in een emaillen teiltje , het water ontdooide op uw blote borst.
Jeugdcoördinator: "Och, vroeger, dat is niet te vergelijken met nu! In de jaren zeventig hadden we hier op Beerschot vier trainers voor vijfhonderdtachtig kinderen. Al die kinderen oefenden her en der op een vierkantje van het veld en die trainers liepen rond en zagen ze iets verkeerds, dan floten ze en wandelden ernaartoe, "zo moet ge diejen bal amortisseren en nééje, dat is niet de binnenkant van uwe voet!' En pas op, de ouders vonden dat goed hé, geen enkele vader die reclameerde. En nu! Nu hebben we driehonderd kinderen en drieëntwintig trainers! Die zijn profes-sioneel hé, die hebben allemaal een opleiding gehad, maar... dan nog zijn sommige ouders niet content. 'Mijnheer, hij speelt in een groepke van zeventien, ik vind dat te groot, zo kan hij niks leren! Kan hij niet wat individuele begeleiding krijgen?'
Nog zoiets: vroeger waren er TIEN ballen voor die 580 kinderen, nu zijn er DRIEHONDERD ballen voor die driehonderd kinderen. Elk kind heeft zijn eigen lèren bal! Dat is ook mooi om zien, zo'n veld vol kinderen, en allemaal aan het lopen met die bal. Maar dan denk ik soms: als ik tegen die ouders zou zeggen dat er per tien kinderen maar één bal is... Jongen, ze werden stapelzot!»
Tienjarige profs
Vader: "Alles wordt 'professioneler'. Vroeger mocht je ze nog met de auto brengen. Maar nu gaan die tienjarigen al met de 'spelersbus' en wij ouders mogen dan als schapen achter die bus rijden. Die afzondering in de bus is goed voor hun concentratie, zegt de trainer. Kan je je dat voorstellen? Professionals van tien jaar!»
Speler: "Goed dat wij in een bus zitten. Daar kunnen we tenminste kaarten of lezen of onze walkman opzetten. Alle jongens waren het beu om met de auto mee te rijden, want als je verloor, begon pa zijn zaag te spannen in de auto.»
Vader: "Ja, het gaat er almaar professioneler aan toe. Vroeger lieten ze een kind gerust in een club, ze kwamen het pas wegkopen als hij zestien was. Nu komen eersteklasse-clubs de kinderen al scouten vanaf hun acht jaar: of ze niet naar een grotere club willen?!
In de provincie Antwerpen wordt nu zelfs al geronseld door Nederlandse eredivisie- en eerste-divisieploegen: NAC Breda, Feijenoord Rotterdam, PSV Eindhoven en Willem 11 Tilburg. En eigenlijk hebben die maar een ietsje betere opleiding te bieden dan de Belgische clubs, maar die 'naam' doet het natuurlijk bij de ouders: het idee dat hun kind mag spelen bij een 'grote' buitenlandse club! .»
Jeugdcoördinator: "Vroeger waren ouders minder te verleiden door al die aanbiedingen omdat niet de ouders maar de club alles te zeggen had over de transfers van de spelers. Maar sinds het decreet van '97 over de niet-professionele sportbeoefenaar zijn kinderen niet langer gebonden aan de club en staat het de ouders vrij met hun kind naar een andere club te gaan. Sommige ouders beginnen dan ook te marchanderen met hun kind, wat vroeger onmogelijk was. Die kleine speelt bij ons, bij Beerschot, maar ze vragen dan aan Germinal Ekeren of Lierse of hij daar eens mag komen testen, want dat vinden ze natuurlijk beter, dat die kleine bij een eerste-klasse-ploeg speelt. En oké, hij mag bij Lierse bij de Nationale Kadetten beginnen en dan zie je die ouders ineens veranderen hé! Zes jaar lang vonden ze het fantastisch bij ons, en ineens is er niks meer goed. Dat kind wil eigenlijk niet veranderen, dat heeft zijn vriendjes, dat is gelukkig bij ons, maar zijn ouders vinden dat hij moet veranderen. En waarmee ze dat kind dan paaien. 'Allez jongen, ge moet dat eens zien bij de Lierse, daar hebben ze douches met twee koppen, en bij Beerschot maar éne kop!'»
Vroeger had een club meer vat op die transfers, en was het rustiger rond het veld. Nu zijn de ouders nerveuzer geworden. Als zij vinden dat 'hun kleine' wat te weinig wordt opgesteld, gaan ze al op zoek naar een andere club.»
Jeugdcoördinator: "Veel clubs zijn tegen dat decreet, maar ik vind het niet zo'n slechte zaak. Vroeger kon een club een jongen heel lang aan zich binden zonder iets voor hem te doen. Nu is jeugdwerking een uitdaging. Nu moet je er iets voor doen om die jonge gasten in de club te krijgen en om ze erin te houden ook.»
Vader: "De grootste verlokking voor zo'n ouders is een aanbieding van een grote club. En dé max is natuurlijk als je kind bij het grote Anderlecht mag spelen. Sommige ouders hebben daar alles voor over. Ik ken zo'n tienjarige die van een kleine club naar Anderlecht is getransfereerd. Om halfvijf is de school gedaan, moeder of vader wacht voor de schoolpoort, boterham eten in de auto, huiswerk maken in de auto, trainen in Brussel, douchen, nog een cola drinken en om negen uur is die jongen thuis en moet die nog de rest van zijn huiswerk maken. Je hebt kinderen die tegen die stress bestand zijn, maar er zijn er genoeg die dat op die jonge leeftijd niet aankunnen.»
Trainer: "Grote ploegen hadden er vroeger ook geld voor over om een kind aan te trekken en de ouders over te halen dat het de kleinere club zou verlaten. Ouders die 15.000 frank per maand kregen, dat was de premie voor een miniempje. Maar die tijd is voorbij. Ouders en kinderen switchen nu zo gemakkelijk van de ene club naar de andere, en er staan tegenwoordig ook zoveel kinderen te dringen voor De Grote Poort, dat geen enkele club nog geld bovenop een aansluiting wil geven. Hoogstens een gratis abonnement voor de papa om te komen kijken naar de wedstrijden van de eerste ploeg.
© Jan Hertoghs
Nu is het andersom, nu zijn het vooral de ouders die zich extrakosten op de hals halen om hun kind 'naar de top' te voeren. Ik ken ouders die een tweede auto kopen om hun zoon elke dag naar Brugge of Anderlecht te brengen. Als dat kind er dan op zijn veertiende of zestiende de brui aan geeft, stort de wereld van die mensen in.»
Jeugdcoördinator: "Het nadelige is soms ook dat die kinderen geforceerd worden bij die grote clubs. Want die willen wel élk jaar in de jeugdreeksen kampioen spelen en dus stellen ze een goeie speler week na week op. Ik heb kinderen van veertien gezien die compleet kapotgespeeld waren, die twee seizoenen na elkaar geforceerd waren geweest; en toen het niet meer ging liet die grote club ze gewoon vallen. Een jongen is hier naar zijn kleine club teruggekeerd met twee bouten in zijn knie... In kleine verenigingen kom je dat niet tegen. Vandaar dat ik altijd tegen de ouders zeg: haal ze niet te vroeg uit hun 'nest' weg, laat ze zolang mogelijk in een kleinere club blijven, want die 'professionele' jeugdopleiding van de grotere clubs, daar zijn niet alle kinderen tegen bestand . Het gebeurt ook heel vaak dat die grote ploegen kinderen aannemen en dat ze een maand later al zeggen dat 'ze hem niet kunnen gebruiken'. Dan staan die ouders daar, 5.000 frank lidgeld betaald, en ze moeten hun kind niet meer hebben!"
De miniemen komen van het veld, roodwit heeft gewonnen tegen blauwgeel. Onder de golfplaten van de kleedkamer zindert het 'Tsjikke-tsjakke-tsjikke-tsjakke heujheujheuj' en 'We Are The Champions, No Time for Losers'. En ook een treiterachtig refrein: 'Ze waren Beter! Ze Waren Beter!... Niet Gekomen! Niet Gekomen!' De terreinverzorger trekt de deur open en roept: 'EN DEZE KEER NIET MET DE SHOES IN DEN DOUCHE !!'
Deel 2: hoe verteer je 50-0 en oerwoudgeluiden?
Vogelspotten (2): blij met een levende mus
Nu het vogelspotten een hoge vlucht neemt (de woordspeling drong zich op), zullen we aandacht besteden aan een vogel die lang verguisd én verdelgd werd, maar die aan een revival bezig is; allicht omdat die gevederde volksvriend nog maar zelden te zien is. We hebben het over De Mus, de passer domesticus. Tot twintig jaar geleden mocht je die mus met jachtgeweer en nestroof belagen, sinds 2002 is ie beschermd.
We volgen de mus door de eeuwen heen, we sleuren er Dolly Parton bij en we gaan op bezoek bij een passionele mussenfilmer. Alles voor de Passer D!!
Humo april 2002 -licht ingekort © Jan Hertoghs
© Jan Hertoghs
"Het zou kunnen dat de mus kapotgaat aan dezelfde kwaal als de mens: vereenzaming."
Onlangs werd op de redactievergadering geopperd of we geen aandacht konden besteden aan De Bedreigde Huismus?! Dat ik dit nog mag meemaken, riep ik verheugd. Want reeds in 1984 heb ik bij de heer Guy Mortier een voorstel ingediend om een reportage te maken over dit sympathieke gevogelte. De brief van toen heb ik teruggevonden: in navolging van de groeiende belangstelling voor de Gewone Man, pleitte ik toen al voor een artikel over de Gewone Mus, “zijnde de meest voorkomende én minst bestudeerde vogel van ons land.” Omdat losbandig gedrag altijd goed is voor de verkoop van een weekblad had ik ook gemeld dat de mus een heetgebakerde wipstaart is, “sommige bronnen spreken van 300 copulaties per dag!” Maar dat mocht niet baten, het voorstel werd niet aanvaard, maar nu achttien jaar later, nu moét het ervan komen. Want intussen is gebleken dat de huismus uit het gezichtsveld aan het verdwijnen is. Het pluimgewichtje is zelfs zo hard op de terugweg dat de Vlaamse regering beslist heeft om hem het statuut van Beschermde Vogel (BV) te verlenen. Humo dus op zoek naar de mus.-
Aanhef van de brief aan hoofdredacteur Guy Mortier: mag (jh) iets maken over De Mus?
Op internet kan je duizenden webbladzijden vinden over de mus, er is sprake van een echte mussenrevival, maar in 1984 was het géén onderwerp. Er waren toen naar schatting nog twee miljoen mussen in Vlaanderen en vijf miljoen mussen in België, dat is één mus per twee Belgen, daar keek dus niemand naar om. Zelfs bij de uitgesproken vogelvrienden van De Wielewaal (nu: Natuurpunt) kenden ze “in heel hun vereniging niemand die zich voor de huismus interesseerde". Het onderwerp werd “te groot, te bekend en te vulgair" genoemd. Erger nog, zij vergeleken interesse voor de mus "alsof je aan medici vraagt of ze zich met de verkoudheid bezighouden.”
Op het Departement Biologie van de UIA vielen ze ook uit de lucht: “In Engeland en de USA zijn er al studies geweest, maar in België is er geen onderzoek naar dat beest.“ Op het Instituut voor Natuurwetenschappen kwam ik vervolgens te weten dat de huismus “één van de weinige Belgische vogelsoorten was die nog nooit geringd was”, met andere woorden, ook al geen interesse. De enige die dat allemaal zéér spijtig vond, was Roger Arnhem van het toenmalige Coördinatiecomité voor Bescherming van Vogels: “Weet u wat het is? Onderzoekers vinden de huismus niet glorieus genoeg om er een studie aan te wijten. Er is trouwens geen geld voor onderzoek naar de passer domesticus. Want ja, wat heb je aan die mussen?! Ze zijn niet bedreigd, ze zijn heel talrijk, en ze leven vooral in de steden. Geen enkele ornitholoog doet graag onderzoek in een stad. Iedereen wil ver weg het veld in, als het kan naar de Himalaya! Daar gaan ze dan in moeilijke omstandigheden naar zeldzame vogels kijken. Een wetenschapper wil nu eenmaal geen vogel bestuderen die zich achter zijn keukenvenster bevindt!”
Tot in de jaren negentig was er amper belangstelling voor deze “grauwe luidruchtige ordeverstoorder”. De mus werd misprezen, ook in de vogelliteratuur, ze leek wel de nozem van de schepping. © Jan Hertoghs
Zo was de situatie in 1984. Spreekwoordelijk gezien was er géén kat die zich voor de mus interesseerde. Ik gooide me dan maar op de vogelliteratuur, maar ook daar viel de mus compleet tussen de plooien. In vogelboeken uit de jaren vijftig en zestig worden amper alinea’s aan de huismus besteed. In enkele boeken is zelfs geen beschrijving van de mus terug te vinden (“een beschrijving is overbodig, iedereen kent wel zijn grauwe verenkleed”). Voor de ware vogelliefhebber zijn het zelfs ordeverstoorders (“de mussen verjagen met groot kabaal de jonge zwaluwen, wat niet leuk is voor mijn observatie”) en natuurlijk wordt ook zijn getsjilp maar schamper onthaald (“de soort is te onordelijk en te bandeloos om zich op muziek te concentreren (…) bedenkelijk gekrijs (…) ruig gekras en gekwetter ”)
Ja, vrienden, de mus was toen zowat de nozem van de schepping, de mod en de rocker van het vogelbestand; wat mij nog meer voor hem innam! Ook de buurten waar hij zich bewoog werden als ongepast beschouwd voor zo’n kleine vogel. “Waar veel mensen wonen, is hij alomtegenwoordig (…) zelfs in delen van de stad waar hevig tumult heerst. Op perrons waar wielen knarsen en fluitsignalen weerklinken en waar grote mensenmenigten zich bewegen, daar verschijnt zonder mankeren de huismus. Soms zien ze er op die plaatsen groezelig en verfomfaaid uit (…) Mussen houden noch van stilte noch van rust; haast altijd is er om hen heen een sfeer van relletjes, ruzie en rumoer.”
Kijk- en luisterplezier
Pas in de jaren zeventig ontstaat er wat prille interesse voor de huismus. De landbouw (die de mus als schadelijk beschouwt) boert achteruit, de milieugroepen winnen veld en plots is er vertedering voor de kleine overlever: “Veel boeren en tuinders -en ook huismoeders met hun witte was- zullen gloeiend zijn als ze dit lezen, maar ik zou die diertjes niet meer willen missen in de tuin.” (M. de Jong, 1976) Ook hun grauwe veren krijgen plots een andere tint, ineens is er sprake van het “kereltje met zijn grijze petje, wittige wangetjes en warmbruin pakje (…) een vogeltje waar net zoveel kijk - en luisterplezier aan te beleven valt als aan de meest bonte paradijsvogel.” (B. Garthoff, 1971). Het zijn de rooie jaren zeventig, de kleine proletariër moest aan het hart worden gedrukt.
In 1980 verscheen dan “De Huismus” van Minouk van der Plas-Haarsma (uitg. Het Spectrum). Het was het eerste nederlandstalige boek dat met zijn 151 bladzijden helemaal gewijd was aan die ene vogel. Schrijven over een huismus was niet vanzelfsprekend. De schrijfster spreekt zelfs over enige verwarring in de kennissenkring, “sommigen denken dat ik aan een boek werk over de thuiswerkende vrouw”. Voor mij was “De Huismus” een zeldzaam standaardwerkje. Ik leerde onder andere dat een mus tussen de 3100 en de 3600 veren telt, 28 à 30 gram weegt, en tegen een gemiddelde snelheid vliegt van 38,5 km per uur met een maximum van 50 km per uur. Dat laatste mag niet verbazen aangezien de mus zich vooral ophoudt binnen de bebouwde kom.
De Huismus van Minouk van der Plas-Haarsma : “Sommige mensen dachten dat ik een boek ging schrijven over de huisvrouw!”
Hete mussen uit Salou!
Toen dit merkwaardige boekje verscheen, bleek het echter nog te vroeg voor een mussenrevival. Na twee jaar lag het al in de ramsj en ook de schrijfster hield er geen grote contacten aan over: “Akelig stil bleef het na de publicatie. Eén telefoontje heb ik maar gekregen, en dat was dan nog van een vent die allerlei zedeloze praat begon uit te kramen.”
Dat moet dan wel het gevolg zijn geweest van het hoofdstukje Copulatie, daarin stond opvallend feitenmateriaal over het seksleven van de mus. Zo presteert het mannetje minstens vijf en maximum twintig copulaties-na-elkaar als het vrouwtje paringsbereid is. “Bovendien doen ze het vaak op plaatsen waar ze goed zichtbaar zijn, zoals in dakgoten, op vensterbanken, of op boomtakken dichtbij een huis”. Al in de Middeleeuwen hadden mussen de reputatie verworven van onverdroten minnaars. Eén geleerde vermeldde zelfs “300 paringen op één dag” en andere middeleeuwse schrijvers weten de korte levensduur van de mus (gemiddeld twee jaar) vooral aan zijn “hete en onkuise natuur”.
Mussen als geil gevogelte, je zou het die grijssjilpers niet aangeven, maar de grote Aristofanes en de grote Shakespeare wisten ervan. In het blijspel Lysistrata komen op mannen beluste vrouwen de helling van de Akropolis afgereden “zittend op mussen” en in “Measure for Measure” zegt één van de acteurs dat er geen mussen onder zijn dak moeten nestelen “omdat ze overspelig zijn”. In de donkere middeleeuwen mocht het vlees van de mus zelfs niet genuttigd worden omdat het volgens sommige geleerden “een onkuisheid bevorderende uitwerking had”. Dat hadden de Chinezen natuurlijk weer goed gelezen: in China geldt het vlees van de (ring)mus nog altijd als potentieverhogend middel.
Blijkbaar is er ook in het buitenland nog altijd vraag naar Chinees mussenvlees, want in januari ’97 werd in de haven van Antwerpen een container ‘bevroren wild’ opengemaakt. Die bleek op doorreis naar Itelië en hij was geladen met 1,2 miljoen mussenbilletjes -en boutjes. De Nederlandse wildhandelaar voerde jaarlijks zo’n zes miljoen ringmussen in uit China, en hij liep voor dat ene transport een boete op van 20.000 Belgische frank (500 euro).
Kill! Kill! Kill!
De mus is nu beschermd, en de verdelging ervan is door de Vlaamse regering volledig verboden, maar vroeger mocht men de huismus gedurende zeven maanden van het jaar onbeperkt bestrijden. Vooral de boeren hadden het tot in de jaren zestig niet op de mus begrepen. De mus is geen vogel "om te observeren, maar om te elimineren", dat lees je in een boek uit 1957 met de overigens fijne titel “De vogels bij huis, in tuin en park” - “Op alle manieren heeft de mens al geprobeerd om de mussen de baas te worden, maar niets helpt! Vergiftigde tarwe, vangen met netten, nesten met jongen leeghalen, neerschieten, het is boter aan de galg.” De auteur geeft toe dat de mussen tijdens het grootbrengen van hun jongeren veel insecten en schadelijk ongedierte nuttigen, maar “dat staat niet in verhouding tot de grote schade die ze toebrengen aan boomgaarden, moestuinen, bloemperken en vooral graanvelden”. De auteur zet de mus en haar verdelging op dezelfde hoogte als de rat en haar bestrijding en raadt zijn lezers aan om systematisch mussennesten te vernietigen. Om niet met de witte hemdsmouwen onder de dakpannen te moeten wroeten, wordt aangeraden om nestkastjes op te hangen en die dan regelmatig te "zuiveren van mussenbroedsels”.
Met alle Chinezen
In grote graanlanden als China en Rusland was de (ring)mus vijand nummer twee. Op één stond het Amerikaanse imperialisme. De grote roerganger Mao riep in 1958 zelfs een nationale antimussen-campagne uit waarbij drie miljoen studenten, soldaten en kinderen gemobiliseerd werden. Het motto was: vijftig miljoen ringmussen stelen per jaar het voedsel van drie miljoen Chinezen, en drie dagen lang werden onafgebroken mussen gevangen en vergiftigd. Honderdduizenden mussen werden ook voortdurend opgejaagd en tot de dood uitgeput door constant geweren af te schieten en op gongen te slaan. Resultaat: alleen al in en rond de stad Beijing kwamen zo’n 800.000 ringmussen om. (Het gevolg was dat er na de mussenplagen op vele plaatsen insectenplagen ontstonden en dat men het ringmussenbestand weer heeft moeten herstellen,jh)
Ook in onze contreien was het de gewoonte dat boerenkinderen na schooltijd met kletterende pottendeksels langs de graanvelden liepen om zo de mussenzwermen weg te jagen. Er waren vroeger ook mussengilden die er gezamenlijk op uit trokken om mussen te verdelgen. Het gemeentebestuur reikte (kleine) premies uit per aangeboden kadavertje, een mens kon toen nog blij zijn met een dooie mus.
Een klad mussen pikt een graantje mee bij de kippen. Zo blij dat ik het zag. Ik had het beeld al jàren niet meer gezien. © Jan Hertoghs
Mussencongres
In mijn eigen jeugdherinnering (jaren zestig en zeventig) waren mussen even onuitroeibaar als vliegen. Ook in de stadsrand waar we woonden. Overal waar je keek, zag je wel een mus. Ik heb ze als kind ook willen vangen. M’n mussenval was een constructie met een aardezeef en een stokje, als ik aan een touwtje trok, viel het stokje weg en zou de zeef als een vangnet op de troep mussen storten. Om ze te lokken had ik zeer mals Expobrood onder de zeef gelegd. In mijn ogen een aantrekkelijke Breugeltafel voor vogels, maar de mussen betrouwden het niet, geen één is op het feestmaal aangevallen.
En nu valt er niks meer te vangen en te verdelgen. De enige mussen die ik deze week in Antwerpen zag, zaten in de Zoo, nog net niet in kooien.
Ik vraag aan Jenny De Laet (50) hoe dat komt. Zij is doctor in de wetenschappen (specialisatie gedragsecologie) en ze heeft in ‘99 een boek geschreven: Mussen, een groene partij (VUB-Press). Daarmee is ze niet aan haar proefstuk, want in de reeks “Vogels Rondom ons” publiceerde ze ook : De Ekster in zwart en wit - Zwaluwen, dapper, frivool en bedreigd en De Roodborst, dichtbij en ver weg. Het zijn stuk voor stuk titels waar je broodkorsten voor opspaart, en als ik haar een hand geef, klein en tenger, heeft ze zelf ook wat van een vogeltje.
Humo: Hoeveel mussen zijn er nog in ons land? In 1972 zouden er nog vijf miljoen zijn geweest.
«Cijfers geven is moeilijk omdat de mus zovele jaren nauwelijks onderzocht is. Voor Vlaanderen waren er begin de jaren zeventig nog 715.000 mussenkoppels, en dat zouden er in 1985 nog maar 500.000 zijn geweest. Wat daarna is gebeurd, weten we niet: de nieuwe tellingen voor de Broedvogelatlas zijn nog aan de gang.
Dat er zo weinig cijfers zijn, komt omdat er nooit enige interesse voor de huismus is geweest. Maar nu die bescherming er is, nu hij zeldzamer dreigt te worden, is er plots wel interesse. Voor 2001 was er op het Labo voor Ecologie van de RUG niet één student die mee in mijn mussenproject wilde stappen, en dit jaar had ik er ineens tién! Dat zijn dus tien studenten-langslapers die twee weken om halfzeven opstaan om drie-vier uur naar het paargedrag van mussen te kijken; dat doen ze in de binnenstad van Gent.
Eerst hebben ze afgaande op het getsjilp een grote en een kleine kolonie mussen moeten zoeken, en dan hebben ze aan de bewoners moeten vragen of ze die mussen vanuit een tuinhuisje of een berghok mogen observeren. En overal zijn ze met open armen ontvangen, wat toch bewijst dat de mensen ermee begaan zijn.
De interesse is er nu ook internationaal. Midden april is er in Berlijn zelfs een Mussencongres, mét sprekers uit de hele wereld. De Duitse vogelverenigingen hebben de mus trouwens uitgeroepen tot Vogel van het Jaar!
Het mussenboek van Jenny De Laet: “Voor het jaar 2000 was er amper interesse om de mus wetenschappelijk te onderzoeken. Te banaal als vogel. “
Meer huizen, minder huismussen
Humo: Jullie doen in ons land ook beroep op duizenden vrijwilligers om de mus in kaart te brengen.
«Via Vogelbescherming Vlaanderen/België zijn we gestart met een nationaal Mussenprojekt. Voor dat project dat ik uitwerkte hebben we dertigduizend Musseninvulkaarten laten drukken waarop vrijwilligers de locatie kunnen aanduiden waar huismussen én ringmussen nog gezien worden. Ook als de vogel vroeger wel in je omgeving voorkwam en nu niét meer, kan je dat op de kaart invullen. Het zijn nu de beste maanden voor dat project, want in maart en april zitten de mannetjes vele uren te tsjilpen bij een nestplaats. Je kan ze dus gemakkelijk lokaliseren.
Humo: Waarom gaat de mus zo hard achteruit?
«Daarover is er geen eenduidigheid. Een eerste grote knik kwam er toen de paarden uit het straatbeeld verdwenen: geen resten van haverzakken meer op straat en ook geen paardenvijgen meer, met daarin nog onverteerde zaadjes. Daarvan heeft de mus zich kunnen herstellen, maar dan kreeg je de snelle mechanische graanverwerking in de landbouw, de tarwe bleef niet meer in schoven op de velden staan, maar werd met combined harvesters van het veld gehaald en meteen opgeslagen. Dat opdoeken van de graansupermarkten en de opkomst van de monotone maisvlaktes was een zware klap voor de mus, en vanaf de jaren zeventig zien we een geleidelijke daling. Zowel op het platteland als in de stad. En dat was onverwacht. Want aanvankelijk dacht men dat de mussen er met de voortgaande verstedelijking op vooruit zouden gaan, maar nu blijkt dat een mus toch ook niet kan leven van huizen alleen. Eens de jaren negentig eraan komen, gaat de mus zelfs met een steile curve bergaf. Men is dan ook gaan vaststellen dat mussen minder nestgelegenheid vinden omdat de mensen hun huizen en daken beter beginnen te isoleren, er zijn geen spleten en hoekjes meer voor het mussennest."
Titel uit GVA 19/2/05
Loodvrij = mussensterfte
Humo: Vandaar dat men nu dakpannen kan kopen met speciale openingen zodat de mus nog onder het dak kan nestelen.
«Ja, in Nederland zijn aannemers zelfs verplicht om bij nieuwbouw holtes te laten voor holenbroeders. Maar ik vermoed dat een tekort aan nestgelegenheid niet de fundamentele oorzaak is. Ik denk dat de grote achteruitgang te wijten is aan het wegvallen van insecten. Als de jonge mussen uitkomen, worden ze gevoerd met insecten, -kevers, spinnetjes, bladluizen en rupsen- maar er zijn bijna geen insecten meer! Mijn moeder woont in Sint-Niklaas, die zet al enkele jaren geen vliegenraam meer, want er komen nog nauwelijks vliegen in huis! En die sterfte van insecten is dan weer te wijten aan de pesticiden in de landbouw, aan het “verstenen” van de tuintjes in de stad en aan het gebruik van loodvrije benzine.
Humo: Loodvrije benzine heeft dus een negatieve impact op het milieu?
"Om het octaangehalte van die benzine te verhogen worden er giftige additieven toegevoegd en dat doodt insecten en dat zorgt voor een achteruitgang van de huismus. Zeker dan in de steden waar veel opstoppingen zijn, en langzaam verkeer, dat zorgt voor onvolledige verbranding en voor giftige uitlaatgassen."
Humo: Dus beter diesel tanken dan. Slecht voor de lucht, maar goed voor de mus!
«We zouden beter de auto’s zoveel mogelijk uit de stad weren, ja! En dan is er nog iets. Het zou kunnen dat de mus in de stad aan dezelfde kwaal lijdt als de mens, namelijk vereenzaming. Er zijn zelfs hypotheses dat de mus daardoor in een fatale spiraal is terechtgekomen. Van nature is de huismus immers een sociale vogel die in kolonies leeft. Als die kolonies kleiner worden door de milieuvervuiling, verliest de vogel een stuk van zijn bestaansgrond. Neem de mannetjesmus. Die heeft de rivaliteit van andere mannetjesmussen nodig om tot een hogere paringsdrang te komen, maar als er alsmaar minder mussen en dus minder mannetjes komen, verliest hij zijn paringsdrang en raken er minder eieren bevrucht, en delft de mus in feite zijn eigen ondergang."
Humo: Straks moeten we nog voederplaatsen met insecten gaan installeren om ze in stand te houden in de stad.
« ‘t Is echt vreemd dat de mus zo kwetsbaar is geworden in de stad. Want er zijn nog vogels die van insecten leven, zoals merels, roodborstjes en winterkoninkjes- en die gaan niét achteruit in de stad. Maar die hebben een periode in het najaar dat ze zich verspreiden over een groot terrein, wat het foerageren bevordert. Maar de mus blijft binnen zijn vierkante kilometer “hangen”, en als daar geen insecten meer zijn, dan is het gedaan. Andere bronnen zeggen dan weer dat de mus aan een grootscheepse stadsvlucht is begonnen, en dat er op de buiten terug mussenrijke plaatsen ontstaan. Maar er moet nog veel observatie gebeuren om die hypothese hard te maken."
Titel uit DM 15/5/2018
Ultieme mensenvriend
Humo: In Brussel en Wallonië was de mus al langer beschermd. Vlaanderen mankt wat achterop.
«Beter laat dan nooit. Want tot voor dat besluit was bijna elke verdelging toegelaten: ook met vuurwapens en zelfs zonder jachtverlof! Het vernielen van eieren, van jongen en nesten, het vangen met netten en kooien, dat was allemaal toegelaten van 1 maart tot 30 september. Ik heb een tekstje uit West-Vlaanderen waar men over “mussentrappen” (=vallen) spreekt die tussen de paardenvijgen worden opgesteld. Dat dateert van 1911, maar negentig jaar later mocht dat theoretisch nog altijd. Qua bewustmaking van de mensen is die bescherming een goeie maatregel, maar voor de mus zelf komt die maatregel eigenlijk te laat. Ik denk niet dat er nu meer mussen gaan komen omdat ze beschermd zijn. Wat ben je er immers mee dat je een beschermde vogel bent, als je biotoop en je voedsel nog alle dagen wordt aangetast?!
Er zullen offensievere maatregelen nodig zijn, zoals in Engeland. Daar is het mussenbestand zo dramatisch afgenomen dat ze een recovery officer hebben aangesteld om aan de boeren het nut van de mussen uit te leggen en ze te vragen om extra onkruidbermen te laten liggen als foerageterrein."
Humo: In gezonde omstandigheden kweekt de mus erop los. Voor hoeveel nakomelingen kan een gezond koppel mussen zorgen?
«Eén koppel kan op twee gezonde levensjaren voor zes broedsels van vijf jongen zorgen, dat maakt zo’n dertig mussen. Dat ze desondanks achteruitgaan, maakt het allemaal nog dramatischer."
Humo: Wat vindt u zo sympathiek aan een mus?
«Vorig jaar zaten hier nog tien mussen bij het huis, nu geen énkele meer en ik mis dat. Ik mis dat getsjilp om het huis, ik vond dat gezellig. En ik heb al vragen gehad van journalisten of dat nu zo érg is dat die mus er niet meer is in de stad, want zeggen ze: is een stad zonder mussen nu zo verschillend van een stad mét mussen? Maar ze zouden moeten beseffen dat de mus al bij de mens is vanaf het moment dat hij overstapte van een nomadisch bestaan naar een sedentair landbouwbestaan. Zolang wonen we al onder hetzelfde dak, dat is bijna veertigduizend jaar! Dat vogeltje is ons al trouw gebleven in àlle omstandigheden. In het koudste noorden en in de heetste woestijnen, overal is de mus ons gevolgd! En dat is een wederzijdse vriendschap geweest; heel veel landverhuizers hebben mussen meegenomen op hun bootreizen overzee omdat ze dat vogeltje niet graag wilden missen in de buurt van hun nieuwe thuis. De mus kan overleven in de ondankbaarste omstandigheden, ze hebben mussen gevonden in Noord-Zweden waar de wintertemperaturen dalen tot min 35. En ze hebben in Utah mussenouders gezien die hun jongen in leven hielden bij temperaturen tot min 25! Ze hebben mussen gevonden tot zeshonderd meter diep in Britse koolmijnen, levend van brood van mijnwerkers! Ze hebben mussennesten gevonden op oliepompen, van die grote ja-knikkers: om de vier seconden ging dat nest zestig centimeter op en neer, en dat wijfje bleef broeden. Dat is toch grandioos! En als dat overlevertje dat zich overal aanpast nu aan het verdwijnen is, dan schort er toch iets aan dat milieu waarin wij leven."
“De mus deelt al zolang zijn bestaan met de mens. Al 40.000 jaar leven we onder hetzelfde dak. Daarom is het zo erg dat ze aan het verdwijnen zijn. “© Jan Hertoghs
Jacky Vereecke, de mussenfilmer
De internationaal beroemde Britse mussenkenner D. Summers Smith zag zelfs mussen een nest maken in de uitlaat van een straaljager. En ooit was hij ook getuige van het in brand vliegen van een mussennest omdat het mannetje per ongeluk een (nog smeulende) sigaret als nestmateriaal had aangevoerd! Je zou veronderstellen dat er van zo’n spectaculaire vogel veel foto’s bestaan, maar het tegendeel is waar. Er bestaan amper foto’s van de mus omdat niemand ooit de moeite heeft gedaan om het plebs onder de vogels te vereeuwigen. Des te opmerkelijker is het dat ene Jacky Verheecke al in 1983 een 16-mm film draaide over de huismus. Verheecke (69) woont in Duinbergen bij Heist, was vroeger pasteibakker in Zeebrugge en besteedde al zijn vrije uren “aan het filmen van de natuur”. Volgens mussen-auteurs Jenny De Laet en Minouk Van der Plas is zijn film “een unicum in Europa”.
In 1984 had ik Vereecke ook al gecontacteerd, zeggende dat er een reportage van Humo op komst was. Toen dat niet doorging, had ik hem daarover ingelicht, maar blijkbaar had hij dat briefje nooit ontvangen, want vier maanden later schreef hij een brief: “Geachte Heer Hertoghs, ik verwacht U nog altijd. Ik heb al mijn vakantie uitgesteld om U te mogen ontvangen maar ik heb nog niets gehoord van U. De film van de Huismus staat klaar en we hadden U goed ontvangen. Hopende U toch nog te ontmoeten, Jacky Verheecke, natuurcineast.”
Jacky Verheecke, mussenfilmer: “Als er één je m’en foutist is onder de vogels, dan is het de mus! Ge kunt er wat van leren!” © Jan Hertoghs
Achttien jaar later sta ik in zijn flat én de film van de huismus staat nog altijd klaar. Hij ontvangt me opgetogen tussen zijn schilderijen van koeien, tijgers, zwanen, meeuwen, aasgieren, uilen en futen (nee, mijnheer, dat is geen fuut, dat is een roodhalsduiker!), doeken die hij allemaal zélf heeft geschilderd. Het schilderen is zijn hobby, het filmen is zijn passie. Hij laat me in de slaapkamer en wijst op de stapels filmdozen bovenop de kast, “veel mensen hebben me al gezegd, Jacky, ‘t is al goud wat daar ligt!”
Ik lees de titels op de dozen: De Grauwe Kiekendief 30 min. Het Waterhoen 30 min. Het Koninkrijk der Zangers 30 min. Er is ook pellicule over De Roerdomp (“nu onvindbaar!”) en over De Bruine Kiekendief (“een heel moeilijke film om te maken, want dat is een schuwe patat!). En alles is gedraaid met de legendarische Zwitserse Bolex-camera, de beste die er is. In totaal heeft hij 92 films gemaakt, de laatste draaide hij nog in 2001 (Vogeleieren 30 min.)
De gordijnen worden dichtgetrokken, de loodzware bandopnemer met de klankband is aangesleept, en dan werpt de knetterende projector een helder licht op het oude filmscherm, De Huismus - Passer Domesticus staat er in zwierige letters, en de muziek komt van een harp. En dat de film één keer op de BRT te zien was, in het programma Allemaal Beestjes, en dat de mannen van de BRT ooit tegen hem gezegd hebben, mijnheer Vereecke, gij maakt magnifieke films, gij moet niet onderdoen voor ons! Dat had hem plezier gedaan.
En dat de huismus de tweede film was die hij draaide. “Dat was in 1983. En nogal wat mensen vonden mij zot als ze hoorden dat ik weer in de natuur ging filmen, ze zegden: Maar Jacky toch! Waar dat gij uw tijd en uw geld in steekt! Maar als ze nu mijn beelden zien, dan springen ze zo hoog (wijst tot het tafelblad).”
Het is een mooie film. De mus hipt op prikkeldraad, zit achter de wijfjes tussen gesnoeid wilgenhout, maakt een nest in een kerktoren en zelfs tùssen de takken van een bewoond ooievaarsnest in het Zwin!
Verheecke kijkt ernaar met een haast kinderlijk plezier, en als de mus een plonsbad neemt in een plas, klapt hij in zijn handen, kijk-gie, zo nat! Alsof ze een emmer water over hunder gekregen hebben! ‘t Zen sloebers wei! Na vijfendertig minuten mus verschijnt er Einde in sierlijk schrift, het licht is weer in de kamer, en als ik hem vraag wat hij in die mus ziet, komt het antwoord meteen “dat het een onverbeterlijke optimist is! En nu gaan ze hem beschermen, maar toen ze hem nog wilden verdelgen, bleef hij niet eens weg bij de mensen. Hij bleef verder tsjilpen en zijn nest maken onder hun dak! Alsof er niks gebeurd was! Ik zal het u zeggen, mijnheer, als er één je m’en foutist is onder de vogels, dan is het de mus! Ge kunt er wat van leren!” (…lees verder onder de illustratie)
Uittreksel uit de brief van Jacky Vereecke, de “mussenfilmer”. Hij was zijn tijd ver vooruit was door al in de jaren tachtig aan de kust en in het hinterland gewone én ongewone vogels (o.a. de roerdomp) op pellicule te zetten.
Christus en Dolly Parton
Er zijn natuurlijk vogels die méér tot de verbeelding van kunstenaars hebben gesproken dan de mus. De zwanen hebben hun Zwanenmeer, de merel heeft zijn Blackbird van The Beatles, het roodborstje heeft zijn meezinger Roodborstje tikt aan het raam, tik-tik-tik. Daartegenover kan de mus niet veel adelbrieven voorleggen. En toch! Wie drukt Little Sparrow aan haar brede boezem? Dolly Parton! En dan spreken we nog niet eens over Edith Piaf, bij miljoenen bekend als De straatmus van Parijs. De naam sloeg niet op haar zangtalent, maar op haar kleine gestalte en frele voorkomen; Piaf was 1 meter 49.
Wat de meest mussenvriendelijke televisiezender betreft, daar haalt VTM het ruim van de VRT. Twee jaar lang bracht de zender een tekenfilmserie waarin een mus met een werkmanspet de hoofdrol speelde (Tsjilp De Mus, 1989-91) en daarnaast heeft de zender nog altijd een beroemde mus in dienst: de ook al enigszins bedreigde correspondent in Jeruzalem, ons aller Connie Mus!
En we mogen er ook de godsdienst bijhalen. Grote beschermer van de mus is Jezus Christus zelf. Die mens wist iets van vogels (“zij zaaien noch zij maaien!”) en die bekommerde zich wel degelijk om de mus. Lees maar bij Lucas 12:6: Kan men niet vijf mussen kopen voor twee stuivers? En toch vergeet God niet één van hen!
Dat staat in schril contrast tot de katholieke priester-dichter Guido Gezelle. Die had allicht teveel mussenplagen gezien op de wijde West-Vlaamse akkers, want hij heeft het over dievig muschgebroedsel. Dan liever de Nederlander Jan Hanlo (1912-1968). Die heeft in 1949 het ultieme mussengedicht geschreven, het is op een marmeren plaket vereeuwigd in een straat te Leiden en ik heb het ooit met welluidende stem horen voordragen op een Nacht van de Poëzie. Lichtjes ingekort gaat het als volgt: Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp- Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp - Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp! Tsjielp!
In de 21ste eeuw geniet de mus plots een hemelhoge onschendbaarheid. Getuige dit verhaal over de mus die de dood vond op een domino-show. Het karabijnschot dat haar trof, zette heel Nederland en vele buitenlanden op hun kop. DM 16/11/05
Vogelspotten (1): een vroege-vogel-wandeling en de eerste Belg die vogelzang op vinyl zette
De nieuwe lockdown aka "paaspauze" is een feit. En dus is het motto: in de eigen kotwoning blijven of de natuur en haar wandelgangen opzoeken.
Groot voordeel : zowel wandelend als huiskamerend kan je vogels observeren.
Ha, de vogelaar! Lange tijd werd ie voorgesteld als een sociaal incapabele en mensenschuwe mens (zie ook nog Sammy en Alain en hun Bende van de Bosklapper in de tv-serie Het Eiland anno 2004-2005). Dat is verleden tijd. Vogelspotten is de laatste jaren enorm populair geworden. Er was al het boek "De slimste vogelgids" van Jan Rodts dat meer dan 20.000 exemplaren verkocht, en er is ook "Fwiet! Fwiet! De passie van het vogelkijken" van Begijn Le Bleu dat evenzeer furore maakt. Met het lockdown-wandelen kreeg het vogelspotten nog meer aandacht en het VRT-programma #weetikveel besteedde er deze maand een hele uitzending aan . Zelf ook vogeltuurder zijnde (al sinds 1962) hip ik natuurlijk mee met deze hype.
In deze reportage twee delen: een ochtendlijke wandeling met een Kempense vogelkenner (Humo juni 1994) en een interview met de man die tussen 1955 en 1988 vogelgeluiden op vinyl zette. De prehistorie van het hedendaagse vogelen! (Humo juni 2004).
© Jan Hertoghs
De hop in “Petersons Vogelgids” © Jan Hertoghs
De baardman met de laarzen en de veldtelescoop die nu naast mij staat, had het mij in 1977 beloofd: ooit zou hij me een keer meenemen om te vogelen. En nu in 1994 is het zover. Het is kwart na zes in de ochtend, de nevel hangt stil en dicht boven het land, en de eerste honderd meter van de veldweg is het puur opschrijven van de vogels die we horen en zien. Vink, kievit, tjiftjaf - die drie kan ik nog zelf herkennen-, maar dan volgen fitis, fluiter, grasmus, wulp en grutto. Vogels die ik nog nooit gezien heb, maar namen die mij bekend in de oren klinken van toen het nog 1962 was.
Voor mijn verjaardag had ik toen het boek "Vogels Van Europa" gekregen. Ik wilde immers ornitholoog worden, keek dagelijks naar vogels als ik naar school fietste, en verschanste me elke vrijdagavond in de halfduistere huiskamer met de stem van de heer Edgar Kesteloot. Hij presenteerde mijn favoriete radioprogramma "Echo's uit de natuur": een kwartier aan een stuk niks anders dan vogelgeluiden. "Dit, dames en heren, was de boskarekiet en dan nu -op verzoek van enkele trouwe luisteraars- de roerdomp!” Ook ik -jonge luisteraar- kon een geluid aanvragen. Het volstond een gele briefkaart te sturen naar het gekende adres!
Een eeuw later sta ik met vogelgids Jan Thys (36) in de buurt van het Turnhoutse "Zwart Water". Ik sta niet in een afgesloten natuurgebied, ik sta op een voor iedereen toegankelijke veldweg die langs een landbouwgebied annex natuurreservaat loopt met aan beide kanten "vochtige weilanden grenzend aan heide met vennen".
Jan spitst zijn oren in de lichte wind: "We zijn al wat laat. Waren we om vijf uur gekomen, dan hadden we de vogels één voor één horen beginnen met zingen. Nu zingen ze allemaal door elkaar." Dat is de wat spijtige vaststelling als je vroeg op bent gestaan, dat het toch niet vroeg genoeg was. En dus vraag ik of je om te vogelen altijd vroeg uit de veren moet.
Thys: "Nee, overdag kan het net zo goed. We zijn vandaag vroeg omdat het mei is en broedseizoen en we zangvogels willen horen en die zijn 's morgens het actiefst. Maar wil ik roofvogels, dan ga ik in de voormiddag omdat ze dan volop aan het foerageren zijn. Wil ik moerasvogels zoals de waterral en de snor, dan ga ik tegen de avondschemering omdat ze dan opduiken om hun insectenvoer te vangen."
Terwijl een vink haar slag slaat en een grutto om het mij gemakkelijk te maken gruttogruttogrutto roept, geeft Jan zijn verrekijker: "Op dat weidepaaltje, een roodborsttapuit. In Ierland zie je ze als mussen. Kijk, hij blijft poseren zoals wij zeggen. Hij blijft zo rustig zitten dat je hem in alle glorie kan bewonderen."
Een hop vliegt op langs een stille weg, ergens in de Morvan. © Jan Hertoghs
HUMO: Je had die tapuit zo gauw herkend omdat je weet dat ie hier zit, hé.
Thys: "Ja, ik kom hier al vijftien jaar. Ik ben deze weg misschien al duizend keren gegaan. Toen ik nog dichterbij woonde, gebeurde het dat ik hier elke dag stond. Om 17 uur gedaan met werken, om halfzes hier. Het is een passie hé. Een gewone wandelaar zal hier één keer een grutto zien en content zijn dat ie 'm gezien heeft, ik wil die vogel wel duizend keren opnieuw zien. Zien vliegen, zien landen, zien broeden, zien baltsen en paren, alles, tot de intiemste gedragingen toe. Als ik mensen zo zou begluren, dan werd ik opgepakt. (lacht) Maar met vogels mag het. En ik geniet ervan. Als ik ze door mijn kijker volg, is het net of ik naar een natuurfilm op tv kijk. Neem nu die grutto, daar kan ik verliefd op worden, zo gracieus, zo sierlijk. Die grutto, dat is voor mij ook de lente. Jaar na jaar arriveert die hier steeds op dezelfde dag, steeds op 28 februari."
Een wulp wiekt over ons hoofd gevolgd door twee grutto's met kort flapperende vleugels en scherpe kreten: "Dat is hun alarm. Hun jongen zullen zich nu wel plat tegen de grond drukken." De zon houdt zich nog koest in de mist, de honderden spinragjes op het gras rillen nog van de dauw, maar één veldleeuwerik stijgt al kwinkelerend ten hemel en wat verderop wipt een graspieper op de prikkeldraad met insecten in zijn bek. We passeren een ontkiemend maisveld. "Die boeren en hun mais! Dat is zo'n eenzijdige teelt, daar vind je niks, geen insecten, geen vogels, als biotoop is dat waardeloos."
Ik volg net een scholekster - zwartwit verenkleed en oranje waadpootjes- als Jan zijn kijker bruusk naar ogen trekt. Zelf zie ik alleen een donkere schicht met pijlvormige vleugels maar Jan roept: "Een koekoek! Verdorie, dat is bijzonder, die is zo schuw, die krijg je slechts heel zelden te zien." Om zeker te zijn bladert ie in zijn vogelgids waar het vluchtsilhouet van alle vogels getekend staat, en inderdaad, one flew over. Amper bekomen van deze schichtige cuculus canorus, dwarrelt een zeldzame patrijs op de dichtstbijzijnde akker. Ondertussen roept een fazant in de wei, stijgt een kneu uit het braamhout en landt een kwikstaart op het karrespoor. Jongens, wat een volière! Op de terugweg zien we nog eens haast alle voornoemde vogels plus een kraai die een paar houtduiven verjaagt, een koppel bergeenden bij het vennetje, een grote bonte specht tussen de dennen en een zwartkop om af te sluiten. Het is acht uur, op honderd meter afstand schuiven de Nissan Bluebirds in rijen naar school en werk.
Een bonte specht, enkele keren per jaar te zien in onze binnenstadstuin. Hoort, wie klopt daar kinderen? © Jan Hertoghs
HUMO: Moet je nu niet alles op kaartjes noteren wat we vanmorgen gezien hebben? 24 mei 6h36: roodborsttapuit.
"Ik maak straks mijn aantekeningen met datum, locatie, weersomstandigheden en de vogels die we gezien hebben, maar dat is gewoon voor eigen plezier. Hadden we nu echt iets bijzonders waargenomen zoals een korhoen of een grauwe klauwier, vogels die hier vroeger gebroed hebben en die uit dit gebied verdwenen zijn, dan had ik dat doorgestuurd naar het Wielewaal-huis."
HUMO: Hoelang begeef je je al onder de vogels?
"Van toen ik twaalf was, dus al 24 jaar. Eerst op mijn eentje met een vogelgidsje en de verrekijker van mijn vader, later in groep met de Wielewaal-jongeren. Dan ga je hele dagen, hele weekends vogeltjes kijken, dan blijf je slapen in het bos als 't moet. Met een gezin en kinderen doe je het wat kalmer aan, geen ruige trektochten op de Hybriden meer, maar toch plan ik mijn weekends en zeker de jaarlijkse vakantie nog altijd in functie van de vogels. Enkele jaren geleden was ik in het Oostduitse Muritzsee. In dat natuurgebied huizen onder andere visarenden, zeearenden en kraanvogels. Dan zit ik me vooraf werkelijk te verbeiden dat ik heel waarschijnlijk zo'n zeearend te zien ga krijgen. Zoals in de Pyreneeën, toen had ik aan mijn kameraden beloofd dat ik mijn (lange) baard zou afscheren als we een gier mochten zien. 's Avonds kon ik al beginnen scheren, de gier was er minder zeldzaam dan ik dacht. Pas op, het moeten voor mij niet altijd spectaculaire vogels zijn, ik kan met evenveel plezier naar de capriolen van een mus of een merel kijken."
Een wouw speurt naar kleine knaagdieren boven een pas gemaaid hooiveld, ergens in de Elzas. © Jan Hertoghs
HUMO: Je zeearend-vakantie doet me wel denken aan mensen die naar het optreden van een vedette gaan. Ze hebben al zoveel over Bruce-de-Zeearend gehoord en gelezen en nu eindelijk gaan ze 'm live te zien krijgen.
"Het is een vedette in die zin dat het de grootste Europese vogel is en dat ie zeldzaam is. Maar vergelijk het niet met een optreden, daarvoor is zijn verschijnen te onberekenbaar. Je kan niet om half negen 's morgens aan een meer gaan zitten, ladies and gentlemen!, de zeearend! Nee, je zal hem misschien dagen niet te zien krijgen en ineens zal hij dichtbij zijn. Ineens zie je hem over het water scheren en met zijn klauwen een vis grijpen en weer opstijgen. Als je dat te zien krijgt, dat is ook show, dat is ook een optreden, maar zo uit de natuur gegrepen dat het een ontmoeting is, een ontmoeting met "iemand" waar je lang hebt op zitten wachten. Vogelaars onder mekaar vertellen voortdurend over dergelijke "ontmoetingen", over die keren dat ze een vogel in een wondere omstandigheid gezien hebben."
HUMO: Maar je gaat echt naar die Muritzsee met de gedachte: nu ga ik naar de zeearend.
"Nee, want dan zou ik ook naar de zoo in Antwerpen kunnen gaan, daar zit er ook eentje. Nee, ik ga naar dat natuurreservaat om de hele streek te zien, de hele natuur te beleven: het meer, de vogels, de herten, de bloemen. Ik heb een passie voor vogels, ik bewonder vogels, maar ik zie ze nooit los van de omgeving. Ik weet dat ik alleen maar een verscheidenheid aan vogels kan waarnemen in een natuur die ook verscheiden is en die bijvoorbeeld niet verminkt is door intensieve land-, bos- of wegenbouw. België staat niet bepaald bekend als een natuurland, maar toch hebben wij in die kleine driehoek van Europa een heel rijke verscheidenheid aan landschappen en biotopen. Die moeten we bewaren en daar zal ik me ook voor inzetten.(Jan is coördinator voor natuur- en milieu-educatie van het jeugdcentrum De Hoge Rielen,jh)
HUMO: Als natuurbeschermers een bepaald landschap willen beschermd zien, halen ze er vaak een of ander zeldzaam gorsje bij om de waarde van het landschap aan te tonen.
"Ja, met een mug of een ander insect moet je politiek niet afkomen. Insecten appelleren niet bij de politici en de publieke opinie. De vogel wel. Vogels spreken direct tot de verbeelding van de mensen omdat zij door de natuur bewegen, omdat ze het landschap tot leven brengen. Vogels zijn een direct zichtbare link met ons leefmilieu. Zie je een grote variëteit aan vogels, dan heb je te maken met een gezond en gevarieerd landschap. Zie je weinig vogels en weinig variëteiten, dan zal je die monotonie ook in het landschap terugvinden."
De Vogellijn
HUMO: Heb je vogels op plaat, CD of cassette ?
"Op CD en op cassette. Dat is voor onderweg in de auto, kan ik een beetje swingen en pogoën op de tonen van de tjiftjaf. Nee, serieus, ik heb tal van vogels op cassette en ik neem die mee op reis om uitheemse soorten beter te kunnen identificeren. Je hoort ergens een geluid zonder de vogel te zien, je piekert je suf wat het is, je komt terug op de camping, je duwt het cassetje in en dan weet je het weer, het porseleinhoen!"
HUMO: Voor veel mensen is een vogelaar een man met ringbaard en parka die als bleke wijsneus door bos en hei schoffelt, klaar om elk veertje op papier te zetten. De vogel-boekhouder.
“ Onder "vogelaars" heb je uiteenlopende categorieën. De grootste groep zijn mensen zoals ik. Wij genieten van de natuur, wij beleven de natuur en daarbinnen hebben we een voorliefde voor vogels. Maar je hebt de freaks, de zogenaamde twitchers die alleen op zeldzame vogels kicken. Je hebt gezien dat ik in mijn gids de vogels aankruis die ik ooit ergens gezien heb. Wel, zij willen hun gids vol kruisjes zetten, zij rusten niet voor ze alles hébben. Die gasten bellen naar de Vogellijn, -een antwoordapparaat dat dagelijks melding maakt van ongewone waarnemingen in België en Nederland- en als er ergens een rariteit gelokaliseerd is, dan springen ze in de auto en rijden in één weekend duizend kilometer om die rariteiten in het vizier te krijgen. (Voor dinsdag 24 mei meldde de grensoverschrijdende Dutch Birding Vogellijn de niet te missen verschijning van een witvleugelstern, een kwartelkoning, een zwarte wouw en nog enige andere.jh) Niet dat ik géén rariteiten wil zien. Want toen ik ooit hoorde dat een verdwaalde zeearend in het Verdronken Land van Saeftinge was neergestreken, ben ik ook gelijk vertrokken. Maar dat is eenmalig, die twitchers crossen heel het jaar rond om hun rare "postzegeltjes" te verzamelen."
HUMO: Het doet me denken aan paparazzi die achter de zeldzaam opduikende Lady Di jagen.
"Je kan ze ermee vergelijken, want waar ze staan, staan ze met een slagorde aan fototoestellen en telescopen. In Amerika heb je zelfs twitchers die om ter meest vogels tellen in tv-series en twitchers die wedstrijden organiseren om gedurende één dag zoveel mogelijk zeldzame vogels te turven. Daar gaan ze met een helicopter tegen een klif hangen om een vogel te kunnen opschrijven, deurwaarder erbij! Met dergelijke excessen wil ik niet op één lijn gesteld worden, dat heeft nuldebotten met natuurbeleving te maken."
Boven: twitchers en hun statieven. Onder: twitchers en het Drama van de Snoek.
HUMO: De natuur herbergt rare species. Nog andere variëteiten?
"Op die veldweg van vanmorgen heb ik één keer een exhibitionist waargenomen. Kenmerken: jas open, jas toe. En in de staatsbossen van Ravels waar we op een avond met de boswachter op pad waren, hebben we naast een nachtzwaluw ook een blote man met zijn broek onder de arm in het bos zien wegvliegen toen de boswachter een controle deed van een eenzame auto langs de weg. Een eenzame aangedampte auto, dat moet gezegd."
HUMO: Minister Sauwens vogelt al veertig jaar. Eén van zijn mooiste herinneringen was een Jazz Bilzen "van jaren geleden. De belichting was toevallig gericht op de kerktoren toen twee kerkuilen uit de toren vlogen met grote opengesperde ogen. Een prachtig beeld, er ging mij een rilling door de leden." Zoiets zie ik jou ook overkomen. Maar wat bevalt je nu meest in vogels? Dat ze kunnen vliegen, iets wat de mens niet kan? Of is het hun fluitende opgewektheid?
"Een vogel draagt vrijheid in zich, dat hoef ik niet uit te leggen, maar ik val ook voor zijn zang, zijn roep, zijn beweeglijk gedrag, de afwisselende kleuren van zijn verenkleed. Ik kan uren op één plaats staan en de ene vogel na de andere in mijn vizier nemen zonder dat ooit moe te worden. Vogels in al hun verscheidenheid zijn voor mij als de wereld in al zijn verscheidenheid. Vogels zijn ook overal, tot in de stad temidden van de huizen. Daar waar weinig natuur te zien is, maken zij de natuur toch zichtbaar door er aanwezig te zijn. Als ik op een plaats zou komen waar ik geen vogels zag, waar ik geen vogels hoorde, dan zou ik die plek als zeer onheilspellend ervaren. Geen vogels, dat is tegennatuurlijk, dat is de leegte."
Trekkende kraanvogels boven Bra-sur-Lienne (prov. Luxemburg) © Jan Hertoghs
“Voo zes minuten zuivere nachtegaal zijn we vijf jaar op pad moeten gaan. “
In 2003 interviewde ik een zeer bijzondere vogelspotter. Hij was de eerste vogelaar in België die vogels met zijn microfoon en bandopnemer(!) achtervolgde om hun zang op te nemen. Ik had hem allang willen spreken. Al in 1984 knipte ik een krantenstuk uit waarin stond dat zijn vogelzang-vinylplaat een gouden plaat behaalde. Toen ik in 2004 een serie maakte over mensen die heel afgelegen woonden in Vlaanderen, was het moment gekomen om hem te interviewen. Hij zou zeker wel afgelegen wonen!
De man van de vogels, en ook: de man van de stilte.
Een huiskamer dichtbij de Vlaamse Ardennen. De staande klok tikt de uren weg, het zijn trage slagen van ijzer alsof een zeis moeizaam door de tijd gaat. Voor mij zit Erik de Hoog (67), de man met de meest gespitste oren van Vlaanderen. Samen met zijn vader Wim heeft hij van 1959 tot 1988 vogelgeluiden verzameld in de stilste en dus meest afgelegen gebieden van Vlaanderen. De collectie werd op een langspeler gezet ("De Zang der Vogels) met onder meer een nachtegaal (6'42"), een roodborstje (3'), een winterkoninkje (2'42"), een spotvogel (3'13"), een tuinfluiter (3'O7"). Later is nog een tweede LP gevolgd en in 1992 is van de twee LP's een cd gemaakt met in totaal 111 minuten vogelgeluid. Het verhaal van vader en zoon die in het rumoerige Vlaanderen op zoek gingen naar the sound of silence.
«Eerst duidden we op stafkaarten afgelegen natuurgebieden aan, vervolgens schreven we naar boswachters en plaatselijke afdelingen van De Wielewaal om te weten welke zeldzame zangvogels er nog voorkwamen en daarna gingen we op prospectie om te horen of het werkelijk stil was in dat gebied. Uiteindelijk zijn we de vogels gaan opnemen in één Oost-Vlaams en in vier Limburgse gebieden: de bossen van Melsen (nabij Merelbeke), het domein van Bokrijk, de vennen van Zonhoven, de heide bij Neerpelt en het natuurgebied rond de wijk Het Fonteintje (bij Koersel).
Het was pionierswerk dat we deden. Zeker in de beginjaren toen er nog geen batterijen bestonden. Dan gingen vader en ik 's morgens observeren waar een zangvogel zat te fluiten, en de daaropvolgende nacht hingen we dan -mét een touwtje!- een microfoon nabij die tak waar die vogel zat. De microfoon verbonden we met een bandopnemer die in de dichtstbijzijnde boerderij stond opgesteld; dat gebeurde met drie snoeren van honderd meter. Verder dan driehonderd meter mocht die boerderij niet zijn want hoe langer de draad, hoe groter het verlies aan geluidskwaliteit. Als de vogel dan kwam, duwden we de knop van de bandopnemer in, maar die ouwe bandopnemers met gloeilampen hadden zo'n anderhalve minuut nodig om op te warmen en tegen dat ie warm was, was de vogel vaak al gaan vliegen! De vogel moest ook binnen een straal van anderhalve à twee meter nabij die microfoon zingen, zat ie verder, dan was het geluid onzuiver of dan waren er teveel bijgeluiden van andere vogels. Het gebeurde ook dat de vogel niét kwam opdagen, tja, dan zat je daar met een microfoon en een lege boom hé!
Een typische topzware bandopnemer (jaren 60) waarmee vader en zoon toen op pad moesten. Dit is de massieve voorloper van de kleine cassetterecorder.
De opnames werden makkelijker met de opkomst van de draagbare recorder op batterijen en de paraboolmicrofoon, maar dan nog bleef het aartsmoeilijk om stilte te vinden in Vlaanderen. Eigenlijk konden we alleen maar opnemen in de ochtend van zaterdag op zondag, zo tussen halfvier en vijf uur. De vogels zingen natuurlijk nog later dan vijf uur, maar na vijf uur heb je de uitgaande jongelui die met hun auto's en knetterende bromfietsen huiswaarts keren. Als het ergens stil is, hoor je elk geluid. Een chauffageketel die 25O meter verder aanslaat, die woemmm, die hoor je. Ook met vliegtuigen hadden we last. Je hoort een Boeing gedurende zeven à acht minuten "aankomen" en als het geluid dan helemaal aangezwollen is, duurt het opnieuw zeven à acht minuten eer dat vliegtuig volledig weggestorven is. Al die passerende vliegtuigen werden door ons in een timetable gezet en in de stille periodes tussen twee vluchten probeerden we ons werk te doen.
Erik De Hoog met de parabool-microfoon en de draagbare bandrecorder (1994 - bron/ Grasduinen)
Op zo'n "opnamenacht" gingen we meestal om acht uur slapen en om halftwee stonden we op om naar Limburg te rijden. We zaten stil op een vouwstoeltje en om zeker geen geluid te maken, droegen we geen ringen die ergens tegenaan konden tikken. We hadden ook nooit papier, sleutels of losse geldstukken op zak. Vader en ik praatten ook niet met mekaar, we gebruikten alleen gebarentaal.
Soms waren zelfs de dieren zich niet bewust van onze aanwezigheid. Egels kropen over onze schoenen, eekhoorns kwamen op één meter zitten en reeën liepen op vijftien meter voorbij. Ik hield ervan om met mijn vader in zo'n ontwakend bos te zitten.
Het ideale weer voor ons was mistig weer; mist maakt het timbre van de zang warmer en houdt de zang ook langer vast, de tonen blijven hangen in een vochtige atmosfeer. Een kale reis was voor ons als het begon te regenen, dat Belgische geluid was er teveel aan! Als ik reken dat vogels voornamelijk in het voorjaar zingen en dat we sommige ochtenden door regen niet konden opnemen, dan hadden we uiteindelijk maar acht à tien zondagen per jaar met de ideale omstandigheden.
De snor (foto: Vogelbescherming Nederland)
Sommige vogels krijg je ook amper te horen omdat ze zo zeldzaam zijn, zo hebben we de putter en de boomleeuwerik van ons lijstje moeten schrappen. De zeldzame snor hebben we wél gecapteerd nabij Neerpelt, en dat is een bijzonder souvenir, want volgens de krant zou de snor intussen al uitgestorven zijn in ons land. Ook een moeilijke was de nachtegaal: voor 6,42 minuten zuivere nachtegaal zijn we ongeveer vijf jaar op pad geweest. En dan heb je nog van die vreemde vogels, zoals het wijfje van de koekoek, dat scheert je voorbij, en hè-hè-hè, dat lacht je echt uit hé!
Eén keer heb ik een Europese kanarie achtervolgd tot in een tuin. Om 'm niet te missen was ik over de tuinmuur gekropen, en toen stond ineens een man met een tweeloop voor mij, ja, als vreemden om vier uur over je muur kruipen, denk je eerder aan inbrekers dan aan vogelgeluiden.
Ik vind onze platen nog altijd een nuttig instrument bij de vogelobservatie. Veel zangvogels zijn erg klein en moeilijk te observeren. Als je hun zang kent vanop de plaat, dan heb je een auditief doelwit, dan kan je ze eerst op het gehoor traceren en nadien met de verrekijker. Van die LP's en die CD zijn intussen vijftigduizend exemplaren verkocht. Minister Poma heeft er ons een gouden plaat voor gegeven, en de pastoor van Gavere draaide onze LP zelfs voor de zondagsmis. Hij vond vogelgezang een vorm van kerkmuziek, maar naar het schijnt zaten er veel kerkgangers omhoog te kijken, naar waar die vogels zaten.
De vogelzang-Lp samengesteld door vader en zoon De Hoog (uitgave 1983 - De Wielewaal vzw): “Zelfs in de jaren ‘80 was stilte nog moeilijk te vinden.”
"Ik ben blij dat we die opnames gemaakt hebben in die jaren. Vooral in de jaren tachtig hadden we dat gevoel, we moeten het nù doen, want straks is het nergens meer stil. En ik heb gelezen dat minister Vera Dua een stiltegebied heeft geopend in het Pajottenland, maar daar moet ze niet mee afkomen bij mij: de pure stilte dat je in de verste vérte niks hoort, die is al twintig jaar weg uit Vlaanderen.
Ik observeer nog altijd vogels. En ik hoor nog altijd even scherp. Dat komt door mijn vader, vanaf m'n acht jaar heeft hij mijn zintuigen gescherpt en "opgevoed". Zelfs wanneer ik in Gent door de Veldstraat loop, dan hoor ik boven de auto's en de trams het knisperende geluid van een zwarte roodstaart die bovenop de C&A zit. Ik kan die knop van dat straatrumoer omdraaien, ik kan dat lawaai helemaal uitschakelen en mij zuiver op die vogel richten. Ja, zoals ik zullen er niet veel door de stad lopen.
En mag ik ù nu iets vragen, mijnheer? U maakt die reportage over mensen die afgelegen wonen, en u zal allicht mensen ontmoeten die op zoek zijn naar rust en stilte, maar weet u dat de blijvende stilte niet in de omgeving maar diep in jezelf verscholen zit?! Wat is een mens? Dat is een wezen dat met een schreeuw ter wereld komt, een heel leven praat en uiteindelijk zijn laatste adem blaast. Ooit waren we in de stilte van de kosmos, dan zijn we heel even een geluid dat aanzwelt en weer uitsterft, en daarna keren we terug naar de stilte van de kosmos. Zo is het toch. Het heeft dus geen zin om in de afgelegenheid van verre zandwegen en dichte bossen de stilte te zoeken. Dat is rust maar geen blijvende rust, dat is stilte maar geen blijvende stilte. De échte stilte zit in jezelf, de échte weg die je moet inslaan is de weg naar binnen en naar wie je écht bent. Dié zoektocht moet een mens aanvatten als hij gelukkig wil zijn."
De laatste dagen van Doel: kroniek van een aangekondigde dood
Enkele dagen geleden liet de Vlaamse regering weten dat ze onderzoekt of het dorp Doel “een nieuw leven kan krijgen”; een studie moet nagaan of het zelfs “heropgebouwd kan worden” (aldus VRT.NWS). Wat toch wel een zeer wrang maneuver moet zijn voor die duizend inwoners die begin 1998 te horen kregen dat het nieuwe Deurganck-containerdok "Doel onleefbaar zou maken". Waardoor ze de facto uit hun huis werden gejaagd. Het overgrote deel van de bevolking verliet zijn huurhuis of verkocht zijn eigendom aan de Vlaamse overheid. Die verlaten huizen werden ook onmiddellijk gesloopt of zo bewust gehavend dat ze verder verkommerden. Met als enige motivatie: de overblijvers te intimideren.
Op dit moment blijven nog enkele tientallen inwoners over in Doel en die krijgen nu te horen dat de klok van het slopen en verkommeren mogelijk wordt teruggedraaid...
Een terugblik op het jaar van de menselijke drama's, het jaar dat het zwarte doek viel over het polderdorp.
Humo febr 1998 - herwerkt - © Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo (Foto: Herman Selleslags)
"Mensen staan hier te wenen-wenen in onze winkel. "
Op 20 januari 1998 viel de beslissing dat Het Deurganckdok met zijn containerkade er komt en vlakbij het dorp Doel. De krap duizend inwoners moeten niet weg, zei minister van Ruimtelijke Ordening Baldewijns, "niemand zal verplicht worden om te vertrekken, maar... Doel zal onleefbaar warden"
Dat was de waarschuwing, maar voor het dorp klonk het aldus: het ultieme verzoek om gratie is afgewezen en de doodstraf is uitgesproken.
Intussen zijn we een maand verder. De aangekondigde dood kruipt in alle kleren.
De bakker: "Zondag liep het hier vol ramp- en andere toeristen. 't Was mooi weer en de mensen hadden blijkbaar zin om eens naar dat veroordeelde dorp te komen kijken waarover ze al zoveel gehoord hadden. Volgens de krant liepen een paar duizend mensen langs de Schelde. Ik heb al gedacht, als het zondag opnieuw mooi weer is, ga ik met ijsroom op de dijk staan. Heb ik toch nog een voordeel aan die miserie.»
De boer: "Kwamen ze hier op mijn erf parkeren. Wat krijgen we nu, zei ik. En ze schrokken dat ze mij zagen komen. Oei meneer, zegden ze, woont gij hier nog? Wij dachten dat alleman hier al onteigend was! Bij een andere boer waren ze op het erf gegaan en stonden ze met hun neus aan het venster. Precies alsof dat hier uitgestorven was! Precies alsof dat hier Bokrijk was!»
De pastoor: "Ik werd onlangs dringend weggeroepen van een vergadering. Aan de pastorie stonden twee dames uit Mechelen die vroegen of ze de biechtstoelen al konden kopen!»
De juf van de basisschool: "Mijn vader, die vroeger bij de fanfare speelde, kreeg een telefoontje van een orkestleider uit Antwerpen: of hij de instrumenten van de fanfare tegen een prijsje kon hebben! Sommige buitenstaanders denken echt dat ons dorp al dood en opgevouwen is.»
Voor de kinderen kwam de beslissing van de minister ook als een harde slag.
De juf: "Ik zat met mijn acht leerlingen van het vijfde en zesde bij de radio te luisteren. Elk uur naar het journaal. En zo hebben we het vernomen dat de terminal er komt. Die dinsdag zelf leek het niet tot hen door te dringen, maar woensdagmorgen stelde één van de kinderen al voor 'of ze iets mochten schrijven over hun dorp?' En zes van de acht leerlingen hebben toen een gedicht gemaakt. (zie enkele stukjes in het kader) Ik was daar zelf van verschoten hoe ze dat zo goed hadden kunnen uitdrukken. Je voelt dat, die kinderen zijn nu nog meer gehecht aan hun huis en hun dorp dan vroeger. Op donderdag was er een meisje dat zei: 'Juf, ik heb nooit beseft dat ik in zo'n mooi huis woon. De zon scheen op ons huis en ik keek ernaar en ik dacht: zo'n mooi huis als dat van ons, dat gaan we nergens meer vinden.' Ze vroegen zich natuurlijk ook af of de school zou blijven en of zij op de school konden blijven. Dat zijn ze me ook snel komen zeggen: 'Juf, ik mag blijven van ons mama. Ik mag blijven tot ik mijn zesde jaar gedaan heb!' Dat die dingen hetzelfde blijven, dat ze met hun vriendjes in de klas kunnen blijven zitten, dat is echt belangrijk voor die kinderen. En het gaat toch om veel kinderen. In de kleuter- en basisschool zitten samen zo'n negentig leerlingen.
Nu is het minder, maar die eerste week konden de kinderen daar amper over zwijgen. Dan kwam mijn zoontje thuis en hij vroeg: mama, wanneer gaan wij weg, wanneer gaan wij verhuizen? Jongen, zei ik, dat weten we nog niet. En 's avonds was het er weer: mama, IEDEREEN gaat verhuizen, IEDEREEN gaat weg, en IEDEREEN weet al waarnaartoe. Iedereen behalve ik! En toen heb ik hem gerustgesteld dat het zo'n vaart niet zou lopen. Maar dan begon mijn dochtertje weer: en als wij dan gaan verhuizen, mama, mag mijn bed dan mee? En mag mijn kast dan mee? En gaan we onze deuren ook meenemen? Zie je, die kinderen betrekken dat op hun eigen kleine wereld: dat huis en dat kamertje, zal ik dat wel kunnen behouden?
Ik denk wel niet dat ze wakker liggen zoals hun ouders. Zodra kinderen door hun ouders gerustgesteld zijn, deemstert die angst wel weg. Maar ondertussen liggen wij wel wakker. Die eerste nacht na die beslissing hebben we geen oog dichtgedaan. Om vijf uur 's ochtends kon mijn man het niet meer uithouden: ik ga wat wandelen op de dijk, zei hij. En toen hij terugkwam, vertelde hij dat in zeker driekwart van de huizen nog licht brandde... Je zag het de volgende dag ook aan de mensen. Ik had de indruk dat iedereen gebukt liep. Met een last op zijn schouders.»
Niemandsgraf
De juf: "Ik vermoed dat mensen van buiten Doel soms niet beseffen welke sociale drama's dit allemaal meebrengt. Mijn grootmoeder die mij vraagt: als ik sterf, zal ik dan ergens anders begraven worden dan in Doel? Die kan zich dat niet voorstellen hé. En de moeder die haar dochtertje van elf vorige zomer begraven heeft, vraagt zich ook af: hoe lang zal ik nog naar dat grafje kunnen gaan? Families die rond de tafel zitten en die elkaar bekijken en die in stilte denken, hoe lang gaan we elkaar nog zo zien? Hoe zal dat zijn als we niet meer samen in dit dorp wonen? Want hier wonen hele families hé. Ooms, tantes, neven en nichten, allemaal in één en hetzelfde dorp.»
Haar man heeft ook een taverne. Met 's zondags flink wat dagjesmensen; ze komen van ver, van Lier, Gent en Brussel. Zijn dat vermaledijde ramptoeristen of voelen ze ook medeleven?
«De meesten zijn eigenlijk gewone toeristen. Die hier soms al jaren een terrasje komen doen als het mooi weer is. En die mensen zijn ons genegen. Maar er zijn ook van die ongezonde nieuwsgierigen en sommigen zijn ronduit brutaal. 'Ha, en jullie zeggen dat Doel niet meer leefbaar is! Zie dat café hier maar eens vol zitten! Jullie zijn binnen voor de rest van jullie leven! Eerst nog goed jullie zakken vullen in dit café en dan nog een onteigeningspremie erbovenop!' Dat is verschrikkelijk om te horen. Maar er zijn ook mensen die hier binnenkomen en die zeggen: "Madammeke, ge moet u niet alleen voelen hé! Want heel België leeft met u mee! Dat doet dan weer goed.»
Over mijn lijk
Sylvia Dejaeger (28) en Koen Germonpré (29) zijn vijf jaar geleden in Doel komen wonen. In '93 hebben ze de enige bakkerij van het dorp overgenomen. Een florissante zaak was het toen.
Sylvia: "Mijn tante woonde hier al bijna vijftien jaar, die wist dat de bakkerij over te nemen was, en zo zijn we vanuit Ruddervoorde (West-Vlaanderen) naar hier verhuisd. We hebben niet snel beslist, uit tien over te nemen bakkerijen in Oost- en West-Vlaanderen, kwam Doel er als beste uit, met een goed omzetcijfer en een redelijke overnameprijs. We hadden hier ook een toekomst. Het aantal inwoners steeg, er werd volop gebouwd in de nieuwe wijk én we waren de enige bakkerij in dat dorp met zijn duizend mensen.»
Koen: "Van uitbreiding van de haven was toen absoluut geen sprake, integendeel, de gemeente stond klaar met een flinke renovatiepremie want Doel was een herwaarderingsgebied. En Doel was toch ook beschermd door de `wet-Chabert en de lijn De Bondt' (daarin worden de gemeentegronden op de Linkeroever en de landbouwgronden tussen Doel en Kieldrecht afgeschermd, jh). Dus niemand, maar dan ook niémand maakte zich ongerust. Neem 1994: toen stond hier geen enkel huis te koop. Men wilde hier echt kopen hé. Mensen kwamen hier een huis huren in afwachting dat ze iets konden kopen. Het was hier loéren op een huis! Wilde je kopen, dan moest je voorspraak hebben bij de eigenaars, dan moest je al een goeie vriend of kennis zijn! En dat is zo tot in de zomer van "95 gebleven, tot dat eerste bericht van de containerterminal in de krant stond. Maar toen nog waren er mensen die een nieuw huis hebben gebouwd; zelfs in '97 zijn nog mensen in hun nieuw huis getrokken!»
Sylvia: "Wij waren ook snel aanvaard. lk heb me hier heel vlug thuis gevoeld. Van West-Vlaanderen naar hier komen, was geen aanpassing. Maar hier ooit weggaan, dát zal een vrese-lijke aanpassing zijn. Want Doel is nog zo'n rustig dorp zonder auto's, dat is hier zo stil als honderd jaar geleden. En er is hier nog heel veel burenhulp. Als het druk is in de winkel en ik niet op tijd aan de kleuterschool kan zijn, brengt een ander de kinderen automatisch mee. Nooit zorgen maken, er was altijd wel iemand. En zo stond het voor ons ook vast. Hier blijven we! Hier bouwen we ons leven op!»
Ingescand uit Humo (foto: Herman Selleslags)
Uittocht uit de polder
Koen: "Eerst had je de krantenberichten in 1995, daarna kreeg je de hoorzittingen en de betogingen en de zwarte vlaggen, en in de winkel werd over niks anders meer gesproken. Het was elke dag van terminal zus, en terminal zo, en ik heb dit gelezen, ik heb dat gehoord, en hebt ge gisteren Delwaide (de havenschepen van de stad Antwerpen, jh) op tv gezien? Het hield nooit op.»
Sylvia: "De mensen raakten verdeeld. Want dan was er een vergadering of een betoging, en degenen die er waren, werden dan kwaad op degenen die er niet waren. Soms was er zelfs in de winkel ruzie. Gewoon omdat de ene zei: die terminal komt er toch. Waarop een ander dan begon te roepen: over mijn lijk ja!»
Koen: "Ik heb hier nog een vrouw tegen een journalist horen zeggen dat ze nooit ofte nooit uit Doel weg zou gaan. Ze moeten op die terminal maar een containerke méér zetten, zei ze, 'dan ga ik daar wel wonen!'»
"Intussen gingen de zaken slechter voor de middenstanders. Wij zijn dat gaan merken na de zomer van '97, maar de timmerman bijvoorbeeld had het al veel eerder gevoeld. Na de zomer van '95 kwam niemand nog bij hem voor nieuwe deuren of nieuwe ramen. Niemand deed nog iets aan zijn huis en voor hem was er zo weinig werk dat hij zijn werkman moest ontslaan.» Sylvia: "Ons viel het op dat we bepaalde gezichten niet meer in de winkel zagen. En dan had je de mensen die de gewoonte hadden om na hun dagtaak hun brood te komen halen en die ineens zegden: mijn brood moet ge niet meer opzijleggen...»
Koen: "Dat waren de huurders die als eerste weggingen. Vaak gezinnen met kinderen die een spaarpotje hadden aangelegd om hier een huis te kopen en die het nut van te blijven niet meer zagen.»
Op 20 januari 1998 viel dan de definitieve beslissing.
Koen: "In eerste instantie was dat een opluchting. Eindelijk verlost van die verschrikkelijke onzekerheid! Eindelijk verlost van die ondraaglijke spanning. Want ik kon er niet meer tegen. Elke klant in de winkel begon erover. Wat gaat gijlie doen? Wat zijt gijlie van plan? Ik kon het niet meer horen! Ik kreeg er hoofdpijn van als ze nog maar begonnen.» Sylvia: "We dachten allemaal: nu weten we tenminste waar we aan toe zijn. Maar het enige wat we weten, is dat de terminal er komt. Wat ze met ons gaan doen, daar weten we nog altijd niks van. En zo is er nieuwe onzekerheid en nieuwe spanning bij de mensen ontstaan. Wanneer komt dat sociale begeleidingsplan? Wanneer zullen we iets weten over de onteigeningen? En hoeveel geld zullen we krijgen? Zullen ze voor ons huis de prijzen geven van voor de beslissing? Mogen we hopen dat ze gaan kijken naar de prijzen van de huizen in de omliggende dorpen? En zal ik met dat geld van de onteigeningen wel een ander huis kunnen kopen? En hoe zit dat dan met mijn hypotheek? En wanneer zullen we iets weten? In juni misschien? In september? En gaan ze ons nu weer zo lang aan het lijntje houden?
Al die vragen beginnen opnieuw. Die stress begint opnieuw. Ga maar in het café, of de taverne, of bij de slager. Overal praten ze over niks anders. En als de mensen iets over hun mi-serie vertellen, dan schiet hun gemoed zo gauw vol. Ja, er wordt hier vaak geweend in de winkel.»
Koen: "Wenen dat ik al gezien heb! Wenen-wenen. De laatste weken zijn er door den Doel al meer tranen dan Scheldewater gelopen!»
Sylvia: "Vooral oudere mensen kunnen het niet aan. E'n ik woon hier al mijn hele leven. 't Is het huis van mijn ouders! En nu gaan ze dat afbreken! En waar moet ik nu naartoe?»
Koen: "De huizenprijzen zakten in elkaar. Een huis met een geschatte waarde van twee miljoen werd hier openbaar ingezet voor een half miljoen. Daar kwam niet één koper op af!»
Sylvia: "En de huurhuizen komen ook allemaal leeg te staan. Hier staan zeker dertig huizen zichtbaar léég! Niemand wil nog huren. En wie huurt, wil weg. Er is sprake dat huurders een verhuispremie kunnen krijgen, maar daar wordt zelfs niet meer op gewacht. Als huurders weg kunnen, zijn ze weg. Op 20 januari viel de beslissing, wel, op 21 januari waren er al mensen die zich in Vrasene gingen inschrijven op de wachtlijst van de sociale woningen. Eén eigenares heeft haar eigendom, dat niet meer verhuurd raakte, zelfs helemaal in de steek gelaten, ze heeft de sleutel in het slot gedraaid en ze is elders gaan wonen. Ze kon het niet meer aanzien.»
Doel , een deel van het dorp langs de Scheldedijk, in 1999 (foto:Belga)
Ik ga deze keer niet wenen, ma !
Sylvia: "In de loop van '97 begon de terugloop van de klanten en de omzet. Er waren minder klanten om brood te kopen en de klanten die nog brood kochten, kochten geen patisserie meer. Zo is het hier in Doel. Feestdagen en verjaardagen, dat wordt veel minder gevierd, want iedereen houdt zijn geld bij, iedereen wil sparen voor als het echt gaat nijpen.»
Koen: "Een half jaar later zit ik met schulden aan mijn leveranciers die ik slechts mondjesmaat kan betalen, met afbetalingen aan de bank die ik niet kan afbetalen en met een serieus achterstal aan sociale bijdragen. Om kort te gaan, ik heb bijna twee miljoen nodig om alles te vereffenen: 600.000 frank aan sociale bijdragen en 1,2 miljoen aan zo'n twintig verschillende leveranciers. Ik probeer er niet aan te denken, maar ik kan heel de dag aan niks anders denken. Ik zit heel de dag te rekenen én te tellen en nog eens te tellen.
En wat zijn mijn vooruitzichten? Dat mijn klandizie afneemt! En dat mijn schulden oplopen! Andere mensen in Doel zitten bang af te wachten wat het met hun huis wordt, maar die mensen hebben tenminste nog hun werk en hun inkomen. Ons pakken ze ons huis en ons inkomen af!
lk ben al naar het OCMW geweest om te polsen of ik geen voorschot kan krijgen op het geld van de onteigening. Ze zouden het onderzoeken, zegden ze. Ik ben ook naar mijn sociale kas geweest om een jaar vrijstelling te krijgen van mijn bijdragen aan de sociale zekerheid. Maar ik heb het niét gekregen.»
Sylvia: "Omdat we achterstaan met die sociale bijdragen, krijgen we ook geen kindergeld meer: wij moeten nog 80.000 frank (2000 euro) kindergeld krijgen. En die krijgen we pas als onze schulden vereffend zijn.»
Koen: "Ik heb naar de politici geschreven. Naar de burgemeester, naar Baldewijns, naar Marc Van Peel, naar Wivina Demeester, naar Miet Smet, en allemaal schrijven ze dat ze mijn brief goed hebben ontvangen en dat mijn probleem 'hun volle belangstelling geniet'. Daar ben ik vet mee! Ja, Freddy Willockx heeft mij ontvangen, maar die krijgt tegenwoordig de hele polder over zijn vloer.
Ik ben er ziek van. Ik sta soms met koorts op mijn lijf te bakken in de bakkerij. Heel mijn maag en mijn darmen liggen overhoop. Daar liggen de pillen, zie. Pillen tegen de stress. Pillen tegen het braken. Pillen tegen de diarree.»
Sylvia: "En je slaapt bijna niet meer. Terwijl hij 's nachts in de bakkerij staat, lig ik wakker of slaap ik zo onrustig dat ik bij de minste beweging van de kinderen wakker schrik. En zo raak je oververmoeid en prikkelbaar, je kan niks meer verdragen, je weent heel makkelijk. Dan belt mijn moeder en dan spreek ik af: 'Ma, ik ga deze keer niet wenen', maar elk telefoontje zit ik toch weer te huilen met mijn moeder aan de lijn.»
Koen: "En dan komen hier toeristen in de bakkerij en die zeggen: och, ge zijt nog jong! sluit die bakkerij en begin toch ergens anders! Maar ik kan toch geen andere bakkerij overnemen en daar weer schulden maken als ik hier nog zoveel schulden heb! Ik moet dus hier blijven. Ik moet hier werken en hier afbetalen. En dat is nog het ergste: dat ik dag in dag uit moet werken om een bakkerij af te betalen die ze binnen een paar jaar tegen de grond gaan smijten!!»
Sylvia: "Voor zulke gevallen zou er toch een ombudsman moeten zijn. Maar er is géén ombudsman! Er is géén sociaal plan! Er zijn alleen maar beloftes over een 'humane regeling', dat is alles wat we hebben. Beloftes! Hoe ze die terminal gaan aanpakken, dát weten ze perfect, fase één en twee en drie, alles staat op plan! Maar hoe ze de mensen gaan aanpakken, daarvan staat niks op hun plan!» Ook onze kinderen weten ervan. Maarten is zes en nogal gevoelig en op een dag kwam hij van de kleuterschool en hij zei dat er kindjes uit Doel gingen verhuizen. En waarom gaan die verhuizen, mama? En wat gaan wij dan doen, mama? Ook verhuizen, mama? En waar gaan we dan wonen, mama? En hebben wij dan geen bakkerij meer, mama?»
Koen: "Gelukkig is er de familie, en de buren, en de andere mensen van het dorp die met ons meeleven. En ook mijn leveranciers hebben begrip. Maar voor de rest is de toekomst één zwart gat.»
DM 17/12/98 (foto Filip Claus)
De bulldozer is door de kerk
Volgende zondag zal hij hier zeventien jaar pastoor zijn, zegt Christiaan Verstraete (67), maar hoelang hij nog in Doel mag blijven weet hij niet. En hij zit met nog iets in zijn maag. Eén van de volgende weken is de restauratie van de kerk ten einde en zal ze plechtig ingehuldigd moeten worden. Het wordt misschien wel een stille inwijding, zegt hij, de mensen zouden het kwalijk nemen als ik er een feest van zou maken. Hun hoofd staat niet naar groot vertoon.
De kerk in Doel is een verhaal apart. Van in 1978 is de kerkraad ermee bezig een restauratiedossier in te dienen, met architecten en studiebureaus, met dossiers die geschreven en herschreven moesten worden ("een hele bibliotheek vol papier"). En toen kwam het fiat van de gemeente, dossier goedgekeurd, maar nog geen halfjaar na die beslissing kwam het eerste nieuws van de containerterminal. Maar de aanbesteding was gebeurd en dus gingen de werken hun gang: herstel van de dakgoten, het houtwerk, de vloeren, de plafonds en de buitengevel. En als over enkele weken de brede poorten van de mooie neo-classicistische Onze-Lieve-Vrouw-kerk (1856) weer opengaan, is er 38 miljoen bfr (=bijna 1 miljoen euro) besteed aan de restauratie van een kerk die mogelijk binnen enkele jaren wordt afgebroken. De grootste kost is dan nog opgeslorpt door een nieuwe fundering onder de toren. Vijfen-zestig houten pijlers met stalen kern werden in de poldergrond gedreven om verzakking van de toren tegen te gaan. Prijs van die pijlers: tien miljoen Bfr (250.000 euro). Al dat geld van de restauratie, het heeft ineens kwaad bloed gezet in het dorp.
Verstraete: "Nogal wat mensen zeggen dat ze die 38 miljoen beter zouden besteden aan sociale zorg voor de onteigenden, maar zo gaat dat niet bij de overheid. Het restauratiedossier is één dossier, en de onteigeningen zijn een ander dossier. De overheid hevelt zomaar geen geld over van het ene dossier naar het andere. En trouwens, toen de restauratie was goedgekeurd was er absoluut nog geen sprake van de komst van die terminal.»
Op het kerkhof zijn de voorbije twee weken twee bejaarden begraven: een man van 74 met een hartstilstand en een man van 63 die zich verhing. Volgens veel inwoners, enkele kranten én de paters Luc Versteylen, Phil Bosmans en Karel van Isacker zijn dit 'de eerste twee doden' als gevolg van de containerterminal.
Verstraete: "Ik ken allebei de families, en ik weet: zij willen niet dat anderen dat zomaar in verband brengen met die terminal. De families wensen gerust gelaten te worden in hun rouw. Op de zeventien jaar dat ik hier ben, was dit pas de derde zelfmoord. Al wat ik kan zeggen is dat die twee mensen die onteigeningen in hun kop hebben gestoken. Maar dat doet iedereen hier. Iedereen zit met die onteigeningen in zijn kop. Ik doe elke dag verschillende huisbezoeken en dan merk ik het bij de oudere mensen. Die spanning, die woede, die koleire. En die onrust hé: zullen we hier wel kunnen blijven tot het einde van ons leven? We moeten niks anders hebben, zeggen ze. Wij wonen hier goed. En dat zegt toch alles over Doel. Die oudere mensen wonen in een klein huis zonder luxe, die wonen in een dorp dat afgelegen ligt, dat midden in de industrie ligt, dat maar een paar winkels telt, en toch willen ze hier niet weg. En ik ken hun schrik. Het is de schrik om dat dorp te verliezen waar ze Sooike en Mariette heten. De schrik om te moeten verhuizen naar een straat en een gemeente waar ze koudweg `mijnheer en madame van de geburen' zijn.»
Foto Stephan Vanfleteren
Verhuizen in een kist
Hoe hard de komende onteigeningen de inwoners zullen treffen, was vijfentwintig jaar geleden al na te gaan. Toen vond een aantal onteigeningen plaats in de gehuchten rond Doel en ook toen moesten oudere mensen huis en goed opgeven.
Dr. Jaak Vandemaegdenbergh (huisarts van Doel-Kallo, in de Artsenkrant van 10 februari) «In de periode 1972-1973 stelde men vast dat verschillende ouderen overleden na hun verhuis. Want zo is het gezegde ook: oude bomen verplant men niet zomaar. In die periode deden zich ook verschillende gevallen van volledige decompensatie voor die leidden tot dementie.
Nu is de grote verhuis nog niet begonnen, maar de gevolgen van de beslissing van 20 januari doen zich toch al voelen op medisch vlak. Stress is daarbij de grootste boosdoener. Dat uit zich vooral in cardiovasculaire klachten. Ik heb de laatste dagen en weken merkelijk meer mensen naar de cardioloog moeten doorverwijzen dan gebruikelijk. Een verhoogde bloeddruk en een verhoogd hartritme stelde ik zelf al meermaals vast. En het aantal kalmeermiddelen dat in januari is voorgeschreven, ligt waarschijnlijk ook veel hoger dan in de vorige maanden. Vorige week overleed ook een man van 74 jaar die tot dan toe volledig gezond was. Het verband met het bericht over de terminal is natuurlijk niet empirisch vast te stellen, maar ik denk toch dat het geen toeval is.»
Het is stil op zo'n dinsdagmiddag in Doel. Sneeuwklokjes groeien bijna hoorbaar in de tuin van de pastoor. Bejaarden steken op hun sloffen de straat over. Zonder omzien, want doodgaan van een ver-keersongeluk is wel het laatste wat je hier overkomt. Volgens Sylvia, vrouw van de bakker komt haar dorp nooit meer terug: "Ik kreeg zoiets van: nu moeten we foto's nemen van alle straten van het dorp en van de bakkerij en van de kamers waar de kinderen slapen. Want alles verdwijnt. Alles gaat weg. Wij kunnen later niet tegen onze kinderen zeggen: hier hebben jullie gewoond, en hier hebben jullie nog gespeeld toen jullie klein waren. Dat gaat niet meer. Want wij wonen in een dorp waar we later nooit meer kunnen komen.•
Altijd wind mee: fietsenmakers over de demarrage van de elektrische fiets
In het coronajaar 2020 is flink wat gewandeld en gefietst. Ook elektrisch! Dat bleek uit de kranten van vorige week: 1 op 5 Belgen heeft in 2020 een elektrische fiets gebruikt. Gaande van “af en toe" tot "dagelijks". Tegelijk is het aantal elektrische fietsers verdubbeld tegenover vijf jaar geleden.
Dat is aan de verkoopcijfers te zien. In 2019 werden in ons land 470.000 fietsen gekocht en de helft daarvan was elektrisch. In heel Europa gingen 3,7 miljoen e-bikes de winkel uit. In 2030 verwachten experts een Europese jaarverkoop van 30 miljoen e-fietsen.
Zowat acht jaar geleden stond de elektrische fiets op de drempel van de doorbraak, de twintigers en dertigers begonnen toen die “bejaardenfiets” te kopen.
We spraken toen met fietsenmakers over hun "elektrische klanten".
Humo juli 2013 - licht ingekort- © Jan Hertoghs
“Op een elektrische fiets heb je het gevoel alsof je voortgetrokken wordt. Alsof je altijd wind mee hebt!”
"Het is een godsgeschenk. Zonder de elektrische fiets hadden veel fietsenhandels hun deuren moeten sluiten"
Na de elektrische stoel, het elektrische mes en het elektrische deken hebben we nu ook de Elektrische Fiets. Het gemaksrijwiel dat steeds meer veld wint en straatbeeld inpalmt. Fietsersbond noch Federvelo weten hoeveel e-fietsers ons land telt (80.000? 100.000? meer?), maar na zijn populariteit bij 70-plus, raakte de e-fiets ingeburgerd bij 60-plus, en nu is hij ontdekt door de dertigplussers die hem aanwenden voor een woon-werkverkeer zonder files.
Vijf fietsenmakers/verkopers vertellen over hun elektrische klanten. Met hun soms vreemde vooroordelen bij 70-plus ("kan zo'n fiets op hol slaan?"), hun schuldgevoelens bij 50-plus ("moet ik mij nu al laten voorttrekken door een moteurke?"), en het pragmatisme bij 30-plus ( "met de fietskilometervergoeding van één jaar is die e-fiets van 1800 euro rap terug verdiend.')
Het is voorlopig nog een wat controversiële tweewieler, onder andere omdat hij zo'n gat kan slaan in een portefeuille. Maar dat kan de opkomst blijkbaar niet afremmen. Iedereen wil in de boter trappen.
Fietsenmaker Rik herkent ze direct als ze voor een elektrische fiets komen, want allemaal hebben ze een punthoofd. "Avondenlang hebben ze op internet zitten lezen en dan hebben ze ook nog wat 'tips gekregen van den Eddy, ne wielertoerist'. Alsof dat een expert is!"
Ann «Allemaal hebben ze vragen en allemaal hebben ze vooroordelen. Ouderen denken wel eens dat zo'n ding ineens kan vooruitschieten gelijk een op hol slaand paard. Dat is dan bij een vriendin gebeurd, ineens schoot die fiets weg en 'zo is ze gevallen, en nu komt ze d'r niet meer op'.
Peter «Die fiets die ineens wég rijdt, die story blijft zich maar herhalen, terwijl het een fabeltje is. Je moet nog altijd zelf beginnen trappen eer die fiets elektrische ondersteuning geeft."
Rik «Nog zo'n vooroordeel. Dat je slechter stuurt en dus makkelijker valt als die motor op het voorwiel zit. Sommigen beweren zelfs dat dat voorwiel gaat patineren in los zand. Allemaal flauwekul! Maar hoe gaat dat. Joske is gevallen. Ah ja, natuurlijk, zijne moteur zit vanveur. Dat is een kwakkel die een eigen leven is gaan leiden. Komaan zeg! Denk jij dat een fabrikant zo'n gevaarlijk tuig zou blijven produceren ?! In Nederland zijn er honderdduizenden met de motor op het voorwiel, en daar leeft die discussie hoegenaamd niet! Alleen in ons land hebben ze d'r schrik van. Ik zeg het u: daar is geen verschil tussen de motor op het voorwiel, op de trapas of achteraan."
Enzovoort, enzoverder. Eén waarschuwing: wie voor valavond thuis wil zijn, die zwijgt beter over de mogelijke nadelen van de motor op het voorwiel. Want de polemiek is oud (3500 voor Christus) én eindeloos. De meeste fietsenmakers zeggen dat er geen verschil is, maar we troffen er ook die de voorwielmotor afraden aan oudere fietsers "omdat zo'n model meer stuurvastheid vergt".
Ann «Heel die fiets is een voorwerp van polemiek. Met twee kampen. De ene groep vindt die fietsen fantastisch, de andere vindt het rommel. Die hebben in familie of kennissenkring ooit één iemand met een serieus mankement gehad, - vaak met een goedkoop model van den Aldi of uit China, en die gaan dan alle elektrische fietsen over dezelfde kam scheren.
Bart de Wever is “an early adopter”. Al sinds mei 2013 zou hij elektrisch fietsen. Vraag aan alle Antwerpenaars: zag u hem al op zijn bolide? (GVA 3.5.13)
Scherpenheuvel
HUMO Leggen jullie eens uit hoe zo'n fiets aanvoelt?
Ann «Ik zeg altijd: denk aan een tandem. Jij zit vooraan, en achteraan zit iemand geweldig te géven op die pedalen, en al wat jij moet doen is gewoon wat mee peddelen met de voetjes. “
Peter «Met de motor vooraan is dat alsof je lichtjes voortgetrokken wordt. Met de motor achteraan is dat alsof je een duwtje in de rug krijgt, en met de motor op de trapas, voel je de stuwing in de pedalen. Maar het blijft natuurlijk wel een beperkte ondersteuning. Ik heb zo'n zestiger gehad die een e-fiets kocht om beter mee te kunnen met zijn groepje wielertoeristen. Na een paar weken staat hij hier terug: 'wat een slecht model hebt gij mij verkocht?! Boven vijfentwintig per uur valt die stil. Hoe kan dat nu?!' Hij dacht dat die fiets altijd maar power ging geven, naar de dertig, vijfendertig en meer. Maar dat is niet zo. Wettelijk is dat zo afgesteld: boven de vijfentwintig slaat die batterij af en trap je nog zuiver op eigen kracht."
Rik «Ik laat iedereen een lange proefrit maken. Dan kunnen ze alles ervaren. Dat afremmen op 25, en ook het geluid. Sommigen kunnen die ronk of zoem makkelijk verdragen, maar anderen die gevoelig zijn voor geluid, willen dat ding zo geruisloos mogelijk."
Stephan «Ik relativeer ook de actieradius. Als de handleiding zegt dat je d'r 180 km mee kan doen, maak er dan maar 160 van. Die 180 haal je alleen als je in de laagste ondersteuning rijdt, met hard opgepompte banden, met niet teveel bergop, met niet teveel wind tegen, en met geen te groot lichaamsgewicht."
Ann «Die actieradius! Allemààl vragen ze ernaar! Ook de zeventigers en tachtigers die nooit verder dan veertig km rijden, willen ineens honderd km ver kunnen geraken. Zo van: ik ga daar veel voor betalen, dan moet ie maar presteren ook."
Peter «In het begin vinden zeventigplussers een actieradius van veertig kilometer méér dan genoeg, want verder rijden ze toch niet. Maar een half jaar later staan ze hier terug: 'ons groepke van de gepensioneerden wil naar Scherpenheuvel, gaat die batterij dat trekken?!' Nee natuurlijk, dan hadden ze een zwaardere accu moeten kopen."
Ann «Scherpenheuvel is dé magische bestemming. Om daar een kaars te branden en een wafel te eten. Dat ligt op vijftig km van hier, heen en terug honderd km. Daar wil alleman naartoe. En o wee, als je niet tot in Scherpenheuvel kan geraken, dan heb je geen fatsoenlijke elektrische fiets gekocht! "
De gepensioneerden van Zonhoven fietsen naar Scherpenheuvel. Links staat een duidelijk ontspannen en niet-vermoeide elektrische deelnemer (HLN 31/5/19 Foto: Julien Slegers)
Are friends electric?
HUMO Binnen die groepjes van de gepensioneerden schijnt de e-fiets voor wrevel te zorgen. De 'elektriekers' mogen naar het schijnt niet vooraan rijden omdat ze een te hoog tempo aanhouden. Ann «Vroeger reed dat groepje 15-16 per uur en nu rijden ze een tempo van 18-19. Dat lijkt weinig, maar als aangehouden gemiddelde is dat een groot verschil."
Stephan «Dat is zo. Die ondersteuning is zo gemakkelijk, je moet zo weinig moeite doen, dat je je niet meer kàn inbeelden dat er anderen in de fietsgroep zijn die die snelheid uit hun eigen benen moeten halen, en die dus wél moeite moeten doen."
Peter «Er zijn fietsgroepjes die uiteenvallen omdat sommigen het 'elektrische' tempo niet meer kunnen volgen. Dat komen ze hier dan vertellen: jong, ik rij mij in het zweet en die anderen zweten niks en die blijven maar gààn, die willen zelfs amper stoppen onderweg. En omdat ze genoeg hebben van dat gejakker, haken ze af. Dat is al in veel groepjes zo: het is afhaken of ook een e-fiets kopen."
Stephan «Sommige van die seniorenclubjes zijn al voor driekwart elektrisch, sommige nog meer."
Bob «Ze steken mekaar aan. De zwakste van de groep kan niet meer volgen, hij koopt een e-fiets en ineens is hij de sterkste van de groep. Hup, de tweede zwakste van de groep koopt hetzelfde en hij is ineens ook bij de beste. En zo moet iedereen volgen. Ik ken gepensioneerden die bewust niét willen volgen, die bij niet-elektrisch blijven zweren. En onderweg maar roepen: hé, ik rij 22, en zonder ellentriek! Maar na zo'n tochtje liggen ze wel met hun benen omhoog, die zijn dood, die kunnen niet meer. Het is hard dat ik het zo moet zeggen. Maar: wil je als zeventigplusser nog sociaal contact hebben en nog buiten kunnen komen, dan moet je een e-fiets hebben. Anders moet je thuisblijven."
De fietsgroep van senioren: “Wil je nog mee met de groep, wil je nog sociaal contact, dan moet je een e-fiets hebben. Anders moet je thuis blijven. “
Humo: 1500 à 2500 euro is toch een fikse uitgave voor een gepensioneerde.
Ann «Ja, maar dat is een generatie die nog een spaarpotje heeft, en redelijk kapitaalkrachtig is. Het mag dus "iets kosten". Je zal ze niet met camelot zien fietsen!"
Rik «Het zijn de vrouwen die er eerst mee beginnen. De mannen stellen dat zo lang mogelijk uit. Die zitten nog met dat vooroordeel: zo'n fiets is voor luieriken! Maar met de tijd draaien ze wel bij. En vaak begint dat na een 'verrassing': Daarstraks heb ik zo'n ellentrieke gepensioneerde willen inhalen, en ik geraakte d'r niet over!' Dat is het begin (lacht).
Peter «Mannen en competitie! Mijn oudste klant was tweeënnegentig toen hij zijn e-fiets kocht. Hij was toen nog de allereerste in zijn clubje van gepensioneerden, en de dag na zijn eerste tochtje stond hij hier: hé Peter! op de brug van de autostrade heb ik ze d'r allemaal af gereden!"
20 cent per km
Ik begin ze overal te herkennen: aan de dikke naaf, het geblokte frame en de display-doos op hun stuur. Maar ook hun tred is opvallend gezwind. Lieden met een gewone fiets trappen moeizamer en slingeren enigszins van de inspanning. De elektrische fietsers zitten rechtop in het zadel; het zijn die anderen die zich dieper naar het stuur moeten buigen; dat zijn nog de dwangarbeiders van de weg. Zij zijn de koningen van de weg, en ze worden met de dag jonger.
Rik «Er is een opvallende switch naar jongere kopers. Twee-drie jaar geleden mocht het niet gezien worden als je onder de zeventig met een e-fiets reed. De batterij moest onzichtbaar zijn, liefst weggestopt onder de fietstassen of ingewerkt in het frame. Vijftigers en zestigers waren beschaamd, die wilden niet dat mensen hen zagen met zoiets, want dat was synoniem van: ik ben oud, ik kan zelf niet meer trappen. Maar nu! Nu zijn de mensen fier. Nu zouden ze een t-shirt aantrekken met in grote letters Ik FIETS ELEKTRISCH!"
Stephan «Vijf jaar geleden zakte dat naar vijfenzestig, zestig en vijftig; en de laatste twee jaar zitten we aan de dertigers. Eigenlijk staat er geen leeftijd meer op."
Rik «Ik heb dertigers die ermee naar het werk rijden. Met niks dan voordelen: ze zitten niet meer in de file en ze trekken de fietskilometervergoeding. Iemand die tweeëntwintig km van zijn werk woont, zei me: 'Ik zou er vroeger niet aan gedàcht hebben om met mijn fiets te gaan. Dan kom ik pomp-af op mijn werk.' Maar met zo'n e-fiets doet hij die 44 km heen en terug alsof het niks is."
Peter «Mijn jongste klant is dertig en doet elke dag bijna zestig km als woon-werk. Hij had een koersfiets kunnen kopen, maar dat bezweet aankomen wou hij niet, "want er is geen douche op mijn werk".
De switch van 65-plussers naar veel jongere gebruikers ( DM 25/7/18)
HUMO Waarom kopen ze dan geen brommer?
Peter «Omdat je dan geen fietsvergoeding krijgt. Reken maar uit. Jij woont op dertig km van je werk, zestig heen en terug en je gebruikt die fiets honderdvijftig dagen op een jaar. Met een vergoeding van 20 cent per km maakt dat 1800 euro belastingvrij. Dus op een jaar tijd heb je die e-fiets al terugverdiend! “
Ann «Voor sommigen is die e-fiets genoeg reden om hun tweede wagen weg te doen. Al die autokosten, van verzekering tot benzine, worden in één keer uitgespaard! En zelfs als ze die tweede wagen houden, dan gaan ze met die e-fiets nog altijd benzine kunnen uitsparen. Ja, de mensen beginnen na te denken."
Peter «Men denkt meer en meer economisch. Het financiële voordeel speelt, eerder dan het milieubewuste aspect van de fiets."
Ann «Ook hun éigen gezondheid speelt mee. Dat ze daardoor meer in beweging zijn, vinden ze een pluspunt. "
Peter «Ik moet die verjonging nu ook niet gaan overdrijven, vijfennegentig procent van mijn cliënteel zijn nog altijd 55-plussers."
Stephan «Bij mij maken die 'jongeren' toch al vijftien procent van de e-fietsenverkoop uit, en dat is nog maar het begin! Er bestaan nu ook al plooifietsen met een accu, speciaal voor de treinpendelaars."
Serieus meubel
Een goede raad: als je e-fietsers wat wil vragen nabij een fietsknooppunt, begin dan tijdig stopgebaren te maken, want als ze in hun high of boost zitten, vliegen ze je zo voorbij.
Linda is vijfenzestig en in haar 65-plus-vriendenkring heeft "tachtig procent" al een e-fiets. Na drie jaar kan ze niet meer zonder, als deze fiets wat mankeert, dan koopt ze "direct-direct" een andere!
Mathilde (73) "Dat is nen droom, zo'n fiets. En fietsen is geen inspanning meer, dat is nu een echte ontspanning. 't Is alsof ge altijd wind mee hebt!"
Geert is nog geen zestig, en hij fietst "vanwege zijn zwaarlijvigheid". Zijn twee eerste e-fietsen kwamen van Decathlon, ze kostten zevenhonderd euro, maar beide motoren waren "op enkele maanden kapot", nu heeft hij een model van 1400 euro. Aanvankelijk schaamde hij zich, "is het al zover gekomen dat ik mij moet laten voorttrekken?!" Maar nu denkt hij anders: "Vroeger deed ik per uur maximum twintig kilometer en was ik moe. Nu doe ik op anderhalf uur veertig kilometer en ik ben nog oké. Ik zit langer op de fiets, ik trap langer, ik blijf langer in beweging."
Uit de verte naderen een klak, een rooie zakdoek met witte bollen en een blauwe boerenkiel. Ook de Bokrijkgeneratie rijdt elektrisch en blijkt Jos te heten: " Ik ben een zware astmalijder en zonder deze fiets zou ik niet meer buiten kunnen." Drie jaar geleden hebben hij en zijn vrouw er ieder eentje gekocht, "een serieus meubel van drieduizend euro". En op die drie jaar heeft hij al 8660 km gereden, "nooit verweg, allemaal in de buurt." Jos schudt wel zijn hoofd dat ook dertigers elektrisch rijden, "hebben die dan geen beenspieren meer?!"
Vic (70) weet te melden dat hij tijdens deze lange winter en dat kille voorjaar toch al 2660 km heeft gedaan! Van die kilometerstand schakelt hij onverhoeds naar het verlies van zijn vrouw, nu drie maanden geleden. "Gisteren en eergisteren heb ik weer twee dagen zitten schreeuwen, en de dokter maar zeggen: 'ge moet u herpakken. Ga nog eens fietsen!' En ja, dat fietsen is plezant, maar dat thuiskomen, dat is moeilijk. Want dan zit ge daar, met vier muren als enig gezelschap." Vic laadt elke nacht z'n batterij op, maar geen accu is opgewassen tegen de surplace die eenzaamheid heet.
Jos met zijn elektrische fiets: “Een serieus meubel, ‘t heeft 3000 euro gekost.” (© Jan Hertoghs)
Tegenligger!
HUMO Hoofdstuk blikschade. Klopt het dat er iets meer ongevallen zijn met elektrische fietsen?
Rik «Ik hoor weinig van ongevallen."
Stephan «Misschien wel meer bij ouderen. Al jàren rijden ze niet rapper dan vijftien per uur en dan hebben ze die e-fiets en dan is de goesting groot om 'm eens open te draaien op zijn rapste, naar 20 - 25 per uur, maar dan komt er een bocht met wat grint en dan liggen ze d'r. Omdat ze die snelheid niet goed kunnen hanteren. Ik fiets vaak in m'n vrije tijd, en dan zie ik hoe onzeker veel van die groepen zijn. Want als ik eraan kom, dan fluit de leid(st)er fwiit fwiit - tegenligger! en dan moet je dat zien! Dan zitten ze al met hun stuur te bibberen en heen en weer te schudden omdat ze niet meer naast mekaar maar kort achter mekaar moeten rijden! 't Is lelijk om te zeggen over je eigen klanten, maar voor mij mogen ze rijlessen invoeren voor die oudere e-fietsers."
Ann «Die reflexen bij de oudsten zijn niet altijd aangepast aan die nieuwe snelheden."
Peter «Die e-fietsers zijn ook nonchalanter in groepsverband. Een gewone fietser moet inspanningen leveren, die kan niet heel de tijd gezellig babbelen. Die gaat hijgen, een droge mond krijgen, en door die inspanning vanzelf voor zich uit kijken. Maar die elektrische fietsers moeten amper nog inspanningen leveren. Die komen naast iedereen rijden, die babbelen honderduit, die kijken vrijelijk rond, die zijn ontspannen, maar als er voor hen iemand bruusk moet stoppen, dan hebben ze dat niet gezien en dan vliegen zij er bovenop. Omdat ze zo relaxed zijn."
DM 22/9/14
Zwaargewicht
Stephan «Och, ongevallen. Er zijn zoveel meer mensen van wie de gezondheid vooruit gaat. Ik heb een klant met twee knieprotheses. Kon niet meer volgen met de fietsclub, en nu rijdt die terug mee."
Rik «E-fietsen zijn ook goed voor de relatie. Je kent dat verhaal: de man doet geen fietstochtjes meer omdat "zij te traag is" en de vrouw fietst niet meer graag "omdat hij altijd te rap rijdt." Verzuring! En dan kopen ze een e-fiets voor de vrouw en dan kunnen ze weer samen op stap. En dan komen ze hier zeggen: verdekke, Rik, dat hadden we al drie jaar eerder moeten doen!"
HUMO Zo'n fiets weegt tussen de 21 en 27 kg. Dat maakt 'm toch niet voor iedereen hanteerbaar.
Rik «Alstublieft geen te zwaar model. Dat vragen ze allemaal. Maar zo'n e-fiets weegt nu eenmaal meer dan een gewone fiets. Dat moet je gewoon worden."
Stephan «Oudere mensen vinden het moeilijk om naast zo'n zware fiets te gaan, bij het oversteken van het zebrapad of het nemen van een stoep, of het stallen tegen een gevel. Daarvoor zijn er de luxemodellen met parkeerhulp-instelling. Jij gaat te voet, en die fiets geeft zichzelf een aandrijving van zes km per uur."
Rik «Wij noemen dat: een gazzeke of een boosteke bijgeven. Met die zes km kan je ook uit je ondergrondse garagehelling geraken."
Hij had het gewicht van zijn elektrische fiets enigszins onderschat!
HUMO Naast dat gewicht is er nog een nadeel, een batterij is na plusminus vijf jaar op, en een nieuwe is erg duur.
Rik «Ja, zo'n 550 euro. En dan verschieten ze natuurlijk, zoveel geld! Niet vergeten, zeg ik dan, dat dat moteurke u voor die prijs vijf jaar heeft voortgetrokken. En ook niet vergeten dat je voor vijfhonderdvijftig euro maar vier of vijf keer uw naftbak kunt volgooien. En hoelang was je blij met die 'naftbakken'? Vijf weken, tien weken? In elk geval geen vijf jaar!"
HUMO Een fietsenmaker mailde me dat àlle fietsenmakers problemen hebben met de e-reparaties: "batterijen en laders die het vroegtijdig begeven, motoren en sensoren die stuk gaan, bekabeling inwendig onderbroken, kontakten die niet goed doorgeven, enz". Hij beweerde dat het zowel bij de duurdere merken gebeurde als bij de "goedkope import". Tegelijk blijken herstellingen aan e-fietsen duurder te zijn dan bij gewone fietsen.
Stephan «Dat klopt, toch wat de gesofisticeerde modellen betreft. Omdat zo'n fiets na een herstelling opnieuw aan de computer moet: elke vijs moet tot op de millimeter aangetrokken zijn, elke sensor moet juist afgesteld zijn, of je krijgt een foutmelding. En dat vraagt extra tijd, dat finetunen. "
Peter «Wat die technisch-elektrische problemen betreft, bij Aldi-fietsen of bij Chinese import heb je die toch rapper. Maar ja, bij Aldi kost zo'n fiets 699 euro, terwijl mijn goedkoopste 1750 euro is, daar moét dus een kwaliteitsverschil zijn."
Rik «Mijn goedkoopste is 1999 euro. Ik verkoop geen brol, ik wil mijn klanten nog in de ogen kunnen kijken."
Ann «Maar 'klanten' komen wel vragen of wij hun brolfiets kunnen repareren. En zij hebben die fiets natuurlijk niet gekocht bij die goedkope keten. Neenee, dat is altijd 'gewonnen met een tombola'.
Rik: "Of gekregen van een tante ergens in de Vlaanders. Dat is liegen hé. Voor zo'n klanten heb ik geen respect, want die hebben voor mij ook geen respect."
De zelfgebouwde e-fiets van Louis Donkers: de accu’s links en rechts van het voorwiel en daarboven de aandrijfmotor uit een wasmachine (© Jan Hertoghs)
The Original
Eén van de eerste elektrische fietsers was de Kempenaar Louis Donkers (87). Hij bouwde al in 2000 een elektrische fiets, op basis van zijn herenfiets. "Dat voorwiel dreef ik aan met de motor van de ruitenwisser van een autobus. Later heb ik dat geperfectioneerd: met de motor van een wasmachine".
En natuurlijk hadden andere gepensioneerden in Kasterlee met hem gelachen toen hij daarmee op de weg kwam, "en ze lachten nog harder toen ik zegde dat de elektrische fiets de toekomst was. En zie ! Al die lachers van toen, rijden nu ook met een elektrische. (lacht) Maar dat zijn zotten natuurlijk. Want zij betalen 3000 euro voor hun fiets, terwijl mijn model maar tweehonderd euro kost, gewoon de prijs van de batterijen." Eén nadeel: zijn fiets met de vier accu's en wasserij-onderdelen weegt veertig kilo, "och, dat voelt ge niet als ge rijdt!"
Dit is een link naar een filmpje van de krasse Louis met zijn vintage e-bike.
En Louis had het goed gezien, de e-fiets heeft toekomst, en zo denken de fietsverkopers er ook over.
Rik «Vijftig procent van m'n omzet wordt nu gemaakt door de e-fiets. Zelfs met dat kille voorjaar blijft mijn verkoopcijfer op peil, dankzij die e-fietsen. Nederlandse fabrikanten hebben het mij gezegd: jij denkt dat de zaken hard gaan nu, maar ze zullen nog harder gaan; dat gaat nog meer boomen dan nu het geval is."
Peter «Het is een godsgeschenk. Als de e-fietsen er niet waren geweest, dan hadden veel fabrikanten én fietsenwinkels hun deuren moeten sluiten. Elke vertegenwoordiger die hier komt, zegt dat. De verkoop van de e-fiets compenseert de verkoop van de gewone fietsen, die al een paar jaar stagneert of achteruit gaat."
Bob «Iedereen zit te wachten op de boom die naar hier gaat komen. Maar in Nederland is de hype al voorbij. Daar hebben ze dit voorjaar een terugval van 20 à 25 % beleefd. "
Stephan «Dat is geen terugval, dat is de markt die verzadigd raakt. Hier moet de hype in elk geval nog beginnen."
Rik «Ik zie het nog gebeuren, dat bedrijven aan hun werknemers ook elektrische bedrijfsfietsen gaan aanbieden; dan zijn we vertrokken!"
Ann «Wat intussen wel is weggevallen als segment is de communicantenvelo, de grote fiets die je traditioneel kreeg bij je plechtige communie. De jonge gasten van nu vragen geld voor een tablet, smartphone of laptop. Een fiets, dat is geen cadeau meer. Dat komt door al die wedstrijden: overal worden fietsen als prijs weggegeven. Je koopt een pakje boter en je krijgt er een fiets bij. Hoe kan dat dan nog een geschenk zijn?!"
HUMO Maar straks brengen ze allicht e-fietsen voor kinderen op de markt.
Peter «E-kinderfietsen? Die worden bij mijn weten nog niet gemaakt. Maar in Nederland rijden scholieren van vijftien jaar en ouder met e-fietsen voor volwassenen. In Nederlands-Limburg met zijn heuvels rijdt een pàk scholieren ermee. Mijn importeur gaat daar hopen fietsen lossen voor minderjarigen."
Rik «E-fietsen voor kinderen? Het kan dat kinderen aangetrokken worden door die snelheid en dat gemak, want de fysieke conditie van die gastjes is niet goed. Ik zie ze hier staan, twaalf jaar, en ze krijgen maar moeizaam dat been over dat zadel. Computerfysiek hé! Van het vele stilzitten. Als je ze dan ook nog eens een motortje gaat geven om naar de school te geraken... dat is erover hé. Dan zitten ze op school én thuis stil en ook nog eens op die fiets!"
Diefstal per brief: Bpost wil de postzegel in Belgische frank doen verdwijnen
Vandaag maakte De Tijd bekend dat een belangrijk erfgoed dreigt te verdwijnen. Bpost wil de postzegel in Belgische frank - die nog altijd geldig is als frankeermiddel- definitief doen verdwijnen vanaf 1 januari 2023. Aldus een ontwerp van Koninklijk Besluit. Als dat ontwerp wordt goedgekeurd, is dat een vorm van "diefstal". De Nationale Bank aanvaardt toch nog altijd haar oude bankbiljetten, waarom zou Bpost haar officiële betaalmiddel dan ongedaan willen maken?!
Radio 2 (De Inspecteur) had er vanmorgen (23/2/21) een item over. Volgens hun bron zijn er daardoor “honderdduizenden kleine verzamelaars gedupeerd”, de impact wordt vergeleken “met het dossier Arco” - zie item op de website van De Inspecteur:
Bpost treft mij hier in het hart, want al bijna tien jaar frankeer ik de meeste van m'n brieven met die zegels die zoveel mooier zijn dan de neutrale euro-zegels: die hebben amper de uitstraling van een klever van de mutualiteiten.
Aanleiding genoeg dus om die miskende "frank-zegels" alsnog in uw collectief geheugen onder te brengen.
Humo juni 2011 -licht herwerkt - © Jan Hertoghs
Foto: Jan Hertoghs
"Ik ga mijn postzegelcollectie van 200.000 frank toch niet in de stoof steken?!"
Een toenemend aantal filatelisten houdt zijn hobby voor bekeken, aldus de kranten (in 2011). En dus brengen ze hun collecties naar de postzegelhandelaar waar hen een grote teleurstelling wacht. Hun zuurverzamelde reeksen zijn allerminst een goede belegging geweest. Ooit zijn ze met een pincet keurig opgeborgen, nu eindigen ze roemloos als doordeweekse frankering op brieven. Dat is het tweede leven van die goedbewaarde zegels: dat sommige bedrijven en particulieren niet langer eurozegels op hun briefwisseling kleven, maar wel de goedkopere zegels in Belgische frank. Het uitzicht van die BFR-zegels is compleet gedateerd én absoluut passé én schromelijk uit de tijd en toch is er niks mooier dan zo'n anachronisme in de rechterbovenhoek.
Humo over de échte oude stempel en de terugkeer van de ouwe trouwe tember.
De Antwerpenaar David De Beul zit al sinds het begin van de jaren zestig in de postzegelhandel en hij zegt dat de 'comeback' van de BFR-zegel al veel langer bezig is. Meer nog: die oude postzegels zijn nooit weg geweest omdat het onder verzamelaars geweten was dat je de BFR-zegels mocht blijven kleven, ook nadat de euro was ingevoerd. En of ik zo'n frankeeretiket eens wil zien, want die maken zij al vele jaren. Hij legt een zelfklevend etiket op de toonbank met meerdere zegels in Bfr naast elkaar, en zo'n klever vervangt dus de standaard eurozegel voor briefport.
Om te weten of een oude zegel nog in aanmerking komt om geplakt te worden, wijst hij in de onderhoek. Met het blote oog is het nauwelijks te zien, maar met een vergrootglas kan ik een zeer minuscuul jaartal lezen: het jaar van uitgifte van die postzegel. De Post is met die datering gestart in 1962, en de geldende regel is dat alle postzegels vanaf 1962 nog steeds op een brief mogen.
En! Ze kosten je minder dan de zegels in het postkantoor! Want aan het loket kost één postzegel Binnenland 71 eurocent en als je d'r tien tegelijk koopt, dan krijg je ze voor 6,1 euro of 61 cent per stuk. Hier in de postzegelwinkel (of bij de verzamelaar) betaal je voor tien BFR-klevers vijf en een halve euro! Dat is tién procent winst! Dat wil zeggen dat ik m'n brieven kan versturen voor 55 cent.
Ik koop een vel van tien klevers om te beginnen. Op elke klever zitten vier zegels: twee van 1,5FR, één van 9FR en één eurozegel van 42 eurocent, die combinatie volstaat voor de frankering van een brief binnenland. En wat zo geweldig is voor die 55 cent: geen enkele klever is hetzelfde. Het zijn uiteenlopende pêle-mêles met onder andere de Sint-Ludgeruskerk van Zele (1986), De Moeder-Maagd met Het Kind Jezus en De Druiventros (1970) en de kerstzegel uit 1971 voorstellende Jozef en Maria Vluchtend Naar Egypte. Niet dat het allemaal zo christelijk is, ook de socialistische voorman Camille Huysmans (1970) zit erbij, samen met een nogal mottige Maanvlinder uit de Antwerpse Zoo (1971) die verkocht werd ten voordele van de Multiple Sclerose patiënten.
Dé blikvanger is toch wel de zegel uit 1971 met betrekking tot de toen Voltooide Automatisering - Automatisation Integrale van de RTT, voorstellende een massief telefoontoestel met dikke ouwelijke toetsen, dat was toen state of the art.
En ja, er valt natuurlijk nog flink wat BFR te plakken als je ziet wat er bij De Post verschenen is tussen 1962 en het jaar dat de euro werd ingevoerd, dat zijn zo'n 1850 verschillende postzegels, dat is een Wunderkammer aan beeld en illustratie. Ik heb er de Officiële Postzegelcatalogus van België op nageslagen, en dan zie je een lange stoet van schilders, politici en uitvinders, van gehandicapte kinderen en vaderlandslievende soldaten, van jonge moeders en luchtvaartpioniers, en ook niet te vergeten: het grote scala aan bruggen, kerken, kathedralen en kunsttapijten. Je weet niet wat je ziet. En ik kan het vanaf nu zomaar op een omslag meppen. Een Boem Paukenslag vergeleken met dat éne armtierige eurozegeltje.
Retro look
Maar wie zijn eigenlijk de gegadigden van die ouwe plakkers? Volgens postzegelhandelaar Luk Vanduffel zijn het vooral zelfstandigen. Neem nu z'n eigen boekhouder. Die geeft hem een paar honderd enveloppes en hij "plakt alles in Belgische frang." Vanduffel denkt dat het ideaal is voor direct marketing: "brieven met schone zegels, die zullen de mensen nog opendoen. Dat gooien ze niet weg omdat het er niet uitziet als seriedrukwerk."
Handelaar De Beul telt onder zijn kopers vooral burelen, verenigingen en kleine en middelgrote ondernemingen. En zij doen dat "natuurlijk niet voor de retro-look, dat is honderd procent voor het profijt." Hij heeft wel filatelie-collega's die hopen dat mensen door het zien van die zegels "ineens goesting gaan krijgen om postzegels te verzamelen." Maar daar lacht hij eens mee, dat is wishful thinking.
Ik ben in elk geval blij met de retro én met het profijt. Toen ik nog student en gewetensbezwaarde was, "knutselde" ik voor mezelf al een soort nultarief. Van twee afgestempelde postzegels scheurde ik het gestempelde gedeelte weg, en zo kon ik één nieuwe zegel maken. Ik verstuurde ook brieven met kortingzegels van Fort en Valois, ik fotocopieerde al eens echte zegels en zelfs die zwartwit copie passeerde zonder problemen. Zo ook het vierkante lipje van een Lipton-theebuiltje.
Het plakken van de BFR-zegels leunt daar enigszins tegenaan, het is een klein protest op de vierkante centimeter. Een tegenzet tegen die hele Bpost met zijn afslanken van postbodes en postbussen, en dito liberalisering.
En nog iets. Ik vind dat postzegels hun financiële waarde moeten aangeven. Ik moet die eurozegels niet met hun idiote frankering van 1, 2 en 3. Die cijfers dienen zogezegd voor het gemak van de consument, maar eigenlijk dienen ze voor het gemak waarmee de Post zijn prijsstijgingen camoufleert.
Genoeg ideologie! Handelaar De Beul legt uit dat er nog grotere kortingen te krijgen zijn als ik de zegels niet op zelfklevende etiketten koop, maar in losse aantallen. Dan kan ik m'n eigen "postzegelhoekje" samenstellen. Stel dat ik de briefpost van 71 cent (zijnde 29 BFR) wil samenstellen met vijf zeven zegels van een verschillende frankering in BFR, dan kan dat. Voorwaarde voor die "losse verkoop" is wel dat ik elke 'coupure' met honderd zegels tegelijk koop. De bonus is dan dat een zegel Binnenland mij geen 71 cent maar nog amper 46 cent zal kosten!! Dat is al 35 procent korting aan de pomp!
En hoeveel 'coupures' mag ik op een brief kleven? Mag ik negenentwintig zegels van één frank kleven? Geen erg, ik mag de hele omslag vol kleven als er maar plaats blijft voor bestemmeling en adres.
Het slot Reinardstein en De Vlucht naar Egypte: een combinatie die alleen mogelijk is met BFR-postzegels.
Zottekesspel
Ik zie me al beginnen. Hele reeksen van flora, fauna, spoorweg en scheepvaart in huis halen. De hele jaren zestig en zeventig terug. Met gebouwen die mogelijk al afgebroken zijn: erfgoed dat ik opnieuw de wereld zal insturen. Je ziet mensen opgewekt worden als ze een Opel Kadett op de snelweg zien. Ik zie de gezichten van onze postbedienden en mijn bestemmelingen al opklaren als ze mijn brieven zien: eindelijk nog eens een oldtimer in de bovenhoek!
Ik heb geen papier in handen, ik heb oud goud in handen. Met onder andere: Het Wereldkampioenschap op de Weg in Zolder! Vijftig jaar Astrid en Leopold! De Bevrijding van de Scheldemonding! Vijftig Jaar Vrouwenstemrecht! Enzovoort en zo prachtig verder!
Maar toen stelde ik de Iets Te Veeleisende Vraag. En als u ook een postzegelhandelaar naar zijn hoofd wil zien grijpen, dan moet u deze vraag stellen:: kan ik die postzegels à la carte krijgen? Kan ik mijn eigen rechterbovenhoek samenstellen met een mix van treinen, zeeschepen en oude vliegtuigen? Wie weet zelfs met zegels van toen Antwerp FC honderd jaar bestond?! Want zo zie ik mijn homemade frankering: dat moet een mooie affiche, dat moet mail art zijn!
Vanduffel nam zoals gezegd zijn hoofd in beide handen: "Oh nee, nee! Toch niet zo'n zottekesspel! Stel dat er mensen zijn die alleen rooie zegels willen. Of alleen groene! God nee, daar beginnen we niet aan!"
Ook De Beul zàg het niet. "Gij wilt dus honderd treinen en honderd boten. Dakannie! Da-goa-nie!" Toch zeker niet tegen die goedkope prijs. Als ik méér wilde betalen, dan wilde hij wel eens gaan zoeken en sorteren, maar "niemand vraagt daarnaar. De mensen willen alleen maar goedkoop plakken, punt! Niemand staat daarbij stil of die combinatie schoon of esthetisch is!" Het probleem is: zij gooien die zegels in bakskes bij elkaar, niet per thema, maar per frankering. Dus geen treinen bij elkaar, maar alles van drie frank bij elkaar. Hun systeem is de grabbelton, "dat kan toch ook schoon zijn!?"
200.000 fr in de stoof
Enfin, ik was ermee weg. Vanaf nu plak ik alleen nog in BFR. Maar er moést een keerzijde aan de medaille zijn, en die was er ook. Want achter dat plezier van het oldtimers plakken, schuilt het verdriet van de trouwe postzegelverzamelaar. Pol Alenis is 87 en hij verzamelt postzegels sinds 1950.
«Ik was een "filatelie-abonnee" van De Post en van 1950 tot 1990 heb ik elk jaar alle nieuwigheden gekocht. In drievoud! En als ik die albums nu vastpak, dat is om te wenen. Na vijftig jaar zijn die zegels nog allemaal gaaf en postfris, maar ze zijn nog amper wat waard.
In 1990 heb ik de optelling gemaakt, toen was mijn verzameling (in drievoud) zo'n 300.000 frank waard. Dat is catalogusprijs, niemand betaalt die, laat ons zeggen dat ze 200.000 frank (5000 euro) waard was. Maar nu krijgt ge naar het schijnt zelfs de frankeerwaarde niet meer terug! Ik heb geen idee van wat de waarde nog is. Eigenlijk wil ik ervanaf voor de prijzen nog meer instorten. Als er iemand 30.000 fr voor geeft, dan doe ik ze direct weg.
Humo: En als ze maar een tiende van 200.000 frank waard zijn?!
Alenis: «Dat kan toch niet! Er zitten speciale poststukken bij én takszegels én militaire zegels én zegels van de buurtspoorwegen. Maar ik ben op mijn hoede; twee jaar geleden hebben ze me al eens bang gemaakt. Ik heb toen een handelaar aangeschreven, jaja mét een brief, of hij een offerte kon maken voor die collectie 1950-1990. En hij belde me op, doe de moeite niet van ze te verkopen, zei hij, want ge gaat verschieten hoe weinig ge nog krijgt. Moet ik ze dan in de stoof steken als vuur voor de winter heb ik gevraagd, maar daarop heeft hij niet geantwoord.
Och ja, misschien moet ik ze maar bijhouden en me troosten met het plezier van ernaar te kijken. Gewoonlijk doe ik dat eens om de vijf jaar, maar nu durf ik die albums nog amper vast te pakken, al die moeite en al die zorgen die ge hebt gedaan om dat proper te bewaren. En àl dat geld dat erin is gestopt, het is allemaal voor niks! Die postzegels liggen me nauw aan het hart. En dat ik ze voor een habbekrats weg moet doen, daar heb ik hartzeer van."
Uit de tijd toen de postzegelverzamelaar nog groot aanzien genoot en dus ook hevig aanbeden werd. (voorpagina van het gezinsweekblad “Ons Volk” 1 juni 1960 )
Zuidpoolhondjes
Pol vindt het goed dat ik navraag doe om te weten wat z'n collectie nog waard is. Handelaar De Beul moet niet lang nadenken. Een collectie van 1950 tot 1990? In drievoud ? Daarvan kan hij "niks gebruiken tenzij de blokskes 30 en 31 ", dat zijn de zogenaamde blokvelletjes Koekelberg (1952) en de Belgische Zuidpoolexpeditie (1957), ook wel de zuidpoolhondjes genoemd; voor die combinatie wil hij nog 190 euro betalen. Maar dan moeten ze wel "in perfecte-perfecte staat zijn!"
Ik zeg dat m'n verzamelaar ook nog takszegels en militaire zegels en zegels van de buurtspoorwegen heeft. Hij knikt geduldig, maar het maakt niks uit, ook die zegels zijn "niks meer waard." Het komt er dus op neer dat Pol dankzij die twee blokvelletjes (in drievoud) nog 570 euro kan krijgen en dat is dan de waarde van zijn collectie die hij twintig jaar geleden nog op 5000 euro schatte.
Pol wist dat het kon tegenvallen, maar hij is toch nog verrast als ik de schatting van zijn collectie meedeel :"Dus heel die verzameling van veertig jaar is maximum 570 euro waard? Dat is nog geen vijf frank per zegel! En ze weten dat alles postfris is? En toch maar zo weinig geven?! En eigenlijk zijn ze maar in twee blokjes geïnteresseerd?! Stel dat ik een fiets verkoop, en de koper is alleen maar geïnteresseerd in de bel en het achterlicht, dat is toch belachelijk! Ik kan toch moeilijk mijn verzameling waardeloos maken omdat die meneer maar twee onderdelen wil kopen?! "
Ik loop opnieuw langs bij David De Beul. Hoe vaak krijgt hij te maken met oudere verzamelaars die komen polsen wat hun collectie nog waard is.
De Beul: "Elke dag staan ze hier! ELKE DAG! Met dozen, albums en mappen. En soms is die collectie aangetast door roest of schimmel, maar vaak zijn die zegels nog postfris. En dat zijn niet de ouwe mensen zelf die tot hier komen, dat zijn hun kinderen die zo'n collectie na een overlijden aantreffen. Of die van hun vader te horen krijgen: ik heb nog een appeltje voor de dorst, wilt ge dat eens naar de winkel brengen. En dan moet ik ze dus teleurstellen.
Vandaar dat ik ook altijd vraag of de eigenaar nog in leven is, en zo ja, of hij een kwakkele gezondheid heeft. En dat ze dan moeten oppassen met eerlijk te zeggen wat de opbrengst is, want anders kunnen ze die mens wegdragen hé."
Klaar voor verzending: dit zijn nog echte brieven met echte postzegels. (Foto: Jan Hertoghs)
Belegging
Humo: Bij het publiek is het blijkbaar nog niet doorgedrongen dat postzegels geen goede belegging meer zijn. Maar wanneer is dat idee dan ontstaan dat het wél een goede belegging was?
De Beul: "In de jaren zestig. Kijk, het verzamelen zelf bestaat al lang, maar begin de jaren zestig is daar een doorbraak geweest omdat de mensen meer loon in handen kregen. In de jaren vijftig volstond een pree van een werkman of bediende eigenlijk alleen maar om de huur, het eten en de verwarming te betalen. Postzegels, dat was een luxe. Mijn vader verzamelde al zegels in de jaren vijftig. Maar als die een mooi blokje van twintig frank wilde kopen, dan moest die kiezen: of sigaretten of die postzegel kopen. En kocht hij die postzegel, dan had hij een week geen rookgerief.
Maar in de jaren zestig gingen de lonen omhoog en konden de mensen elke maand geld opzij leggen. En omdat men uit de spaarzame jaren vijftig kwam, werd dat niet opgesoupeerd, maar in iets degelijk gestoken. Niet in aandelen, dat betrouwde men niet, dat was ook niks voor de kleine man. Maar men ging sparen bijvoorbeeld, een spaarboekje bracht toen drie procent op. Maar de postzegel bracht nog meer op.
Ik kocht begin 1960 bijvoorbeeld een blokje van 12 frank aan het loket. Wel, op het einde van het jaar was dat twintig frank waard. Dat was een winst van 66 procent. En als je d'r honderd had gekocht, dan had je ineens een pak centen in handen. Pas op, dat was niet met alle zegels zo. Maar gemiddeld kon je zeggen dat een zegel 10 à 15 procent per jaar opbracht, dus veel méér dan die 3% van het spaarboekje.
Gevolg: elke maand kwamen er verzamelaars bij. Want dat ging van mond tot mond. Postzegels verzamelen, dat brengt op! En nog geen klein beetje! En zo'n nieuws ging rond hé. Alle vaders, grootvaders en nonkels begonnen postzegels te kopen, met heelder vellen tegelijk. Ik zag die zeepbel aankomen als handelaar, en ik verwittigde de mensen dat zoiets tot een inflatie zou leiden. En dat bomen niet eindeloos de lucht in kunnen groeien. Maar ja, dan werden ze kwaad op mij. Dan was het alsof ik hun geen profijt gunde, alsof ik niet wilde dat zij ook toegang kregen tot de goudmijn.
De Post was natuurlijk ook in dat gat gesprongen. Van sommige uitgiftes -en dan vooral de toeslagzegels- werd een miljoen stuks gedrukt voor nog geen honderdduizend verzamelaars! Zij ging er dus vanuit dat elke verzamelaar van elke nieuwe uitgave wel tien exemplaren zou kopen, dat was te zot natuurlijk! Maar ja, de post zag grote inkomsten, en dus speelden zij in op die drang om te beleggen, waardoor ze dus die inflatie zelf in de hand hebben gewerkt. In 1967 is die zeepbel al een eerste keer gesprongen, toen zakten de prijzen min tien procent.
En van dan af is het met ups en downs gegaan in de jaren zeventig, tachtig en negentig. Waren er weer wat veel verzamelaars die hun zegels op de markt brachten, dan zakten de prijzen weer een tijdje. Maar wat we sinds een jaar of zeven meemaken, dat is nooit gezien. Er zijn geen "ups" meer, alles is in vrije val. "
Kapotscheuren
Humo: Je sprak me over een bijzondere reeks van de jaren vijftig die zo gegeerd was dat ze van van 100 naar 12.500 frank ging (= van 2,5 euro naar 312 euro). Als een verzamelaar die nu binnenbrengt, wat krijgt hij dan nog?
De Beul: "Een tas koffie. Om die mens te troosten dat ik ze niet eens meer ga aankopen. Cru gezegd, ik moet ze niet hebben. Als brave mens zou ik daar nog tachtig euro voor kunnen geven, maar dat maakt mijn stock gewoon groter, want ik ga dat nooit meer kunnen verder verkopen. Ik kan beter zeggen dat ik 'm niet moet hebben dan dat ik er een rotprijs voor geef. Want als ik 'm aankoop tegen een rotprijs, dan is er altijd de verdenking dat ik zo weinig betaal om er zelf goeie winst op te maken. Dus koop ik niks en dan zijn de mensen toch al van één ding gerust. Dat ze niet bedrogen worden.
De enige toegeving die ik nog doe, is zaken in depot nemen. Dan komen ze op een veiling terecht. En geraken ze daar verkocht, des te beter. Is er geen verkoop, dan geven we ze terug aan de eigenaar."
Humo: En als mensen zeggen: hier is mijn collectie. Gebruik ze maar om op BFR-etiketten te kleven.
De Beul: "Dan zal ik eerst zien of de zegels nog ongestempeld zijn, of ze gaaf en postfris zijn, of de achterkant nog gom heeft, en als dat allemaal goed zit, dan geven we 40% van de frankeerwaarde."
Die verkoop is dus geen vetpot voor de verzamelaar. Voor de 43 reeksen die hij bijvoorbeeld in 1966 kon aankopen voor circa 5 euro, daar krijgt hij nu hoop en al twee euro voor: "Het is dus beter dat zo'n verzamelaar zelf zijn zegels op brieven gaat plakken. Dan verliest hij niks van de frankeerwaarde."
Is Pol geneigd om delen van zijn collectie op brieven en kerstkaartjes te plakken? Dat ziet hij niet zitten. "Dan zou ik een Boudewijn van 20 frank moeten combineren met wat kleine coupures, maar die zitten vaak in een reeks van vier of tien zegels, en zo'n reeks kapotscheuren, dat is zo pijnlijk. Die reeks is ook niks meer waard vanaf het moment dat er eentje in dat geheel ontbreekt."
Ad infinitum?
Als ik aan de handelaars vraag hoeveel zegels er nog achter zijn van de miljoenen die tussen 1962 en 2002 gedrukt zijn, dan hebben ze d'r geen enkel idee van: "niemand weet zelfs maar bij benadering wat er nog allemaal in kasten en laden ligt".
Intussen is er al een internetbedrijfje dat voor de frankering in oude zegels kan zorgen: de BFR-zegel is dus ook online te krijgen. Tegelijk is het afwachten hoelang De Post die geldigheid van die BFR-zegels nog gaat garanderen. ("Stel dat bpost verkocht wordt aan een buitenlands postbedrijf, dan is het maar de vraag of dat nieuwe bedrijf die geldigheid wil overnemen.") In Duitsland, Oostenrijk en Luxemburg is het al afgeschaft. In België, Frankrijk en Nederland bestaat het nog, maar niemand kan voorspellen hoelang.
Handelaar Luk Vanduffel vindt zelfs dat ik de post onnodig wakker maak met dit artikel: "Als ze dat willen, dan zetten ze de politiek in beweging en dan komt er een Koninklijk of Ministerieel Besluit om die geldigheid op te doeken".
Dat zou dan wel een heel lelijke streek zijn. Een postzegel is papiergeld. En als de Nationale Bank nog de papieren biljetten van de Belgische frank ad infinitum blijft aanvaarden, dan moet de post hetzelfde doen. Niemand zou aanvaarden dat de Nationale Bank die geldigheid intrekt. Van de post mag dus hetzelfde verwacht worden. Zij heeft jaren aan die zegels verdiend, een "zegel-ontwaarding" zou zeer ongepast zijn. En als bpost het toch zou wagen, dan richten we een actiegroep op. En de naam hebben we al. Frank Bakkes! Franc Parler!
Nieuwe Schaarste
Maar hoe moet het nu verder met de postzegelverzamelaar? Hij die decennia lang dat stempel droeg dat hij met een saaie, maar zo goed als onverwoestbare hobby bezig was? In dat imago is een deuk gekomen, dat blijkt uit de cijfers. Als er in de jaren zestig nog bijna honderdduizend verzamelaars waren, dan schat men hun aantal nu op "twintig à veertigduizend". En voor die kleine groep brengt bpost jaarlijks zo'n honderdtwintig nieuwe zegels uit. Wat maakt dat hun hobby er zeker niet goedkoper op is geworden.
Ik bel met Pol. Hij gaat zijn collectie niét naar de winkel dragen, zegt hij, want hij heeft van andere verzamelaars deze theorie gehoord: dat ze nu overal te horen krijgen dat hun collecties niks meer waard zijn, maar dat dat een gewiekste manier is om al die collecties "naar het oud papier en de stoof te doen verdwijnen". Zodat er een nieuwe schaarste kan ontstaan en zodat de prijzen in de filateliekringen weer kunnen stijgen. En dus is het devies: gooi niks weg, hou alles bij, want binnen x aantal jaren gaan die zegels wel uit dat dal klimmen. Maar zegt hij filosofisch, "ik ben 87, die remonte ga ik niet meer meemaken."
De Beul moet lachen met die theorie: "Ze mogen van mij alles bijhouden en op een stijging van de prijzen wachten, maar dan kunnen ze làng wachten. Er zijn Romeinse munten die 1600-1700 jaar oud zijn en die nog altijd maar vijf euro waard zijn. Hoelang gaat dat dan duren eer dat papier uit de jaren zestig terug wat waarde heeft!?"
Voorwaar, geen goed vooruitzicht voor de Oude Belgen.
<w> De marathonwinter van 1962-1963 (2) : de bevroren zee
Humo december 2012 - licht ingekort - © Jan Hertoghs
De bevroren zee in De Panne (foto: Michel Dewulf)
"Ik zag eenden en meeuwen ter plekke vast vriezen aan het ijs!"
De winter van 1962-63 was de strengste sinds de metingen in 1833. Over die winter hangt in mijn herinnering een snoer van sneeuwdagen, en een slee was wat ik als tienjarige verlangde! Maar die aankoop ging de familiale koopkracht te boven en dus besloot ik er zelf één te maken. Ik kon al met zo'n fragiel figuurzaagje een vogel uit een stuk triplex zagen, en ja, nù zou het echte werk beginnen. Als ik twee planken zaagde en onder een oude rietstoel nagelde, dan had ik een slee (zoals gezien in een album van Kwik en Flupke). Maar ze heeft nooit willen glijden. Zelfs niet toen ik een 'skipunt' aan die planken kerfde. Dat hout bleef stroef haperen in de sneeuw. Zo'n sledes maken ze nu niet meer, en zo'n winters evenmin.
Het is 18 januari 1963 en in Boezinge bij Ieper komt bakkerszoon René Grimmonprez voor een bijtende verrassing te staan.
"Ik deed mijn dagelijkse ronde met mijn gemotoriseerde triporteur en in die broodkar zaten zo'n dertig verse broden. Ik kwam van een klant en toen ik weer bij m'n kar kwam, zat er een groot beest onder die halfopen klep, die had dat brood geroken natuurlijk. En dat vloog op met geweld en sloeg zijn vlerken tegen mijn kop en tegen mijn oren. Het hakte ook naar mijn ogen, en een geluk dat ik een bril droeg, zijn bek ketste af op het glas, maar die twee glazen waren toch gebroken. En dan weer klauwde en snavelde hij naar m'n nek, maar met zijn klauwen verstrikte hij zich in de kraag van mijn vest en zo heb ik hem bij z'n nek kunnen pakken en overmeesteren. Maar een sterke vogel dat dat was, die twee vleugels samen meer dan een meter! En geschrokken dat ik was, ik was wit van 't verschot.
Enfin, ik had 'm bij zijn nek en zijn vlerken en zo ben ik ermee naar de bakkerij van m'n ouders gelopen. En daar hebben we hem in de veranda gestopt en goed bekeken, hij had lange groene poten en een grote dikke bek. Een rare kwast, 'k had nog nooit zoiets gezien.
Uit het familiealbum: de triporteur met broden van René Grimmonprez
De beenhouwer is ook komen kijken. Die heette Roger Vindevogel, en ja, met zo'n naam kom je natùùrlijk kijken! En Roger kwam één stap te dicht in die veranda en dat beest vloog op hém, en ook weer naar zijn ogen hakken, zo'n snéé in zijn wenkbrauw. 't Was groot nieuws in het dorp, d'r is veel volk naar komen zien, en iemand beweerde zelfs dat zulke vogel in staat was om met zijn klauwen een baby uit een wieg te pakken en ermee weg te vliegen. Overdreven natuurlijk. Ook de burgemeester is komen kijken, en de baron en de barones -mijnheer en mevrouw de Thibault de Boesinghe- zijn van 't kasteel gekomen. Mevrouw had een boek over vogels en volgens haar was het een butor (= roerdomp) die uit Siberië kwam. En 't heeft dan in verschillende kranten gestaan hoe ik aangevallen was, en allemaal op het eerste blad. Ineens was ik een Bekende Vlamink!
We hebben hem brood en stukjes vis gegeven, maar je zag dat ie op 't eind van z'n krachten was, en zaterdag lag hij dood in de veranda. Die dag zijn er dan nog specialisten van de Dierenbescherming geweest, helemaal uit Antwerpen, en zij hebben de naam van die vogel hier op dit papier geschreven. Het is een Botaurus Stellaris (= roerdomp, een zeer schuwe moerasvogel die al vrij zeldzaam was in de jaren zestig, jh).
Die roerdomp heb ik ook laten opzetten, hij is her en der tentoongesteld geweest, maar van één expo is hij niet meer teruggekomen. En daar heb ik dik spijt van. Dat ik hem kwijt ben."
De “roofvogel” die in de broodkar dook is voorpaginanieuws op 19 januari 1963, samen met de winnaar van de guurste Elfstedentocht aller tijden (Het Nieuwsblad)
René's "schermutseling met de reuzevogel uit Siberië" staat op minstens drie Vlaamse voorpagina's. En op dezelfde kophoogte: de overwinning van Reinier Paping in de Elfstedentocht. Die editie van de Tocht der Tochten werd ineens ook de meest legendarische. De voorzitter van de tocht had het ook zo aangekondigd: "Geen ritje voor sierschaatsers. Enkel de harden zullen de eindstreep halen." Het werd een "apocalyptische calvarietocht met de meest schrikwekkende beproevingen". De starttemperatuur was min achttien en gedurende de dag moesten de rijders opboksen tegen een opeenvolging van zware mist, stuifsneeuw, een ijzige en stormachtige oostenwind, en scheuren en hobbels in het ijs die de schaatsen kromtrokken en de ontreddering totaal maakten. "Men kon nooit regelmatig schaatsen: twee streken en dan was het weeral ploeteren door de ijsgeworden sneeuw." De blessures waren legio: bevroren voeten en oren, gebroken ledematen en sneeuwblindheid. Ook veel snijwondes: van armen en benen die bij valpartijen door het schaatsijzer van anderen gesneden werden ("de sneeuw was op vele plaatsen doordrenkt van het helrode bloed.") Van de 578 wedstrijdrijders wisten er slechts 57 aan te komen binnen de twee uur na de winnaar. En van de bijna tienduizend toerrijders haalden er slechts negenenzestig de eindstreep. De meeste toerrijders gaven op of werden onderweg van het ijs gedwongen door politie en rayonhoofden omdat de route te slecht werd en de omstandigheden "met het uur levensgevaarlijker werden".
Gazet Van Antwerpen
Kinderen mogen niet doodvriezen
In Temse staan op 18 januari rijen nieuwsgierigen bij de Schelde "om het dichtvriezen van de rivier gade te slaan". In Baasrode is het al zover en "hebben sommigen zich aan de overtocht van de stroom gewaagd". In het Engelse Windsor vriest de Theems dicht - voor het eerst sinds 1897- en aan de Hongaarse-Oostenrijkse grens kunnen vluchtelingen ("gehuld in witte lakens") van Oost naar West vluchten omdat de mijnen en versperringen van het Ijzeren Gordijn bedolven zijn onder een dik pak sneeuw. In Zweden wordt het legerreglement aangepast en mogen soldaten een baard laten staan "omdat het hen beter beschermt tegen de kou". Ook in Zweden hebben arenden "twee huiskatten gedood en verslonden".
Gazet Van Antwerpen start op 21 januari een spoedcampagne voor de minstbedeelden: onder de naam Operatie Antivries worden geld, kolen, dekens en voedsel verzameld. Er verschijnen reportages over bejaarden die dag en nacht onder de dekens liggen te rillen ("hun enige verwarming") en over gezinnen die in krotten leven "waar de wind door de gebarsten ramen blaast". De verslaggever spreekt met een jong gezin, zij hebben een baby en een peuter naar het ziekenhuis gebracht "omdat zij anders zouden doodvriezen". De journalist is resoluut: "Wij voelen ons beschaamd. Terwijl wij over de ongemakken van sneeuw en ijs mopperen, wordt in dit land met zijn uitdagende luxe van honderdduizenden auto's en televisies nog honger en koude geleden."
De 48-urige werkweek bestond toen nog, maar in de bouw lag alles plat. Honderdvijftigduizend bouwvakkers zitten werkloos thuis wegens vorstverlet en "zorgen voor lange rijen aan de doplokalen". Dagelijks gaan stempelen was toen nog verplicht.
Advertentie voor isolerend glas (Thermopane) in Gazet Van Antwerpen. Let op de typische bakelieten smartphone van toen. (januari 1963)
De Noordzee bevriest
Op zondag 20 januari rijden duizenden dagjestoeristen "over spiegelgladde en moeilijk berijdbare wegen" naar de kust om daar een "ongezien en grandioos spektakel te aanschouwen." De zee is bevroren. André Blontrock was toen op internaat in Oostende: "Elke middag wandelden wij met de studiemeester naar die bevroren zee. Hij bleef op de dijk staan en wij mochten dan tussen die ijsbergen spelen. Dat waren geen bergen natuurlijk, maar die grootste waren toch zo groot als een strandhuisje, zeker twee meter. En wij kropen daarop en sprongen van de ene naar de andere. Er waren ook vlakke stukken ijs, daar hebben we nog gevoetbald omdat dat ijs eerder ruw was, niet zo glad als je zou denken. 't Was een belevenis, die winter. 's Nachts bleef de verwarming branden op de slaapzaal, wat heel ongewoon was, en dan nog was het zo koud dat we twee extra dekens kregen. En in de klas zaten we met een extra dikke trui aan. Ook daar brandde de verwarming, maar het blééf koud binnen de muren. "
Jaak Mahieu werkte in het Zeepreventorium van Den Haan, en hij zag dat ijslandschap ontstaan: "Dat begon met ijsblokken en schotsen die op het zeewater dreven. En met hoogtij waren er blokken die achterbleven op het strand, en elke keer dat het hoogtij was, spoelden er meer ijsblokken aan, en die stapelden zich op tot torens en muren. Een strand met zand was er niet meer. Er was alleen nog zo'n dikke poreuze koek van korrelijs en ijsschotsen. Op sommige plaatsen was die koek dertig centimeter dik, en dan kon je daarop wandelen, honderden meters ver, in de richting van de zee. Niet dat die ijskoek altijd betrouwbaar was, soms was die ineens dun en bros en schoot je daar zo doorheen. "
Titel uit Gazet Van Antwerpen
Het leidde al vlug tot waarschuwingen van kranten en politie dat dat strandijs niet veilig was. Op 17 januari moest de Oostendse brandweer een jongetje uit het ijs redden en op 24 januari hoorden wandelaars op de zeedijk in Den Haan "plots hulpgeroep" van een meisje dat zich te ver had gewaagd, ze was via het korrelijs op "gevaarlijke ijsschotsen terechtgekomen" en dreigde in het zeewater te verdrinken. De wandelaars konden "het uitgeputte kind" op het droge brengen.
In korte broek
Zeewater dat bevriest, het blijft een zeldzaam natuurfenomeen. Want eer dat zoutwater stolt, moet het water zelf minimum twee graden onder nul zijn (zeker als er wind staat en er stroming is op het water). Dat de temperatuur van het Noordzeewater naar min twee of kouder zakt, is hoogst uitzonderlijk, want in normale winters is de temperatuur van ons zeewater zés graden.
Frieda Moeyaert woonde toen vlakbij de dijk van De Panne, en heeft ook op dat ijs gelopen: "Dat was wel vreemd, want hier en daar hoorde je dat zeewater nog klotsen en kloppen onder dat ijs. En volk dat er kwam kijken! Vooral op zondag was er een toeloop. De mensen kwamen van overal, van het binnenland, maar ook van Frankrijk, Rijsel, Duinkerke en Tourcoing. "
Michel Dewulf was in de zomer als fotograaf begonnen op de zeedijk in De Panne ("ik maakte portretten van vakantiegangers") en plots bracht ook de winter fotowerk mee: "Toen dat ijs zich begon te vormen, ben ik elke dag naar de zee gaan kijken. En op de duur was dat strand overdekt met ijsvelden, ijsmuren en ijsbergen. Dat waren honderden meters ijs die zich ook kilometers in de breedte uitstrekten. Vanaf midden januari waren die bergen op hun hoogst, ongeveer zo hoog als een plafond van een huiskamer, dus zo'n tweeënhalve à drie meter. Naar ik later hoorde, was dat natuurfenomeen het sterkst in De Panne.
Ik heb tientallen foto's genomen, ze zitten samen in een album, en zelfs nu nog komen mensen naar afdrukken vragen. Het moet toch zijn dat die winter indruk heeft gemaakt. " (Onderaan de reportage vind je meerdere foto’s uit het bevroren-zee-album van Michel Dewulf).
Het poollandschap van De Panne (Michel Dewulf)
Volgens Gazet van Antwerpen is de kust veranderd in "een poollandschap" en gelijkt het Zwin zelfs op "een woeste toendra". Ook bleek de zee geen golfslag meer te hebben. Het enige geluid bij opkomende tij was "het schuren van de met ijs beladen golven over de dikke ijslaag die al op het strand aanwezig was: een dof en onheilspellend gegrom."
De vijftienjarige Bernard Staelens verbleef toen op internaat in Oostende: "Ken je dat dok waar de Mercator ligt? Daar heb ik vogels zien vastvriezen op het ijs. Eenden en meeuwen kwamen aangevlogen, ze landden op dat ijs, en je zag die zwemvliezen beginnen kleven, die vogels begonnen te trekkebenen en die konden niet meer weg. En wij keken toe met de kameraden, wij vonden dat curieus en zelfs plezant! Niemand die compassie had, niemand die d'rbij stilstond dat die gingen doodvriezen. Och here nee, d'r waren veugeltjes genoeg toen! (Noot: een getuige uit De Haan ging elke middag langs het strand om vastgevroren meeuwen van het ijs los te maken!)
En ik zie ons nog op tocht gaan met de Chiro. Het vroor min vijftien, het was zo koud dat we onze slaapzakken rond onze hals droegen. En toen we op dat boerenhof aankwamen, waren onze pistolets bevroren in de rugzak! En omdat het in de schuur te koud was, mochten wij in de achterkeuken van die boerderij slapen. Maar ook daar was het koud, wij konden de slaap niet vatten! Niet dat wij dat erg vonden hé, wij vonden dat tof! Ik zie me nog lopen met de kameraden, en wij droegen een korte broek hé! Maar mijn benen waren wel ingesmeerd met kattenvet zodat ze niet zouden 'springen' van de kou."
Foto: Michel Dewulf
Tunnels onder de sneeuw
Heel die winter heb ik een korte broek gedragen. Ik had niet eens een lange broek op m'n tien jaar. Want zo werd je groot: als je kon afzien, als je naar school fietste en met die 'tartan' van blauw en rode vlekken op je benen toch nog deed alsof die huidpijn normaal was.
Voor en aantal Waalse schoolkinderen was 21 januari een benarde dag. Ondermeer in het dorp Les Tailles dat op zeshonderd meter ligt en het hoogste dorp van België is, vlakbij de Baraque de Fraiture. Wij leerden toen over deze Ardeense Hoogte die wij steevast de Barak Frituur noemden. En terwijl wij in de banken zaten, raakte daar een schoolbus geblokkeerd in de sneeuw.
Henri Delré was elf. Hij liep school in Houffalize en zat elke dag op die bus. "Les Tailles was zowat de verste bestemming en ik denk dat we op het eind van die rit nog met een tiental jongens en meisjes waren. Buiten woedde een geweldige sneeuwstorm, dat waaide en huilde, je kon dat horen tot in de bus. En in het begin kon onze chauffeur nog door een aantal sneeuwduinen ploegen, maar die duinen werden groter en ineens zat hij vast. Ik weet niet hoelang wij geblokkeerd hebben gezeten, het was gewoon niet te doen om uit te stappen in dat weer. Maar omdat er geen gsm's waren en met zo'n weer toch niemand ter hulp kon komen, zijn wij dan maar zelf door die sneeuwstorm naar het dorp gestapt, de grote kinderen voorop. Of wij bang waren? Maar nee meneer! Ik heb het meegemaakt dat ons dorp door sneeuwmuren dagenlang van de buitenwereld was afgesloten. En wij groeven tunnels in die sneeuwmuren. Als kinderen speelden wij onder tonnen sneeuw! Dus nee, wij waren niet bang. Ik ben ook geboren op een dag in 1952 dat hier meer dan twee meter sneeuw lag. Mijn ouders moesten een trap in de sneeuw graven om uit hun huis te klimmen!"
Antoine Piron en zijn vader gingen met de tractor de bus ontzetten: "Wij zijn pas laat gealarmeerd, wij kwamen daar pas tegen zeven uur 's avonds ter plekke. Die bus stond er dan al bijna drie uur en de kinderen waren net vertrokken, op eigen houtje naar het dorp.
Bericht over de urenlang geblokkeerde schoolbus/ GVA
Die bus stond op een smalle hellende weg en ze stak tussen twee sneeuwduinen in. Ze stond ook dwars op die weg en die chauffeur kon geen kant meer uit: nog één keer manoeuvreren en hij was over de wegrand geraakt en met die kinderen van de talud geschoten.
Het was geen weer. Het vroor verschrikkelijk, die sneeuw sloeg in vlagen in ons gezicht, en we konden amper wat zien in het licht van de tractoren. Er was ook nog een tweede boer met een tractor en tot half elf 's nachts zijn we met kabels en kettingen bezig geweest om die bus veilig weg te trekken."
Felix Guillaume en z'n vrouw Marthe wonen in het gehucht Collas waar de bus vast zat. Hij weet nog van de bus en dat zijzelf toen ook in hun huis geïsoleerd zaten: "Overal waren sneeuwduinen, je kon niet buiten komen. Dat gebeurde wel meer in de winter. Met de grote sneeuwstorm van 1 februari 1953 waren we zelfs drie weken afgesloten van de buitenwereld. Iedereen was op dat isolement voorzien: we bakten zelf brood, we hadden vlees van ons eigen varken, en opgelegde groenten en fruit in glazen weckbokalen.
Onze facteur was ook een dappere! Die kwam los door de bossen gestapt als de wegen dicht zaten. Faut le faire, want dat is hier geen park hé, dat zijn hier wel de dichte bossen van de Baraque de Fraiture! Och, wij hebben al zoveel gezien in de winter. De Slag om de Ardennen, die gebeurde aan onze deur! Als kind zagen wij soldaten, gesneuveld en bevroren in de sneeuw liggen. Ik ging naar school naast een veld waar een hand uit de sneeuw stak. Alle kinderen gingen erlangs, de mensen deden boodschappen, de mensen gingen naar de mis, allemaal làngs die hand. Pas na een week is die soldaat opgegraven, 't was een Duitser."
Hoge stuifsneeuwduinen en “holle wegen” in het noorden van Nederland (Ingescand uit Humo/Nederlands Fotopersbureau)
Bibberen in de klas
Europa Blijft Een Frigo, dat is één van de krantenkoppen op 22 januari. En dat is letterlijk te nemen: het Bodenmeer is voor het eerst sinds 1880 helemaal dichtgevroren en in Duitsland is scheepvaart nog amper mogelijk. In West-Vlaanderen verspert zware sneeuwval de wegen tussen Brugge en de kust. " Sommige automobilisten rijden dan maar via het kanaal Damme-Sluis naar de kust. Het ijs kon het gewicht van hun wagens makkelijk dragen."
In datzelfde Brugge kunnen de grafdelvers nog amper delven met hun spaden en houwelen, de aarde is na al die weken vorst meer dan een halve meter diep bevroren: "Er wordt overwogen om drilboren in te zetten. Werktuigen die gewoonlijk gebruikt worden voor het slopen van betonnen gebouwen."
De vorstschade aan de wegen bedraagt intussen één miljard Belgische frank. De zeevisserij en de binnenscheepvaart liggen nagenoeg stil, en de tuinbouw telt verliezen die in de honderden miljoenen Bfr belopen. De groenten zijn nog amper te betalen, en kruidenierwinkels worden van overhand gesloten omdat ze woekerprijzen vragen voor basisprodukten.
Op 23 januari betogen honderdtachtig leerlingen van het Koninklijk Atheneum in Mechelen omdat ze les moeten volgen in klaslokalen waar het "maar vijf à zeven graden is".
Op 25 januari schrijft mevrouw T. uit Berchem een lezersbrief naar Gazet Van Antwerpen. Aan de minister van Onderwijs vraagt ze "om de scholen te sluiten tot die barre koude voorbij is. Ik heb zaterdag mijn kleindochter van negen jaar van de school gaan halen. Ze kwam rillend naar buiten, haar handjes waren verkleumd en ze ligt nu met hoge koorts in haar bedje. Ze zegde dat de kinderen zaten te beven in de klas en dat ze hun gekruiste armpjes bijna niet vaneen durfden doen om hun vinger op te steken."
De Schelde is nu helemaal dichtgevroren tussen Temse en Dendermonde en op zondag 27 januari wordt er geschaatst op de gestolde rivier.
Op 28 januari is er opnieuw hevige sneeuwval en de 25-jarige Leon François ziet zijn dorp Hatrival insneeuwen. In Le Soir stond dat sneeuwmuren van vier meter het dorp afsloten: "Dat moet in de holle wegen zijn geweest. Die waren gevuld met sneeuw. Ik herinner me dat onze stallingen nog geen stromend water hadden, de koeien moesten buiten gaan drinken uit een waterbak die door een bron gevoed werd. En wij moesten voor die beesten een soort loopgraaf uitgraven, anders konden ze niet bij die drinkbak komen. "
De pantserwagen van 1944
In Luik springt de hoofdwaterleiding op 1 februari. De Place de la République en alle zijstraten overstromen met duizenden liters drinkwater. Voetpaden en rijwegen krijgen een dikke ijslaag, "alle verkeer van voetgangers en voertuigen is onmogelijk."
Gazet Van Antwerpen
Begin februari gaat de allereerste James Bondfilm (met Sean Connery) in Belgische première: "Geheim Agent OO7 tegen Dokter No" is de titel van toen. Iets minder filmisch: soldaat Antoine Piron 'ligt' in de kazerne van Namen en ziet vandaar de Maas dichtvriezen: " Het was verboden op dat ijs te lopen, maar de mensen deden het toch. Wij moesten buiten op wacht staan met alleen een vuurkorf die na twee uur al uit ging! Ook binnen was het koud. In alle kazernelokalen en in onze slaapzaal brandde wel een kachel, maar om tien uur moesten de lichten én alle vuren uit en lagen we daar te bibberen onder één deken en met onze overjas aan. De officieren deden toen een geste, we kregen une couverture supplémentaire!"
In heel Europa volhardt de winter. In de Italiaanse Abruzzen komen "uitgehongerde wolven van de heuvels naar de bewoonde streken: zij vallen honderden schapen en koeien aan." Op één plaats zien bewoners zelfs een gevecht "tussen enkele beren en een horde wolven die elkaar een kadaver betwisten." In het Oostenrijkse Karintiê zijn al vijftienduizend herten van honger omgekomen.
Op 4 februari is paus Johannes XXIII verkouden. Geen toeval, want de kerkvader had 's nachts "voor het open slaapkamerraam gestaan om het in Rome te zien sneeuwen, wat erg zeldzaam is".
Twee dagen later wordt Groot-Brittannië voor de zoveelste keer geteisterd door sneeuwstormen: tweehonderd hoofdwegen raken volledig geblokkeerd. Ook treinen raken ingesneeuwd en over hun passagiers heeft men "urenlang geen nieuws." Eén trein uit Wales komt met achttien uur vertraging in Londen aan.
In België wordt "de aangifte gevierd" van het één miljoenste tv-toestel in ons land. Bonanza, Echo, Het Manneke en Schipper Naast Mathilde zijn op dat moment de succesprogramma's van de Vlaamse Televisie. Van een medialandschap is nog nergens sprake.
Op 7 februari voorspelt Ukkel voor de eerste keer in zes weken een temperatuur boven nul. In Laag-België welteverstaan. Lang duurt de vreugde niet want vijf dagen later wordt heel België getroffen door een enorme sneeuwval.
Leon François (Hatrival) : "Die winter bleef maar duren. En heel die tijd waren de wegen slecht: de mensen gingen dan maar te voet. Dat gaf problemen thuis toen een koe moest kalven en er zich een verwikkeling voordeed. De veearts moest dringend komen, maar omdat de weg onberijdbaar was, was het grote paniek. Wij hadden toen zes melkkoeien en als er één stierf, dan betekende dat het verlies van één zesde van ons bezit. Mijn vader heeft dan een houtslee achter een paard gespannen en zo is hij die veearts gaan ophalen die al tot in het dorp was geraakt. Er waren ook afgelegen boeren die met een pantserwagen reden, zo'n ding met ijzeren rupsbanden! Na het Ardennenoffensief was hier vanalles blijven rondslingeren, dus als je dat in de schuur had gezet, dan kwam dat goed van pas!"
Het Nieuwsblad
Witte marathon
Op 12 februari komt het straffe nieuws dat er in de streek van Bouilon wolven zijn gesignaleerd. Dat meldt de krant L'Avenir du Luxembourg. Een schepen van Bouillon had "twee dieren gezien" en ook boswachters zagen duidelijke sporen van de "kenmerkende tenen en de staart die over de grond sleept".
Een dag later maakt de Londense smog opnieuw slachtoffers: driehonderdveertig in totaal.
Heel België verlangt naar dooi, maar op 18 februari wordt weer vorst voorspeld. De voetbalvelden zijn intussen bijna zeven weken onbespeelbaar, en een aantal bioscopen en theaterzalen hebben de deuren gesloten omdat er amper volk komt opdagen.
Nog altijd komen vogels om van honger en kou. René Grimmonprez (Boezinge) merkt hoe uitgehongerd sommige wel zijn: "In de tuin smeet ik elke dag oud brood en daar kwamen kladden meeuwen op af, op een dag zelfs honderdtwintig! Eén keer zat er een Jan-van-Gent bij, een grote zeevogel. Hij kon niet meer opvliegen en stuikte door zijn poten. We konden hem zo pakken en we hebben hem in een doos bij de warme bakkersoven gezet. Een paar uur later was hij bekomen en kon hij weer vliegen. Dat zo'n zeevogel die alleen vis eet zover naar het binnenland komt om brood te eten, dat zegt wel hoe slecht de vogels het toen hadden. "
Ook in de tweede helft van februari kachelt de winter verder. Begin maart is er wel minder vorst en sneeuwval, de hoofdwegen worden beter berijdbaar, maar de binnenvaart heeft het nog altijd moeilijk. De ijsbrekers kunnen de ijskorst op bepaalde vaarwegen nog altijd niet breken "en op sommige kanalen doen genietroepen het ijs met dynamiet ontploffen."
Binnenschepen liggen vastgevroren op het Albertkanaal nabij Wijnegem. (Gazet Van Antwerpen)
In Europa telt men intussen vijftienhonderd winterdoden. In Engeland gewaagt een Britse klimatoloog van de koudste winter sinds 1740. In Nederland raamt men de economische schade op dat moment al dubbel zo groot als bij de watersnoodramp van 1953.
Op 13 maart is er opnieuw een felle sneeuwval in Hoog-België en op 20 maart wordt er nog altijd geskied in Ovifat. De luttele Ardeense skibanen di er toen waren, zijn vier maanden onafgebroken open geweest.
Dat het een witte marathon was, kan tractor-sneeuwruimer Marcel Moinet (Bastogne) getuigen: "De eerste sneeuw heb ik geruimd op 11 november 1962, de laatste sneeuw heb ik geveegd op 28 maart 1963. Zo lang heeft die winter geduurd. "
Ook de bevroren zee hield nog lang stand, zegt Michel Dewulf (De Panne): "Die dooi kwam pas in maart goed op gang en was ook nog spektakulair. Het stromende zeewater holde die ijsbergen uit en vormde hangende bruggen die na een paar uur instortten. En dan zag je dat ijs afdrijven, dat dobberde als kleine ijsbergen in de zee. De laatste klompen zijn pas in april weggedreven."
In al die maanden ben ik het woord strooizout amper tegengekomen in de kranten. Slechts één keer is er expliciet sprake van en dan nog wel bij het Belgisch Kampioenschap veldrijden in Gavere op 3 februari '63. Toen lag vijfduizend kilo zout klaar "om het parcours berijdbaar te maken".
In de winter van 2012-2013 lag er zo'n 177 miljoen kg strooizout klaar “om de winter door te komen”.
Enkel voor de snelwegen en de gewestwegen en Brussel niet eens meegerekend,
Nog enkele foto’s van de bevroren Noordzee. Copyright: fotograaf Michel Dewulf - De Panne
<w> De marathonwinter van '62 -'63: de koudste winter sinds 1833
Je dacht dat er geen einde aan kon komen, aan die grijze sombere winter van 2020-2021. Maar kijk, plots ligt er een pak sneeuw en staan er een rij ijsdagen te wachten. Dat zijn dagen dat het kwik ook overdag niet boven de nul geraakt. Sommige voorspellingen spreken al van 9 opeenvolgende ijsdagen of meer. Dat is in de voorbije zestig jaar maar drie keer voorgekomen, zo’n lange aaneengesloten periode onder nul. Slechts in drie winters gebeurde dat, - in 2012, 1997 en 1963 - en in de twee laatste vond een Elfstedentocht plaats.
Er is dus Winter op komst. Aanleiding genoeg om terug te blikken naar één absolute recordwinter, die van 1962-1963.
De koudste van allen was hij.
Humo december 2012 licht ingekort © Jan Hertoghs
(Foto: AutoTouring 1963)
"Die ijsregen was levensgevaarlijk. Dikke takken en boomtoppen braken af boven m'n kop!"
Het is vijftig jaar geleden dat het land kreunde onder De Strengste Winter sinds het begin van de metingen. En die eerste metingen dateren van 1833. Dat is way back in time, Napoleon stak nog maar elf jaar in de grond! En al die tijd piekt die sixties-winter er als een ijsberg bovenuit. Nu is één sneeuwdag al voldoende om van winterellende te spreken, toen was er winterellende die meer dan drie maanden duurde! Ik was tien jaar en voor mij was die Kleine Ijstijd één groot avontuur. Als ik nu die vergeelde knipsels lees, bekruipt me nog de opwinding van toen. Schelde en Maas vroren dicht. De binnenvaart lag stil. Dorpen in de Ardennen én zelfs in de Antwerpse polder raakten van de buitenwereld afgesloten. De kust zag eruit als de zuidpool en in Hoog-België werden zeearenden en zelfs wolven gesignaleerd. Legendarische faits d'hiver!
Soms begint een winter met een vermoord kind. Het is 22 november 1962 en in Sint-Job-in-'t-Goor werd het zesjarige knaapje André Brepoels begraven, zijn klasgenootjes zijn aanwezig, en in Gazet Van Antwerpen lees ik dat het "koud was" en dat "de sneeuw neder dwarrelde. Het was de eerste sneeuw die we zagen. De vlokken vielen op de lijkwade van het kistje, bleven even schitteren en smolten dan weg". Zo begint die winter. Op bladzijde vijf staat een Poëtische Winterfoto, op de sportbladzijden zie je de trainende Rode Duivels vrolijk met sneeuwballen gooien, en niemand die toen vermoedde hoe hard en lang die winter nog ging zijn. In de Ardennen was de sneeuw nog vroeger gevallen, daar ging die winter al op 11 november van start.
En meteen is er ook een gure aanloop naar de kerstdagen. Op vijf december is er ijzel en hevige mist, tientallen weggebruikers belanden in het ziekenhuis, en wat zeker ook de voorpagina's haalt, is de aanhoudende smog in Londen en andere Britse grootsteden: door het koude windstille weer blijft een combinatie van mist en giftige industrierook op straatniveau hangen. Na vier dagen "van gelige zwavelsmook" komen zevenhonderdvijftig mensen om. Ook het verkeer is door de ijzel en de zéér beperkte zichtbaarheid totaal ontredderd: honderden wagens worden "door wanhopige chauffeurs" kriskras achtergelaten op de autowegen.
Londen zelf is "een ijskoude spookstad" waar men geen hand voor de ogen ziet. Chauffeurs moeten aan hun passagiers of aan voetgangers vragen om stapvoets voor hen uit te lopen en zo de weg te wijzen. Bewoners verdwalen in de buurt van hun eigen woning, en een schoolbus met kleuters is een avond en een nacht spoorloos omdat de chauffeur zijn normale traject niet terugvindt. Gangsters met "onopvallende smogmaskers" stappen een bank binnen, maken 1.400.000 Bfr buit, en verdwijnen vanzelfsprekend in de mist.
Zo begint die koude winter dus, met een ontreddering aan beide kanten van de Noordzee.
voorpagina Gazet Van Antwerpen 6 dec 63
Er was ook al een kille herfst aan vooraf gegaan. In oktober-november 1962 was het de Cubacrisis en ik kan me de radio en z'n vele onheilsberichten over een mogelijke wereldoorlog tussen Amerika en Rusland nog herinneren: op de speelplaats keken we naar de lucht, de oorlogsvliegtuigen konden elk ogenblik over onze koppen scheren! Het was dus niet alleen winter, het was ook volop Koude Oorlog.
Met de kerstvakantie in aantocht wijden de kranten ook grote kolommen aan het begrip 'wintersport" en "wintervakantie', wat toen nog een bijzondere nieuwigheid was, want weinig mensen gingen in de winter op reis. Aan de ski-amateurs wordt gevraagd om "belangrijke tips in acht te nemen": dat je pas "na vier dagen gymnastiekoefeningen" op de pistes mag en dat je geen auto mag besturen "met skischoenen."
Met Kerstmis 1962 zijn de voorpagina's niet meer te houden: "Europa Kraakt Van De Strenge Vorst", en de Duitsers mogen zich aan een dichtvriezende Rijn en een Siberisch Kerstfeest verwachten: de Stille Nacht/Heilige Nacht wordt er eentje "tot min vijfentwintig."
Dertig december is opnieuw een ijzeldag in België. Voetgangers binden kettinkjes, schuursponsen, "sokken en vodden" onder hun schoenen om toch maar op de been te blijven. Voor de autobestuurders is er geen doorkomen aan, "haast alle wegen zijn onberijdbaar". Gent kent een plotse sneeuwval: de stad ligt onder zo'n 30(!) centimeter sneeuw. In Engeland doen blizzards de sneeuwduinen opwaaien tot drie à zeven meter hoog. Honderden dorpen raken afgesloten en "heel Zuid-Engeland is een kerkhof van bedolven wagens: de bestuurders moeten hun toevlucht zoeken in boerderijen en dorpsherbergen." Twee bestuurders die geen uitweg meer zien, stikken in hun langzaam insneeuwende wagen.
Voorpagina en foto: Het Nieuwsblad
De langste dag
En dan is het oudejaarsavond. In de cinema's kan je de oorlogsfilm "De Langste Dag" zien en de BRT zendt een dansgala uit "met medewerking van Rocco Granata en het BRT- amusementsorkest onder leiding van Francis Bay". En terwijl er in Brussel aan stijldansen wordt gedaan, woeden er meerdere sneeuwstormen over het land en raakt de Antwerpse polder afgesloten van de buitenwereld.
Albert Devree en z'n verloofde willen met de bus van Lillo naar Zandvliet rijden, maar dat is onmogelijk: "Ik ging oudjaar vieren bij m'n toekomstige schoonouders, maar onderweg viel die bus stil. De mazout was in de leiding bevrozen, zei de chauffeur. Met nog enkele passagiers hebben wij het dan gewaagd om te voet verder te gaan. Joenges, wat voor bergen sneeuw dat er lagen. Op sommige plaatsen waren er hopen opgewaaid die wel twee-drie meter hoog waren! En die wind! Die floot en stormde, dat had gene naam! En zo zijn wij tot aan de Blauwhoef gegaan, dat was een café annex stelplaats waar je kon overstappen op de bus naar Antwerpen of naar Berendrecht en Zandvliet. Daar begon zogezegd de grote steenweg, maar ook die steenweg was ondersteboven gesneeuwd. En de bussen stonden er allemaal stil, niks bougeerde nog. Wij zagen zelfs mensen afkomen, van wie wij hoorden dat ze hun auto in de sneeuw hadden moeten achterlaten. Eén grote chaos was dat daar."
"Alleman wilde blijven schuilen in dat café, maar wij zijn te voet naar Zandvliet gestapt. Dat was toch nog zeven kilometer, een afstand waar we ùren over gedaan hebben. Er waren plaatsen waar wij tot onze nagelenbuik (navel) door die sneeuw moesten kruipen, echt gerellig! Maar ja, wij waren een jong koppel, wij hadden een warm hart en gene kou hé! Voor ons was dat een fantastisch avontuur!"
Foto: Het Nieuwsblad
Een eerder bang avontuur werd het voor Fons Mees en zijn vrouw. Zij zaten op de lijnbus van Antwerpen naar Zandvliet, met een dochtertje van amper twee: "Wij gingen oud en nieuw vieren bij m'n schoonouders in Zandvliet en toen we in Antwerpen vertrokken, waaide en sneeuwde het al heel hard. We hadden ons kleintje op de arm en we hadden haar in een extra dik deken gewikkeld.
Onderweg had die bus al grote moeite om door kleinere sneeuwhopen te passeren, en we zagen ook dat de chauffeur het niet betrouwde: zijn koplampen schenen alleen maar op die vallende sneeuw en op die sneeuwhopen, hij zag nog amper de baan. Die weg door de polders was op zich al gevaarlijk, een smalle steenweg met daarnaast diepe grachten. En hij lag er ook sukkelachtig bij omdat de havenuitbreiding aan de gang was en de stad de polderwegen verwaarloosde. Iedereen in de bus hield zijn adem in, iedereen vreesde dat die bus zou gaan schuiven en in de gracht zou kantelen. Wij waren zo mogelijk nog benauwder dan de andere passagiers, want wij waren de enige met zo'n jong kindje.
En ineens reed die bus zich vast in de sneeuw, en al direct viel die motor stil en werd het ijskoud in die bus. Wij wilden ons niet laten insneeuwen, geen denken aan, en wij zijn dan door die sneeuwjacht naar dat café geploeterd. Met grote schrik natuurlijk, stel dat we in de gracht sukkelen met ons kindje! Stel dat ze in die kou een longontsteking krijgt! Dan waren we verloren natuurlijk, want er was niemand om je naar een ziekenhuis te voeren, in zo'n nacht en in zo'n verloren uithoek. Je liep daar door een sneeuwvlakte waar geen ziel meer woonde. Alle boerderijen in die omtrek waren onteigend en verlaten. Een geluk dat we café De Blauwhoef konden bereiken. Daar was een overhoop van volk, overal zaten en stonden mensen die met de auto of de bus gestrand waren. "
Titel in het lokale weekblad “De Polder” (6/1/63)
Trappers van het Hoge Noorden
Buiten raast de storm verder. Er is die nacht sprake van "huizenhoge sneeuwhozen die in razende vaart over de wegen trekken", er worden windsnelheden tot negentig per uur gemeten, en de Antwerpse provinciegouverneur kondigt de noodtoestand af. Nabij de Blauwhoef stranden ook drie autocars van de firma Verplancke uit Zwijndrecht. Het zijn bussen met 'nieuwjaarvierders' die onderweg zijn naar de zaal Martinushoeve in Zandvliet. Een aantal van hen (ook kinderen) hebben de nacht in die ijskoude cars doorgebracht, nog anderen sukkelen naar het café. Ze waren er "niet op gekleed," ze droegen "dunne kostuums en feestjurken" en sommige vrouwen komen in het café gewankeld op "bevroren voeten vanwege hun hoge hakken en open balschoentjes". Er zijn ook 'feestvierders' die kost wat kost de feestdis in Zandvliet willen bereiken. Ze wagen zich aan een barre voettocht, "en men zag ouders die hun kinderen moesten dragen omdat ze niet op de been konden blijven in de poolsneeuw en de ijzige oostenwind." Het stond nergens in de kranten, dat relaas komt van de firma Verplancke zelf, "wij zullen die nacht vanzeleven nooit vergeten."
Fons Mees blijft met vrouw en kind wijselijk in het café De Blauwhoef: "Er was daar één telefoon, ge kunt u dat voorstellen, dat was een gevecht om te kunnen bellen! Ik heb dan toch mijn broer kunnen bereiken en die is er 's morgens in geslaagd om via omwegen tot daar te geraken en ons naar Zandvliet te brengen. Het was toen acht uur, wij hadden bijna tien uur vast gezeten in dat café. Onderweg hebben wij tientallen auto's in sneeuwhopen zien steken. In sommige auto's zaten nog mensen! Die hadden daar de nacht doorgebracht omdat ze hun wagen in die sneeuwstorm niet hadden durven verlaten. Welke schrik hebben die mensen doorstaan?! Die hadden kunnen doodgaan in die kou! Later hebben mensen ons nog gezegd dat het een echt kerstverhaal was, zo'n koppel met een jong kindje dat plaats zocht in de herberg. Wij hebben daar zelf geen seconde aan gedacht, wij hebben teveel angsten uitgestaan. "
Het Nieuwsblad schrijft dat de polderdorpen "bijna twee dagen geïsoleerd waren lijk Eskimodorpen aan de Noordpool". Het lokale weekblad De Polder schimpt op de "de grote heren" van de stad die de polderdorpen "schandelijk" in de kou hebben laten staan. Het blad bedenkt zelfs een nieuwe naam voor zijn bewoners: "wij zijn de trappers van het Hoge Noorden!"
Werknemers van de “vuilkar” van de Stad Antwerpen moeten de sneeuw helpen ruimen in de polderdorpen. Een degelijke bediening van de sneeuwschep gebeurde blijkbaar nog manueel en met de officiële kepie. (Gazet Van Antwerpen)
Dood naast de kachel
Op 1 januari is er op tv het traditionele skischansspringen vanuit Garmisch-Partenkirchen, maar wie uit het raam kijkt, ziet al sneeuw genoeg: "Heel Europa ziet wit. Er ligt een sneeuwtapijt van Schotland tot Midden-Italië."
De feestdagen zijn pas achter de rug als de ijzel van 3 januari de wegen "tot schaatsbanen maakt". Het Nieuwsblad beschrijft de Brusselse voetgangers: "Voetje voor voetje, glijdend, wankelend, vallend en opstaand, alsook breed met de armen zwaaiend, zo hebben zij alle wetten van evenwicht en zwaartekracht getart om zich naar tram en trein te begeven." Op de weg ontstaan evenwel geen files omdat niemand zich bij zo'n weer op de wegen waagt. Er waren toen nog geen winterbanden en er werd ook amper gestrooid of sneeuw geruimd. De schaarse vrachtwagens die uitrijden doen er vijf uur over om van Brussel naar Gent te geraken. In sommige delen van Wallonië ligt er nu al "zés dagen ijzel op de weg".
Er zijn in binnen- en buitenland al meerdere 'winterdoden' te betreuren en sommigen komen op een wel heel ongelukkige manier om het leven. De 28-jarige Henri S. uit Wilrijk "wilde spreeuwen gaan jagen en de man gleed uit op het ogenblik dat hij zijn jachtgeweer uit de auto nam. Hij raakte de trekker en het schot trof hem in volle borst."
In een huis op de Antwerpse Italiëlei hebben "de kleren van de 89-jarige Anna W. vuur gevat toen zij ingevolge de kou te dicht bij haar kachel ging zitten. De ongelukkige overleed aan haar brandwonden." Op de Belgische jukeboxen en hitparades staan twee nieuwkomers die tot evergreen zouden uitgroeien: Elvis Presley met Return to Sender en Petula Clark met Coeur Blessé. Allerminst evergreen zijn de voetbalvelden in eerste klasse. Die zijn gewoon onbespeelbaar volgens dit krantenverslag: Berchem ("een spiegel"), Lierse ("een ijsbaan"), Brugge ("20 cm sneeuw"), Daring-Brussel ("vele ijsklompen"), Beringen ("een ijsvlakte"), Anderlecht ("sneeuw op ijs, zeer gevaarlijk").
Het Noordfranse kuststadje Wissant (op 70km van de Belgische grens) is ingesloten door de sneeuw en twintig Belgen zitten er opgesloten in hun hotel. De groep wilde "enkele kerstdagen" doorbrengen aan de Cap Gris Nez, maar alle toegangswegen raken versperd door drie à vier meter hoge sneeuwduinen. Pas op 5 januari en na een "kerstweekend" van tien dagen kunnen bulldozers het dorp "bevrijden".
Ijsregen en dynamiet
Op diezelfde vijfde januari valt een pak sneeuw in wat toen nog Opper-België werd genoemd: "Op sommige Ardense wegen waren alleen nog sledes te zien en geen enkele auto". In andere Ardense dorpen valt een ijsregen die zich aan de telefoon- en elektriciteitsdraden hecht.
Guy Maquet was toen bediende van de RTT (Regie der Telefonie en Telegrafie) en hij woonde in Bourcy (nabij Bastogne): "Die lijnen van de telefoon hadden een dikte van een halve centimeter en door die ijsregen werden dat kabels van vijf centimeter, tien keer de normale dikte! Langs het traject van de spoorlijn Bastogne-Bourcy stonden overal telefoonpalen en die knapten allemaal af, op de sporen! Overal was er die wirwar van houten palen en los slingerende kabels, er was geen doorkomen aan, geen trein kon nog verder.
Wij hebben toen zes dagen zonder stroom gezeten omdat ook de palen van de elektriciteit afknapten. Dat ware géén houten palen hé, dat waren betonnen pylonen van de hoogspanning! Ik was onderweg naar m'n werk en ik kon het horen, die palen in gewàpend beton waren aan het kràken onder dat gewicht. En toen ik van m'n werk kwam, waren die pylonen gebroken."
Jean Lambert woont nog altijd nabij Michamps, een dorp met tweehonderd inwoners dat toen acht dagen zonder stroom zat. Jean heeft de ijsregen zién vallen. "Ik was die namiddag in een naburig bos, het vroor min zes en ineens begon het te stortregenen, jamais vu bij zo'n vriesweer. En zogauw dat regenwater iets raakte, veranderde het binnen de seconde in solide ijs. Dat was een geruis van klinkend en brekend ijs, als een storm die opstak! Om mij heen braken takken en toppen van jonge sparrenbomen af, ik heb het op een lopen gezet, want er braken alsmaar dikkere takken af, claq! claq! claq! levensgevaarlijk was dat daar. Wat ik meemaakte, was het zeldzame fenomeen van de surfusion (=onderkoeling). Heel zuiver water kan vloeibaar blijven tot min vijf graden, maar als het een schok krijgt, dan bevriest het ogenblikkelijk! Ken je dat verhaal van het Ladoga-meer in Rusland? Dat water was nog onbevroren en roerloos bij min vijf, er springen paarden in die op de vlucht waren voor een brand, en op slag zijn ze omringd door zwaar ijs en zo sterven ze ook, als standbeelden in het ijs! Dat leerde ik in de lessen fysica op de universiteit!"
Lambert vlucht het bos uit naar huis, maar daar is alles donker; de stroom is uitgevallen. "Telefoon, tv, wasmachine, wasdroger, niks deed het nog. Alleen de transistorradio op batterijen, die werkte nog. Er waren hier toen enkele boerengezinnen die al een diepvriezer hadden, en die mensen begonnen hun ingevroren vlees en groente buiten te zetten, het vroor 's nachts toch tot min twintig. Maar onze dorpselektricien had een nog beter idee, iedereen moest alles weer in zijn diepvriezer laden, hij stapelde alle frigo's in de laadbak van zijn camion en hij is ermee naar een ander dorp gereden, waar nog wel stroom was, en in een school heeft hij ze bijeengezet op de speelplaats en daar opnieuw aangesloten."
"Als je nu zo'n lange stroompanne zou hebben, met al die computers, centrale verwarming en elektrische kookvuren, dan was dat een catastrophe geweest. Maar toen hadden de mensen nog een kolenkachel of een open haard en een fornuis dat je met hout kon stoken. Dat was een geluk."
De stroompanne in Michamps duurde uiteindelijk acht dagen en al die tijd hebben de inwoners "bij kaarslicht en de petroleumlamp gezeten." Tientallen Ardense dorpen hebben geen elektra meer, en dat voor meerdere dagen. Volgens Le Soir was de toestand "zo onverwacht en zo penibel dat men terugdacht aan de winter van het Von Rundstedt-offensief, die rampzalige winter van de Slag om de Ardennen (tussen kerst 1944 en januari 1945 lag er een dik pak sneeuw en slechts op twee dagen was het overdag boven de nul graden, jh)".
Jean Lambert: "De elektriciteitsmaatschappij wilde tijdelijke houtpalen zetten om daarop de leidingen te leggen. Maar ze kregen geen put in die diepbevroren grond! Ze hebben de bodem met dynamiet moeten opblazen om putten te kunnen graven."
“Sommige gehuchten waren onbereikbaar. Ik gooide de post vanuit de trein in een schuilhuisje zodat de boeren hun post daar konden ophalen” (Le Soir)
Skiënde postbode
Terwijl de stroom hersteld wordt, zijn er andere Ardense dorpen waar de wegen dagenlang geblokkeerd zijn door de sneeuw. Rudi Giet was postbode in de Hoge-Veendorpen Elsenborn en Sourbrodt, hij moest elke dag improviseren: "Als er in de holle wegen sneeuwdriften liggen van één à twee meter hoog, dan is er geen doorkomen aan! Ik ging als facteur dan maar door de velden, daar was de sneeuw eerder weg gewaaid, daar was het soms beter begaanbaar dan in die holle wegen. Ook boeren zaten dan in de rats omdat de melkcamion niet tot bij hen kon komen. Eén boer had zijn melkkitten op paarden gebonden, dertig kitten op vijf paarden, en zo was hij los door de velden naar het dorp gestapt waar de camion wel kon komen. En aan mijn postoverste had hij gezegd dat zijn boerderij 'bereikbaar' was, dat de facteur maar in het spoor van de paarden moest stappen. Enfin! Ik ben geen paard hé, ik kon niet in de putten van die poten stappen, zo vér uiteen en zo diep. Ik ben toen bij iemand ski's gaan lenen en zo ben ik toch naar die boerderij gehobbeld. Als facteur moest je improviseren. Mijn zakken met post die ik van de trein haalde, heb ik zelfs op een slee getrokken. Ik deed vanalles om bij de mensen te geraken. Ik deed autostop, ik liftte mee met camions van het leger die hier op kamp waren in Elsenborn, en zo kon ik toch bij sommige huizen geraken en daar mijn post brengen. Wie verderaf woonde, kon dan naar dat 'postpunt' komen om zijn brieven op te halen. Ik reed ook mee met de micheline, een dieselmotrice die hier op het spoorlijntje liep, en onderweg was zo'n gehucht met een halte die niet meer gebruikt werd, en terwijl de trein daar passeerde, smeet ik m'n postbundel door het raam, in dat schuilhuisje, en dan kon iemand van dat gehucht daar ook de post ophalen en verder verdelen, c' était la débrouille hein! Er was toen ook nog postbedeling op zaterdag, maar die nam ik mee naar de zondagsmis, dan stond ik bij de kerkdeur de brieven en de gazetten uit te delen. Hoe dan ook, de mensen hadden toen geduld en begrip, ze wisten dat een winter het werk overhoop kon halen. Toen wachtten ze dagen op hun post, nu kunnen ze geen uur meer wachten."
Afbeelding uit een tijdschrift van de Belgische Posterijen (jaren ‘50). De postbeambtes wordt aangeraden om “specifieke sneeuwkettingen” aan te schaffen.
Niemand had winterbanden
In de tweede week van het nieuwe jaar is het Albertkanaal in Wijnegem dichtgevroren met vier kilometer pakijs. De binnenvaart ligt stil en die ijsblokkade zal nog vijf weken duren.
Op 11 januari steekt de winter nog een tandje bij. De gemiddelde temperatuur (= temperatuur van dag en nacht samen) komt in gans België niet boven de min tien. In heel wat dorpen springen de water- en gasleidingen en de inwoners zitten dagenlang zonder kookvuur, gasverwarming en stromend water. In de krant spreekt men over "een Siberische ijskast die ons een poolklimaat serveert".
In Vielsalm komen de meeste leerlingen van de middelbare school niet meer opdagen omdat de wegen zo slecht zijn. Twee leerlingen die de school toch bereiken, stellen vast dat de inkt in hun vulpennen onderweg bevroren is.
Eén tiende van de rijksscholen sluit de deuren voor enkele dagen: "de klaslokalen zijn gewoon niet warm te krijgen". Scholen en huizen waren toen nog slecht geïsoleerd, en ramen hadden gewoon nog enkel glas. In de meeste gezinnen werd verwarmd met kolen, maar die voorraden geraken uitgeput; bij de steenkoolmijnen staan vrachtwagens en camionettes in lange rijen: eens de kolen boven de grond komen, worden ze gelijk naar de kolenhandelaars en de verbruikers gebracht. Terwijl stijgt ook de prijs van de groenten fors: de serres vragen extra verwarming en er is ook een daling van het aanbod omdat de openluchtgroenten "zelfs met een houweel niet meer los te kappen zijn".
Het Ijsselmeer (1100 km2) vriest dicht en kan met auto's bereden worden. Ook prins Albert en prinses Paola maken met de arreslee een toer op dat ijsmeer.
In de kleine dorpen rond Bastogne is de enige sneeuwruimer vijf dagen zonder onderbreken op de baan geweest. Marcel Moinet was boer, houthakker en loonwerker en van 1950 tot 1966 was hij de "sneeuwman" in die kleine dorpen: "Op 11 november heb ik al de eerste sneeuw geruimd. En in december en januari is dat crescendo gegaan. Ik had een Fordson-tractor 75 PK, met kettingen om de wielen, en met vooraan een ploegmes om de sneeuwmassa te splijten. Achter mij sleepte ik une sorcière een zware ijzeren wig die de sneeuw verder in de talud moest duwen. De sneeuw lag zo dik dat ik de tractor zwaarder moest maken, daarvoor schroefde ik betonblokken op de velgen van m'n tractorwielen.
Met die opstuivende sneeuw tegen mijn voorraampje zag ik amper de baan. Om de weggebruikers te waarschuwen voor mijn 'gevaarte' had ik vooraan een oranje zwaailicht plus het rode achterlicht van een motocyclette. Zelf kon ik dat verkeer slecht zien, zij moesten maar achteruit rijden, zij moesten maar maken dat ze weg kwamen. Enfin, je moest al dapper zijn om met de auto op de weg te komen, niemand had winterbanden.
Ik moest altijd klaar staan, dag en nacht. Als de kantonnier (= de lokale wegbeheerder) belde, dan moest ik vertrekken. Die tractor was een diepvriezer. Ik had alleen maar een kleine voorruit en twee zijruitjes om mij tegen de wind te beschermen, in mijn rug was alles open. Op m'n kop had ik een passe-montagne (een bivakmuts) en oorbeschermers, en als overjas had ik zo'n kaki capote van het Amerikaanse leger, souvenir van Bastogne 1944.
Aan m'n voeten had ik sokken en pantoffels en zo stapte ik in mijn grote rubberlaarzen. En nog bevroor ik elke dag in die cabine. Als ik m'n werk gedaan had, kon ik mijn kaki jas op de grond zetten; hij bleef staan, hij was stijf bevroren.
Het moeilijkste is bergop rijden, omdat die machine dan de neiging heeft om achteruit te schuiven en je dan minder kracht kan zetten op die sneeuwmassa. Er waren ook twee wegen die ik met geen manier kon ruimen. Dat waren holle wegen, waar ik de sneeuw niet ver genoeg opzij kon duwen. Ik kon geen ruimte scheppen, die sneeuwmuren kantelden altijd terug op de baan.
Ik was elke dag minimum acht uren onderweg om zo'n vijftig km te ruimen. Rond tien januari is er een periode geweest dat ik vijf dagen op de baan was. Je dacht dat je gedaan had, en het begon weer te sneeuwen, vijf dagen heb ik mijn bed niet gezien. Achter mij op die wig stonden de kantonnier en een werkman, die moesten me soms in m'n rug porren omdat ze zagen dat ik in slaap viel en scheef begon te rijden."
De wegen zijn vrijgemaakt door de sneeuwruimer, maar de buspassagiers moeten uitstappen op hoge “sneeuwperrons”. (Foto: tijdschrift “Onze Buurtspoorwegen” 1963)
KMI: "een recordwinter"
Het KMI kan alleen maar bevestigen dat de winter van '62-'63 een uitblinker is qua kou en gestrengheid.
Luc Debontridder: "Een winter kan streng zijn qua duur, aantal ijsdagen of dagen dat de bodem bedekt is met sneeuw en op al die terreinen is 62-63 veruit de strengste die we ooit hebben meegemaakt. Om je een idee te geven: een winter is normaal als hij zes ijsdagen kent, dat zijn dus dagen dat het kwik noch 's nachts noch overdag nul graden haalt. In die winter waren er zevenendertig ijsdagen. Dat is niet meer uitzonderlijk of zeer uitzonderlijk, maar uitermate uitzonderlijk. Die temperaturen zijn ook gemeten in Ukkel. In Hoog-België en de Hoge Venen was het nog kouder.
Januari 1963 was een ijskoude maand met een gemiddelde temperatuur (dag en nacht samen) van min 4,6. Normaal voor januari is plus 2,5°. Het is de koudste januarimaand ooit. Ook frappant: op 4 februari lag er op de Botrange vierentachtig centimeter sneeuw, niet bijeen gewaaid, puur neergedwarreld. “
Humo: De ontwrichting van het socio-economische leven zou nu veel groter zijn?
«Zeker! Stel dat het nu de winter van '63 wordt, dan zitten we diep in de shit. Er waren toen iets meer dan één miljoen voertuigen op de weg. Nu zijn er 6,7 miljoen. Er zijn veel meer mensen die zich verplaatsen, dus die ontwrichting zou massaal zijn. Nog afgezien van alle problemen met luchtvaart, scheepvaart en energievoorziening, want op al die terreinen zijn we kwetsbaarder geworden."
Advertentie voor antivries in het tijdschrift AutoTouring (1963)
Schieten op zeearenden
In de tweede week van januari duiken alsmaar meer berichten op over vogels die in kladden omkomen van de kou. Vooral watervogels en zangvogels zijn er erg aan toe. In de kranten verschijnen oproepen om "onze gevlerkte zangers" van voedsel en drinkwater te voorzien. Er duiken "noorderse" en "siberische" vogelsoorten op die maar zelden gezien worden in ons land. Zo meldt Gazet Van Antwerpen "zingende zwanen die afkomstig zijn uit Siberië en Lapland", en ook kleine wilde zwanen "die in de fjorden van Noorwegen leven". Ik herinner me dat ik dat bericht als kind gelezen heb, en mijn verbazing van toen dat er wintervogels van Siberië tot in ons land waren gevlogen. Siberië, dat was bijna zo ver als de maan.
Le Soir meldt op 13 januari dat er "zeearenden" gezien zijn in de Ardennen. Aan de jagers wordt gevraagd om clementie te betonen met deze zeldzame en uitgehongerde roofvogels. De volgende dag meldt Gazet Van Antwerpen dat er in de Ardennen "zeer zeldzame zeearenden geschoten zijn".
In Nederland zijn al "duizenden dode watervogels" gevonden en moeten zwanen worden afgemaakt omdat ze niet meer te redden zijn, "sommigen hebben een toegevroren bek". Er komt een nationale hulpactie op gang "om het gevederde volkje van de hongerdood te redden". Schoolkinderen verzamelen brood en graan en sportvliegtuigjes droppen dat voedsel op plaatsen waar de vogels met duizenden bij elkaar kleumen. Ook aan onze kust is het "verijsde strand bespikkeld met talloze zwarte plekjes: allemaal dode vogels."
In Limburg maakt Maaseik FC van de nood een deugd. Het bestuur laat zandruggen aanbrengen rond het voetbalterrein en met het spuitwater van de pompiers heeft de club een ijsbaan. Meteen ook een muziekinstallatie erbij en er worden "gouden zaken gedaan".
Op 14 januari is er opnieuw "overvloedige sneeuwval in gans het land". In Verviers valt zestig centimeter. In Spa splijten oude kastanjelaars met een knal uit elkaar omdat ze het gewicht van de sneeuw niet langer kunnen dragen. De Maas tussen Dinant en de Franse grens is intussen "volkomen bevroren."
Op 16 januari opent Prins Albert het 42ste Autosalon waar onder andere de Opel Kadett, de Simca 1000 en de BMW 1500 worden voorgesteld. Een Fiat 500D kost op dat ogenblik 39.900 Bfr, een Citroën 2PK heb je voor 44.950 Bfr (= zowat 1100 euro, maar daar moest een bediende toen wel een half jaar voor werken,jh.)
Op 17 januari telt men al duizend winterdoden in Europa. Armand Pien, de beroemde weerman van de BRT, meldt geen beterschap in zijn weerbericht. Het kille hogedrukgebied dat zich boven een groot deel van Europa uitstrekt zal nog lange tijd aanblijven, meer nog, hij zegt dat de " winter nog maar pas begonnen is!"
Deel 2: de bevroren zee
Het dagelijks weerbericht in Gazet Van Antwerpen: dit zijn de temperaturen overdag voor 23 januari 1963
<w> De achtenveertig uur durende “blizzard” over zuidoost-België (1 februari 1953)
"In het dorp waren geen wegen meer. We moesten loopgrachten graven naar de winkel ."
Het is de eerste kou in deze winter. Vorige nacht zakte het kwik in de Oostkantons tot min tien, en ook overdag is het nog min vijf. Ik ben in dat koude binnenland onderweg om ooggetuigen te vinden van De Grote Sneeuwstorm van 1953. Toen zich in Nederland en delen van België een grote overstromingsramp voltrok met bijna 2000 doden, legde een uitloper van die wilde noordwesterorkaan een immens sneeuwdek over het zuidoosten van België: van Eupen tot St Vith en van Luik tot Bastogne. De storm luwde pas 48 uren later. Volgens het KMI is die blizzard van '53 de zwaarste die ooit over ons land is geraasd.
Humo januari 2012 (c) Jan Hertoghs
Ernst Leyens (77) vraagt of ik dat al gezien heb: twee meter sneeuw. Hans Croë (79) spreekt niet van sneeuw maar van “hoge witte muren”. Margarethe Esser (83) zag het wild hongerig naar de huizen komen . Rosa Pemmers (88) telt in gedachten de gezinnen die door niemand nog te bereiken waren. Karl Wirtz (88) zegt dat de straten in zijn dorp met de hand moesten “uitgespit worden”, alle mannen werkten op lange rijen. Adolf Schür (79) schudt zoveel jaar later nog steeds het hoofd, “ons dorp was acht dagen afgesloten van de buitenwereld, nooit gezien in België”.
Hun ooggetuigenissen komen uit Eynatten, Kontzen (D.), Küchelscheid, Honsfeld, Lanzerath en Sankt Vith.
De allereerste berichten in Le Soir van maandag 2 en dinsdag 3 februari waren bepaald alarmerend.
Een sneeuwstorm van ongekende omvang en hevigheid heeft het hele Ardennengebied getroffen. Zaterdagnamiddag is de storm opgestoken en pas maandagavond zijn de sneeuw en de felle rukwinden opgehouden. Het vliegveld van Saint Hubert heeft zware neerslag gemeten en windsnelheden tot honderd km per uur. De stuifsneeuw heeft wegen in het niets doen verdwijnen en heeft duinen van meerdere meters opgeworpen die alle auto-, trein- en busverkeer onmogelijk maken. Meerdere dorpen zijn volledig afgesloten van de buitenwereld. Stroom, telefoon, en postbedeling zijn lamgelegd en in sommige dorpen is geen drinkwater. (...) In Sibret is een trein ontspoord en de militaire hulpploegen die de plaats van het onheil wilden bereiken, stonden tegenover een sneeuwmuur van 2,5 meter. (...) Wie erin slaagt om de Ardennen en de Oostkantons te bereiken, waant zich niet langer in België maar in het Hoge Noorden.
Artikel in Le Soir: “De sneeuw bereikt hoogtes van 1,5 à 2 meter”
Hans Croë: «Die zaterdagnamiddag van 31 januari was het nog droog en niks koud. Ik ben nog boodschappen gaan doen in Raeren en toen ik terugkwam, begon het licht te sneeuwen, maar wel met een felle wind erachteraan. 's Avonds ben ik naar de Kappensitzung geweest, dat is de aanloop naar carnaval, dan komen de Büttenredner hun burleske verhalen vertellen, dan wordt er gezongen en gedanst, en gedronken natuurlijk, en met die vierhonderd man in de feestzaal hebben we het geraas daarbuiten niet gehoord."
Schür: "Van bij het begin joeg er een felle wind achter die sneeuw aan, van dwarrelende vlokken was geen sprake, het was een storm, een sneeuwjacht, dat schoot daar horizontaal over de velden, dat floot en huilde hier tussen de huizen. “
Croë: "Toen we dan in de vroege uurtjes van dat carnavalsfeest naar buiten stommelden, wisten we niet wat we zagen, heel de weg lag onder een dik pak sneeuw. De mensen van Herbestal konden hun wagens nog amper vinden, die auto's staken in een méter sneeuw! Die carnavalisten zijn dan met mij mee geploeterd tot aan onze boerderij, daar konden ze zich opwarmen en de nacht doorbrengen." Schür: "Normaal zie je hier een holle weg voor de boerderij, maar toen ik zondagmorgen naar buiten keek, was die helemaal vol gesneeuwd, een laag van wel twee meter. Het was die dag ook één februari, dan vieren we hier het feest van de Heilige Brigitta, en dan komen ze van de wijde omtrek bidden dat het vee zou gespaard blijven van ziektes en sterfte. Op zo'n feestdag zit de kerk elk jaar afgeladen vol met boeren en boerinnen en boerenkinderen, maar die zondag was er alleen de pastoor en een handjevol boeren dat tot in de mis was geraakt, die stonden witbestoven naar mekaar te gapen alsof ze zowat een persoonlijke heldendaad hadden verricht."
Croë: "Zondagmorgen was het erg! Aan onze boerderij waren grote hopen bijeengewaaid, sneeuwduinen van wel vier à vijf meter hoog en die versperden heel de weg van Eynatten naar Raeren. Voor de kameraden van Herbestal zat er niets anders op dan te voet naar huis te gaan, tien kilometer ver. Dat er een weg was naar dat dorp kon je alleen maar vermoeden doordat je hier en daar nog wat huizen en bomen zag staan."
“Er ontstaan sneeuwhopen tot 4 meter hoog” (Le Soir)
Esser: "We wonen hier nogal afgelegen en hoog. En in '53 moesten wij ons letterlijk uitgraven, een "kanaal" spitten naar de grote weg naar Roetgen, maar ook die weg zat helemaal dicht. De boeren hadden vroeger van die primitieve sneeuwruimers, dan sleepten ze achter een paardenspan een driehoek van drie boomstammen en daarop lag een plankier dat verzwaard was met zandzakken of stenen, en met die driehoek werd de weg dan open geploegd, maar dat lukte niet, de paarden zakten veel te diep weg in de sneeuw!"
Leyens: "Overal in Küchelscheid lag de sneeuw opgezweept tot twee meter en hoger. Een weg schoffelen in die sneeuw, dat betekende zoveel als tunnels graven."
Wirtz: "Omdat er geen sneeuwruimers waren in Honsfeld, moésten alle mannen van het dorp meehelpen om de ingesneeuwde hoofdstraten vrij te maken. Jong en oud, boer, houthakker of gemeentebediende, je kreeg een schop en je kon beginnen. En dat ging heel systematisch. Je stond twee aan twee, een rechtshandige naast een linkshandige, en zo op een rij van tien man naast elkaar. De ploegbazen bakenden de breedte en de diepte af waar je moest spitten.
Je werkte in lagen, als er twee meter sneeuw op de weg lag, dan hebben we die in acht 'trappen' gedaan, de eerste root schopte de eerste laag weg, en de rij na ons nam de volgende 'verdieping'.
Eerst maakten we de hoofdstraten van Honsfeld vrij - de weg naar Büllingen, de weg naar Losheimergraben-, en als de bebouwde kom klaar was, dan groeven we buiten het dorp, tot aan de grens van de gemeente. Het was een volle dagtaak, je begon om acht uur, en je spitte met een middagpauze tot vijf uur 's avonds. In alle dorpen uit de omtrek waren zo hele kolonnes aan het spitten. En waar ze meestal niet verder konden graven, dat was in het woud buiten het dorp, daar lagen teveel geknakte bomen, daar is het leger moeten komen met zijn bulldozers."
Schür: "Natuurlijk moesten we de wegen uitgraven. Wat was er anders te doen als je zo afgesloten zit?! En je had de sneeuwbergen moeten zien toen alles geschoffeld was; die reikten tot aan de eerste verdieping van de huizen, tot bijna aan de kruinen van de bomen!"
Croë: "Wij wandelden niet meer door dat open landschap van de Hoge Venen, wij stapten tussen witte muren waar we niet overheen konden kijken!"
Leyens: "Zo moet het ongeveer geweest zijn in de eerste wereldoorlog. Wij liepen door ons dorp, en we kwamen mekaar tegen in die smalle loopgraven."
“Het leek de Eerste Wereldoorlog met loopgraven in het dorp in plaats van straten”
Wirtz: "Wie zag je nog op straat? Niet al teveel mensen. De postbode was bijvoorbeeld de enige die zich naar de afgelegen boerderijen begaf. Met zijn pelerine cape die hij voor het gezicht kon houden bij hevige sneeuw, en met zijn zwaarbenagelde bottines én prikstok om zich een houvast te geven."
Midden in Alaska
Le Soir 5 en 6 februari: We geven hierbij een korte en onvolledige lijst van dorpen die nog steeds zijn afgesloten: Commanster, Krewinkel, Küchelscheid, Luzery, Manderfeld, Marvie, Mont, Ortho, Sibret, Thommen, en verder alle dorpen en gehuchten van de kantons Malmédy en Sankt Vith. Er wordt met man en macht gewerkt om de wegen weer vrij te maken, maar soms raken zelfs de bulldozers niet door de chaos. In de omgeving van Freyr rijdt de postbode rond met paard en slee. In Eupen en Bastogne hebben werklieden "tranchees" gegraven naar de winkels die nog open zijn. (...) Men waant zich niet langer in de Ardennen, maar in het midden van Alaska!
Croë: «Twee à drie dagen is alles hier potdicht geweest. We konden geen kant meer op."
Esser: "De melkwagen kon niet meer komen, we moesten de kitten op een slee zetten en tot in het dorp trekken, drie kilometer ver."
Leyens: "Küchelscheid ligt op 55O meter en is de plek met de laagste temperaturen van België. Geen wonder dus dat we vijf dagen afgesloten zijn geweest van de bewoonde wereld. De vijfde dag is het leger hier geraakt met een stoomlocomotief en met zo'n ijzeren stootplank op de buffers om de sneeuw weg te ruimen."
Pemmers:"Via die spoorweg zijn de bakker en de slager ook tot in Küchelscheid geraakt. Ze waren met de micheline gekomen, dat is een dieseltreintje voor 2O personen. Het leger had die "treinbus" opgevorderd, want eigenlijk kwamen op die lijn alleen nog militaire goederentreinen."
"En natuurlijk hebben we de eerste dagen zonder stroom gezeten. Dat gebeurde regelmatig toen, en dan ging je maar weer de petroleumlampen aansteken."
Beeld uit de straten van Bastogne na de “sneeuworkaan”
Schür: "Er was dagenlang geen stroom, dat zou nu een drama zijn, met al die diepvriezers en melkmachines, maar toen melkten ze nog met de hand. De tankwagen van de melkerij kon natuurlijk niet langs komen, dus dan ontroomden ze de melk en ze maakten er boter van. De mensen konden hun plan trekken, ze waren toen veel zelfstandiger dan nu. Nu zouden ze vloeken, waar blijft de stroom, waar blijft de sneeuwruimer van de gemeente?! Want ja, de mensen zijn gewend aan licht en warmte, en ook dat de sneeuwruimer begint te vegen als er twee uurtjes sneeuw is gevallen."
Esser: "Had mijn man nog geleefd, dan had hij van Reinartzhof kunnen vertellen. Dat was een gehucht met amper drie boerderijen dat midden in het Hertogenwald lag. En geloof me, dat is afgelegen, want in vroegere eeuwen woonde er een kluizenaar die zich over verdwaalde reizigers ontfermde. Mijn man is in Reinartzhof geboren, en in '53 zaten ze daar compleet ingesneeuwd met zevenentwintig mensen. Rond die drie boerderijen waren sneeuwbergen bijeen gewaaid met ontwortelde en afgeknapte bomen erin, die mensen dachten dat ze daar nooit meer weg konden komen, en omdat hun voorraad eten maar voor een week voldoende was, heeft één dappere boerenzoon dan toch een uitweg gezocht naar de bewoonde wereld. Die man is uitgeput in Eupen aangekomen, en vandaaruit en vanuit Duitsland zijn dan redders per ski vertrokken. Maar die spoedhulp geraakte onmogelijk door die woestenij van bomen en sneeuw. Uiteindelijk heeft het leger beslist om een helicopter van Sabena in te zetten. Die piloot is erin geslaagd om brood en levensmiddelen af te zetten." (zie ook nawoord onderaan, jh)
De inwoners van Reinartzhof proberen een weg te graven naar de bewoonde wereld. (Bron : het tijdschrift “Geschiedenis” )
Plankenskiërs
Leyens: «De volwassenen gingen niet werken, de kinderen gingen niet naar school, dat bracht toch iets van een avontuur mee. Alleen de avonden waren nog stiller dan anders. Dan zat ik hier aan tafel met mijn ouders, de klok tikte, het vuur brandde, en vanuit het halfduister begon mijn grootvader dan maar weer weesgegroeten en onzevaders te lezen. De rozenkrans, dat was het grote tijdverdrijf van toen.”
Wirtz: "Ja, wat deed je op die lange winteravonden? Wat zitten vertellen aan tafel en om half negen je bed in."
Schür: "Of kaarten met de andere boerenzonen uit de buurt. En paffen natuurlijk, het plafond was niet meer te zien van de rook!"
Leyens: «Wie na vijf uur nog op straat kwam, kon maar hopen dat de maan op de sneeuw scheen, want van straatverlichting was geen sprake. Een zaklamp? Daar was geen geld voor, dat was een ongekende luxe. Iedereen was arm toen, want de oorlog was nog maar net voorbij. En je had de huizen moeten zien! Met het Ardennen-offensief is heel Küchelscheid vijf maanden geëvacueerd geweest en toen we terug kwamen waren alle huizen één grote puinhoop. Eerst hadden de Amerikanen onze kolen opgestookt, dan ons brandhout, en toen dat op was, hebben ze de meubels, de deuren en de vloeren uitgebroken om ook dat hout in het vuur te gooien. In zo'n huis zijn wij terug moeten gaan wonen, en er was money om ons te vergoeden, maar voor iedereen was het toch schrapen om rond te komen. Die winter van '53 was toch een ontbering, hoor."
Wirtz: "Vijf dagen is er geen brood bezorgd. Ik herinner me dat enkele jongemannen met zogezegde ski's naar Büllingen zijn geschuifeld om daar een rugzak brood te gaan halen. In feite waren die ski's dunne planken van de zagerij waar toevallig een krul in zat omdat de dennenboom op die plek ook een kromming had. En die planken werden dan met riemen onder de bottines gebonden. Die skiënde 'broodkoeriers' waren ex-soldaten die tijdens de oorlog bij het Duitse leger gedwongen waren ingelijfd, en daar hadden ze toen voor het eerst ski's gezien."
Leyens: «Het hielp dat je de oorlog had meegemaakt, dan kon je tegen een stootje. Ik was tijdens de oorlog op internaat in Montenau en mijn ouders gaven me net genoeg geld mee voor de trein, twee keer veertien frank en verder geen zakgeld. En dan kon ik niet aan de verleiding weerstaan om tijdens de week twee appels te kopen van één frank, en dan had ik geen veertien frank meer voor dat treinkaartje, en dan zat er niks anders op dan naar huis te stappen, achtentwintig kilometer, zes uur marschieren! De eerste achttien kilometer over verharde weg, de laatste tien kilometer vanaf Sourbrodt ging ik dwars door het woud, op mijn eentje, met alleen maar het kraken van de takken en de sneeuw onder mijn voeten.
Soms was er helemaal geen geld voor de treinreis, dan wekte mijn vader mij maandagnacht om halfdrie uit mijn bed, dan at ik een snee brood met een glas water en dan was het weer zes uur marcheren naar Montenau. Als ik dat nu aan jonge mensen vertel, dan bekijken ze mij alsof ik een zot of een holbewoner ben."
Nog een beeld uit Bastogne. Men moest zich letterlijk uit de sneeuw graven
Iglo's voor de kinderen
Le Soir 10 februari: De vier gehuchten van Manderfeld wachten nog steeds op hun bevrijding, de bulldozer die daar beloofd werd, is nog steeds niet aangekomen. Er worden nu ook zeer lage nachttemperaturen gemeten, in Libramont vroor het min 22 aan de grond. In de meeste dorpen komt het verkeer weer op gang, maar auto's en vrachtwagens kunnen mekaar zeer moeilijk kruisen op de smalle wegen die zijn uitgegraven in de sneeuw. Het bezoek van minister Segers aan de getroffen gebieden is afgelast vanwege de slechte staat van alle hoofdwegen.
Schür: "In de Oostkantons zijn de gehuchten rond Manderfeld het langst onbereikbaar geweest. Hier in Lanzerath zitten we op 627 meter en hier zaten we acht dagen in isolement. De verbinding met de buitenwereld is pas hersteld toen een aannemer van Büllingen tot hier is geraakt met zijn bulldozer. Acht dagen isolement, voor België is dat toch een record."
Pemmers:«Zonder eten zijn we niet gevallen. De mensen hier hadden altijd wat voorraad in huis voor het geval ze geïsoleerd zouden zitten. In de kelder bewaarde je aardappelen, stenen potten met zuurkool, weckpotten met ingemaakte groenten en fruit, en soms ook een tonnetje gezouten haring. En iedereen had wel bloem en meel in huis om brood te bakken. Wie dat niet had, pakte wat gerst van de varkens, daarmee kon je gerstebrood bakken. Of je nam wat haver van de paarden, dan had je van die dikke haverkoeken.”
Wirtz: "De kinderen amuseerden zich natuurlijk in zo'n winter. Met sneeuwmannen en sneeuwballengevechten, maar ook met het uitgraven van holen in de grote bergen sneeuw die langs de straten lagen opgetast. Dat waren hun iglo's, zegden ze!"
Leyens: «Er is toen dagen en dagen met de slee gerutscht. Mijn vader was schrijnwerker en alle gezinnen in Küchelscheid hebben bij hem een simpele houten slee laten maken, en dan gingen de kinderen op een heuvel buiten het dorp staan en dan kwamen ze zo door de hoofdstraat en tussen de huizen gevlogen. Sleeën waren de enige die je toen in de gracht zag rijden, auto's of camions waren nergens te zien."
Zo moest er vaak sneeuw geruimd worden. Met een eg getrokken door boerenpaarden. Nidrum 1953 (Foto: fam. Wiesemes)
Croë: «Voor camionneurs was het niet te doen op de weg. Want nergens werd zand of zout gestrooid. Dus ook die geruimde wegen bleven spekgladde banen."
Esser: «Voor de smokkelaars kwamen die pakken sneeuw en die omgevallen bomen ook ongelegen omdat ze de grens niet meer over geraakten. Omdat wij nogal dicht bij de grens woonden, kwamen ze hier aan de deur kloppen of ze hun koffiebonen in onze schuur mochten verstoppen. Maar mijn man wilde dat niet, en later zagen we dat ze hun koffie in een hol hadden verstopt, een 'grot' die ze hadden uitgegraven in een sneeuwberg."
Pemmers: «Met die sneeuw was sterven en begraven worden wel een probleem. Normaal werd die kist getrokken door paard en kar, maar bij sneeuw kwam er achter dat paard zo'n driehoek van balken en planken, en die kist werd op dat plankier gebonden. De familie stapte en strompelde achter dat gehobbel aan; het was anderhalve kilometer tot aan het kerkhof."
Wirtz: "Bij ons werd de kist door dragers naar de kerk gebracht. Maar als ze in volle winter en met sneeuw van een afgelegen boerderij moesten komen,, dan was dat een zware karwei om zo'n kist over die gladde wegen te dragen. De mensen die dichtbij een kruispunt woonden, zetten dan stoelen langs de weg zodat de lijkdragers de kist konden neerzetten en toch even rust konden nemen."
Schür: "In ons dorp hebben we in 1953 niemand moeten begraven. Maar we hebben wel met andere doden in ons hoofd gezeten. Want via de radio wisten wij dat er -tijdens de sneeuwstorm- een verschrikkelijke stormvloed had plaatsgevonden in Holland. Dat daar toen zoveel boerenmensen zijn verdronken in die polders, dat zijn de mensen hier niet vergeten." ( zie ook de andere reportage over die watersnoodramp, jh)
Sommige dorpen waren pas bereikbaar nadat bulldozers werden ingezet. De sneeuwwallen waren hoger dan de nieuwsgierige passanten. Nadrin 3/2/53 (foto Edmond Dauchot)
Herten op de mesthoop
Le Soir 19 februari: Achttien dagen na de zware sneeuwstorm doet de dooi zijn langzame intrede. De grote wegen zijn weer open, maar de secundaire wegen blijven zeer moeilijk berijdbaar vanwege de vele gladde bulten en kuilen. Men schat dat er nog steeds vijftig miljoen kubieke meter sneeuw ligt op de Hoge Venen. De houtvesters en jachtwachters zijn begonnen met het ramen van de schade aan het bos- en wildbestand.
Wirtz: "In het woud zijn heel veel dennenkruinen afgebroken toen de dooi kwam en toen die natte sneeuw op de takken begon te wegen. Ook in het dorp zijn toen schuren en huisdaken ingestort. Inzoverre zelfs dat de mensen na 1953 andere daken zijn gaan bouwen op de huizen. Steilere daken zijn het geworden zodat de pakken sneeuw sneller omlaag schuiven en niet op het gebinte blijven wegen."
Leyens: «Ik werkte als secretaris op de houtvesterij van Eupen en in die winter van '53 is er 12O.OOO kubieke meter bos verloren gegaan, omgeblazen door de wind, of gekraakt onder het gewicht van de sneeuw. Dat zijn meerdere honderdduizenden bomen, alleen al in de regio Eupen! Wat de schade nog groter maakte, was de honger van het wild. Bij gebrek aan voedsel vraten ze de schors van de bomen, en zo kwam de zwam in dat hout en gingen die bomen er ook aan. Veel wild is dat jaar van de honger omgekomen. “
Esser: «Tegen valavond zagen wij het wild uit het bos komen; de everzwijnen, herten en reeën kwamen op ons erf naar voedsel zoeken. In het dorp zegden ze: strooi toch stro in het bos, geef dat wild toch iets te eten! Maar het was pas oorlog geweest, wij waren arm, dat stro was nodig op de boerderij, wij gingen zomaar geen stro in het bos strooien! En dan zagen we de herten tot aan de mesthoop komen en daar trokken ze de stropijlen vantussen de stront om toch maar iéts te kunnen eten!"
Wirtz: "1953 was een extreem zware winter met al die sneeuw, maar in 1954 hadden we ook prijs! Toen heeft het in januari en februari weken aan een stuk gevroren, 's nachts én overdag. In de nacht zakte het kwik zelfs naar min twintig, ja, de boeren en de grafdelvers hebben het geweten: de vorst zat tot tachtig centimeter diep in de ondergrond."
Pemmers: «Er is veel veranderd sinds 1953, maar het gebeurt nog regelmatig dat de stroom hier uitvalt. Met die storm van vorige week zaten we hier twee dagen zonder; ik had geen tv en geen centrale verwarming meer; ik ben van de kou en de miserie twee dagen in mijn bed gebleven."
Croë: «Ik ben benieuwd of we dit jaar veel sneeuw zullen krijgen. Ik ben 79, ik heb veel sneeuwwinters gekend, maar zo'n massa als toen, dat heb ik in mijn leven nooit meer gezien."
NAWOORD: In het artikel is sprake van een geïsoleerd gehucht “Reinartzhof” waar 27 inwoners geïsoleerd zaten. Omdat het zoveel moeite kostte om die inwoners te bereiken en te bevoorraden, is nadien beslist om het gehucht te doen verdwijnen. De drie boerderijen werden onteigend en de bewoners moesten verhuizen. Hier lees je meer over dat “spookdorp” in de bossen.
De postbodes te paard, die geraakten nog door de sneeuw. Nidrum 1953 (Foto: fam. Wiesemes)
De overstromingsramp van 1953 (2) : de Belgische redders vanuit de lucht
Armand Vervoort (i) en Gérard Tremerie (r) - archief G. Tremerie
"Nooit eerder hadden wij reddingen gedaan. Wij hadden alleen met postzakken gevlogen."
Lees ook deel 1 : de kinderen die in de stormnacht op de wereld kwamen
In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 beukte een orkaan tegen de Noordzeekust. Het was ook springtij en zo werden miljarden kubieke meters water opgestuwd. Men sprak van "een lawine van water: de zee ging scheef staan tegen de kust". Wat volgde was een stormramp en een ongeziene watersnood. In België bleef de balans op achtentwintig doden, in Nederland waren er 1836 slachtoffers. Die tol was zeker zwaarder geweest zonder de vissers en schippers die te hulp schoten. Maar ook vanuit de lucht kwam een reddende hand.
Armand Vervoort , Gérard Tremerie en Alphonse Dhondt waren de eerste helicopterpiloten van België en zij zetten koers naar Nederland. In een tijd dat haast niemand wist wat een hefschroefvliegtuig was. En op een moment dat het woord evacuatie nog moest uitgevonden worden.
Humo januari 2012 (c) Jan Hertoghs
Vervoort (nu 97) : "Samen met Gérard Tremerie was ik de eerste helicopterpiloot van België: hij is van Manage (Henegouwen) en ik ben nen ajoin van Aalst. Onze opleiding hebben we in Amerika gekregen. In 1950 hebben ze ons drie weken naar Buffalo in de staat New York gestuurd en op de fabrieksterreinen van de Bell Aircraft Corporation hebben wij de Bell-47 leren besturen. Wij waren allebei ervaren piloten. Ik had met alle types van kleinere vliegtuigen gevlogen, ik was ook instructeur en deed acrobatie, maar zo'n helicopter besturen, dat is toch nog wat anders, dat is van nul af beginnen. Zeker zo'n helicopter van de vroege jaren vijftig, die was in feite onbetrouwbaar. Zoals die Bell-47, dat was une sale bête! Ze had nukken, ze deed haar eigen goesting. Ge waart de piloot en toch waart ge niet honderd procent meester van dat ding.
En rechtdoor vliegen is gemakkelijk, maar hovering, dat stationair hangen, dat was lastig. En nog veel lastiger was het oefenen van motorpech. Dan moest ge in de lucht uw motor afzetten, en u laten vallen in auto-rotatie. Dat wil zeggen dat ge de hoofdrotor en de staartrotor in zijn vrijloop zet, en al vallende houdt ge die rotoren draaiende en zo kunt ge dan een glijvlucht, allez een steile glijvlucht inzetten om te landen. Maar! Op één à drie meter van de begane grond moet ge aan de hendel trekken die de richting van de rotorbladen verandert. Op die manier remt ge uw snelheid af en kunt ge dat spel aan de grond zetten. Maar ge hebt slechts één kans, hé! Trekt ge te laat aan die hendel, dan smasht ge op de grond. Trekt ge te vroeg aan die hendel, dan remt dat ding te vroeg af, ge kantelt opzij en ge stuikt ook op de grond.
De Bell-helicopters werden ingezet om post te brengen naar de Kempen, Limburg en de Ardennen (Retroscoop.com)
Humo: Werd u tijdens die opleiding getraind op search and rescue?
Vervoort: "Helemaal niet. Voor wij naar Holland vlogen, hadden wij geen enkele redding gedaan. Wij hadden alleen maar met postzakken gevlogen; die drie Bell-helicopters van Sabena werden ingezet voor de Belgische posterijen. Normaal ging alle post met de trein, maar er waren blinde vlekken in België waar de trein niet zo vaak kwam per dag, dat was in delen van Limburg, de Kempen en de Ardennen, en die hiaten moesten wij opvullen met de helicopter. Elke dag vlogen we 420 km langs een vaste route: Brussel- Libramont - Luik- Tongeren - Hasselt - Beringen - Diest - Herentals - Turnhout - Antwerpen en terug naar Brussel. Dat was gewone post, dat waren geen express-brieven, en toch vlogen wij tegen de klok. In elk van die héliports stonden wij maar twee minuten aan de grond, zakken afladen, nieuwe post inladen, en weer weg."
Humo: De ramp heeft zich vooral op 1 februari voltrokken. Maar u bent pas op 2 februari vertrokken.
Vervoort: «Ja, en ik herinner me die maandag nog goed omdat ik eerst nog naar een boerengat in de buurt van Eupen ben moeten vliegen. In Holland was die orkaan geweest, maar in de Ardennen had diezelfde orkaan voor een zware sneeuwstorm gezorgd (zie volgende aflevering). Sabena had bericht gekregen dat daar een vrouw moest bevallen, ze zat afgesloten van de buitenwereld, en ze moest naar het moederhuis. Ik zie mij daar nog vliegen, eerst moest ik een sjampetter opladen in Eupen en hij zou dat gehucht wijzen, het lag ergens midden in de bossen en in de sneeuw. En wij landden bij die madame in den hof, en zij komt naar buiten: "Hela! Wat komde gij doen in mijnen hof?!" Eh, wij komen u helpen, mevrouw. Niks te helpen, ik kan die kleine wel alleen ter wereld brengen, ik heb m'n familie hier, dus stap het maar af! Ja, jong, die was dus eerder bang van dat tuig dan van thuis te bevallen. Ik ben helemaal voor niks naar Eupen gevlogen.Ok, dan maar naar Holland. Wat daar stond te gebeuren, wist ik niet. Mijn chef-operations was meneer Vernieuwe en die had mij gezegd: "Armand, ge gaat daar naartoe. En wat ge ook doet, van mij moogt ge in alle omstandigheden vliegen. Maar komt later niet jammeren aan mijne bureau, 't is allemaal op uw eigen risico." Carte blanche dus, maar ook wel systeem-paraplu, als er iets misliep, zou het allemaal mijn eigen schuld zijn.
En dan ben ik in Luik gaan tanken en vandaar ben ik naar de Nederlandse luchtmachtbasis van Woensdrecht gevlogen. En nu hebben ze gps en een automatische piloot, nu kunnen ze met visibiliteit nul vliegen, maar wij moesten altijd op zicht vliegen. En met de Michelinkaart op onze knieën, dat was onze gps. Het was al pikdonker toen ik op die basis landde, en dat was al het eerste risico dat ik nam, want 's nachts landen, dat was verboden omdat ge dan geen zicht hebt.
De volgende morgen ben ik opgestegen en heb ik voor het eerst die overstromingen gezien. Dat was niet te geloven. Dat was overal zee, zover ik kon zien. En overal zaten mensen op de daken, tenminste, als er nog huizen stonden. Binnen drie jaar ben ik honderd jaar, wel, ik mag honderdduizend jaar worden, dan nog zal ik het nooit vergeten."
Op het dak (rechts) kruipen mensen uit het raam voor de naderende reddingsboot. Midden achteraan: overlevenden zitten schrijlings op de nok van het dak.
Wild paard
"Mensen van die daken halen, dat was niet gemakkelijk. Zo'n Bell heeft onderaan twee skids (=metalen 'ski's' als landingsgestel) en dan lieten we ons tot vlak tegen dat dak zakken, en met één skid leunden we tegen de pannen of in de dakgoot om wat houvast en evenwicht te hebben, en voor de rest deden wij hovering zodat de mensen konden instappen. Ik deed ook elke keer teken dat ze met hun kop moesten oppassen voor de grote schroef, want ja, die mensen hadden nog nooit een helicopter gezien. En stram en stijf dat ze waren, die zaten soms al zesendertig of achtenveertig uren op hun dak, die waren ziek van de kou, totaal verloren."
Humo: Jullie hadden geen winch?!
Vervoort: «Nee. Een Sikorsky had dat, maar de Bell-47 had dat niet. En dus moesten wij meer risico nemen, want dat was natuurlijk heel moeilijk om zo dicht bij dat dak te vliegen zonder dat dak te raken." Humo: Had u dat al eerder gedaan, zo tegen een dak "leunen"?
Vervoort: «Nee, wij hebben dat al doende moeten leren. Maar allez, wij waren goeie piloten, en die hovering" hadden ze ons wel eindeloos doen oefenen.
Humo: Gingen die dakpannen niet vliegen door de luchtverplaatsing?
Vervoort: «Neenee, dat waren lichte toestellen hé. Maar wat ons meest parten speelde was de wind, die drie eerste dagen bleef de wind op veertig knopen, dat is goed zeventig km per uur. Dus het was moeilijk om stabiel te blijven in die hovering. Dat is alsof ge op een wild paard zit, dat snokt en steigert en bonkt, en ge moet die machine echt bedwingen hé. Ge zocht dan ook de luwe kant van dat huis om toch wat uit de wind te zijn. Ik heb ook mensen opgepikt die in een boot zaten, zo'n smalle schuit die op dat water dreef en die ze hadden vastgemaakt aan hun huis dat ingestort was. Dan hoverde ik vlak boven het water om ze te laten instappen.
Een Britse Sikorsky-helicopter landt met zijn geëvacueerden op de openbare weg, een hoger gelegen dijk die droog gebleven is. . Vandaar werden de overlevenden met vrachtwagens naar een veilig onderkomen gebracht. (uit “De ramp, een reconstructie” 1992 - Kees Slager)
Per keer kon ik twee personen oppikken. En ik vloog dan direct naar Woensdrecht om ze daar af te zetten. Op een goeie vijf minuten was ik daar en er was zelfs geen tijd voor een shake hand met die geredde mensen, wij gingen direct weer de lucht in. En we stopten als de avond viel, dan sliepen we daar in barakken zoals de andere militairen van de luchtmacht.
Die basis van Woensdrecht, dat was een hannekesnest. Er was amper leiding, het was pure improvisatie. Er is daar ook een dode gevallen. Een Hollandse soldaat die aan het helpen was, en die met zijn kop tegen de staartrotor van een Engelse helicopter is gelopen. Op slag dood. Ik zei het u al: de mensen waren niet vertrouwd met zo'n hefschroefvliegtuig.
Op dinsdag is er ook nog een derde Sabena-helicopter gearriveerd. En die piloot was Alphonse Dhondt, maar die mens is al dood intussen. Er zijn ook Franse, Engelse en Amerikaanse piloten met hun helicopters toegekomen. De Amerikanen hadden ook watervliegtuigen bij, die konden landen dichtbij de overstroomde huizen (watervliegtuigen bleken toch minder nuttig te zijn omdat hun drijvers vaak lek stootten tegen ronddrijvend wrakhout en andere obstakels,jh).
Niet stoefen
Vervoort: «Van de derde tot de zesde februari hebben wij van 's morgens tot 's avonds gevlogen. En per uur kondt ge zo acht of tien mensen redden. Ik heb er geen gedacht van hoeveel mensen wij gered hebben, want ik heb ook met eten en medicamenten gevlogen. (ik laat hem een oud fotoboek zien, met foto's van kadavers van koeien en paarden die tussen bussels hooi en stro drijven, en met mensen die met een laken zitten te zwaaien op een dak, hij schudt het hoofd) Dat heb ik allemaal gezien en toch kan ik amper geloven dat ik daar bij was en dat ik dat meegemaakt heb. Zo'n grote catastrofe, dat is iets dat ge u eigenlijk niet wilt herinneren, jong. En ze zeggen mij dat ik fier moet zijn. Maar ik ben daar niet fier op. Ik heb gewoon mijn plicht gedaan. Als mensen riskeren van te verdrinken, dan moet ge toch proberen van ze te redden. Dat is toch normaal?! Eh bien voila, dan moet ik daar ook niet over stoefen."
De Belgische heli-piloten brachten ook voedsel en medicamenten naar dorpen die van de buitenwereld waren afgesloten. (uit “De ramp, een reconstructie” 1992 - Kees Slager)
Een verzorgster van het rusthuis komt binnen met de weegschaal. Ah le vieux commandant, we gaan uw gewicht nog eens nemen. En zo heffen we hem uit de zetel, de gezagvoerder met de twintigduizend vlieguren op z'n naam. En hij beseft die afhankelijkheid ook, want kort na haar bezoek zal hij schamper opmerken dat de begane grond nu al gevaarlijk voor hem is "ge zijt piloot geweest van helicopters en vliegtuigen, niks kon u deren en nu moet ik dat verdragen, dat ik al twee keer op mijn gezicht ben gevallen. Hier! Op de vloer van deze kamer!"
Ik zeg dat ik zijn compagnon, de nu 90-jarige Gérard Tremerie, zou willen spreken. Ja, dat moet ik zeker proberen. Want Gérard was de hoofdpiloot, hij heeft alle heli-piloten van Sabena opgeleid, en 't is ne fameuzen tiep, want in 1958 heeft hij twee luchtverkeersleiders gered uit de brandende controletoren van Zaventem, "en dat bij nacht hé!" Er is maar één ding, "hij is nogal teruggetrokken, hij doet voor weinig mensen open."
Wind op kop
Ik bel aan bij het huis van Tremerie en zeg dat ik in die éne stormnacht geboren ben. Enfant de la tempête, het draagt z'n goedkeuring, ik mag binnenkomen.
In België is Tremerie weinig bekend. Maar in Nederland staat zijn naam in haast elk naslagwerk over de watersnood. Hij was dan ook de alleréérste helicopterpiloot die in die overstroomde gebieden is geland.
Humo: Had u als piloot die storm zien aankomen?
Tremerie: «Zeker! Want zaterdag 31 januari had ik nog mijn postroute gedaan, en 's namiddags was er al zo'n stormachtige noordwestenwind dat ik blij was dat ik thuis was, en ook blij dat ik zondag niet moest werken. Maar op die zondagmiddag kreeg ik telefoon: de vertegenwoordiger van Sabena op Schiphol had onze chef opgebeld en gezegd dat er in de buurt van Middelharnis een twaalftal mensen vast zaten op een dijk en die dijk kon elk moment wegspoelen. En of er geen helicopter kon komen om die mensen in veiligheid te brengen?
Maar die wind! We hebben met z'n vieren moeten sleuren om de poort van de loods open te krijgen, zo verschrikkelijk waren die rukwinden met dan ook nog stortvlagen. Ik begrijp nog altijd niet hoe ik in Evere ben kunnen opstijgen en dat ik de Hollandse grens heb gehaald. Met zo'n ontij vliegen, dat was off limits, je dreef dat ding boven zijn krachten. En heel de tijd was er die gruwelijke wind op kop, en maar schudden en zwaaien, stampen en steigeren. Normaal ben ik op minder dan een half uur in Antwerpen, nu duurde dat meer dan een uur. En ondertussen waren er ook vlagen van sneeuw en smeltende sneeuw.
Humo: Koekte die sneeuw niet bijeen op die koepel van de cockpit?
Tremerie: «Gelukkig niet, want zo'n mengeling van regen en sneeuw kan aanvriezen, en dan zou mijn zicht nul zijn geweest. Ik heb ook op het punt gestaan van terug te vliegen, toen het radiocontact met het vliegveld van Deurne wegviel, toen was ik nog niet eens aan de Hollandse grens, toen was ik amper ten noorden van Antwerpen. Maar daar zag ik al zulke grote overstromingen dat ik toch maar verder ben gevlogen.
De Bell-helicopter: in de kleine stuurcabine werden soms drie geëvacueerden en hun bagage meegenomen: “Volledig tegen de regels om zo zwaar geladen te zijn, maar we deden het toch, die mensen waren compleet uitgeput. “ (Archief G. Tremerie)
Want dat was wel duidelijk, het ging niet om twaalf mensen, het ging om honderden mensen die op huizen, schuren, gebintes of puinhopen stonden zonder enig verweer tegen de kou, de regen en de sneeuw. Une terrible catastrophe! Ik zag zelfs mensen in bomen zitten! En zover mijn oog kon zien, was er alleen maar water, water, water. Ik zag ook geen enkele mogelijkheid om te landen.
Ik heb gevlogen tot ik iets zag, en tegen valavond vond ik een stuk weg dat wat omhoogging bij een brug, en op die droge plek ben ik geland. Vanuit de lucht had ik niemand gezien, maar toen ik geland was, hoorde ik overal om hulp roepen en vanuit een paar huizen kwamen ze met bootjes naar mij geroeid.
En zo kwam ik te weten dat ik op Goeree-Overflakkee was geland, dichtbij het dorp Oude Tonge. Een dorp dat heel zwaar getroffen was, later heb ik gehoord dat daar driehonderd doden waren. Ik versta Nederlands, dat had ik op school geleerd, en ik weet nog wat ze mij toeriepen: "Het vasteland is ons vergeten! U bent de eerste die hier komt! Er is toch iémand die aan ons denkt! " En dat het toch wel vreemd was dat een Belg hen moest komen helpen, "wààr zitten al onze mensen?!"
Bron: het foto-naslagwerk “De Watersnood” (2010) Kees Slager
Kerkmuziek
Kort daarna hebben ze mij bij de burgemeester gebracht, en ik vroeg of ik mijn baas mocht bellen om te zeggen waar ik was. Die mens liep gelijk rood aan: “ telefoon, telefoon! alles is hier kapot, wij hebben al sinds zaterdagavond geen enkele verbinding meer”. Er was daar wel een radio-amateur en die zond voortdurend berichten uit, maar die kreeg nergens antwoord. Het kwam hierop neer dat het zondag was en dat alle bestuurlijke instanties gewoon gesloten waren.
Dat zei die amateur ook, hij had soms wel Radio Hilversum te kunnen ontvangen, maar nieuws was er niet geweest, hij hoorde alleen maar zondagse kerkmuziek. (Noot: er zijn die dag verschillende nieuwsbulletins op de radio geweest, maar over het "verdronken" Goeree-Overflakkee is geen woord gezegd omdat alle communicatie met het eiland was weggevallen,jh)
Enfin, er zat maar één ding op, ik moest daar blijven en die burgemeester zou 's nachts een uitvoerig verslag schrijven en dat moest ik dan 's morgens naar Woensdrecht brengen.
Ik ben dan nog terug gaan kijken naar mijn helicopter, het water was aan het stijgen, en ik kon alleen maar hopen dat het niet tot aan de carter zou komen. In het omringende water heb ik ook verdronken mensen zien drijven. En terwijl het zo hevig waaide, kon ik nog altijd in de verte mensen om hulp horen roepen. Ge moet u dat voorstellen, die riepen dus boven die storm uit. Zo penibel dat het daar was. Om te slapen heb ik in de kerk een abri gekregen, een plaatsje onder het gebinte van de klokkentoren. Tot 's nachts hebben die radio-amateur en ik nog geprobeerd om zelfs lijnvliegtuigen op de hoogte te brengen van het lot van dat dorp, maar niks lukte.
Toen ik 's morgens opstond lag daar al een heel pak enveloppen klaar. Van de burgemeester was er de grootste envelop, en op die omslag stond in grote letters "ZEER DRINGEND OPENEN EN TELEFONEEREN". En voorts waren er heel veel mensen die 's nachts een brief hadden geschreven om hun familie op de hoogte te brengen, wie er nog leefde, en wie er dood was. En ik zie die ene man nog voor mij, hij had niet genoeg postzegels om zijn brief te frankeren, en met potlood had hij d'rbij geschreven: "Ik afzender, erken dat ik aan de Nederlandse Posterijen nog 5 cent verschuldigd ben." Als Belg verschiet ge van zoveel burgerzin. En eigenlijk was dat toch erg dat die arme sukkelaar temidden van zo'n ramp nog deemoedig wilde toegeven dat hij in het krijt stond bij zijn posterijen."
Het spoedtelegram dat verstuurd is nadat Gérard Tremerie de noodkreet van de burgemeester van Oude Tonge had overgebracht. Bron: foto-naslagwerk “De Watersnood” (2010) Kees Slager
Zwaaien met lakens
"In de vroege maandagmorgen ben ik dan in Woensdrecht geland. En daar stonden ze niet begrijpend te kijken, tiens, een Belgische burgerhelicopter, wat komt die hier doen? En ik was evenzeer verbaasd, want er waren daar reservisten van de luchtmacht en die waren gewoon hun dagelijkse ochtend-drill aan het doen. Alsof er niks gebeurd was!
Mijn dringend postpakket is bij de officier afgegeven en zo is dan uiteindelijk de Commissaris van de Koningin en het Ministerie van Binnenlandse Zaken ingelicht. En van dan af ben ik continu beginnen vliegen. Op de heenvlucht laadde ik drinkwater en medicamenten, en op de terugvlucht bracht ik overlevenden mee. Die waren er genoeg, van overal zwaaiden ze naar ons. Vanuit ramen en vanop daken, met lakens en met kledingstukken.
Als het dak er stevig genoeg uitzag, kon je met één "ski" van je landingsgestel wat steun zoeken tegen het gebinte, en dan kon je zo de mensen laten instappen. Eén keer stond er van een huis alleen nog maar een vloer en een muur recht, de rest was allemaal water, en dan heb ik op die ene muur steun gezocht met m'n twee skids en de mensen klommen dan op die muur en zo in de helicopter."
Humo: Was u niet bang dat zo'n muur of dakrand het zou begeven?
Tremerie: «Zeker wel, maar als ge de enige zijt die de mensen kunt redden, ja, dan doet ge zo'n dingen hé. Het is niet voor te stellen waar de mensen overal zaten en beschutting zochten. Ik heb huizen gezien, waarvan het dak weggedreven was, en waarvan alleen nog de muren en de trap overeind stonden. Twee of drie tredes, meer van die trap stak er niet boven water. Wel, de mensen zaten en sliepen op die drie tredes, dat was in de openlucht hé, en zo hadden ze soms al twee dagen en twee nachten in die bittere koude doorgebracht.
Het was niet altijd bij de huizen te doen, vaak zaten de mensen bijeen op een stuk duin en was er toch nog plaats om te landen. Ik kon twee passagiers meenemen, maar meestal werden het er drie. En die derde kroop dan op de knieën van die twee andere. Drie was eigenlijk te zwaar, dat was ook tegen de regels, maar ge kunt niet anders, die mensen waren uitgeput. Ik vloog ze naar een staketsel in de buurt van Zierikzee, en vandaar werden ze met grotere boten in veiligheid gebracht."
Humo: Het ene moment vrezen die mensen nog voor hun leven, het andere moment tilt u ze uit hun ellende. Wat zegden ze dan tegen u?
Tremerie: «Het kan zijn dat ze iets gezegd hebben, maar in zo'n cabine is zoveel lawaai dat ge dat niet hoort. Ik was ook altijd zeer op m'n hoede dat ze veilig zouden uitstappen, want eens op de begane grond wilden die mensen zo gauw mogelijk d'ruit, en ik heb dan altijd heel hard moeten roepen en teken doen dat ze zich moesten bukken voor de grote rotor, en oppassen voor die staartrotor. Ge wilt dat niet, een mens redden en hem dan zien verongelukken door diezelfde schroeven.
Eén man zal ik niet gauw vergeten. Hij was ziek en hij trok een heel grote en zware valies mee naar binnen. En terwijl ik de deur dicht trek, steekt een hond zijn snuit tegen die koepel. Mag hij mee, vroeg die man. Maar dat kon niet, we waren al te zwaar geladen met een andere passagier die ook bagage bij zich had. Ik steeg op en ik zag hoe die hond ons met z'n blik volgde, en toen ik zwenkte, sprong die in het water om ons achter na te zwemmen. Zo trouw dat die beesten zijn! Hij kan het onmogelijk gehaald hebben want pas twintig kilometer verder was er droog land.
Amerikaanse amfibievoertuigen nadat ze overlevenden van de daken en uit geïsoleerde dorpen hebben weggehaald. (weekblad De Post febr 1953)
Boom met mensen
«Eén keer stonden paracommando's te zwaaien op een hogergelegen weg, ergens ten noorden van Zierikzee. Ik landde en zij wezen een huis in het water, daar hadden de mensen een gat in hun pannendak gemaakt en vanop het gebinte riepen ze om hulp. Zij wilden met hun boot erheen, maar vlakbij was een dijk gebroken en die stroming stond pal op dat huis, en daardoor konden zij niet aanleggen bij dat huis. Gelukkig hadden ze een heel lange kabel in hun boot. Het ene eind hebben we aan de boot vastgemaakt en met het andere eind ben ik naar dat huis gevlogen, en in hovering heb ik die kabel aan die mensen gegeven. Zo kwam er een vaste lijn tussen de oever, die boot en dat huis, en zo zijn die mensen gered.
Veel later moesten wij niet komen, want toen ik daar de volgende morgen voorbijvloog, was dat huis compleet verzwolgen.
Humo: Armand Vervoort zei dat die "hovering" heel moeilijk was met dat slechte weer.
Tremerie: «Dat klopt. Dat is als een vlieger die ge oplaat in de lucht, die heli schudt en snokt en zwenkt. En dat slechte weer en die wind zijn nog gebleven tot woensdag 4 februari. En daar kan ik u iets vertellen! Ge weet dat de Nederlanders maar één helicopter hadden, dat was een Sikorsky-51 van de Nederlandse Marine, die had een gemotoriseerde winch en die was dus heel geschikt om mensen op te pikken. Wel, ik heb met die twee piloten gesproken, en ze vertelden me dat ze op zondag 1 februari, dat was de dag dat ik arriveerde, géén toelating hadden gekregen om te vliegen omdat het weer zo slecht was. En dat is wel straf, want zo'n Sikorsky is veel groter en veel sterker dan zo'n kleine Bell. Ook op maandag 2 februari werd het hen nog altijd verboden, maar toen hebben die twee hun voeten eraan geveegd en tegen alle bevel in zijn ze toch vertrokken!
Ook de Engelsen zijn met Sikorsky's naar daar gekomen. De Amerikanen hadden Bell-helicopters zoals wij; zij kwamen van de US Air Force-bases in Duitsland en die mannen waren super-geëquipeerd. In de oorlog heb ik dat ook gezien. (Tremerie zat 4 jaar bij het verzet, waaronder 3 jaar bij het Franse maquis,jh) Het duurt altijd wat eer de Amerikanen er zijn, maar àls ze er zijn, dan hebben ze de hele bazar bij. Nu ook. Ze hadden trucks, jeeps, bulldozers, pontons, amfibievoertuigen, rubberboten, watervliegtuigen, àlles! Zelfs een hospitaalschip!
In Woensdrecht hadden die een basis binnen de basis, die waren compleet autonoom. Wij hingen van de Nederlanders af. En dat waren echte ambtenaren. Op een bepaald moment stond mijn brandstof heel laag, ik kon de basis niet meer bereiken en ze zijn me toen jerrycans komen brengen met een boot. Dat waren twee jerrycans van twintig liter, en ik moest een papier tekenen dat ik die veertig liter ontvangen had. Daar kon ik als Belg niet bij: hoe je temidden van zo'n ramp nog paperassen kan blijven invullen! Maar ja, hun inventaire moest kloppen zeker?!
Maar dàt moet ik de Hollanders wel nageven, ik heb nauwelijks paniek gezien, die mensen wisten altijd hun kalmte te bewaren. Die zijn gedisciplineerder dan een Belg, die hebben zowat het flegma van de Britten. Eén keer heb ik een heel gezin in een boom zien zitten. Die hadden met dekens en planken een soort nest tussen de takken gemaakt en daar hadden ze zich geïnstalleerd. Ze konden daar zelfs eten en drank warm maken met een spiritusvuurtje. Ik kon natuurlijk niet landen in die boom of op dat water, ik heb m'n duim opgestoken en gebaren gemaakt dat ik een boot en hulp voor hen zou zoeken. Maar ze hebben daar toch nog een nacht in die boom moeten zitten."
Na enkele weken konden sommige bewoners terugkeren naar hun woonst. De aangespoelde bussels stro en stukken wrakhout liggen nog tot tegen deze boerderij. Maar er hangt toch al witte was te drogen. Bron: het foto-naslagwerk “De Watersnood” (2010) Kees Slager
Decoratie
"Ik heb ook een hoogzwangere vrouw en haar man opgepikt. Dat was heel dringend want die mevrouw had al haar weeën, en in Woensdrecht stond de ambulance klaar, maar ze is niet in het moederhuis geraakt, ze is onderweg bevallen. Die mensen hebben nog jàren een kaartje geschreven op de geboortedag van hun zoon: hij is nu één jaar, hij is nu twee jaar, en hij groeit goed en hij is gezond, en dat is aan u te danken. Zo erkentelijk dat ze dat schreven!
Ik heb ook met koningin Juliana gevlogen. Ze wilde een overzicht hebben van het rampgebied en ik moest haar een aantal geteisterde dorpen vanuit de lucht laten zien. Hier en daar zijn we ook geland om met overlevenden te kunnen spreken. Ik heb haar zelfs op twee verschillende dagen rondgevlogen, en telkens was ze alleen. Ze was onopvallend gekleed om zo gewoon mogelijk met de mensen te kunnen spreken. U vindt dat bijzonder, die koningin, ik heb er niet bij stil gestaan, het was tussen het werk door, voor mij was ze un passager comme un autre.
Humo: Hoeveel mensen zijn gered door de drie Sabena-piloten?
Tremerie: «Niet iedereen die gered werd, was in levensgevaar. Maar van zowat honderd mensen kan ik gerust zeggen dat wij ze gered hebben van de dood. En alle helicopters samen hebben duizend mensen gered die in levensgevaar verkeerden.”
Humo: Tot wanneer zijn jullie gebleven?
Tremerie: «Wij zijn op zaterdag 7 februari weer naar Brussel gevlogen. En die dag zelf hebben wij onze postronde weer hervat."
Een Belgische heli-piloot wordt welkom geheten door prins Bernhard. Voor een officieel dankbetoon mocht er vlakbij het paleis Soestdijk geland worden.
De negentigjarige Tremerie komt moeizaam uit de zetel om een fotoalbum te zoeken. En je merkt het, de man die zo koelbloedig zijn nukkige helicopter wist aan te leggen tegen de rand van een dak, heeft nu last van evenwichtsstoornissen. Hij laat een groepsfoto zien, ze is gedateerd op 17 februari 1953: "Toen zijn we met alle helicopterpiloten van alle betrokken landen gehuldigd geweest op paleis Soestdijk. Zie, hier staan we met zo'n man of veertig voor die grote Sikorsky-51, dat was dat éne toestel van Nederland.»
Ook Armand Vervoort herinnert zich die plechtige ontvangst op het paleis. "Dat was bij koningin Juliana en prins Bernard. Alle helicopterpiloten hebben toen een decoratie gekregen. Maar!! Toen wij die decoratie ontvingen, hebben wij een brief moeten ondertekenen dat onze familie die decoratie moét terugsturen als wij komen te overlijden. Dat is toch wel Hollands hé, om u zo'n medaille te geven met-den-elastiek. En ik heb mijn kinderen plechtig laten beloven dat ze dat niét mogen doen. Een medaille geven om ze ooit terug af te geven, wat is dat nu voor iets?!"
Een bladzijde uit het foto-album van Gérard Tremerie. De foto’s zijn genomen door persfotografen die met hem konden meevliegen nadat het grootste deel van de evacuatie achter de rug was.
<w> De overstromingsramp van 1953: de borelingen van de langste nacht
In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 voltrok zich één van de grootste natuurrampen in het Europa van de 20ste eeuw. Door een combinatie van een orkaan en springtij kwamen grote delen van Nederland en België metershoog onder water te staan, en verdronken bijna 2000 mensen.
Er is een bijzondere reden waarom die ramp me zeer nabij is.
(Humo januari 2003 - © Jan Hertoghs)
Foto: “De Ramp, een reconstructie” (1992) Kees Slager
"Ik heb fietsbinnenbanden opgeblazen om ze rond de schouders van m'n kinderen te binden"
Op 31 januari 1953 ben ik geboren. Het was een zaterdag, het was kort voor zeven uur in de avond en terwijl m'n moeder thuis beviel, waaiden buiten de takken van de bomen. Mijn tante was de vroedvrouw en zij vertelde dat de wind zo hevig was dat de hoed van de bezoekende huisdokter de straat opvloog en dat m'n vader er achteraan is moeten lopen. En dat de wind de hele nacht met de zware voordeur had gerammeld en dat er in die nacht naar 1 februari "in Holland honderden mensen zijn verdronken". Dat laatste maakte diepe indruk op mij. Dat ik op de wereld kwam terwijl er op geen honderd kilometer daarvandaan bijna tweeduizend mensen van de wereld zijn verdwenen: 1836 in Nederland en 22 in België.
Vijftig jaar later neem ik me voor om naar Zuidwest-Nederland te reizen. In de provincies Zeeland en Zuid-Holland waar tienduizenden de dood voor ogen hebben gezien, wil ik op zoek gaan naar kinderen die tijdens de stormramp zijn geboren.
Het regent en het waait hard op de A12 naar Bergen-op-Zoom. De ruitenwissers slaan het water weg, maar het blijft stromen op de ruiten. Ik hou van storm, maar ik hou niet van water. Toen ik zeven was, ben ik bijna verdronken en daar heb ik een hopeloze waterangst aan overgehouden. Ik kan nog altijd niet zwemmen, ik durf mijn hoofd niet eens onder water stoppen in mijn eigen bad, pure paniek die me dan overvalt.
Ooooh what a lucky man he was. Dat zijn Emerson, Lake and Palmer, ik heb in de auto wat ouwe songs mee die ik de voorbije twintig jaar op cassette heb gezet. Nostalgie zal mijn passagier zijn.
Bij een benzinestation stop ik voor een broodje, de lage zon schijnt op de zonnebrillen aan de kassa. Vijftig jaar geleden was hier geen benzine te krijgen, laat staan broodjes gezond, aftershave en bladen met blote vrouwen. Het wc-papier in het toilet zit in een grote ijzeren sleuf die Big Willy heet. Big Willy, the Big Dispenser. Wc-rollen die een voornaam dragen, dat moet de nieuwe wereld zijn.
De zon breekt uit de wolken en ik sta op een dam nabij het Veerse Meer. Het water is blauw, de lucht is blauw, het riet is geel en de dijken zijn groen, alles in echte waterverf. Mijn schaduw valt in het water, een reiger vliegt op uit de kant.
Over de Zeelandbrug en over de Oosterschelde rij ik recht Schouwen-Duiveland in. De akkers zijn wijd en uitgestrekt, je kan hier mijlenver zien in dit land, je kan je ongeluk van heel ver zien aankomen.
Bij de afslag Sirjansland staat een oude man tegen zijn fiets te leunen. Hij zegt dat de storm de gevel van hun huis had geslagen en dat hij met zijn ouders door het water is weg gestapt. Het water kwam tot hier, wijst hij aan de kraag van zijn jas. Ik zeg wanneer ik geboren ben en hij begrijpt dat je dan veel over de ramp wil horen en lezen. Hij heeft ook veel gelezen, zeker wel, maar in nog geen enkel boek is hij tegengekomen "wat het betekent om twintig jaar te zijn en een vader en zijn zoontje te moeten begraven in de dijk. Ze lagen dicht bij hun huis toen ik ze vond, de man en zijn kind van zeven jaar." Het is een halve minuut stil tussen ons, ik kijk in het glas van zijn bril en daarachter komt al het water. Ik spreek er niet vaak over, zegt hij, maar ik denk er nog vaak aan terug.
Foto: “De Ramp, een reconstructie” (1992) Kees Slager
Koekoek en bijbel
De watersnood van '53 was voor Europa een van de grootste natuurrampen van de voorbije eeuw. De stormvloed kwam van de Schotse kust, dook met een snelheid tot 18O km per uur langs de Britse eilanden en stormde zo in de smalle Noordzeetrechter naar België en Nederland, terwijl het ook nog eens springtij was. In de nacht op 1 februari kraakten "miljarden kubieke meters water" tegen het zuidwesten van Nederland, "de zee ging scheef staan tegen de kust ".
Nog een dam verder en dan ben ik op het eiland Goeree-Overflakkee. Daar ligt Oude Tonge en in dat dorp zijn de meeste doden gevallen: driehonderd en vijf. Er ligt nog een vuurpijl van nieuwjaar op het dijkje dat naar de begraafplaats leidt. Bij het hek staat een beeld van een moeder die vlucht met een stenen kind op de arm. Het water door Gods wil geschapen, Heeft velen voor Zijn Troon geleid. Zo staat het op dat beeld, hard en gebeiteld. Er liggen ook hoekige stenen. Johannes J. De Boet Oud 10 Jaar. Annetje Slinger Oud 20 Jaar. Catharina J. Osseweijer Oud 22 Dagen. Er zijn opvallend veel kinderen bij. Ik tel de stenen waaronder een Jan of een Johannes ligt. Het zijn er eenentwintig. Daar hebben ze die nacht vaak en vergeefs op geroepen.
Ook de kerkhoven overstroomden. Op sommige plaatsen dreven de kisten op het woelige water. Foto: uit herdenkingsbrochure “De Ramp” uitgegeven in 1953
In het verdergelegen Sommelsdijk zoek ik Leonard Hout op. Hij is blij met het onverwachte bezoek en wenst me een gezegend en gelukkig nieuw jaar. In zijn tuin staat een molentje in de wind te draaien, en in zijn huis geurt het naar winter en hyacinten. Ik heb Leonard in '89 geïnterviewd voor Humo (Dossier Natuurrampen). Tijdens de storm waren hij en z'n ouders voor de vloed op het dak gekropen, dat dak was door het wassende water van de muren getild en op dat "vlot" waren ze weggedreven. Onderweg botste het vlot tegen een hindernis en Leonard moest machteloos toezien hoe zijn vader en moeder in het water verdwenen, hijzelf kon zich vastklampen aan een paal, hij kon er hogerop klimmen en in de bittere kou heeft hij het daar dertig uren uitgehouden op een dwarsbalk, tot hij door een bootje werd gered. De telefoon gaat, zijn vrouw zegt dat er een Belgische journalist op visite is die in de stormnacht geboren is. Dat treft zegt de stem aan de andere kant, "mijn neef is ook die nacht geboren!" (Later zal blijken dat het drie dagen eerder was,jh) Hoe dan ook, het wijst op een gelukkige samenloop van de omstandigheden en daar drinken we koffie op. Er komen ook boterhammen en kaas op tafel, en mosseltjes in de pan gebakken. Leonard vouwt de handen en spreekt een gebed voor het eten, Oh Here die al 't leven voedt, kroon onze tafel met Uw zegen. Na de maaltijd is het eveneens de gewoonte dat we uit de bijbel lezen, zegt hij. Hij vouwt zijn bril open, zijn vinger zoekt waar hij vanmiddag gebleven was.
Toen ik jaren geleden als journalist begon te werken, kon ik niet uitleggen wat me dreef, nu weet ik dat het ogenblikken zijn als deze. Buiten schemert het donkere land, binnen is er het licht van de lamp, er is de man die leest, de vrouw met de ogen neergeslagen, het eten op tafel, de goudvis op de kast, en dan de koekoek die half zeven komt roepen tussen de brief van de apostel Paulus aan de Colossenzen. Voor die ogenblikken doe ik het. Dat de wereld naar binnen valt in één beeld.
De dokter vloekte nooit
Twee dagen later is het geen tien maar nul graden. En het heeft vannacht gesneeuwd, overal een bloemsuikerlaag op de secundaire wegen en op de pannendaken, een beetje rood en een beetje wit. Ik rij naar Stavenisse waar Bram Smits woont. Hem heb ik ook in '89 geinterviewd; hij heeft bij de ramp achttien familieleden verloren en in zijn dorp zijn 153 mensen omgekomen. Bram heeft twee "geboorte-aanwijzingen" voor mij. In Oude Tonge is een baby geboren met "afstandsbediening". Het huis was omringd door water, de vroedvrouw kon er niet bij en dus hebben ze een "roep-ketting" gemaakt. Zij zegde haar te volgen handelswijze door aan een man met een luide stem, die riep het over het water naar iemand die bovenop het dak zat en die galmde het op zijn beurt door de schoorsteen naar de vader die bij de schouw stond te luisteren. Op die manier werd "een gezonde jongen geboren". Zijn tweede aanwijzing is over een baby in Capelle, dat kind zou geboren zijn en enkele uren later alweer verdronken. Dat heeft hij gelezen in "Hier was eens Capelle", een nieuw boek van de schrijver Kees Slager. (De auteur is bekend in Nederland. In 1992 schreef hij "De Ramp, een reconstructie". Het is het relaas van 200 ooggetuigen, het is zondermeer een standaardwerk ,jh).
Ik besluit naar Capelle te rijden. De oude molens bij de dorpen staan stil, de moderne windmolens met hun metalen wieken draaien op volle kracht naast de Oosterschelde. Thé Lau zingt Blauw, blauw, blauw maar de lucht, het water, de bruggen en de meeuwen, alles is grijs vandaag.
Foto: gepubliceerd in het foto-naslagwerk “De Watersnood” (2010) Kees Slager
Capelle blijkt als gehucht bij Nieuwerkerk te horen, een dorp waar 289 inwoners verdronken zijn. En toch zijn hier ook kinderen geboren. Ik lees het bij Kees Slager, hij heeft het over een dokter Vleugels Schutter "die met zijn auto in de polder is geweest voor een bevalling".
Zowel de dokter als zijn vrouw blijken inmiddels overleden, maar de dochter Annefree woont nog in het ouderlijk huis. Ik mag gelijk in de antieke consultatiekamer, ze haalt koffie en ze vertelt dat het voor haar vader een zeer zware klap was, "op één nacht waren vijfhonderd mensen van zijn praktijk gestorven". (De praktijk omvatte vier sterk getroffen plaatsen: Nieuwerkerk, Ouwerkerk, Capelle en Oosterland,jh). Haar vader had in Nieuwerkerk nochtans de klokken doen luiden en was in de nachtelijke polder op meerdere deuren gaan bonzen om de mensen wakker te maken, maar dan nog zijn velen verrast geworden. ("Eén mevrouw herinnert zich dat roepen van mijn vader, als je nu godverdomme niet weggaat, dan verzuip je. Die familie heeft het huis meteen verlaten omdat ze zo geschokt was, ze hadden de dokter nog nooit horen vloeken!")
Ik vraag haar of ze weet heeft van een bevalling. Ze was niet thuis in de stormnacht, maar ze wéét dat vader 's nachts met zijn Chevrolet naar een bevalling is gereden in Capelle.
De “hoofdstraat” van het poldergehucht Capelle (uit “Hier was eens Cappelle” van Kees Slager 2002)
Dak op drift
Tussen Ouwerkerk en Nieuwerkerk zoek ik de resten van het gehucht. Het plaatsje Capelle staat op wegenkaarten niet langer aangegeven omdat er na de ramp slechts enkele huizen overeind gebleven zijn. Ik volg sporen van tractoren, repen van dik slijk en tot moes gereden spruiten, ik klop aan bij stille huizen en blaffende honden, er komen boeken uit de oude doos, men haakt foto's van verdronken molens van de muur, ik hoor verhalen van kinderen die op hun eigen schoolbanken het water hebben getrotseerd en van moeders die als meisje zijn gered ("twee mannen namen me met de armen en de benen en slingerden me als een pop over de reling van de boot die ons kwam halen"). Er wordt ook druk gebeld naar buren en bekenden, en zo sta ik op de duur voor de boerderij van Stoffel van Mourik. De 72-jarige figureert in zowat alle kranten, boeken en documentaires over de ramp omdat hij op een dakspant de hele Oosterschelde is overgedreven. De ongewilde "schipbreukeling" zit bedaard achter een kom soep, de klok zegt dat het bijna middag is. Stoffel kent het verhaal van de bevalling in Capelle, hij heeft nog in het huisje gewoond waar de baby geboren is.
" Toen wij naar de overkant verhuisden is mijn vader dat huisje gaan verhuren. In 1953 woonde Toon van der Straten er met zijn vrouw Nellie Berrevoets. Ze hadden drie kleine kinderen, van zes, vier en drie jaar oud. Toen de weeën op 31 januari begonnen, wou Toon naar Zierikzee fietsen om zijn huisarts te halen. Maar omdat het zo'n vliegende storm was, kwam hij amper vooruit. Hij is toen bij Ceel en Jo Dalebout langs gegaan, die hadden telefoon in hun winkeltje en die hebben hùn huisarts opgebeld, dat was dokter Schutter van Nieuwerkerk. Ik weet niet hoelang ze op de dokter hebben gewacht, maar toen hij kwam, was de baby al geboren met de hulp van Jo van de winkel."
"Enkele uren later is Capelle dan door het water overvallen en wij zagen ineens de overbuurman teken doen vanachter het raam. Hij gebaarde dat zijn vrouw met de baby nog beneden lag waar het water kwam. Mijn broer Piet is dan gauw het ondergelopen straatje overgestoken om de vrouw en het pasgeboren kind mee naar de zolder te helpen. Toen Piet terugliep, kwam het water al tot aan zijn borst. En het water bleef maar stijgen, mijn vader, mijn broer en ik zijn toen op het dak gekropen en toen kwam die overbuurman toch weer terug, moet je nagaan, hij stak het water over door van het ene op het andere wrakhout te springen, hij kroop op ons dak en hij wou dat wij opnieuw kwamen helpen om zijn vrouw en de kindertjes van de zolder op hùn dak te krijgen, maar dat durfden we niet meer. Hij is toen bij andere mensen binnengesprongen om hulp te zoeken, maar ineens was het gebeurd. Het water sloeg de hele gevel van zijn huis weg en daardoor schoot de houten vloer van de zolder los, mét zijn vrouw en de drie kindertjes er nog op! En zo zijn ze weggedreven. Sommige buren hebben de moeder nog zien zitten, met de kindertjes rond haar en met de baby in een dekentje op de arm. Ik herinner mij één kindje, het ene ogenblik klampte het zich nog vast aan een bundel stro, en toen ik weer keek, zag ik alleen maar stro. Ook die vader heeft dat zien gebeuren, die was zichzelve niet meer, die wilde zich ter plekke verdrinken. Wat er met die man gebeurd is, weten we niet, we hebben later nooit meer wat over hem vernomen. "
Wat er nog overbleef van Capelle na de ramp. (uit “Hier was eens Cappelle” van Kees Slager)
Last dance
Voor de ramp telde Capelle ruim honderd mensen, na de ramp bleken tweeënveertig inwoners verdronken. Stoffel van Mourik verloor zijn moeder, zijn broer, zijn twee zussen en nog eens negen andere verwanten. De meeste van die slachtoffers liggen op de begraafplaats van Nieuwerkerk. Er staat een treurwilg en werklieden van de gemeente zijn doende met schoppen en kruiwagens. Ze voeren grove schelpen tussen de graven "omdat de mensen door de zee zijn omgekomen". De verse schelpen kraken onder de voeten. Ik zie het graf van het gezin van der Straten, het heeft vier stenen: voor de moeder en voor de kinderen Anna, Jan en Piet. De baby heeft geen steen, want officieel heeft ie niet bestaan in die uren van nacht en ontij waarin dat kleine kind iets van het "levenslicht" zag. Het was een jongetje. Ik rij naar huis over donkere wegen en dunne stukken dijk, enkel de koplampen en wat afgelegen boerderijen geven licht in de omringende duisternis. Op de cassette heeft Tom Petty een Last dance with Mary Jane. Ik kan dat nummer niet horen zonder aan mijn kameraad-fotograaf Roger te denken en aan de biljartkroeg in Idaho waar die song uit de jukebox kwam. Drie jaar later werd hij vijftig en stond zijn hart stil. Al dat doodgaan, het houdt niet op. Ook in die zin is 31 januari een bijzondere dag, ik heb op mijn verjaardag zowel Humo-journalist Marc Mijlemans als mijn dierbare vader begraven. C'est la vie. Maar hardop zal ik het nooit zeggen.
Op de ring rond Antwerpen is een zware auto van de weg geslingerd en met een diep spoor op de berm tot stilstand gekomen, de brandende lichten tegen de struiken. De deuren staan wijdopen, de chauffeur zit op zijn knieën naast een meisje dat met haar hoofd in de slijksporen van de auto ligt. Uit een andere auto komen ze met een deken, ze kreunt, ze leeft nog. Ik zeg dat ze niet ongerust moet zijn, dat hulp onderweg is en dat alles in orde komt. Ze zegt: niks tegen ons mama zeggen.
Het dorp Nieuwerkerk waar 289 inwoners verdronken. Foto: gepubliceerd in “De Ramp, een reconstructie” (1992) Kees Slager
Fietsen door het uitstalraam
Terwijl ik in Capelle de sporen van het gezin van der Straten zocht, heeft Annefree Schutter gebeld naar Marjan van Dijke, "die is in de ramp geboren". Vandaag is Marjan thuis. Haar vader Maarten en zus Betsy zijn mee op de koffie.
Maarten « Op het ogenblik van de ramp was ik veertig en mijn vrouw Jannie was 35. We hadden twee kinderen, Betsy die negen was en ons zoontje Wim, die was twee. In Nieuwerkerk hadden we een fietsenwinkel met een herstelplaats en ik had daar ook twee taxi's staan, twee grote Chevrolets. Op zaterdagavond 31 januari heb ik nog meerdere ritten gedaan omdat het zo hevig stormde. Kort voor twaalven bracht ik een boer naar huis die dichtbij de dijk van Ouwerkerke woonde, sjonge, zoals het water daar hoog stond! En die wind, die spetterde het water met baaiers over de dijk, het spoot over mijn ruiten. Die boer schrok zich een ongeluk en wenste me een goede thuisreis en een gemeend welterusten. Toen ik thuiskwam, was ik echter niks gerust. Ik zei, Jannie, dat loopt niet goed af met de dijk. Nou maar, Maarten, zei ze toen, ik heb vannacht wel een kind komen, hoor.
Om halféén hoorden we dat er een dijk gebroken was, en ik ben met mijn broer gaan kijken."
Betsy: «Het water is die nacht niet in het dorp gekomen maar wel op zondag bij het volgende hoogtij. Ik zag het water in de tuin komen en ik zei tegen pa en ma, je moet het hekje dicht doen, dan komt het niet in de tuin. Zo dacht je toen als kind."
Maarten: «Omdat het zondag was, zaten we de bijbel te lezen, en ineens kwam er hevige stoom uit de kachel, het water stond in de woonkamer! En het stroomde ook in de garage. Ik heb toen alle nieuwe fietsen op een "vlot" van olievaten geriemd, dan konden ze drijven en mooi bewaard blijven. Maar ach, meneer, het water kwam en kwam, het uitstalraam ging stuk en toen dreef mijn hele winkelvoorraad op dat vlot naar buiten."
Betsy: « Ik stond voor het raam en ik zag een paard aan komen zwemmen, dat stopte voor ons huis, en dat legde zijn hoofd op onze benzinepomp. Kent u die oude pompen van Caltex nog, met dat ronde melkglas van boven? Daar legde het zijn hoofd op. Om de vijf minuten ging ik kijken of mijn paard er nog was, maar toen was het ineens weg, en ik was heel verdrietig, mijn paard, mijn arme paard was zeker verdronken.”
Foto: “De Watersnood” (2010) Kees Slager
Maarten: «Er kwamen dikke takken en stammen in grote snelheid op het huis aangedreven, ik heb ze willen afweren met de wasstok van Jannie, maar die bomen keerden en bonkten zo hard tegen het huis dat de gevel ervan schudde. Dan zijn we maar op zolder gaan zitten, terwijl het water de trap opkwam."
Binnenbanden om de schouder
Betsy: «Aan de andere kant van de zolder keek je in de diepergeleden polder en daar zag ik de spulletjes (= kleine boerderijen) in het water staan. Het was net een spannende film, ik hoorde de wind huilen, ik zag mensen op de daken kruipen en met lakens zwaaien, en ineens stortten hun huisjes in elkaar, ik hoorde ze gillen boven de storm uit, en wat ik zag waren dus mensen die verdronken. Maar als kind had ik daarvan geen enkel besef."
Maarten: «Op maandag werd het onhoudbaar, we moesten weg uit ons huis. Ik heb toen een stel fietsbinnenbanden heel hard opgepompt en ik heb ze in kruis om de kinderen d'r borst en d'r schouders gebonden, dan konden ze niet verdrinken. En zo zijn we naar de hoger gelegen Kerkstraat gaan waden. In een huis mocht mijn hoogzwangere vrouw op een kamer alleen, maar er kwamen zoveel mensen naar de Kerkstraat dat er ineens twintig mensen in dat kamertje stonden. Er lag zelfs een vreemde man naast haar op bed die ze zojuist uit het water hadden gehaald. Ik heb toen in de straat staan roepen of ik elders binnen mocht met mijn vrouw die dra ging bevallen. Het leek wel kerstavond."
Betsy: «Ik moest Wim zijn handje goed vasthouden, en ik mocht het om godswil nooit loslaten, want dan waren we 'm kwijt. Wim droeg een gebreid pakje met een muts en een pompoentje, ik weet nog dat ik dacht, zolang dat pompoentje er is, heb ik mijn plicht gedaan."
Maarten «In een ander huis hebben de mensen dan een kamer verlaten om de bevalling plaats te laten vinden. Ik heb van ergens een ijzeren bed aangesleept en Jannie is daarop gaan liggen, op de ijzeren spiralen, met enkel een laken erop.
Op maandag 2 februari is Marjan geboren. Het was al avond en ik weet dat ik nadien even buiten ging, tevreden dat alles goed was gegaan. Rond die huizen op de Kerkstraat zag ik alleen maar water, donker somber water, en God, wat was het stil, geen sterveling op straat, geen kind hoorde je roepen en toch zaten alle huizen volgepakt met mensen. Ik heb toen waarlijk gedacht, wij zijn hier alleen op de wereld, wij zijn van alles en iedereen verlaten. (Nieuwerkerk en het eiland Schouwen-Duiveland waren twee volle dagen van de buitenwereld afgesloten,jh)
Opstanding van de doden
Betsy: «Woensdag zijn we pas gered geworden. Eerst met een kleine roeiboot en vandaar zijn we op een grote rondvaartboot geholpen. Marjan, jij lag in een kistje en de mensen stapelden hun spullen, koffers en plunjezakken zomaar naast en over jou heen. Pa moest dat elke keer wegtrekken om te kijken of je nog leefde. Wim moest toen ook poepen, doe het maar in een leeg conservenblik zegden ze, maar dat wilde hij niet. Hij heeft het dan maar in zijn broek gedaan."
Maarten «Toen dacht ik ineens dat het 4 februari was, de verjaardag van mijn vrouw. Ik zeg Jannetje, het is je verjaardag vandaag! Mooie verjaardag, heeft ze nog gezegd."
Betsy: «De volgende nacht sliepen we in Zierikzee en de nacht daarop in de Ahoy in Rotterdam. Dat was mijn allerakeligste ervaring. We kwamen in die sombere hallen waar mensen op veldbedden en onder lakens lagen. En ineens kwam er zo'n laken overeind, en nog één, en nog één. Dat waren mensen die mijn vader kenden en die nieuws wilden over het dorp. Maar voor mij waren dat geen levenden, ik dacht dat ik in een immens dodenhuis was waar sommige dooien weer levend werden omdat ze ons herkenden. Pa wou toen de hal verlaten om te weten hoe het met moeder in het ziekenhuis was, maar ik werd hysterisch dat hij mij alleen liet bij die dooien. Ze hebben een kinderarts moeten halen en die heeft aan mijn vader moeten zweren dat ie geen minuut van me weg zou gaan. De volgende morgen werd ik gewassen en moest ik mijn kleren uitdoen. Een mevrouw gooide ze op een hoopje, ik huilde en huilde, maar ze zei dat het voor niks nodig was want dat ik nieuwe kleren kreeg. Maar ik wou míjn kleren terug. Het was het enige wat ik nog had van mezelf! Ik heb toen echt gevoeld wat het is om ontheemd te zijn. Je bent alle veiligheid, alle zekerheid kwijt. Je bent weg van je dorp, weg van je school, weg van je vertrouwde omgeving met de buren en de vriendjes, en je hebt niks meer, zelfs je eigen kleren niet. Als ik op tv vluchtelingen zie met kinderen, in Bosnië, Kosovo of Afghanistan, dan wéét ik wat ze voelen."
Marjan vouwt nog een stapel knipsels open en toont een foto waarop ze bloemen afgeeft aan koningin Beatrix. Dat was toen ze veertig werd in 1993, een verjaardag gaat altijd samen met een herdenking van de ramp. Pa bedankt voor de koffie, hij zal maar eens opstappen. Als de deur dicht is, vertellen ze wat pa niet heeft verteld. Dat hij die nacht zijn buurman en zijn broer Rien is verloren. "Die waren ook met een taxi in de polder gereden, die zijn net als pa mensen gaan waarschuwen voor het water, maar zij zijn nooit teruggekomen. "
Baby in boodschappentas
En dan is er in Nieuwerkerk nog een derde kind geboren: Jannie Flikweert. Ze woont intussen in het noorden van het land, haar ouders leven niet meer, maar haar oudste broer Sander (54) woont nog in het dorp en met zijn vrouw belt hij bekenden en familie op om het geboorteverhaal te reconstrueren.
Sander: «Toen het water kwam, is dorpsgenoot Leen van Klinken ons wakker komen maken om naar de boerderij van zijn vader te gaan, dat was een grotere hofstee. Eerst gauw de koeien melken, zei mijn vader, maar Leen zei, eerst je vrouw en kinderen in veiligheid brengen, en goed dat hij aandrong, want op tweehonderd meter van ons huis stonden de grote mensen al tot hun middel in het water, en van melken is niets meer in huis gekomen.
Op de boerderij van van Klinken hebben we op de zolder gezeten. We zaten er nog maar pas toen ze een man en zijn zoon door het zolderraam naar binnen trokken. Die man was Adriaan Rentier en die had zopas bijna heel zijn gezin - zijn vrouw en vier van zijn zeven kinderen- in het water zien verdrinken. Ze waren met hun dakgebinte tot op dertig meter van het huis van van Klinken geraakt, maar rond het huis maakte het stromende water een draaikolk en in die kolk is hun vlot tenonder gegaan.
Die man was stervensbereid en die hield er rekening mee dat we allemaal gingen sterven. Op een zeker ogenblik zat hij een brief te schrijven die gericht was aan de bergers die iedereen dood zouden vinden (toont een copie, zie onderaan de reportage). Hij somt op wie er allemaal dood is van zijn gezin, hij legt uit waar ze vermoedelijk te vinden zijn en hij vraagt beleefd of ze een degelijke begrafenis kunnen krijgen. Ik zie die man dat nog op zijn knieën zitten schrijven, en die brief heeft hij op de zolderdeur vastgemaakt.
Dat was de sfeer op die zolder, niemand wist wat er ons ging gebeuren. De volgende middag is Jannie dan geboren. Dat ging zo, ineens was moeder in een kamer apart en ineens was er een zusje. Ze lieten haar zien, ze lag te slapen in een boodschappentas. Een van de vrouwen die bij de geboorte hielp was mevrouw Stoutjesdijk. Die familie was kort tevoren ook op een dak komen aandrijven. Het erge was dat die moeder zelf één van haar kinderen verloren was op dat dak. Haar kindje was die nacht omgekomen van de kou.
Foto: “De Watersnood” (2010) Kees Slager
Dinsdag is moeder weggehaald op het roeibootje van een mosselvisser. Ze lag op een eenpersoonsbed en zo hebben ze haar dwars op die boorden van die smalle boot gebonden omdat er anders geen plaats meer was. Ze stak dus met haar hoofd en haar benen boven het water, en die boot schommelde maar, ze is toen verschrikkelijk benauwd geweest. Dat ze benauwd was, weet ik van de schipper zelf, ene Verschuure uit Yerseke, ik heb hem tien jaar geleden opgebeld. Van mijn ouders weet ik haast niets over de ramp, ze hebben er zo goed als nooit meer over gepraat.
Jannie is nadien wel enigszins beroemd geweest, meestal kwam de aandacht met de jaarlijkse herdenkingen. Haar foto's verschenen in kranten en tijdschriften en toen ze vijftien werd, kreeg ze een geschenk van de burgemeester, een platendraaier! Daar was ze heel blij mee, want dat hadden we toen nog niet. Maar de plaatjes die ze kreeg, nou, dat was me wat: De Heikrekels, Johan Strauss, en Het Urker Mannenkoor! Dat kreeg die jonge meid in 1968!"
De pannen van het dak
Een reiger staat bij een bevroren sloot. Een bruine kiekendief zweeft over de droge akkers. Bij de warme bakker lees ik de kouwe cijfers af, min zes is de temperatuur. In het dorp Nieuwerkerk hoor ik nu ook vertellen dat daar een kind is geboren "op een vlot". Betsy van Dijke kent een oudere zus van die familie, zal ze die opbellen? Een half uur later zit ik bij Riet Vane (61) en Kees Schot (62), ze wonen in Zierikzee.
Riet: «Het stormde die zaterdag 31 januari, maar ach, het stormde zo dikwijls. En ja, er werd thuis een baby verwacht voor die dag, maar daar werd toen niet zo hevig over gesproken als nu, een kindje was toen iets achter de schort van je moeder, en als dat er was, dan zagen we het wel. Mijn vader was landarbeider, we woonden in Nieuwerkerk in een klein huisje met twee kamers, en we waren met vijf kinderen tussen dertien en vijf jaar. Ikzelf was een meisje van elf.
Omdat het zo klein was bij ons, was het bij een bevalling de gewoonte om de kinderen naar familie te sturen. De jongste zus was al weg, en ik stond op het punt om naar tante Jannie in de polder te gaan. Maar omdat het zo hevig stormde, zei vader, straks rolt dat kind nog in een gracht, laat ze maar thuis blijven. Dat is zo van de Here gestuurd geweest, want was ik gegaan, dan was ik verdronken. Tante Jannie, haar man en haar zoontje, ze zijn alledrie verzwolgen.
In ons huis was ook de kraamverzorgster, zuster Janna Krijger. Die had een tas met verlosspullen van dokter Schutter. En die heeft beslist dat we op zondag 1 februari naar de hogergelegen Kerkstraat zouden gaan. Vader liep al vooruit naar de dokter, moeder en zuster Janna stopten wat babykleertjes en de verlosspullen in een sloop, en zo wilden ze naar de Kerkstraat, maar toen kwam vader van het dorp gelopen, "terug! terug!" riep hij. Het water kwam eraan, dat was een massa water die door de straatjes kwam.
We zijn dan op zolder gekropen, maar er schoot zoveel water en wrakhout tegen ons huisje aan dat het begon te wankelen. We moeten op het dak, riep vader. En zo zijn we door het kleine dakraam gekropen, de vier kinderen, vader en moeder en de zuster. Vanop het dak zag ik mensen in het water verdrinken, maar wat me nog het meest verbaasde was: hé de zuster kruipt ook mee op ons dak!
Eerst had vader de pannen van het dak gezwierd. Dat maakte het dak lichter. Als je huis dan instortte, dan kon je je toch nog drijvend houden op dat houten gebinte en op die pannenlatten. Eén buurman was de pannen nog in mooie stapels op zijn dakkapel aan het leggen. Man, gooi die rommel toch in het water, riepen wij. Nee, zei hij, straks kan ik ze weer gebruiken! Die dacht toen dat er nog wat te redden viel.
Duizenden mensen vluchtten voor het water naar de zolder. Als de vloed nog steeg, bleef er niets anders over dan op het dak te klimmen. Hopend op boten of de enkele helicopter om gered te worden. (Foto: uit herdenkingsbrochure “De Ramp” uitgegeven in 1953)
Ik was ook verbaasd dat wij niet alleen op het dak zaten. Op alle daken zag je de buren met hun kinderen zitten. Allemaal zaten ze op een rijtje op de nok. En ja, we zaten er schrijlings op. Ook mijn arme moeder die zodra zou gaan bevallen.
Vanop het dak hebben we het water dan zien stijgen, eerst tot aan de trekbel, dan tot aan de dakgoot en toen voelden we het hele huis bewegen, het dak schoot eraf, en plofte plat op het water. Daardoor viel alles in het water, ook de babykleertjes en de verlosspullen. Ik heb mijn broer Jaap en mijn zus Coby twee keer kopje onder zien gaan, maar de buren hebben hen op hun vlot kunnen trekken.
Ratten en muizen
Al wat je deed, was je vastklampen aan de planken en de latten van dat dak. Ik zag een paard komen, het kwam klauwend en hinnikend op ons af, we moesten het met stokken wegstoten want het wilde alsmaar mee op dat dak van ons. Er zwommen ook koeien rond, en mensen in het water bleven maar om hulp gillen. Anderen konden zich aan palen en bomen vastklampen, maar sommigen hielden het daar niet lang uit, en schoven van de kou in het water terug. Je keek ernaar maar je bleef er apathisch onder. Ik weet ook nog dat het sneeuwde op het water.
Uiteindelijk zijn we op een groter "dak" kunnen overstappen, daar zaten in totaal elf mensen op en zo hebben we van zondag vijf uur tot maandagmorgen rond gedreven. Dat vlot was wel enigszins stabiel omdat er deuren en stroklampen tegenaan waren gedreven, dat gaf meer drijfvermogen. Mijn vader heeft toen een kussenovertrek met pluimen uit het water gesleurd, en op die doorweekte "matras" is moeder dan bevallen. Dat moet in de late avond van 1 februari zijn geweest. Wij kinderen mochten niet kijken, maar ik heb toch gezien dat mijn vader zijn zakmes bovenhaalde, dat hij zijn rooie zakdoek aan repels sneed, en vervolgens de navelstreng doorsneed en afbond met zo'n stukje stof. Moeder heeft heel de tijd geen kik gegeven! Niemand zei een woord. Het was zoiets stils en bijzonders dat gebeurde.
Mijn zusje en ik hebben toen onze jas gegeven om het kindje in te wikkelen en we hebben het ook allebei vast mogen houden en ik heb het horen huilen ook. Het kindje was een jongetje en het heeft de naam André gekregen. Enkele uren later hebben we het niet meer horen huilen, het was gestorven van de kou.
Ik ben nog altijd verwonderd dat mijn moeder die nacht overleefd heeft en dat ze voor ons gezin bewaard is gebleven, het was zo boos koud, iedereen van ons was versteend van de kou. En hoe moeder daar op die tijk lag, haar benen bebloed van de bevalling en geschramd van het zitten op de nok, en hoe er dan nog ratten en muizen op haar benen kropen, die beesten klommen overal op, die vochten evenzeer om in leven te blijven.
Foto: herdenkingsbrochure De Ramp (1953)
Kistje door het raam
In de vroege morgen is toen een grote schuur met stro tegen ons aangedreven en die heeft ons in de polder van Nieuwerkerk gestuurd en daar zijn we stilgevallen tegen de boerderij van de familie van Popering, op hun dak hadden ze als noodsignaal een witte lakenvlag staan. We zijn door het schuifraam op hun zolder gekropen.
Toen die boer zag dat we een dood kindje hadden, vroeg hij of het niet weg kon. Hij was bekommerd dat het ontbindend kindje bederf zou geven voor zijn vleesvoorraad, er hingen daar worsten en hammen op de zolder. Vader heeft toen een kistje getimmerd, hij heeft het lijkje erin gelegd en hij heeft het opnieuw door het raam in het water geschoven. Ik neem dat die boer niet kwalijk, die man dacht aan al de mensen die daar vast zaten en die misschien nog weken op dat vlees moesten overleven. Het kistje met het lijkje is later gelukkig teruggevonden.
Op 2 februari zijn we gered door een mosselvisser uit Zierikzee. Ineens legden ze een lus onder mijn oksels en lieten ze me zakken in een boot. Toen ik later verkering kreeg met mijn man, bleek dat zijn vader een mosselvisser was en toen is het ook uitgekomen dat onze familie toen door mijn toekomstige schoonvader is gered. Dat is toch wel heel bijzonder.
Ik weet niet hoe de mensen dat allemaal verwerkten toen. Officieel bestonden er geen trauma's, er was geen slachtofferhulp of crisisopvang, je moest het maar zelf zien te verwerken. En ik weet dat velen het voor zich hebben gehouden. Je hebt er die na vijftig jaar nog altijd geen woord zeggen over de ramp. Men was immers gewend om alles zélf te dragen. Het had ook geen zin om bij een ander te klagen. In elk gezin was verdriet toen, in elke familie was gemis.
Wij hadden dan wel een baby verloren, maar vader en moeder hebben ons altijd voorgehouden, wees dankbaar dat ons gezin nog compleet is, wij hebben geen lege stoel aan de tafel. Toch moet het voor moeder zelf erg zijn geweest om die baby te verliezen. Hoe erg, zijn we pas gaan beseffen toen we zelf zwanger werden en kinderen kregen.
Ik heb een enorme waardering voor de ouders van die tijd. Eerst hadden ze de oorlog gehad, daarna die ramp, en allemaal zijn ze dapper herbegonnen. Mijn ouders hadden niks meer in 1953, zelfs geen schoenen meer. Ik weet dat ik een stuivertje vond op straat, nou, dat leek wel een miljoen."
“Ik weet niet hoe de mensen dat allemaal verwerkten toen. Officieel bestonden geen trauma's, er was geen slachtofferhulp of crisisopvang, je moest het maar zelf zien te verwerken.“ Foto: herdenkingsbrochure De Ramp (1953)
Winter in Zeeland
Ik rij langs de dijken van de Oosterschelde en kom in Oosterland. In dat dorp zijn 69 mensen verdronken. Maar vandaag blinkt de zon, er is een grote plas bevroren en na schooltijd hebben tientallen kinderen zich op die schaatsvloer begeven. Hun kleine ijzers zingen op het ijs. Ik heb ook schaatsen in de autokoffer, lang draal ik om ze te nemen, ik ben een beginneling, een armebaantjesdraaier. Op de duur bind ik ze toch onder en na een tijdje schaatsen er een sliert kinderen met me mee. Want een Belg en dan nog ééntje op noren, dat is een bezienswaardigheid. Ik spreek met Mees, Rienie, Maurits & Maurits, en het bijdehandje Thea, een blonde katinka die de mutsen van de jongenshoofden slaat. Ze stellen de vreemdeling op het ijs vele vragen, en als blijkt dat ik daar voor de ramp ben, komen ze helemaal los. Op de basisschool is er een project rond de ramp, de ene moet boeken lezen, de andere moet op Internet, nog eentje heeft een storm moeten tekenen, de meeste hebben "ouwe mensen moeten ondervragen", mag ik u misschien ook interviewen, meneer?
Het laatste goud van de zon valt nu op het ijs, de kinderen binden hun schaatsen af. Het is een oerhollands winterplaatje met een sikkeltje maan in de donkerblauwe avondlucht. Op de terugweg komen ze allemaal uit het donker gekropen, Tuesday Afternoon van The Moody Blues, Old man van Neil Young, Dust in the Wind van Kansas, The House of the rising sun van Frijid Pink en Wild World van Cat Stevens.
Melancholy man rijdt naar huis.
Oh baby baby, it's a wild world.
**Met dank aan Truus Vijverberg, het Museum Watersnood 1953 in Ouwerkerk, Piet Geluk, Leen en Maatje van Oeveren, Riet van Klinken, Teun Biemond en Jan Schuurman Hess.
Deel van de afscheidsbrief van Adriaan Rentier. Hij beschrijft wie er allemaal dood is van zijn gezin. Hij meldt ook dat hij één van zijn kinderen in de dijk begraven heeft. Omdat hij denkt dat hij ook zal verdrinken, vraagt hij aan “diegene die met het opruimingswerk wordt belast” om zijn gezinsleden een fatsoenlijke berging en begrafenis te bezorgen. - brief gepubliceerd in “De Watersnood” (2010) Kees Slager
Corona en massaal tv kijken: de wonderjaren van de televisie
De kranten hadden het nieuws dat we in het coronajaar 2020 veel meer televisie keken dan in vele voorgaande jaren. De kijkduur per dag ging omhoog en ook de kijkcijfers: succesprogramma's halen twee miljoen kijkers en meer. Ook jongeren tussen 12 en 17 die zogezegd niks meer met dat oude scherm hebben, nestelden zich voor de buis. Televisie lijkt "verbindend te werken" nu we door de lockdown veel binnenshuis zitten.
Dat het klassieke tv-kijken terug is, brengt ons bij de beginjaren van de Vlaamse televisie. In die jaren vijftig zat men 's avonds ook vaak binnenshuis, maar toen was er eigenlijk maar één zender. Binnen die beperkte programmatie van toen waren er op de de BRT (voorloper van de VRT) wel aparte tv-uitzendingen voor hengelaars, postzegelverzamelaars en uitvinders. Van niches gesproken!
En niet onbelangrijk in deze tijden van corona: 60 jaar geleden is al onderzocht dat televisie "een helende en kalmerende werking had op zieken, ja zelfs op geesteszieken!"
Humo oktober 2003 - licht herwerkt - © Jan Hertoghs
Lees ook de reportage over de verkopers van de eerste televisietoestellen.
Het Vlaamse tv-programma Antenne-Club: de kijker die zijn dak-antenne herkende, mocht de artiesten kiezen die in de volgende uitzending gingen optreden (Ingescand uit Humo/ Herman Selleslags)
Honderden toeschouwers om onze tv-mensen bezig te zien: het was alsof er zeven walvissen tegelijk waren aangespoeld.”
Het programma voor de hengelaars heette Beet, de rubriek voor de filatelisten heette Vergrootglas op de postzegel, en de serie over uitvinders en uitvindingen kreeg de titel Eureka. Voorwaar, er is een tijd geweest dat het leven eenvoudig was en dat de dingen nog bij hun naam werden genoemd.
Dat hengelprogramma en die postzegelrubriek hebben niet écht de huiskamers doen vollopen en de cafébazen lege stoelen bezorgd, maar ze verdienen het om aan het stof van de vergetelheid te worden ontrukt. Omdat ze sympathiek zijn, of charmant in hun eenvoud, of hopeloos gedateerd en dus wel eens ronduit hilarisch.
Tegelijk presenteren we tal van wetenswaardigheden uit de wereld van de televisie zoals die toen op de prille tv-bladzijden van de weekbladen stonden afgedrukt (Een goede raad: kijk tijdens vismaaltijden géén tv!)
Kortom, dit zijn de wonderjaren 1954-1961 en we putten voornamelijk uit Humoradio, Zie Zondagsvriend, De TV Kijker (2-maandelijks tijdschrift), de jaaroverzichten van NIR/BRT en het onvolprezen standaardwerk Tien jaar Vlaamse Televisie van Jef Anthierens.
De programma’s van één BRT-avond in het weekblad Zondagsvriend (1960) d: amper een tiental lijntjes
Dat de televisie nog niet salonfähig was, is te merken in Humoradio van 1954. Toen besloegen de radioprogramma's van één week nog 19 bladzijden; de tv-programmatie van België, Frankrijk, Nederland én Duitsland kon toen nog met gemak op twee bladzijden afgedrukt worden.
Zeven dagen "Brussel Vlaams" benam amper één gedrukte kolom van twintig centimeter, en dan was elk programmadetail nog uitvoerig aangegeven: 19.15 Testbeeld 19.30 Openingsbeeld 19.31 Nieuwsberichten. En zo verder tot 9u30. Een klassieke tv-avond liep toen nog ten einde tussen half tien en tien uur en op maandag werd er niet uitgezonden. Programma's werden ook summier aangekondigd. "Kanker" was een "medicale film", "Het zinderen van de banjo" werd voorgesteld als een "filmisch stemmingsbeeld ", en wie naar "Mens en telefoon" wilde kijken, mocht zich verwachten aan een "documentaire fantasie over de moderne rustverstoorder bij uitstek". Heel af en toe veroorloofde men zich al een woordgrapje in de titel, zoals in het programma "Wij geven katoen", een documentaire over katoenplantages.
Qua sport werden veel uitzendingen overgenomen uit het buitenland, onder meer het WK Badminton te Glasgow, toen nog omschreven als het "WK Vederbal, een sport die de jongste jaren een plotselinge vlucht nam". Films kregen in 1954 nog een zedelijke quotering: Stagecoach van John Ford was een KT (=Kinderen Toegelaten) volgens de Staatskeuring, maar Humoradio plaatste ook de Katholieke Filmkeuring erbij en die vond deze klassieke western alleen geschikt Voor Volwassenen.
Heel veel aandacht ging er naar muziek, reisreportages, toneel en variété. Vooral op dat laatste terrein werden nooit geziene zaken vertoond volgens De Tv-Kijker, een maandblad voor televisievrienden: “"Men zag nummers waarvan men het bestaan nooit had vermoed, zo bijvoorbeeld Bruno Hofman die etherische melodieën aan de randen van champagneglazen ontlokte. En wie had er al eens een beer op een motorfiets zien rijden of een Chinees die twintig soepborden op 4 meter hoge rietstengels liet draaien? Dat zijn maar enkele van de honderden attrakties die de Vlaamse tv op het glazen scherm aanbood en dat aanbod overtrof met een veelvoud hetgeen men vroeger had meegemaakt in het patronaatzaaltje van de gemeente."
Een variétéprogramma dat nooit meer geëvenaard zal kunnen worden was "Antenne-Club". Daarin trad een plejade aan internationale vedetten op in een decor van dakvensters, geopende luiken en pasgeverfde kroonlijsten. Er stonden uiteraard ook antennes opgesteld waartussen de artiesten al zingend hun weg moesten zoeken. Maar hét bijzonderste was de kijkersvraag. In elke uitzending werden enkele foto's van daken met een tv-antenne getoond en wie ZIJN antenne herkende, werd eregast van de "Antenneclub" en mocht kiezen welke artiesten er in de volgende uitzending gingen optreden.
Tussen 1960 en 1970 kwamen er ca. 2 miljoen antennes op de Belgische daken.
TV-Circus met duivenbond
De aanblik van daken en antennes was niet van aard om het Vlaamse publiek vertrouwd te maken met het nieuwe medium en zo ontstond TV-Circus. Dit varia-programma wilde de televisie naar de mensen brengen en van 1955 tot 1957 waren er zo'n zestien rechtstreekse uitzendingen op locaties als Adinkerke, Boom, Vilvoorde, Lier, Asse en Sint-Truiden. De televisie arriveerde met een gehuurde circustent en een karavaan van dertig wagens. Uren voor aanvang stonden er lange rijen toeschouwers, "het was alsof er zeven walvissen tegelijk waren aangespoeld." Vanop de zitbanken die "tot de laatste vierkante centimeter" gevuld waren, konden de toeschouwers dan zien hoe televisie gemaakt werd.
Het succes van TV-Circus bestond in een niet eerder vertoonde combinatie van show en couleur locale: naast topvedetten uit circus, dans en ballet mocht het complete verenigingsleven van de gemeente (én de omstreken) voor de camera's paraderen. Een uitzending duurde gemiddeld drie uur en in de stroom van plaatselijke figuranten liep alles mee "gaande van sportclubs en fanfares tot duivenbonden en andere maatschappijen". De eerste uitzending in Adinkerke was toonaangevend: er was Oostduinkerke met zijn vissersfanfare, Poperinge met zijn hopboeren, Veurne met zijn imkers, Ieper met zijn kattenstoet en Nieuwpoort met zijn afslagers uit de vismijn "die de kijkers verbaasden door de snelheid waarmede zij achterstevoren konden tellen". Ook spannend was het ongeplande losbreken van een onweer boven deze uitzending wat de tent onder water zette en wat de "cameramannen natte voeten bezorgde alsmede een schok telkens als ze hun camera's durfden aanraken".
Grote toeloop voor het programma Tv-Circus. Het circus in de tent moest de toeschouwers vertrouwd maken met de televisie. (Ingescand uit Tien Jaar Vlaamse Televisie / Herman Selleslags)
Genezen met televisie
Er was nog een manier om de televisie naar de mensen te brengen en die bestond erin dat de omroep met caritatieve organisaties samenwerkte om tv-toestellen weg te schenken aan "sanitoria, hospitalen, weeshuizen, rusthuizen en krankzinnigengestichten". Die weggeefactie werd noch min noch meer beschouwd als een sterk staaltje van geestelijke gezondheidszorg getuige het artikel in Tv-Kijker van juni 1956 met de titel "Waar TV een zegen is": Daar waar een ziekenzaal dikwijls gekenmerkt wordt door ontzettende verveling en gebrek aan ontspanning die kan resulteren in periodes van neerslachtigheid en prikkelbaarheid, draagt de opmonterende werking van de televisie in grote mate bij tot de genezing. Door de televisie wordt het isolement van de zieke doorbroken. De patiënten herwinnen het contact met de buitenwereld, ze vinden verstrooiing en ze herwinnen hun gemoedsrust, wat grote factoren zijn voor het herstel.(...) Geneesheren onderstrepen de kortere herstelperiode van patiënten mét televisie. Zelfs in krankzinnigengestichten stelde men een verbluffende verbetering vast in de toestand der verpleegden; op zijn minst waren zij al beduidend kalmer dan voorheen."
Tv-ontvangers aan de muur van de ziekenzaal en ook massieve draagbare tv’s voor de zieken.
Nog even en dankzij de televisie zouden de lammen weer lopen en de blinden weer zien! De Vlaamse televisie is trouwens altijd bezorgd geweest om onze gezondheid, denk maar aan de campagne Blijf Jong (vanaf 1959). Nic Bal en de zijnen wilden dat Vlaanderen fitter zou worden en de televisie die nota bene zélf tienduizenden kijkers tot een zetelzittend bestaan had gedwongen - zou het goeie voorbeeld geven. Om een goed beeld te krijgen van de toenmalige lamlendigheid volstaat deze passage uit De TV-Kijker van juni '59: Sedert jaren maakt men zich in vele kringen bezorgd om de moderne mens, vooral om de stadsmens die een jachtig bestaan leidt. Uren brengt hij door in kantoren en fabrieken met hun onzuivere lucht, dag na dag wordt de weg naar huis afgelegd in overvolle trams, treinen en bussen die veel van de zenuwen vergen. Men eet vlug, men eet slecht, men beweegt nog weinig en het resultaat is dit: eens de 35 jaar voorbij, worden we over het algemeen vadsige naturen, fysiek zwak, en ten prooi aan allerlei kwalen. We hebben niets tekort, maar we zijn overspannen en het ontbreekt ons aan arbeids- en levensvreugde. (...) Nic Bal van onze Vlaamse televisie zegt hierover: wij gaan u helpen jong te blijven met een gezondheidscode die lichaam en geest zal ontspannen."
De campagne Blijf Jong zou meerdere jaren duren en tienduizenden Vlamingen uit hun lethargie halen. Voor de niet-deelnemers had Nic Bal slechts één boodschap: "Laten we dit goed afspreken: het is uw volste recht uw gezondheid te verwaarlozen en uw leven te verkorten. Ik heb u geen bevelen te geven. Rust en roest desnoods in vrede!"
Het maken van een theemuts
Volksopvoeding is altijd met een hoofdletter geschreven bij de Vlaamse Televisie en er waren programma's voor de man met de pijp én voor de vrouw met de schort. In een uitzending als "Atelier" (1960-1961) kon je naast een interview met een jonge geometrisch-abstracte kuntschilder nog een vraaggesprek volgen met beeldhouwer Oscar Jespers in wiens oeuvre we grosso modo drie periodes kunnen omschrijven: een impressionistische, een kubistisch-expressionistische en een meer classicistische. Zulks vermocht wel eens in schril contrast te staan met de onderwerpen van "Penelope, het Programma voor de Vrouw".
“Penelope” : het programma voor (moeder) de vrouw. (Ingescand uit Tien Jaar Vlaamse Televisie/ Herman Selleslags)
Humoradio besteedde weinig aandacht aan Penelope, maar het familieblad Zie Zondagsvriend zette het programma van moeder-de-vrouw met graagte in de kijker. Er is vanavond in Penelope weer voor elck wat wils! (...) Zo zullen de kijksters leren dat goedkope stukken van runds-,kalfs-, varkens- en schapenvlees toch ook smakelijk kunnen klaargemaakt worden. Dus dames, houdt potlood en papier klaar om over dit belangrijke praatje iets te noteren! (...) Vandaag ook: het probleem van de teenager. Mevrouw Algoet heeft als lerares met deze jeugdige mensen te maken en zij heeft dit keer een moeder en twee tienerdochters in de studio uitgenodigd om te praten over huishoudelijke karweitjes. Want het schijnt dat onze jonge meisjes niet erg veel geestdrift aan de dag leggen om moeder in het huishouden te helpen. (...)
In het NIR/BRT-jaaroverzicht (58-60) heb ik de lange lijst van Penelope-items kunnen overlopen en sommige wil ik u niet onthouden, als daar zijn: Bereiding van Mayonaise - Goede manieren op een receptie - Deskundig linoleum leggen - Het maken van soep - Het maken van een theemuts- Het maken en versieren van koude schotels. Wie voor de buis zat op 23 december '59 zag voor zijn ogen Het strijken van een manshemd, wat op 29 juni 1960 gevolgd werd door Het strijken van een mansbroek. Dat was dus hét lifestyle programma van de jaren vijftig.
Dezelfde eenvoud vind je ook terug in andere educatieve programma's. Neem Vedetten uit de Dierenwereld, als je die onderwerpen ziet, dat is een intens sobere inhoud, dat is pure zen! Op 20 september '58: de Krokodil. Op 24 januari '59: de Egel. Op 21 maart '59: het Gordeldier. Op 14 mei 1960: het Paard. Op 9 juli '60: de Kievit.
Mogelijk dat deze titels u doen denken aan uw eerste spreekbeurten voor de klas, maar mag ik u dan vertellen dat elke uitzending vakkundig gepresenteerd werd door prof. dr. J. Hublé van de Rijksuniversiteit te Gent. Zo ook de uitzending van 11 juni 1960 over De Bijen ("Geen enkele stad is zo dichtbevolkt als de bijenkorf. Wat deze lieve beestjes de godganse dag uitvoeren en hoe zij aan de kost komen, zullen wij vanavond van prof. Hublé vernemen. Zoals steeds zal Paula Semer hem bijstaan om enkele vragen te stellen en het gesprek vlot te houden.")
Aangename Kennismaking: een programma over mensen en hun beroepen of hobby’s. (Zondagsvriend)
Van Handboog tot Lanceerbasis
Naast het opvoeren van eenvoudige dieren en insecten, was onze televisie ook sterk gericht op het vertonen van mensen en hun beroepen. De uitzendingenreeks waarin dit het sterkst tot uiting kwam, was "Aangename Kennismaking Met..." Hierin waren onder meer te zien: een Loodgieter, een Boswachter, een Redder, een Leerling-Redder, een Strandvisser, een Arbeider in een Mostaardfabriek, een aantal Werklieden van de NMBS, een Direkteur van een moderne Wasserij, een Fabrikant van Hoge Hoeden en een Globetrotter. Het programma had ook verrassingen in petto, zoals het Muziekkorps van het Bestuur der Postchecks en een Kunstschilder zonder penselen.
Aangename Kennismaking was méér dan een kennismaking, want in volle prime time ging men toen nog vijfentwintig minuten op bezoek bij een Verzamelaar van Pompiershelmen. Ook Alpinisten kwamen aan de beurt ("Iedereen is akkoord: het kijken naar deze jonge durvers is eenvoudiger dan er zelf aan te beginnen!")
Sommige plaatselijke figuren kregen door het programma landelijke bekendheid. Zo was een hele uitzending gewijd aan L. Henrotay, het zeeldraaierke van Sint-Pieters-Lille, en later ook aan Gerard Pintelon, de belleman te Lissewege die tevens doodgraver, boodschapper, torenwachter en uitplakker is. Deze lokale Gerard was "zodanig in de smaak gevallen van de kijkers dat Lissewege in de zomer overstroomd werd door toeristen die allemaal de belleman wilden zien." Pintelon -de naam was niet gestolen- werd door de bezoekers royaal getrakteerd en volgens Tv Kijker zou hij "die hele zomer zattekens zijn geweest, meer nog, na de zomer had hij nog 4OO pinten tegoed!"
Humoradio kreeg het wel eens op zijn heupen van die landelijke en vaak te landerige Kennismakingen. Zo lazen we in Dwarskijker van 26 januari 1960: "Aangename Kennismaking met Zichem bracht ons een kluwen van waterraderen, bomen, fietsen, volkswoningen, volksbruiloften, volksdoopsels, volksgebruiken, volksherbergen en volksvermaak, en dit gedurende drie kwartier. Vijfentwintig minuten van dat alles had ruimschoots volstaan!"
In Vogelvlucht uit: een programma waarin fabrieken en werkende mensen werden belicht. (Zondagsvriend)
Er was ook een tv-reeks die helemaal gewijd was aan fabrieksbezoeken, onder de titel "In Vogelvlucht uit...". In deze reeks waren te zien: een Glasblazerij, een Tapijtweverij, een Fabriek van Tv-Toestellen, een Kachelfabriek, een Koekjesfabriek, de Borstelnijverheid te Izegem en een Beeld van onze Pettenindustrie. (Noot: de hoofdletters komen zoals steeds uit de NIR/BRT-jaaroverzichten, jh). Het waren rechtstreekse uitzendingen vanuit de draaiende fabrieken en volgens de makers was het een "telegeniek procédé": Als wij de industrie onopgesmukt en in volle werking in de huiskamer kunnen brengen, dan is dat de reden waarom onze programma's zoveel bijval kennen."
Het bezoek aan een Papierfabriek kon toen nog aangekondigd worden met lichte geestdrift ("Wij volgen ondermeer het uitmalen en mengen van de papierbrij, twee zeer interessante bewerkingen.") Het kon toen nog: tv-kijkers die net hun dagtaak achter de rug hadden alsnog warm maken voor een programma waarin hard gewerkt werd! Enige Streuvels-pathos werd daarbij in de programmabladen niet geschuwd, zoals bij de Metaalfabriek te Boom: "In de donkere werkhallen van een metaalfabriek waar af en toe een gloeiende staalmassa spookachtige schaduwen op de gezichten tekent, beleven we vandaag de geboorte van een hijskraan." Een zware bevalling, dat spreekt.
Voor alle onderwerpen waarvoor de jonge omroep geen passend kader vond, was er één programma en dat was "Kaleidoskoop", een zwaar veredelde grabbelton. De uitzending van 1O september '58 kan hier als voorbeeld dienen met achtereenvolgens: De Wereld waarin wij leven - Koek en Speculoos - De Schoolmeester - De Strip-Tekening en tot slot Poëzie. En op 15 oktober '58 had je een kaleidoscoop van Het Lucifertje - Cactussen - Oude Munten en De Kasseistamper. Het programma had ook oog voor historische evoluties. Zoals in de uitzending Van Handboog tot Lanceerbasis!
Tussen lamp en rad
Wat onmogelijk weg te denken was op de Vlaamse Televisie waren de uitzendingen over volkskunde zoals "Er was een Tijd" en "Levende Folklore". De onderwerpen varieerden van "Volksspelen in een Kermisstemming" tot "het Eindejaarsfeest van de Mezenvangers". Dat sommige van die items op het punt stonden om schielijk overgebracht te worden naar Bokrijk, was de makers niét ontgaan. Zo waren in de uitzending van 27 januari 1957 enkele vertegenwoordigers van stervende ambachten te gast, met name een kuiper (tonnenmaker) en een mutsenstrijkster.
Veel aandacht ging ook naar folklore uit het buitenland: er was Zang en Dans uit Ceylon, Zang, Dans en Muziek uit Zwitserland (door de groep Edelweiss) en Zang, Dans en Folklore uit Belgisch-Congo. Die laatste uitzending droeg de naam "Zwarte Tover" (1955) en "te dier gelegenheid werd in Studio 6 en onder toezicht van deskundigen een geheel negerdorp opgebouwd". De strooien hutten en schaduwrijke palmbomen werden bevolkt door dansende en zieken bezwerende "Congolese acteurs."
HUMO-Tv (de nieuwe bijlage van Humoradio) nam het in 1957 op voor deze folklore-uitzendingen : Voor sommigen is folklore een dood ding, maar in Levende Folklore zien we mensen uit het volk die ons bekoren door de eenvoud waarmee ze bepaalde gebruiken in ere houden.(...) Met een hechte overtuiging kunnen wij verzekeren dat de tijd zal komen waarin zal gezegd worden: " Wat een geluk dat we die folkloreprogramma's gehad hebben!"
Iets minder gelukkig was Humo-Tv toen de BRT zijn huisstijl een ambachtelijke toets wilde geven. Het waren de jaren dat de kleine boeren van het land verdwenen en dat oud alaam en hoefijzers menig woonhuis gingen sieren. Ook de BRT-decorbouwers stapten mee in die mode wat een sneer van Dwarskijker ontlokte (17.1O.60): Onze omroepsters verschijnen nu in nieuwe decors waarin karrenwielen en visserslampen met elkaar afwisselen. Ter aanvulling van deze outer-en-heerd-stijl kunnen de BRT-mensen misschien ook putten uit de voorraad spreuken in de stijl van daar-alleen-kan-liefde-wonen-daar-alleen-is-het-leven-zoet. Zo'n ingelijste huis- tuin- en keukenfilosofie zou het niet kwaad doen tussen lamp en rad."
Het was niet allemaal outer en heerd. Zo liep de 11-juli uitzending van 1960 onder de progressieve titel Sinjaal 1302. Iemand moet dat signaal niet goed begrepen hebben: het ballet van Lydia Chagoll was er het slachtoffer van. Haar dansers moesten "noodgedwongen improviseren op de muziek van een geluidsband die achterstevoren werd afgespeeld; het was bovendien de verkeerde geluidsband."
“Vergrootglas op de postzegel”, met in het decor, jawel, een vergrootglas en uitvergrote postzegels. (Zondagsvriend)
Vertel ons uw ongeval!
In 1959 had de wereld nog nooit van flippo's gehoord, er werden toen nog sigarenbanden en postzegels verzameld. De postzegelverzamelaars hadden zelfs hun eigen programma ("Postzegelrubriek") dat om de àcht weken liep. Op aanvraag "van vele verzamelaars" kreeg het in 196O een maandelijkse regelmaat en een nieuwe naam ("Vergrootglas op de Postzegel"). Het decor bestond uit, jawel, uitvergrote postzegels.
In dezelfde periode zag ook de hengelrubriek het licht en die had meteen de juiste naam te pakken, namelijk "Beet"! De onderwerpen die in Beet aan bod kwamen, lagen nogal voor de hand: De Snoek, de Forel, de Karper, De Hengelroede en (voor gevorderden) De Lijntechniek.
Dwarskijker "weet niks van vissen" maar noemt het een aangenaam programma "omdat het gepresenteerd wordt met de nodige zin voor humor". Ingewijden herinneren zich zelfs dat in de studio ooit "met een werphengel een vislijn is uitgeworpen", wat een prestatie mag genoemd worden gezien de geringe afmetingen van Studio 6 (amper 8 bij 12 meter!)
Ook de autorubriek "Autorama" was zo opgevat dat hij voor niet-automobilisten "prettig en boeiend kon zijn". Het onderdeel dat het meeste succes had, was de Pechvogel van de maand: kijkers die een ongeval hadden gehad met hun wagen mochten een brief schrijven en hun ongeval werd dan volledig naverteld en gereconstrueerd in de studio. Al na enkele weken zat de regisseur met zeshonderd brieven van brokkenmakers, "dus we kunnen nog aardig verder!"
Eind de jaren vijftig had je ook nog een luchtvaartrubriek, een scheepvaartrubriek ("met aandacht voor fluviale en maritieme wetenswaardigheden") én een rubriek voor uitvinders en uitvindingen. Die laatste heette natuurlijk "Eureka" en zag van 1955 tot 1961 tal van échte en vermeende innovaties de revue passeren. Enkele zijn algemeen goed geworden: rolluik, draagbare wieg in plastiek, wasmachine voor vaatwerk, plooibaar tafeltje, het elektronisch orgel en de voetbal met plastic omhulsel (niet wateropzuigend). Andere werden helaas nooit in de handel gebracht: een elektrisch snuittoestel, een piano met ingebouwde bar en een automatisch duivenhok.
Presentatrice Terry Van Ginderen en de uitvinder van de individuele box voor kalveren. Let ook op het houten tafeltje met enigszins dikke poten.
De presentatoren Pol Heyninck en (later ook) Terry Van Ginderen hadden het niet makkelijk met hun uitvinders: "Het gevaarlijkste was als je vroeg of het toestel makkelijk te demonteren was. Oh ja, natuurlijk mijnheer, en de eerste schroef bleek al moervast te zitten." Terry Van Ginderen is de geschiedenis ingegaan met de uitvinder van een kurkentrekker voor champagneflessen (zonder spuiten!!). De man had tien jaar aan zijn uitvinding gewerkt, tijdens de repetitie liep alles perfect, maar in de uitzending raakte hij de fles nog maar aan en "de stop ging met een vreselijke knal de lucht in daarbij champagne spuitend tot in de zwarte lokken van Terry Van Ginderen".
Stijn Streuvels verjaart
De Vlaamse Televisie heeft in die beginjaren ook een aantal legendarische kwissen voortgebracht zoals 100.000 of Niets, Eén tegen Allen en de Muziekkampioen. Vooral "de 100.000" beroerde danig de kijkende gemoederen, in zoverre zelfs dat Humo de volledige kwis door een achtkoppige stenodactylo-ploeg liet opschrijven en die woordelijke weergave verscheen dan enkele dagen later in het blad (soms over zes volledige pagina's!) Elke kandidaat moest vier quizweken zien te overleven en de weinige bollebozen die het tot winnaar brachten werden tot volkshelden uitgeroepen ("Laureaat Windels is een nationale figuur. Hij wordt te Torhout gehuldigd alsof hij uit de Guldensporenslag terugkeert. De stedelijke overheid ontvangt hem op het stadhuis, de plaatselijke scholen krijgen een dag vrijaf en er trekt een feestelijke optocht, met trommels en trompetten, door de bevlagde straten.)
Naast die quizzen die heel het land in de ban hielden, zijn er kleinere formules geweest die jàren gelopen hebben en die niettemin helemaal in de vergetelheid zijn verzeild. Neem de Tv-Rebussen, ze kwamen tussen 1954 en 1961 op het scherm, ze droegen namen als Rarara, Schaakmat en Labyrint, en ze konden "op een trouwe schare van honderden piekeraars en puzzelaars rekenen". De rebussen dienden als "proefstation voor beginnende omroepsters" en zowel Terry Van Ginderen, Denise Maes, Monique Delvaux, Aimée De Smet en Emmy Cassiman maakten er hun opwachting. Humoradio rekende ze tot de "intelligentste tv-uitzendingen" en schreef een bevlogen stuk over hun geestelijke vader: John Buydens. (In Aalst woont een rustige man met een stille stem die om de veertien dagen wanhoop zaait in honderden harten. Op zijn woord duiken honderden mensen met peinzende, gekwelde gezichten in boeken, encyclopedieën en oude kranten; ze rennen naar bibliotheken en maken al hun vrienden en kennissen zuur met de gekste vragen.")
Tv-rebus: een programma voor puzzelaars en raadseloplossers (Ingescand uit Humo/ Herman, Selleslags)
In de zomer werd de Tv-Rebus vervangen door de toeristische TV-Rally en dat bracht op zijn beurt hele autokaravanen op gang ("Een grote drom automobilisten jaagt de baan op om in allerlei afgelegen hoeken van het land boomomtrekken te meten of op oude grafstenen rond te scharrelen. "Ge moet hem niet meer meten, meneer", zei de oude boer in Itegem die in een uur tijd wel duizend vreemdelingen in de buurt van zijn boom had zien sluipen, "het is 4,55 meter." )
Wat me telkens verwondert, is hoe massaal er toen op tv-uitzendingen gereageerd werd. Om één ampel voorbeeld te geven. In februari 1961 was er een "Aangename Kennismaking met Hoogstraten". Op het einde van de uitzending was er de mededeling "dat de 1OO eerste kijkers die een kaartje schreven naar de burgemeester, een stenen bierpot met het wapen van Hoogstraten zouden ontvangen". Nog diezelfde avond kwamen er al gegadigden met hun kaartje aangereden, uit de onmiddellijke omgeving maar ook "uit Gent, Oostende en Nederland." De volgende morgen arriveerden "nog eens 3OO telegrammen" en tegen 16u had de post al 7OOO brieven ontvangen. Enkele weken later hield de zondvloed op "en werden 24.007 brieven geteld, waaronder ook één van het paleis te Laken!"
De strafste "brieven-trekker" op tv was toch wel Nonkel Bob. Toen Stijn Streuvels negentig jaar werd, deed hij een oproep om verjaardagskaarten naar de auteur te sturen. Resultaat: de gevierde schrijver ontving 40.000 kaarten van kinderen. Dat waren nog eens tijden! Toen had een kind nog eelt en inkt op de vingers!
Zeg het met stekskens
Eén ding staat vast. Televisie bracht toen een nationaal én internationaal enthousiasme teweeg alsof men op weg was naar een nieuwe Volkerenbond. We citeren uit Tv-Kijker van juni '56 (Zeg het met stekskens!) "Tijdens de rust van de voetbalwedstrijd Zwitserland-Brazilië werd een stunt uitgehaald die een biezondere vermelding verdient. Wetend dat alle TV-landen aangesloten waren, brachten de Zwitsers een groet aan de sportliefhebbers van Europa. Er werd tot drie geteld, toen ging het licht uit en dan streken de 35.OOO aanwezigen een lucifer aan. Dit gebaar was heel sympathiek en gaf een TV-effekt dat zijn gelijke niet heeft. Er waren ook honderden aanwezigen die het zo goed vonden dat ze gedurende de tweede speelhelft nog voortdurend lucifers bleven aanstrijken."
Dat tv-voorbeeld vond ook navolging in ons land want bij de volgende 1 mei-stoet te Gent werd "eveneens een groet met stekskens gebracht".
Alles wat op de buitenlandse schermen gebeurde, was nieuws voor de Vlaamse tv-bladen, en vooral de Amerikaanse tv-quizzen waren een bron van verbazing. In 1957 was er een quiz op NBC ("De koning der bergen") waarbij de deelnemers bij elke opgeloste vraag hoger op een studioberg mochten klimmen. De meeste klimmers bereikten echter nooit de top omdat de berg steiler werd en de zakken van de klimmers gevuld werden met het gewonnen geld "waardoor ze al eens naar beneden donderden". In 1958 was er een Amerikaanse quiz die als hoofdprijs "een Schots eiland weggaf". Toen het eiland gewonnen was, bleek dat er nog zestien Schotten woonden aan wie niks gevraagd was. De "leukste" prijs komt op rekening van de quiz Truth or Consequences (1958): de verliezer kreeg een "blinde wereldreis": in een week tijd werd hij rondgeleid door veertien landen in Europa, Azië en het Midden-Oosten, maar "met een blinddoek voor de ogen". De blindeman moest telkens raden waar hij was en de "hele lachwekkende vertoning werd door de TV uitgezonden".
Naast spannende quizzen waren er ook aparte slaaprituelen op het scherm. Op de Canadese televisie was er een dagelijks sprookje voor de kleuters dat uitgeleid werd met de woorden: "En dit is dan het einde van de uitzending voor vandaag". Waarna de zender zichzelf uitschakelde en een tiental minuten zwart bleef "en waardoor de kleinsten dus geloofden dat het inderdaad bedtijd was."
Het Amerikaanse tv-station DX-22 had in 1960 een slaapritueel voor volwassenen. "Elke avond neemt het afscheid met een man op het scherm die twee minuten lang geeuwt. Dat slaapdronken gezicht bevalt de Amerikaanse kijkers zodanig dat zij de de tv-directie verzocht hebben dit beeld vijf minuten lang op het scherm te houden. Het maakt hen zogezegd aangenaam vermoeid en zo slapen de Amerikanen beter".
De BRT had een eigen studio-kapel om de tv-zondagsmis te kunnen opdragen; maar meeestal werd de zondagsmis live en in één of andere parochiekerk opgenomen. (Zondagsvriend)
H. Clara, patrones van de televisie
Niet alleen de nachtrust, ook de spijsvertering was een punt van bekommernis. In Italië stonden in 196O zo'n half miljoen tv's in cafés en eethuizen opgesteld en Het Verbond der Restaurateurs heeft "thans besloten dat de Tv-apparaten zullen uitgeschakeld worden op het moment dat de vis wordt opgediend. Al te dikwijls moet men immers ondervinden dat de gasten te zeer in het tv-spektakel zijn verdiept en in ettelijke gevallen moest een dokter worden geroepen om de graat uit de keel van een gast te verwijderen."
Tv en vis eten gaat moeilijk samen, maar het glazen scherm en de glazen serre, dat is wel een combiné. In 1957 werd in Hoeilaart immers een nieuwe druivenvariëteit geteeld: De Televisie-Druif. "Ze heeft geen pitten, heeft een zeer dunne huid en is buitengewoon van smaak. Aan de rijkvoorziene kroon der Brabantse druiventeelt is zij een nieuwe parel en Paula Semer heeft dan ook geen ogenblik geaarzeld om het meterschap van de Televisie-Druif op zich te nemen".
Dat er sinds 1958 ook een Patrones van de Televisie bestaat zal u allicht ontgaan zijn. De beschermheilige is de H. Clara van Assisi en de man die haar met deze titel bedacht, was Paus Pius XII. De H. Clara (1193-1253) kwam voor de televisie in aanmerking omdat zij "regelmatig bezocht werd door goddelijke visioenen". Ook bij de BRT bekleedde deze patrones een voorname plaats, dat lezen we in Zie Zondagsvriend. Immers, de BRT zond elke zondag een tv-mis uit, maar om niet telkens het hele tv-circus in een kerk te moeten installeren, werd in 196O een kapel in een tv-studio nagebouwd, altaar, tabernakel en kandelaars incluis. Vanuit deze vaste studiokapel werd de H. Mis om de vier weken uitgezonden, en "bij haar inwijding werd de kapel toegewijd aan de H. Clara en de H. Gabriël" (De H. Gabriël was al enkele jaren de Beschermheilige van de Radio omdat hij de Blijde Boodschap had gebracht aan Maria,jh).
Limburg...Even Geduld
Wie de beschermheilige was van de antenne-installateurs is minder duidelijk, in elk geval is in 1958 sprake van 117 Franse installateurs "die tijdens hun werk van een dak zijn gevallen". Twee vielen dood, 28 werden zwaargewond, 63 lichtgewond en 24 anderen kwamen er "met de schrik vanaf".
De tv-antenne op het dak waarmee de Vlaamse televisie "ontvangen werd" is altijd de meest kwetsbare factor geweest van de beginnende televisie. Dat bleek overduidelijk in het blijkbaar verre Limburg. Wie in het noorden van die provincie woont, moet een antenne van 12 tot 18 meter plaatsen ("en dus 5000 tot 7000 fr extra op tafel leggen") om de BRT te kunnen ontvangen. Het oosten van Limburg is nog zwaarder getroffen: in het centrum van Maaseik komt geen enkel BRT-beeld door en elders is het kijken naar de BRT alleen mogelijk in de zomer ("In de winter zijn er perioden dat het beeld geheel verdwijnt".) De Limburgers werden toen beschouwd als de tv-martelaars van Vlaanderen ("Men dient de moed van de Limburgers te bewonderen om dag-in dag-uit naar zwakke, gestoorde beelden te kijken.") Het is dan 1961, de Vlaamse televisie bestaat al zeven jaar.
Ook elders in het land is de tv-ontvangst soms erg fragiel. Kijkers aan de Noordzeekust signaleren na een storm vaak sneeuwvorming op het scherm. De oorzaak blijkt de stormwind te zijn die een zoutlaag aanvoert op de antenne. Wanneer u het slachtoffer wordt van een zoute antenne en gij vrij zijt van hoogtevrees, klim dan op het dak met een emmer water en geef antenne en kabel een flinke beurt.
In de Antwerpse Kuyperstraat had een kijker ook problemen ("bij momenten verdween het beeld geheel van zijn scherm"). De man klom op zijn dak en ontdekte "een volwassen Zuid-Amerikaanse visarend, een zogenaamde harpij op zijn antenne. Die was enkele uren tevoren uit de dierentuin ontsnapt". Elders wordt ook melding gemaakt van storende duivennesten.
Duiven en antennes zorgen trouwens voor hele bladzijden polemiek in de kranten. Vooral de duivenmelkers hebben het niet begrepen op die metalen obstakels ("de spankabels maken immers slachtoffers onder onze reisduiven"). Gevolg: in een aantal Vlaamse gemeenten zoals Ekeren en Kessel-Lo is het bij politiereglement verplicht om beschermende kurken stoppen op de spankabels aan te brengen zodat de duiven de kabels kunnen onderscheiden en vermijden.
Een enkeling wist de tv-storingen ook in gunstige zin aan te wenden. In de "veelal verlaten landerijen van Schotland" is het zelfs een middel tegen schapendieven. Eén boer blijft de hele nacht wakker voor zijn scherm en "aan het verschijnen van storingen kan hij zien dat er een wagen in de buurt van zijn kudde komt".
De mooiste storing vond plaats in Midden-Engeland waar een kijker elke avond om 1Ou hevige ruis ondervond. De storingsdienst van de BBC kwam ter plaatse en zij ontdekten na lang zoeken de bron: een nabijgelegen kostschool voor meisjes. "Inderdaad, precies om 22 u gingen de meisjes naar bed. Zij ontkleedden zich dus allemaal op hetzelfde ogenblik en de meisjes van heden ten dage dragen bijna allemaal nylonkousen en nylon ondergoed. Het uittrekken van die kledingstukken verwekt frictionele elektriciteit die zich in kleine vonken ontlaadt, en dit -vermenigvuldigd met enkele honderden leerlingen- was voldoende om het TV-beeld van onze man grondig te bederverven.”)
De knipsels liggen opzij, de wonderjaren liggen achter ons, en toch moet ook dit overzicht onvolledig blijven. Immers, welke flitsen waren er te zien in het programma "Flitsen"? En voor welke trage doelgroep was "Vertraagde Sekwenties" bestemd? En waarom hebben we nooit meer iets gehoord van de "Mooiste branden van België", een allicht knetterende uitzending van programmamaker Nest Jansen? We zijn ernaar op zoek gegaan, we hebben navraag gedaan, maar zonder enig resultaat.
En dan is er nog die éne existentiële uitzending die ik graag met eigen ogen gezien had, maar die allicht voor eeuwig in de nevelen des tijds is opgenomen. Dat was "Varia" van 14 december 1956 met naast "kerst-knutselen" oook "een boeiend praatje met Professor Twiesselman: hij vertelt ons wie we zijn en waar we vandaan komen."
<w> Verdwaald in de sneeuw van de Hoge Venen
De voorbije dagen ontstond er een auto- en wandelfile op de besneeuwde Hoge Venen. Er heerste zo'n corona-wandelgekte en de bermen stonden bezaaid met zoveel auto's dat de lokale overheden voor nieuwjaar en dit weekend alle parkings en alle toegangswegen naar de Hoge Venen (en naar de Bataque Fraiture) afgesloten hebben.
In 2003 liep een dagje "naar de sneeuw gaan" en "een beetje wandelen" bijna fataal af voor twee jonge gezinnen en hun vier kinderen. Wat ze onderschat hadden: dat de Hoge Venen duizenden hectaren groot zijn en dat de temperatuur er overdag kan zakken tot min tien en lager.
Humo februari 2004 - © Jan Hertoghs
© Jan Hertoghs
"Doodstil was dat bos en dan stonden er ook nog kruisen van mensen die daar omgekomen waren!"
Zelfs terwijl ze het verhaal vertelt, kan ze nog altijd "amper geloven" wat hen in de winter van 2003 overkomen is. "Verdwalen in België, dat geloof je toch niet." Voor vier volwassenen en vier kleine kinderen was de dag begonnen als een uitstapje naar de sneeuw, maar toen het duister viel werden ze gegijzeld in een ùren durende zwerftocht door het ijs en het slijk van de Hoge Venen. Wendy Arijs (29) heeft vaak getwijfeld of ze het einde wel zouden halen.
Wendy: « Het had 's morgens lichtjes gesneeuwd en ineens kwam dat bij ons op, we gaan met de kinderen naar ergens waar meer sneeuw ligt. Vrienden opgebeld, en die spraken direct van de Hoge Venen, die waren daar al een paar keer gaan wandelen, in de zomer en in de winter. Oké, we hielden de oudste een dagje van de lagere school want het was een gewone dag in de week, en om half elf zijn we vertrokken. Met mijn man Johan, de vrienden Kris en Nicole, haar dochtertje, en onze drie kinderen.
Humo: Hoe oud waren de kinderen?
Wendy: « Onze oudste, Jelle, was acht, Paulien was vijf, Kobe was twee jaar, en Luna -het dochtertje van de andere familie - was vier.
Humo: Waren jullie al op de Hoge Venen geweest?
Wendy: « Nee, nooit eerder. Ik kende wel de Ardennen, maar van de Hoge Venen wist ik niets. Die vrienden van ons wisten wel wat ze konden verwachten, die hadden een dikke jas, een muts en skilaarzen aan. Mijn man en ik hadden geen handschoenen, geen muts, geen sjaal, wij hadden alleen maar een dikke jas en onze wandelschoenen. De kinderen waren wel warm ingeduffeld, met pet, sjaal en handschoenen, maar aan hun voeten hadden ze van die gewone regenlaarsjes. Later hoor je dan zeggen dat wij door zo gekleed te gaan "de problemen gezocht hebben", maar ja, wij waren niet zinnens om een wandeling te maken, we gingen alleen maar wat in de sneeuw spelen met de kinderen...
© Jan Hertoghs
Humo: Hadden jullie iets mee om te eten en te drinken?
Wendy: «Voor de namiddag hadden we een pak Samsonkoeken en een thermosje koffie mee en 's middags hebben we onze picknick gegeten op de Botrange."
Humo: Waren er nog bezoekers?
Wendy: « Nee. Die parking was leeg en verlaten, omdat het ook maar de eerste sneeuw was die daar gevallen was, er lag amper vijf centimeter. Om niet op de parking te blijven spelen, zijn we dan een asfaltweg gevolgd.
Jelle: « En daar hebben we in de sneeuw gespeeld en met sneeuwballen gegooid.
Wendy: «Na een half uurtje waren we al spelend enkele honderden meters verder gestapt en daar zagen we een blauw plakkaatje staan met een aangegeven wandeling: afstand 6 km. Ik herinner me dat symbool van die wandeling nog goed, er stond een slakje op (lacht). En dat pad zijn we dan beginnen volgen. Het was halftwee, de kinderen waren helemaal niet moe, en dus dachten we: zes kilometer, dan zijn we hier binnen anderhalf uur terug."
Humo: Hadden jullie vrienden een wandelkaart?
Wendy: «Nee. Want er was geen plan geweest om te gaan wandelen. Het was ook een duidelijke, brede verharde weg die van die open vlakte in een bos overging. Maar toen we een eind in dat bos liepen, kwamen er wel overal putten en slijkplassen in die weg. Maar ja, je wandelt verder, seffens zal de weg wel beter worden! Maar hij werd niet beter. Terugdraaien hebben we ook niet gedaan, je bent algauw een uur aan het stappen en in ons gedacht gingen we binnen een half uur weer bij het begin zijn. Ook na anderhalf uur stappen denk je niet aan terugdraaien, en na twee uur ook niet. Je denkt altijd maar: seffens zijn we er.
© Jan Hertoghs
Het was intussen half vier en de kinderen begonnen het echt koud te krijgen. Ik had de jongste dan al bijna een uur en drie kwartier op de arm omdat de weg niet te doen was voor dat kind. De twee meisjes wilden én konden vanaf twee uur niet meer op hun slee blijven zitten omdat de weg zo slecht was. Die sleeën haperden in het slijk en achter takken en wortels, dat ging niet meer.
De oudste had intussen natte voeten gekregen doordat er sneeuw in zijn botjes was gesmolten, en omdat het allemaal zo lang duurde was ie ook in paniek geslagen. Jelle is een kind dat snel overstuur is als de dingen hun gewone gang niet gaan, en hij wilde niet meer van de slee. Hij hield zich krampachtig aan die plankjes vast. Zeker toen het donker begon te worden in dat bos.
Humo: Hoe laat was het dan?
Wendy: « Om vier uur begon het te schemeren en om half vijf was het donker. Op dat moment begonnen de kinderen ook te voelen dat er iets mis was, door zo'n donker bos wandelen, dat weten zij ook dat dat niet normaal is. En die weg bleef maar slecht. Hij zag er wit en proper uit, maar dat was slechts een dun laagje sneeuw dat bevroren was. Dat kraakte onder je voeten, en dan zakte je in de modder en in de plassen. Op sommige plaatsen zaten we tot aan onze knieën erin. Je zet een stap, je voet zakt weg, je broek en kousen zakken in dat slijk, en met moeite krijg je je been terug. Op sommige momenten moesten wij mekaar letterlijk uit het slijk trekken. Zo hard zoog die modder. Desondanks zaten we nog altijd op een duidelijk pad tussen de bomen. We waren niét afgeweken van onze wandelweg, alleen zagen we geen bordjes meer.
© Jan Hertoghs
Ik zag twee beren
Wendy: «En toen was er ineens dat lint over de weg met de letters DANGER. Maar ja, wat moet je doen? Het is donker, en teruggaan is te ver. Dat was zeker drie uur stappen, dat konden de kinderen niet meer aan. We zijn dan voorbij dat lint gestapt en daar was de slijkmiserie nog erger. Bij elke stap moesten wij testen: ga ik erin zakken of niet? Die meisjes waren dapper, die bleven stappen. Maar Jelle was niet meer van zijn slee te krijgen, die zat daar als verstard, en maar huilen van de schrik dat wij in de modder gingen zakken. Mijn man trok die slee met hem erop, maar ja, die slee kantelde soms om in een slijkspoor en dan viel Jelle in die sneeuw en in dat slijk... En elke keer begon ie weer te huilen, dat was verschrikkelijk. Hij wou ook dat we zijn natte laarsjes uittrokken omdat ie zo'n kouwe voeten had. Dat hebben we gedaan en ik heb mijn trui uitgedaan en rond zijn twee voeten gewikkeld. Het moet toen bijna half zes zijn geweest. Die kou, dat was verschrikkelijk. Ik voelde mijn wangen en mijn handen letterlijk verstijven. (Het KMI mat op het weerstation van de Botrange temperaturen tot min negen die 's avonds daalden tot min twaalf,jh.)
Humo: Had je de kleinste nog altijd op de arm?
Wendy: « Ja. Zijn botjes had ik intussen ook uitgedaan en rond zijn voetjes had ik mijn sjaal gebonden. Kobe heb ik binnenin mijn jas gedragen, de ritssluiting was dicht en zo hield ik 'm tegen mij aan. Zijn hoofdje stak nog uit de kraag, dat lag tegen mijn hals. Het was niet makkelijk met zo'n gewicht op mijn armen, je moet dan je evenwicht zoeken in dat slijk, heel voorzichtig, want je wil niet voorovervallen met dat kind.
Humo: Hebben jullie onderweg liedjes gezongen om de moed erin te houden? Zo gaat het goed, zo gaat het beter, alweer een kilometer!
Wendy: « We hebben véél liedjes gezongen om hun gedachten wat af te leiden. Klein klein kleuterke, 'k Zag twee beren, Altijd is Kortjakje ziek, alle klassiekers hebben we gezongen. Ik heb ook nog verteld van Klein Duimpje en dat die toch ook zijn weg naar huis had gevonden. 't Was allemaal om ze gerust te stellen hé. Wij hebben onze ongerustheid heel de tijd verborgen gehouden, maar die kinderen moéten die spanning natuurlijk wel gevoeld hebben, dat kan niet anders.
Humo: Vroegen de kinderen niet: hoever is het nog? wanneer zijn we er?
Wendy: « Natuurlijk. Maar we hebben die vraag altijd ontweken. We zegden: het is ietske verder dan we gedacht hadden, maar we zijn er bijna... We hebben ook altijd volgehouden dat we goed wisten waar we waren.
© Jan Hertoghs
Humo: Hoorde je nog auto's in de verte waarop je je kon oriënteren?
Wendy: « Je hoort daar niks! Alles is daar doods, er is niks dat beweegt, nog geen vogel in de takken. Het enige wat we hoorden, waren onze stappen in dat slijk en dat zuigen van die modder. Om vijf uur hield ik het niet meer. Ik wilde de politie bellen om ons te komen helpen. Kris was ertegen, die wilde voortstappen, die liep honderd meter voorop, en die had het gevoel: zo direct komen we op de grote weg en dan is alle miserie voorbij. Maar ik zag dat niet zitten, er was intussen ook wind opgestoken, en die sneed ijskoud in ons gezicht. Ergens tussen vijf en half zes heb ik mijn gsm genomen en de 1O1 gebeld. En dàt moment dat je dàn een stem hoort... dat is zo overweldigend, ik kon alleen maar huilen, ... ik kon zelfs niet praten, ik kon geen woord uitbrengen. Ik gaf mijn gsm aan Nicole en bij haar kwamen de tranen ook, zij weende ook.
Handschoenen aan de voeten
Wendy: «Die politieman vroeg dan om de plek te beschrijven waar we waren, maar je ziet daar alleen maar sparren en niks anders. Ik heb wel gezegd in welke richting wij het sikkeltje van de maan zagen en ook dat we blauwe plakkaatjes gevolgd waren vanaf de Botrange. Hij vroeg dan hoelang we al aan het stappen waren, of er kinderen bij waren en hoe oud die waren. Toen wist hij genoeg, en om de gsm te sparen zouden ze van dan af sms-jes sturen om te zeggen wat wij moesten doen. Die sms-aanwijzingen kwamen blijkbaar van twee verschillende personen. De ene gaf ons de raad: blijven stappen, niet stilstaan. En de andere sms-te: ga naar een open vlakte en wacht daar op de helicopter. Dat laatste hebben we niet geprobeerd, als we nog maar op die bosweg bleven stilstaan, dan hielden we het niet uit van de kou.
Humo: Heb je die barre Hoge Venen vervloekt op dat moment?
Wendy: «Ik heb niks vervloekt. Je denkt maar aan één ding: ze gaan ons komen zoeken, nog even, en dan gaan ze ons vinden. Ik was in elk geval heel blij dat ik mijn gsm bij me had. Nicole had voor het vertrek nog gezegd, "allez, ge gaat uwe gsm toch niet meenemen, 't is daar zo rustig in die bossen!" Maar had ik die gsm niet gehad en niet kunnen horen dat er hulp kwam, dan had ik nooit de moed gehad om verder te stappen. Alles deed pijn, mijn armen, mijn schouders, mijn benen, ik kon met moeite nog ademen, het was verschrikkelijk. Wat het ook luguber maakte, was dat we heel de tijd hoorden schieten. Zit het leger daar niet ergens in de buurt?
© Jan Hertoghs
Humo: In Elsenborn is een legerkamp.
Wendy: «Die moeten in de bossen maneuvers gehouden hebben. Wij hoorden in elk geval regelmatige geweerschoten. Ik vond dat heel luguber, dat het zo stikdonker was en dan dat schieten. Ik dacht natuurlijk ook aan dat lint met "Danger", misschien waren we wel naar een schietterrein aan het stappen waar je helemaal niet mag komen! En intussen passeerden we dan nog van die houten kruisen van mensen die daar omgekomen waren... Gelukkig heeft onze Jelle ze niet gezien.
Humo: Toen waren jullie allicht ook niet meer aan het zingen?
Wendy: « Oh jawel, we zijn héél lang blijven zingen. Zelfs met een krop in de keel zongen wij nog. Maar in je binnenste ben je wanhopig, hoe làng gaan de kinderen dat nog volhouden, die kou, en dat stappen? En je doet alles voor die kinderen. Soms hielden we een minuutje halt en dan boog Kris zich over de slee met Jelle om die jongen toch een beetje warmte te geven. Kris heeft ook zijn warme handschoenen aan de voeten van onze Jelle getrokken. Mijn trui zat er dan nog rond en ook mijn gilet. Ik had niks meer onder mijn jas, alleen nog een zomers topje met blote armen (lacht). Je doet alles om die kinderen toch maar warm te houden. Ik had zo'n gewatteerde babytas bij waarin je een zuigfles en slabbetjes bewaart. Daar heeft Jelle ook met zijn voeten in gezeten.
Jelle: "Dat weet ik nog. En ik zat op de slee en ik wilde een hert zien, maar ik heb geen enkel hert gezien."
Paulien: "Ik heb veel gestapt en ik heb dikwijls aan ons huis gedacht, en aan mijn bedje en aan onze poes Flor.
Pijn! Pijn!
Wendy: «Rond half zes hebben we de politie gebeld en om zeven uur zagen we achter de bossen een blauw schijnsel. Zwaailichten! Ik kreeg de tranen in de ogen, ze hebben ons gevonden, ze zijn niet veraf meer, nog eventjes en dan zijn ze hier! Helemaal in de verte zagen we toen ook een klein silhouet van een toren, allicht de Botrange, en ik heb toen nog gedacht, wat een geluk dat ze ons komen vinden, want zover kunnen wij nooit meer stappen. Het erge was dat dat schijnsel van die zwaailichten ook weer verdween. Dan kwam de twijfel terug, ze zoeken in de verkeerde richting, ze gaan ons niet vinden!
© Jan Hertoghs
Humo: Was er ook geen helicopter onderweg?
Wendy: « Ja, ze hadden ons gezegd dat er een helicopter zou komen en dat die ook 's nachts mensen kon vinden met infrarood-apparatuur die reageert op warmtebronnen. Vanaf zes uur wisten we dat en vanaf dan hebben we elke minuut gedacht dat we die helicopter hoorden. Sst, zijt eens stil, maar hoe we ook luisterden, het bleef stil. Rond zeven uur kregen we dan een berichtje dat de helicopter niét kon opstijgen, dat er problemen waren "met de koude" (Volgens de kranten: "ijsafzetting op de schroeven", jh). Dat was een grote tegenslag, dat wilde zeggen dat de hulp alleen maar vanop de weg kon komen.
Humo: Kregen jullie heel de tijd berichtjes?
Wendy: « We kregen heel weinig berichtjes. Wat we wel kregen waren berichtjes van de operator, welkom op het grondgebied van X, welkom op het grondgebied van Y. Dat was zo frustrerend! Bij elk biepje dachten we dat het de politie was, en elke keer was het de operator.
Ik begon ook schrik te krijgen voor mijn jongste. Die had heel de tijd geklaagd van pijn! pijn!, maar op de duur viel die in slaap tegen mijn hals, dat kind hing zo zwaar en zo slap tegen mijn lichaam, ik was er niks gerust in. Ik was bang dat hij stilletjes het bewustzijn aan het verliezen was. Ik had al horen vertellen van mensen die onderkoeld raken, en dan begin je te denken, néé, dat mag niét gebeuren! Kris liep nog altijd voorop, soms zover dat we hem niet meer zagen, en dat was ook een schrik van mij, straks raken we mekaar nog kwijt in dat bos! Maar ja, dat was zijn manier om met de situatie om te gaan, hij wilde per se de grote weg vinden om dan direct naar ons te roepen dat we d'r waren!
Humo: Om zeven uur waren jullie al bijna zes uur aan het stappen. Wat vroegen de kinderen dan?
Wendy: « Niet veel meer. Af en toe zegden ze dat ze moe waren, dat was alles. Och, die twee meisjes waren zo moedig. Overdag zouden ze zo'n lange afstand nooit kunnen gaan, en nu hebben die niet één keer geklaagd, niet één keer gezegd dat ze honger of dorst hadden. Die hebben werkelijk dat besef gehad, als we klagen, dan maken we het voor de grote mensen alleen maar erger.
Humo: Kon je jezelf nog afleiden met troostende gedachten, straks warm eten en een warm bed?
Wendy: « Daar dacht ik niet aan. Ik was volledig gefixeerd op het lot van die kinderen, hoelang houden die dat nog vol?! Je gaat ook twijfelen of je 't zelf wel uithoudt. Ik droeg al uren onze Kobe, dat was toch een gewicht van veertien kilo, dat woog, dat deed pijn aan mijn armen, mijn schouders. En ik had ooit eens hartritmestoornissen gehad, en dat begint ook te knagen, oh, ik hoop maar dat ik dat nu geen aanval krijg, want dan...
We trokken ook nog altijd twee sleetjes mee, dat werd op de duur een vreselijke ballast. Het was trekken en sleuren, je wil ze gewoon langs de weg laten staan, maar je denkt... als één van de kinderen uitgeput ineen zakt, dan moeten we ze toch nog altijd op een sleetje kunnen leggen. Ja, dat zijn bange gedachten.
© Jan Hertoghs
Op het randje
Humo: Wanneer heeft de politie jullie dan gevonden?
Wendy: « Zij hebben ons niet gevonden. Wij zijn heel de tijd blijven stappen op dat pad tot we ineens weer het begin van onze wandeling en die blauwe plakkaatjes zagen. Dat was zo'n opluchting! Alle spanning viel van ons af: eindelijk! De bewoonde wereld! Toen konden we ook eerlijk tegen de kinderen zeggen dat we er "bijna" waren! Het was toen ongeveer half negen, dat wil zeggen dat wij zeven uur zonder ophouden hebben gestapt. Niet één keer hebben we halt gehouden om de kinderen wat rust te geven, altijd maar door, door, door! En ik zie me nog uit de venen komen, ik zag die grote weg, ik zag Kris oversteken met Jelle op de slee, ze liepen al naar de parking en naar onze auto, en ik ben daar achter gelopen roepend dat hij direct de verwarming in de auto moest aanzetten. Ik zag alleen maar Kris en Jelle, ik stak blind die weg over en ineens begonnen ze achter mij te roepen, pas op! pas op!, want er kwam een auto aan! Hadden ze niet geroepen, ik had eronder gelegen, zo gefixeerd was ik op dat idee van warmte, de kinderen moeten het warm krijgen!
Humo: Stond de politie dan niet bij jullie auto?
Wendy: « Ja, daar stond een combi met twee agenten maar die waren zeker niet "koortsachtig aan het zoeken" zoals in de krant stond. Die vroegen aan ons of er wat scheelde. Ik kon nog amper praten, mijn gezicht was stijf van de kou en mijn lippen waren helemaal gekloven. Pas toen ze door hadden dat wij de verdwaalden waren, schoten ze in actie, en kwamen er van overal combi's en ziekenwagens aangereden.
Een eind verderop was een gesloten café-restaurant, de politie heeft die man gevraagd om open te doen en daar zijn we echt goed onthaald. We werden gans in dekens gewikkeld, de kinderen kregen chips en warme chocolademelk, en een vriendelijke dokter heeft ons meteen onderzocht om te zien of er geen bevriezingsverschijnselen waren. Hij zei dat onze situatie "op het randje" was en dat er gelukkig nog "een beetje doorbloeding" was. Hij heeft ook verteld over erge gevallen van bevriezing waar men tenen of vingers had moeten amputeren.
Wij waren in elk geval verkleumd tot op het bot. Na anderhalf uur opwarmen zijn we vertrokken, maar na twee uur rijden in die warme auto had ik nog altijd kou.
Humo: In een krant stond nadien: Gezin Bijna Doodgevroren! Was dat overdreven?
Wendy: « Ik weet dat niet. Ik voelde mezelf fel achteruitgaan in die laatste uren. Die pijn, je gezicht dat helemaal verstijft... dat had voor mij toch niet veel langer meer mogen duren.
Te laat
Humo: Heeft iemand jullie verwijten gemaakt over de lichte kledij?
Wendy: « Ze vroegen hoe het kwam dat we zo vertrokken waren, maar ze hebben ons niks verweten. Mijn man en ik hadden natuurlijk een enorm schuldgevoel. Dat we die kinderen zoiets hadden aangedaan. Dat heeft nog lang gewogen. Wij begrepen ook allerminst hoe dat zo is kunnen gebeuren. Als iemand anders me dat verhaal zou vertellen, zou ik denken, allez, hoe kan dat nu?! Ik zit het zélf te vertellen, en dan nog kan ik het amper geloven. Wij waren toch "maar" aan het wandelen, hoe kon dat nu zo slecht aflopen voor ons?!
Humo: Heb je gedacht: ze gaan ons niet kunnen vinden? Ze gaan te laat komen...
Wendy: « Dat heb ik gedacht, ja. Je hoort geen helicopter, je ziet geen jeep, je voelt dat je aan het eind van je krachten raakt en dat je het niet lang meer kan volhouden. Ik wist, als we moeten stoppen, als we zo moe zijn dat we niet meer verder kunnen, dan loopt dat slecht af (stil) Wij hebben echt afgezien. Die houten sleetjes met metalen frame, die waren helemaal kapot toen we aankwamen, dat ijzer en dat hout, dat hing uit elkaar.
Wat ik nog niet begrijp is waarom ze niet met een jeep naar ons zijn gekomen? Om half zes hadden we gebeld en dan nog hebben we drie uur moeten stappen om op éigen kracht op de Botrange te geraken. Konden ze dan niet met een voertuig die blauwe weg afzoeken?
Humo: Misschien waren ze onzeker over jullie locatie. Het is toch een groot gebied: het natuurreservaat alleen is 400O hectaren groot en het hele Hoge Venengebied is meer dan 60.000 hectaren.
Wendy: « Zo groot?! Een geluk dat we dat niet wisten op dat moment! Ik heb nooit gedacht dat een wandelgebied gevaarlijk kon zijn. Dat lijkt zo onwerkelijk, verdwalen in België. Had ik dat vooraf geweten, ik was er niet aan begonnen. Ik vraag me ook nog altijd af of wij wel verdwaald zijn geweest. Want op het einde zijn we die blauwe plaatjes toch weer tegengekomen. Het is een raadsel. Vrienden hebben op basis van ons verhaal dat traject proberen te vinden, maar de enige weg die met een grote boog om de Botrange loopt, is geen zes maar vijfentwintig kilometer lang. En dat zou kunnen, zeven uur stappen aan een moeizaam tempo van 3,5 km per uur.
Humo: Reageren de kinderen nu anders als het nog eens sneeuwt?
Wendy: « Voor andere kinderen is dat winterpret, maar de onze zijn niet meer zo enthousiast om buiten te spelen. De jongste heeft ook nog lang "pijn!" gezegd als hij sneeuw in de tuin zag liggen.
Ik besef wel degelijk dat wij geluk hebben gehad. Die Hoge Venen, dat is zo'n nare herinnering dat ik het woord zelfs niet graag meer uitspreek. Ik zie me daar nooit meer terug komen.
Wendy en haar drie kinderen. Foto © gie Knaeps
Op kerststallentocht in de Kempen: een autocar van goede wil
Humo december 2005 - licht ingekort © Jan Hertoghs
Koningshooikt © Jan Hertoghs
"Weet ge waarom dat kindje Jezus in een kruiwagen ligt? Zo kan Jozef veel rapper vooruit op zijn vlucht naar Egypte."
Ik belde een autocarfirma. Of ik als journalist kon deelnemen aan een kerststallentocht? "Ge komt tien jaar te laat!" was het antwoord. Tién jaar te laat?! Waar waren mijn gedachten dan geweest in 1993-1994? Waarover had ik zitten schrijven? De opkomst van het internet. Het failliet in de tuinbouw. Het verdwijnen van de telefooncel. Over alles dus, maar geen létter over de hausse van kerststallentochten! En blijkbaar heb ik toen wat gemist.
"In de jaren tachtig en negentig was dat niéuw om met zo'n bus langs die stallen te rijden! Elke bond van gepensioneerden, elke vrouwengilde wou dat doen! Alleman moest dat gezien hebben! Maar nu is het nieuw eraf! De meeste verenigingen hebben die stallen gezien! En wat ook is: de mensen rijden nu zelf! Met hun eigen auto! Wat onnozel is! Want wat voor kerstsfeer is dat nu als ge met zijn vieren in een Toyota zit? Dat is toch nul, dat is toch niks!" Ik moest mijn bron gelijk geven, dat is maar niks.
En ik beloofde alsnog een lans te breken voor die tochten en dat ik - zij het tien jaar later- alsnog een hevig licht zou laten schijnen over dit misschien wel uitstervende cultuurfenomeen. En zo heb ik me in de kerstdagen van 2004 stante pede ingeschreven. Niet in één tocht, maar in twéé tochten. Ik had wat goed te maken.
Kerststallengids Jef moet niet ver zoeken om de teloorgang te illustreren: tien jaar geleden kon hij het aantal tochten "niet bijhouden", dit jaar heeft hij er niet één. Oorzaak: de eigen auto en het boekske. "Bij de provincie Antwerpen zijn ze zo dwaas geweest om al die kerststallen in een boekske te zetten. De mensen hebben geen bus of gids meer nodig, ze stappen in hun auto, ze kiezen een traject en ze zijn weg! Dat boekske, dat is de dood voor ons!"
Provincie Antwerpen - brochure kerst 2004
Vroeger wist niemand die stallen staan, zegt Jef, "ik deed mijn eigen prospectie van gemeente tot gemeente, ik ging op zoek naar die stallen, en zo maakte ik mijn eigen toer." Jef wordt lyrisch als hij over de beginjaren spreekt: "Die bussen zaten stampvol! De ruiten aangedampt van het volk! En er was animatie! Ik las een verhaal voor, de chauffeur zong een lied, dat was ambiance, werkelijk prachtige ambiance!" Ik bel nog enkele gidsen op, hun verhaal is gelijklopend, de tochten zijn op hun retour. Maar! In de Kempen kunt ge nog schone dingen zien! "Vergeet de andere provincies! In de Kempen zijn de meeste en de schoonste stallen omdat ze daar de traditie hebben. Zij waren bij de eersten om de kerststal buiten de kerk te zetten. Ik denk dat er in de Kempen meer dan tweehonderd buitenstallen staan, dat is uniek in Europa."
Van de gidsen verneem ik ook hoeveel voorbereiding zo'n tocht vergt: " Ge moet elk jaar nazien of de stallen er nog staan, en bij nieuwe stallen moet ge rekening houden met de bus: kan onze bus parkeren aan die stal, kan ze draaien op die smalle weg, zijn er soms files in dat dorp, is er misschien een omleiding? Dat moeten wij allemaal nakijken!" De gidsen houden ook steekkaarten bij per stal: wat zijn de bouwmaterialen en wie zijn die bouwers die in zo'n stal-van-een-paar-weken vaak evenveel tijd stoppen als in het bouwen van een klein huis. "Al die informatie moét ge kunnen geven en tussendoor moet ge de mensen in de kerstsfeer brengen. Dat is entertainen en tegelijk ook ernstig zijn, en dat is niet gemakkelijk. Op zo'n kersttocht moet ge niet de brave pater gaan uithangen maar evenmin de Geert Hoste!"
Dinsdag 21 december is de grote dag. Vandaag zal ik de KWB Sint Martinus uit Halle vergezellen op hun tocht. Het is een koude wintermorgen, er ligt rijm op de daken en het pastel van de ochtend samen met de laatste sterren belooft dat het een prachtige winterdag zal worden. In Lier heb ik afgesproken in de kerk van de Heilige Familie. Vanaf daar zal ik de KWB op hun stallentocht vergezellen. De verwarming ronkt al fel in de kerk en dat kan de groep uit Halle op prijs stellen, 't is verdorie goe warm voor zo'n grote kerk! Het Halse gezelschap dat op de kerkstoelen plaats neemt, zie je 's zondags ook in de mis: een paar rijen oudere vrouwen, enkele gepensioneerde mannen met de pet over de knie, wat koppels uit de middenleeftijd en een enkel kind dat mee moet van zijn ouders. Ik maak kennis met onze gids Theo, een man met een groene flappenpet en een onderzoekende blik, het type argwanende leerkracht van het secundair. Hij kijkt vooral achterdochtig als hij spreekt en als ik begin te schrijven. Iedereen in de groep volgt goedkeurend mijn vlijt, maar hij is er niet gerust op, als hij kon zou hij m'n notities opvragen. Theo is echter niet de baas. De baas is Guy, het prototype van de Vlaamse voorzitter, met echtgenote Monique, met ringbaard, met bourgondisch blozende kaken, met joviale gebaren en mét een schat aan gemeenplaatsen.
Voor het altaar van de Lierse kerk heeft een plaatselijke kunstenaar een kerstprocessie gevormd met meer dan honderd beeldjes in klei, het is een lange stoet van Timmermansfiguren en Bekende Lierenaars, en nee madame, Walter Grootaers is er niet bij.
De Lierse kerststal in klei met bekende stadsfiguren. (Kerknet)
Als alle aanwezigen opnieuw in de bus zitten én geteld zijn, neemt de gids de microfoon, hij zegt dat hij "nog iemand moet verwelkomen, namelijk een journalistieke reporter die nota's zal nemen tijdens deze activiteit en die ook de sfeer zal opsnuiven!" De buskoppen kijken om, ik wuif een hartelijke groet en voorzitter Guy heeft al zijn vrolijke noot klaar, "welkom bij onze Katholieke Werklozen euh... Werkliedenbond!" De bus rijdt traag door de smalle straten van Lier en de gids zegt dat Lier "qua verlichting en sfeer zeker de kroon spant hier in de omtrek". Als hij nadien ook nog meldt "dat de zon intussen van de partij is" en dat we "buiten ook de kans krijgen om het witte tapijt te zien", dan weet ik wel zeker dat we hier met een onvervalste Xavier Debaere te maken hebben. Dat belooft!
Van Lier rijden we naar Itegem, bekend omwille van zijn 54 mini-kerststallen die alle in dezelfde tuinwijk staan. De gids licht toe dat hier iets uitzonderlijk is gerealiseerd "door mensen die de handen en ook de koppen bij elkaar hebben gestoken." Jammer voor ons zijn we hier overdag "waardoor de lichtjes in de stalletjes niét zullen branden." De gids weet dat we daardoor de "unieke kerstsfeer" zullen missen, maar hij kondigt aan dat hij "de tocht van vandaag zo zal opbouwen dat we hedenavond ook aan een mooie verlichting zullen toekomen."
Charel Laureys, de kerststallenbouwer, stapt in de bus en geeft microfonisch zijn visie op het kerstgebeuren: het essentiële ven kerstmis is niet meer "in de running", het gaat teveel "de Amerikaanse toer op ", en daar wil Charel wat aan doen. Omdat hij veel stallekes bouwt en omdat veel mensen zo'n stalleke willen plaatsen in hun voortuin, "zijn de mensen in de wijk terug gaan spreken met mekaar," en dàt is voor Charel de échte kerstmis. Voor de bus heeft hij "een kleine boodschap. Dat kerstmis een lichteke mag zijn in het donker plaatske van uw hart, iedereen heeft dat wel, zo'n plaatske waar stil verdriet is. En verder wens ik u vrede. Niet in de verre landen, want daar kunnen we niks aan doen. Maar vrede in uw huisgezin en vrede in uw familiekring, dààr vooral moet het lichteke van kerstmis uitstralen!" Iemand in de bus roept bravo!, Charel krijgt applaus en terwijl iedereen naar "zijne Kodak" zoekt, zegt de gids dat "er ook een drankstalletje is waar de warme Glühwein of de chocomel naar keuze ons zeker zal smaken" en dat "bij dit alles ook de mogelijkheid voorzien is om naar het toilet te gaan."
Onze groep loopt langs de stalletjes, en bij het zien van de vele figuurtjes en de strooien landschapjes is de unanieme commentaar "dat ge d'r maar op moet komen!" Maar dat niet alleen natuurlijk! "Want ge kunt een gedacht hebben, maar ge moet het nog kunnen maken ook hé!" Verder is iedereen het erover eens dat "zoiets bij ons in Halle geen dag blijft staan of het is gepikt. Nen dag? Nog geen vijf minuten!" Guy komt naast mij lopen met opgestoken duim: "Magnifiek hé vriend, al die detailkes! Die waterputtekes, die houtblokskes met die bijlekes d'rin! Effenaf schoon folklore!" De groep blijft intussen dralen bij een kerststal met een zingende hertenkop: het dier bekt een versie van Stille Nacht die met de minuut trager en valser klinkt, "ik peis dat zijn pillen op zijn!"
Charel Laureys, de niet aflatende bouwer van minitiatuurkerststallen. (RTV)
Moskeeëntocht
Als we weer in de bus stappen en afscheid nemen "van dit in feite rustige plaatsje Itegem", geeft de gids ook nog mee dat zich hier "de fabriek van Fort met een T bevindt. Ik zeg dit maar voor de dames die in de keuken staan, de keukendames dus."
Voor de volgende vier kilometer stopt Theo een cassette in, een Duitse crooner zingt over Weihnachtszeit und Winterzeit, uit een onzichtbare arreslee komen belletjes gedwarreld, er zwellen ook harpen en violen, maar die zoete voois wordt al na tien minuten onderbroken voor een belangrijke mededeling: " Beste vrienden, we komen nu de Kempen binnengereden. De Kempen, een uitgestrekt zandplateau in het noordoosten van België, omvat nagenoeg drievierde van de provincie Antwerpen en omvat naast folklore ook kerken, musea, natuurdomeinen, recreatieparken, vennen, en niet te vergeten zijn windmolens die her en der zullen opduiken. En hier is het nu de Noorderkempen die uitnodigend als een rijpe vrucht op de bezoeker ligt te wachten." Onze gids, een kruising tussen een leerboek aardrijkskunde en een streekroman.
Daarna rijden we door Olen "dat met zijn SINT JOZEF-Olen en ONZE-LIEVE-VROUW-Olen in het kader van Kerstmis past; alleen Olen-CENTRUM valt daar een beetje buiten." Niet alleen in Olen maar in elke gemeente die we doorkruisen, zal Theo ons opmerkzaam maken op élke kerststal die groter is dan één meter. Jos, die naast me zit, heeft zo zijn bedenkingen: "Wat denkt ge vriend? Binnen een paar jaar zitten gij en ik in dees bus en dan zal het voor een mini-moskeeëntocht zijn!" En dat alleen het Vlaams Belang dat nog kan tegenhouden.
Gids Theo heeft "gerammel" gehoord in de bus en volgens hem "komt het niet van de carrosserie, maar van de honger in de magen heb ik begrepen." Wat mij intussen blijft verbazen is hoe hij alsmaar ronkende verklaringen uit zijn mouw schudt, ook bij de minste "bezienswaardigheid". Zelfs een bushalte(!) ontsnapt niet aan zijn formuleerdwang: "En de jeugd hier op dinsdagmiddag bij de bushalte, zoals u weet zijn het allicht nog examens en hebben zij dus vroeger hun dagtaak beëindigd." Wat ook opvalt is dat de inzittenden zijn meanderende uiteenzettingen en zijn oeverloze zinsconstructies gewillig ondergaan. Blijkbaar hoort die wolligheid bij kerstmis.
In Geel houden we ons middagmaal in De Gasthuishoeve, een brasserie die bedolven ligt onder de kerstbomen, glinsterende ballen, nepsneeuw, dennenappels, slingers en lampjes. In zo'n kerstdecor kunnen natuurlijk ook de levende dieren niet ontbreken, en dus staan er hokken met konijnen ("ja mannekes, met pruimen is dat heel lekker!")
In de gelagzaal zelf klinkt de negenentachtigste versie van I'm dreaming of a White Christmas en op de papieren servetten worden ons Prettige Feestdagen & Een Voorspoedig Nieuwjaar gewenst door "Alexander, Caroline, Mario en het ganse team!"
Guy wrijft zich in de handen en bestelt ijsblokskes bij zijn soep, "want 't is warm buiten!" Mijn directe tafelgenoot is Lode, hij is ondervoorzitter van het Davidsfonds en hij zal me tijdens de dagsoep en de kalkoenfilet met veel plezier onderhouden over de geschiedenis van Halle en over de top-kleinkunst-avonden die “zijn” Jong Davidsfonds in de jaren zeventig organiseerde: Boudewijn De Groot 500 man! Zjef Vanuytsel 500! Raymond VHG, zeven man, ("'t was in het begin van zijn carrière!") Lode somt ook de diverse voordrachten op die ze al gehouden hebben en als hij ook de vele reizen én de vele bedrijfsbezoeken van het Davidsfonds heeft overlopen (de kerncentrale van Doel! de suikerfabriek van Tienen! de Post van Vilvoorde!) klinkt het beleefd "of wij misschien ook eens de Humo kunnen bezoeken?!"
‘s Gravenwezel - wzc Sint-Jozef. © Jan Hertoghs
Jezus en de frisco
Als we terug in de bus zitten heeft de gids een klassieker klaar: "Mag ik vragen wie niét aanwezig is?" en natuurlijk roept er iemand: "Ikke!" Waarna Theo een opsomming aanvat van alle stallen die we in de namiddag nog zullen zien en dat ons motto moet zijn: " We proberen zoveel mogelijk mee te pikken, maar we laten wel àlles staan!" Ik kan er niet genoeg van krijgen, van zijn melige grapjes. Maar de bus lacht amper, wat doet vermoeden dat een zekere resistentie ontstaat naarmate een mens aan meer groepsreizen deelneemt.
In Kasterlee stoppen we bij de oudste buitenstal, hij staat er al van 1956, en vier dagen voor Kerstmis ligt er al een kind in de kribbe ("'t is zeker een prematuurke!") In de vlakbij gelegen Herberg Den Leeuw is een "jaarlijks wonder" te zien. Hier stelt de plaatselijke volleybalclub zijn indoor kerststal tentoon en elk jaar ziet die stal er anders uit "alnaargelang de sponsor". Voor dit jaar is dat het Ijsboerke uit Tielen en dus is de stal met friscostokjes opgebouwd en ligt het kind Jezus op een laagje cacao en brésilienne-nootjes. In voorgaande jaren is de stal ook al opgetrokken geweest uit "ca. 16.000 koekjes" (General Biscuits), uit deegwaren (Anco), speelkaarten (Carta Mundi), koffieproducten (Miko), gerecycleerde kunststoffen (Ravago Plastics) en woudvruchten (met dank aan de supermarkten Cash.)
Weer de bus in en nu gaat het naar de abdij van Postel. Op de achterste rij van de bus doet het middagmaal intussen zijn werk, het knikkenbollen neemt een aanvang en in Postel schieten een paar monden met luide snurk overeind. Ze horen Theo nog net zeggen dat we na drie kwartier vrije tijd verwacht worden in taverne De Beiaard "waar het gezellig vertoeven is en waar ieder zijn eigen consumptieverwachtingen kan invullen..." - en waar gij zeker een commissie op den drank hebt , wordt er tussen de zetels gemompeld.
De meeste busgenoten lopen langs de abdijwinkel om kaas en brood te kopen, enkelen stappen binnen in de kerk waar gelijk drie-vier handen op de chauffage worden gelegd: "Amai, zo warm! En in zo'n grote kerk! Die rekening zou ik niet graag betalen!" Guy vindt het een schone kerk en als hij iets schoon vindt, dan is het : ça tombe avec (dat valt mee!) Als we met de bus vertrekken heet dat bij hem: nous sommes chemin (wij zijn weg!)
In de taverne drinken we een tripel en Guy vertelt met begeestering over zijn KWB met honderdtachtig leden "tussen de 18 en de 93 jaar". In Halle zijn er zelfs vier KWB's, ze tellen samen duizend leden! ("Van een verenigingsleven gesproken, dat is er één!") Terug onderweg valt er vanuit de ramen niet veel anders te zien dan donkere dennenbossen en dus doet de gids de geschiedenis van Postel uit de doeken. Na drie volzinnen sist Jos: "Dat heeft 'm niet zelf geschreven! Dat komt letterlijk uit het menuboek van taverne De Beiaard. Ik heb het daarjuist nog zitten lezen!"
Via de kerststal van Dessel komen we bij de kerststal van Mol "waar we niet gaan uitstappen, maar waar onze chauffeur Frans even een rondje gaat maken langs de stal." Dat rondrijden tussen de geparkeerde auto's blijkt geen sinecure, iedereen in de bus is getuige hoe onze chauffeur "centimeterwerk, wat zeg ik, millimeterwerk moet verrichten" om zijn ronde te maken, "proficiat, Frans, proficiat!" Theo is ook nog onvermoeibaar. Bij een verlichte maar voor de rest doodgewone spar heet het: "En deze mooie boom wenst ons blijkbaar een zalig kerstfeest toe en dat is toch meegenomen!"Vanuit de Kempen zijn we nu op weg naar het Hageland en de eerste gemeente die we passeren is Zichem: "Natuurlijk roept dit bij ons allen herinneringen op aan hoe-heet-hij-ook-weer? De Zwarte eh... De Witte van Zichem!”
Van Zichem is het slechts een korte rit naar Scherpenheuvel. Naast de basiliek is een klooster en daar bezoeken we een tentoonstelling van "plusminus 450 stallekes waardoor we ons totaal boven de 500 brengen!" De stalletjesgaanderij wordt bewaakt door een copie van Basil Fawlty, hij beent nerveus door de gangen, roept dat de mensen moeten aansluiten en niks mogen aanraken, en zo sjokken we langs beeldengroepjes uit Polen, Haïti, Egypte, Rwanda, Peru, en vele anderen. De Vlaamse bezoeker is zoals steeds te herkennen aan zijn praktische overwegingen ("Ik zou niet graag die mens zijn die dat allemaal moet inpakken en in bananendozen op de zolder zetten.")
Na de tentoonstelling gaat de helft van de bus nog een grote noveenkaars aansteken in de kaarsenhal bij de basiliek: zo tegen nieuwjaar moeten wenseopslaann en voornemens toch op een hogere waakvlam worden gezet. Theo meldt dat het "tijd is voor de innerlijke mens die nu kan aanschuiven in restaurant De Ram."
Sommige medereizigers staan in het Brabantse Scherpenheuvel "met hun kop naar huis", maar de gids stipuleert dat er nog naar het Limburgse Donk (bij Herk-de-Stad) gereden wordt waar nog eens 45 stalletjes en 400 versierde huizen wachten. De meeste kerstreizigers zijn al om zes uur vanmorgen opgestaan (om het vertrek van half acht te halen) en ze zullen pas rond tien uur weer in Halle zijn. Een tocht van meer dan veertien uur dus. Ik verlaat de groep bij het station van Diest en Theo is geheel zichzelf als hij de microfoon neemt: "We gaan nu afscheid nemen van humor...eh van Humo bedoel ik!" Ook de woorden van de voorzitter zijn passend," nous sommes chemin, makker!" en dat "het wel geen stille nacht zal zijn" als zij straks zullen thuis komen.
Onderweg met de gepensioneerden van Herenthout. Let op de kerstversiering langs de ramen. (Ingescand uit Humo/ Herman Selleslags)
Afblijven A.U.B.!
Een week later, het is dan 28 december, sta ik om half één aan de kerk van Herenthout waar het verzamelen is voor de plaatselijke KBG (Kristelijke Beweging van Gepensioneerden, de vroegere Katholieke Bond van Gepensioneerden). De bus vertrekt pas binnen een half uur, maar tweederde van de zetels is al ingenomen door medereizigers die "een goed plaatske willen hebben". In de autocar van de firma Molengalm uit Oelegem is de kerstsfeer danig aanwezig. Op de ruiten kleven stickers met sneeuwlandschappen, tussen de gordijntjes steken takjes hulst en dennengroen en langs de raamranden zijn zilveren slingers aangebracht die blikkeren in de zon. Wat de gesprekken betreft, die zijn nog van alledag: "Hebt ge 't gezien in de gazet? D'r komen weer nief belastingen van 't milieu! Ne mens moet al betalen voor wat 'm in zijn stoof steekt, en straks betalen we ook nog voor de smoor die uit ons dak komt!"
Als alle aanwezigen zijn ingestapt, ik tel hoofdzakelijk vrouwen van boven de zestig, stelt het "team van Molengalm" zich voor. "Allemaal ne goeie middag. Ik ben Mark de chauffeur en ik wens u eerst en vooral een zalig kerstfeest." Naast hem zit de jonge Ingrid die al bijna aan haar vijftigste kerststallentocht toe is in twaalf jaar. Ze beschrijft de gevarieerde route die we zullen nemen, en eindigt met de woorden "dat kerstmis geen kerstmis is zonder een kerststallentocht!" (Applaus!!)
Naast mij zit Gusta, ze is 74, ze vraagt of ik soms voor het parochieblad werk, en wij gaan het vandaag goed met mekaar kunnen stellen, zij is alleen en ik ben alleen, het zijn bomen die mekaar niet kunnen tegenkomen, we babbelen erop los.
De eerste stop is de Willibrorduskerk in Berchem waar veertig stalletjes uit privécollecties staan opgesteld. In de kerkbeuken krijg ik al snel de spuiter van ons gezelschap in de gaten, het is Aloïs, hij zoekt "speciaal" groepjes van vrouwen op "om ze te doen lachen". Aloïs is zo'n klapekster die op àlles commentaar geeft, en hier in Berchem is hij gelijk vertrokken. Bij alle stalletjes staat telkens de naam van de verzamelaar en volgens Aloïs is meneer Afblijven A.U.B. met voorsprong dé grootste verzamelaar!
In de bus vindt Ingrid dat "we reizen om te leren" en dus schetst ze in enkele lijnen de geschiedenis van het kerstfeest en ook van de kerstballen, "die de uitloper zijn van een heel oud gebruik, namelijk dat blinkende voorwerpen de kwade geesten weghielden van huis en erf". Gusta knikt tevreden, "dat weten we weeral", en "dat een mens nooit te oud is om te leren" en dat ze de kruiswoordraadsels van de Humo oplost in de wachtzaal van de dokter. We zijn al kameraden!
Via de kerststal van Schoten-Donk gaat het naar Brasschaat. We rijden langs de villabuurten ("hier ergens moet het stalleke van Jean-Marie Pfaff staan!") en komen op de wijk Driehoek waar de figuren in de stal lookalikes zijn van gekende figuren in de parochie. Een open deur voor Aloïs natuurlijk: Kijk, daar staat onze chauffeur! Oh nee, het is den ezel! De plaatselijke gids legt uit waarom er tralies van betonijzer voor het stalletje staan: "Spijtig genoeg krijgen wij hier ook te maken met stijgende jeugdcriminaliteit en moeten we onze figuren tegen vandalisme beschermen." Hij verwijst naar de stal op de Grote Markt in Antwerpen waar de mensen zich "erger gedragen dan in de dierentuin: in het stro vinden ze pakjes friet en lege champagneflessen" en de levende Jozef aldaar "is al eens afgeslagen door zatlappen!" De groep rilt, Antwerpen is toch een slechte stad!
Op een boogscheut van Brasschaat staat de Sint-Jozefskerk van Gooreind. Naast het altaar wordt "De Kerstnacht van een stroper" uitgebeeld, een kerststal-setting met échte hoge berken en échte hoge dennenbomen, alleman staat te kijken, schoon zeg, heel schoon! Aloïs monstert intussen het grote kruisbeeld aan de muur: " Dat is ne Vlaamse Jezus, dat kan ik zo zien! Ge kent toch het verschil tussen een Vlaamse en een Hollandse Jezus? Een Vlaamse Jezus staat met de voeten naast elkaar, en een Hollandse Jezus met de voeten óp elkaar, dat is goedkoper, dan moeten ze maar één nagel door zijn twee voeten timmeren!" Als reïncarnatie bestaat, dan komt Aloïs terug als scheurkalender.
Omdat we een stukje banale snelweg moeten nemen richting Hoogstraten leest gids Ingrid haar eerste kerstverhaal voor, "de titel is toepasselijk voor de autostrade en heet Het Tankstation". Het gaat over een meisje dat verliefd is op een zacht iemand die ze ontmoet heeft in een tankstation, en na drie minuten van cryptische romantiek blijkt het... om een teddybeer te gaan. Gusta is de eerste om hard in de handen te klappen, wat maakt dat de rest van de bus ook applaudisseert. "Ge moet zoiets aanmoedigen," zegt ze, "een gids moét ambiëren!"
Lichten uit
In het grensplaatsje Meer is er een "koffiekoekenstop" en natuurlijk zit de reporter aan het aparte tafeltje met de gids en de chauffeur. Mark haalt nog een reden aan waarom de bustochten minder volk trekken: "De jonge generatie gepensioneerden is actiever, die wil niet met de bus, die wil met de eigen auto erop uit. Zo'n busreis is typisch voor de oudere generatie, die gaat nog graag in groep weg; en uiteraard zijn daar veel vrouwen bij van boven de zestig, dat is een generatie die nooit heeft leren chaufferen."
Op de middag was het nog country en K3 in de bus, maar nu de schemer begint te vallen, kiest Ingrid voor de kinderkoren en licht klaaglijke liedjes als Susa Nina en Hoe leit dit kindeke. We passeren de kerk van Hoogstraten en stoppen aan het begijnhof. In die kerststal herken ik meteen de grote plaasteren beelden. Dié heb ik als kind ook nog in de kerk gezet, samen met mijn vader die koster en organist was! De os met de grote neusgaten, de schapen met hun riempje om de nek, de jonge herder die buigend zijn hoed afneemt, wat een weerzien na al die jaren.
Onderweg naar Merksplas drukt de duisternis tegen de ramen van de bus, alleen de sneeuw van gisteren is nog te onderscheiden, op de velden en tussen de huizen. Ingrid vertelt haar tweede verhaal: over een arme grootmoeder die met haar kleinkind een kerstboom gaat "stelen" in het bos van de kasteelheer. Mark knikt goedkeurend, hoe ouderwetser het verhaal, des te beter voor de sfeer!
De kerststal van Merksplas: echt iets voor Schöner Wohnen. (Ingescand uit Humo/ Herman Selleslags)
De stal van Merksplas verdient een plaatsje in Schöner Wohnen, het is de zuivere fermettestijl met een interieur vol oud alaam (kafmolen, strosnijder, boterton). De groep keurt de beelden en alleman is het erover eens dat de timmerman Jozef er opvallend vrolijk bij staat, "die mens heeft precies nog niks meegemaakt in zijn leven!"
De groep stapt weer in. Ingrid telt de aanwezigen ("Zijn er geen schapen van mij blijven staan in de stal?") en dan is het tijd voor het derde verhaal, "dat is geschreven door de Kris, de baas van de Molengalm!" Om in de sfeer te komen dooft chauffeur Mark alle licht in de bus, we zien alleen nog het dashboard en het klokje met digitale cijfers en stil wordt het als Ingrid zacht fluisterend in de microfoon praat. En terwijl we langs een drukke weg rijden met schreeuwerig reclamelicht van E5 Mode, Texaco en Delta Lloyd, bevinden we ons in de huiskamer van een oud vrouwtje dat haar man verloren is in de oorlog, het is kerstavond 1955, aan de overkant van de straat zet de huisbaas een gezin op straat en zij nodigt die berooide familie aan de bescheiden feesttafel, waardoor het toch nog écht kerstmis wordt! Het verhaal eindigt ermee "dat een warme gloed zich meester maakt van alle aanwezigen", en dat is ook in onze bus het geval, want er klinkt een luid applaus.
In Turnhout stappen we af bij de Zusters Clarissen die wijd en zijd bekend staan als de "zusterkes van de wassen beeldjes": iedereen die thuis een glazen stolp heeft staan, kent ze! Omdat het intussen flink donker én flink glad is schuifelen onze gepensioneerden voetje voor voetje en arm in arm over het bevroren kloosterpaadje. In de exporuimte is iedereen verrukt, "zo schoon dat het is!" Er wordt gewezen op de kippetjes in was, de eitjes in was, zelfs de rook uit het pijpje van de eierboer is helemaal van was! En ziet die schaapkes en die engelkes, die krullekes en dat haar, zo fijn gekamd! Gusta zegt dat "dit van het schoonste is dat een mens kan zien! Dees is nog echt Kerstmis, dieje kerstman, dat is niks!"
Aloïs is nuchterder gestemd en leest hardop de prijzen: stallen van 50 tot 500 euro, bussel hout een halve euro, nestkastje één euro, schapen gaande van tien tot achttien euro. Een medereizigster vertelt achter de hoek "dat ge toch moet uitkijken met die was". Zij bezit een kindje Jezus onder stolp en in de warme zomer van 2003 "is dat nekske gesmolten en lag dat koppeke d'raf." Ze hebben het niet kunnen repareren, "er steekt nu een stokske in."
Bij de Clarissen in Turnhout: “In de hete zomer van 2003 is Ons Lievrouwke gesmolten onder haar stolp.” (ingescand uit Humo/ Herman Selleslags)
In het donker wacht de bus met verlichte ramen en gloeiend achterlicht, sfeervoller kan een autocar niet zijn, en iedereen komt handenwrijvend en kraagschuddend ingestapt, ("amai! goe koud zenne!") Ingrid kondigt aan dat we genoeg stallekes gezien hebben en dat we gaan avondmalen "in een schuur!" Geen echte schuur natuurlijk, maar zo'n doening van bakstenen en balken waarmee een feestzaal voor groepen is gemaakt. En het komt zeker door al die stallen en strooien daken die we vandaag gezien hebben, want tussen de pistolets en de vlaaien gaat het algauw over de levensomstandigheden van vroeger. Straten zonder licht, ge moest zien dat ge niet in de gracht sukkelde! En slapen! Met zeven kinderen op de zolder en drie kinderen in de kelderkamer. En koud! De rijm stond op de binnenkant van uw deken. Het wijwater barste uit de fles. Er was ook geen chauffage, er stond maar één stoof in het hele huis, dat was alle warmte die er was. "Ja, wij zijn gelijk kiekens groot gebracht. In een klein kot, in de kou en in het donker! De jonge soort, die kent dat niet meer, die weet niet hoe het vroeger was, die heeft het véél te goed!" En de slotsom is dan ook: "Wij hadden weinig, maar wij waren gelukkig. Nu hebben ze àlles, maar zijn ze nu gelukkig?!"
Vlucht naar Egypte
Op het marktplein van Turnhout en tegen de gevel van de Sint-Pieterskerk staat de grote kerststal, intussen al zevenenveertig jaar, en in die tijd is er natuurlijk een en ander gebeurd: "Zes jaar geleden hebben ze Jozef uit de stal gehaald en op een bank in een bushalte gezet," dat heeft nog in de gazetten gestaan! Bij de stal verzamelen zich intussen ademwolkjes van het koor Campinaria "dat een aantal liederen ten beste zal geven". De koorleider, een man met lodenjas en tirolerhoedje, spreekt ons lang en onverstaanbaar toe, hij mommelt nààst de microfoon. Aloïs vraagt of ik die mop ken, van de os en zijn kloten, maar hij moet zwijgen van voorzitster Julia, ssssjt! het koor begint! Aloïs houdt de stilte niet lang vol, twee minuten later staat hij weer bij mijn oor, "weet gij waarom dat Jezuskind in een kruiwagen ligt in plaats van in een kribbe?! Met die kruiwagen kan Jozef straks rapper rijen op de vlucht naar Egypte!"
We rijden Turnhout uit via de Bevrijdingsstraat. Chauffeur Mark dooft weer alle lichten want er valt veel te zien! Zowat elke bewoner heeft langs ramen, dakgoten, boomtakken en garagepoorten een spoor van lichtserpentines getrokken, een feeëriek landschap dat ook nog eens dichtbevolkt wordt door verlichte hertjes met gespitste oren. De halve autocar staat recht om beter te kunnen zien, Mark houdt een snelheid aan van drie km per uur en als soundtrack heeft Ingrid gekozen voor een zeer trage versie van I'm dreaming of a white Christmas.
In 2001 voerde Busreizen Molengalm nog opvallend reclame voor zijn kerststallentochten: de kribbe in een laadbak van een vrachtwagen. (GVA 27/12/2001)
Via de stal van Beerse waar de ezel niet antwoordt als de halve groep i-a! i-a! roept, volgt Mark kleine asfaltwegen tot bij een donker dennenbos. De binnenverlichting gaat uit, ook de koplampen doven en Ingrid duwt een cassette in. Buiten waait een gestage stuifsneeuw langs de ramen, en binnen komt nu een stormwind door de bus geblazen. Het is echt huilen en janken in de stilstaande autocar, en een vrouwenstem fluistert: “Hoort de wind eens fluiten, mensen! De schoorsteen lijkt wel een orgelpijp!" En zo begint een minuten durend ingesproken kerstverhaal. Er zijn vrouwen en mannen die houtgeschaafd Nederlands spreken, er klinken voetstappen, er wordt aan deuren geklopt en er piepen scharnieren. Fascinerend is het om nog eens zo'n luisterspel te horen én terwijl op tweehonderd meter afstand de snelweg te zien met zijn internationale transporteurs die zich door de eenenwintigste eeuw reppen. Wij bevinden ons intussen in een verhaal waarin de dieren nog kunnen spreken. (De uil vraagt: waar is het kindeke gebo-oh-oh-ren? En de geit antwoordt: in het stalleke van Bèèè-tle-hèèèm!) Dan galmen er klokken door de bus, einde van het verhaal, en applaus op alle banken. Gusta is van één ding zeker: "De thuisblijvers weten niet wat ze gemist hebben!"
Ingrid zegt dat we op weg zijn naar onze laatste stop, het gehucht Hemeldonk bij Gierle. Daar zal het kerstspel "En waar de sterre bleef stille staan" van Felix Timmermans opgevoerd worden, en daar zullen we "dus samen met de hoofdfiguren Pitje Vogel, Schrobberbeek en Suskewiet" getuige zijn van een wonder in de kerstnacht, "méér ga ik u nog niet verklappen!!" De bus draait op een zandparking waar al enkele auto's staan en via een pad komen we op een plek waar een grote kerststal staat opgesteld temidden van meerdere drankstallen met soep, warme chocomel en hete Glühwein uit grote thermoskannen. Vlaamser kan de combinatie van devotie en drankverbruik niet zijn. Op het podium en voor de geschilderde sneeuwvelden en knotwilgen wordt een mirakelspel opgevoerd voor onze aandachtige groep, maar op geen twintig meter staan jongere koppels die luidruchtig aan de warme wijn slurpen en over verbouwingen en nieuwe opritten dazen.
Het kerstspel in het gehucht Hemeldonk : een kerststal omgeven door drankstallen. (Ingescand uit Humo/ Herman Selleslags)
Puree van medeleven
Na afloop zeggen de bezwete amateurs dat ze het spel al meer dan dertig jaar "uit hunne frak schudden", maar dat de kerststallen en kerstspelen elk jaar minder volk trekken ("vroeger stonden hier op zo'n avond tien bussen, nu staat er hier maar één").
Dat is natuurlijk onze bus en terwijl we weer huiswaarts rijden, heeft Ingrid nog een laatste uitsmijter, "een heerlijk menu, voor het geval ge niet weet wat klaarmaken met de nieuwjaar". Het gaat over "een voorgerecht met een mootje eenvoud en een maatje vergevingsgezindheid op een bedje van goede wil... een hoofdgerecht van geloof, hoop en liefde gelardeerd met stukjes barmhartigheid en overgoten met een saus die gebonden is met godsvertrouwen... voor de grote eters is er daarbij ne puree van medeleven, mededogen, en medemenselijkheid... en als dessert hebben we een ijsje engelengeduld overgoten met een royale scheut rechtvaardigheid en geserveerd op een bedje van dankbaarheid. De prijs van dit menu is welgeteld nul euro, inclusief BTW, Bezorgdheid, Toewijding en Wijsheid dus. En als ze u vragen van wie ge dat recept gekregen hebt, dan moet ge zeggen: van de man wiens verjaardag we met kerstmis vieren!!"
Waarna heel de bus nog een theelichtje krijgt met opschrift Molengalm :"als ge 't aansteekt zult ge hopelijk met een goed gevoel terug denken aan deze tocht ", en tenslotte nog een applauske wordt gevraagd voor de chauffeur en ook een applauske voor de gids, en ik het onbestemde gevoel krijg dat deze bussen van goede wil binnen tien jaar allicht niet meer bestaan.
We gaan de snelweg af en iemand roept: "We zijn bijna thuis, ik riek de stal al!" Je moet er maar op komen, na zo'n tocht.
Nawoord: Charel Laureys is in 2019 gestopt met zijn tientallen kerststallen in Itegem. Hij en zijn vrouw zijn bijna 80, "we worden te oud voor al dat werk en er is geen opvolging bij de jeugd."
Hedendaagse kerststal in Broechem. Met parkeerborden, verplichte wandelrichting en plexi-wand . In 2017, dus lang voor corona. © Jan Hertoghs
De Grote Glühweinroute (revisited)
Door corona en de lockdownmaatregelen zijn alle kerstmarkten verboden. Kerstmarkten zijn redelijk recent, hun doorbraak dateert van de jaren negentig. Ze komen overgewaaid van Duitsland en wisten zich snel te verankeren in het land van de citroenjenever. Inzoverre dat mensen het nu betreuren dat er geen kerstmarkten zijn en dus gaan ze dan maar “de kerstsfeer opsnuiven" in Brussel! In de Nieuwstraat! Alwaar de dranghekkens bleven stille staan!
Om het gemis aan glühwein en 'spekfakkels' te verzachten, keren we terug naar december 2004. Een inlandse reisreportage!
Humo december 2004 - herwerkt © Jan Hertoghs
© Jan Hertoghs
Het kerstekind in een kistje van de Veiling Hoogstraten
“Kom gerust binnen! Er zit toch geen deur in deze stal”
Het is een feit: rond kerst en nieuwjaar stijgt het aantal zonevreemde woningen aanzienlijk in de Vlaamse regio. Het begint steevast met de bouw van hutten in zeildoek waar kippen geroosterd en sterke dranken geschonken worden. Zijn deze tentendorpen eenmaal gedoogd, dan is het maar een kleine stap naar het optrekken van allerlei stallen en schuren die al snel worden bevolkt door schapen en ezels, en niet te vergeten de Moeder Maria, de Vader Jozef en het Kind Jezus. Dat heet dan gezelligheid, een staldeur die plots opengaat!
Zaterdag 11 december, kerstmarkt in Wommelgem. In het midden van het oude plein staat een kerststal waar Jezus, Maria en Jozef opvallend grote hoofden die ze hebben. Dat je als volwassene en in je eentje in zo'n stal staat te staren, is not done merk ik gauw: je moet kinderen hebben en je moet ze opheffen zodat ze het schaapke kunnen strelen en het kindje Jezus "een handje kunnen geven".
Achter mij dokkert een hondenkar voorbij. Honden mogen al zestig jaar niet meer als lastdier gebruikt worden, maar op deze dag trekt dit klein uitgevallen rendier toch een kar met een volwassen kerstman erop. Die roept niet ho!-ho! maar "moet er iemand een lolly hebben?!" Na tien minuten is mijn eerste indruk: kerstmarkten zijn er om jenever te drinken uit plastic doppen en dat is een indruk die ik niet meer kwijt zal raken. Om de kelkjes snel en zonder morsen aan grote groepen te kunnen opdienen, heeft men in Wommelgem een spitsvondigheid bedacht: in een plank zijn negen gaten geboord waarin keurig negen glaasjes passen; zo kan men tot achttien drinkers in één keer bedienen.
De kramen bieden een breed gamma aan van gebakken haring tot paardenmelklikeur (in paardvormige flessen), maar het meest valt toch De Goudvink op. Deze club van vogelkwekers verkoopt kaarsen in de vorm van papegaaien en toekans, en ook zelfgetimmerde nestkasten mét een fles porto erin! Een origineel geschenk, zo schrijven ze er terecht bij.
Ik begin me op m'n gemak te voelen, het heeft wel iets om met een plastic telloor en twee warme pannenkoeken bij de kerststal te staan waar schapen op oud brood kauwen en waar een dreumes in het kribbegedeelte stropijlen in de mond van het kind Jezus probeert te voeren, en dàn ook nog John Lennon horen met die ene aanhef: So this is Christmas and what have you done? Het klinkt zelfs. Meer dan dat het botst.
De “Funny Mutsen”-verkopers in Brasschaat. Let ook op de terrasverwarmer in de linkerbovenhoek, nog niets vermoedend van de lockdown in 2020. © Jan Hertoghs (scan van print)
Ik begeef me naar Brasschaat, tot ver buiten de provincie bekend omwille van zijn ambachtelijke kerstmarkt die bijna honderd kramen lang is. Er is een overvloed aan kleinschalige huisvlijt, nog aangevuld met netelkaas, badzout, Zwarte Kerstbeuling, Tsjechische kerstkoekjes, en niet te vergeten Het Echte Boekweit Hoofdkussen (dat goed is tegen migraine, slapeloosheid en "een zwetend hoofd"). Niet ver van de Smoutebollenstal is een echte kerststal mét een offerblok, als je een halve euro in de gleuf stopt, zweemt er stemmige muziek uit de luidsprekers. Ook hier ben ik weer de enige stalbezoeker. Als ik VTM was zou ik die schuur volgend jaar bevolken met de lokale Brasschaatse Heilige Familie, zijnde de Pfaffs. Zo'n kerstspecial zal een massa volk lokken.
Bij deze kerstmarkt hoort ook een kerststallententoonstelling waar de bezoeker wordt welkom geheten door twee etalagepoppen die Jozef en Maria verbeelden. Maria is hoogzwanger en heeft een kopkussen onder d'r kleed met het bordje: Even Geduld - Nog 15 dagen!
Op dit uur van de zaterdagavond is de opkomst voor de kerstmarkt aan de lage kant, en dat is pijnlijk te zien in het kraam van de Funny Mutsen. Man en vrouw staan met gekruiste armen op klanten te wachten, zij heeft een volledige koe op het hoofd, hij een heel rendier, de poten van de pluche beesten hangen lusteloos naast hun oren. Ze lachen naar de foto, maar de Geert Hoste in mij zegt dat ze niet goedgemutst zijn.
Eén van de Drie Wijzen neemt foto’s in de stal van Herentals: “Onze taakomschrijving is uitgebreid.” © Jan Hertoghs (scan van print)
Sinte Maria
Herentals heet me welkom op de kerstmarkt met het bord: Opgelet Zakkenrollers! Tussen de kramen hangt de zerpe geur van glühwein, in de ijzeren korven gloeit de houtskool, en sneeuwvlokken uit de zeepsopmachine vallen - pas oep! loempe! - op bordjes versgerookte zalm. Het is een kerstmarkt van het type ook-dit-jaar-kon-men-weer-over-de -koppen-lopen, en de massa volk loopt elleboog aan elleboog tussen de kramen. De centraal opgestelde kerststal heeft veel weg van een carport temidden van een heide- en rietlandschap, maar zijn figuranten maken véél goed. En zeker ook het begeleidende muziekgroepje. Zij hebben Always look on the bright side of life ingezet; Jozef fluit zachtjes mee, Maria tikt de maat met haar dikke wandelschoenen. Het kind Jezus is een pop en ligt in doeken gewikkeld op een kartonnen fruitkistje van de Veiling Hoogstraten. Ik ben gefascineerd door die anachronismen. Dat Maria in een verchroomde stoel zit van het lichtmetalen type dat men op caféterrassen aantreft, dat ze haar sacoche binnen handbereik heeft staan en dat het muziekgroepje op vijf meter van de stal ineens aandoenlijk uithaalt met As the snow flies! On a cold and gray Chicago mornin' a poor little baby child is born...In the ghetto! Dat is... gewéldig!
De kerstfiguranten blijken amateurspelers te zijn van het Theater Spektakel en ze trotseren al voor de tiende keer het gure decemberweer. Vandaag is het amper twee graden, en dat dwingt één van de Drie Koningen al snel tot een bestelling: voor Maria en Jozef een jeneverke, voor de rest van het gezelschap een warme chocomel. Vanuit het publiek wordt Alcoholisten! geroepen. Maar er is ook compassie, vooral met de tengere Maria. Gij hèt zeker kou? Maria knikt: k'hem bevrozen tenen! Op de vraag hoelang ze daar al zit, kijkt ze op haar horloge: 2004 jaar na Christus zit ze hier al bijna twee uur. De derde koning krijgt intussen een digitale camera in handen, hij moet voor een bezoeker twee peuters bij de pop Jezus fotograferen: "Vroeger moesten wij alleen maar een ster volgen, maar ons takenpakket is aanzienlijk uitgebreid!"
Dat geldt ook voor de moeder Maria. "Vorig jaar was ik nog herder", vertrouwt ze me toe, "en nu zit ik hier op de belangrijkste stoel". De reguliere Maria en Jozef zijn ziek, zij moet de moeder-maagd vervangen. De ex-herder doet in elk geval flink haar best om een goede Maria te zijn. Dag flinke jongens, hoe heet gijlie? Simon! En Michiel! Krijg ik een handje? Dat is flink, ik zie dat gijlie flinke jongens zijt! En komt gijlie mijn kinneke bezoeken? Ja? Dan krijgt ge van mij kinnekeskak. Ze haalt een tube suikerbonen en Smarties vanonder haar tuniek: Hier zie! Het kinneke heeft gekakt, zie!
Hoe meer ik ze bezig hoor, hoe meer ik denk dat deze Maria niet alleen herder, maar ook al sint is geweest. Dag meiskes! En hoe heet gijlie? En hebt ge uwe nieuwjaarsbrief al geschreven? Nog niet? Niet vergeten hé! En zijt ge braaf geweest op school?
Wees gegroet, brave Maria, wees gegroet braaf Herentals, en het laatste wat ik van de stad ruik is Tirolerpatatten met worst.
De Moeder Maria in de terrasstoel laat de kleine én de zeer grote kinderen tot haar komen en ontpopt zich als Sinterklaas : “En gij jongen, doet gij uw best op school?” © Jan Hertoghs (scan van print)
Zothuis
Ik ben geheel in de stemming om Geel te bezoeken. Volgens de krant krijgt de kerststal bij de Sint-Amandskerk een maand lang "het gezelschap van een romantisch Charles-Dickensdorp anno 1830". Omdat het op deze zondag ook kerstmarkt is, is er een grote toeloop bij de poort van het Dickens-dorp: om de vijf minuten worden "maximum honderd toeschouwers toegelaten".
Binnen de wallen van het houten Dickens-decor is er eerst de kerststal. Geen bordje met Vrede aan alle mensen van goede wil maar droogweg: Camerabewaking. Het Dickensparcours is met dranghekkens uit de twintigste eeuw afgebakend, maar verder zijn alle storende elementen zoals parkeermeters met jute afgedekt. Op tien verschillende podia beelden "in totaal honderdvijftig vrijwilligers het verhaal van Ebenezer Scrooge uit". De acteurs zijn in ademwolken gehuld, we zitten dicht bij de nul graden, en tussen de bedrijven door wordt er hardop verlangd naar nen druppel en chauffage volgend jaar!
Dan zit er een stijlbreuk in het 19de eeuwse parcours, want ineens staan we tussen moderne kramen die sokken en portefeuilles verkopen. Het publiek wil zijn Dickens-weg verder zetten, maar dat wordt verhinderd door een marktkramer die ons de weg verspert met een dranghek, "ge moét eerst langs onze kramen, dat is de afspraak!" De Dickens-toeschouwers staan bedremmeld te kijken, en ineens duwt onze Dickens-gids het dranghekken resoluut opzij, "volg mij, mensen!" Dat is absoluut niet naar de zin van de kleine middenstander die nu getergd uitroept dat het allemaal slecht geregeld is: "'t Is van den bok zijn kloten! Ze vragen ons om op een markt te staan, en we komen in dees toneel terecht. !" En dan, om de inwoners van Geel extra te tergen: Geel, dat is een zothuis! Een groot zothuis is dat hier!
Ik zie de wereld ineens weer in het juiste perspectief, op twintig meter is het Merry Christmas everyone, op vijf meter is het volop ambras over standgeld, bedriegerij en dat ze hem niet meer terugzien volgend jaar. Welkom terug in 2004.
Naast het Dickensdorp staan er ruw geschat nog zo'n vijftig alcoholkramen. Eén vent schenkt een jonge klare in al roepend: en waar de jeneverfles bleef stille staan! Ik ga iets eten in één van de overvolle café's, en het is een vreemde gewaarwording om hier als niet-inwoner te komen, in die drukte waar iedereen iedereen kent en kust en op de schouders slaat, de ramen aangedampt van zoveel volk en warm opgediende schotels, en ook buiten gaat het feest door, iedereen babbelend, vertellend, drinkend, de wind blazend in de gloeiende sintels van de vuurkorven, en een zatteman die zijn plastic borrel in de hete kolen mikt. Charles Dickens, waar zijt gij nu?!
Kerstmarkt in Lier. © Jan Hertoghs
Het lammetje Jezus
Dat een kerststal -zoals in Geel - onder camerabewaking komt te staan, is niet verwonderlijk. Ik heb een pakje krantenknipsels van de voorbije jaren verzameld en daarin staat wat een beeldenstal zoal lijden kan. In Brussel, Kontich, Geraardsbergen, Kortessem en Duffel verdwenen de laatste jaren in totaal drie schapen, vier Jezussen, twee koningen, twee Jozeffen, twee Maria's en één ezel. In de Sint-Andreasparochie in Loksbergen werden op 2 januari '98 àlle beelden uit de stal geroofd. De twaalfkoppige groep (Heilige Familie, schapen, herders, os en ezel) werd later alsnog in een gracht teruggevonden. In Deerlijk en Zwevegem werden in 1998 tien Jozefbeelden "ontvoerd" door een groep die zich de Bewust Alleenstaande Moeders noemde. Dat bleek drie dagen later de lokale Chirogroep te zijn die een "Schalkse Ruiters-stunt wilde uithalen". In 1999 verdwenen in Brussel en Wallonië negentien kindjes Jezus uit evenveel kribbes. Die kidnapping werd opgeëist door een groep die aandacht vroeg "voor een menswaardiger asielbeleid".
Soms zijn de dieven niét van goede wil. Zo is de kerststal op de Brusselse Grote Markt jarenlang het mikpunt geweest "van dieven, vandalen en behoeftigen die de mannequinpoppen in de stal beroofden van hun soms dure en modieuze kleren." De kleren waren "een geschenk van een Brusselse kledingzaak" en bij de figuren die ontkleed werden, "waren bijvoorbeeld herders in trainingspak".
In Zellik (2003) gingen dieven tijdens een ogenblik van onoplettendheid zelfs met heel de kerststal aan de haal: "De lokale handelaars hadden de houten paletten met de kribbe en de beelden amper twintig minuten onbeheerd achtergelaten".
Dat er 's nachts nog iets breekbaar en weerloos langs de openbare weg staat, trekt duidelijk ook vandalisme aan. Drie beelden onthoofd in Hamont-Achel (200O) Eén van de Drie Koningen stukgeslagen in Zoutleeuw (2001), Vandalen lynchen Jozef en kleden Maria uit. Dat laatste gebeurde in Oostduinkerke (2003). Men vond Jozef "aan diggelen geslagen" en hijzelf en de andere figuren waren "beroofd van hun typische Oostduinkerkse visserskledij".
Ook in 2003 was er een kleine beeldenstorm in Alken: "Jonge vandalen braken onder andere de oren van de ezel af", plooiden vier grote kerstbomen om, smeten lampen stuk en duwden tot slot zitbanken en vuilnisbakken in de roeivijver. Dat heel de kerststal juridisch tegen de vlakte gaat, is eerder zeldzaam, maar het gebeurde niettemin in Brasschaat (1996). De uitbaters van de Vraeghoeve-taverne bouwden in een aanpalend veld al zes jaar lang een kerststal die veel volk naar hùn herberg trok. De stal bleek echter in een natuurgebied te staan en parket, Vlaams Gewest en een plaatselijke milieuvereniging spanden een kortgeding in. Gevolg: "de eigenaars kregen vijf dagen de tijd om hun zonevreemde constructie af te breken".
GVA 27/12/03
Wie een kerststal tentoon stelt, neemt best een omnium . Zo verloor een autobestuurder in Alsemberg (2003) de controle over zijn stuur "en reed pardoes in de kerststal": de stal zelf werd gedeeltelijk beschadigd, de beelden "kwamen er vanaf met de schrik". Elders likten de vlammen aan stal en beelden. In Koksijde werden de polyester beelden door een brand "onherstelbaar beschadigd" en in Essen sprongen "de plaasteren beelden kapot door de hitte". De brand in Essen was het gevolg van "een vuurpijl die op 31 december even voor middernacht in het stro terecht was gekomen". In Waarschoot werd op nieuwjaarsochtend 2002 brand gesticht in de Sint-Ghislenuskerk, een groot deel van de kerk ging in vlammen op, maar... de uiterst brandbare kerststal bleef gespaard. De pastoor: "De kaarsen eromheen smolten, maar het lachende kindeke Jezus bleef met zijn gespreide armpjes in de kribbe liggen. En ook de andere beelden en attributen zijn nog intact!" Sommigen in Alsemberg spraken van "een klein mirakel".
Licht wonderlijk is ook dit laatste bericht uit Niel: "Ieder jaar bouwt de KWB naast de kerk een grote kerststal en vult de stal met levende dieren, waaronder een ezel en zes schapen. Tijdens de nachtmis lammerde een ooi. Na de mis begaven alle kerkgangers zich naar de stal om de blijde gebeurtenis te vieren. Het lammetje kreeg de naam Jezus." (GVA, 27.12.03)
Kerstspel in de natte polder
Terug naar de Glühweinroute! Het weekend van 11-12 december was nog maar de aanloop, dé grote kerstpiek is het weekend van 18-19 december. Naast mij liggen een resem folders en knipsels die de weg moeten wijzen naar kerststallen, kerstmarkten, kersttentoonstellingen, kerstconcerten, kersttochten, kerstnocturnes enzovoort. Een korte bloemlezing.
In Geraardsbergen zal "kunstsneeuw over de straten neerdwarrelen" en zal "het trio Terechkov het beste van zichzelf geven in de Lessensestraat". In Wortegem-Petegem somt de reporter de lekkernijen op: "glühwein, champagne, soep, oesters, goulash, pizza, raclette, wokgerechten, pannenkoeken, jenever, en ook nog bloemstukken worden aangeboden". In Opdorp (bij Buggenhout) zal men kunnen genieten van "vaardige ijssculpteurs, billenkletsende Oostenrijkers alsook een verblindend vuurwerkspektakel". In Oudenaarde "zal de kerstman de kinderen overvallen met gulle grepen snoep". In Humbeek-Sas tenslotte "zal naar jaarlijkse gewoonte een fotograaf bij de stal aanwezig zijn en is er gelegenheid voor jonge ouders om zich om te kleden tot Jozef en Maria en te poseren met hun baby."
Ingescand uit Humo/ foto: Thomas Legrève
De wervende kerstbrochure van de Provincie Antwerpen voorziet "donkere luchten, vroege duisternis, snijdende wind, vrieskou, sneeuwvlokken en ademwolkjes die uit de mond van vluchtige passanten opkringelen." In die sfeer zal alles verlopen. Maar als ik op vrijdagavond 17 december naar een kerstspel in Putte (bij Kapellen) wil vertrekken is het een vreselijk hondenweer. Ik bel naar de initiatiefnemers maar die zijn onvervaard: "Wij trotseren het slechte weer, meneer!" En dus begeef ik me onder rukwinden en bakken regen naar de Vierhoevenstraat nummer negentien. Ik kom nog net op tijd om de geboorte van Jezus mee te maken, het licht gaat uit, er klinkt een beverig huilen, en..."een Kind is ons geboren!" Als het licht opnieuw brandt, weet ik niet waar eerst kijken. In de provinciale folder was sprake van "een kerstspel op een erf", maar ik bevind me niet op een boerenerf, ik sta in een tuinwijk waar iemands halve voortuin is ingenomen door een stal annex hooizolder. En àlle attributen zijn aanwezig: hoefijzers, lantarens, houten bezem, paardenhalster, en niet te vergeten, het karrenwiel. Op het gazon staan ook nog: een hondenkar, melkbussen, een regenton, een ketel waaronder een vuur van rooie lampjes brandt, en een wegwijzer BETLEHEM.
Het spel gaat intussen verder. Aan de overkant van de straat, op het grind van de garage-oprit van de buren, wachten de herders. Die willen toe komen lopen, maar moeten eerst twee auto's laten voorgaan. Na hun komst is het de beurt aan de Drie Koningen, hier vertolkt door drie opgeschoten scholieren op Puma en Adidas. Elke entree van figuranten wordt begeleid met tekst en muziekfragmenten op cassette. Ik tel de toeschouwers onder hun paraplu's, het zijn er negen en dan nog twee buren die met gloeiend sigaretje over de tuinmuur staan te kijken. Er is dus evenveel volk als er figuranten zijn. Ik hoor de vrome liederen aan, kijk naar het prachtige stalcomplex en geraak er niet wijs uit: is dit postmoderne volksdevotie, extra large uitgevallen knutseldrift of niet in te tomen Weihnachtspassion?
Het kerstspel wordt intussen beëindigd met een heilwens en dan, ge zult dat zien natuurlijk!, houdt het op met regenen. Initiatiefnemer Werner Bril (van de KWB Ertbrand en De vrienden van het stalleke) is er het hart van in: zoveel uitnodigingen uitgedeeld en zo weinig volk! Een heel jaar kijkt hij uit naar dit weekend, weken is hij bezig met de ruwbouw ("alleen al de elektriek leggen kost een dàg!") en dan regent het! Hij is ermee begaan, hij zou de jeugd terug bij "het kerstgebeuren" willen betrekken, "maar het is zo'n eenzaam project, hier ver weg in de Antwerpse polder". Er is wel één troost: morgen zijn er nog drie voorstellingen, en er wordt droog weer voorspeld. We drinken Glühwein en de pastoor komt een schouderklopje geven, "amai, Werner, ge hebt afgezien deze avond! - Och, meneer pastoor, dat half uurke, dat is nikske! Jezus heeft drieëndertig jààr afgezien!"
De Mechelse herders amuseren zich bij het vuur en ravotten met de engelen in het stro. © Jan Hertoghs (scan van print)
Droevig Kattenbos
De volgende dag is de storm gaan liggen en sta ik bij het begijnhof in Mechelen, bij de levende kerststal mét figuranten van het plaatselijke buurtwerk. Alles is hier picobello in orde: verzorgde coulissen van zeildoek, voldoende hout en stro, uitstekende Maria en Jozef die zich minzaam met de bezoekers onderhouden, lévend kindje van drie maanden oud, mooie witte engelen, en zeker àcht zeer jonge herders in pels en dierenvel die van de stal een tableau vivant: fikfakken met een engel in het stro en ver over de dranghekkens leunen om ezel en schaap te kunnen strelen. Dat alles afgerond met een kinderkoortje dat zingt van vrede, geen vechtende soldaten, geen bommen en granaten. Anton Pieck, kom terug, dit is uw kalender, dit is uw koekendoos!
Iets minder koekendoos is het tafereel dat ik in Lommel-Kattenbos te zien krijg. Ver, heel ver weg zal de operator Banksys 3,3 miljoen transacties noteren voor Mr Cash en Bancontact, maar hier in het kerstdorp De Vijf Linden staat de kassa stil. Om halfzes betreed ik het kerstdorp, met een zo goed als lege feesttent, een eetstalletje met twee klanten, en acht bezoekers die in het halfdonker hun weg zoeken naar de twee kerststallen en de verlichte hokken waarin kippen, lama's, cavia's, pony's en nog wat kleinvee zijn ondergebracht. Kerststal nummer één is afgedekte tristesse: enkele verouderde etalagepoppen hebben scheefzittende pruiken en baarden opgeplakt gekregen en staren met hun modieuze ogen alle richtingen uit. Sommige handen heeft men in gebed willen samenvouwen, maar de vingers zijn uit elkaar geglipt en nu lijkt het alsof ze een onzichtbare paal vasthouden. Eén bezoekster prijst niettemin de dikte van Maria's sjaal, die had ik deze week moeten hebben, met mijn valling! Als ze de ezel voorbijlopen zegt de vrouw tegen haar man: hier zie, uwen broer! De tweede kerststal is mooier met poppen die aan Felix-Timmermans-figuren refereren, maar het verhaal achter die stal is triest. Ooit stond hij in een straat in Duffel, maar de kinderen van de stalbouwer "kregen genoeg van dat spel in de voortuin" en zo is de stal naar Lommel moeten emigreren waar hij asiel heeft gekregen.
Het hele verhaal achter dit dorp is droevig. Ik heb knipsels uit '97 waarin het nog "het grootste kerstdorp van Vlaanderen" wordt genoemd met meer dan honderdduizend bezoekers in drie weken. De top-editie was met het millennium: er waren ijssculpturen en levende everzwijnen, damherten, struisvogels, stekelvarkens, pelikanen en zelfs hangbuikzwijnen. ("Spijtig genoeg waren er ook mensen die ons dieren gaven die ze nadien niet meer terug wilden: ze gebruikten ons als dierenasiel!")
Na 2000 is de terugval ingezet: oudere vrijwilligers vallen af en jongeren worden niet gevonden om drie(!) maanden aan dit dorp te timmeren. Ik eet een boterham met spek en hoor i-a! roepen in een kerststal. Het is niet de ezel.
In het Limburgse Donk staan veertig kerststalletjes in de voortuinen. Er zijn ook 450 verlichte en versierde huizen in het dorp. © Jan Hertoghs (scan van print)
Hier brandt de lamp
Uit de leegte van Lommel kom ik in de drukte van Donk. In dit dorp bij Herk-de-Stad is de traditionele kerststallenwandeltocht aan de gang en duizenden bezoekers zijn in het duister onderweg langs "veertig kleine kerststallen en 450 versierde en verlichte huizen", over een afstand van 6,5 kilometer!
Zo is een kleine kruidenierszaak omgebouwd tot een bonbonnière van lichtjes, belletjes, engelenhaar, watten en rooie pluche. Elders zijn zes meter voortuin geheel ingenomen door een glooiend landschap me kleine huizen, boerderijen, een kerk en landerijen waar koeien en paarden grazen. Tussendoor leiden alle kronkelwegen naar de kerststal waar een verborgen luidsprekertje steeds weer I'm dreaming of a white Christmas herhaalt.
En overal brandt de lamp. Ik zie lichtjes op brievenbussen, hagen, daken en dakgoten, zelfs de takelwagen van Depannage Boussu is met lichtsnoeren opgetuigd. Wee degene die hier niét met de sierverlichting meedoet! Uit een box in een boom klinkt Down on Main Street van Bob Seger "en iedereejn een zjalige kersjtavond, mensjen!" Het is de vrije radio Oralis-West die hardop uitzendt.
Bij de feesttent die afgeladen vol zit, hoort een toiletwagen waar dertig volle blazen hun beurt afwachten. De urine zal een aftreksel zijn van warme wijn, citroenjenever, bessenjenever, appeljenever, cactusjenever, aardbeienjenever, vanillejenever en chocojenever. En dan is er de parochiekerk, die is één en al licht en warmte en honderden komen ernaartoe geschuifeld. Het moet 2004 zijn, maar het lijkt Kerstmis 1961 en elk moment kan mijn vader nu een plaat opleggen van de Wiener Sängerknaben.
Uit het laatste huis in de straat klinkt een schoon Ave Maria, het is een huis met een ijzeren hek ervoor en zo'n plaatje met een Rotweiler erop: Hier Waak Ik!
De Alkense herders kregen honger tussen hun schapen en worden bevoorraad met “spekfakkels”. © Jan Hertoghs (scan van print)
Pa-ram-pam-pam-pam
Twaalf kilometer verder is het kerstmarkt in Alken. Er staan haast alleen drankstalletjes tussen kerk en gemeentehuis en verder is er ook één "levende kerststal". De figuranten zijn alle vrouwen die moeiteloos de rollen vertolken van Maria, Jozef en de twee herders. Os en ezel zijn toebedeeld aan twee jonge knapen met een carnavalmasker op (koe en ezel). Het gezelschap stààt al twee uur in wat zij "een benauwd barakske van de gemeente" noemen en dat laat zijn sporen na. De "os" wil zijn masker niet meer opzetten en de jonge "ezel" heeft zelfs de stal verlaten "omdat hij lang genoeg heeft stil gestaan". Ook bij Jozef is zonder enige gêne de baard in de keel komen hangen. Alleen Maria is nog oké, maar zij zit dan ook met een écht kind op de schoot, een baby van vijf maanden, luisterend naar de naam Senna, vandaag vrijwillig ter beschikking gesteld door haar sympathieke ouders. De "baas" van de kerstmarkt komt langs en informeert luidruchtig "wat de dames vinden van hun nieuwe comfort". Er hangt immers een elektrische warmeluchtblazer in de stal ("ene met vier standen!").
Om kwart voor negen komen de ouders hun baby in de Maxicosi stoppen. De hele stal zegt als in koor dat het kindje héél héél braaf is geweest, er wordt gewuifd en dada! geroepen, en dan krijgt Maria een speelgoedpop in de armen ("oei, dat voelt maar koud aan!") De vette schlagers zwellen intussen uit de boxen, de jenevers lopen binnen als water en de spekfakkels (= 35 centimeter spek op houten spiesen) vliegen de tent uit. Ik sta intussen in de licht schommelende toiletwagen-met-muziek - I played my drum for Him! Pa-ram-pam-pam-pam!- en tel uit hoeveel lichtjaren er liggen tussen Alken en Betlehem.
De kerststal met zangkoor in Alden Biezen. Er is ook een kwinkslag-Jozef: “Mevrouw, komt u voor het kindje of voor mij?” © Jan Hertoghs (scan van print)
Stallekesbaan
Zondag 19 december is mijn laatste kerstdag en mijn monologue intérieur begint eronder te lijden: ho!-ho! ho! deze reporter rijdt in een arreslee van Peugeot-geot-geot! De bestemming van deze namiddag is het kasteel Alden Biezen in Bilzen. Voor vijf euro krijg je toegang tot deze kerstmarkt die stijlvol heet te zijn, ze vindt plaats in het kasteel. Ik schuif mee in de rij langs geurkaarsen, rozenlikeur, zelfgemaakte kerstkaarten, juwelen, schilderijen, advocaat en peperkoek op grootmoeders wijze, wierook, zelf ontworpen duim-, pink- en teenringen, en tal van andere feestproducten. Op het plein speelt een kleine fanfare Stille Nacht Heilige Nacht, maar mijn belangstelling wordt vooral gewekt door de levende kerststal, starring Jozef en Maria die onder een roodgloeiende gasbrander zitten. "Treed binnen in onze nederige woonst", monkelt Jozef, en daarmee is de toon gezet, we hebben hier met een onvervalste kwinkslagjozef te maken. De kleinsten zal hij nog vaderlijk naar het kindje en de schapen leiden, maar bij volwassen bezoekers zijn de knipogen niet bij te houden. Kom gerust binnen, er zit toch geen deur in deze stal! Mevrouw, zeg mij eerlijk, komt u voor het kindje of voor Jozef? Meneer, u weet toch dat alle vrouwen van dieren houden? Ze willen een nerts om de hals, een Jaguar voor de deur én een ezel die dat allemaal betaalt! Na tien minuten geeft hij al zijn visitekaartje: Leon Kees, secretaris van de Limburgse Vereniging van Handelsvertegenwoordigers. Zijn act wordt wel gecounterd door een parochiaal team. Dat heeft aan de andere kant van de stal plaats genomen en met hun drieën lezen ze om beurten het kerstverhaal voor uit een Nieuw Testament. Het team vindt dat zo'n vrolijke stal wel kàn, maar "wij zijn hier toch vooral om duiding te geven bij het échte kerstgebeuren".
Rendiertje tikt aan het raam tiktiktik. © Jan Hertoghs (scan van print)
Het is eerder laat als ik in Itegem uit de auto stap. Op zo'n uur is er normaal geen kat meer te zien in dit soort nieuwere tuinwijken, maar in de Rozenstraat en de Leliestraat is nog begankenis, en dat allemaal om in de verlichte voortuinen de miniatuurkerststallen van Charel Laureys te zien. Ik stop bij de Glühweinstube, wat in feite de garage en de oprit is van Charel. Zijn vrouw Rachel schenkt de glühwein, de stalletjesbouwer zelf vertelt dat hij al op Man Bijt Hond en Afrit 9 is geweest en dat ze nu maandag opnieuw komen filmen van de VRT "en 't gaat overgenomen worden door de RTBf!"
Charel is tien jaar geleden begonnen met één stalletje en wat glühwein voor de buren en nu staan er vierenvijftig stalletjes die hij met zijn helpers op gazons en opritten gaat opstellen. Ik maak een kleine rondgang en in elke verlichte kijkkast vouwen Jozeffen en Maria's de handen, liggen kinnekes Jezus op stro en komen herders en drie wijzen in alle mogelijke formaten aangelopen. Twee stallen springen eruit. In de ene zitten Jozef en Maria in een vliegtuighangar mét camouflagenetten en een klaarstaande C-130, en elders hebben ze onderdak gevonden nabij een chalet in Tiroler stijl. De uitleg komt van Charel: "die C-13O-stal staat bij een piloot die met humanitaire transporten vliegt" en die vakantiechalet "staat bij een mens die elk jaar naar Zuid-Tirol op vakantie gaat". Elke kerststal die hij knutselt is gebaseerd op het beroep of de hobby van de bewoners. Zijn vrouw is niet gerust in mijn interesse, "die mens stelt teveel vragen, Charel, die komt hier alles afkijken, me dunkt!"
Vanuit de Stube waar enkele buren zich nog warmen aan de wijn, wordt minzaam geknikt naar wandelaars die voorbijkomen en bij traag rijdende auto's is het loeren of men de inzittenden niet kent. Charel heeft alles al gezien, bussen vol Belgen, en zelfs Russen en Amerikanen ("die hadden Itegem gevonden dankzij mijne website!") En dat hij zijn eerste kerststal al gemaakt heeft toen hij zijn eerste communie deed! Zeshonderd stallen heeft hij al geknutseld in zijn leven, zés-hon-derd! Die staan hier niet in de straat natuurlijk, die zijn verkocht, tot in Duitsland en Zwitserland toe! Wat hem bezielt om zo zijn eigen stallekesbaan te schapen en een heel jaar met kerstmis en kribben bezig te zijn? Voor Charel is het "écht om het geloof en de geboorte te doen". Hij heeft het niet zo voor die "straten die ze volhangen met lichtjes van hier tot in Tokyo, dat is show, ge rijdt voorbij en honderd meter verder zijt ge dat vergeten". Kerstmis is wat anders, zegt hij. En dat het hier tien jaar geleden een stille wijk was, "waar iedereen werkte en niemand klapte" en door die stalletjes is dat veranderd, door die stalletjes zijn de mensen gaan praten met mekaar. En dàt is kerstmis, zegt Charel "dat ge een lichteke kunt zijn in dees donker dagen!" En dat de buurt zich mag klaar houden tegen 6 januari, zegt Rachel, dan is het de laatste dag en dan bakt zij vierhonderd frikadellen!
Mijn laatste ommetje is Kalmthout. "Daar zult gij in een tuin en een stal vinden waar de personages een bietenhoofd hebben", zo is me verteld. Het huis staat aan de rand van de Kalmthoutse hei. Er brandt licht, maar verder is er op dit late uur niemand. Ik duw het poortje open en kom in de tuin. Er staat een stal met enkele ouwe melkkitten, antieke klompen en dito hoefijzers. Er zijn ook twee schapen en twee ezels. En ja, Maria, Jozef en het kind hebben inderdaad een bietenkop met uitgeholde mond en ogen. Maar nu ik zo laat in deze tuin sta, met de rustige dieren en met de suizende wind in de dennen, laat ik de ironie varen. Er is deemoed voor wie hier een traditie behoudt op z'n eigen eenvoudige wijze.
Bij het hek hangt een geschilderde dakpan Rosa en André wensen U Prettige Feestdagen, en ook nog een bordje, Gelieve na uw bezoek de poort te sluiten.