Reportages

Een archief van eigen reportages.
Over bliksemjagers en voetbalveteranen,
klaroenblazers van de Last Post en autobestuurders die geen 1000 km per jaar rijden.  
En natuurlijk nog Vele Anderen.

Het boek “Kind zonder winter” heeft zijn voorgeschiedenis. Een hele reeks winterreportages ging eraan vooraf; zie ‘Winterreportages’ (in de header) of zie onder October 2025 .

ARCHIEF

Meer reportages lezen?

Wil je ingelicht worden als er nieuwe
reportages verschijnen?

Vul dan hier je e-mail-adres in:

Jan Hertoghs Jan Hertoghs

<w> Het kerstbomenbos: hoe de Nordmann de Ardennen inpalmt

Kerstbomen zijn eindig. Ineens zie je ze omverliggen op straat. Met hun takken op de koude stenen. Zopas nog in de warme familiekring en dan gelijk aan de deur. Wachtend op het stompe mes van de vuilniswagen of de glühweinbrand van een gemeentelijk vuur.
Ik ben nogal gevoelig voor die kortstondigheid van dat bestaan en ga op zoek naar de wortels van deze huisvriend en sympathieke spar. Blijkt dat België -binnen Europa- de tweede grootste exporteur van dat geboomte is (4 miljoen stuks per winter!)
Vergeet het engelenhaar. Maak kennis met de kerstboomindustrie.
Humo dec 2013 - licht herwerkt © Jan Hertoghs

© Jelle Vermeersch

© Jelle Vermeersch

M'n bestemming is de provincie Luxemburg. In Marche liggen langs de weg kano's te koop. Op de rug gekanteld. Hun seizoen voorbij. Door de herfst rijdend denk ik aan Jan P. die vannacht gestorven is. Hij tekende de mooiste kerstkaarten. En nu in één keer alle naalden verloren. Hartstilstand. Negenenvijftig. 
Kerstbomen benaderen doe je filosofisch. Door ernaar toe te rijden en lang genoeg stil te staan bij die bomen, en bij hen die de bomen groot zien worden en ze daarna omhakken.

Armand legt zijn ruwe handen op de tafel. Hij is een petit propriétaire die alleen lokaal verkoopt en die zo'n anderhalve hectare sapins de Noël heeft staan. Een gemeentewerkman met bomen als bijberoep. Zijn jonge plantjes komen niet uit de Ardense bossen, maar uit Denemarken. Daar worden miljoenen zaadjes gezaaid en tot plantgoed opgekweekt. De Denen zijn de Vikingen van Europa. Overal huren ze percelen, overal hebben ze een voet aan de grond. Aan de Engelse kusten van York en Hull waar de landbouw niet gedijt, staan nu jonge kerstbomen. Al die terreinen zijn  van de Denen. Tien jaar geleden was België met Denemarken de grootste exporteur van kerstbomen in Europa, "nu worden we overvleugeld."
Ik leer dat de kerstbomenkweek officieel niet bij de bosbouw maar bij de tuinbouw hoort. Kerstbomen hebben dus meer gemeen met sla, prei en tomaten dan met dennenhout en eikenplanken.
Ook moet ik onthouden dat een kerstboom méér is dan een zaadje zaaien en na tien jaar die boom omkappen. Het is volgehouden tuinierwerk: élke boom moet élk jaar twee keer gesnoeid zodat hij een mooie taille krijgt. Om zijn bomen te beschermen heeft Armand ook schapendraad: dat houdt de herten en de reeën buiten. De reeën eten in het voorjaar de sappige scheuten en de mannetjesherten zoeken graag een volwassen spar uit om het vel van hun nieuwe gewei af te stoten. En zo breken ze de takken af.
Er zijn ook precaire dagen in mei dat Armand geen vogel kàn zien. Dat zijn de tien dagen dat de jonge scheut van de top zijn kop opsteekt. Die scheut is groen en teer, die heeft nog geen hout onder de naalden en wat doet zo'n vogel? Die gaat bij voorkeur op een hoge uitkijk zitten, en bij het landen of wegvliegen breekt die scheut af. En dan is die spar zijn top kwijt. Een zwaar gezichtsverlies. Niemand wil een kerstboom zonder top. En dus hangt Armand in mei vogelverschrikkers in zijn bomen: een snoer van blinkende draaimolentjes en glinsterende cd-schijven. Wegwerpbomen
Ik leer ook het verschil tussen de gewone épicea en de Nordmann-spar. De éne is de vanouds gekende 'kerstboom', maar hij is uit de mode geraakt omdat hij "te snel" zijn naalden verliest. De Nordmann is duurder, maar hij is in heel Europa gegeerd omdat hij naaldvast is. Je vindt hem dus in alle supermarkten, hypermarkten en tuincentra.  

© Jelle Vermeersch

© Jelle Vermeersch

Armand heeft nog weinig épicea staan, wat hij betreurt. "Ga met je hand door een épicea en je ruikt het bos." Zo'n Nordmann is bijna zo reukloos als een kunstmatige boom. Maar door zijn naaldvastheid kunnen de grote producenten hem vroeger kappen, langer stockeren en nog altijd "fris" afleveren bij de groothandel en de consument. Het is zoals bij de tomaten: de hardere variëteiten beheersen de markt omdat zij het best de stockage en het transport overleven.
70% van alle gekweekte kerstbomen in België is een Nordmann. Het is de populairste kerstboom van Europa, miljoenen hebben hem in de huiskamer, maar nergens staat een standbeeld voor Alexander von Nordmann (1803-1866) die de boom in de Kaukasus ontdekte en in Europa introduceerde. von Nordmann klinkt als een Duitser van O Tannenbaum, maar hij was een Finse botanicus.

De Finse botanicus Alexander von Nordmann, “ontdekker” van de huidige bestseller-boom.

De Finse botanicus Alexander von Nordmann, “ontdekker” van de huidige bestseller-boom.

 Armand spreekt over de grote grondeigenaars ten zuiden van Samber en Maas. Die verpachten hun gronden liever aan kerstboomkwekers dan aan landbouwers. In de landbouw zit de klad, de boeren zijn slechte betalers omdat melk en vlees zo weinig opbrengen. Kerstbomen brengen meer op en dus kan er aan die boomkwekers meer geld gevraagd worden voor het verhuren van de gronden.
Het is een business geworden. Met grote afnemers die soms ook grote wanbetalers zijn. Hij hoort van producenten die overkop gaan vanwege teveel onbetaalde facturen. Het zal hem niet gebeuren.  Hij heeft alleen maar kleine afnemers.
Maar dat het moeilijk concurreren is met sommige dumpingpraktijken. Neem de Ikea vorig jaar. Hun kerstbomen kostten twintig euro en wie hem terugbracht, kreeg een aankoopbon van vijftien euro. Kostprijs van de boom: vijf euro. Twee dagen voor de kerst lagen er nog duizend stuks op de parking. Van zo'n wegwerpgedrag gaat zijn hoofd schudden. 
Dertig jaar geleden waren kerstbomen vaak nog de toppen van sparren uit de naaldhoutindustrie. Voor honderd frank (2,5 euro) had je d'r al een mooie. Die tijd is voorbij. Het moeten héle bomen zijn, zonder fouten en met de ideale afmetingen. Topmodellen kortom. De klant is kieskeurig geworden.
Armand en zijn vrouw moeten weg. Ook dat is de kerst, eergisteren is bij hun dochter een kind geboren.

Een kleine boomkweker met een bescheiden oplage op de tractor. © Jelle Vermeersch

Een kleine boomkweker met een bescheiden oplage op de tractor. © Jelle Vermeersch

Chris Rea
Middag in Saint-Hubert. Als een cafébaas meefluit met Céline Dion, dan is dat omdat zijn twee klanten zwijgen en bewegingloos naar buiten kijken. Naar de regen en het natte voorbijrijden van auto's. Hier komt weldra ook een kerstboom, zegt ie. Ik hoor Chris Rea al. Driving home for Christmas. Verschaalde rendieren en lege glazen.  
In de valleien die ik passeer zijn de rivieren dikgezwollen. De koeien staan te grazen in doornat gras, hun schoften donker van de regen. Nabij Hurtebise zegt een boer dat de kleine kerstboomkwekers "eruit moeten" van de grote supermarktketens. Die boîtes willen hun camions niet meer naar die kleine plantages sturen, waar ze moeizaam in het slijk moeten maneuvreren om een paar honderd bomen op te laden. De grote klanten willen propere laadkaaien waar hun trucks duizend bomen in één keer kunnen opladen. Die groeiende kerstkweek zorgt wel voor extra-inkomens. Hier in de streek zijn een pàk mensen die bij NMBS, TEC of Belgacom werken en die een maand congé nemen om bij te verdienen tijdens de kerstboomkap.

Het is een industrie, die kerstboomkweek. De totale oppervlakte van de Belgische plantages is tienduizend keer de omvang van de Brusselse Grote Markt. In België worden bijna vier miljoen bomen geproduceerd, waarvan 95% in Wallonië. 800.000 bomen blijven op de Belgische markt, de rest is export.
Van de Union Ardennaise des Pépiniéristes verneem ik de productiekost van zo'n huisspar. Een doorsnee-Nordmann van twee meter, verpakt en klaar voor transport: vijftien euro per stuk. Een doorsnee-épicea van dezelfde hoogte: acht euro. De winkelprijs ligt natuurlijk hoger. Met de transportkosten en de winstmarges van de tussenhandel kan een Nordmann in Saint-Hubert 25 euro kosten, maar in Vlaanderen en Brussel tot drie keer zo duur zijn.

Eén van de plantages van Greencap. © Jelle Vermeersch

Eén van de plantages van Greencap. © Jelle Vermeersch

In Libin zie ik voor het eerst een grootschalige plantage met  tienduizenden bomen. Links en rechts van de secundaire weg strekken de omheiningen zich uit, schouder aan schouder vullen de sparren de volledige helling. Sommige zijn al afgezaagd en liggen in wit gaas te wachten op transport. Bij de ingang staan drie jeeps. Er brandt een houtvuur voor niemand.
Niets is zo romantisch als de verlichte kerstboom. Dit is de prozaïsche kant. Een stijf en onbeweeglijk bos, een quasi-maïsveld. Met boomstengels die niet veel hoger zijn dan twee meter. Terwijl zo'n Nordmann wel zestig meter hoog kan worden. 
Twee stemmen naderen. Twee twintigers met laarzen, regenjekker en bivakmuts. Zij zijn de marqueurs, zij taxeren de bomen en binden een gekleurd etiket op de top. De kleur is een code voor grootte, kwaliteitsklasse en bestemming. Blauw, lichtblauw, groen, geel, oranje, telkens een smal doodvonnisje.
Volgende week begint de grote "kap". Daarvoor gebruiken ze een soort bosmaaier, een cirkelzaag op een lange steel. De ene doet het geluid na, bzzz, bzzz, om te laten horen hoe snel dat gaat. Wat tien jaar nodig had om te groeien ligt binnen de seconde omver. Tenzij er sneeuw ligt. Dan gaat alles veel moeilijker. Kerstbomen en sneeuw, dat haten ze.
Ook vorst is een vijand. Voor de bomen dan. De gevaarlijkste vrieskou is de late lentevorst. Vandaar dat plantages meestal op een heuvel liggen. Daar is meer zon en wind, daar kan de kou niet zo blijven hangen als in een vallei waar het donker en vochtig is. 
Deze plantage telt tweeëntwintig hectaren. Dat zijn meer dan honderdvijftigduizend bomen. Ik schat de waarde op ca. 1,2 miljoen euro. Ze zeggen dat ze nauwelijks last hebben van diefstallen. Ze bedoelen, we zouden het amper zien als er uit dit pak gestolen wordt.  
Ik vraag of ze soms aan al die mensen moeten denken die binnenkort rond die bomen zullen zitten. Nee, daar denken zij niet aan. Bij kerst denken zij aan onderuit liggen in de zetel en aan de opluchting van geen bomen meer te zien. En als ik meer vragen heb, dan moet ik mij wenden tot het bedrijf Greencap in Transinne.
Het regent nog altijd. Een volwassen kerstboom drinkt twee liter water per dag.

© Jelle Vermeersch

© Jelle Vermeersch

Vogelpest
Het grote bedrijfsterrein van Greencap ligt vlakbij de E411. Er zijn hangars, grote parkeerterreinen en grote partijen kerstbomen. Met duizenden staan ze in houten lattenkooien. Het is hier volop kerst en het is pas begin november. Alle bomen zitten in een wit net geprangd. Dat keurslijf is nodig om veel bomen in één kooi te stouwen. En zo begint dan de jaarlijkse trek. Naar de te warme warmere oorden.   
Met dat soort gedachten moet ik niet afkomen bij depot-chef Gerald de Wouters. Hij heeft cinq minutes. We nemen plaats in de lege bedrijfskantine. Daar staan naaldentakjes in glazen van SPA (een R ontbreekt!)
Een ideale kerstboom is een volle boom die zijn takken mooi in het rond draagt, taps toelopend en met een perfecte top. De consument wil dat zo. Hij wil een Chiquita-banaan, gaaf en zonder défauts. Om zo min mogelijk défauts en een zo hoog mogelijk rendement te hebben, worden de plantjes van de kerstbomen vanaf hun vierde levensjaar in serres geplaatst. Duizenden miniboompjes in potten naast elkaar. Hun groei wordt geobserveerd en "slechte" exemplaren worden meteen verwijderd. Die vroege selectie voorkomt dat ze gaan opgroeien in de plantage waar die slechte gevallen alleen maar "nodeloze plaatsen gaan innemen".
Ik spreek van de vermaledijde vogels die de toppen kunnen breken. Hij zal me de hélicoptères (=molentjes) laten zien waarmee ze de vogels weghouden. Met haast nemen we plaats in een golfkarretje. Ik hou me vast aan het dakje. Hij had maar vijf minuten en ik denk dat we aan minuut acht zijn. In de magazijnen trekt hij grote buidels open en vindt er dunne bamboestokjes, "dat is om de top te rechten als ie scheef dreigt te groeien". Zo zetten ze d'r elk jaar honderdduizend. Weer een andere zak, daarin zitten honderden rooie "antennes" op een plastic-knijper. Dat brengen ze aan in de top, en dan gaan de vogels daar niet zitten, want die antenne steekt in de weg. Maar waar zijn godver die molentjes?! Weer een andere zak. Daarin zitten buigbare kammen. Dat is om "een gat" te repareren. Met zo'n kam duwen ze de takken dichter bijeen zodat het gat kan dichtgroeien. Corrigeren, dresseren, manicuren. De kerstboom is de poedel onder de naalddragers.

Het molentje dat de vogels moet weren uit de boomtop. “Een boom zonder mooie top verliest 60% van zijn verkoopwaarde.”  © Jelle Vermeersch

Het molentje dat de vogels moet weren uit de boomtop. “Een boom zonder mooie top verliest 60% van zijn verkoopwaarde.” © Jelle Vermeersch

Twintig ton gezelligheid
Ik ben zo'n ziel die zijn boom een langer leven wil gunnen, en er dus één koop met een wortelkluit. Maar ook dat succes van de kluit maakt dat een spar anders zal opgroeien. Omdat de consument géén gesukkel wil als hij die weerbarstige wortels in een pot moet dwingen, stopt men het jonge plantje vanaf het vijfde levensjaar mét pot en al in de aarde. Een potgrond waarin de wortels meteen hun Lebensraum leren kennen.   
Ik heb het met Gerald over de korte levenscyclus van de spar-in-de-huiskamer; hij vertelt dat kerstbomen maar heel langzaam doodgaan als ze nog voeling hebben met het bos. "In maart hebben we ooit nog épicea-sparren gevonden. Die waren vier maanden eerder geveld, maar ze lagen daar vergeten in de plantage. Op die vochtige bodem en in de schaduw van andere sparren waren die bomen nog géén naalden verloren! Op de droge en lawaaierige laadkaai hadden ze het nog geen drie weken volgehouden, puur van de stress." En de huiskamer dan? "Dat is uiteraard ook een immense stress." En een spar bij de kachel of de verwarming? Dat is zowat de hel. 
Ik heb nog veel vragen. Gerald zegt dat ik maar eens moet terugkomen. Hij parkeert de golfkar en wijst op de grote stroken asfalt die hem omringen. "Al mijn vrienden vinden dit een zotte business. Wie bouwt nu een tarmac van zeven hectaren, als je die maar zes weken per jaar gebruikt?!"
Ik loop weer naar de auto. Langs hefvorken met zwaailichten, langs laadkarren en opliggers. Onze kerstboomtraditie zou teruggaan op de Oude Egyptenaren. Groenblijvende bomen waren voor hen een symbool van eeuwig leven. Maar wie had 3500 jaar geleden deze grootschalige bedrijfstak(!) zien aankomen?
Elke vrachtwagen heeft duizend bomen aan boord. Dat is bijna twintig ton nog op te tuigen gezelligheid. Ik zie pakjes en nieuwjaarsbrieven, maar ook ruzies en conflicten die nu al in de maak zijn. Ik zie eenzaamheid en leegte als enige gezelschap van die bomen. Ik zie de Switel-brand. Ik zie de man van Grapevine (Texas) die als kerstman verkleed zes familieleden doodschoot, "ze zaten met hun net geopende geschenken bij de kerstboom." (25/12/2011). Dat zie ik allemaal opladen. Op deze tarmac van Christmas Airport.

Een vrachtwagen met 1000 kerstbomen aan boord. © Jelle Vermeersch

Een vrachtwagen met 1000 kerstbomen aan boord. © Jelle Vermeersch

Vaticaan 
Een tweede dag onderweg in kerstbomenland. Een gure dag met mist en regen en gestapeld winterhout onder de golfplaten.
Tussen Manhay en Werbomont is de kwekerij Pirothon. Een erf met dikke-banden-voertuigen en aan de overkant het woonhuis en het kantoor. Achter de rustieke deur en de eikenhouten balie is het bureau. Met vader, moeder, zoon en dochter werkend aan de telefoon en de computer. Een familiebedrijf en een aandoenlijk interieur: bovenop de kast met de classeurs en onder het plafond hebben ze toch nog dertig centimeter gevonden om een hertengewei te leggen. 
Vader Yves noemt zich een kleine kweker met zijn honderd hectaren. De échte kleintjes noemt hij de kwekers met vijf hectaren. Twintig jaar geleden waren er bijna alleen maar van die kleinen, nu vliegen die eruit. Het is een métier geworden, dat verzorgen van die bomen. Je moet ook grote partijen kunnen aanbieden aan grote klanten, je moet een buitenlandse afzet hebben, en je moet zwakke jaren financieel kunnen opvangen. Jaren dat er een overaanbod is en dat de prijzen zakken. Of jaren zoals 2012, toen een vorstnacht in juni(!) grote schade aanrichtte.  
En dat ze volop in de kap zitten, want er wordt sneeuw voorspeld. Sneeuw kost geld. Omdat alles dan zoveel trager gaat: hij moet zijn seizoenarbeiders dan verdubbelen om het werk op de normale tijd gedaan te krijgen.
Ik vraag hem naar de kerstbomen op een houten kruis, die zie ik nog zelden. Is ook passé, zegt Yves. Sinds vijf jaar hebben ze la bûche. Z'n vrouw komt gelijk met een natte blok hout aandragen. Een stronk die in twee is gekliefd. In de bolle kant zit een gat van vijf centimeter, en in dat gat past de stam van de kerstboom waaraan ze een 'punt' hebben gefreesd. In Frankrijk is de bûche al tien jaar doorgebroken. In Vlaanderen slaat ie niet aan. Vlamingen zijn voor wortel en pot. Wat in Wallonië dan weer niet populair is. 
Of ik wist dat het Waalse Gewest in 2009 de jaarlijkse kerstboom van Sint-Pieters aan het Vaticaan heeft bezorgd? Een boom van negentig jaar oud en dertig meter hoogte. Pirothon leverde toen de "entourage", bomen van zes meter groot. Door die roomse gift weet hij het wel zeker, "ik kom later in de hemel!"
Hij is verbaasd als ik vraag of hij van de kerstsfeer houdt. Natuurlijk houdt hij ervan! J'adore l'ambiance de Noël! In hun huis zetten ze wel vijf bomen, die staan er al vanaf de tiende november. En op de chauffageroosters leggen ze takken van de meest geurende soorten, heel het huis ruikt naar het bos!

De man die plantages met doorgeschoten bomen opkoopt: “Die grote bomen worden nog gekocht door gemeentebesturen om op pleinen te zetten.” © Jan Hertoghs

De man die plantages met doorgeschoten bomen opkoopt: “Die grote bomen worden nog gekocht door gemeentebesturen om op pleinen te zetten.” © Jan Hertoghs

Green rush 
Samréee ligt op 450 meter. De regen gaat over in smeltende sneeuw. Het is een kerstbomenbos zoals ik het me vooraf had voorgesteld. Zo'n bos waar 's nachts de duisternis komt met vossen, egels, reeën, en uilen.
Zo'n bos ziet er altijd berustend uit. Het leidt een plantaardig bestaan en heeft daar vrede mee. Ook kerstbomen zijn een en al berusting. Ze denken niet aan hun korte leven en dat ze op een dag op een kruis gaan genageld worden. (Die symboliek kon ik niet laten liggen, Jezus.) 
Op het bospad staat een kleine grijpkraan, een auto en een gele-jekker-man. Hij vult de olie van zijn kettingzaag en noemt de grote kwekers de boomfabrieken. "Hun massaproductie is enkel gericht op bomen tussen één en twee meter. Dat is hun format en daarop is heel hun logistiek berekend." Hij is atypique. Hij verkoopt bomen van twee tot zes meter. Daar houden die groten zich niet mee bezig. Op zo'n groei moeten ze té lang wachten, zo'n boom neemt overal teveel plaats in, dat past niet in hun sjabloon.
Ook atypisch is dat hij gras, varens en bramen zomaar laat woekeren, "dat zal je bij die groten nooit zien, die verdelgen zelfs het gras tussen de bomen." Dat het bij hem zo woekert, heeft een reden. Hij koopt plantages op die door anderen in de steek zijn gelaten. Rond het jaar 2000 kwam er ineens een rush in de kerstboomkweek. Veel boeren dachten ze hun appel voor de dorst gevonden hadden. Van arme grond maakten ze een plantage. En dan rekenden ze zesduizend bomen per hectare en tien euro per boom. "Op rekenpapier zag dat er goed uit. Maar geld groeit niet aan de bomen, en bomen groeien niet op rekenpapier." Toen de bomen volwassen waren, was er ineens een overproductie omdat veel boeren hetzelfde idee hadden gehad. Ze raakten hun bomen niet kwijt en het jaar daarop is hij die percelen gaan opkopen. In België, Frankrijk en Duitsland, en tegen een zachte prijs.
Veel bomen zijn doorgeschoten, te groot voor de huiskamers. Dat is nu zijn product geworden. Hij heeft een réseau van dorpen en gemeentes die zo'n grotere boom wel op hun marktplein willen. Zelfs als ze tien meter groot zijn, kan hij d'r nog geld van maken. Het bovenstuk van zes meter zaagt hij af als kerstboom. Het onderstuk verkoopt hij als brandhout. "Bij mij gaat niks verloren".
Hij gaat eraan beginnen. Zijn jekker lekkend van de regen, de gummihanden rond de greep van de zaag. Hij stapt op een boom af, twintig seconden de ketting erin, een duw, en dan de volgende. En zo dieper het bos in. Dat gesmoorde janken en snerpen van de zaag in de sombere dweil van deze regendag. 

Gerald de Wouters van de Waalse firma Greencap : “Wij exporteren zelfs naar Finland. Daar staan bomen genoeg, maar de knowhow mankeert voor een massaproductie van de kerstboom op maat” © Jelle Vermeersch

Gerald de Wouters van de Waalse firma Greencap : “Wij exporteren zelfs naar Finland. Daar staan bomen genoeg, maar de knowhow mankeert voor een massaproductie van de
kerstboom op maat”
© Jelle Vermeersch

Klassenmaatschappij
Bij Greencap heeft chef Gerald vandaag meer tijd. Greencap is één van de vijf groten in België. Met meer dan zes miljoen bomen die staan te groeien op 450 hectaren in Wallonië, 450 in Bretagne en 3O0 in Schotland. Die 'hubs' in Frankrijk en Groot-Brittannië zijn er om de transportkosten te drukken. Zo moeten zijn camions niet telkens vanuit Wallonië al die grote afstanden afleggen. Maar soms rijden hun bomen tot helemaal in Finland. "Zo'n land kan ineens te weinig bomen hebben, en dan mag dat transport kosten wat het kost." Maar Finland stikt toch van de naaldbossen?! "Ja, maar ze hebben niet de knowhow om de echte kerstboom massaal te produceren" en zo kan het zijn dat ze ineens naar Helsinki moeten rijden. Ik zie het later op de kaart. Een reis van tweeduizend kilometer met drie veerboten ertussen. Dat is ver voor bomen die nooit uit hun bos zijn weg geweest.   
Gerald legt ook uit dat er drie boomklassen zijn. Klasse I mag een lichte défaut hebben, klasse II mag één grote défaut hebben, klasse III heeft twee grote défauts. Die komt in winkelstraten terecht, tegen palen gebonden, of soms op promotie-acties van de discounters en de grote supermarktketens. Die klassenmaatschappij vind je bij alle kwekers, "niemand cultiveert alleen maar eerste-klasse-bomen. Je hebt diverse klanten, en dus moet je àlle klassen kunnen aanbieden."
De klasse-indeling begint al vroeg. Vanaf midden juli doen twaalf medewerkers niks anders dan dat markeren met die etiketten. Een buitenstaander zal alleen maar een hectare bomen zien, voor hem zijn dat zesduizend individuen. Grootte, taille, takken en poten zijn bij elke boom verschillend. Elk land heeft ook een ander ideaalbeeld van een sapin de Noël. Wat eerste keus is in België (een volle ronde boom) kan toch tweede keus zijn in Duitsland: "Daar hebben ze liever geen te volle boom, maar liefst eentje met étages tussen de takken. In die 'gaten' leggen de Duitsers dan hun pakjes." Engelsen willen de perfecte kegel alsof die met de haagschaar gemodelleerd is. Parijzenaars willen grote volmaakte exemplaren terwijl de bomen voor het Franse platteland eerder klein en "naturel" zijn, ze mogen gerust een défaut hebben. Moeilijkste klanten "van heel Europa" zijn de Nederlanders: "die willen de knapste bomen voor een zo laag mogelijke prijs".
Nederland heeft ook meer bomen staan. Drie miljoen op 16,5 miljoen inwoners, dat is bijna één op vijf. Wij hebben "maar" één miljoen bomen staan op elf miljoen Belgen. De kunstboom heeft bij ons al harder wortel geschoten.   
Grote patron Louis Greindl komt binnen. Hij zegt dat die kerstboom-industrie in de jaren negentig begonnen is. Vijfentwintig jaar geleden zag je alleen maar kerstbomen in de huiskamers en in bepaalde winkels. Nu zijn de kerstbomen overal. In ziekenhuizen, banken, bedrijven, spoorstations, overheidsgebouwen, en zelfs op straat. Elke dienst, elke onderneming moét meedoen. Wie geen bomen heeft staan, is asociaal.  
Maar het is geen gemakkelijk product. Eén: zo'n boom is fragiel, je moet 'm een heel jaar soigneren. En twee: wat je nu als vierjarig plantje in de grond zet, kan je pas binnen zes jaar verkopen terwijl je niet weet hoe de markt zal evolueren. Als je op de groei van je bedrijf mikt en 100.000 bomen meer plant, dan moet je binnen zes jaar wel de klanten hebben om dat extra-aanbod te kopen. Kerstbomen zijn bomen met een risico.

Zwarte pest
Ik ben faunagewijs benieuwd naar de dieren in zo'n kerstbomenbos. Zij verstaan dat meteen als “de schadelijke dieren”! Hert en ree hadden we al, en daarbij komen nog de mulot en de campagnol, de bos- en veldmuis. Zoals die wortels vreten, niet normaal! Een paar muizenfamilies kunnen een heel perceel kapotmaken. Je knikt die bomen zo uit de grond omdat ze hun wortels kwijt zijn. Met een vork stoppen ze muizenvergif in die kleine holen, maar je krijgt ze "nooit helemaal weg".
En dan de vogels natuurlijk! De kraai is erg, maar de merel is toch de zwarte pest van de lente! Hij landt bovenin de boom, de top knakt, de merel schrikt, vliegt naar een andere top, opnieuw knak, en zo zet hij een hele reeks neer. Daar moeten we om lachen, om dat domino-effect van al die pieken die knakken. Serieus nu. Zo'n geknakte top is nooit meer te herstellen. Cassé, c'est cassé. Die boom verliest zestig procent van zijn verkoopwaarde. En dan moeten de réparateurs komen. Zes voltijdsen zijn er en zij doen niets anders dan oplapwerk. Met een bamboestokje dresseren ze een tweede scheut naar die top, een soort van bypass. Dure bricolage, allemaal vanwege die vogels. Vandaar: beter voorkomen dan genezen. En dus klemmen ze die vogelschrik-molentjes in de boomtoppen, en dan zeker bij de klasse-I. Elk jaar zo'n honderdduizend molentjes in België, Frankrijk en Schotland. Maakt driehonderdduizend maal twintig eurocent per stuk! De patron heeft een andere oplossing en zwaait met een denkbeeldig geweer: on flingue tous les oiseaux!

© Jelle Vermeersch

© Jelle Vermeersch

Er valt dunne sneeuw op de plantage. In het slijk tussen de bomen zitten diepe bandensporen. De arbeiders heffen de steel met de cirkelzaag uit de pick-up. Eén gaat voorop, ik kan hem niet anders omschrijven dan The Grim Reaper. Vanwege de kap over zijn hoofd en hoe hij stuurs en duister tussen de bomen loopt en alles neermaait als met een zeis. Zo snel gaat hij door het bomenveld. 
Twee letterlijke handlangers volgen hem. Ze grijpen de gevallen bomen waar ze kunnen en mikken hen op kleine stapels.
Het is serial killing. Ik heb vage compassie met de bomen, maar neem de werklui niks kwalijk. Dit zijn seizoenarbeiders en hun werkritme kan voor een mens ook moordend zijn.
Op het uitgedunde veld blijven alleen nog kreupelbomen achter. De sukkels met een scheve kop, manke rug of gewoon teveel rosse haren. 
Terug op weg naar huis in de vallende schemering. Een vos steekt de weg over, een laag verdwijnen tussen de donkere bomen. De  koplampen verlichten een verkeersbord. De stilte. De jingle bells veraf.     

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

<w> De winter in Lapland (2): Onze Man valt van de hondenslee

Onze Man tijdens de luttele tijd dat hij rechtop staat achter de hondenslee. © Roger Van D'Huynslager

Onze Man tijdens de luttele tijd dat hij rechtop staat achter de hondenslee. © Roger Van D'Huynslager

“Jij zit hier met je gat gezellig bij dit vuur, maar ik heb in augustus al dat hout gekapt!”

In Zwitserland heb ik op ski's gestaan, in Lapland wilde ik me in de geest van Amundsen ook een keer achter een hondenslee spannen. Kyösti Pietikäinen is de man die ons een voormiddagje huskie offreert. De honden en twee sledes worden op een trailer geladen en om tien uur in de morgen staan we in de heuvels van Pallastunturi waar zes Siberische huskies voor de houten slee worden gespannen. De honden in het tuig janken en springen om op pad te gaan, het span wordt met een touw om een boom gebonden zoniet schieten ze zonder berijder het bos in. Roger doet de eerste rit voorafgegaan door Petri, de hondenbegeleider met de Davy Crockettmuts en dubbele vossenstaart. Ik neem plaats op de rappe motorslee van Kyösti en we knoeren door jonge dennenbosjes vanwaar ik een mooi uitzicht heb op de twee jakkerende hondensledes. Vandaag is het geen koude dag, min zes of zoiets, maar de wind is zoveel Beaufort toegenomen dat hij de sneeuw in jachten over het bevroren meer blaast. Vijf kilometer verder houden we halt bij een prachtige hut waar toeristengezelschappen hele of halve rendieren aan het spit kunnen roosteren. Er is ook een sauna met een talud van 15 meter die uitgeeft op een plons in het ijs, alle comfort dus. Dan is het mijn beurt op de slee. Roger zegt dat het een makkie is, in het begin een beetje op de ijzeren traprem staan, wat links en rechts sturen met de knieën, je zal wel zien. Kyösti maakt de honden een beetje zot, laat ze sneeuw happen die hij in de lucht gooit, en ook hij zegt dat het simpel is, easy, no problem!

Ik neem plaats op de twee latten van de slee, trossen los, en de honden schieten weg als pijlen uit een boog. Vijftig meter verder, bij de eerste bocht, kiepert de slee al om en slinger ik op mijn buik liggend achter de slee en de voorthollende honden aan. Vanuit mijn trekhaak-positie slaag ik er toch in om half lopend, half vallend overeind te krabbelen, de honden sjezen gewoon voort en ik moet -vastklampend aan de slee- sneller dan die meute rennen om een sprong naar de latten te wagen. Dat lukt, maar honderd meter verder en nauwelijks bekomen, botsen we over een boomstronk, kantelkantel, daar gaat onze Belgische kandidaat weeral onderuit, en weer kan ik vanuit de zogenaamde hond-sleept-man-positie terug rechtkomen en op de latten jumpen. De derde valpartij is er een courtesy Donald Duck & Pluto. Ik zie de honden naar rechts afslaan en ik ga gewoon rechtdoor, pààf, de dennen in. Het schokeffect van deze valpartij is pas na honderd meter overeind-knielen te overzien, twee honden zijn door mijn geslinger zodanig verstrikt geraakt dat één hond op de rug van een andere hond hangt te klauwen.  My life as a dog! De twee pikkelende honden matigen de snelheid van het span met twee-zesde zodat ik in staat ben om rustig om hulp te roepen. Ik gooi het rem-anker uit, de honden worden uit de knoop gehaald en van dan af gaat het zonder ongelukken en met een fijnsuizende vaart verder. Niets gemakkelijker dan een ritje op de hondenslee, wij nemen Bona mee!

Onze Man zit op een recht en plat stuk en kan eindelijk vaart maken. © Roger Van D'Huynslager

Onze Man zit op een recht en plat stuk en kan eindelijk vaart maken. © Roger Van D'Huynslager

1OO jaar eenzaamheid
De dag daarop maken we ons klaar voor een trip met de magic bus, de bibliotheek-bus van het hoge noorden. De bus is een unicum op deze planeet, zegt coördinatrice Sirkku Seppänen . Ze bedient drie landen (Finland, Noorwegen en Zweden) en bezorgt boeken in vier talen (Fins, Noors, Zweeds en Same). De boekenbus kostte bij aankoop 6,6 miljoen Bfr, de jaarlijkse kost aan onderhoud en personeel bedraagt 3,8 miljoen Bfr. De eerste rit dateert van 1979,"er was toen economisch optimisme, er was toen veel geld voor cultuur, nu zou zo'n initiatief niet meer mogelijk zijn." Het gebied dat de bus bestrijkt is 27.5OO km² groot, dat is bijna zo groot als België, en daarbinnen wonen amper 1O.OOO mensen, dat is éénderde van een inwoner per vierkante kilometer.
Deze week vertrekt de bus voor drie dagen naar Noors Lapland, we gaan voor twee dagen mee aan boord met chauffeur Oula en co-bibliothecaresse Elli. In het ijskastje stoppen we worst en kaas en hamburgers, het brood vindt een plaatsje naast de microgolfoven. Ik loop langs de rekken met vijfduizend(!) boeken. Er zijn kinderboeken (Astrid Lindgren), strips (Tintin, Lucky Luke), er is non-fictie (filosofie, essays, geschiedenis, reisliteratuur, cassettes met volksmuziek, tijdschriften over de jacht en de visvangst) en er zijn romans waaronder Robert Pirsig's "Zen Ja Moottorypiörän Kunnossappito", u raadt het, "Zen en de Kunst van het Motoronderhoud". Een boek dat jaarlijks zo'n 3O.OOO km aflegt! Kort na de middag vertrekken we, de schemering hangt al in de lucht, de sneeuw jaagt in sluiers over de weg.

De bibliobus van het Hoge Noorden. Gemiddeld dagtraject 100 à 200 kilometer. © Roger Van D'Huynslager

De bibliobus van het Hoge Noorden. Gemiddeld dagtraject 100 à 200 kilometer. © Roger Van D'Huynslager

Ik zit op een boekentrapje en kijk vanuit deze donkere rijdende leeszaal door de grote voorruit naar buiten. Heel soms zien we de glimp van een rood huis in de sneeuw, het soort huis waar ze  puzzels van maken, het huisje heb je meteen in elkaar gelegd, maar dan komen nog honderden witte stukjes van de sneeuw met hier en daar wat zwart van het bos. De ene verlaten weg na de andere maalt voorbij, de koplampen schijnen honderd meter ver in het schemerblauw en de sneeuw is zo fijn dat hij in myriaden glinstertjes naar het licht van de bus wordt gezogen. Dat het leven zo eenvoudig kan zijn: een lichtje dat hoog op de aarde door de sneeuw rijdt om een boek weg te brengen.  

We stoppen in Siebe.In Siebe staan vier huizen, twee ervan zijn niet langer bewoond, in de twee overige wonen samen vijf mensen. Eén vrouw stapt op de bus, ruilt haar gelezen boeken voor nieuwe lectuur, en dan is het weer stil. Reglementair moet de bus nog een half uur in Siebe blijven staan en dan duurt het weer een maand voor ze hier terugkomt. Die namiddag en avond stoppen we nog op een zestal plaatsen. Zo gauw de bus ergens stopt, maken zich figuurtjes los uit het donker, meest kinderen met een volle plastic tas boeken, ze stampen hun sneeuwlaarzen af op de treeplank, gaan een half uur in een Donald Duckje zitten lezen en scharrelen de laatste vijf minuten nog gauw wat andere boeken mee. Om halfnegen stoppen we in Kautokeino, we zijn acht uur onderweg geweest, zesendertig mensen zijn in de bus gestapt, we hebben 2OO km afgelegd. 

DSC_5820.JPG

De dag daarop rijden we naar schooltjes en dorpjes tussen Kautokeino en Alta, de verwarmde en op lucht verende reuzenbus rijdt gestaag door een landschap waar geen mens, geen kraai, geen plankje dat op een ander plankje genageld is te bekennen valt. The middle of snowhere.
In het kerkdorpje Màze krijgen we bezoek van een journalist en fotograaf van de Noord-Finse krant Pohjolan Sanomat, ze willen weten wat ons in de winter naar hier drijft en hoe we over de EG denken, want dat is de vraag die hier op ieders lippen ligt nu Finland eraan denkt om aan te sluiten. Kari heeft als journalist een gebied dat zo groot is als België, maar er wonen misschien 2O.OOO mensen. Tegen dat ik op pensioen ga, heb ik ze bijna allemaal geïnterviewd, lacht hij. Ik vraag of er in deze immense leegte ooit al twee auto's tegen elkaar zijn gebotst, en ja, "dat komt voor!"
Tegen vieren rijden we met hen naar Muonio, de weg is donker, en forse windstoten met volle vlagen sneeuw rukken aan de auto. Tien keer heb ik al gevraagd of dit een sneeuwstorm is. Nee, zeggen ze, dit is gewoon wind. Ineens lopen tien kinderen als verweesd langs de weg, honderd meter verder steekt een schoolbus als een grote verlichte barak in de sneeuw, van de weg afgeraakt en tot boven de wielen vastgelopen. De leraar loopt honderd meter voor de kinderen uit, naar het enige huis op de heuvel, daar kunnen ze schuilen en op hulp wachten. 

Roger en Jan. Een journalist wil weten waarom we hier op reportage zijn. Zijn regio is zo groot als België en er wonen 10.000 mensen.  Foto: Kari/ Pohjolan Sanomat,

Roger en Jan. Een journalist wil weten waarom we hier op reportage zijn. Zijn regio is zo groot als België en er wonen 10.000 mensen. Foto: Kari/ Pohjolan Sanomat,

Witte sneeuw, zwarte sneeuw
In dit hoge noorden wonen hoogstens tien niet-Skandinaven. De Vlaamse Katri (zie vorige aflevering) is er één van. Dan heb je nog een Oostenrijker met sleehonden, een Russische muzieklerares, een Russische karate-leraar, en een handvol Duitsers: één die geiten houdt, één die glas beschildert, één die met een Finse actrice samenwoont, en één die Roman Bloch heet, hij wacht ons op in Muonio. Roman is een Duitser uit de buurt van Keulen, in 1968 vertrok hij up the country, hij wou "als Fin onder de Finnen gaan leven". Roman pikt ons op in zijn ouwe Volvo, een voertuig dat onder de verf zit waar roest moet worden tegengehouden.
-Je ziet eruit als in een film van Wim Wenders.
-Ach, nichts Wim Wenders, steig ein!
Ik heb Roman in 1987 leren kennen toen ik met Ingrid twee weken door Finland liftte. We mochten toen bij hem blijven logeren. In 1985 is Roman in Muonio komen wonen, samen met Marianne Nieuwenhuis, een Nederlandse die uit een vorige relatie twee kinderen heeft van een Engelse vader, Justin en Julian. De familie woont in een houten huis boven een meer, ik herinner mij hoe de jongens zes jaar geleden in een roeibootje stapten en "nog even een kwartiertje gingen vissen voor het avondeten". Om de vijf minuten zag ik daar Tjörven en de Kinderen van De Zoutkreek.
Op die zes jaar is er één en ander veranderd in Finland. In '91 en in '92 hadden grote devaluaties plaats. Finland had zijn welvaart binnen eigen grenzen kunstmatig hoog gehouden met protectionistische maatregelen, de banken hadden met het geld gejongleerd in plaats van geïnvesteerd, de consument had gekocht en gekocht en veel minder gespaard, en ineens bleek dat er wel geldbedrijvigheid was, maar veel minder economische bedrijvigheid. En de Finse mark die in 1987 nog tien Bfr waard was, is nu nog 6,5 Bfr waard. De economie stagneerde en de werkloosheid steeg de laatste twee jaar van vijf naar twintig procent! Toerisme is er goedkoper geworden, de export floreert, maar kleine inkomens, jonge gezinnen en pas afgestudeerden worden zwaar geraakt.
Roman:" Komt daarbij de factor Rusland. Vroeger waren wij de bevoorrechte handelspartner van de Sowjet-Uunie. Wij verkochten hen ijsbrekers en ferryboten, wij hebben hen kerncentrales en mijnen helpen bouwen en zij gaven ons goedkope energie en natuurlijk ook zinken badkuipen die we niet nodig hadden. Maar sinds die ouwe sovjets in een vrije val zijn geraakt, moeten we daar ook niet meer op rekenen. In Finland is de werkloosheid 2O%, hier in Muonio hebben we dertig procent werklozen. Weet je wat dat betekent, dertig procent? Sommige mensen hebben nog hout en een bos, maar de houtprijs ingezakt; sommige hebben rendieren, maar de vleesprijs is ingezakt."

Roman en Marianne. Van Duitsland en Nederland uitgeweken naar het Noorden : “Het leven is hier hard. Je moet alleen kunnen bestaan om te kunnen overleven,” (Ingescand uit Humo/ Roger Van D’Huynslager)

Roman en Marianne. Van Duitsland en Nederland uitgeweken naar het Noorden : “Het leven is hier hard. Je moet alleen kunnen bestaan om te kunnen overleven,” (Ingescand uit Humo/ Roger Van D’Huynslager)

"Haha, en intussen hebben de heren uit België op de hondenslee gezeten, mooi zo! Van het toerisme moeten we het hebben. We slepen Duitse bejaarden naar hier voor 998 mark, -twee mark onder de schaamtegrens!-, we laden ze in rubberboten ,smijten ze van een waterval en piloteren ze nadien in een bus naar de Noordkaap. We inviteren Engelse businesslui op kerstavond, laten ze landen in het luchthaventje van Kittilä, met een Concorde notabene!, Santa Claus wacht op de startbaan, de zakenlui krijgen een sneeuwscooter onder hun gat, en dan gaat het vroemvroem richting haardvuur en champagne, maar voor het middernacht is ijlen ze weeral terug naar The Big City. Genoeg kou en platteland gezien.Ik heb niks tegen toeristen, Lapland is fantastisch om rond te reizen, maar ik heb wel schrik voor dat soort uitverkoop van Lapland, voor een Euro-Lapland "waar alles mogelijk is".
Humo: Het zal toch altijd een bepaald type toerist zijn dat naar het noorden wil reizen. Lapland is toch geen land voor het massatoerisme.
Roman
: "Ik hoop het. De mensen hebben trouwens meer schrik van de Russen dan van de toeristen. Dit land is nog maar 76 jaar onafhankelijk en die grollende Russische beer ligt nog altijd vlakbij. Moet je maar eens zien hoe de Russische mafia hier adverteert. (neemt de nationale koopjeskrant) Alles kan je kopen in Helsinki: koper, goud, diamanten, uniformen, wapens, munitie. Dat ligt hier allemaal uitgestald voor heel West-Europa. De Finnen hebben altijd gevreesd dat de Russen militair nog eens zouden binnenvallen, maar nu vallen ze op de platst mogelijke kapitalistische wijze binnen. In Helsinki lopen Russische prostituees rond die geen woord Fins spreken, die hun prijs met bic op hun hand schrijven!"

" Even kijken, waarover hebben we het nu al gehad: over de recessie, over de EG, over het toerisme, over Rusland,(lacht). Zoals wij nu zitten te babbelen-babbelen-babbelen, van het ene onderwerp naar het andere, zo zit hier niemand. Hier heerst een ander ritme. Hier gaan ze zitten en hier zeggen ze: "Het is dit jaar geen koude winter." Stilte. "Nee, het is geen koude winter." Stilte. "En weinig sneeuw dat we hebben." Stilte. Zo gaat dat. Met jullie spreek ik op twee uur over twintig thema's, tsjaktsjak, van de hak op de tak. Met jullie spreek ik op twee uur over meer dingen dan met mijn buren op een heel jaar! Jullie hebben de Middle European Speed , de "speed" van de grootstad. De mensen hier kopen die "speed" al- microwaves en mobilofoons en afwasmachines- maar qua mentaliteit en levenswijze zijn ze hoegenaamd niet aangepast aan die "speed". Al dat snelle gedoe staat haaks op de niet-snelle manier van leven hier.
Ik merk dat ook aan Marianne en mij. Wij staan op en het eerste waar wij over praten, is over de schapen. Is er nog genoeg hooi? Mankt schaap Anka nog? Is de omheining in die hoek nog altijd los? Dat is ons ochtendgesprek! Dieren en natuur, het leven draait daarrond bij de meeste mensen hier. En daarover spreek je dus. Nooit over de psyche, nooit over persoonlijke problemen, dat blijft altijd gesloten, dat blijft in het gezin. Verwonderlijk is dat niet. Iedereen woont hier geïsoleerd, woont hier ver van de anderen. En als er een probleem is, moet je dat zelf oplossen. Ik zal je een voorbeeld geven. Op een dag reed ik met mijn tractor vast in het slijk. Driehonderd meter verder staat een man aardappelen te rooien. In Duitsland of België zou die man naar je toe komen. Hier niet. Hier wachten ze tot je onder het slijk zit, tot je een plank onder die wielen hebt gestopt, tot het zweet van je gat loopt en je desondanks nog niet wegkomt. Dàn komen ze je helpen. Nadat je eerst alles zélf hebt geprobeerd. Je moet je problemen hier zélf oplossen, en als je dat niet kan, als je dat alleen staan in de wereld niet kan verdragen, dan moet je een revolver tegen je kop zetten of verdwijnen, weg van hier. Ja, jongens van de stad, hier bestaan geen zelfhulpgroepen. Hier is het: help uzelve, zo helpt u God!"
Marianne:"Er zijn toch uitzonderingen, Roman. Als je werkelijk door rampspoed wordt getroffen, dan helpt iedereen. Enkele winters geleden is hier een huis bedolven onder loskomend ijs van een waterval, de mensen konden door het raampje van hun sauna ontsnappen. Wel, de volgende dag lagen er spontaan en ongeorganiseerd, fondslijsten in alle winkels, tot tientallen kilometers in het ronde. Duizenden marken heeft dat opgebracht en die mensen hebben met dat geld en het geld van de verzekering een nieuw huis kunnen bouwen. Nog iets. Loop in de winter maar eens alleen naast de weg. Elke auto zal stoppen om je mee te nemen." 

aurora.png

Wintergraf
Roman
:"En natuurlijk is Lapland fantastisch en natuurlijk is het noorderlicht mooi voor wie hier de eerste keer komt, maar hier in huis wonen ook twee tieners, die willen geen noorderlicht zien. Die willen de stad zien, die willen de wereld zien. En die rijden op zaterdagavond 15O km naar de dichtstbijzijnde discotheek. Met de schoolbus, met de andere jongelui van hier, die ook allemaal de wereld willen zien. Die jongens staan nog veel dichter bij de "Middle European Speed" dan hun ouders.
Marianne:"Hoe dan ook, wij blijven hier. Met zijn vieren of met zijn tweeën. Eens je hier een tijd gewoond hebt, kan je niet meer terug, kan je niet meer wonen tussen veel mensen."
Roman: "Financieel hebben we het niet breed, maar we houden we het wel. We bakken ons eigen brood, we hebben vlees en wol van de schapen, we krijgen wat subsidies voor het grasland dat we hooien en voor het kleinvee dat we houden; we vangen vis uit het meer, we hebben rendiervlees in de diepvriezer, bessenconfituur, gedroogde paddenstoelen."
Marianne:" Dat zeg je nu nadat we hier acht jaar wonen, maar makkelijk is het niet geweest om hier te integreren."
Roman: "Het is gebeterd toen jij hier kwam met de jongens. Eerst was ik hier alleen, die rare Duitser die hier nooit in de winter was, die in Duitsland ging verdienen om hier in de zomer te kunnen wonen. Ik was ook die "veelwijvenman", want elke zomer had ik in hun ogen een ander lief bij. Wat ben ik allemaal geweest! Duitse stroper! Daar is iets van waar. Duitse dranksmokkelaar! Dat is helemaal waar, dat was ook het begin van de integratie, toen kwamen ze van heinde en verre aan mijn deur kloppen voor schnaps! Mijn moeder stuurde dat op vanuit Duitsland. Heelder pakketten. Dat ging van mond tot mond, iedereen leerde mij kennen en ik had meteen een kennissenkring. Tot de politie hier op een avond aan de deur klopte, en toen was het gelijk gedaan met drankendiscount spelen. Maar intussen ging mijn naam verder en verder de toendra in. Tot twee jaar later zijn ze hier nog aan de deur komen kloppen voor sterke drank. Soms midden in de nacht!
Duitse spion ben ik ook geweest. Omdat ik met mijn camera naar plaatsen zocht waar de Duitsers tijdens WO II lelijk hadden huisgehouden. Maar zoals gezegd, sinds Marianne met de twee kinderen bij me is, is de integratie wel gelukt."
Marianne: "Er is een gezin, de kinderen gaan normaal naar school en ze hebben gezien dat we doorgebeten hebben, dat we niks van schapen en van hooien wisten, en dat we toch doorgedreven hebben, ze hebben gezien dat geen van ons bang is om zijn handen vuil te maken, we kunnen een auto herstellen, we kunnen een dak timmeren, we zijn OK."

Roman: "Nu je hier toch bent, kan ik jou wat kritiek geven. Jij hebt hier een leuke tijd, jij wordt overal goed ontvangen, kopje koffie, rendiersoep, fijne foto's, verhaaltje hier, verhaaltje daar, en na zes dagen denk jij: hm, Lapland, toffe story. Maar jij zou hier geen zes dagen, maar zes maanden moeten zijn. Nu kom je hier alleen wat aan de oppervlakte krabben. Je zit hier in dit huis, tof huis, gezellige sfeer, lekker warm, maar weet jij wat dit "lekker warm" betekent? Dat betekent dat wij al in augustus het bos zijn ingegaan om bomen te hakken. Dat is vellen, takken wegkappen,  kettingzaag erin, blokken kleinzagen, blokken op de tractor laden, blokken stapelen achter het huis, klieven achter het huis, drogen en luchten achter het huis en elke dag dat hout ook op onze armen binnendragen tot bij dat vuur daar, achter jouw gat daar. Dat werk en dat leven kan je maar tenvolle begrijpen als je hier zelf een half jaar komt wonen. Alles is hier op die lange winter gericht. En de winter is lang. En als ie gedaan is, dan valt er een zware last van je schouders, oef, we zijn 'm doorgekomen. Alsof je een zware ziekte hebt overleefd. En dan is het zomer, en dan zou je kunnen genieten, maar je vist, en je hooit en je maait, en je werkt en je werkt en tussendoor word je nog anderhalve maand geplaagd door de muggen, The Mosquito Air Force,haha! En dan is het eind augustus en dan zie je de mensen het bos weer ingaan, hout kappen...voor de winter. Dàt zien jullie niet als jullie hier even de neus aan het venster komen steken. En nu is het nog zacht, min tien, maar je moet hier maar eens bij min dertig aan een sneeuwscooter staan sleutelen, dan vries je uit je broek, jongen! Onthoud van mij één ding: het leven is hier niet makkelijk, het leven is hier hard. Zelfs als je doodgaat. Want een graf, dat graven ze hier niet, dat springen ze met dynamiet. Zo knochgefroren is het hier!"

Thee. En whisky met ijsbrokken uit het meer.

Thee. En whisky met ijsbrokken uit het meer.

On the rocks
De laatste namiddag in Muonio rijden we met z'n zessen naar het meer. Veiko, de schoenmaker, Reino ,de PTT-werkman, lerares Sirkka en bibliothecaresse Sirkku. Het meer van Olostunturi is zo uitgestrekt als de sterrenhemel boven ons. We stappen één kilometer tot bij een stok die als merkpunt in het meer steekt. In het ijs is een bijt gekapt dat kunstmatig wordt opengehouden met een blok piepschuim. Vijftig meter verder is nog een bijt en tussen die twee open plekken hebben Veiko en Reino een net gespannen dat ze om de drie dagen bovenhalen. In het licht van de zaklamp glinsteren tientallen spieringvisjes. Als het laatste net is opgehaald, komt  de maan als een gele lamp boven de dennen en waaiert ook het poollicht weer door de lucht.
Daarna rijden we naar een ander meer waar de familie van Reino een eeuwenoude vissershut heeft staan. Tweehonderd jaar oud is ze, een beschermd monument. Sirkku steekt een kaars aan, het licht valt door de ijsbloemen naar buiten. Reino geeft me de zaklamp, hij gaat water putten voor de koffie. Met een ijzeren punthouweel moet hij tot veertig centimeter diep door het ijs stoten voor het water opborrelt. Hij schept ijs en water in een blikken kom, en zegt "drink!" met een zwaar Engels accent. Ik drink met de gedachte dat  mijn tanden uit mijn mond zullen vallen van de kou, maar het water is niet ijskoud en bovendien zo puur als kristal. Dan haalt Reino met een triomfantelijke grijns een halve fles wodka uit zijn jaszak en giet dat over de ijsschotsen die nog in de kom zijn gebleven. Drink! Ik giet ijs en vuurwater naar binnen, on the rocks unplugged! 
In de hut is houtvuur gemaakt en daarboven stoven de visjes in een grote pot met boter en ajuin. Reino gaat buiten hout kappen, de anderen kijken veelbetekenend naar mekaar: hout kappen is drank kiepen. Met elke arm hout komt Reino luidruchtiger binnen gestommeld. Hij wijst op de stoofpot:" Een arm land zijn wij. Wat wij te eten hebben is vis en brood en rendiervlees en brood. Dat is alles." Sirkka zegt: "Vroeger zouden we dit nooit gedaan hebben, netten uithangen in de winter, maar door de recessie zijn we wel gedwongen. Alle middelen om aan vis of vlees te geraken, zijn goed." Reino steekt zijn duim op naar ons, met de EG zal het allemaal beter gaan, my friends. Hij krijgt van de anderen op zijn kop, niks EG! "Ik wil mijn land aan Duitsers verkopen," houdt Reino vol," ik heb land en de Duitsers hebben geld."
De anderen zwijgen en drinken koffie. Het is een zachte winter dit jaar, zegt Veiko. Ja, zegt Sirkka, er is dit jaar maar weinig sneeuw.                                  

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

<w> De winter in Lapland (1): de Belgische die de jaarlijkse ijstijd en rendieren trotseert

Winters in het Hoge Noorden, je moet ze van dichtbij meemaken. In deze eerste aflevering : de Belgische Katri Mortelmans die rendieren bij de horens pakt en de winterharde baby’s die buiten slapen bij min twintig!

* De reportage is  opgedragen aan m'n vriend Roger Van D'Huynslager, de fotograaf van toen die vijf jaar later overleed *
Humo dec. 1993 -licht herwerkt © Jan Hertoghs

© Roger Van D'Huynslager

© Roger Van D'Huynslager

“Hier wonen amper mensen. Iemand op 100 km afstand, dat is een buurman.”

Het is acht uur in de avond als het toestel van Finnair met een korte knik zijn wielen op de besneeuwde landingsbaan zet. Vanuit Helsinki zijn we duizend kilometer naar het noorden gevlogen, naar Kittilä, één van de vier luchthavens van Lapland. Geen grijze sluis hier naar de exit, gewoon het trapje af en met de ribschoenen in de sneeuw. De een wil in een luchtballon kruipen, de ander wil een piramide bestijgen, een derde zoekt zijn geluk tussen onbewoonde palmbomen, ik wil de winter, de echte winter zien. Niet van dat grijze snot waar je hier drie maanden natte voeten van krijgt, maar ouderwetse stapels sneeuw, kilometers ijs en de donkerste dagen voor Kerstmis die er te vinden zijn. En daarom zit ik nu met een lange thermolactyle onderbroek in het redelijk hoge noorden van Finland, waar ik onder andere die ene Belgische ga bezoeken die hier in Rendier Country de jaarlijkse ijstijd trotseert.
De chauffeur van het minibusje brengt ons naar Muonio. De volgende dagen zullen we nog honderden kilometers over witbevroren wegen rijden, maar nu het de eerste keer is, is het een kleine sensatie. De weg knerpt van al wat al weken aangevroren is ,maar omdat alle auto's hier spijkerbanden met koppen dragen en alle chauffeurs hun rijbewijs op skipistes halen, suizen we met tachtig per uur over deze secundaire weg. En zie, de maan schijnt door de bomen en in het licht van de koplampen schieten 7O kilometer hoge venen voorbij. Onderweg laden we één toerist met koffer en skilatten uit, hij stapt moedermens de sneeuw in zoals iemand de zee instapt op het einde van een film. Ik hoor de wolven al huilen om het zitvlees dat hij heeft meegebracht. Dan zijn we in Muonio, op dit uur van de avond niet veel groter dan drie verlichte tankstations en een supermarkt. Sirkku Seppänen ,bibliothecaresse en onze plaatselijke gids, wacht ons op met een potkukelkka, een slee die je niet moet trekken maar duwen. Vooraan krijgt de bagage of de passagier plaats op een stoeltje, zelf kan je achter de schuiflatten lopen om te duwen. Ik spring op de latten, de slee glijdt vanzelf op de verharde sneeuw. "Je hebt geluk dat het nacht is," roept Sirkku ," hier rijdt geen man met zo'n ding. Alleen moeders-met-kinderen en ouden van dagen." Laat mij maar, roep ik terug, thuis staat ook een slee, maar ze wordt amper gebruikt, ze staat in de slaapkamer om mijn kleren op te hangen!

Een potkukellka of duwslee, “niet voor mannen!”

Een potkukellka of duwslee, “niet voor mannen!”

Vrijdag 26 november Vannacht was het nog min tien, nu is het min vijftien op de buitenthermometer. We zitten in het ontbijtzaaltje van de dorpscamping waar we een houten huisje met douche, tv, ontbijt plus sleutel met rendiergewei huren voor 17OOfr, (iets meer dan 40 euro,jh) De Finse mark is niet meer wat ie geweest is. Bij de koffie die in dit land van de duizend meren meer water bevat dan elders, zit ook een meisje dat vraagt vanwaar we komen. Ze zou graag België zien, zegt ze. Ik verwittig haar, de laatste witte kerst is geleden van 1976 (een feit dat nog de hele week voor meelij en consternatie zal zorgen) en het is er zeer dichtbevolkt, geen anderhalve inwoner per km² zoals hier, maar 323 inwoners per km². En de zee, vraagt ze. De zee, zeg ik, zestig kilometer appartementsgebouwen waar overal mensen met hun handen op de rug naar de regen staan te kijken. Might be interesting, vindt ze.  Om halfelf arriveren Katri Mortelmans en Mia Länsman. Katri (24) is allicht de enige Belg boven de poolcirkel, ze komt uit Schoten en werkt als verpleegster al meer dan vier jaar in het noorden. Katri is content met de witte pralines en met de videocassettes van de tv-reeks  "Moeder,waarom leven wij?" . Vriendin Mia (22) is een collega-verpleegkundige, ze komt uit een Samen-familie. (Samen is de ethnisch correcte benaming voor Lappen; het pejoratieve "Lap" betekent letterlijk "hij die vodden om zijn lijf draagt".)De familie van Mia heeft rendieren en onze eerste vraag is dan ook, hoeveel rendieren. Mia kijkt verlegen, Katri lacht:" Zoiets vragen is als in België vragen hoeveel iemand verdient." Mia geeft toch antwoord: "We bezitten een paar moerassen vol."
Onderweg in Muonio zien we een kinderwagen op straat. De baby ligt er nog in, zegt Katri. We tillen het geruite dekentje op om het te geloven. In wat op zijn minst polaire lucht mag genoemd worden, laten moeders hun ingeduffelde baby's buiten staan voor het middagslaapje, tot min twintig doen ze dat, en je hebt nergens zo weinig verkoudheden als hier.
Ik voel de kou tot in de haarwortels van mijn neus. Als je je neushaar voelt, is het gewoonlijk tussen min vijftien en min twintig, zegt Katri. Honderd meter verder hangt het kwik naast de supermarkt. Min zeventien, goeie schatting! In het tankstation waar we winterdiesel (tot -35°) tanken, staan de motorsleeën, de Polar Panthers en de Wildcats, in rijen opgesteld. Gisteravond stonden ze hier nog onder zeil als scooters op de kermis.

(Ingescande foto uit Humo/ Roger Van D'Huynslager)

(Ingescande foto uit Humo/ Roger Van D'Huynslager)

Het is middag en half één, de zon komt nu pas boven de horizon. Mia zegt dat het de laatste dag is dat zij de zon zal zien. Haar familie woont in Nuorgam, het meest noordelijke dorp van Finland, en daar is de zon weg van 26 november tot 14 februari. Om halftwee staan we bij een uitgestrekt bevroren meer, ansichtkaarten zover het oog reikt. In het westen gaat de zon onder in een roze nevel, in het oosten komt de maan op in het schemerblauw waarmee je Chinees porselein beschildert, zo licht.
In Kittilä, 40 km verderop, doen we inkopen. Ik heb het gevoel dat het een vrijdagavond is en dat de supermarkt laat open is tot negen uur, zo donker lijkt het wel. In werkelijkheid is het vier uur in de namiddag. Bij het uitrijden van het stadje, zien we huizen met vensters die paars en roze verlicht zijn: een red light district voor bloemen en planten. De mensen hangen die gekleurde TL-buizen in hun living om hun flora UV-licht te gunnen, anders gaat alles kapot in de winter.

We stoppen in Pokka, een klad huizen in het bos met een baari waar bier en koffie is. Als we weer buitenkomen, staat de Grote Beer pal boven ons hoofd. De Grote Beer heet hier Ottawa.
Mia is de eerste die het ziet, het noorderlicht! Aanvankelijk is het slechts een lange lichte nevelbaan onder de sterren, dan wordt het een feller blinkende slurf als van een tornado, en dan weer zachter, een sluier van een uitwaaierende fontein. Het noorderlicht beweegt en toch is er geen zuchtje wind, de kou staat als een glas zo stil. Katri fluit. Als je fluit, gaan de sluiers soms dansen, zegt ze. Ik sta midden op de weg, mijn hoofd in de nek om niks van het lichtspel te missen en ik fluit op mijn vingers zo hard ik kan. Niks beweegt, maar het is magic, zo'n natuurverschijnsel dat tot honderden kilometers ver in de lucht spookt. Stoute kinderen dreigen ze ermee dat het noorderlicht hen zal komen halen. Mia heeft het één keer meegemaakt dat het poollicht -violet en groen en geel- zo dicht boven haar hoofd vonkte en sprong, dat ze dacht dat het op haar zou vallen.
Om halftien zijn we in Angeli, 3OO km noordwaarts van Muonio. Het houten huis in het bos is van Urho, de vriend van Katri. Urho zit in het buitenland maar is aanwezig op foto's met reusachtige zalmen die hij uit het ijs peurt en met kuddes rendieren die hij hoedt met een grote bontmuts op. Katri klieft blokken hout voor de centrale verwarming, Mia haalt kop en hals van een rendier uit de diepvriezer en met ze zaagt schijven uit de nek voor ons avondvlees. Katri (vrouw, 24 jaar) ververst de olie van haar wagen en sakkert omdat de oliefilter niet meteen loskomt. Noch Roger (man, 45 jaar) noch ik (man, 4O jaar) hebben al een oliefilter vervangen, laat staan in handen gehad. Katri leert ook lassen, zegt ze, voor als de schop van de sneeuwruimer het begeeft. 

Rond elven krijgen we bezoek van Ertki, de oudere buurman die alleen woont. Uit zijn jaszak diept hij een fles brandewijn en giet die meteen door onze thee. Of we hem verstaan of niet, maakt niets uit, aangedreven door de alcohol blijft hij babbelen, en het gaat over rendieren, want ineens neemt hij een dolk uit de schede, en tsjak tsjak, zo snij je een rendier de keel over. Een plechtig moment wordt het wanneer hij papier vraagt om zijn naam te schrijven. Eerst schrijft hij Ertki Iirarikitti en daarnaast tekent hij het oormerk van zijn rendieren. Dat oormerk is zijn visitekaartje, dat oormerk kennen ze hier allicht beter dan zijn familienaam. Loopt een rendier verloren, dan kan je aan zijn oor-inkepingen zien van wie ie komt. Alle rendierfamilies hebben een adresboekje waarin alle oormerken van de omgeving staan. Er zijn slechts zeven type-inkepingen, maar daarmee kan je toch 2O.OOO "oor-combinaties" snijden. Toen Ertki klein was, heeft hij het oorsnijden geoefend op de bast van een berk. Nu leren de kinderen het op een kwartschil van een appelsien. Toen Ertki klein was, waren er nog geen appelsienen. 

Het vlijmscherpe mes waarmee de “familie-naam” in het oor van het rendier wordt gesneden.

Het vlijmscherpe mes waarmee de “familie-naam” in het oor van het rendier wordt gesneden.

Katri komt zeggen dat ze de sauna heeft opgezet, alsof wij zouden zeggen: ik laat het bad vollopen. Om middernacht gaan we erin. Het is een kamertje, niet groter dan een bergplaats, met in de hoek een vierkante houtkachel die ronkt van vlam en hitte. Op dat duveltje liggen lavastenen waar we straks water in stoom zullen veranderen. Het is de eerste keer dat ik een sauna neem en ik ben een beetje benauwd voor de hitte die op mijn adem gaat slaan. Roger gaat op de uil van de houten tweemanstribune zitten, ik zit een  paar warmtegraden lager. Door het venster zien we de dennen rond het huis roerloos in de sneeuw en het maanlicht staan. De kurkdroge hitte kruipt in mijn vel. Roger giet een pollepel water op de kachel en het is alsof ik heet water inadem. Als het mijn beurt is om te gieten, maak ik zoveel stoom dat ik Roger van zijn zolder jaag. Zotteke! Na twintig minuten hitte en stoom loopt het zweet redelijk tappelings van mijn rug en billen. Roger springt onder de kouwe douche, ik heb zin om rond de blok(hut) te streaken, maar de vrees om na tien meter met een bevroren saucijsje op de sneeuw uit te schuiven en met mijn reet op een verdwaalde nagel terecht te komen, is te groot. Buiten is het nu min eenentwintig.  

Katri en Mia bij het houtvuur. Het rendier heeft duidelijk interesse voor het tv-katern van Humo.  © Roger Van D'Huynslager

Katri en Mia bij het houtvuur. Het rendier heeft duidelijk interesse voor het tv-katern van Humo. © Roger Van D'Huynslager

Zaterdag 27 november De mensen die we vandaag gaan ontmoeten, zijn haast alle Samen. Vanwaar het Samen-volk komt, weet niemand met zekerheid te zeggen. De oudste sporen van hun taal dateren van 5OO jaar voor Christus en oorspronkelijk waren het trappers en hertenjagers die over heel Finland woonden. Rond het jaar nul werden ze uit het zuiden van Finland verdreven door de huidige bewoners die vanuit Estland kwamen overgestoken om bossen in ontginning te brengen en zelf op pelzen te jagen. En zo werden ze mettertijd meer naar het noorden gedreven tot ze niet meer verder konden. Nu wonen er ca. 35.OOO Samen in Noorwegen, Zweden, Finland en een stukje Rusland. Binnen de Finse grenzen wonen zo'n 3OOO Samen. De Samen hoeden al rendieren sinds de late middeleeuwen. Vroeger volgden ze als nomaden de dieren naar de zomerweiden en in de winter naar de bossen waar het mos minder door sneeuw bedekt is. Nu hebben alle rendier-Samen een vast huis, en de dieren worden met de jeep, met de motorslee of soms met de helicopter van het ene mosgebied naar het andere gedreven.
Als we 's morgens naar de auto stappen is het min zesentwintig en  waait het stevig. Een week geleden heb ik thuis voor de spiegel gestaan, in mijn donsgevoerde jas, met mijn namaak pelskap over mijn hoofd, bivakmuts eronder, en ffwoeiiiii, toen floot ik mezelf om de oren. Nu is het echt zo koud dat de sneeuw onder onze voeten kriept als piepschuim. Katri trekt haar zelfgemaakte rendier-mocassins aan en geeft mij een paar van Urho. Het zijn aan elkaar genaaide huidlappen met een krul op de tenen en rood geborduurde windels om de benen. Heel de dag zal het zijn alsof ik op kousenvoeten loop, wàrme kousevoeten.

Katri en haar vriend Urho poseren voor een Fins tijdschrift. Let op de krulschoenen van Urho; tijdelijk de mijne!  (ingescande foto maart 1991)

Katri en haar vriend Urho poseren voor een Fins tijdschrift. Let op de krulschoenen van Urho; tijdelijk de mijne! (ingescande foto maart 1991)

 We rijden pal naar het noorden, richting Utsjoki, 15O km ver. Of ze dat nooit vervelend vinden, die lange afstanden? Welke lange afstanden, vraagt Mia.
Vandaag is het poro erotus, rendier-"round up" in Skalluvarri, en de vader van Mia heeft gebeld om te komen helpen. We rijden nu al een uur en hebben vier of vijf tegenliggers gezien. Weer eens wat anders dan de Kennedytunnel, zegt Katri. De poolcirkel ligt 4OO km onder ons, de boomgrens ligt achter ons, de toendra naast en voor ons. Hier groeien alleen nog door de natuur verminkte dwergberkjes en kreupelsparren. Een steenarend kantelt uit een telefoonpaal, op de radio schettert het volmaakt anachronistische Yes Sir, I can boogie, boogie woogie, all night long!
Skalluvarri ligt op een kale heuvel temidden van de blote wind. Twintig huizen die in het ijs zijn vastgelopen. Hier komen twintig rendierfamilies van midden oktober tot eind november wonen, er zijn twee sauna's en ook een schooltje. Tijdens de herfst zijn de rendieren met duizenden tegelijk van heinde en verre bij elkaar gedreven en dag na dag worden ze hier in het dorp "gesepareerd". In het midden van het dorpje staat een corrall omgeven door grotere houten omheiningen. Katri en Mia lopen ons voor, we houden mee een langwerpig zeil achter de rug, en stappen tussen de kudde die kringen draait in de grote kraal. Het is net geen stampede met neuzen die schichtig in de lucht steken, flanken die mekaar wegduwen en een over mekaar heen krabbelen van dieren die opgestuwd worden door de vaart van de anderen. Zo'n zeventig rendieren worden gescheiden van de rest: met het doek drijven we ze naar een aparte binnenste corrall. De rendierhouders met hun familie, vrienden en ingehuurde dagloners die eerst nog tegen de balken van de omheining hebben staan leunen, stappen traag naar het midden en hun ogen zoeken naar oren die van hen zijn. Hebben ze een van hun dieren gezien, dan zetten ze twee stappen door de hollende meute en pakken ze het beest bij zijn gewei alsof ze een tak van een boom pakken. Het dier wordt met ijzeren greep in zijn draf gestopt en naar één van de poortjes geleid, ofwel om later weer uitgezet te worden ofwel om geslacht te worden. De dieren die straks weer in het wild mogen, krijgen een snelle pistool-injectie van de veearts. Male! (verf!) wordt er geroepen en onder de ingeënte ‘gatspiegel’ wordt een rooie of blauwe streep getrokken met een spuitbus. Af en toe wordt een rendier op de rug gedwongen en met een tang gecastreerd. Rijbewijs ingetrokken, zegt Roger. Tot de jaren zeventig werden veel stieren nog met de tanden gecastreerd, zowel door mannen als vrouwen. Met de tanden en de lippen vond je vlugger de zaadleiders, maar je had nadien wel heel veel haar op je tanden. Er zijn bijna evenveel mannen als vrouwen in de corrall en ook Katri en Mia pakken geregeld een dier uit het pak. Zelf wagen we het niet om zo'n rendier -tot 5O kilo- aan zijn handrem te trekken. Je moet het niet alleen vastpakken, je moet meteen laten voelen dat het dier bij jou niks mag proberen, zegt Katri, en ondertussen oppassen dat het met zijn gewei niet in je ogen en gezicht steekt.
Zij doen het met z'n tweeën, maar in de loop van de dag valt het op dat sommige jongemannen de hevig spartelende dieren liefst alleen en met één hand naar de uitgang leiden. Ogenschijnlijk is iedereen aan het werk en wordt er niet naar mekaars huzarenstukjes gekeken, maar ik voel dat er meer is: hier zien de jonge vrouwen een man die sterk is, hier zien de jonge mannen een vrouw die van aanpakken weet. Katri vertaalt het tegen Mia, ze schieten allebei in een lach en wijzen ieder een ex-boyfriend aan.
Of er geen rendierrodeo's bestaan, vraag ik. Of niemand ooit op het idee komt om op de rug van zo'n dier te rijden. You don't play with your food, zegt Mia met grote ernst. Er zijn wel "rendierkoersen" in de lente, met speciaal uitgezochte beesten en met racers die op ski's achter die poolherten hangen.   

De “poro erotus” of rendier-round up. Uit die rondwervelende massa worden dieren bij de horens gepakt.

De “poro erotus” of rendier-round up. Uit die rondwervelende massa worden dieren bij de horens gepakt.

Om kwart na één wordt het donker, de maan komt op boven de hijgende dieren, boven de kinderen met hun rode konen en snot en tranen op de wangen, boven de pick-ups met een deken op de voorruit en boven de slachterij waar het bloed tot rooie sneeuw bevriest. Het is koud, het ijs staat op onze wimpers en gelukkig is er een "break". In het huisje van de familie Länsman schuiven we de stoelen rond een ketel dampende soep met grote brokken rendiervlees en bikkels  wortelen en aardappelen. Wij halen een fles Wortegemsche citroenjenever boven, die we tien minuten tevoren nog gauw in de sneeuw hebben gezet, bang dat die druppel niet koud genoeg zou zijn. Jana, de zus van Mia kan niet begrijpen dat ik ook in Antwerpen woon en dat ik Katri tevoren nooit gezien heb. Als jullie op vijf kilometer van mekaar woonden, dan waren jullie toch buren, zegt ze. Hier ben je buren tot op honderd kilometer. Hier is een winkel op vijftig kilometer nog altijd "dichtbij". Als ik zeg dat er tussen mij en Katri bijna 100.000 mensen wonen, schudt ze ongelovig en meewarig het hoofd.

Om drie uur stappen we weer in de kirnu. De maan is groot en geel en in de corrall worden schijnwerpers ontstoken die een groen en vreemd licht werpen op de dierencarroussel. Het snuiven van de neusgaten, het getik van geweien tegen mekaar, sneeuw die in losse kluiten wordt opgeworpen, het is al wat je hoort. De bedaarde mannen en vrouwen in het midden lijken bedoeïnen, op hun manier gesluierd met diep over het hoofd getrokken pelskappen die alleen ogen, neus en mond vrij laten.

Als de lichten 's avonds gedoofd worden en we weer 15O km verder thuis zijn, lees ik dat die toendra van vandaag een groot lemmingengebied is. Om de vijf à zeven jaar wordt het territorium van de knaagdieren te klein en slaan ze met honderden tegelijk in alle richtingen op de vlucht. Ze vormen een gemakkelijke prooi voor rondcirkelende roofvogels en vallen van de rotsen in rivieren waar ze worden opgegeten door zalmen. 

Zondag 28 november Rustdag. 's Middags met de sneeuwscooter een ritje gemaakt en 's namiddags komen buurman Jounien buurvrouw Kaija op bezoek. Kaija heeft in 1986 Helsinki verlaten. Ze vertelt over de vooroordelen: "In het zuiden van Finland denken nog veel mensen dat de "Lappen" in tenten wonen, dat ze vuil zijn en dat ze niks hebben. En dan komen ze hier, en dan zien ze onze huizen en onze voertuigen, ze eten gerookt rendiervlees en verse zalm, en dan zijn ze verlegen dat ze zo dachten." Kaija is vertaalster. Ze vertaalt romans en soms ook VN-rapporten over de Samen-cultuur. Met de zware recessie in Finland worden haar nauwelijks nog boeken gestuurd en nu vertaalt ze brochures van toerismebureaus in het Engels. (In de maanden juli en augustus passeren er elke dag 2OOO toeristen door de streek, alle op weg naar de grote parking van de Noordkaap.) Ze moet ook bordjes maken met Warning, Keep Out en No Fire ,"niet meteen het grote vertaalwerk". Ondertussen heeft Kaija enkele werkloze vrouwen bij elkaar gezocht om samen een cursus rendier slachten te volgen. De mannen kunnen er niet om lachen, lacht ze. 

Titel uit Humo 31/12/93

Titel uit Humo 31/12/93

Kaija is hier één keer op vakantie geweest om er uiteindelijk te blijven wonen. Katri had het al eerder te pakken, "ik wou al op vijf jaar in een houten huis in een bos wonen." De omgekeerde beweging van haar moeder. Die is Finse en ze verliet als 22-jarige haar land om in Duitsland en België te gaan werken. Katri's moeder woont al bijna dertig jaar in België.
Katri: "Wij gingen elk jaar op vakantie bij grootmoeder, die woonde op het land op dertig km van Helsinki en vandaar heb ik dat idee dat ik in een bos wou wonen. In '86 toen ik zeventien was, ben ik de eerste keer door Lapland getrokken. Elke nacht sliep ik in een andere boshut, heel alleen. Ik weet nog dat ik op 1 september wakker werd en dat ik dacht, in welke hut slaap ik nu? Ik was thuis in Schoten en de school begon! Hoe ouder ik werd, hoe meer ik naar Finland taalde. Op school sprak ik niet anders dan over Finland, ik had Finse pennenvrienden, ik moést daarnaartoe. Nadat ik in Antwerpen mijn verpleegkunde-diploma heb gehaald, ben ik in Utsjoki gaan werken, in een ziekenhuisje met 12 patiënten: als iemand een speciaal geneesmiddel nodig had, kwam het pas de volgende dag met de postautobus."
Dat was in 199O en in dat hospitaaltje heeft ze Mia en haar vriend Urho leren kennen, die kwamen op bezoek bij een familielid. Met Urho is ze naar haar eerste rendier-separatie geweest: "Lang heb ik niet aan de kant gestaan. Ik ben in de kraal gesprongen en heb de dieren die Urho aanwees mee bij de horens gepakt. Ik weet wel wat die andere mannen toen dachten: ha, weer eentje van de stad, benieuwd hoelang ze het hier uithoudt! (lacht)
Humo: Wat weten de mensen hier van België?
Katri
: Niet veel. Als ik zeg dat er in België tien miljoen mensen wonen op een oppervlakte die tien keer kleiner is dan Finland, dan denken ze dat wij allemaal in stapelbedden slapen! Ze vragen ook of ik daar geen claustrofobie had. Dat had ik soms. Ik weet nog dat ik na een jaar Lapland weer thuis was en dat ik door de drukke Kennedytunnel reed. Ik wil hieruit, ik wil hieruit, was het enige wat ik dacht. België is niet slecht, hé, ik heb er veel vrienden en kennissen, het is mijn thuisland, maar ik wil niet tussen huizen wonen, ik wil in de natuur leven. Ik wou ook weg uit België vanwege de "Belgische routine", op vrijdag schoonmaken, op zaterdag naar de supermarkt, op zondag op familiebezoek en op maandag weer vroeg gaan werken. Hier heb je een ander tempo. Als je eet, dan eet je en als je slaapt, dan slaap je. Je bent veel minder aan vaste uren gebonden. Een kwartier te laat komen op mijn werk, niemand die daar wat van zegt. In het ziekenhuis mag je je tijd nemen om je patiënten te wassen, je hebt tijd om met ze te praten. In België heb je daarvoor géén tijd, je spurt van het ene bed naar het andere. Dat komt door de besparingen. In België werken ze met een minimumpersoneel voor een maximale bezetting van de bedden. In Finland besparen ze anders. Als daar in personeel gesnoeid wordt, dan wordt er ook in het aantal patiënten gesnoeid zodat je je werk nog naar behoren kan doen. Het nadeel is wel dat hier ellenlange wachtlijsten van ziekenhuispatiënten bestaan. Maar niemand werkt hier tegen de klok. Ik draag hier ook geen horloge, alles heeft hier nog zijn tijd. Daarstraks vertelde Jana over de buschauffeur die hen 's morgens naar school brengt. Hij steekt hun cassette van Guns 'n Roses in zijn radio, hij stopt onderweg bij een winkeltje zodat ze snoep en cola kunnen inslaan, hij wacht aan de bushalte als je te laat bent, hij komt zelfs aan de deur van je huis kloppen als hij denkt dat je nog niet wakker bent. Dat is het tempo van hier.
Humo: Hoe heb je de Same-taal geleerd?
Katri:
 Als verpleegster praatte ik dagelijks met bejaarden en elke dag vroeg ik opnieuw: wat is tafel in Same, wat is stoel in Same.Tot ik op de duur zwarte-mannekes-Same kon spreken: "Ik eten. Ik honger." Met die woordenschat ben ik in '92 een cursus Same gaan volgen en nu spreek en schrijf ik de taal.

Verpleegkundige Katri en één van haar patiënten (foto ingescand uit Fins tijdschrift 3/91).

Verpleegkundige Katri en één van haar patiënten (foto ingescand uit Fins tijdschrift 3/91).

Humo:Wat is voor hen het belangrijkste in hun bestaan?
Katri
: "De vrijheid. Je eigen leven kunnen leiden. En dat geldt voor man en vrouw. De vrouw runt thuis het huisgezin. De man is soms dagen met de rendieren onderweg en komt laat of helemaal niet thuis. Geen vrouw die haar man zal vragen wanneer hij thuiskomt. Vaak springt de moeder in bij het rendierwerk en nemen ook de oudere kinderen vrijaf van school. Kinderen van twaalf, dertien jaar die dan alleen op het huis en de dieren passen, dat is hier heel normaal. Kinderen worden hier heel zelfstandig opgevoed. Mijn vriend Urho en ik leiden ook ieder een eigen leven. Ieder zijn vrijheid, daar is niks verkeerds aan. In Finland is men minder jaloers, vind ik. In België waren er meisjes die niet meer met een ander meisje naar de cinema mochten gaan van hun vriend. Ik ben in België "op zijn Fins" opgevoed, heel zelfstandig dus. Als ik zestien was, dan zei ik: ik kom niet naar huis, ik blijf bij een vriendin slapen, en dan was dat OK. Belgische meisjes moesten altijd zagen of ze niet een keer wat langer mochten wegblijven. Ik zei thuis: ik ga naar de stad. Andere meisjes vroegen thuis: màg ik naar de stad? Op de school verpleegkunde had ik één jaar zeven buizen. De directeur stuurde toen een brief naar mijn ouders: uw dochter moet beter studeren, anders geraakt ze er niet. Mijn moeder lachte daarmee: die brief moeten ze niet naar ons sturen, maar naar u. Als ik aan België denk, moet ik toch vaak aan dat vastomlijnde alledaagse denken. Als ik ergens bleef eten, moest ik dat vooraf zeggen, dan wist die mama dat ze een paar aardappels meer moest schillen. Of je viel ergens ongevraagd binnen: oeioei, nu gaan we niet genoeg vlees hebben! Voor de rest toffe mensen, hoor, maar zo'n dingen ben ik altijd raar blijven vinden.

Humo: Hoe denken ze over geld?
Katri
: "Samen zijn niet zo materialistisch. Dat zie je aan de eenvoudige inrichtingen van hun huizen, nog niet zo lang geleden leefden ze een groot deel van het jaar in tenten en in de smoor van het houtvuur. Kleren zeggen hen weinig. Hier is geen sprake van dit jaar lichtgeel en volgend jaar herfstgroen te dragen, hier is geen mode, hier zijn geen modekleuren. Niemand schminkt zich of steekt zijn haar op, je bent wie je bent. Wie zich schminkt, is "van de stad", in de natuur is geen dier dat zich opmaakt. Geld zegt hen ook niet zoveel. Ze ruilen nog veel. Urho ruilt zijn rendiervlees soms voor varkens- of schapenvlees. Of een rendierhuid voor een zilveren broche op zijn Same-kostuum. Ze hebben natuurlijk geld nodig. Om buiten-overalls te kopen, om een stevige auto en een stevige motorslee te kopen, en brandstof. Dat slorpt veel geld op. Eigenlijk gaat hun geld alleen naar dingen die met het werk te maken hebben. Geld sparen voor vakanties of zogenaamde vrijetijdsbesteding, dat houdt hen niet bezig.
Humo: Wat bedreigt hun bestaan het meest?
Katri:
 "Finland denkt eraan om bij de EG te komen. Zij hebben schrik van de EG. In Helsinki weten ze nauwelijks hoe wij hier leven, zeggen ze, wat zal dat dan in Brussel zijn? Ze hebben ook schrik van Rusland, van Murmansk waar dat kerkhof van nucleair afval is en waar ook die atoomduikboten liggen. Dat is hier maar op 2OO km vandaan. Eigenlijk hebben ze meest vrees voor wat hun milieu kan schaden. Met de ramp van Tsjernobyl zijn Noorwegen en Zweden wel zwaarder getroffen dan Finland, daar zijn duizenden rendieren geslacht. Hier was dat veel minder, maar nog elk jaar komt een man uit Helsinki de becquerels meten bij de rendierhouders. Omdat er veel cesium in het rendiermos zit, zouden ze niet zoveel rendiervlees mogen eten, zegt hij. Maar ze eten al eeuwen bijna niks anders dan rendier, wat moeten ze dan doen?

De Morgen 27/4/87

De Morgen 27/4/87

Een andere bedreiging zijn de grote waterreservoirs die worden aangelegd voor elektriciteit. Dat water doet grote mosgebieden verloren gaan voor de rendieren. De rendieren zijn hun leven, de natuur is hun leven. Het zijn nog echte natuurmensen. In het begin toen ik hier woonde en vroeg hoe heet die plek, hoe heet die heuvel, dan zegde Urho: maar dat heb ik toch al tien keren gezegd! Voor mij waren al die heuvels, al die bomen hetzelfde, ik kon ze niet uit elkaar houden. Voor hen is elke rots, elke kruin ànders. Hier zijn nauwelijks wegen of paden, elke Belg verdwaalt hier gegarandeerd, maar zij kennen blindelings de weg.
Het omgekeerde is ook waar. Toen Urho in Antwerpen was, liep hij ook verloren. Voor hem zagen al die huizen er ook eender uit. Wij hebben heel veel namen voor stenen en bouwstijlen, zij hebben heel veel namen voor dingen in de natuur. Voor soorten sneeuw of voor de leeftijd van rendieren. Een pasgeboren kalfje heet anders dan een kalfje van een half jaar of van één jaar, en van dan af verandert de naam van het dier elk jaar dat het ouder wordt. Met voor wijfje en mannetje nog eens een andere benaming. In alles van de taal zie je dat hun bestaan helemaal rond dat ene dier is opgebouwd. Als ze over andere mensen spreken, dan spreken ze ook in "rendiertaal", dan zeggen ze : hij heeft een stevige snuit of hij heeft zwakke poten. Rendieren hoeden is geen beroep, het is een levensstijl. Zelfs een peuter van twee jaar heeft al zijn rendier met zijn  oormerkje. Van kleinsaf worden ze daarin grootgebracht en voorlopig zijn er nog genoeg jongeren die willen voortdoen.( Het aantal families dat uitsluitend van de rendieren leeft, neemt nochtans af. De meeste verdienen in de zomer wat bij: in de houtkap, visvangst of het toerisme,jh)

Humo: Je leeft hier ook meer met de seizoenen.
Katri: "
Ja, dat hoor je aan de gesprekken. In juni-juli spreken we over de zalmvangst, in augustus over de pluk van de poolbessen, in september over de pluk van de bosbessen en in oktober begint het weer over de rendieren. In België is het jaar ingedeeld naar tv-programma's en sport. In de winter is het voetbal en wat is het in juli ook weer? Ha ja, de Ronde Van Frankrijk! (lacht)
Humo:Hoe denken ze over de dood?
Katri: "
Heel simpel, "als het eindigt, dan eindigt het". De dood hoort bij het leven. Voor ons komt dat hard over, ze hebben niet die westerse sentimentaliteit. Onlangs verdronk er hier een jonge man in de rivier. "Zijn weg is daar gestopt," zeggen ze dan. Of een mens sterft of een dier, het is de natuurlijke gang van zaken. Soms worden er rendierkalfjes gedood door beren of arenden. Dat is een financieel verlies voor hen, maar ze zullen zich niet wreken op die beer of die arend. "De natuur moet zijn part hebben," zeggen ze heel nuchter.
Humo:Voor ik hierheen kwam, dacht ik dat het hier dag en nacht donker zou zijn zoals het in juni dag en nacht licht is omdat de zon dan nooit ondergaat. Maar eigenlijk heb je één lange schemerperiode: voor de middag is dat ochtendschemer en kort na de middag gaat dat over in avondschemer.
Katri:
 "Die schemerperiode is het kortst rond Kerstmis, dan heb je maar één à anderhalf uur schemer per dag. Maar de meeste mensen hebben een verkeerd idee van de duisternis hier. Met de koude klaarte van de open sterrenhemel en met de maan die op de sneeuw schijnt, is het hier 's nachts lichter dan in België. In de winter is het nooit echt donker. Je kan 's nachts zelfs goed zichtbaar langlaufen. Ik heb ook langlaufski's gekocht, maar liever zit ik op de motorslee, dat gaat sneller, tot 12O km per uur.

Dat een meisje uit het zuidelijke België in het Hoge Noorden komt wonen en werken, is nieuws voor een Fins tijdschrift (maart 1991)

Dat een meisje uit het zuidelijke België in het Hoge Noorden komt wonen en werken, is nieuws voor een Fins tijdschrift (maart 1991)

Humo: De winter duurt toch wel lang. Na de twee weken herfst in september valt de eerste sneeuw en die blijft liggen tot in mei.
Katri
: "Maar de winter duurt niet tot mei. Vanaf maart spreken we over lente. 's Nachts vriest het dan nog tot -25, maar overdag is er een flinke zon en voel je dat het geen winter meer is. 
Humo: Wat vindt men hier een strenge winter?Katri: "Wanneer het een paar maanden min veertig is. Toen hoorde ik de mensen zeggen: 't is koud. Nu is het al een tijdje rond -1o -2O, dat vinden ze een zachte winter. Er ligt ook maar 2O cm sneeuw. Normaal ligt hier minstens een halve meter sneeuw.
Humo: Op vraag van iedereen: wat doe je tijdens die lange winteravonden?
Katri: "
Als ik mijn werk gedaan heb, ga ik Urho vaak helpen. In deze tijd van het jaar gaat het werk 's nachts verder, soms zijn ze tot middernacht in de weer met de separaties. Eigenlijk ben je heel het jaar door bezig met vlees, met vis, met bessen, met hout, met reparatie van netten. In februari zet men bijvoorbeeld een blok ijs in een met plaggen afgedekte ijshut. Op dat ijs kan je dan zalmen van de lente bewaren tot in de zomer. Is er geen werk, dan kijk je tv, maar veel is er niet in het noorden als je geen satelliet hebt. In Humo beslaat het programma van één dag tien bladzijden. In Finland beslaan de programma's van één week hoogstens één krantenbladzijde, er zijn maar drie zenders. Wat je ook vaak doet in de winter, is op bezoek gaan bij buren en vrienden. Als we op bezoek gaan, zitten we soms gewoon rond de tafel en wordt er nauwelijks wat gezegd. Dat zouden Belgen heel raar vinden. Belgen willen naar de stad gaan, naar de cinema gaan, op een terrasje zitten. Je voelt dat als Belgen hier op bezoek zijn, ze kunnen niet stilzitten, ze willen altijd wat doen. 's Winters ga ik ook wat vroeger slapen, net het omgekeerde van de zomer. Als het zomer is -van mei tot half augustus- schijnt de zon dag en nacht en lig je maar een paar uren per "nacht" in je bed. Mia en ik hebben in de zomer een hele nacht op zalm staan vissen, geen moment slaap. In de lente en de zomer voel je ook hoe het licht je energie geeft. In de winter moet de energie helemaal uit je eigen lijf komen, alles gaat wat trager, wat moeizamer.
Is het interview gedaan? OK! Mag ik dan nu via Humo de groeten doen aan iedereen die ik ken in België? Dan moet ik geen kerstkaartjes sturen, dan moet ik geen hele dag binnen zitten om te schrijven. Ik ga liever hout kappen."

Deel 2: op de hondenslee ! 

Nawoord: Katri is nog steeds verpleegkundige, ze heeft een gezin en drie kinderen, en ze woont nu net over de grens, in het Noorse Karasjok. Ook daar is het dunbevolkt. In haar gemeente was er één coronabesmetting sinds de uitbraak in
maart.  

 

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Sint en Piet in het echt: uit koets gevallen, van baard beroofd en andere waargebeurde feiten

Humo november 2017 - licht ingekort - © Jan Hertoghs

(ingescand uit Humo)

(ingescand uit Humo)

Vanwege Hun Heilige Bekwaamheid om op vele plaatsen tegelijk te zijn, komen Sint en Piet ook op vele plaatsen iets tegen. Maar niet de donkere decemberdagen, natte wegen of gladde daken zijn hun grootste gevaar. Het meest dreigen er ongelukken overdag en in de nabijheid van scholen. Een   onthullend krantenonderzoek van de jaren 2000 – 2015. Met hier al een korte greep uit de zak met tegenslagen.

Bij de achtervolging van de valse Sint viel Zwarte Piet over haar eigen jutezak. De kinderen dachten aan en komische sketch, maar Piet Jeffie moest wel degelijk overgebracht worden naar het hospitaal, daar werd een dubbele enkelbreuk vastgesteld.  

Sint en Zwarte Piet werden aangevallen op het St-Nicolaasplein (!) in Sint-Niklaas: “Eén van de schelmen rukte de pruik van de Sint af en ook zijn mijter en gewaad werden beschadigd.

Schrik en consternatie gisteren op de Christelijke Borgerschool in het Nederlandse Joure. Sinterklaas werd voor de klas getroffen door een acute hartstilstand. Bewusteloos werd hij naar de hal gedragen en door Zwarte Piet en een leerkracht geanimeerd. Nadien werd hij overgebracht naar het ziekenhuis van Heerenveen. De kinderen schrokken van de ernstige situatie, maar ook van het feit dat het hun eigen schoolhoofd betrof.

Dat laatste bericht stond in de kranten van 7 december 2000 en zo extreem ben ik het nergens meer tegengekomen. Maar het zegt genoeg: de Sint is soms ook maar een mens. Wat wellicht nog meer geldt voor Zwarte Pieten. Die huppelen het dek op en neer, die zingen en die springen en die zijn zo blij, maar in hun uitgelatenheid zien ze soms de zwaartekracht over het hoofd.
Dat gold alvast voor de Zwarte Piet van de Basisschool Nieuwstad in Veurne. Deze Piet die in de Veurnese volksmond Jef Goens wordt genoemd, vatte het idee op om vanuit de tuin van de buren koekjes te werpen op de speelplaats van de kleuters: “Ik stond op een ladder, maar die schoof weg.“ Al wat de kleuters zagen, was een Piet die wel heel plots achter het muurtje verdween, maar niettemin was het “een kwalijke val”: in het AZ Veurne werden twee gebroken ribben vastgesteld.
Ook in Assenede en Kuurne kwam het tot een tuimelperte. De ene Piet tuimelde van het podium (rugblessure), de andere Piet struikelde op het podium “waardoor het Rode Kruis méé op de bühne moest”.
Een Nederlandse Stichting maakte in 2011 een analyse van “Sinterklaasongevallen” en zij kwam op gemiddeld tien ongevallen “per Sinterklaasseizoen”. Nog geen risicoberoep voorlopig, maar voorzichtigheid is toch geboden. 
Ook in Elingen liep een en ander slecht af. Naar jarenlange traditie voert men Sint en Pieten rond in een paardenkoets en volgens een Piet die thuis Andy Geerts heet “zat de sfeer er zaterdag goed in.” Maar door een “roekeloze chauffeur” moest de koetsier bruusk uitwijken waardoor een tweede Piet van de koets viel. “Zijn been stond scheef. Zijn voet leek gebroken.” Op vier plaatsen zelfs, en dus werd “de onfortuinlijke helper overgebracht naar het ziekenhuis van Halle”. Daar was het opnieuw schrikken, want deze S.O.S. Piet bleek een echtgenote te hebben die daar verpleegster was.

De Morgen 7/12/00

De Morgen 7/12/00

Break a leg
In Geistingen (Kinrooi) liep het mis na het aanmeren van de boot en de serenade van de fanfare: “de Sint en zijn knechten gingen aan wal, maar één piet viel over de uitgestrooide apennootjes.” Hij bezeerde zijn enkel zo erg dat een ziekenwagen ter plaatse kwam “om een vakkundig gispverband aan te leggen”. De ongelukkige Piet legde de rest van het parcours af “in een rolstoel”.
Ruikt u ook onraad bij die snelle revalidatie? Inderdaad,  dit is geen écht ongeval, maar een nep-ongeval om de aanwezige kinderen in een verhoogde staat van opwinding te brengen. De intrede van de Sint is op zich niet spectaculair genoeg: laat ons er een enkelblessure en een ziekenwagen tegenaan gooien.
Het is allemaal begonnen met de Sint-intochten op de Nederlandse televisie. Zij zijn scenario’s gaan schrijven met verdwaalde Sinten, zoekgeraakte heilige boeken, en zeezieke schimmels die niet meer op de daken durven. De VRT en de Vlaamse scholen zijn hen op dit pad gevolgd.
Een Sint komt dus niet meer aan, nee, een Sint komt Ondanks Alles Toch Nog Aan. In Brecht (2004) had Zwarte Piet “onderweg” zijn been gebroken, waardoor hij met loeiende sirene werd afgevoerd naar het ziekenhuis. “Veel pijn zal hij wel niet gevoeld hebben,” schrijft Het Volk, “want op de draagberrie wierp hij nog kwistig met snoepjes”. En verder “klopte het vooraf uitgewerkte draaiboek tot in de puntjes”. U leest het goed: een draaiboek, géén heilig boek. 
In Koksijde wilde de “pakjespiet” aan de kinderen enkele trucjes tonen “die hij op de turnschool in Spanje had geleerd”, maar “in zijn enthousiasme kwam hij zwaar ten val.” Ook daar werd een beenbreuk vastgesteld, maar al de volgende dag was Piet weer fit ”dankzij een paardenmiddel”. Dat had goed gewerkt, “maar af en toe hinnikte hij nog.” 
Ook de Sint-Hubertusschool in Niel bleef niet gespaard van  nep-tegenslagen. Hun Piet was zogezegd “van het dak gevallen” waarbij hij (geeuw!) zijn been had gebroken. En dus arriveerde hun schijnheilige aan de schoolpoort met “loeiende sirenes” en met een “piet op krukken”.
De basisschool Heilige Familie in Oudenburg deed er nog een schep bovenop. Niet de hyperkinetische Piet werd gewond, de Goede Sint zelve was “het slachtoffer van een valpartij” wat noopte tot een aankomst “in een ziekenwagen van de Dienst 100”. Zo klopt het natuurlijk dat ruim 40% van alle ambulanceritten in Vlaanderen nodeloze ritten zijn. 
Soms krijgt zo’n fictief schoolscenario ongewild een écht en hardhandig einde. In de Stedelijke Basisschool van Beveren-Leie was een valse sint opgedoken en bij diens achtervolging viel Piet “over haar eigen jutezak” (zie boven). Door de dubbele enkelbreuk steekt de onfortuinlijke piet maar liefst zes weken in het gips”. Echt gips welteverstaan.

Piet met handboeien
Soms steken die schoolscenario’s ook in een actueel jasje. In Heestert voerde de  basisschool een “actie voor trager rijden” in haar zone 30 en ze had haast een crisiscentrum nodig om alles in goede banen te leiden. Eerst reed Zwarte Piet te snel door de bewuste straat. Dan veroorzaakte hij een ongeval. Daarna moest hij getakeld worden naar de speelplaats, en om af te ronden kwam nog een ziekenwagen ter plaatse.
In Zingem werd de suspense nog meer opgedreven. Daar dreigde de Sint-intrede “in het water te vallen omdat Zwarte Piet geflitst was in de zone 30 voor de school”. Aan de kinderen werd gezegd dat Sint en Piet “op het politiekantoor vastzaten voor verhoor”. Uiteindelijk reed een politiecombi “met zwaailichten en loeiende sirenes” de speelplaats op. “Agent Jan zorgde zelfs voor Sinterklaasmuziek via de luidspreker van de combi. (…) De heilige man en zijn geflitste knecht stapten bedremmeld uit.” Maar volgens Het Nieuwsblad, “werd de boete voor één keer door de vingers gezien”.
In Aarschot (Basisschool Zonnedorp) kwam Zwarte Piet op school aan terwijl hij “in de boeien was geslagen”. Hij was ook vergezeld door een politieagent omdat hij verkeerdelijk “de schoenen van een paar juffen had gestolen”. Een duidelijk lik-op-stuk beleid en dan is men verwonderd dat er omtrent de Zwarte Pieten geradicaliseerd wordt.  Inderdaad, over Sint en Piet schrijven is dezer dagen onmogelijk zonder een hoofdstuk te wijden aan racisme en integratie. En de geesten zijn flink geëvolueerd sinds 2000. In 2002 (= het Europees Jaar van mensen met een handicap) werd aan de Nederlandse gemeentebesturen gevraagd “om rolstoelpieten aan de sinterklaasintocht te laten deelnemen. Dit om de participatie en de integratie te bevorderen.” De Morgen kon toen nog sarcastisch opmerken dat de krant “het ook zou melden als de eerste piet met zijn rolstoel in de schoorsteen blijft steken”.

DSC07520b.JPG

Intussen zijn integratie en discriminatie dé sleutelwoorden bij àlle intochten. Zwarten zijn volwaardige burgers, die laat je niet als geverfde knechtjes opdraven. De voor- en tegenstanders van de traditionele Piet dreigden in Nederland met zodanige acties dat bij de nationale intocht in Gouda (2014) gewàpende Pieten werden ingezet: “Het zijn agenten van aanhoudingseenheden vermomd én geschminkt als Zwarte Piet. De undercover-Pieten zijn bewapend, maar wel zo onopvallend mogelijk”.Ook in Vlaanderen was het Antwerpse stadsbestuur er al heel vroeg bij om de niet-discriminatie van de Zwarte Man bijzonder ernstig te nemen. Bij de tv-intrede van de Sint in 2000 bleek het slot van de stoet gevormd te worden door “de veegdienst die volledig uit Afrikanen bestond. Zij moesten de rommel van paard en Pieten opvegen.” Op zijn minst een bizar gezicht, zo schrijft De Morgen. Maar de keuze voor de donkere Afrikanen was een bewuste keuze van de stad: “Wij wilden hiermee aantonen dat de integratie van allochtonen in de stadsdiensten een normale gang van zaken is. (…) We hebben die mensen ook goed gebrieft over het feest en hen uitdrukkelijk gevraagd of zij het gênant zouden vinden om dat werk te doen.” Dat bleek geen probleem, genoeg vrijwilligers boden zich aan, maar de stad besloot wel “om hen geen Piet-kostuum aan te trekken”.           

De Morgen 6/11/00

De Morgen 6/11/00

Staf gebroken
De perceptie van Piet is een heikel thema, maar de erosie van het kinderlijk ontzag is dat ook. Al in 1997 meldt De Morgen dat in Borgerhout Zwarte Piet en Sint “beroofd zijn door zo’n dertig Marokkaanse kinderen en pubers”. De jongeren hielden op zondag een Golf Cabrio tegen “die volgestouwd was met lekkers voor kansarme kinderen. Onder bedreiging moesten Sint en Piet alles uitladen en overhandigen”;
Nog een triestere mijlpaal is 8 december 2004 toen de Sint “in zijn eigen residentiestad Sint-Niklaas hard werd aangepakt”. Toen de Sint (aka F. Dupon) en Zwarte Piet (aka W. Perdaen) om 22 uur “het uitgaanskwartier betraden op het Sint-Nicolaasplein” sprak een groep jongeren hen aan “of ze drugs of een BMW cabrio voor hen hadden. Neen, niet voor stoute kinderen, was het lachende antwoord. Waarop de moeilijkheden begonnen. (…) Het werd trekken en duwen en één van de schelmen rukte de pruik van de Sint af en ook zijn mijter en gewaad werden beschadigd.” Sint en Piet moesten zich anderhalf uur verschansen in een café, en beiden waren nadien boos op de politie die niet was komen opdagen. 
Twee jaar eerder was er een gelijkaardige agressie, en nog wel in de kardinaalsstad, het aartsbisschoppelijke Mechelen. “Niemand minder dan Sinterklaas en Zwarte Piet werden door een twaalfkoppige jongerenbende aangevallen”. De Sint en zijn (vrouwelijke) Piet hadden net enkele huisbezoeken afgelegd toen “twaalf allochtone jongeren” dreigend op hen afkwamen. Het bleef niet bij verbale agressie, de jongeren begonnen de  Zwarte Piet “te betasten en trokken haar pruik af.” Dat ging de Sint te ver, “en toen ben ik met mijn staf beginnen slaan. Tot die zelfs in twee brak.” De belhamels rukten intussen zijn mijter en rode cape af, “en ze dreigden ermee van m’n baard in brand te steken.” De opgeroepen politie kon later vijf jongeren oppakken en het PV werd overgemaakt aan het parket en de jeugdrechter.

De Morgen dec 1997

De Morgen dec 1997

Een heel enkele keer slaat Zwarte Piet terug. Zo was er in het Nederlandse Finsterwolde een autobestuurder die “veel te dicht” langs de stoet reed waardoor “het regenwater uit de plassen op de sint en zijn helpers spatte”. In een eerste reactie gooiden de pieten “koekjes tegen de auto” en toen de 21-jarige bestuurder stopte, gingen twee Pieten verhaal halen. Daarbij kwam het tot een handgemeen “waarbij één Piet de bestuurder een klap in het gezicht gaf, voor de ogen van de kinderen”. De automobilist werd “met een hersenschudding in het ziekenhuis opgenomen”.
Hoor wie klopt daar kind’ren, het is de vuist van Pieterbaas.

Vermomde overvallers
Zwarte Piet zijn is tegenwoordig een stresserende bezigheid en  dus wil zo’n Piet wel eens stoom aflaten. In Grobbendonk ging Piet (aka Koen V.T.) na een sinterklaasfeestje “nog op herbergbezoek en wel in zijn kostuum”. Jammer genoeg reed hij na dat drinkgelag tegen een geparkeerde auto. “Uit de ademanalyse bleek dat Piet teveel gedronken had”. De politierechtbank “trakteerde Koen VT op een rijverbod van 60 dagen”.
Dat de perceptie van beide verklede kindervrienden evolueert, blijkt ook in Zwitserland. Daar besloten twee grote banken al in 1999 om “Sinterklaas en helpers geen toegang meer te verlenen tot hun kantoren, uit vrees voor overvallen. In de maand december worden vanaf nu ook kerstmannen geweerd”.
In 2006 pleegde een kindvriendelijk duo effectief een overval in Bergen-op-Zoom. Daar werd aan de deur geklopt “rond acht uur ’s avonds en Sint en twee Pieten drongen een huis binnen en bedreigden de bewoners met een vuurwapen. Toen ze geld kregen, maakten ze zich uit de voeten. Volgens de politie waren in het huis geen kinderen aanwezig.”
In Koksijde werd een Piet gearresteerd die inbrak in een vakantiehuis. De politie kende hem al langer: “Hij doolt rond aan de Westkust en wordt Zwarte Piet genoemd omdat hij altijd in het zwart gekleed is en zijn gezicht verbergt onder zwarte schoensmeer.” 
In maart 2013 riskeerde C.D. drie jaar cel voor gewapende overvallen, onder meer op een kruidenierszaak in Geluwe. De overvaller drong de winkel binnen met een alarmpistool “en eiste de inhoud van de kassa”. Hij kwam daarbij oog in oog met de uitbaters, én ook met Sint en Piet die daar hun opwachting maakten. De kruidenier kon “de kerel een klap geven” waardoor hij op de vlucht sloeg. 
In Dessel-Witgoor “kruisten Sint en Piet het pad van een  inbreker”. Die zette het op een lopen, achternagezeten door een buurtbewoner en Zwarte Piet. De Sint zelf moest afhaken, wegens “helemaal uitgedost en niet in staat om achter de dief aan te rennen”. Met de hulp van een agent kon de man opgepakt worden: hij liep “recht in de handen van de politie en in de zak van Zwarte Pïet.”    

Gazet Van Antwerpen 6/12/04

Gazet Van Antwerpen 6/12/04

Ho-ho-ho!
Gezien hun mobiliteit én menslievendheid zijn Sint en Piet vanzelfsprekend eerstelijn-hulpverleners. Toen in Sint-Truiden  brand uitbrak in een conciërgewoning, was Zwarte Piet één van de eersten ter plaatse dankzij een nabijgelegen Sinterklaasfeest: “Ik wilde net het paard van de Sint eten geven toen ik rook uit de woning zag komen. Ik heb meteen de brandweer verwittigd.” Die trof bij aankomst een bewusteloze vrouw aan en deze werd door de “brandweer en drie Zwarte pieten naar buiten gesleurd.” Een heldhaftig optreden, roetzwarte gezichten incluis. 
In Moorslede raakte een chauffeur van de weg “en ramde daarbij een kapelletje”. Daarmee trad een bijzondere alarmprocedure in werking, want algauw kwam een verpleegster ter plaatse, gevolgd door een passerende Zwarte Piet. “Ik vervoerde de Sint en ben direct gestopt om hulp te bieden aan de gewonde.” De barmhartige Piet was vroeger brandweerman-ambulancier.
In Maasmechelen knalde een bestuurder tegen een boom en toen hij uit zijn wagen krabbelde, stopte een brandweerwagen “mét de Sint en Zwarte Piet aan boord”. De brandweercommandant was de Sint zelve vergezeld van twee spuitpieten; ze waren op weg “naar de kinderen van de brandweermannen”.  
In Ardooie stopten Sint en Piet bij een ongeval “met een benevelde chauffeur”. Die vroeg met dubbele tong “of hij soms al in de hemel was”. De Sint die ook voltijds politieman was “regelde het verkeer met zijn staf”.
Dat is de ware geest van edelmoedigheid.
De compleet foute spirit troffen we bij de vrije basisschool De Bijenkorf in Sleidinge. Daar brachten vijf Pieten de Sint binnen “op een ziekbed. Volgens de dokter was de Sint depressief omdat hij altijd cadeautjes moet geven en er zelf nooit ééntje krijgt.” Een krankzinnige diagnose gezien zijn eeuwenlange altruïsme, maar de komedie ging nog verder. “De kinderen wilden de  Sint opbeuren en ze overlaadden hem met dansjes en geschenken. Ook probeerden ze de Sint te verkleden in een Indiaan of Zwarte Piet. Maar zonder succes. Tot de kinderen op het idee kwamen om de Sint als kerstman te verkleden. Toen klaarde zijn gezicht op. Voor de Sint ging een droom in vervulling: hij was nog nooit kerstman geweest.”
Een Sint die een kerstman moet worden: lager kan je niet vallen. Een bijbelse straf verdienen ze in Sleidinge. Alle tien plagen van Egypte moeten op de Bijenkorf neerdalen.
En zonder zwaailichten a.u.b.  

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Sint en Piet gaan hard méé met hun tijd: van schimmel tot bulldozer en parachute

Verschenen nov 2017 © Jan Hertoghs

Verschenen nov 2017 © Jan Hertoghs

Stel aan tien mensen de vraag hoe de Sint aankomt en je zal de antwoorden “boot” en “paard” krijgen, soms aangevuld met “koets”. Een enkeling zal ook “huifkar” zeggen. Die kar wordt immers obligaat getrokken door een paard, en dat dier behoort al decennia tot het patrimonium van feestelijke transportmiddelen.
De realiteit is echter dat het hoefgetrappel stilaan verdwijnt en dat de de Kindervriend en Zijn Knecht een disruptieve technologische evolutie hebben ondergaan: steeds meer worden ze in gedurfde vervoermiddelen gedwongen.
De Sint arriveerde al te land en ter zee, maar opeens moet iemand  gedacht hebben: waarom komt ie niet door de lucht?! Pausen, presidenten en alle andere grote vedetten verplaatsen zich toch ook zo?! En aldus geschiedde ook met de Sint. In Pittem (2002) ging hij te laat arriveren met z’n paard en koos hij “voor de snellere helicopter”. Ook in het Oost-Vlaamse Nokere en het Kempense Balen kozen de basisscholen voor de heli. Wat in Balen (2006) toch een geweldige ommezwaai was, want daar opteerde het oudercomité in de  eerdere jaren nog voor “een bus, paard en kar, en een tractor annex hooiwagen".

heli.jpeg

In Mol-Achterbos (2012) was een helicopter verwacht, maar was er allicht te weinig geld. Aan de vele naar de lucht starende kinderen werd volgens Gazet Van Antwerpen verteld dat De Goedheilige “vanwege motorpech een noodlanding had moeten maken in een weide”. Een boer met een tractor bracht hem naar de ongeduldige schooljeugd.
Ook in Lichtervelde en zelfs in het botenrijke Oostende kwam de Sint al aan per tractor. Een evolutie die ze bij de Boerenbond al langer zagen aankomen: ook in die middens is het paard inmiddels verdrongen door de mechanische trekker.
Motoren zijn gewoon niet meer weg te denken bij een intrede. Vaak zijn het personenwagens met enige allure (oldtimer, limousine, cabrio) maar in Berchem (2001) had die motor een propeller en twee vleugels. De Sint landde per vliegtuig op de nabije luchthaven van Deurne wat voor Agalev-Berchem een stap te ver was: "De Sint zou beter kiezen voor bus, tram of trein.”

trein.jpeg

Riksja
Eigenlijk arriveert de Sint op best veel plaatsen met de trein. Zowat sinds 2006 komt dat volwassen elektrisch speelgoed meer en meer in aanmerking in gemeentes die een station hebben: Bornem, Boechout, Hove, Leuven, Lissewege, Roeselare, Tielt, Tienen en Wervik. De stad Zottegem heeft zelfs een jarenlange treintraditie. De plaatselijke stationschef wist in Het Laatste Nieuws ook nog te melden dat er “elke dag” een pendeltrein is tussen Spanje en Zottegem “met haltes te Parijs, Rijsel en Gent-Sint-Pieters”. Een NMBS-informatie waar  weinig volwassenen geloof aan zullen hechten. Zottegem is een geval apart: daar had de Sint vorig jaar een gevolg van 99 pieten en zes praalwagens.
Ook Waarschoot (2009) had een aankomst per trein. Het heette daar dat “de Sint en zijn pieten voor het openbaar vervoer kozen”. Dat duurzame aspect komt vaak aan bod, zeker in basisscholen. In Diepenbeek, Hamme, Essen, Tielt en Turnhout kwamen Sint en Piet met de fiets naar de school, of zelfs met de bakfiets. In de gemeenschapsschool van Avelgem arriveerde de Sint per riksja (2008). Aan Het Laatste Nieuws verklaarde de directeur dat de school “de milieuzorg hoog in het vaandel draagt”, vandaar het milieuvriendelijke vervoermiddel. De riksja werd getrokken door Zwarte Piet, die zodoende ook het neokoloniale aspect hoog in zijn vaandel voerde.
Met fietsende sinten en pieten komt men in schoolmiddens automatisch uit op verkeersopvoeding. In Brecht (2015) moesten de fietsende pieten zelfs vluchten voor de politie “omdat ze geen fluohesje droegen”. Dat de politie bij zo’n onschuldig Sintenbezoek optreedt, is verwonderlijk, maar ook elders zijn er opvallende combiregelingen. In Wetteren en Scheldewindeke zat de Sint eveneens in een combi en wijl de sirene loeide en het zwaailicht zwaaide moest hij toezien hoe een snelrijdende Zwarte Piet politioneel “werd geflitst”. Na die interventie kwamen de schooldirecteur en de politiecommissaris gezamenlijk pleiten voor een betere naleving van de zone 30 aan de schoolpoort. De Sint is politiek en politioneel correct geworden.    

Parachute
“Sinterklaas laat zien dat hij meegaat met zijn tijd”, schreef de correspondent van Het Nieuwsblad, want in Evergem kwam De Gemijterde aanrijden in een trike (= driewielige motorfiets). Elders kwam de Sint met een Vespa, een Honda-motor, en op drie plaatsen verscheen hij ook al op een motor met zijspan. “Een originele verrassing”, schrijven de kranten, “een hilarisch gezicht.” 
De motorisering én het stuntgehalte zetten zich in elk geval door, want Sint en Piet zijn al vaak op een brandweerwagen gesignaleerd (Genk, Heusden-Zolder). In de gemeenschapsschool van het West-Vlaamse Spiere-Helkijn durfde  Zwarte Piet niet meer van het schooldak ”tot plots de Sint kwam aangereden met een brandweerwagen en de grote ladder.” In een Brugse lagere school (2006) zaten wel twintig pieten op het dak. Die "moesten met een hoogtewerker naar beneden worden gehaald”.

sint jetski pietyy.png

Ook op het water moet gestunt worden. Zo had de jeugdraad van Zomergem het plan opgevat om pieten op jetski’s in te zetten bij de Sint-intrede (2001). Enig probleem: de vaarroute ging door een stiltegebied en dus verbood de politiecommissaris die jetski-deelname: “Dat is alsof de Sint mij zou vragen om voor één keer tegen 200 per uur over de snelweg te mogen, dat zou ik evenzeer verbieden.” Om een lang verhaal kort te maken: de commissaris moest inbinden en de Sint arriveerde in het wildschuimend zog van jetski-pieten. In Zele (2006) was er eenzelfde spektakel, “soms botsten de jetskiënde en waterskiënde pieten bijna op elkaar of tegen de boot van de Sint.”
Vanwaar die toenemende zucht naar stunt-en vliegwerk? Ligt het aan de kinderen die geen ontzag meer hebben voor een man met een trage schimmel? Of ligt het aan de volwassenen die denken dat de kinderen-van-tegenwoordig gepaaid moeten worden met technisch geraas? Een hedendaagse Sint mag in elk geval geen bange wezel zijn. In Lummen (2010) werd de Sint in een helicopter verwacht. Het had gesneeuwd en de kinderen hadden “een kruis geruimd” zodat de piloot wist waar te landen. Maar het “barre weer weerhield hen en dus sprongen Piet en Sint met een parachute naar beneden. De Sint kwam echter op het dak van de kapel terecht en de onderhoudsploeg van de basisschool moest hem met de langste ladder eraf halen.”
Toch wel een tikje heftiger dan een boot die met wat ouwe stoom uit Spanje wéér aankomt. 
In Halle is een middelbare school waar de directie de Sinterklaasfiguur nog hip wil houden voor de middelbare scholieren (12-18).  Daar is de Sint al gearriveerd met een quad, een pocketbike, en een “zware moto”. In 2011 werd hij op de speelplaats gedropt via de laadbak van een hoge bouwkraan. “Om de spanning erin te houden viel Zwarte Piet vanop grote hoogte uit de bak, het bleek gelukkig een lappenpop”.
Het wachten is op een Sint per bulldozer wilde ik schrijven. Maar wat zie ik in een Youtube-filmpje?! Sint en Piet die in Wilsele arriveren op de schep van een bulldozer. In Lennik (2007) kwam hij "vanwege de slijkerige wegenwerken" al aan per graafmachine.
Het wachten is op de hulp van het leger. Zie ginds komt de tank. Zie ginds komt de 1evende kanonbal. 

graafmachine.png
Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Op huisbezoek met Sint en Piet (2) : in Antwerpen

Piet Fred vult het zwartwitte kruiswoordraadsel in. © Jan Hertoghs

Piet Fred vult het zwartwitte kruiswoordraadsel in. © Jan Hertoghs

"Sint Niklaas kapoentje, geef ons een miljoentje, zet het op de rekening, dan maken wij een tekening!"

Plaats van afspraak is de koekenstad Antwerpen, meer bepaald een pluralistische stadsschool waarbij onder pluralisme verstaan wordt dat de sintenmijter géén kruis heeft en dat hier drié Sinten en zés Pieten klaarstaan om op huisbezoek te gaan. Onze sint voor vandaag stelt zich voor als Erik. De twee pieten mag ik gemeenzaam aanspreken als Fred en zelfs Magda.
In de schoolrefter heet Sint Erik me hartelijk welkom. Zijn stem was me aan de telefoon al opgevallen en nu hoor ik het heel duidelijk: deze sint klinkt als Clement Peerens, dus ook dat ongemeen forse dialect en evenzeer die gruizige korrel in het timbre. Hij zegt dat Humo van geluk mag spreken aangezien ik op pad zal gaan "met het Dreamteam". Dat team bestaat uit Fred, restaurateur in de stadsmusea en éénendertig jaar piet-ervaring. Magda, kinderverzorgster in een peutertuin, en tien jaar knecht-ervaring. En Erik (werkzaam op de personeelsdienst van het OCMW) en al éénentwintig jaar in het vak: "eerst veertien jaar Piet en dan stilaan opgeklommen" De anderen smoezen dat Erik graag Sint is omdat hij overal de mama's op zijn schoot noodt. Erik grijnst, the Saint is a tough job, but someone's gotta do it!
We staan klaar bij de auto, maar Fred moet nog eerst even plassen ("heuj heuj, hier staat een Zwarte Piet met een wit pietje in zijn handen!") Ik ben nu wel zeker dat we op schoolreis vertrekken.

Megaflinke kinderen
Chauffeur Tom (dagelijks "op de baan" als vertegenwoordiger) houdt de deur van de VW Passat open. Erik zegt dat zo'n chauffeur en extra-man geen luxe is: "Ge zit hier in de stad, ge komt in wijken waar ze de sint al eens willen provoceren, dan is het goed dat er een 'burger' bij is. Die kan dan gendarm spelen en orde op zaken stellen. Sint en Piet mogen zich op zo'n moment niet moeien. Als er gescholden wordt op straat, moeten wij sereen blijven, mogen wij niet uit onze rol vallen." En dat zij overàl komen, zowel in de villa's in Aartselaar als in de klein huizekes van de Seefhoek. Dat noemen zij "het plezante van dees job, die mix van sociale milieus". Voor Fred zijn de marginale gezinnen zelfs de plezantste gezinnen, "daar zijn ze nog ongecompliceerd, daar spreken ze niet van: o ja, Sint, zou u ook nog willen vermelden dat..." en hij mimeert een pruimig ABN-mondje. Dan liever de marginale bomma's! "Daar was er één bij die wou de sint opvrijen! Die ging op zijn knie zitten en die ging er niet meer af! Sintnikloas, ik wil mè a mee nor Spanje! Gaj zè ne farme vent!"
De Sint knikt: alles is beter dan de overbezorgde bomma's van de middenklasse, "dat ge binnenkomt en dat ze tegen u al beginnen dat de kinderen toch méér zouden moeten helpen thuis. Ik zat nog niet op mijn stoel!"

Het “Dreamteam”: vlnr Magda, Erik, Fred en chauffeur Tom. © Jan Hertoghs

Het “Dreamteam”: vlnr Magda, Erik, Fred en chauffeur Tom. © Jan Hertoghs

We komen op het eerste adres. Erik belt aan en bij het binnengaan schakelt hij moeiteloos over op een geschaafd Nederlands dat met een belegen brom uit zijn baard komt. Dag Mama! Dag Lieve Kinderen! Er wordt een mooie stoel aan de keukentafel geschoven en de Sint zegt dat hij flinke, heel flinke en megaflinke kinderen onderscheidt, en uiteraard zijn we "hier bij de mega's beland". 't Is jeugdig jargon en de sint zal later zeggen dat hij "beroepshalve" regelmatig naar Ketnet kijkt. Er moet een nagelbijtertje bij de Sint komen: wat ze vorig jaar hadden afgesproken? Een lipje gaat trillen, een traantje blinkt en Erik moet het opkomend verdriet sussen,  "dan proberen we dit jaar ermee te stoppen, afgesproken?"
Traantjes worden zeldzaam, zal het gezelschap later zeggen, "kinderen van nu zijn veel assertiever, die zijn niet langer bang of onder de indruk van ons".
Onderweg naar het tweede adres neemt Erik zijn blad Nuttige Inlichtingen en hij oefent alvast de voornamen van de volgende kinderen (Sietse, Matthias, Fenne) alsook de juiste aanspreking van de grootouders. Hier is het oma-opa, maar het kan ook vake-moeke zijn of bomma-bompa, én alle variaties die we vandaag nog gaan tegenkomen: pépé-mémé, bonnie-bompie, omie-opie, en zelfs grootmoeders die "bomsie" en "mimie" heten!  

Flaptop
In dit huis en in àlle huizen van vandaag gaat Erik gebukt naar binnen. Niet dat de huizen te klein zijn, maar "lusters zijn làstig" voor een mens met een mijter. In het stijlvolle interieur zitten opa en oma, twee paar ouders en alle kleinkinderen aan een feestelijk ontbijtbuffet. Dat is de trend, zal Erik later zeggen, "Sinterklaas is stilaan een familiefeest aan het worden" en zo kunnen de vele geschenken van de verschillende gevers "gecentraliseerd worden op één adres". De Sint vraagt om Sinterklaas Kapoentje te zingen. Hij vindt het goed dat de kinderen 'gooi wat in mijn laarsje' gezongen hebben, en niet "gooi wat in mijnen bottien, want daar kan meer in." Dat heeft hij eens twee hebberige kindjes horen zingen, "met name Didjeeke Reynders en Iefke Leterme!" 
Wat nu al opvalt, is dat de knechten Fred en Magda een stille rol hebben. Normaal nemen de Zwarte Pieten àltijd de flauwe woordspelingen en de gekke lapsussen op zich, maar hier doet de Sint het hele werk: flaptop in plaats van laptop, Megawindy in plaats van MegaMindy, of zijn geliefkoosde stopwoord: alle gekheid op een stafje! Met die scherts mikt hij op de grotere aanwezigen. Zo ook met de berisping dat die groten bij het zingen van de stoomboot juist moeten zingen. Dus niét "hoe huppelt zijn paardje, het dekt op en neer". En als iemand zich afvraagt wat dat rode boek is op zijn schoot: "Dat is het boek van goed en kwaad, en niet den Humo van deze week!" Voor elk wat wils, dat is de core business van de huursint.

De plaatselijke middenstand volgt met belangstelling de intrede van de Sint. © Jan Hertoghs

De plaatselijke middenstand volgt met belangstelling de intrede van de Sint. © Jan Hertoghs

Mondje dicht!
Bij het volgende gezin zitten de kinderen in hun pyjama op de sofa? Dee armpjes rond de knieën geslagen, de ogen nog groot van ontzag en verbazing, de stemmen veel bedeesder dan op gewone dagen. Het is een vertederend gezicht en als we in de auto stappen, kunnen we alleen maar verzuchten dat dit een modelbezoek was. Ook de geschenken waren niet overdreven groot of bombastisch wat Erik op het vorige weekend brengt. "We kwamen bij een papa en mama met één kind. En dat gastje kreeg een Wii met vijf accessoires en dan nog een Playstation 3. Dat was toch een dikke zevenhonderd euro voor dat ene kind. Ik geef dat allemaal af en tot slot vraag ik hem: moet gij nog iets zeggen tegen de sint? Ge verwacht dan een dank-u, maar hij zei dat hij eigenlijk "nog iets gevraagd had". Zijnde een draadloze muis voor zijn laptop. Dus dat gastje van amper zeven-acht jaar hàd ook al een laptop! Ik keek eens schuin naar die ouders, ge zoudt toch wel verlegen zijn met zo'n inhalig kind, maar nee, die leken dat precies normaal te vinden."  
Plotse ontsteltenis in de auto als ze het volgende adres horen, oh nee, toch niet opnieuw bij dat hyperkinetisch manneke! En inderdaad, bij het binnenkomen rukt één van beide kinderen het boek van de sint bijna uit zijn handen, het maakt lawaaierige koprollen op de sofa, en zijn mond staat geen ogenblik stil. Omdat de ouders amper ingrijpen moet de sint het doen: "We spreken af dat we éérst goed gaan luisteren. Dus vinger aan de lippen en mondje dicht!" Dat helpt veertig seconden en dan lanceert het kind zich alweer voor een kopstand tegen de muur ("ik heb een pietendiploma!") Fred en Magda knikken beleefd, de sint vraagt een rustig lied, en broer en zus zetten een contrair refrein in: "Zwarte Piet Kapoentje! stàmp eens in mijn schoentje!" Fred rolt bedenkelijk met de ogen, de sint trekt een hoge wenkbrauw: "Dat is een eh... mooie remix, kinderen!" Intussen is ook een kat in de kamer verschenen, een bijkomende springveer in het gezelschap. Als dan onder fel geroep de geschenken worden uitgepakt (racebaan, prinsessenbed en roller blades) is er nog amper omzien naar de sint. Het wordt een rommelig afscheid, zeker als de sint ook nog eens per ongeluk op de poes trapt. Hij wijst op de zijflappen van zijn pruik: "ik zit ier verdoeme mè nen dooien hoek!"

Bakje witlof
De volgende halte is een bescheiden woning in de randstad. De huiskamer zit helemaal vol met de bomma en bompa, twee koppels en hun vier kinderen. Het gaat er plezierig aan toe, het is er klein maar gezellig. Chauffeur Tom die op de klok moet kijken, geeft de sint een stille wenk dat het tijd is om op te stappen. De Sint zet zijn hand aan het oor: "Hebt ge dat gehoord, Piet? Dat was de stoomboot in de haven. Tijd om te vertrekken zou ik zo zeggen!"
Na het bezoek krijgen we een bussel wortelen, bier en een fles wijn mee ("dank u! die fles neemt de Sint mee naar Spanje, dan kan ik dat opdrinken met de bomma's van Benidorm!") De peekes zijn voor knecht Fred, die ons toevertrouwt dat hij "thuis een konijn heeft zitten." Wat Erik aan een andere groente doet denken. "Weet ge nog die mensen die ons een kistje witlof hadden meegegeven voor het paard? Bedoeling was dat we dat bakje stilletjes terug zouden geven aan de voordeur, maar dat waren we vergeten. En die mensen hebben 's avonds natuurlijk wat anders moeten eten: kaassaus met hesp!"
Magda zegt dat ze zojuist een compliment hebben gekregen voor de "schone kostuums". Dat krijgt ze wel meer te horen, en ook dat de mensen appreciëren dat "zij deftig en fatsoenlijk zijn". Zij hoort vertellen welk slecht sintenvolk er soms op de baan is: "Mensen zeggen: de sint was zat, zijn mijter viel af, hij stootte met zijn staf tegen de luster, en ook van een Zwarte Piet die de kinderen nog in de zak stak, dakanna toch nie hé!"  

Piet Magda: “Complimenten gekregen voor de schoon kostuums.” © Jan Hertoghs

Piet Magda: “Complimenten gekregen voor de schoon kostuums.” © Jan Hertoghs

Hier zijn geen kindjes
's Middags rijden we terug naar onze uitvalsbasis. In de schoolrefter staan de tafels gedekt voor de chauffeurs, sinten en pieten. De heiligen en hun knechten zetten de pruiken af en we eten rijst met kip en groentesoep met extra véél wortelen ("die komen van de schoentjes van gisteren".) Het zijn de vrijwilligers van Simoc (vriendenkring van stadspersoneel en stadsonderwijs) die in de potten roeren en die al tientallen jaren deze sinten-huisbezoeken organiseren.
Aan tafel komen natuurlijk de anekdotes los, dat ge in de armere cotés wat kunt meemaken. Van gezinnen die in het ene jaar nog broederlijk bij de bomma zitten en die het jaar daarop slaanden ambras hebben en "dan moet ge die ineens allemaal apart bezoeken". Of die vader die hen stond op te wachten bij de deur, "ja, mannekes, 't zal niet doorgaan dees jaar want al het speelgoed is gepikt! En we weten wie de dader is, hij woont hier in den blok!" Of dat triestige verhaal van die moeder van wie de vijf kinnekes allemaal bij een verschillend pleeggezin zaten, en de dag dat de Sint kwam, was dan de enige dag "dat die broerkes en zuskes mekaar zagen, op een heel jaar tijd!"
Erik herinnert zich een bezoek waarbij hij een fles jenevel aan de bomma-in-de-rolstoel moest afgeven. Het was "in naam van de kinderen" en toen de bomma verrast was van iéts te krijgen, klonk het gemeend: "Ja bomma, da's voor u want voor 't zelfde geld zijde gij d'r volgend jaar niet meer bij hé!"
Of van die keer op den Dam ! Ze bellen aan een huis, daar wordt opengedaan, ze mogen binnen, ze mogen gaan zitten in de zetel, en dat zij beginnen rond te kijken, euh, waar zijn de kindjes!? - Ik denk dat gij verkeerd zijt, Sinterklaas, hier zijn geen kindjes. Dat was een verkeerd huis dus, tien nummers te ver. Ja màn, ge komt wat tegen!
Wat de bankencrisis betreft en of die zich sterk laat voelen in de geschenken, daarover zijn ze het oneens: bij sommigen wel, bij anderen niet. Over één ding zijn ze wel unaniem: de kinderen krijgen nog altijd tevéél!

“Ik moest kloppen, want de bel doet het niet.” © Jan Hertoghs

“Ik moest kloppen, want de bel doet het niet.” © Jan Hertoghs

Nonkel Van Grauwel
In de namiddag volgen de huisbezoeken aan de buitenrand van de stad. In Wommelgem doet er na drie keer bellen nog altijd niemand open, het zal toch weer niet het verkeerde huis zijn? De sint bonkt dan maar op de voordeur en ineens doet men wel open ("Sint: "Ja, ik moest kloppen, want de bel doet het niet!") We betreden een oerklassiek Vlaams interieur, wat toch altijd weer die onuitgegeven combinatie is van donkere meubelen, ingelijste trouwfoto's, ingelijste kleinkinderen, een groot verlicht aquarium met dun opstijgende belletjes, het gedroogde bruidsboeket uit 1970 achter glas én tenslotte de onverslijtbare spreuk: Wie werkt voor vrouw en kind en wordt door hen bemind? Dat is vader!
In dit stilleven schijnt de zon door de gordijnen en zijn alle zitplaatsen bezet door (groot)ouders en (klein)kinderen. Of de kinderen flink zijn, dàt zullen ze nu moeten bewijzen met een liedje voor onze Sint. En ook hier krijgen we een  alternatieve versie te horen: Sint-Niklaas kapoentje, geef ons een miljoentje, zet het op de rekening, dan maken wij een tekening! (Sint: "Hm, een kapitalistisch refrein van vraag en aanbod, daar moet de sint toch eens diep over nadenken.")
Bij de vele geschenken is ook een bewegend hondje (Sint: "En dit is voor u. Een hondje met Parkinson!") Zo is deze sint: er huist in hem een kleine onderhuidse Nonkel Van Grauwel die graag een scherp kantje zet aan deze zoete dag.    

Dikkenekken!
Het volgende bezoek zal ons gezelschap onderdompelen in gif en opbrekend maagzuur en de aanleiding is een groot herenhuis in Brasschaat waar alle meubelen en alle aanwezige ouders en kinderen de sfeer uitademen van geld, veel geld uitgeven. Er heerst een vanzelfsprekende luxe die we algauw associëren met de arrogantie van donkere BMW's, van mama's  die Vuitton dragen in terreinwagens en van kinderen die op heelblanke scholen zitten en dure namen dragen als Sébastien en Valérie. En wij zijn de stumperds van de pokdalige grootstad, wij moeten hier ons nummertje opvoeren voor die lifestyle-mama's en loft-papa's die fluiten champagne drinken en die eigenlijk maar een half oog hebben voor ons. De sfeer in dit huis is ook koeler dan elders, er is meer aandacht voor de drank en de borrelnoten dan voor de uitsloverij van de sint en zijn pieten. De interesse steekt pas op als de Sint een mama op de schoot vraagt. Braaf zijn hé Sint! Och, laat 'm doen, hij heeft toch zijne staf niet vast!
In de auto breekt het los. Wat een snobs! Wat een dikkenekken! En die was een zuur, en die was een bitch en die andere keek alleen maar op van haar gsm als hààr kinderen bij de sint stonden. Tom de chauffeur heeft nog wat anders in de mot gehad en hij richt zich voluit tot Piet Fred: amai joenge, gelijk gij naar die vrouwen keek! Uw witte oogbollen draaiden nogal! Gij waart ze weer allemaal aan 't uitkleden hé!  O, o, o, wat zijn we pissig en afgunstig en de zwartzak heeft het dan gedaan natuurlijk.

De Sint die soms klinkt als Clement Peerens. © Jan Hertoghs

De Sint die soms klinkt als Clement Peerens. © Jan Hertoghs

Ambiance!
Ook in het volgende huis in Kapellen valt er een kilte op onze nek. Het is een groot en nieuwgebouwd huis, ruimte genoeg, maar de gezelligheid ontbreekt. De twee kinderen staan bij de grote zetel van de sint, de twee ouders verschansen zich zwijgend achter een film- en een fotocamera. En dan zit er ook nog een ongeïnteresseerde bompa aan een afgelegen tafel. Hij zit met zijn rug naar het gebeuren en laat af en toe zijn vingers op de tafel trommelen, een hol en akelig geluid. Alles wat Erik hier vertelt, valt plat, gewoon omdat er geen reactie, geen weerklank is. De kinderen hebben zelfs geen zin om te zingen, dat is de éérste keer dat dit vandaag gebeurt. De sint kijkt eens naar de ouders, maar die halen hun schouders op.
De cadeaus zijn ook ongewoon: veel nuttig ondergoed van de Hema en weinig speelgoed. De afwezige bompa is intussen ook fysiek afwezig, hij staat nu op het terras een sigaret te roken en kijkt intussen met belangstelling naar de dakgoot en de interessante lucht daarboven. Hoe unheimlich kan een familiesfeer zijn! Gelukkig is de tafel gevuld met boterstaaf en petits fours, dat verzoet het onbehagen.
In de auto breekt het opnieuw los. Wawasda, jong! Hedde zoiets al meegemaakt?! Amai, gezelligheid troef! En als die bompa zo al is met een kinderfeest, wat voor nen asociale neurk moet die zijn in de rest van het jaar?!  Ik krijg ook zwaar op m'n kop. Alleman heeft gezien dat ik TWEE STUKKEN boterstaaf en een HEEL petit fourtje heb gegeten. Gij vetzak! Gij dikke profiteur! Gij schooier van den Umo!  Behandelen ze hun werkvolk daar zo slecht dat gij hier uw kas moet volfretten ?! 
De lach en de slappe lach gaan niet weg als we al bij de volgende voordeur staan. Eigenlijk moeten we deftig en braaf kijken, maar dan zegt Fred: "Ik moet eigenlijk ne scheet laten, maar ik durf niet want die mensen staan boven al aan het raam te zien." Het is zo'n dwaze opmerking dat iedereen weer in een wilde lach schiet, en slechts met grote moeite slagen we erin om met uitgestreken gezicht binnen te komen.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Zazawie!
Ook hier is de trend zichtbaar: de sint komt aan huis en dat is een familiefeest waarbij (groot)ouders en (klein)kinderen en zelfs grote kinderen met hun lieven aanwezig zijn. De jonge grootouders heten hier bompie en bomsie, maar ik heb vooral oog voor de oude bomma die stil en peinzend aan tafel zit. Je ziet haar zo denken hoe eenvoudig zij het in haar leven gehad heeft, en zie alles hier nu eens staan: cake en toastjes en chips en wijn en Duvel en ook nog sjampieter, die flessen liggen klaar in de koelkast.  
Het is een gezellige bedoening, de geschenken vallen juichend in de smaak, en de familie gaat wat rechter zitten als één mama op de schoot van de Sint wordt gevraagd. -Niet van profiteren hé Sint! -Zeker niet, mama, de Sint is een goedgeilig man!
Tom doet weer teken van te vertrekken en Erik zegt getrouw: "Hebt ge dat gehoord, Piet, dat was de stoomboot, denk ik." Waarop één kind laconiek: volgens mij was da nen ond!  
We stommelen weer lachend de auto in en na al die gespeelde heiligheid moet de stille bomma het eerst ontgelden ("amai gast, die was helemaal zazawie!") en daarna volgen de mama's: Wow joeng, dat één wèfke, da was een hete, die zag ik wel zitten! Ge bedoelt: liggen! Het is de praat en platte geestigheid van de voetbaldouche. Bij deze: de grofheid en balorigheid als je lang bent opgesloten geweest in braaf zijn en goed gedrag.   

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Stoomboot
De slappe lach is nog niet uitgewoed als Erik op de volgende huisbel duwt. Fred roept: heuj heuj 't is SOS Piet! En dat is weer een aanslag op de lachspieren. Ook op de trap naar de eerste verdieping wordt nog in de rug gepord en tegen een hiel getikt, ik kan er niet bij hoe zij pokerface in die woonkamer arriveren. Vandaar dat mijn kop gecorrigeerd moet worden: Janneman, serieus nu, die zotte smile van uw gezicht!
De woonkamer is in een vorig leven een living geweest maar nu ligt alles vol Lego, dino's, kindercd's, kinderdvd's en kindervideo's. In de houten speelbox zal soms een baby zitten, maar daar huist nu een grote kolonie pluche beesten. 't Is het domicilie van de bomma die duidelijk vaak op de kleinkinderen moet passen. Voor de eerste keer geven de kinderen geen obligate kindertekeningen af, maar een heel mooie kartonnen stoomboot met een rookpluim in witte watten. Prachtige old skool!
Dit was het laatste huisbezoek van het weekend, het zit er weer op voor dit jaar. Makkers, staakt uw wild geraas. We zijn het erover eens, we hebben weer veel gezien, oud en jong, rijk en arm, modern en rustiek, de Vlaming op zondag zoals het in honderdduizenden gezinnen op zondag aan toegaat, in die huiskring van magneten op de koelkast en overledenen op het dressoir.
In de schoolrefter kleden de drie sintenploegen zich om. De mijter dicht geplooid, de staf in twee delen uiteen geschroefd, de Zwarte Pieten luidruchtig in hun onderbroek. Is dat daar geen stoomboot?! Is dat daar geen harde fluit?

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Op huisbezoek met Sint en Piet (1): in de Kempen

Nog een dikke week en dan is het Sinterklaas. In die laatste week is het traditie dat allerlei sinten huisbezoeken afleggen. Ze zijn ingehuurd door ouders, grootouders en verenigingen die een Sinterklaasavond houden. Dit jaar is het anders met corona. Geen feestelijke intrede in Antwerpen, geen troonheilige in de supermarkt, en ook de huisbezoeken zijn verboden. Op internet vind je brave sinten die via videogesprek in de huiskamer komen, maar evengoed zijn er stoute stafdragers die "coronaproof" willen binnenkomen. Ze beloven plechtig dat "alles veilig gebeurt" en dat het contact met de aanwezige kinderen en volwassenen "volgens de regels van de social distancing" zal verlopen. Of de Sint en Piet een mondmasker dragen staat niet aangegeven. 
Elf jaar geleden hadden Sint en Piet geen virus te vrezen. Er waren vrolijke huisbezoeken én een zak met anekdotes!
Humo december 2009 - licht ingekort - © Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

"Ik denk dat ze volgend jaar nieuw oorkes moet krijgen, Sint! Want ze luistert niet goed!"

Het is een koude decemberzaterdag, kort na zeven uur. Op dit licht onchristelijke uur staan we bij de voordeur van de Sint die blijkbaar niet in Spanje, maar in Herentals op een appartement woont. Een snelle aanblik leert dat de goedheilige man al een tijdje ingeburgerd moet zijn in onze contreien (rekeningen van Belgacom, folders van de Colruyt). Er wordt aan de deur geklopt. Dat is Zwarte Piet die op sommige dagen ook Kurt blijkt te heten en die de Sint gemoedelijk aanspreekt met Sus. Kurt heeft klein oogskes, volgens de Sint. Ja, zegt Kurt, het is gisteren laat geworden, hij had een drink met zijn kameraden.
Beide trekken hun gewaden aan. Kurt heft het "Zie ginds komt de stoomboot" aan, maar zijn ochtendhumeur geraakt niet tot bij het zwa-haaien van de wimpels. In de badkamer dept Sus zwarte schmink op Kurt's bleekgezicht. Met het sponsje gaat hij diep in de oorschelpen en de neusgaten, "er mogen geen witte plekskes zijn, want ge hebt van die kinderen die nog maar half geloven en die beginnen gewoonlijk te staren naar uw gezicht". En dat Kurt na zes december altijd naar de sauna moet: dat gaat er niet meer af in de douche, dat zit te diep in de poriën.
Sus trekt intussen lange witte kousen over zijn spijkerbroek zodat die heidense blue jeans niet onder het witte kleed "komt piepen". Aangezien hij een oude man is, moeten zijn zwarte wenkbrauwen wat witter gemaakt worden, wat niet zo goed lukt, maar een zeurpiet die daarover valt.
Aan tafel klasseert Sus zijn papieren in volgorde van de huisbezoeken. Het zijn lange mails waarin de ouders inlichtingen verstrekken over hun kinderen en die de sint straks zal voorlezen uit zijn grote rode boek.
We laden een monsterzak toffees op onze rug en trekken de deur dicht. De stoomboot voor vandaag is geen al te ruime Ford gezinswagen. En andere sinten mogen een chauffeur hebben, hier is sprake van een tweemansorganisatie en dus komt de knecht Kurt aan het stuur te zitten. Het grote rode boek en de dichtgevouwen mijter krijgen een plaatsje op het dashboard, de staf steekt dwars door de auto, van de pook tot tegen het derde remlicht waar hij nog de hele dag tegenaan zal kletsen bij het overschrijden van de verkeersdrempels. Ik zit op de achterbank naast een kinderzitje, ook weer zo'n accessoire dat je niet verwacht bij een bisschop uit de vierde eeuw na Christus.
Sus tikt het eerste adres in de gps, die hij "onze beste knecht" noemt. Nogal wat beter dan met zo'n dik stratenboek op je knieën zitten. Ze zeggen dat het precies een zonnige dag gaat worden en ik kom iets meer te weten over het duo. Sus is 39, Kurt 37. Ze doen "het" al negen jaar en zijn "op mekaar ingespeeld". Sus staat in het onderwijs "en is dus gewoon van met kinnekes te werken", en wat Kurt betreft, "die is vertegenwoordiger en dus gewoon van hele dagen te lullen". Kurt is daarenboven vertegenwoordiger in snoep, "dat scheelt in de inkoopprijs!"   
Ze zuchten dat ze straks blij zullen zijn als het gedaan is. Dit is al hun vierde weekend dat ze op stap zijn. En gisteren hadden ze vijf huisbezoeken, vandaag veertien en morgen nog eens tien. Kurt steekt zijn vierde sigaret op. Ja, hij rookt als een schoorsteen.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Crisis in de zak
Sus leest de inlichtingen van de kinderen nog eens door. In het eerste huis drie kinnekes: Emma negen, Simon zeven en Hanna vier. Van Emma moeten we onthouden "dat ze de ware identiteit van de Sint ontdekt heeft". Oppassen dus, en bij de kleinste moet er niet gevraagd worden of de sint soms zijn tutje moet meenemen. "Tutje is al meegegeven aan de tutjesfee", leest Sus hardop. De voorbije dagen hebben ze al twintig tutters van kleuters mogen ophalen.
Op het inlichtingenblad is ook de plaats aangegeven waar de geschenken 'verborgen' staan. Dat moet de koffer zijn van de auto voor de deur, maar als we bij het huis komen, is die auto nog op slot. Ze hebben het al straffer meegemaakt, zegt Sus, op een andere locatie stond géén auto met de geschenken. De papa had de ochtendshift, en was gewoon gaan werken mét de cadeaus nog in de koffer. De sint belt aan, piet roffelt met zijn knokkels op het raam, en binnen klinkt de gil, Zwarte Piet!, Zwarte Piet is daar!
Het is een mooi huis in een florissante wijk, met een klimrek in de tuin, papa in de fauteuil, kindjes verrukt en opgewonden op de grote sofa, en mama constant achter de Sony Handycam. Het volgende half uur stopt ze alleen met filmen om een andere camera van tafel te nemen en foto's te maken.  
De sint leest intussen dat ze alledrie flink zijn, maar toch heeft hij "kleine opmerkingen": ze moeten minder plagen, meer de mama helpen en ook wat beter luisteren naar de papa en de mama. Dan komen de geschenken door de deur. Ik zie een Barbie-set (mét cd-rom om kleedjes te ontwerpen), een auto die je kan omtoveren tot robot en een glimmend laserpistool waarmee het kind Simon al direct de tv gaat treffen. Ook is er een do-nut-machine waarmee Emma "echte do-nuts kan bakken!" Hola, op één van de geschenken kleeft nog het prijsetiketje van de winkel! De alerte Kurt ziet het op tijd en klit het op de bloes van de mama.
Bij het verlaten van de opgewonden woning schat Kurt de totale speelgoedkost op zo'n driehonderd euro. Het is december 2008, kort na het banken-debacle, en ja, ze voelen de crisis wel. "Er zijn minder cadeau's per kind. Vorig jaar kwamen we nog met onze armen vol naar binnen gestapt, nu is het zuiniger". Maar niet overal. Gisteren was er nog zo'n uitschieter, een koppel met drie kinderen en daar hebben ze "vijf vuilzakken vol speelgoed moeten binnen dragen". 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Nieuw oorkes
De volgende vijftien kilometer hebben we tijd om de koffiekoeken aan te spreken. Sus laat zijn baard onder zijn kin zakken, dat eet makkelijker en op straat zijn toch geen kinderen te zien. Kurt zegt dat ge zoudt verschieten waar zij zoal gevraagd worden, bij mensen van wie ge 't helemaal niet verwacht. Dat ge binnenkomt in dat huis, "zo arm en zo onderkomen", en elk kind krijgt dan enkel zo'n stukske speelgoed van de Wibra of De Prijzenklopper, dat wij ons afvragen: waarom laten ze ons hier komen? En dat ze gegeneerd zijn als die vader hen betaalt. Voor die dertig euro had ie toch iets anders, iets nuttig kunnen kopen?! Maar dat hebt ge met die mensen, "die zijn arm, die willen dat voor de kinderen camoufleren en dan gaan ze dat compenseren en overdrijven."
We rijden een woonwijk van Nijlen binnen waar kerstmannen tegen de gevels klimmen en verlichte rendieren de kleine voortuintjes bevolken. We moeten bukkend naar binnen in het kleine huis, een smalle gang door en dan staan we in de woonkamer, één grote tafel waaraan vava, moemoe, de vier koppels en hun zeven kinderen zitten. De sint roept de kleinen bij zich, er is een Shanaya, een Kaïla en een Lexy bij. In zo'n huishoudens staat de gaskachel altijd op 25 graden, er staan bronzen babyschoentjes onder een stolp en er hangen genoeglijke boerentafereeltjes aan de muur. 
De Sint leest voor, en sommige mama's roepen nog wat voetnoten na. Ik denk dat ze volgend jaar nieuw oorkes moet krijgen, Sint, want ze luistert niet goed! Eén kind wordt ook ondervraagd over geweld op school: "Ik zie hier dat gij de kindjes pijn doet in de klas! Dat ziet de Sint niet graag!"      
Daarna ontspint zich een duo-presentatie. Sint vermaant de kinderen, Zwarte Piet deelt de aloude onverwoestbare knipogen uit aan de volwassenen. Aha, gij zit bij een juf. En zeg eens, is het een knappe juf?! En hoe heet ze?! En doe haar zeker de groeten van mij! Waarop de Sint dan quasi bestraffend: Zwarte Piet, zijt gij daar weer met uw juffen!! Enzovoort.
Nog meer standaardgrapkes volgen wanneer blijkt dat een kindje liever bij zijn ouders slaapt dan in zijn eigen bedje. - Zeg eens! Zoudt gij niet graag een broertje of een zusje willen?! Kind knikt verward van ja. Ha ja!? Dan zou ik toch maar rap in uw eigen bedje gaan liggen! Het kind niet-begrijpend, de volwassenen hardop in de lach. (Later zal Kurt zeggen: "Ge moet ook de volwassenen entertainen, want zij zijn het die ons volgend jaar terug moeten vragen!") 
Ook hier wordt alles gefilmd door een papa die duidelijk niks moet hebben van experimentele film. Hij heeft één vast camerastandpunt (zittend aan tafel) en zo filmt hij een half uur aan een stuk (" voilà, het staat erop.")
Nadat de geschenken uit de jutezak zijn gehaald -onder andere een grote doos Lego City en een familiepak plasticine- is het tijd voor een afscheidslied. De Sint zet de stoomboot in, maar bij de strofe "wie braaf is, krijgt lekkers, wie stout is de roe", roept Piet keihard de moemoe in plaats van roe, tot jolijt van de groten. Dat van die "moemoe" is ook één van hun vaste jokes, zegt Sus, "maar ge moet weten waar ge zo'n grapke placeert. Bij volkse mensen kan dat, die kunnen daartegen". Hier in Nijlen krijgen ze ook vijf euro drinkgeld, "dat krijgt ge gemakkelijker bij de gewone mensen, die zijn guller dan het rijk volk".

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Stress en ambras
We zijn het erover eens dat dit een ontspannen bezoek was, wat tegenwoordig niet vanzelfsprekend schijnt te zijn. Bij zo'n dag komt ook al stress kijken, want er mag niks mislopen. "'t Is nu meestal zo dat de grote mensen zenuwachtiger zijn dan de kinderen!" Er is stress of de kindjes wel content gaan zijn met de geschenken en er is ook bezorgheid over het heilig huisbezoek: gaan ze op tijd zijn? gaan ze fatsoenlijk gekleed zijn? gaan ze wel alles zeggen wat wij opgeschreven hebben?, en ook: ze gaan toch niet zat zijn?! Kurt heeft zelf ooit eens een sint aan huis laten komen die zat bleek te zijn, "hij mommelde én zijn baard zakte af!" Het was om te ontploffen, zegt hij, maar ge kunt niks doen, ge kunt de Sint toch niet buitengooien waar uw kinderen bij zijn?!
Aan borrels drinken doen zij niet mee. Het gaat 'm om het verbale plezier, een woordje placeren, een dubbelzinnigheid debiteren. "In feite mogen wij àlles zeggen. Van ons is alles gepermitteerd. De mensen zullen nooit kwaad zijn." En dat het gezelschap soms zelf de schuine kant opgaat. Allez Zwarte Piet, maakt uwe zak maar eens leeg! En dat de bomma's het  hardste moeten lachen als de grappen schuin worden. Kurt en Sus knikken, die één bomma, zo'n slappe lach, die piste in haar broek! 
We stoppen voor een rood licht. De twee vrouwen in de auto naast ons zwaaien heftig naar Sint en Piet, zij wuiven plechtig terug. En of ik al weet dat niet alleen de ouders geschenken geven, maar ook de bomma en de bompa, en soms ook de peter en de meter. "Dan komt de sint dus op vier adressen voor zo'n kind". En dat de tijd van de eenvoudige gezinnen voorbij is, zij moeten nu ook leren rekenen met de nieuw samengestelde gezinnen! En daar kan al eens gepuzzel en ambras van komen. Sus laat het papier zien: die mama heeft gisteren in paniek gebeld of zij in plaats van zaterdag alstublieft zondag wilden komen? Eigenlijk was zondag al volgeboekt, dat wist die mama ook, maar de papa wilde de dochter niet afstaan op zaterdag. Zaterdag was ze bij hem. Zaterdag was zijnen dag, sint of gene sint. Ja, een kindervriend maakt wat mee tegenwoordig. Later hoor ik een collega-sint vertellen van een vechtscheiding waar de papa de dag voor het huisbezoek (bij mama) haarfijn uitlegde wié de sint wel was. Aan een kind van vijf. Gewoon om dat feest bij de mama te torpederen. "Een trauma voor dat kind, 't vertrouwde niks meer van wat de grote mensen zegden!"   

Klontjes in de wei
In een nieuwe wijk bij Grobbendonk worden we ontvangen in een kleine kamer. Sus en Kurt weten van de autistische jongen, "hier moeten we niet gek doen, hier moeten we ons zo rustig mogelijk gedragen". De jongen kijkt ons gezelschap niet aan, kijkt weg, kijkt naar het vasttapijt, kijkt naar zijn filmende mama. In de achtergrond is ook nog een zwijgende grootvader aanwezig. Het kind krijgt een dino-omgeving van Playmobil en een robot. Het is een droef tafereel. Dat ene in zichzelf gekeerde kind, die ene zacht bemoedigende moeder en die ene hulpeloze roerloze grootouder. Het kind heeft zijn schoentje gezet en bij het weggaan wordt de inhoud leeggeschud, acht klontjes in de hand van Zwarte Piet. We zijn maar net de hoek van het huis om of Kurt gooit de klontjes met een nonchalante zwaai in de wei. Ik kijk ontdaan. Hij lacht, hij kan ermee toch niet in zijn broekzak blijven zitten, dat gaat plakken! Ook de wortelen "vliegen straks in de compostbak, ik ga geen drie weken peekesstoemp eten!" Ik had het kunnen weten, in de coulissen woont de ontnuchtering.

Middagpauze. De auto geparkeerd “buiten het zicht van kinderen”. © Jan Hertoghs

Middagpauze. De auto geparkeerd “buiten het zicht van kinderen”. © Jan Hertoghs

De kerk van Playmobil
Onderweg naar het volgende adres legt Sus uit dat deze ouders "een plot hebben bedacht". Sint en Piet zijn daar vannacht al langs geweest "voor de grote cadeau's", maar de stoute knecht heeft zogezegd "een paar kleinigheden achter gehouden" en nu gaan ze dat computerspel van MegaMindy en die dvd persoonlijk aan huis bezorgen. In Zandhoven staat de grote villa en bij het dessertbuffet zitten papa, mama, de drie kinderen, oma, opa en moemoe. ("Vava niet vermelden", staat er op de mail, "hij is deze week naar een dementie-afdeling gebracht").
In alle hoeken van het huis staat duur en duurzaam speelgoed, waaronder een villa van Playmobil en een design blankhouten poppenkast. Die hebben vannacht het gezelschap gekregen van een grote houten garage met autootjes, een Playmobil paardenranch en een tachtig centimeter hoge dorpskerk, ook van de parochie Playmobil. De mama commandeert druk met de handycam, kijkt eens naar de sint! luistert eens! amai, hoe schoon! en wat zeggen wij? dank u Sinterklaas! Ook opa fotografeert voortdurend. Zo is deze tijd. Niets zal ons ontglippen. Het leven moet niet denken dat het zomaar kan voorbijgaan.
Het kleinste kind overhandigt intussen fier en forever zijn fopspeen aan Sinterklaas, en Zwarte Piet moet nu plechtig beloven dat hij niks meer mag achterhouden tijdens de nacht. Als we buitengaan, port de mama de dochter aan, "toe, laat de kerk eens werken!" Het kind drukt op een torenluikje en dan begint het spitsje te bimbammen. Welke toekomst heeft de kerk als ze op voltapijt moet staan naast het circus en de paardenranch?    

Bompa in de hemel
In Vosselaar komen we in een kleiner huis met stille, brave mensen. De koffietafel van vanmiddag staat al gedekt en de twee koppels, met ieder twee kindjes zijn hier samen in het huis van de moemoe. De vier schaapjes zitten geduldig te wachten, de beentjes tegen de sofa gedrukt, de handjes plat op het fluweel ("dat zijn hier vier flinke kindjes, Piet!") Een jongen van vijf zingt -met zijn armpjes stijf- van de stoomboot, ik zie de kinderen bang en opgewonden tegelijk, hier heerst nog het geloof en volle ontzag. Om de kinderen toch op het laminaat te krijgen, stort Kurt bij het vertrek een lading toffees op de vloer. 
Amai, hier was het nog braaf en stil, zeggen ze in de auto. Dat is niet meer overal zo, "er is minder respect dan vroeger". Soms zijn de kinderen zo ongeduldig "dat ze ons niet eens zien staan. Ge ziet ze dan kijken: kom! geeft dat speelgoed maar hier! dan kunnen wij beginnen!" Ja, dan voelen zij zich niet Sint en Pint, "dan voelen wij ons de facteur!"
De zon schijnt door de canada's, de torenklok slaat twaalf uur, en in het vriendelijke dorp Tielen houden we middagpauze. Vanwege m'n stadskledij mag ik de broodjes gaan bestellen, een kip curry special en een martino, we eten het op in de auto die op de lege stationsparking staat gestald. Hier zijn we "uit het zicht van de mensen", dus beiden zetten met een zucht hun pruik af, "miljaar, dat kan toch jeuken!" Na de lunch stapt Sus uit voor een plas, er is de plotse blasfemie van een man in kazuifel die wijdbeens watert tegen een rioolbuis.
Nadien worden nog wat mails doorgenomen. Sus zegt dat hij veel negatieve dingen eruit gooit: "Sommige ouders denken: laat de sint het maar eens goéd zeggen! En dan zetten ze werkelijk àlles op papier. Alsof wij in dat half uurke àlles kunnen recht trekken wat daar in een heel jaar is misgegaan!"
Sus wil wel sint zijn, maar Sus wil geen boeman zijn. En dat mensen soms lastige dingen kunnen vragen. Neem die avond in die voetbalkantine. Op hun papier stond: "De bompa van onze jongen (7 jr) heeft zich dit jaar verhangen. Kunt u zeggen dat u hem gezien hebt in de hemel? Om onze jongen toch wat te troosten." In een huiskamer zou dat nog gegaan zijn, zegt Sus, maar zeg dat maar eens in de micro van zo'n volle kantine! Dat was gênant geweest. En dat we maar eens aan vertrekken moesten denken. In hun gemeenplaats heet dat: kom, we gaan eens zien zei den blinde!

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Geef een schoon handje!    
Het begint een vast ritueel te worden. Als sint en piet uit hun wagen stappen, wordt er steevast geclaxonneerd vanuit de voorbijrijdende auto's. Zij spelen perfect hun rol en wuiven minzaam naar het vertragende verkeer. De vrouw van de buren schuift het gordijntje opzij, knikt gemaakt eerbiedig naar de zegen die ze krijgt en dan stappen we een klassiek huis binnen waar een slinger van grootouders, ouders en kroost in de zetels heeft postgevat. Wat zegt gij tegen de Sint?! En, geeft eens een handje?! Een schoon handje, ja, dat andere handje, dat is flink! Sus mag op de troonzetel plaatsnemen en vraagt gelijk wie er brààf is geweest. Alle kinderen steken hun vinger op, Kurt ook natuurlijk. ("Gij, Piet, vinger omlaag, want gij moet uw rommel in uw kajuit nog opruimen!") En daarna begint de sint aan zijn kleine vermaningen. -Flink op het potje pipi en kaka doen, is dat beloofd? - Vanaf nu ook de korstjes opeten! Is dat afgesproken?! Dan gaat gij later zo groot en sterk worden als uw papa in den bouw!
Als die les achter de rug is, worden de geschenken uitgedeeld. Er zijn twee trainingspakjes bij, één voor een zesjarige veldrijder en één voor een zesjarige motocrosser. Verder zie ik een pop (om te schminken en aan te kleden), een auto met vakantiecaravan en een kinderlaptop met grote toetsen.
Eén peuter sleept het kartonnen boekje Stevige Voertuigen voort en als ie op een toets drukt, klinken er claxons van camion, tractor en bulldozer. De salontafel staat intussen overvol en dan moeten de dozen met chocola, marsepein en speculoos nog komen.
Sint: Zijn jullie blij?
Allen: Jàààà!
En de mama's en de oma intussen maar souffleren, en wat zegt gij tegen de sint? zegt eens dank u sint! De papa's helpen intussen met uitpakken: met scharen en cuttermesjes gaan ze de weerspannige plastic verpakking te lijf. Maar als dat gedaan is, staan ze daar werkeloos. En zo zijn die jonge vaders aandoenlijk. Met gekruiste stoere armen en tegelijk glunderen bij al dat plezier van die bengels. Goedlachs en tegelijk geen houding weten bij deze verkleedpartij. Te groot zijn ze, te struis en te getatoueerd. Venten die zich even geen raad weten met wat ze vroeger zo goed gekend hebben.   
Na het zingen van een lied onder de deskundige begeleiding van een politiesirene (de nieuwe combi!) stappen we op. Ik neem afscheid van Sus en Kurt. Zij moeten nog naar een feestje met allemaal kinderen van onthaalmoeders "op een uur tijd met vijfendertig kinnekes een apart gesprekske hebben, dat wordt doorboksen!" En dan nog een paar huisbezoekskes en dan langs het tankstation. Voor de kinderen aldaar? Neenee, "om al die tekeningen van vandaag in de vuilbak te gooien." Ge moet dat verstaan, dat is tevéél om allemaal bij te houden! En thuis kan dat niet bij 't oud papier, stel dat ons kinderen het zien!

Advertentie op internet

Advertentie op internet

Zatte Piet
Hoe haal je nu een Sint en Piet in huis? Soms huren ouders de sint via een lokale vereniging, maar meestal wordt de huursint gezocht op internet. Humo deed hetzelfde en kwam terecht op sites van rood fluweel, gouden krulletters, ijle muzak van Hammond-orgels en een keur van rudimentaire gedichtjes ("Elk jaar komt de sint, hij is de vriend van ieder kind.")
De eerste Sint die we tegenkomen pretendeert almeteen dat hij de échte is ("Vraag eens de échte Sint bij U thuis!") Op zijn startpagina zit hij ernstig kijkend bij een Bokrijk-schouw met een open boek voor zich. Hij behoort duidelijk tot die groep van selecte sinten die met veel tekst willen aantonen dat ze pedagogisch verantwoord zijn. Op hun site tref je meestal een soort charter, zeg maar een eigen-heiligverklaring. Zo is hier sprake van een professioneel en pedagogisch gevormd Hemels Gezelschap dat bij u aanklopt en dat voor een krachtig en vooral kwalitatief hoogstaand bezoek zal zorgen. Uiteraard is dit een "kindvriendelijk initiatief" dat een tegenreactie wil zijn tegen "alle vroegtijdig, amateuristisch en commercieel gedoe".
Dezelfde afkeer van amateuristische schertsfiguren komt ook tot uiting bij de Antwerpse Sinterklaascentrale. Deze centrale draagt een keurmerk en is officieel erkend als Cultureel Erfgoedvereniging "dankzij inzet, zorg voor kostuums en regelmatige bijscholingen". De sinten en hun stafmedewerkers besteden ook bijzonder veel aandacht aan de kleinste details van de vertoning. Onze mooie kostuums zijn van velours of fluweel en voor 7O% met de hand gemaakt! Ook onze Pieten vertonen zich steeds in de klassieke stijl. Geen gympies dus, maar nette, klassieke schoenen! De centrale stelt ook dat zij geen boeman voor de kinderen wil zijn. Wij komen steeds langs als kindervriend en dus zijn de roede en de zak bij ons compleet uit den boze, evenals het nuttigen van versnaperingen en alcoholische dranken!
Dat er soms een drankprobleem is bij de decemberheiligen, blijkt ook uit andere sites. Vandaar dat u de Sint en Zijn Pieten nooit zult betrappen op het aannemen van alcoholische dranken. Het gaat hier tenslotte om kinderen en zij hebben recht op het beetje onschuld dat hun nog rest. Dat vooral zwarte piet na verloop van tijd een zatte piet kan zijn, bleek uit een Nederlandse site. Daar biedt een Sint zich aan "met twee ervaren alcoholvrije pieten".

Blingblingpieten
De Sinten die niet met charters of keurmerken kunnen zwaaien,, kunnen de ouders nog altijd met karamellenversjes paaien. De grote kampioen op dit gebied is De Superpiet! Hier gaan we!
Een Sinterklaasbezoek wordt pas echt een feest, als de Sint samen met Superpiet bij u is geweest!
Ons succes is niet meer te dempen,daarom zijn wij ook dit jaar actief in de Kempen
Of u nu woont in Turnhout, Arendonk, Geel of Mol,niets is ons te dol, en de agenda is nog niet vol.
Stuur Superpiet vandaag uw elektronische post En hij vertelt u alles, inclusief wat het kost!
 
Toen ik hem contacteerde, bleek hij trouwens in een kleiner stuk Kempen actief te zijn ("Geel en Mol, dat was maar om het rijm erin te houden!")

Sint en Piet met beperkte actieradius (advertentie op internet)

Sint en Piet met beperkte actieradius (advertentie op internet)

Die beperkte actieradius is trouwens typerend voor àlle sinten. Dat één sint zich beperkt tot "Sint-Niklaas en omstreken", daar kunnen we nog inkomen. Maar wat te denken van "De Enige Echte Sint uit Spanje"  die verderop zegt dat hij "liefst de provincie Antwerpen bezoekt"?! Elders klinkt het vanonder de kerktoren: "Wij zijn van Opglabbeek, maar proberen overal te komen!" Ook redelijk kleinschalig is "de regio Ardooie", en dan zijn er de lamme sinten die amper hun gemeentegrens oversteken: "Wijnegem en omgeving", "enkel Knokke en Blankenberge" of botweg "Balen". 
Wat meer varieert zijn de prijzen. Je hebt Aldi-Sinten van 12 à 15 euro, gemiddelde sinten van twintig à vijftig euro voor een half uur en dan schieten we door naar het segment vip-sinten met prijzen van 400 à 500 euro. We spreken hier dan wel over totaalpakketten waar de sint "niet met een stoomboot komt, maar sneller: met een limo (of heli, indien gewenst)".
Bij een ander select sintenbedrijf (tot 625 euro) is zelfs sprake van "professioneel opgeleide medewerkers". De Sint is "perfect tweetalig" en hijzelf en de knechten beschikken over "een pedagogisch en artistiek diploma". Zo'n dure sint beschikt natuurlijk niet over Zwarte maar Luxepieten!
En daarmee zijn we bij een nieuw zeer beland. Het zijn alleen nog de ouderwetse sinten die een Zwarte Piet in dienst hebben. De anderen zijn fashionable geworden en op hun website moet je contact opnemen met de hulp-piet, de agenda-piet of hoofdpiet Jens.
En die éne piet is niet genoeg natuurlijk. Sinds ze in Holland begonnen zijn met meer dan één knecht, is ook hier het hek van de dam. Je krijgt niet langer een duo op bezoek, nee, het is: de Sint en zijn Pietenploeg, de Sint en zijn Pietenclub of de Sint "en zijn veertien Pieten". Daaronder bevinden zich dan danspieten, acrobaatpieten, muziekpieten, ballonpieten, blingblingpieten en zelfs abseil-pieten "die van de gevels afdalen". In Eeklo is het al helemaal de omgekeerde wereld, daar huur je "een bende pieten" met de sint erbij: Welkom bij Pieten Projects!

Deel 2: De Sint van 't stad     

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Van deur tot deur (4): de verkopers van stofzuigers en gebakken lucht

stofz 2.jpeg

“Wij moesten de mensen overvallen, bij de keel grijpen en niet meer loslaten.” 

Als er een archetype bestaat van de huis-aan-huisverkoper dan is het wel de stofzuigerverkoper. Ook al zijn ze bijna veertig jaar uit het straatbeeld verdwenen, toch ontmoet je ze nog steeds in de beeldspraak wanneer een politicus hard met zijn ideeën leurt, of wanneer Lernout of Hauspie de West-Vlaamse middenstand bewerkten met hun aandelen. Die reputatie van hardnekkigheid en lichtjes opdringerig zijn is in de jaren vijftig en zestig opgebouwd: toen hebben de stofzuigerventers onophoudelijk bij de Vlaamse mens aangebeld. Lees er maar eens het Suske en Wiske-album De Texasrakkers op na. In dat verhaal uit 1959 is een hoofdrol  weggelegd voor Theofiel Boemerang, stofzuigerverkoper van beroep (“kleine percentjes maken rijke ventjes”). Theofiel duikt overal op: wordt een deur ingetrapt, een venster stukgeschoten of een pleit beslecht met een knokpartij, hij is er als de weerlicht bij om zijn handelswaar aan te bieden. (“Mijne heren, voor het uitstoffen van uw tegenstanders, koop mijn ideale stofzuiger!”) 
Ik heb de oldtimers gezocht, zij die in de jaren vijftig en zestig de deuren hebben platgelopen met de steel-en-stofzak-zuiger, onder andere van het merk Balex. Na een zoekertje in Het Belang van Limburg meldden zich de zestigplussers Jozef, Leopold en Frans.
Jozef:
«Balex was een merk dat alléén aan de deur werd verkocht en ons werkterrein waren de cités van de mijnwerkers." 
Frans: «Alle regio's waren onderverdeeld in sectoren en de Chef de Vente Régional zei dan welke dorpen en welke straten ge moest bezoeken." 
Jozef: «Ik deed dat allemaal met de fiets. Elke morgen laadde ik die stofzuiger met al zijn wisselstukken in een koffer, ik bond die tien kilo onder mijn snelbinder en ik reed naar de dorpen die ze opgegeven hadden. Soms vijfentwintig kilometer ver, en ‘s avonds ook weer terug met die zware bak op mijn fietske."
Leopold: «Ik deed elke dag wel honderd kilometer met die koffer op mijn pakdrager! Door alle weer en wind, in zomer en winter!" 
Frans: « Dat was voor mij ‘s morgens om zes uur vertrekken en zestig kilometer rijden naar de beginpost. Ge moet u dat voorstellen, slecht verlichte wegen, het vriest stenen uit de grond, en gij sputtert daar rond met zo’n grote kist achterop uw brommerke."
Leopold: « Het systeem zat simpel in elkaar: wie niks verkocht, had niks verdiend. Tijdens de dag moesten we eerst op prospectie gaan: ge belde aan bij moeder de huisvrouw en ge vroeg of ge ‘s avonds eens mocht komen demonstreren als de man thuis was van de mijn. Het was immers verboden om alleen aan de vrouw te verkopen. De handtekening van de kostverdiener was vereist op de bestelbon."

Jan Hertoghs

Jan Hertoghs

Jozef: « Wij kwamen bij Italianen, Polen, Grieken, Duitsers en Oekraïners. En soms lieten ze ons gemakkelijk binnen, maar soms leek het of wij de schrik van de wijk waren. Vooral de Italiaanse vrouwen hadden het niet op ons begrepen. Ge belde aan één huis en dat ging als een tamtam door die wijk, aspirapolvere! aspirapolvere!, de man van de stofzuigers is er, attenzione! Laat hem niet binnen! Vandaar dat we nooit met onze koffer aan de deur mochten staan. We mochten niet zeggen dat we iets kwamen verkopen, en zeker geen stofzuiger!"
Frans: «Ge belde aan met een bundel papieren in de hand, “Mevrouw, wij doen een enquête in de streek, wij komen u vrijblijvend vragen hoe het in uw gezin gesteld is met de progressie op elektrisch gebied”? En dan lieten de mensen u binnen en dan begon ik met mijn vragen. Hebt u een radio? Hebt u een tv? Hebt u een wasmachine? Een droogzwierder? Een stofzuiger? En als ze nee zegden, dan moesten we uit onze pijp komen. En als ze ja zegden, dan vroegen wij: bent u tevreden over uw stofzuiger? Welk merk is het? Hoelang hebt u hem al? En dan eindigde het ermee dat we een nieuw en modern toestel kwamen voorstellen, en dat we hun oude toestel tegen een prijsje wilden overnemen."  
Wonder van de techniek
Jozef: « Als de vrouw overdag geïnteresseerd was geraakt, vroegen we wanneer de man thuiskwam en maakten we een afspraak voor een demonstratie. Zo’n demonstratie duurde meestal een uur."
Leopold: « Ik had avonden dat ik van negen uur tot één uur ‘s nachts aan het demonstreren was. De mensen waren natuurlijk ook nieuwsgierig naar dat nieuwe apparaat. De meeste hadden qua elektriek alleen maar een radio in huis, een minderheid had ook een televisie."
Frans: « Het was toen 1960, en dus een goeie tijd voor ons vanwege de opkomst van de salonnekes; veel mensen hadden tot dan alleen maar tafels en stoelen in hun living staan, maar nu begonnen ze een zithoek met sofa en zetels te kopen om bij hun radio of televisie te kunnen zitten. En dat waren onze klanten hé, want uit een stoffen salon komt nogal wat stof hé! 
Meestal begonnen we met te zeggen, het is hier proper in huis, mevrouw, maar denkt ge dat het echt proper is? Ja, daar waren ze zeker van! En dat tapijt? Ja, vrijdag nog uitgeklopt! En dan namen we de mond van de stofzuiger, we hielden er een fijn doekje voor, we stofzuigden een stukje van dat tapijt, en dan zagen de mensen dat doekje, en hoe zwart het was, nog zoveel stof in dat tapijt! Soms vroegen we ook om de as van de asbak op de vloer uit te kieperen, aan de vrouw vroegen we dan om die as met borstel en blik zo goed mogelijk op te vegen, en dan gingen wij eroverheen, wéér zwart stof op dat doekje! Ja, dat begint op het gemoed van de huisvrouw te werken hé, als ge zoiets kunt laten zien!"  

stof balex 1.png

Jozef: « Zo’n Balex was er in verschillende versies. Ge hadt de kleine, de standaardversie van 2500 frank die alleen maar kon stofzuigen, en ge hadt de grote van 4000 fr, daar kondt ge alles mee doen." 
Frans: « Dat was een wonder van de techniek, daar uit de rue de l’Indépendence in Brussel. Ik zal u eens opnoemen wat die Balex allemaal kon. Hij kon zuigen, én hij kon blazen! Ge kondt op die blaasmond bijvoorbeeld een verfspuit aanbrengen. In een soort bokaal zat verf verdund met thinner, en daarmee kondt ge een plafond of een deur spuiten. Was uw fiets verroest, dan met de Balex erover! Ge kondt er ook mee boenen, en hem als kamerverfrisser gebruiken; met zo’n flaconnetje, een sponsje en  parfum ging de kamer heerlijk  ruiken. "Speciaal voor als u vis, friet of biefstuk hebt gebakken! Die etensgeuren verdwijnen direct uit uw huis!" En ook speciaal voor de dames, was de droogkap. Dat zag eruit als een opgevouwen regenkapje, maar als je dat aansloot, dan blies dat zich op tot een droogkap met warme lucht. En als de vrouwen dat wildendan konden ze tegelijk ook een geurbommetje aansluiten, dan werd hun kapsel ook nog eens geparfumeerd!" 
Jozef: « Als de mensen vroegen, kan ik er ook soep mee koken, dan zouden wij bijna ja gezegd hebben!" 
Frans: « Het was een vernuft, ik denk dat er wel twaalf hulpstukken bij waren. Dan zei ik tegen de man, mijnheer, doe uw zondags kostuum eens aan en kam nu eens uw haar. En dan kamden ze hun haar, en dan lagen er schilfertjes op hun kostuum en dan zoog ik dat weg met een speciaal afzuigborstelke voor de kostuums. Ik zeg het u, dat was een ingenieus toestel, die Balex! En ik ging helemaal op in dat demonstreren. Ook als de mensen geen woord Vlaams verstonden, ik legde dat uit met hand en poot, dat was écht: zién is kopen, en dus liet ik de mensen héél véél zien. In die tijd hadden ze ook weinig stopcontacten, dat was één stopcontact voor twee-drie kamers, dat was draad en nog eens een verlengdraad, jongen, ge had mij moeten zien vliegen met dat toestel, ik zou over de tafel hebben gesprongen om toch maar te laten zien hoe makkelijk en handig dat het ding was!"
Leopold: « Ge kunt wel geloven hoe moe wij waren. Ge liep al de hele dag van huis tot huis, dan waart ge nog eens een hele avond aan het demonstreren, en dan moest ge zoals ik in het gat van de nacht nog eens vijftig kilometer naar huis fietsen! Maar ja, ge moest er wat voor over hebben om een frankske te verdienen.”
Frans: « We hebben schoon geld verdiend. We kregen 25% commissie op die stofzuigers, dus ge verdiende tussen de zeshonderd en duizend frank per stofzuiger. Er waren maanden dat ik met 15.000 à 20.000 frank naar huis kwam in een periode dat een bediende misschien drie à vierduizend frank salaris kreeg." 

stof%2Bbalex%2B2.jpg

Boem binnenvallen
De stofzuigerverkoper was een wereldwijde beroepsklasse. Ook Captain Beefheart (echte naam Don Van Vliet) verkocht stofzuigers. Volgens ingewijden zou de Captain zelfs een stofzuiger verkocht hebben aan de schrijver Aldous Huxley en hij zou daarbij de legendarische woorden gesproken hebben: “I assure you, sir, this one really sucks!” 
Onze Vlaamse verkopers van de jaren vijftig verklaarden dat hun deur-aan-deur-modellen duurder waren dan wat zo’n stofzuiger normaal in de winkel zou kosten: die meerprijs ging voornamelijk naar de commissie van de verkopers. "Dus! Als je iets verkoopt dat te duur is, dan moet je maar wat harder aandringen bij de mensen." Aldus spreekt Maurice (80) die op de duur lichtjes malafide tewerk begon te gaan in de stofzuigbranche.  
Maurice: "Het was in ’48 of ’49, het waren de moeilijke jaren na de oorlog dat een mens zonder werk maar drie keuzes had: of ge sprong in het kanaal om u te verdoen, of ge ging dood in de mijn aan een stoflong, of ge werd verkoper van stofzuigers (lacht). Ik heb het laatste gekozen, en ik ben met het Duitse merk Lutinus in de mijncité’s gaan verkopen. Dat was een heel geschikt gebied. Want ge had daar een overvloed aan Italianen, Grieken en Polen, allemaal mensen die uit arme landen kwamen, allemaal mensen die nooit een cent gezien hadden en die in de Limburgse mijnen ineens geld begonnen te verdienen. Die mensen zaten in het beloofde land en zij waren het meest tuk op al die moderniteiten en noviteiten die er te koop warenDe mensen waren ook trots op hun nieuwe status. Ze wilden dat laten zien aan hun buren: kijk maar eens, ik kan dat allemaal hébben, ik kan dat allemaal kopen!! 
Een opleiding hadden we niet. We moesten een halve dag met een ervaren verkoper meegaan, en de les was: horen, zién en zwijgen! Wat ik zag, was een verkoper die de mensen overrompelde. Het systeem van Lutinus was de vente à l’arrachée, boem binnenvallen, en direct terzake komen. Geen complimentjes, geen amai, wat woont ge hier schoon. Nee, wij moesten de mensen bij de keel grijpen, overdonderen, en niet meer loslaten. Zij moesten niks zeggen, wij bleven de hele tijd aan het woord. Over de kwaliteit van de stofzuiger, over zijn uitzicht, hoe mooi hij wel was, en hoe klein, en hoe gemakkelijk in het gebruik, en hoe licht om op te bergen, àlles, alles was gemakkelijk. Over de techniek moesten wij het niet hebben, wij moesten zelfs niet demonstreren hoe hij werkte, wij moesten alleen maar praten, praten, praten, de mensen omverpraten.
Een Lutinus-verkoper sprak zelfs niet over zijn toestel, die sprak voornamelijk over hoe vuil en stoffig het bij de mensen was. En de mensen waren nochtans proper, ge hadt huismoeders die écht bezwaar maakten, meneer, alles is hier heel proper! Maar dan had ge verkopers die met hun vinger over de plint boven de deur gingen, waar altijd stof ligt, en dan zegden ze: ah, mevrouw denkt dat het hier proper is?! En wat is dat dan! Dat is hier vuil! Dat is hier vies! Dat stinkt hier! Ja, dat was werkelijk de mensen van hun stuk brengen.

stofz 3.jpeg

Koelkast voor Eskimo
Soms hadden de mensen al een stofzuiger, en soms zelfs een betere dan wat ik verkocht, maar dan moest ik zeggen dat het een waardeloos stuk was, een prul, het trekt op niks, dat is geen stofzuiger, dat is een koffiemolen met een draad eraan! En dat ze blij mochten zijn dat ik ‘m voor een zacht prijsje wilde overnemen! 
Zelf verdienden wij het grote geld. Wij verdienden duizend frank op een stofzuiger die 4000 à 5000 frank kostte, en die in feite veel te duur werd verkocht. In de eerste vier maanden had ik honderd stofzuigers verkocht en honderdduizend frank verdiend. Dat was een schat aan geld, ik had 25.000 frank per maand, terwijl een goeie bediende eind de jaren vijftig 4000 frank verdiende! 
Ik was zo goed dat ze mij regionale agent-inspecteur hebben gemaakt. Ik moest jongemannen aanwerven en de baan opsturen, maar ook dat systeem was niet helemaal eerlijk. Je zette een annonce in de krant: U KAN PER MAAND 40.000 tot 60.000 FRANK VERDIENEN! En ja, daar kwamen in de jaren vijftig hopen jonge mannen op af! En die begonnen dan porte à porte, maar het liep veel moeilijker dan ze dachten, en om toch maar te tonen dat ze wat konden verkopen, verkochten ze een stofzuiger aan hun moeder, hun zuster, hun tante en hun grootmoeder, en na één week zagen ze het niet meer zitten, maar ze hadden voor mij wel vier stofzuigers verkocht. Eigenlijk was mensen aanwerven gewoon een techniek om stofzuigers te verkopen, dat is een truuk die nu ook nog wordt gebruikt.
Ik ging zelf ook nog van deur tot deur en ik begon er prat op te gaan dat ik aan iederéén kon verkopen. Ze zeggen soms, hij kan een koelkast aan een Eskimo verkopen, wel, mij is dat gelukt. Ik was op een keer bij een jonggetrouwd koppel en ik heb hen een stofzuiger verkocht terwijl ze niet eens elektrische stroom in hun huis hadden! Die mensen hadden niks, die hadden zelfs geen waterleiding, maar ik had ze omver geklapt. Dat was zo in die “goeie ouwe tijd”,  de mensen waren toen veel naïever dan nu. 
Op de regionale vergadering van de verkopers was dat natuurlijk dé mop van Maurice, een stofzuiger verkocht zonder één stopcontact!! En ik kom thuis en ik vertel dat ook aan mijn vrouw, maar zij kon er niet om lachen. Ze zei: ik denk dat ge stillekesaan met maffiapraktijken bezig zijt, en ik zou willen dat ge een normale job zoekt. En toen ben ik er van de ene week op de andere mee gestopt. En binnen twee dagen had ik ander werk, ik kon direct als handelsreiziger chocolade gaan verkopen voor een grote fabriek. Dat ik stofzuigers had verkocht, dat had de grote doorslag gegeven!”

Ingescand uit Humo

Ingescand uit Humo

De Nieuwmarkters van Roeselare

Ik heb ook gemeentebesturen gebeld om te weten of ze recent nog leurhandelaars hadden ingeschreven en steeds kwam dezelfde reactie: "Dat is een uitstervend ras, dat zult ge niet meer vinden." En toch zijn ze er nog, de mannen die bijvoorbeeld met lakens en linnengoed, zeep en badschuim, bestekkoffers en oosterse tapijten leuren. Maar je vindt ze niet in de stad en de randgemeente, ze voyageren vooral in de dorpen en de landelijke regio’s.  
Zo waren er veel aanwijzingen naar Roeselare. Daar wonen de Nieuwmarkters, “een heel speciaal ras, mannen die linnen- en beddengoed verkopen, tot in Wallonië, tot in Frankrijk en Italië!”  Het blijkt een familieclan te zijn die al generaties lang van deur tot deur gaat, met als meest voorkomende namen Plancke, Houthoofd en Deckmyn. Ik heb menigeen van hen gecontacteerd, maar ik had evengoed gesloten deuren kunnen aanspreken, dat interesseert mij niet, ik hou me daar niet mee bezig, wij hebben uw boekske niet nodig, ons bestuur heeft nee gezegd! De heftigheid waarmee het gezegd werd, was niet te omzeilen.
Alleen de vroegere politiecommissaris van Roeselare die in de Nieuwmarkters-buurt is opgegroeid, wil iets zeggen over deze in zichzelf gekeerde groep: “De Nieuwmarkters zijn altijd een gesloten clan geweest. Vroeger trouwden ze bijvoorbeeld alleen onder mekaar. Als een Nieuwmarkter met een burgerjongen of -meisje trouwde, dat was een schande. Die werd uit hun midden gebannen. Het zijn ook fiere mensen die al heel vroeg vanonder de kerktoren weggingen om hun handel te drijven. Eerst met de trein en later met de auto. Met hun stoffen en linnengoed gingen ze heel ver, tot in de Elzas, de Vogezen, Luxemburg, Normandië en Bretagne, dat doen ze nu nog altijd. Hier in Roeselare zijn ze vooral gekend door hun pracht en praal op het kerkhof. Er is volgens mij geen enkele bevolkingsgroep in België die zoveel geld besteedt aan de graven van zijn overledenen. Op één november komt de hele familieclan bij elkaar, en dan liggen er bloemstukken van vijftigduizend frank en méér op het marmer en bladgoud van hun grafkapellen. Hoe dan ook, de groep die maandenlang van huis is om te leuren is klein geworden. Vroeger waren er meer dan honderd, nu zijn het er nog hooguit tien of vijftien.”                

Legendarische Nieuwmarkt-leurders uit Roeselare (bron:Filipbommarez.com)

Legendarische Nieuwmarkt-leurders uit Roeselare (bron:Filipbommarez.com)

Rapalje aan de deur
Er is vroeger met alles geleurd: stofzuigers, encyclopedieën, haring, pudding, legkippen, touwen en zelen, koffie en Koloniale Waren, ik hoorde het allemaal vertellen, maar het is ook allemaal voorbij. Maar die teloorgang geldt niet voor de oplichters aan de deur, dat rapalje lijkt allerminst uitgestorven.
Ik hoorde een eerste vage hint toen ik op ronde was met de winkelwagen van Maleco (zie deel 3) Klant Louisa die (belangrijk detail!) niet ver van de snelweg woont, heeft al enkele keren Nederlanders aan de deur gehad die bestekkoffers en potten en pannen kwamen verkopen. Aanvankelijk kostte de hele rimram 30.000 fr, en dan 10.000 fr en uiteindelijk had ze maar 4500 fr betaald voor houd u vast: een stel pannen, achttien casserolles, een 72-delig bestek én een messenkoffer. De messen waren van Solingen, en ze hadden een gouden biesje gehad, "een schonere cadeau kunt ge niet vinden voor een jong koppel dat gaat trouwen."
Jan van de winkelwagen kende die verhalen. Hij had er geen goed oog in, “ik denk dat er al veel goedgelovige mensen zijn geweest die véél teveel geld hebben betaald voor dat gerief dat allicht ook geen 4500 frank waard was.”.
Ook zijn collega René hoorde zijn klanten regelmatig klagen over oplichterij aan de deur.  
René: « Wat de mensen ons allemaal vertellen! Ze bestellen één doos wc-papier en een week later staat er een camion voor de deur die een palet toiletpapier komt leveren. Ja madammeke, ge hebt het zelf getekend! Een andere mevrouw liet me een zak ‘waspoeder’ zien, dat was wit zand, in een jutezak geleverd, nog geen vijf procent was waspoeder. Zoiets lappen ze vooral bij oudere mensen, die durven niet reclameren en daar profiteren ze van.” 
Patrick De Meulder (Onyx Group) heeft voltijdse verkopers in dienst die wenskaarten, stickers en kalenders verkopen. Hij heeft meer dan eens te maken met schuimers die de markt verzieken.
“Wij zijn met alles in orde. Ik sta geregistreerd bij het Ministerie van Economische Zaken, mijn verkopers hebben een leurkaart om ambulante handel te verrichten, én ze overhandigen aan iedereen een folder met adres, telefoonnummer én doelstellingen van de organisatie waarvoor ze colporteren. Als zelfstandige hebben ze ook een btw-nummer en een nummer in het handelsregister."
"Maar er zijn de rotte appels en de sjoemelaars. Zo zijn er nog altijd echte mindervaliden die van huis tot huis zeep en onderhoudsproducten verkopen. Maar er zijn ook bedriegers, gasten die hun handicap mimeren en acteren, en die waren van het slag, hoeveel zeep moet u hebben, één kilo, en dan zetten ze een eentje, maar op hetzelfde lijntje staat x 100 kg, en dan levert de vrachtwagen 100 kg zeep aan je deur. Of honderd dweilen. Of honderd pakken wc-papier. Je hebt getekend, en dus zal je betalen."

De Morgen 12/6/2010

De Morgen 12/6/2010

De eerste beurzensnijders die om de zoveel jaar opduiken, zijn de oplichters van de asfaltmaffia. In ’92 doken ze al eens op in de Kempen, in 2000 en 2001 kwamen ze terug, onder andere in Noord-Limburg. Engelsen en Ieren waren het, vergezeld van een enkele Nederlander en ze boden zich aan bij huizen met een onverharde oprit. Naar hun zeggen waren ze in de buurt “wegen aan het verharden”, ze hadden nog wat “warm asfalt” over en of ze de eigenaar misschien met een oprit konden plezieren? De asfalt was “van de beste kwaliteit” maar wegens teveel wilden ze hem uitstrijken tegen de helft van de prijs. Wie ja zei, kreeg van dan af het statuut van gedupeerde, want de asfalt was van slechte kwaliteit. En in plaats van zes centimeter werd een laagje van twee centimeter gelegd, en bij de afrekening (zonder factuur) werden veel teveel vierkante meters aangerekend; de bedragen liepen in de honderdduizenden. Ook de ondergrond werd nergens geëffend, aan de randen zaten dikke uitstulpingen, en al na enkele weken begon het asfalt -dat afval van een asfaltbedrijf bleek te zijn - te verkruimelen.
Bij een eigenaar in Beerse was de “pechstrook” zo bruut tegen de grond gekwakt “dat hij zijn garagedeur niet meer open kreeg”, en verder was “de gehele gevel besmeurd met teerspatten” (Gazet van Antwerpen, 21.4.01). Slachtoffers die weigerden te betalen, werden zwaar afgedreigd, in enkele gevallen werd hun oprit geblokkeerd door de vrachtwagen van de valse stratenmakers. De kwalijke firma zou ook al actief zijn geweest in Duitsland en Nederland. 

De consumentenorganisatie Test-Aankoop wordt regelmatig aangesproken over allerhande gesjoemel aan de deur. Meestal betreft het de brutale verkoop van veel te dure veranda’s, “ultrasone” afwasmachines, turbo-stofzuigers, of “waterzuiveraars die goedgekeurd zijn door de NASA”. Het aantal misbruiken loopt zo hard op dat Test-Aankoop al meer dan tien jaar pleit voor een volledig verbod op alle huis-aan-huis-verkoop.

Gazet Van Antwerpen 22/2/02

Gazet Van Antwerpen 22/2/02

Nepagenten
Het moet zijn dat onze voordeuren een ongeëvenaarde aantrekkingskracht uitoefenen op allerhande galgenaas. Zo is er de kwalijke rage van de nepagenten. De scenario’s zijn bijna steeds heel gelijklopend. Er wordt, meestal in Brussel en meestal bij bejaarden, aangebeld door een “wateropnemer”. Die komt zogezegd de waterstand opmeten, en hij neemt een kleinigheid weg, een geldbriefje of een klokradio. Enkele minuten later staan er twee “agenten in burger” aan de deur; ze hebben de nep-wateropnemer gevat, en ze geven de “buit” terug aan de bejaarde. Maar om te controleren of de man niet nog meer gestolen heeft, zullen ze “de woning even aan een onderzoek onderwerpen”. Aan de bejaarde wordt dan gevraagd waar hij of zij z’n waardevolle spullen bewaart, en dan is het een koud kunstje om ermee vandoor te gaan. Tussen 1997 en 2000 stelde de politie van Brussel al driehonderd pv’s op . In sommige gevallen werden er geldbedragen, kasbons en juwelen gestolen voor een waarde van twintig miljoen frank (“het zijn immers bejaarden die nog steeds hoge geldbedragen in huis verstoppen”.) Volgens de politie verkeren de gedupeerden “nadien lange tijd in shock en hebben ze het vertrouwen in alles en iedereen verloren.”  
In november ’91 waarschuwde de (echte) Antwerpse politie voor een Nederlander en zijn namaak-camera’s. De man bood zich huis voor huis aan, liet een Sony-videocamera zien die te koop was voor de belachelijke som van 10.000 fr maar in de authentieke Sony-dozen die hij uit zijn auto haalde, zat iets heel anders. “Drie camera’s had de klant gekocht, hij had ook enkele familieleden een plezier willen doen, en toen hij de dozen openmaakte, zaten er drie blokken hout in”.  
Theofiel Boemerang liet weten dat hij zich ten stelligste distancieerde.

NAWOORD: Er zijn deze week ook nep-verpleegkundigen opgedoken die in Brussel van huis tot huis gaan met zogezegde sneltesten voor corona. De slachtoffers zijn vaak bejaarden of hulpbehoevenden. Ook de Engelstalige asfalt-oplichters zijn nog steeds actief. Het laatste krantenverslag over hun malafide werk dateert van mei 2019 - omgeving Kortrijk.

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Van deur tot deur (zonder corona) (3): de getuige van Jehova en de huis-aan-huis-winkelier

Ingescand uit Humo/ ill. Jeroom

Ingescand uit Humo/ ill. Jeroom

“Laat mij gerust met uwen bijbel! Ik heb genen tijd!” 

Als schooljongen ben ik zelf ook van deur tot deur gegaan. Voor de de Vlaamse missiepaters die ergens tussen de rijstvelden van Indië dorpen bouwden en het woord Gods brachten met een brommer. Eén week per jaar was het missiespaarweek en begon de nietsontziende competitie op het Xaveriuscollege: de klas die het meeste geld ophaalde, dat was de felbegeerde titel. Ik heb in die schooljaren  met alles geleurd: met kalenders, gemalen koffie, ballonnen in de vorm van een konijn, zoete spekken, maar vooral met dunne boekjes waarop bruine kinderen stonden afgebeeld, glunderend boven een dun teiltje rijst. Voor mij was het één van de beste weken van het schooljaar. Er was geen huiswerk, in de lessen werd geld geteld, en elke dag liepen we na de schooluren (en soms tot negen uur ‘s avonds) door de straten, nieuwe deurbellen en nieuwe avonturen tegemoet. Een vent die krakend vloekte op de klootzakken van paters, een dure madam die honderd frank uit een Chinese vaas haalde, een vrolijk en verwarrend meisjesgezicht, o zachte donkere oktoberstraten, waar zijt ge gebleven. 

Nu is het een zonnige koude woensdag in januari en ik heb me deftig gekleed: een braaf wit hemd, een bescheiden grijze pull en een donkere jas. Hij arriveert met das en hemd en een fijne wollen jas. En zo gaan we, twee heren langs de huizen, één Getuige van Jehova, en één stille getuige. Ik vermoed dat mijn meegaan een zeldzaam privilegie is; elders hoorde ik dat beginnende getuigen pas na één jaar bijbelstudie gevraagd worden om een keertje mee te gaan. En ik ben dan nog een werelds persoon, een ongelovige!

“Er zijn op dit ogenblik zes miljoen gedoopte Getuigen van Jehova op de wereld”, zegt Leo Moonen (55)” Daarvan wonen er 26 à 30.000 in België, en negentig procent daarvan gaat prediken van deur tot deur.” Leo is één van deze verkondigers.1975 was zijn beginjaar. Voor deze namiddag staan enkele straten van Berchem op het programma. Leo heeft die straten niet zelf gekozen, een ouderling heeft de straten én de huizen waar aangebeld moet worden op blaadjes geschreven. Wat maakt dat Leo tijdens de rondgang voortdurend papier uit zijn jaszak diept om te zien welke straat hij moet nemen en welke bellen hij moet duwen. Bij de belletjes staan ook streepjes, en daaraan kan Leo zien hoe vaak de persoon bij vorige bezoeken afwezig is geweest.  
In het eerste huis doet een Turkse man open. Leo vraagt enigszins cryptisch of de man geïnteresseerd is in de mensheid en in het ontstaan ervan, maar onze Turk moet direct gaan werken. Leo vraagt dan of hij later eens mag terugkomen. Dat mag gerust, “altijd welkom!” De deur gaat dicht en Leo glundert van oor tot oor, Wat denkt ge daarvan?! Als dat geen positief begin is! En dat al bij de eerste deur!
De volgende tien belletjes doet niemand open. Leo zet streepjes.
Een jongeman doet open met een glas Rodenbach in de hand. Leo zegt dat de aarde ooit goed was en dat er nu problemen zijn, maar dat de aarde toch weer goed zal worden. De jongeman vraagt “van welke instantie hij is”. Als hij hoort dat het om Jehova gaat, is hij “niet geïnteresseerd”. Het deert Leo niet; hij vindt dat “we toch een goed gesprekske hebben gehad”. 
Weer vijf huizen niemand thuis en de volgende die opendoet is een Turk die alleen maar Turkish kan zeggen. No problem, zegt Leo, We! Will! Come! Back! Later! En hij steekt wel vijf keer zijn duim op.

jeho 2.jpeg

Als ’t maar waar is
Op nummer 29 mag hij NIET BELLEN staat op zijn papiertje, WANT VIJANDIG!  Op 31 komt een bejaarde man in de deur. Leo heeft een boodschap voor een nieuwe wereld, maar onze man heeft genen tijd, ik ben bezig, ik ben aan ‘t kuisen, komt maar zien als ge me niet gelooft! Leo vraagt of de man misschien graag leest. Nee! Voor lezen heb ik genen tijd. Ik ben maar alleen. En ik ben alles kwijt, mijn vrouw, alles!  Dan heb ik goed nieuws voor u, zegt Leo, “binnenkort gaat u uw vrouw terugzien!” De man houdt op met nee schudden. Mijn vrouw terugzien? Ik zal u iets zeggen, kameraad! In de Diepestraat is een café! En daar hangt een bordje! En weet gij wat daarop staat? Als ‘t Maar Waar Is!! Dankuwel, zegt Leo, en nog een aangename dag verder. 
Leo belt bij huizen waarvan ik zeker weet dat niemand thuis is: het reclamedrukwerk zit nog dik in de bus, maar hij drukt onverdroten op de bel, “het werk moet gedaan worden”. Een Turkse vrouw is ook al “niet geïnteresseerd”, maar Leo vindt het niettemin “toch positief dat ze zo goed Nederlands spreekt.” Na één uur en twintig minuten hebben we zo’n veertig bellen gedaan en daarvan waren amper zeven mensen thuis. Leo vindt het niet erg. “ Al is er maar één mens die luistert, dan nog is er vreugde bij de engelen in de hemel!”  
Na twee uur rondgang stoppen we ermee. In de auto duwt hij een cassette in. Het is het boek Prediker, hoofdstuk vijf. Leo heeft de hele bijbel op cassette staan, Oud en Nieuw Testament, honderdtwintig bandjes, honderdtwintig uren bijbel “voor als ik onderweg ben”. Humo had ook een cassetje bij en veel vragen.  

Humo: Hoe vaak worden de mensen deur aan deur bezocht?
Leo: «Berchem telt 40.000 inwoners, en toch slagen onze zeventig Getuigen erin om al die mensen op zes maanden tijd te bezoeken. Soms na één keer aanbellen, soms na drie keer aanbellen. En zoals je gezien hebt, bellen we bij iedereen, Turken, Marokkanen, Russen, we slaan niemand over. We gaan ook in de grote blokken. Hier in mijn buurt zijn een paar blokken met honderdtwintig belletjes. Die doen we niet in één keer, maar in schijfjes. Elke zondag een tiental belletjes en na twaalf zondagen is zo’n blok gedaan." 
Humo: Daar moet een flinke boekhouding achter zitten?
Leo: «Oh ja. Dat is een fantastisch systeem om dat allemaal  bij te houden: alle straten, alle huizen en alle bellen van Berchem staan bij ons op steekkaarten. En telkens als je vertrekt, wordt dat op papiertjes overgeschreven, welke bellen nog gedaan moeten worden, en als die mensen dan bezocht zijn en thuis zijn, dan rapporteer je dat bij je terugkomst, en zo slagen we erin om niemand te vergeten.  Zo’n systeem is echt noodzakelijk als je georganiseerd wil prediken. Het zou ondoenbaar zijn als elke getuige zo’n beetje zijn straten en zijn belletjes zou uitkiezen."  

De Morgen 30/4/01

De Morgen 30/4/01

Humo: Je begint aan de deur over een goede boodschap en een nieuwe wereld, maar je zegt nooit meteen dat je een Getuige bent.
Leo: «Nee, want dan zijn de mensen te snel om de deur dicht te doen. Ik begin meestal met een vraag. Goeiemorgen, mevrouw of mijnheer. Mag ik u enkele vragen te stellen? En dan vragen ze, voorwadist eigenlijk?! En als je dan zegt, voor Jehova’s Getuigen, dan is het och god, zijde daar weer? Meestal ga ik dan verder door te vragen of ik een paar zinnen mag voorlezen uit de bijbel, een paar zinnen die heel actueel zijn. Maar dan begint het dikwijls al, Watte? Den bijbel?! Da kennekikal! Laat mij gerust! Ik heb genen tijd! Ik ben bezig! En dat geloven wij allemaal, want een mens is altijd bezig, maar in onze opleiding leren wij om ons zo te introduceren dat de mensen wel even tijd maken om naar ons te luisteren. We zullen dan bijvoorbeeld inspelen op de directe actualiteit.
Neem dat het verkiezingen zijn, dan zal ik zeggen: u gaat binnenkort stemmen voor een nieuw politiek stelsel, maar weet u dat weldra alle wereldstelsels zullen vervangen worden door één stelsel dat afkomstig is van degene die alles gemaakt heeft?! En dan zijn ze verrast, wadisdadallemaal meneer?! Over wat zijt u bezig?! Wie zijt u eigenlijk? En als je dan zegt dat het over een stelsel gaat dat door Jezus Christus als Koning is ingesteld, ja, dan weten ze het weeral, Den bijbel zeker?! Dat interesseert mij niet! En op dat moment mag je niet meer aandringen. Je kan niet met omwegen bezig blijven, je moet na korte tijd durven zeggen wat de boodschap is.
Paradijs
Leo:«Soms begin ik ook wel eens humoristisch. Op een keer kwam ik aan een huis met een tuin vol prachtige bloemen, die mevrouw doet open en ineens kwam dat eruit: Mevrouw, dat is hier een paradijs met al die bloemen! En zij moest lachen om die openingszin, en ik heb daar wel een kwartier staan babbelen over de bijbel en het paradijs dat ons te wachten staat."
Humo: Hebben jullie een handboek met tips voor het predikaat?
Leo: «Ja. Dat boekje heet Redeneren aan de hand van de Schrift, dat is een intern document en daarin staat geschreven hoe wij de mensen kunnen aanspreken en wat je moet zeggen als de mensen een gesprek willen afwimpelen. Dat zijn dan opmerkingen als Ik interesseer me niet voor Jehova of Ik heb mijn eigen geloof of Ik heb het te druk of Waarom komen jullie zo dikwijls? Op al die opwerpingen vind je een repliek in dat boekje. Ook als de mensen zeggen, ik ben katholiek, jood, moslim of boeddhist, in dat boekje staat steeds wat de beste reactie is.
Je vindt er ook alle soorten van aanleidingen die je kan aangrijpen om een gesprek te beginnen. Neem dat er in de buurt een overval of een inbraak is gebeurd, dan zullen wij zeggen: u hebt toch gehoord van die overval, en dat is dan een aanleiding om het over de criminaliteit en andere actuele problemen te hebben, maar vooral dat er een oplossing mogelijk is.   
Theocratische School
We hebben ook nog de Theocratische School en in de opleiding leer je hoe je met de mensen moet spreken en redeneren. In feite is dat een permanente scholing. Ik ben nu zevenentwintig jaar bij de Getuigen, en ik volg dat nog altijd. In die school oefenen we ons in (neemt zijn lijstje): duidelijk zijn, begrijpelijk zijn, enthousiasme, warmte en gevoel, belangstelling wekken bij de inleiding, geschikt thema zoeken als inleiding, en zo nog twintig punten. Wie de quotering “goed” wil halen op al die punten is toch wel één à twee jaar bezig. Maar niemand is verplicht om die school te volgen.  
Humo: Worden Getuigen verplicht om van deur tot deur te prediken?
Leo: « Niemand wordt verplicht, maar negentig procent van de Getuigen gaat prediken. Alleen wie er vierkant tegenop ziet, omdat hij stottert of te verlegen is, blijft thuis."
 Het kind en de bijbel
Humo: Mag een Getuige dialect spreken aan de deur?
Leo: «Nee. Je moet 'geschaafd' spreken, daar moet je op letten, en je moet ook met gebaren spreken. Het is heel overtuigend als je met je handen spreekt. Dus geen armen langs het lichaam zoals een houten klaas, maar beweeglijk spreken is de boodschap."
«Je kan die Theocratische School volgen van jongsaf, je ziet daar zelfs kleine kinderen die al vanaf vier-vijf jaar toespraakjes leren houden. Dat zijn voordrachtjes van zo’n vijf minuutjes. En ze staan dan tegenover een andere Getuige, die speelt de rol van huisbewoner, en dat kindje houdt dan zijn toespraakje over bepaalde toestanden in de wereld." 
Humo: Wordt dat kind qua rollenspel al eens bars onderbroken door die ‘huisbewoner’?
Leo: «Neenee! Die luistert en die stelt vragen aan dat kind. Ah ja? Is dat zo? En waarom is dat zo? En dan antwoordt dat kind met teksten uit het evangelie. Je zou ervan verteld staan hoe goed sommige kinderen zijn! Dat zijn uiteraard ook de kinderen die van jongsaf met hun ouders van deur tot deur gaan."
Humo: Jullie verschijnen steeds deftig gekleed aan de deur.
Leo: «De kledij moet deftig zijn. Dus geen slordige jeans of zo, maar een kostuum voor de mannen en een rok voor de vrouwen. En tot onder de knie hé, geen minirok! En liefst ook geen make-up of juwelen voor de vrouwen; een Getuige en uiterlijk vertoon, dat gaat niet samen. Als dat natuurlijk een bescheiden collier met parels is, dan mag dat. Als het maar bescheiden is."
Humo: Jezus had lang haar. Mag een Getuige lang haar hebben?
Leo: «Dat mag. Als het maar verzorgd is."
Deurzetters
Humo: Waarom zijn de Getuigen altijd met twee?
Leo: «Dat is geen must, maar de meeste mensen gaan liefst met iemand samen. En de regel is dan dat je om beurten spreekt. Zodat je van mekaar kan leren. Ik ben onlangs met een pionier op stap geweest. De pioniers zijn de meest bedrijvige Getuigen, dat zijn mensen die maandelijks minimum zeventig uren prediken. Die zijn dan gepensioneerd of werken deeltijds en die gaan elke dag enkele uren prediken. Vrijwillig en onbezoldigd! Als je zo’n pionier hoort spreken, man, dat is met zo'n enthousiasme en zo'n overgave, dàt is leerrijk! Je hebt er zelfs die honderdtwintig uren per maand prediken. Of honderdvijftig! Dat zijn de voltijdspredikers." 
Humo: De Top-Getuigen.
Leo: «Denk nu niet dat zij een medaille krijgen of dat er een competitie is “om ter meeste van deur tot deur gaan”. Ze doen het vooral als voorbeeld voor de anderen, zij zijn de aanspoorders. Onder de pioniers heb je dan nog de hulppioniers, zij die minstens vijftig uren per maand prediken. En daaronder heb je de gewone predikers of verkondigers, zij die minder dan vijftig uren prediken. Een Belgische Getuige gaat per maand vijf à tien uren rond, dat is zowat het gemiddelde. Ik ben een heel bescheiden Getuige, want er zijn maanden dat ik maar één of twee uur van deur tot deur ga." 

Een Amerikaanse deurbel die automatisch in theologische discussie gaat als getuige van Jehova of andere zendelingen zich aanbieden. Naam van de bel: Debate Ring Pro. De software kan ingesteld worden “op meerdere religies”.

Een Amerikaanse deurbel die automatisch in theologische discussie gaat als getuige van Jehova of andere zendelingen zich aanbieden. Naam van de bel: Debate Ring Pro. De software kan ingesteld worden “op meerdere religies”.

Ambeteren
Humo: Welke notitie maak jij als ik zonder iets te zeggen de deur dichtknal?
Leo: «Dan zetten we een streepje bij je bel, en dan gaan we de maand daarop terugbellen. Slechts als jij zegt : GE MOOGT HIER NIET MEER BELLEN, dan gaan wij effectief niet meer aanbellen. Dat wordt  op een aparte fiche genoteerd." 
Humo: En dan kom je daar nooit meer terug?
Leo: «Mja, dat durf ik niet zeggen. Soms raakt die kaart verloren of vergeten, en gaat men daar toch nog eens aanbellen. Het kan immers zijn dat die weigerachtige persoon intussen verhuisd is, dat kan toch!" 
Humo: Wat denk je van al die mensen die zeggen, ik heb geen tijd?
Leo: « Ik kan dat niet begrijpen. En meestal zeg ik dat ook: hebt u dan niet even de tijd om eens na te denken over uw leven?! Over uw  toekomst?! Maar blijkbaar staan de mensen niet graag stil bij die zaken."
Humo: Als mensen boos worden omdat je hen op zondagmorgen uit hun bed belt, wat moet je dan zeggen?
Leo: «Dan moeten wij ons verontschuldigen. Sorry, wij wisten niet dat u nog in bed lag. Onlangs hebben we daarover nog een algemene opmerking gekregen: als de rolluiken naar beneden zijn, dan mag er zeker niét gebeld worden!" 
Humo: Dankuwel hoor! 
Leo: «Ja, dat is de moderne tijd. De mensen slapen langer in het weekend en in de week zijn ze afwezig. Vandaar dat wij ook de moderne communicatie gaan gebruiken. In plaats van nog eens voor die deur te staan, zullen we die naam van die persoon gaan opzoeken in de Witte Gids. En dan wordt hij "geambeteerd" aan de telefoon. Dat is de moderne prediking. We moeten met onze tijd meegaan."
Geest van Satan
Humo: Heb jij al een emmer water over je hoofd gekregen?
Leo: « Ikzelf nog niet, maar andere Getuigen al wel. Daar is dan wel politie bijgeroepen en zij hebben die bewoner een uitbrander gegeven."  
Humo: De appelverkopers in de eerste aflevering vonden dat de agressie aan de deur was toegenomen.
Leo: «Dat klopt. Onder mekaar hebben wij het daar dikwijls over dat de mensen zich zo snel belaagd voelen. Het is precies alsof wij ze van hun vrijheid beroven door aan te bellen. Ze willen niet dat iemand zich met hen moeit, ze willen honderd procent met rust gelaten worden."
Humo: Zien jullie aan de deur een verschil in belangstelling tussen jongere en oudere mensen?
Leo: «De jongeren zijn meer geneigd om naar ons te luisteren. Die staan nog open voor alles in het leven, die zijn nog zoekende, die zijn nog niet vastgeroest. Die zijn ook nog niet teleurgesteld in het leven zelf. Ouderen wijzen je soms af omdat het leven niet gebracht heeft wat ze ervan verwachtten. Die hebben dan een wrok tegen alles en iedereen." 
Humo: Zie je een verschil in belangstelling voor en na elf september?
Leo: «Oh ja, de mensen staan veel meer open voor onze boodschap dan ervoor. Toen het pas gebeurd was, zagen we het ook aan de mensen, ze waren kwaad, Waar gaat de wereld naartoe? En waarom heeft God dat toegelaten?! En wij zeggen dan dat God dat niet gewild heeft, maar dat het mensen zijn die zoiets bedenken en uitvoeren. Mensen die niet geleid worden door de geest van liefde , maar door de geest van Satan die de hele mensheid wil vernietigen."

Schermafbeelding 2020-11-18 om 23.40.31.png

 Preaching in the rain  
Humo: Hoe incasseren jullie al die onverschilligheid, al die niet-geïnteresseerde deuren?
Leo: «Wij trekken ons dat niet aan, wij blijven optimist. Wij zien niet naar de reacties, maar naar het predikingswerk dat gedaan is: de mensen hebben ons gezien, de mensen hebben ons gehoord, er is in elk geval over Gods Woord gesproken. En die positieve ingesteldheid behoedt je ervoor om teleurgesteld te zijn. Je mag ook niet aanbellen vanuit een negatieve gedachte, -het zal weer zijn van “laat me gerust” en “ik heb geen tijd”-, want dan ben je verkeerd bezig. Je moet steeds hoopvol gestemd zijn. Bij elk belletje opnieuw."   
Humo: Maar zo’n hele voormiddag onverschilligheid moet toch zwaar wegen?
Leo: « Nee. En als dat wel zo is, dan moet je d’rmee stoppen. Je mag ook niet denken dat je d’r alleen voor staat.  Je moet erop betrouwen dat er een engel meegaat als je gaat prediken; dat staat zo in de bijbel. En ik zal je nog wat vertellen. Een moeder was met haar dochter op ronde en overal kregen ze de deur op hun neus. En het werd middag en de moeder wou naar huis, maar dat meisje zei, toe mama, nog één deur. Die moeder wou niet, maar dat meisje bleef aandringen, en ze deed ook een stil gebedje, Jehova, zouden we alstublieft die ene bel nog mogen doen?!, oké, de moeder geeft toe, ze bellen aan en daar doet een mevrouw open, en die heft de armen in de lucht, eindelijk! de hele voormiddag heb ik gebeden dat iemand met mij over de bijbel zou willen spreken en nu is mijn gebed verhoord. Dat is echt gebeurd, hiér in Berchem, en zulke verhalen moet je voor ogen hebben. Dat ergens iemand op de boodschap zit te wachten."
Humo: Maar voor een kind dat met zijn ouders gaat prediken moet het toch erg zijn om in die warme huizen binnen te kijken en andere kinderen bezig te zien met spellen en stripverhalen?
Leo: «Ik durf toegeven dat dat niet zo makkelijk is. En sommige kinderen gaan dan zeuren, en als ouder moet je daar oog voor hebben en ze al eens een keertje thuis laten. Maar je hebt ouders die fanatiek zijn, en die hun kinderen élke zondag méénemen; alsof het robotten zijn. Zo’n dwang leidt soms tot een breuk met het geloof." 
Humo: Gaan jullie prediken als het regent?
Leo: «Als het geen pijpenstelen giet, waarom dan niet?! Bij regen krijg je de meest uiteenlopende reacties. Je hebt mensen die met hun armen in hun zij gaan staan, hoe isda na meugelak? In zo’n strontweer rondgaan?! Hedde gijlie niks beters te doen? Zoude niet beter thuis gaan zitten bij uw vrouw?! En twee deuren verder zeggen ze, awel, daar heb ik nu eens bewondering voor, zie! In zo’n weer rondgaan, chapeau! Zie je. Veel mensen zeggen dat ze niks van ons geloof moeten hebben, maar ze bewonderen wel ons doorzettingsvermogen." 
Tientje
Humo: Hoeveel mensen heeft jouw gemeente al tot “het ware geloof gebracht”?
Leo: « Op die zevenentwintig jaar dat ik Getuige ben, heb ik tien mensen gedoopt weten worden."
Humo: Zo weinig?! En daarvoor zijn dan zeventig Getuigen meer dan twintig jaar lang van deur tot deur gaan prediken?
Leo: «Zelf moet ik ook zeggen dat ik nog niemand heb kunnen aanbrengen op al die jaren." 
Humo: Is dat geen teleurstelling?
Leo: «Nee. Je moet dat aanvaarden. België is een moeilijk land omdat veel Belgen financiële problemen hebben. De mensen kopen heel veel op krediet, kunnen het dan niet afbetalen en dat zorgt voor ruzie in de gezinnen en voor een slecht humeur aan de deur. De mensen luisteren ook niet meer zo goed omdat ze zoveel aan hun kop hebben. In feite doen ze de deur alleen nog open om naar de supermarkt te gaan, raprap dat karreke vol en raprap terug naar huis. Zeker in de stad is het zo. Op de buiten zijn de mensen iets relaxter, iets meer geneigd om tijd te maken."
Humo: Jullie zijn bijna een anachronisme in deze tijd. De laatste handelsreizigers van God.
Leo: «Het is inderdaad moeilijk en lastig, maar we houden vol. Want het is Jezus die gezegd heeft: de ware christen moét het woord Gods prediken!"

René Slegers, Conny Lenaerts en Jan Goossens met de winkelwagens van Maleco (© gie Knaeps)

René Slegers, Conny Lenaerts en Jan Goossens met de winkelwagens van Maleco (© gie Knaeps)

De huis-aan-huis-winkelier: “ Een hele dag afgewezen worden, daar moet ge tegen kunnen.”

Bij het bedrijfje Maleco in Dessel zal je geen bijbelcitaten vinden, wel groenten en fruit en kruidenierswaren De familie Lenaerts heeft een traditie op te houden. In 1929 reed grootvader al met paard en kar langs de boerderijen om groenten en fruit te verkopen. En nu rijden ze bij Maleco met vijf winkelwagens rond. Mobiele superettes zijn het, met conserven, appelen, waspoeder, margarine en kauwgom, alles heeft zijn plaats. De klanten die ze bevoorraden, hebben ze deur voor deur moeten werven. Dat klantenbestand zit ook nog eens verspreid over zo’n vijfenzeventig dorpen en gehuchten in de provincies Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant. Conny Lenaerts (38)haar man Jan Goossens (40) en oudgediende René Slegers (52) weten hoe moeilijk het is om huis voor huis aan te bellen.  
René: «Als er in een bepaalde wijk teveel van onze klanten verhuizen, sterven of om andere redenen wegvallen, dan moeten we nieuwe klanten winnen. Eerst stoppen we in die wijk overal  reclamefoldertjes in de bus en de week daarop gaan we langs. Ik heb in dat opzicht maar één regel en die is: komt langs voren, en ‘t is verloren. Dat is zo op de buiten. De voordeur is voor de vreemden, dat is iets dat ge op een kier trekt en direct weer dicht doet. Ge moet dus langs achteren gaan en hopen dat ge daar de man aan het werk treft. Prutst hij aan zijn auto of staat hij tussen zijn prei, des te beter, ge stapt erop af, en ge begint over die auto of over die prei. Belangrijk is dat ge nooit direct terzake komt. Ge moet altijd een kat of een hond of een gazon gezien hebben waarvan ge kunt zeggen dat het een braaf beestje of een schoon gazonneke is, de mensen horen dat graag. En zelfs al is die kat een mottig beest, dan nog zal ik zeggen, da vein ik na eens een schoon poes, sè! 
Na een paar minuten zal die mens uiteraard vragen wie ge zijt en wie u gestuurd heeft, en dan kunt ge zeggen dat ge met een winkelwagen rijdt. Als de man dan zegt dat hij ons Rosalie eens zal roepen, dan is het voor zestig procent gelukt. Want als ge het vertrouwen hebt van de man, dan volgt de vrouw ook wel. Mannen zijn altijd gestreeld als ge aandacht hebt voor hun werk; vrouwen zijn slimmer, die voelen direct, dat is iemand die iets komt verkopen. 
Ik bén al weg!
Er zijn wel twee dingen waarvoor ge moet oppassen. Laat een tuinder altijd voortwerken in zijn serre, want die mensen hebben weinig tijd. En ga zeker nooit een boer zoeken in zijn varkenskot, want hij schiet u dood. Zeker nu met al die varkenspest en mond- en klauwzeer haten ze het als er een vreemde in hun stallingen komt. Gij zijt immers de man die alle ziektes meebrengt, want gij rijdt rond, gij komt overal!

© gie Knaeps

© gie Knaeps

Ik zal dus overal langs achteren komen, behalve bij mensen waar alles fijn gerijfd is en netjes opgekuist is. Zo’n mensen zijn secuur, die willen dat ge aan de voordeur belt. Een nadeel bij dat vooraan bellen, is dat de mensen dan makkelijker doen alsof ze niet thuis zijn. Er brandt licht, er beweegt een gordijntje, ge hoort een gerucht, en toch doen ze niet open. Mijn voorganger lapte dan altijd iets terug. Voor hij wegging, stak hij een lucifer tussen de bel, dan kon het daar nog lang bellen en ding-dongen bij die ‘afwezige’.
Humo: Hoeveel klanten “win” je op één dag rondgaan?
René: « Het gebeurt dat ge zeventig huizen doet en dat ge zeven klanten wint, maar het gebeurt ook dat ge twee dagen de deuren doet en geen enkele klant wint! Dan wordt het lastig, zeker als ge veel wordt afgesnauwd, ‘t is allemaal bedrog wat aan de deur komt. Als ik dat te dikwijls op één dag moet horen, dan word ik sikkeneurig. Te dikwijls weggestuurd worden gaat op de zenuwen werken. Soms zeg ik dan, ge moet al niet meer zeggen dat ik weg moet gaan, ik bén al weg! Tegen een ouwe paljas die me wegstuurde, heb ik ook al eens gezegd, wacht maar tot binnen een jaar of vijf, tot gij niet meer kùnt gaan! dan gaat ge nog blij zijn dat ge mijne winkelwagen  ziet komen!! Ik ben niet verlegen om dat te vertellen, ge maakt u soms kwaad omdat het zo hard is van deur tot deur."  
Conny: "Ge moogt het gerust weten. Het is keihard. Ik heb dikwijls zitten schreien in de camion omdat ik op een hele dag gene klant kon maken. Dat altijd afgewezen worden is het ergste; daar moet ge karakter voor hebben om daartegen te kunnen. Ge moet uzelf verkopen, ze moeten u en uw gezicht vertrouwen, en dat is hard als dat niet lukt. Ik heb het al gehad op een slechte dag dat ik een menske op de fiets zag rijden met vijf kabassen aan het stuur, ze verongelukte bijna, en dat ik dacht, nu moest ge eens hard vallen, dan kwaamt ge bij ons! Ik meende dat niet, maar ik heb het wel gedacht. Om u maar te zeggen hoe hard het kan zijn.” 
Boeren en boerinnen
René: «Ge ziet het bijna nergens meer, dat van deur tot deur gaan. Als ik aan jonge mensen vertel dat het een broodwinning is, dan willen ze me niet geloven. Het lijkt iets uit dezekes tijd. Garen! nestels! lint en blink! En paternosters met grote bollen aan. Om recht naar de hemel te gaan! (lacht) Dat rijmpje van die leurder ben ik niet vergeten.
Humo: Waar zoeken jullie je klanten?
Jan:" We zoeken in de oudere dorpsgedeeltes, nooit in de nieuwbouwwijken. Daar wonen teveel jonge mensen. Die werken overdag, die zijn weinig thuis en die gaan naar de supermarkt.”
René: « Ge kunt in die nieuwe wijken ook niet meer langs achteren gaan, het zijn allemaal voordeuren met een bel, of hekkens met een parlofoon, het rottigste wat er is!"
Jan: « Wij zoeken onze klanten in wijken waar nog boeren zijn en mensen met een grote hof. Die gaan meestal niet graag naar de winkel, want dan moeten ze zich omkleden en iets deftig aantrekken, zo is dat op de buiten: ge gaat proper naar de winkel. Bij ons weten ze dat ze in hun werkkleren en op hun laarzen binnen mogen, het slijk vegen wij wel op."
René: « Dat cliënteel van boeren heeft het de laatste tien jaar wel moeilijk gekregen. Ze krijgen slechte prijzen voor de melk en het vlees, ze kunnen hun beesten beter doodslagen dan nog eten te geven, en ja, dat voelen wij aan hun portemonnee. Ook bij de boerinnen is er veel veranderd. Vroeger zat de boer op zijn veld, en de boerin zat thuis en die was blij met de winkelwagen, die was blij dat ze iemand op den hof kreeg. Vijftien jaar geleden kondt ge nog zeggen, zo’n ouwe boerin, die kan alleen maar koken en wassen en aan de steert van een koei trekken, maar die tijd is voorbij. Nu stappen die ook in een auto, en prrrrt, ze zijn ermee weg, naar de winkel of naar de supermarkt. De boerinnen van nu zijn veel zelfstandiger."
Conny: « Bij ons cliënteel zit toch nog altijd een generatie vrouwen die nooit auto heeft leren rijden. Als ze dan naar de winkel in het dorp moeten, dan moet hun man rijden, en dat ze hunne vent moeten meepakken naar de winkel, daar zien ze tegenop."
René: « Een trouwe groep klanten zijn ook de dikke moeders en die soigneren wij goed, want wij zorgen ervoor dat we steeds onderbroeken hebben tot maat 57. Daar gaat al iets in hé vriend!" 
Borstbollen en panty’s
Conny: «Zeventig procent van ons cliënteel zijn zestigplussers. En die weten dat we niet in alles goedkoop kunnen zijn, maar die zien de voordelen, ze moeten zich niet verplaatsen, en er staat nooit volk aan te schuiven, ze zijn altijd alléén in onze winkel. Maar hùn kinderen zijn er soms wel tegen: moe, ge moet wat beter op uw centen letten, maak maar een lijstje, dan zal ik dat wel van de supermarkt meebrengen, dat is goedkoper ook. En die kinderen kopen dan heel gericht dat lijstje, maar ze vergeten dat die ouwkes ook wel eens in een winkel willen rondstappen en een pralinneke of een koekske kiezen. Het gaat ‘m ook niet puur om die boodschappen, het gaat ‘m dikwijls om dat babbeltje met ons. Aan ons kunnen ze veel toevertrouwen. Wij zijn niet van het dorp, wij zijn geen buren of familie, dus tegen ons kunnen ze gerust vertellen. Ik zeg dat dikwijls: het is winkel hebben én mensen helpen, kruidenier zijn en psychiater tegelijk. Ik voel me daar ook goed bij, ik leef mee met hen, zij leven mee met mij, en vandaar dat die mensen zo’n trouwe klanten blijven. Ik wil dat werk ook nog jaren blijven doen, ik ga hen zeker niet in de steek laten.”

© gie Knaeps

© gie Knaeps

Als ik die klanten eens wil zien, dan moet ik maar eens meerijden. Het is een koude donkere wintermorgen in Gierle als Jan me oppikt. Op de winkelwagen staat in grote letters Algemene Voeding Fruit & Zuivel, maar het assortiment is veel groter. Er is roomrijst in blik, er zijn balpennen, pralines, wijn en “rouwkaartjes voor bij een begrafenis”. Er zijn ook een anorak, een pull, enkele T-shirts en een sweater, van alles één stuk, “de andere maten kunnen besteld worden”. Plus daarbij de zakdoeken, sokken, panty’s, voorschoten, donsdekens en pyjama's. En nog een apart gamma uit grootmoeders tijd: echte borstbollen, echte linnen koffiebeurzen (=koffiefilters)vliegenvangers met lijm, alsook geruite flanellen hemden met slip, onderbroeken met lange pijpen en noveenkaarsen (“die lang branden").  
Jan stopt bij een huis en zorgt dat hij niet te dicht bij de wei staat, “want dan bijt dat paard het plastic van mijn spiegel”. Hij tikt bij de donkere huizen op luik of venster, en dan komen ze binnen, de vrouwen die nog Wiske, Treske, Virginie en Rosalie heten  Ze spreken een dialect dat ik hoorde als kind, een snoepje is hier een pik, een snoepje zonder papier een blote pik. Jan spreekt over het weer, de prijs van de zakdoeken, en hij sust de gemoederen die nu al effenaf bang zijn voor de euro, “ge gaat dat zien, het is geld gelijk een ander; ge zult het ook naar de belastingen moeten dragen!”  
Jan kan klappen en voortdoen, hij laadt de boodschappen in en kent zijn klanten zo goed dat hij de koffie en de roltabak al van het rek neemt nog voor de klant het gevraagd heeft. Iemand klaagt over een zere rug, Jan betoont medeleven. Sommige klanten gaan ook dood, en dan gaat Jan naar de begrafenis, “of op zijn minst naar de gebedswake”. Ja, hij heeft een binding met zijn mensen en hij kan dat rondreizen met de handelswaar niet missen. “Ik ben vrij, ik sta niet in een vaste winkel, ik rij naar de klanten in mijn eigen tempo. Als de zon schijnt, zit ik in een T-shirt met het raam open, en als het sneeuwt, kom ik op de schoonste plekskes die er zijn. Ik ben ook direct mee met de actualiteit. Op elf september riepen de klanten mij binnen, ik kon het overal volgen op hun tv.” 
Nawoord: Over Maleco was niets meer te vinden op internet of in de kranten van de laatste 10 jaar. Enige navraag in Dessel leerde dat ze "al zeker vijf jaar gestopt zijn met hun winkelwagens".

Deel (4): de stofzuigerverkopers en de oplichters                


Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Van deur tot deur (zonder corona) (2): Hans de Booij (zanger-boekenverkoper) en een Franciscaanse bedelbroeder

(Ingescand uit Humo /foto Herman Selleslags)

(Ingescand uit Humo /foto Herman Selleslags)

“Ik schrok ervan hoe bezorgd de mensen waren. Dat kwam echt op ons af: een berg van zorgen.”

Wie in de jaren tachtig twee oren en een radio had, kan Hans de Booij en Annabel onmogelijk gemist hebben. Zanger en liedje werden toen onherroepelijk in de collectieve jukebox bijgezet. Daarna werd het echter stil rond de Booij; hij bleek naar de Antillen te zijn uitgeweken. Maar in 2001 zag Nederland hem ineens terug in menige stad en gemeente. Een podium had hij niet meer nodig. De zanger trad gewoon op aan de voordeur, hallo, ik ben Hans de Booij en ik heb een boek geschreven: Het Ministerie van Liefde. Wéken en wéken heeft hij met die titel geleurd, én met die 142 bladzijden waarin gesmeekt wordt om meer liefde en mededogen met het kwetsbare menselijk bestaan. Onderweg heeft de zanger/schrijver veel balsem voor de ziel gekregen, maar tegelijk is hij geschrokken, “de mensen gaan gebukt, er is zo weinig blijdschap en zoveel zorg in hun leven”. Soms ging de Booij (43) alleen op elf-en-dertigstedentocht, soms was hij vergezeld van een compagnon de route, de Antwerpse goudsmid Emiel Henry (54). 

Hans: « Toen ik het boek geschreven had, en ik bij gebrek aan geld zat te dubben over de verkoop en de promotie, kwam Emiel met dat verhaal van honderd jaar geleden over goudsmeden die in de stad geen winkel konden bekostigen en die met hun juwelen van deur tot deur gingen. Dàt wil ik doen, heb ik gezegd, ik wil van huis tot huis gaan." 
Emiel: «Die eerste dagen liepen wij over van enthousiasme, maar ergens was er toch ook de twijfel, is het wel een goed idee, gaan de mensen ons niet weglachen, hoelang zullen we het volhouden, we hebben toch enige drempelvrees moeten overwinnen." 
Hans: «Maar ik geloofde in die titel, ik geloofde dat je daarmee voor de deur kon staan. Dat woord “liefde” heeft ook veel gedaan, dat heeft vaak voor een heel direct contact gezorgd, zelfs al sta je dan maar op de stoep. Het begon al bij de eerste klant. Die kende me niet als Bekende Zanger, maar die zei meteen dat het de hoogste tijd was dat er een ministerie van liefde kwam en hij kocht het boek." 
Humo: Maar als een schrijver met zijn boek langs komt, geeft dat toch de indruk: hij raakt het aan de straatstenen niet kwijt.  
Hans
: « Sommigen zullen dat zeker gedacht hebben, maar ik was niet aan het eind van mijn latijn, nee, ik zag het als een geweldig avontuur dat ik absoluut wilde beleven en achteraf kan ik zeggen dat ik de tijd van mijn leven heb gehad." 
Emiel: «Ik ook. Het was fantastisch. We hebben veel gezien, veel geleerd, veel gelachen ook. Neem de eerste keer dat iemand zei, ik heb geen geld in huis, maar wandelen jullie even mee naar de pinautomaat?! En dan stap je met zo’n wildvreemde door een onbekende stad, kaartje in de automaat, geld eruit, alsjeblieft heren, en nog een goeiedag! Dat is toch geweldig!"
Hans: « We haalden zelfs het journaal op de Nederlandse televisie! Ja, toen ging de verkoop helemaal omhoog."
Emiel: « Mensen voelden zich vereerd dat we aan hùn huis aanbelden, kom een boterhammetje eten, kom een kop koffie drinken! Mét een spritsje erbij. En dat we nog eens mochten langs komen als er wéér een boek was. En nog dikke kussen aan de deur. Ja, dat is euforie en wolkjes lopen hé."
Hans: « Maar ook toen die belangstelling van de media wegviel, ging het nog onverwacht goed. In Rotterdam zijn we een keer een architectenbureau binnengestapt. We meldden ons bij de receptioniste, de baas zat in een algemene vergadering met zijn medewerkers, en toch mochten we de trap op, we komen in die sjieke vergaderruimte, mooie stoelen, grote glazen wanden met zicht op de Maas, en die baas zegt tegen die mannen met deftige maatpakken en allemaal een laptop voor hun neus: heren, ik ga de vergadering nu even stil leggen, want ik ga vijftien boeken kopen, en veertien daarvan geef ik hiér kado!"
Emiel: « Nou, dat was werken voor Hans! Vijftien boeken signeren én dan ook nog eens koffie drinken (onbedaarlijke jongenspret)."

de booij.png

Brandend zand
Humo: Welke provincies hebben jullie zoal bezocht?
Hans:
« Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Noord-Holland, Friesland, Groningen…"
Emiel: « We hebben ook over de stranden van Zeeland gelopen. Tussen Vlissingen en Westkapelle. Stralend weer! Hans en ik in zwembroek en zo liepen we tussen de badgasten."
Hans: « (met lijzige stem) Moet er nog iets te lezen wezen?!! Soms nog interesse in Het Ministerie Van Liefde? Ijsjes! Boeken! Ijsjes! (beide in een lach) Dertig boeken hebben we zo verkocht en tegelijk was het prachtige mond-aan-mond-reclame. Al die mensen die ons gezien hebben, die zijn overal gaan vertellen, moet je horen wie we vandaag gezien hebben op het strand!!"
Emiel: « Het moet ook een merkwaardig gezicht geweest zijn. Je ligt plat in het zand en ineens zie je in de laaiende hitte twee boekenverkopers aankomen. Maar het werd op de duur wel zo bloedheet dat we naar een terrasje zijn gevlucht." 
Hans: « Het allerplezierigste was dat je op de terugweg mensen in je boek zag lezen. Dat was prettig! Dat je je eigen lezers kon zien lezen! Hoeveel schrijvers maken dat mee?!"
Humo: Er zijn misschien nog schrijvers geweest die hun boek of of andere boeken van deur tot deur verkochten? 
Hans:
« Het zijn er zeer weinig. Willem Elsschot heeft het gedaan en Henry Miller ook, maar verder ken ik er geen een." 
Emiel: « Iemand vertelde me van de kunstenaar Kurt Schwitters. Die was vanwege de nazi’s uit Duitsland gevlucht en die heeft in Engeland van deur tot deur geschilderd! In feite leurde hij met landschapjes, maar als de mensen dat niet mooi vonden, dan schilderde hij ter plekke een tableautje dat bij hun interieur paste; hij had altijd doek en verf met zich mee. Dat moet toch fantastisch geweest zijn om zo’n man aan je deur te krijgen!" 

Privé-optreden
Humo: Zijn jullie met Het Ministerie Van Liefde in rosse buurten geweest?
Emiel:
« Verdomme, Hans! Dat we daar niet eens aan gedacht hebben! Dat hadden we moeten doen, jong! Maar we hebben wel terrasjes en cafés gedaan. Daar kreeg Hans zelfs een aanbieding: een man vroeg hem om Annabel te komen zingen op een feestje, kan je duizend gulden vangen!" 
Hans: « Ik heb het niet gedaan. Je weet niet waar je terechtkomt. Ooit stond ik te tanken langs de snelweg. Stopt er ineens een sjieke auto naast me, met twee mannen erin, een kerel stapt uit en gaat recht op me af: Hans de Booij, als je nu met me meegaat, dan kan je op een feestje wat komen zingen. Ik zei dat ik dat niet wilde, maar hij zei, ik denk het wel, kijk hier maar eens! En toen haalde die gozer een grote, mooie zilveren Magnum vanonder zijn jas, ik denk dat je nu wel meegaat hé?! En dat ik me verder geen zorgen moest maken, ga nu maar lekker daar geparkeerd staan, we brengen je straks wel terug en je gaat nog een heleboel centen verdienen ook! Ik ben dan maar ingestapt en ik kwam op een feestje met allemaal van die patsers die geen ene cent in hun leven eerlijk verdiend hadden, ik heb enkele liedjes gezongen, ze gaven me een enveloppe, en brachten me netjes terug naar het tankstation. Had ik op tweeënhalf uur tijd wel vijfduizend gulden verdiend. Maar sindsdien hoed ik me voor dat soort organisatoren…" 


© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Geengeldwijken
Humo: Kregen jullie onderweg veel levensverhalen te horen ?
Hans:
« Heel dikwijls zelfs. En niet alleen trieste verhalen, ook hele opgewekte. Of hele korte, mijn vrouw is vier jaar dood, mijn kinderen wonen in Canada, wil u alstublieft heel snel oprotten? En knal, de deur dicht."
Emiel: « Waar ik wel van schrok, was van het aantal mensen dat zei: ik kan helemaal niet lezen, ik ben analfabeet." 
Hans: « Ik ben alfabeet! Zo zegden ze het! Je mag dus zeggen dat we bij alle lagen van de bevolking zijn geweest. Eén dag per week gingen we zelfs bewust in de geengeldwijken. Daar hadden ze dan geen geld voor het boek, maar daar zijn de mensen vaak het hartelijkst, daar krijg je de meeste aanmoedigingen. In de betere wijken bekijken ze je vaak als een armoezaaier, maar in de arme buurten hebben ze gelijk sympathie voor je. Die mensen weten alles van tegenslagen en deurwaarders en eindjes aan elkaar knopen, dus die hebben zoiets van: voort doen kerel, laat je niet kisten! Maar af en toe was het wel schrijnend. Doen er twee kindjes open waarvan je meteen denkt, mijn god, kindjes hoe zien jullie eruit? Tegelijk komt een vrouw de trap afgestormd, zulke ogen van de speed, ze scheldt ons voor rot en smijt de deur dicht. Ja, dan loop je wel een tijd te piekeren."
Emiel: « Maar die dopie in Maastricht, dat was toch grappig.”
Hans: « Ja! Die gooit de deur open, Hé, jou ken ik! Jij bent verslaafd hé! Ik was ook verslaafd! Jaja! En je boek! Heb ik van gehoord! Heb ik van gehoord! Ik wil het wel kopen! Ik wil het wel kopen! Maar ik heb geen geld! Ik heb geen geld! En die vogel maar in de deur springen, en dat hij geld ging halen bij zijn makkers. Bleek dat huis een afkickcentrum te zijn, en al die junks zijn hun laatste guldens bij elkaar gaan leggen, heel dat huis op zijn kop, en roepen en lachen. Als die deur dan dicht gaat, dat is lachen, dat zijn toch geweldige dingen!"  
Mijn leven glimt niet meer 
Humo: Waar sliepen jullie?
Emiel:
« In een tentje op de camping. En dan was het echt wel liggen en uitblazen, pompaf waren we dan. Maar vaak hadden we ook goed verkocht. Op goeie dagen als de zon scheen, kon je twintig-dertig boeken verkopen. Dat is toch makkelijk vijftienduizend frank." 
Hans: « Alles bij elkaar hebben we toch zevenhonderd boeken verkocht. Als ik erover nadenk is het vreemd dat niet meer mensen van deur tot deur gaan. Het is zo simpel. Je hebt geen winkel of investering nodig, je stapt gewoon op de huizen af en je belt aan." 
Emiel: « Er zijn ook huizen genoeg in België en Nederland. Waar je maar rondkijkt, overal huizen, keuze te over!"
Hans: «Ze noemen dit het internet-tijdperk waarbij iedereen zich zogezegd verschanst achter zijn computer en nog weinig échte contacten zoekt, maar wij hebben gemerkt dat de mensen best wat aanspraak willen, dat ze nog graag een verhaal horen aan de deur."

Humo: Waren er vrouwen die ineens wat zagen in die twee doorleefde heren met hun “liefdes-titel”?
Hans:
« Nee. Geen huwelijksaanzoeken, niets. Ik had wel een vrouw die de titel las en die metéén zei: wat doe je met je Ministerie van Liefde als een man dertig jaar getrouwd is en er met een ding van 28 vandoor gaat?! Daar wist ik niet meteen wat op te zeggen. Er is iets uit mijn leven verdwenen, zei ze. Mijn leven glimt niet meer. En toen heb ik gezegd: mevrouw, als u zo tegen een wildvreemde kan spreken, dan zou ik me maar geen zorgen maken om de glans in uw leven. En toen kocht ze drie boeken, waarvan twee om cadeau te doen.  
Dat zijn dingen die je niet meer vergeet, maar tegelijk zijn dat de momenten die zwaar beginnen wegen. Als je zo’n hele dag mededogend moet luisteren en aandacht geven, en alert zijn voor elke opmerking die gegeven wordt, dan ben je ‘s avonds helemaal leeg, helemaal uitgeteld. Van deur tot deur gaan, dat is als huis voor huis optreden, het doek in casu de deur gaat open, je kijkt je ‘publiek’ -dat je nooit eerder gezien hebt- recht in de ogen, je maakt een openingszin, en dan kan het alle kanten uit. En we hebben moeten leren om méé te gaan met dat publiek, eerder dan zelf een ‘show’ te verkopen."
Emiel: « Ik had dat zeker in het begin. Ik had een product en ik wilde dat verkopen, en als iemand niet geïnteresseerd was, dan wou ik hem overtuigen. Maar dat is fout. We hebben geleerd dat je minder moet verkopen en meer moet luisteren." 
Hans: « Jij staat er met je boek, maar zíj willen hun verhaal doen, en als ze dat gedaan hebben, dan kopen ze. Al kon dat wel eens tegenvallen. Stond er iemand een half uur tegen me te lullen om dan toch maar niet te kopen." 
Humo: Kwamen jullie onderweg andere verkopers tegen?
Emiel:
« Nee. Niemand gezien. Het is niet meer van deze tijd. Van vroeger herinner ik me wel dat er thuis zigeuners aan de deur kwamen. Met soms een vrouw die je hand wilde lezen!"

Hans de Booij in 2019  (foto en video  bij z’n nieuwe single “Mooier”)

Hans de Booij in 2019 (foto en video bij z’n nieuwe single “Mooier”)

 Bij de intellect-tevelen
Humo: Je woont nu opnieuw in Antwerpen, maar in België ben je nog niet rond geweest met je boek.
Hans:
« Ik ben het ook niet zinnens. Het verhaal situeert zich helemaal in Holland, met alleen maar Hollandse personages, en dat gaat niet klikken in België. Intussen heb ik ook uitnodigingen van Nederlandse scholen en bibliotheken om over het boek te spreken, dat wordt het nieuwe publiek dat ik ga aanspreken."  
Humo: Is er nooit slijtage gekomen op jullie jeugdig enthousiasme?
Emiel
: « Je wil wel dat het een enthousiaste belevenis blijft, maar het wordt op de duur toch een routine. Je gaat niet meer langs de mensen, maar langs de deuren. En je duwt op dat belletje en je gezicht gaat in een vriendelijke plooi en ineens is er die automatische piloot."
Hans: « Los van die routine was elf september de grootste domper op ons enthousiasme. Uit een vorm van schroom hebben we toen een maand gewacht om weer te gaan verkopen, maar dan nog was het schrikken van de dofheid die we tegenkwamen. Het leek wel alsof de mensen een slag in hun gezicht hadden gekregen en helemaal dicht zaten. Al die weken en maanden ervoor waren de mensen heel open geweest en nu was het alsof ieder zich in zijn huis had opgesloten en geen contact meer wilde met iemand uit de buitenwereld. Toevallig waren we toen in Amsterdam, dat was de uitdaging, om een keer aan te bellen bij de literaire intellect-tevelen in de grachtengordel. Wel, we hebben géén enkel boek verkocht. Ze keken op mij neer alsof ik - in tijden van oorlog- met de allerlulligste boodschap kwam aandraven. Je zag het: haat en oorlog kregen nu de meeste aandacht ; het was gedaan met de liefde. Ik ben dan nog in andere provincies geweest, maar overal was er dat negatieve gevoel. Ineens was het gedaan, ineens verklaarde men mij en mijn avontuur voor gek. Een drukkende ernst was over het land gekomen." 
Humo: Is het een avontuur dat sporen heeft nagelaten?
Hans
: « Ja. Je krijgt mensenkennis en je krijgt ineens een beeld van de maatschappij dat je niet vermoedde. Ik vond dat de mensen enorm bezorgd waren. Dat kwam echt op ons af, een enorme berg van zorgen. En het gaat om hun kinderen, om hun huis, om het verkeer, om alles. Voor heel veel mensen is het leven één grote zorg. Maar wat vaak als eerste kwam, was een materialistische zorg: schrik om hun werk te verliezen, schrik om hun inkomen te verliezen, schrik voor inbraak, die materialistische beslommeringen stonden duidelijk voorop. Altijd die schrik om iets niet meer te hébben. En wat ik persoonlijk ook scherp zag: ze wilden niet in mijn situatie verzeilen. Ooit was hij een ster op radio en televisie en nu loopt hij langs de deur. Ikzelf zie daar géén zorg in, maar ik zag mensen naar mij staren van: ik hoop niet dat dit mij overkomt (lachje).”
Emiel: « En opvallend, in de arbeiderswijken was die schrik een stuk minder. Je trof het vooral in de betere wijken." 
Hans: « In de wijken waar men het gemaakt heeft! In de wijken waar de zekerheid van de mensen niet in hun hart zit maar in alles wat in hun huis en hun bank is opgeslagen. Neem Amsterdam. Daar hadden ze zoiets van, nou, pik, waar ben jij nou mee bezig?!  Dat is het calvinisme hé. Dat werkt zich te pletter om God te behagen, en dat soort volk houdt zich dus niet op met gevallen engelen zoals ik. Rotterdam was veel leuker. Dat is een arbeidersstad en daar was het de hele tijd van, geweldig, kerel! Onvoorstelbaar goed! Als je d’rdoor zit, dan moet je terugvechten! Dan moet je knokken! Dan moet je niet op je kop laten zitten!" 
Emiel: « En zo zijn we toch veel liefde tegengekomen. Dat mag je niet vergeten, Hans!" 

Ingescand uit Humo (ill. Leo Timmers)

Ingescand uit Humo (ill. Leo Timmers)

De kalenderverkopers: “Het is keihard aan de deur.”

De Booij en zijn compagnon trokken eenmalig met een boek langs de huisdeuren, hoe moet het bestaan dan zijn voor verkopers die het hele jaar door en jaar na jaar "de deuren doen"? Patrick De Meulder is bedrijfsleider van Onyx Group. Hij heeft vierentwintig voltijdse verkopers in dienst die wenskaarten, stickers en kalenders verkopen ten voordele van Het Oranje Kruis Vlaanderen en de organisatie Dierenwelzijn vzw (die o.a. 8 dierenambulances heeft rijden).
De Meulder: "Onze zelfstandigen werken dag na dag, winter en zomer, zo’n 37 à 40 uren per week. Het is werken op commissie en dat is de grote aantrekkingskracht. Op het einde van de dag hebben ze cash geld in handen en kunnen ze hun commissie direct op zak steken. Niettemin is het heel moeilijk om goeie verkopers te vinden. Ik moet immers geen gasten hebben die van geen hout pijlen weten te maken, ik moet rasverkopers hebben, die graag buiten werken, en die niet opzien tegen de fysieke inspanning om elke dag zo’n vijftien kilometer van deur tot deur te stappen. Het moeten ook mensen zijn met een doorzettingsvermogen. Ik heb zelf tien jaar met wenskaarten gegaan, en het vraagt een grote discipline om élke dag de straten af te stappen. Je staat er ook alleen voor, er zijn geen collega’s op het werk, er zijn geen babbeltjes bij de koffiemachine, geen vergaderingen in goed verwarmde ruimtes, nee, je staat op straat en je hebt vijfhonderd deuren te doen. En de dag daarop weer vijfhonderd. Ik heb sollicitanten die het na twee dagen al opgeven. Grote mond bij het begin, maar allemaal onderschatten ze dat het zo hard is. 
Je moet stevig in je schoenen staan om al die nee’s te verteren, en je mag je je zeker niet opwinden als mensen je agressief behandelen, dat moet je kunnen relativeren. Vandaar dat ik niemand zal aannemen die jonger dan vijfendertig is, want die hebben die stabiliteit en nuchterheid nog niet. 
Ik stapte ooit binnen bij een slager en die zei, als ge niet rap buiten zijt, steek ik u op mijn mes! En een collega kwam bij een Chinees, die haalde een groot samoerai-zwaard en begon ermee door de lucht te klieven! Daar moet je dus rustig onder blijven. Ook onder verwijten als Hebt gij niks beters te doen?! of Ge zoudt u beter een job zoeken! Dat moet je kunnen incasseren. Vaak is dat lastig als je zelf niet sterk staat in die job. Ik heb verkopers gekend die in hun eerste jaar niet eens durfden rondvertellen dat ze van deur tot deur gingen.
Blote polaroid
Je moet ook tegen miserie bestand zijn, want je komt wat tegen. Botte armoede, kinderen met snottebellen en amper kleren aan hun lijf, en verdoken armoede, villa met auto en nieuw dak, maar binnen rolt het behang van de muur. Af en toe geloof je je ogen niet. Ik kwam bij een boerderijtje in de Kempen, op het eerste gezicht pittoresk ouderwets, de houten deur piepte open, en binnen zag ik vier figuren rond een tafel, geen borden, ze aten de aardappelen nog met een lepel uit de pot. En er was geen vloer in dat huis, alleen gestampte klei. ‘t Is tien jaar geleden, maar ik waande mij in de tijd van Priester Daens. 
Je ziet ook veel eenzaamheid. Mensen die blij zijn met een babbel, kom binnen, hier is het warm, en dat ze geopereerd zijn, hier zijn de littekens en hier zijn de platen van de radiografie, er komt geen eind aan die babbel. Dat zijn ook de beginnersfouten, dat je nog compassie hebt met iemands miserie, dat je nog teveel een sociaal assistent bent, en te weinig een verkoper.  
Elk huis is anders. Achter elke deur kan iets te wachten staan. Een verkoper belde ergens in Limburg en daar deed een vent open, compleet in zijnen blote en met een polaroidcamera in zijn hand, hij neemt een foto van onze verkoper, en die ging hij naar het koninklijk paleis sturen, “en ik schrijf erbij dat gij een bedrieger zijt!” Boem, de deur dicht. Pure Monty Python! Maar als je daar staat, ben je wel efkes uit je lood geslagen.  
Wat ik ook zie bij al mijn verkopers is dat ze een léven hebben naast die job. Dat werk, dat verkopen aan de deur, dat is hun inkomen, maar echt léven doen ze na hun uren. De ene is een gedreven sportvisser, de andere een provinciale snookerkampioen, allemaal hebben ze een heel actieve hobby om dat werk van zich af te kunnen zetten. Vandaar dat ik u zeg, vergeet de romantiek van “ge zijt vrij” en “ge zijt altijd buiten”. Het is gewoon werken, heel hard werken.”

Broeder Stephanus (ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags)

Broeder Stephanus (ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags)

Bedelbroeder Stephanus, zwerver langs Gods wegen

Het is een bel die je met een verbogen trekstang moet beroeren, dan knarst er een scharnier en doet broeder Stephanus Straver (72) open. Dezer dagen is hij koster en broeder portier maar veertig jaar van zijn leven heeft hij door Vlaanderen en Nederland getjoold om aardappelen te schooien of abonnementen te werven voor De Klok. Dat “breed franciscaans” maandblad wordt sinds 1928 uitgegeven door de Minderbroeders Conventuelen in Halle, een van de drie ‘takken’ die de Eerste Orde van Sint Franciscus van Assisi vormen, samen met de kapucijnen en de franciscanen.
Broeder Stephanus leidt me naar de spreekkamer waar de tafel gedekt staat met linnen en koffie en wel dertig stukken speculoos en waar ook pater Mark Brusselaers is aangezeten; hij heeft een boek over het klooster en zijn orde geschreven en hij was de laatste hoofdredacteur van De Klok (tot eind 2000)
Broeder Stephanus is zonder twijfel de breedste van de twee, ik zie hem zo het deurgat vullen van menige Vlaamse woning, goedlachs, blozende kaken, honderd kilo koekebrood. Maar tegelijk was hij ook “den eeuwige zwerver die langs Gods wegen de boodschap draagt”.  
“Ik ben in 1928 geboren in Lopik (nabij Utrecht) en op mijn achttiende ben ik bij de orde ingetreden. Een jaar later was ik al bedelbroeder en ging ik op termijn, dat betekende bedelen bij de boeren. In september en oktober ging ik om aardappelen, in november en december haalde ik eieren op, en in januari kwam ik om graan want dan hadden de boeren gedaan met dorsen. Ik ging van dorp tot dorp, de pastoor riep het ‘s zondags van de preekstoel, iemand nam me mee op de kar en zo reden we het hele dorp af, boer voor boer. Later ben ik dan met “De Klok” beginnen rondgaan in Nederland; en in ’74 in België."  
Stephanus: "In de beginjaren was ik nog zo’n echte broeder in habijt. Ik droeg de lange donkere pij met kap, de witte koord met paternoster om mijn lenden en stevige stapschoenen. In de jaren zeventig ben ik in clergy beginnen gaan, een burgerkostuum met een kruisje op het revers. 

Het eerste nummer van De Klok (1928)

Het eerste nummer van De Klok (1928)


Ik vertrok altijd op maandagmorgen uit het klooster, ik zette mijn fiets op de trein, naar Lier of Aalst of Sint-Truiden, en van het station fietste ik dan naar een dorp om de huizen te doen. De dorpskern deed ik te voet, de afgelegen boerderijen met de fiets. En ‘s middags ging ik eten in een bevriend klooster, en ‘s avonds zocht ik daar m'n bed voor de nacht. Op vrijdagavond had ik gedaan en vertrok ik terug naar ons klooster in Halle, en maandagmorgen zat ik wéér op de fiets. En zo ging dat week in week uit, alle maanden van het jaar.
Ik liep ook in alle seizoenen, herfst en winter, regen en sneeuw, dat kon me niet deren. Als ik door de sneeuw kwam en ik met een witbestoven pij aan de deur stond, dan kochten de mensen zelfs gauwer een abonnement (lacht)! Soms waren ze verbaasd dat ik hun huis of boerderij gevonden had, maar ja, ik stapte en fietste overal doorheen, een weg mocht duister zijn, een karrenspoor vol slijk en plassen, dat hield me niet tegen.
Zwartrok en kommunist
In Vlaanderen deed ik alle provincies behalve West-Vlaanderen. Daar zijn veel kloosters en daar werden ze tot in de jaren zeventig ziék van de paters en de broeders die aan de deur kwamen. Elke dag kregen ze d’r wel twee of drie aan de bel. Je moet niet met teveel zwartrokken rondlopen in hetzelfde gebied, dan krijg je de deur, dan verdien je niets.
Er zijn ook altijd wel parochies geweest waar ik niet ging omdat de pastoor me niets gunde. Zo’n pastoor wist dan dat ik ging komen en zei dan ‘s zondags op de preekstoel dat zijn parochianen “maar niks moesten geven”! Zie je, zo’n pastoor hield aan zijn territorium. Hij alleen mocht daar colporteren en niemand anders."
Humo: Wat voor een blad was De Klok?
Pater Mark
: «Er stonden liedjes in, poëzie, verslagen over reizen naar Assisi, er was een prijskamp, én we hadden moppen, elke maand twee bladzijden moppen. Daar hebben we ook wel eens kritiek op gekregen. Het ging nogal dikwijls over vrouwen en hoe ze zeurden en zaagden tegen hun man (grinnikt)."
Broeder Stephanus: "Ik kwam bij goeie mensen en bij minder goeie mensen. Het gebeurde dat ze me zegden, in dat huis moet je niet gaan want daar woont een kommunist! Nou, dan ging ik daar zéker aanbellen. Vaak vielen ze dan uit tegen de kerk, en eigenlijk vond ik dat plezierig als ik iemand duchtig kwaad kon krijgen. Je had toen meer van die antiklerikalen die geweldig tekeer gingen tegen broeders, paters, pausen en de hele kerk. Dan zei ik, wacht maar tot je laatste uur geslagen is, dan wil ik je nog wel eens spreken, dan zal je maar wat grààg een priester aan je bed hebben (schatert het uit)!! 
Ik was ook niet bang van kwaaie honden. Kwam ik soms bij de mensen binnen, hé, hoe ben jij voorbij de hond geraakt, dat beest is door en door vals, hij bijt elke vreemde! Nou, die had ik recht in de ogen gekeken en ik was er pal op afgegaan, en dan loopt zo’n hond weg. Maar buitengaan dorst ik niet. Zonder omkijken wist ik dat die hond achter de deur klaar zat om in mijn been te bijten. Ze laten je binnen omdat je toont dat je geen schrik hebt, maar ze bijten je bij het buitengaan. En dan moest het baasje ze eerst aan de ketting leggen.  
Ik ben niet bang gevallen. Dat heb ik van jongsaf. Ik ben op de boerderij groot geworden, daar ging ik veel om met de paarden, en liefst met de wildste paarden, allicht omdat ik zelf een wilde jongen was. Ik was ook voor niks verlegen, in de klas was ik zelfs een rebel, als de zuster een kind sloeg met de lat, dan zette ik een mond op, dan stoof ze naar mij en dan trok ik die lat uit haar hand, mag ik u even van de lat geven (lacht)? Dat was schrikken, dat werd niet verwacht van een kind en zeker niet in 1939! 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Rooie buurten
Eén mevrouw begreep niet dat ik het kon uithouden in een klooster, zo’n kerel en dat laat zich opsluiten achter dikke muren. Ik zei, mevrouwtje, als u de deur dichttrekt, dan zit u tussen vier muren, ik loop vrij rond!
Ik kwam bij rijkelui en bij de armen. Heel vaak werd in het dorp gezegd dat ik maar niet in de armenbuurt moest gaan, want “het zijn daar allemaal rooie die niet naar de kerk gaan”. Maar ik ging altijd naar die volksbuurten en in de regel werd ik daar goed ontvangen. 
Pater Mark: "Eigenlijk hadden die mensen niks tegen het geloof maar wel iets tegen de pastoor. Pastoors kwamen vaak uit een betere sociale klasse, die keken dan neer op zo’n arbeidersbuurt en ze kwamen er weinig. Paters en broeders hadden niet dat elitaire; wij zijn meestal zelf van gewone komaf. Vandaar dat wij ook die volksbuurten opzochten en de mensen apprecieerden dat."   
Stephanus: «Op de duur had ik zovele duizenden abonnees dat ik alleen nog maar lidgeld ophaalde, en amper de tijd had om nieuwe te werven. Bij de abonnees was het vaak “komt u toch binnen, broeder!” En eerst gaat het dan over ‘t boekje, maar daarna over de tante die ziek was, en de oom gestorven, en de dochter aan het studeren; de mensen moesten hun verhaal kunnen doen aan de broeder van de Klok. En terwijl werd natuurlijk koffie gedronken, ik werd elke dag overgoten met koffie (lacht). Soms mocht ik ook blijven eten. En vaak kreeg ik dan meer dan ik op kon. Zeker in de dagen dat het carnaval, of kermis was. Of plechtige communie! Dan werd je aan tafel gevraagd en dan was je de eregast. 
Er waren ook wel dagen dat het slecht ging. Dan dacht ik, Onze-Lieve-Heer plaagt me weer vandaag. Dat gebeurde meer in Nederland dan in Vlaanderen. Nederlanders zijn minder gul aan de deur. Nederlanders zijn gul als het op de televisie komt, dan is het een massagebeuren, en dan wil de één niet onderdoen voor de ander. Op straat was het net zo. Als niemand kocht, dan kocht niemand. Maar als de buren zagen dat één of twee mensen een abonnement kochten, ja, dan kon het zijn dat degenen die eerst nee gezegd hadden, me toch terugriepen. Maar dan zei ik: u had daarstraks maar moeten kopen, en ik liep verder. Ja, zo was ik wel eens. 

Broeder Stephanus (rechts)

Broeder Stephanus (rechts)

Ik liep elke dag door de wijde wereld, maar ik dacht nooit, nu doe ik net zoals Franciscus van Assisi. Zo verheven ben ik niet. Ik ben slechts een broeder die dienstbaar is aan zijn orde. En mijn taak was colporteren. En sommigen vonden dat zwaar, dat dagenlange stappen, maar ik niet. Ik ben altijd een boerenzoon gebleven, gewend om buiten te zijn en hard te werken.  
Ik heb het gedaan tot in 1989, dat was niet meer met de fiets, maar al met de auto. Maar toen de motor het begaf, heb ik het ook maar opgegeven, zestig jaar zijn en eenenveertig jaar op de baan zijn, het is niet niks. Ik dacht ook, als ik nog langer op de baan blijf, dan lukt het me niet meer om me aan te passen aan het kloosterleven. Ik was al zolang op mijn eentje, door nog langer rond te gaan was ik zeker een eenzaat geworden. 
Pater Mark: "Het tijdschrift hebben we behouden tot in het jaar 2000 en op het ogenblik dat we stopten, hadden we toch nog zevenduizend abonnees. En reacties dat we gekregen hebben! De abonnees waren niet content, ze misten hun patersboekske. Maar ja, aan alles komt een einde."
Stephanus :"En nu zit ik thuis. En ik hou me bezig als koster en als broeder-portier, dan zie je ook veel mensen. Maar ik denk nog vaak aan die dagen, aan dat zwerven over het land. Als boerenzoon dreef ik elke dag de koeien in de stal en zelfs al regende het pijpenstelen, ik had er altijd vreugde in, ik liep graag over het land. Ik liep ook steeds te zingen, zo zachtjes voor me uit. Liederen uit het Gregoriaans maar ook schlagers van de radio, De Zangeres zonder Naamof Mieke Telkamp. Dié heeft een mooi liedje geschreven! Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan / Waarvoor zijn wij op d’aard’ / Wie weet wat er is achter ster en maan ?  Dat is een mooi liedje, dat heb ik dikwijls gezongen.

NAWOORD: Hans de Booij (62) treedt nog steeds op. En schreef intussen vijf boeken.
Broeder Stephanus is in mei 2012 in het klooster overleden. Hij was 84.
Twee jaar later kwam er een einde aan het bestaan van de Minderbroeders Conventuelen in Halle. Na 170 jaar staan klooster en kerk nu leeg.  

Deel (3): op stap met een getuige van Jehova

 

 

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Van deur tot deur (zonder corona) (1) Martin Heylen en de Appelleurders

Tijdens de corona-lockdown mogen er wel maaltijden en webshop-pakjes aan huis geleverd worden, maar tegelijk mag er niet meer van huis tot huis verkocht worden. Een redelijk gewrongen redenering. De gedupeerden van dit deur-aan-deur-embargo zijn o.a. de bewegingen zoals 11.11.11, de jeugdbewegingen en scholieren die marsepein, vlaaien en wafels verkopen, en straks allicht ook de kinderen die met oudjaar en Driekoningen van huis tot huis gaan zingen.
Redenen genoeg om onze serie "Van deur tot deur" uit 2002 te hernemen.
Onze eerste deurenmens is een bekend tv-gezicht: Martin Heylen die nu te zien is in "Zelfde Deur, 20 Jaar later". Het programma is gebaseerd op zijn Man Bijt Hond-reeksen waarbij hij diagonaal door Vlaanderen trok.
Een estafette van duizenden deurbellen. We volgden hem 18 jaar geleden op de rechte lijn van Voeren naar Adinkerke. 
 

Humo januari-februari 2002 herwerkt en ingekort © Jan Hertoghs

&nbsp;Jef van de Langenbergh, Martin Heylen en Hans Tourné 20 jaar geleden ( © gie Knaeps)

 Jef van de Langenbergh, Martin Heylen en Hans Tourné 20 jaar geleden ( © gie Knaeps)

“Best niet bellen bij half gesloten rolluiken. ‘t Zijn allicht ook half gesloten mensen.”

Voeren-Adinkerke heet het vaste onderdeel van “Man Bijt Hond” waarbij reporter Martin Heylen bij onbekende Vlamingen aanbelt en waar hij drank noch goed gesprek afslaat. In de voormiddag heeft zijn ploegje in Bertem van deur tot deur gelopen, vanmiddag is Kortenberg aan de beurt.
Niet iedere buurt komt zomaar in aanmerking, eerst wordt op verkenning gegaan. De mensen moeten om te beginnen thuis zijn, en dus is het zoeken naar een buurt met rokende schoorstenen, leeggemaakte brievenbussen en opritten bevolkt met personenwagens. Tegelijk wordt gezocht naar huizen met karakter. Dat valt niet mee. Te clean. Te burgerlijk. Te groot dak. Te proper gerijfd. Alles in dezelfde lichte baksteen. Niks versiering op de vensterbank. En dus valt de buurt af wegens “te saai”, want hoe onpersoonlijker de huizen, hoe onpersoonlijker de bewoners. Het klinkt wreed, maar zo gaat het.
"Halfgesloten rolluiken, niet doen, ‘t zijn zeker ook halfgesloten mensen." "Hm, dat ronde torentje en die ronde veranda, dat zou iets kunnen zijn." "Basketpaaltje! Plaasteren hert! We zitten al wat beter." "Glas in lood, donkere ramen, nee, als ge niet in dat huis kunt kijken, kunt ge ook niet in die mensen kijken." En dat ze niet te dicht bij de kerk gaan blijven, "daar wonen vaak de diepgelovige mensen en die zijn wel authentiek, maar we hebben er al voldoende gehad in de voorbije maanden"Ook huizen van bejaarden, feilloos herkenbaar aan Chinese vazen voor het raam, worden deze namiddag gemeden, "we hebben de twee vorige weken al gepensioneerden gehad". We passeren nog een strakke groene afrastering rond een tuin, de getuigen van Heras, "daar moet je aan het hek en de parlofoon je uitleg doen, dus nee", en dan vinden we na twintig minuten rondtoeren toch een buurt met de juiste mix van klimrekken, kerstlichtjes, en plaasteren reigers bij een visvijvertje. Cameraman Jef van de Langenbergh schoudert tien kilo camera, geluidsman Hans Tourné steekt zijn hengel in de lucht en Heylen belt bij een huis met een gekke koe en twee cactussen voor het raam, dat ziet er expressief uit. Vanmorgen hebben ze vijftig minuten gestapt en gebeld voor ze een pand mochten betreden, ik schat dat ze hier direct binnen mogen. "Direct binnen? Ga weg gij! Eén kans op twintig." De deur gaat open, Man Bijt Hond ?, ja, kom maar binnen.
Soixante neuf
Vier jaar geleden begon Heylen met Ophoven-Mariakerke, dan volgde Watou-Vroenhoven, Kotem - De Panne en nu reist de ploeg in negenendertig etappes van het Limburgse Voeren naar het West-Vlaamse Adinkerke. 
Heylen: «De mensen willen dat niet geloven, maar wij nemen die lijn heel letterlijk, we leggen een lat op de landkaart, we trekken een streep, we zien welke dorpen en steden daarop liggen en we wijken daar nergens vanaf. Het centrum van Antwerpen mag op vier kilometer liggen maar als de lijn door een randgemeente gaat, dan gaan we naar die randgemeente en niet naar ‘t stad. Ik ben zelfs zeker dat veel kijkers die lijn ook trekken en vooraf weten dat hun dorp één van de weken aan de beurt zal zijn. We kwamen een keer in Stekene, we bellen aan, die vent ziet ons, en hij roept gelijk naar achteren, had ik het niet gezegd! ‘k heb van de week nog zitten meten met mijn lat! ‘k Had het gezegd hé! Hup, gelijk zijn moeder bellen, ze zijn hier!,  en maar roepen dat hij het altijd gezegd had. 
Dat ik me zo strikt aan die lijn hou, komt van vroeger en van de radio. Toen werkte ik voor een programma op Radio 2 waarin ik elke week iemand ging opzoeken die in een huisnummer 69 woonde. En vaak was men niet thuis of wilde men niet meewerken, en moest ik van de ene straat naar de andere om “een goeie 69” te vinden, en collega’s zegden dan, stap toch binnen in 71 of 67, er is geen kat die dat merkt, maar ik heb me altijd rigoureus aan mijn uitgangspunt gehouden. Ik wou bewijzen dat élke mens iets te vertellen heeft. Zelfs al was dat een schuchtere, hakkelende puber, dan wilde ik dat verhaal van die schuchtere, hakkelende puber. 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Veel mensen die naar “Man Bijt Hond” kijken, denken ook dat wij vooraf een afspraakje maken met die bewoners en dat zij dan zogezegd verrast de deur opentrekken, maar er is niks afgesproken, niks geënsceneerd. Wij bellen echt huis voor huis en ik kan je hopen tapes laten zien waar je mij op een bel ziet drukken en waar de deur dicht blijft." 
Humo: Maar jullie bellen niet in alle buurten. De buurten met  onpersoonlijke huizen laten jullie liggen wegens “onpersoonlijke” inwoners. 
Heylen:
«Ik besef dat dat een vreselijke stelregel is en dat ik daarmee tienduizenden, honderdduizenden mensen tekort doe, maar voor televisie moeten we liefst expressieve mensen vinden, en de ervaring uit de eerste reeks was dat onpersoonlijke huizen vaak weinigzeggende mensen en dito gesprekken opleverden." 
Humo: Bellen jullie aan bij een bordje “Hier waak ik”? 
Heylen
: «Ik zal niet zeggen dat het per se wantrouwige mensen zijn, want mijn eigen moeder had een bordje met Als de hond komt, leg u plat op de grond, beweeg niet meer en wacht tot er hulp komt, en zij had een dwergpoedel! Het kan dus ook een grap of bluf zijn. Hoe dan ook, dat bordje zegt ons dat er een hond is en een hondenliefhebber kan vaak passioneel vertellen over zijn dier, maar het nadeel is het blaffen van dat dier. Dat stoort het gesprek en ik moet ook zeggen dat ik niet altijd even aandachtig kan luisteren als zo’n beest voor de zoveelste keer in mijn kruis staat te snuffelen."
Humo: Ga je bij mensen met pompoenen aan de voordeur, of zeg je, dat is té klassiek, te weinig origineel?
Heylen
: «Ik ga daar bellen, ik heb geen vooroordelen. Die mensen willen iets vertellen met die decoratie aan de deur, en ik lach daar niet mee. Want het is hun vorm van versiering in de herfst en zelfs al is het niet origineel, toch hebben ze daar plezier in om die vaardigheid uit te stallen. Een intellectueel zal zich verheven voelen boven die pompoenencultus, maar is hij dan zoveel beter, zoveel openhartiger?! Stel dat hij poëzie schrijft, zal hij de deur opendoen voor ons? En zal hij zijn poëzie durven voorlezen op tv?! 
Je raakt nu een heel gevoelig punt bij mij. Ik ben zelf van gewone komaf, ik heb geen intellectuele opvoeding gehad, ik heb ook in een fabriek gewerkt, en automatisch zal ik het opnemen voor de gewone mensen en voor de dingen die zij mooi vinden. Dat bezielt mij. Er komen veel slimmeriken en vedetten op televisie, die worden uitgebreid en herhaald geïnterviewd, maar intussen wonen er in Vlaanderen honderdduizenden mensen die allemaal een leven hebben, die allemaal een ervaring hebben, en die mensen wil ik één keer per week hun verhaal laten doen. En wij zoeken huizen met karakter, maar de mensen kunnen nee zeggen of niet thuis zijn, en dan kan het zijn dat je na een uur rondstappen aan àlle huizen begint te bellen, ook de ogenschijnlijk nietszeggende; en dat zijn de mooiste overwinningen, als je toch met een goed verhaal uit zo’n huis buiten komt. Dat hoeft geen avontuur of straffe belevenis te zijn, als de mensen maar open en eerlijk vertellen over hun leven zoals het is. Die authenticiteit, die moeten we hebben." 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Humo: Je komt af en toe verdriet tegen. Kind verloren, man verloren.
Heyle
n: «Dat zijn mensen die je binnen laten en die zeggen dat ze eigenlijk niet zo veel te vertellen hebben. Want ze hebben iemand verloren, en hun leven is leeg, en wat moet je dan nog met je leven? Vaak merk ik dat die mensen zonder schroom kunnen vertellen over dat grote verdriet. Wat hebben ze immers nog te verliezen? Ze hebben niets meer te verliezen, want ze hebben het dierbaarste al verloren. En omdat alles weg is, denken ze dat ze niks meer te vertellen hebben. Maar omdat ze zich blootgeven, zijn het vaak de schoonste mensen die wij tegenkomen."
Humo: Welke zijn de streken waar het makkelijk of moeilijk binnenraken is?
Heylen
: «Limburg is zonder twijfel een zéér gastvrije provincie waar mensen je snel vertrouwen schenken, en waar ze ook makkelijk in hun binnenste laten kijken. Met uitzondering van het uiterste zuiden van Limburg waar de mensen zeer op hun eigen zijn. De provincie met de meeste geslotenheid zal wel West-Vlaanderen zijn, Roeselare, Tielt, dat zijn stuggere streken. Daar ben je de vreemdeling waarvan ze niet begrijpen waarom hij voor hun deur staat. Ze zien daar ook nauwelijks cameraploegen. Dat in tegenstelling tot Antwerpen en Leuven, waar de tv-ploegen vaak mensen op straat gaan interviewen. Omdat het vlotte babbelaars zijn, maar ook omdat het maar een half uurtje rijden is van de studio’s in Brussel en Vilvoorde! Maar nog eens, als je in die stuggere streken toch binnen raakt, dat zijn vaak mooie verhalen; het zijn de moeilijkste, maar wel de schoonste."
Humo: Als mensen nee zeggen, wat zijn dan de redenen?
Heylen
: « Dan krijg je dooddoeners als Dat interesseert me niet. Dat is niks voor mij. Ik heb niks te vertellen. Ik kom niet graag op tv. Ik ben juist aan ‘t kuisen, kunt ge niet op een andere dag terug komen? Enzovoort. En soms merk je ook een lichte aarzeling, ze willen je wel binnenlaten maar er is net een Poolse poetsvrouw of een klusjesman in huis bezig die ze in het zwart betalen, en die mag dan niet in beeld komen. Dat is ook typisch Vlaanderen. Ik ben me trouwens altijd bewust dat ik ongelegen kan komen. Mensen die huilend de deur opendoen, ze hebben net een sterfgeval in huis, dat is al gebeurd." 
Humo: Hou je contact met de mensen waar je geweest bent? 
Heylen
: « Nee. Er zijn nochtans plaatsen geweest waar ik met kippenvel zat te luisteren. Mensen die recht uit hun hart spraken en die daardoor de kijkers ook recht in hun hart hebben geraakt. Als ik daar zit, dan denk ik voortdurend, vertel verder, hou alstublieft niet op met vertellen. Maar eens dat gesprek afgelopen is en wij daar opkramen, is dat hoofdstuk afgesloten, hoe geroerd ik ook was. Zoals bij die moeder die vertelde waarom ze bij haar vier kinderen thuis was gebleven en die ineens zo’n bengel tegen zich aantrekt. Dat was zo uit het hart gegrepen dat ik -toen het uitgezonden werd op het scherm-, ineens de tranen in mijn ogen kreeg, zo schoon, miljaar, zo schoon dat het was."  

man  bijt hond.png

Schoon kindje, schoon hondje
Humo: Als jullie aan de deur zeggen “’t Is Man Bijt Hond”, volgt dan een stortvloed aan woordspelingen en flauwe grappen?
Heylen
: « Je mag gerust zijn. Ik heb genen hond! Of Ik zal mijnen hond eens roepen! Of Wie is den hond? Zijde gij den hond? Enzovoort enzoverder. Maar tegelijk is het wel een goeie entree, je komt al lachend binnen. En dat heb je nodig, want er moet toch altijd wat ijs gebroken worden. Ik ben ooit met een verkoper op pad geweest en die zei vlakaf: als ge ‘t ijs wilt breken, dan moet ge de mensen pakken op hun zwakke plekken. Streel alle kinderen, ook de lelijkste donders over hun bol, en zeg: wat een schoon kindje. Of zeg: wat een schone hond, ook al is dat het vettigste mormel dat je ooit gezien hebt. Ik doe dat niet, maar ik heb wel gemerkt dat je met een compliment een flink pak ijs kan breken."

Humo: Jullie komen in de stad en op het platteland. Zie je een verschil in bezigheden en hobby’s?
Heylen:
« Op de buiten zijn zeg maar zestig procent van de mensen bezig met hun tuinDaar kan je in de zomer dus heel wat opsteken over gazon, bloemen en tomaten, maar daar valt het in de winter een beetje stil. In de stad vind je een uiteenlopender gamma aan bezigheden. De mensen gaan er meer op reis, naar theater of museum, en ze houden verzamelingen bij van de gekste dingen. Ik sprak ook een man die figurant was in de opera, “dan had hij ‘s avonds wat omhanden”. Dat vind ik typisch de stad. De kans dat je zo iemand op de buiten vindt, is heel klein." 
Humo: Wat ik niet vaak zie is dat je bij rijke mensen komt, dat is een ondervertegenwoordigde categorie .
Heylen
: « We proberen het wel, maar het is lastig. Zo zijn we de dag voor Kerstmis een keer door Keerbergen gedwaald, kasten van villa’s, her en der werd de Mercedes opgeblonken, maar nergens kwamen we verder dan de videofoon of de afrastering; én de opmerking dat er “tegenwoordig al genoeg vreemd volk langs de baan liep” en “dat er ook veel werd ingebroken”. ‘t Was echt het verhaal van de kerst en dat er nergens werd opengedaan. Van “armoe” hebben we toen aan een klein huis gebeld en daar zijn we drie uur lang met open armen ontvangen geweest. Voilà."

© gie Knaeps

© gie Knaeps

Drempelvrees
Al die mensen die schrik hebben voor een inbraak mogen trouwens gerust zijn, want bij de montage haal ik alle beelden van grendels, sloten of deurcodes weg. En als mensen toch eens dure dingen laten zien, dan knip ik de sequentie waarin je ziet hoe het wordt opgeborgen. Eén keer had een mevrouw ons nogal wat rijke interieurstukken laten zien, en nadien was haar familie zo benauwd geworden dat ik de cassette persoonlijk aan een familievergadering heb moeten voorleggen voor het op antenne mocht komen."
Humo: Ondervind je nog geen metaalmoeheid na al dat aanbellen?
Heylen: « Nee. Het is voor mij nog altijd alsof het de eerste keer is. Ik heb plankenkoorts, ik heb drempelvrees, ik sterf bijna van ongemakkelijkheid. En dat komt omdat ik nog altijd gegeneerd ben. Ik ben nog altijd beschaamd dat ik de mensen moet storen in hun privéleven. Tegelijk heb ik een niet te bedwingen nieuwsgierigheid naar hoe mensen hun leven léven, en dat weegt door: ik sta voor die deur en ik wil op dat moment héél graag weten wie er open komt doen. Eens ik binnen ben, kijk ik naar alles wat er staat en stel ik over alles vragen, en als mensen dan aan het praten gaan over hun leven, dàn pas verdwijnt mijn schroom.
Maar! Het kan nog afspringen als we binnen zijn. Iemand laat je binnen in een interieur vol fascinerende reissouvenirs, de man is wereldreiziger en gehuwd met een Nigeriaanse vrouw, hij gaat al een fijne fles wijn halen en hij zegt dat hij fantastische verhalen heeft en in je binnenste wrijf je al in je handen, “maar”, zegt hij dan, “ik wil daar niet mee uitpakken op tv, ik wil dat alleen maar vertellen zonder de camera erbij”. Tja, dan zijn wij weg hé. Kwaad. En verdrietig. En dan maken we maar weer iets in het huis ernaast. Over de moestuin. En de klein mannen die van school moeten gehaald worden. Dju toch!"   

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

De leurders met appelen: “Er is veel armoe in België”

Eind november stond hij voor de deur. Of ik appelen moest hebben, goei appele?! In mijn hoofd woei een geweldige deur open; nog geen week eerder had ik me voorgenomen om een serie te maken over de uitstervende mensensoort die nog van huis tot huis verkoopt, en hier waren ze! Ik zag zijn compagnon bij de buren: die brak tussen zijn knuisten een dikke Jonagold in twee. Mijn verkoper hield een kwart appel voor zich uit, "om te proeven" en hij kneep zo hard op het stuk fruit dat het sap op het voetpad liep. Goei appele, sappige appele. 
Zo en niet anders raakte ik in gesprek met de robuuste Limburgers Luc (41) en George (40), fruitboeren-van-huis-tot-huis die de appelen per kist verkopen. Van hen zijn de verhalen over bijtende honden, bittere armoe, en een revolver op de neus, ge maakt wat mee!
Luc: "Achttien jaar geleden zijn we begonnen en toen waren er in onze streek nog makkelijk twintig, dertig mannen die met fruit leurden. Nu zijn het er nog zes of zeven. 
George: «Het gaat slecht, heel slecht. Er zijn dagen dat we negen uur rondgaan en dat we maar twee kistjes verkopen. De mensen kopen alsmaar minder aan de deur, ze zijn veel te wantrouwig geworden. “
Luc: "Er is teveel oplichterij aan de deur. Mannen die een blauwe stofjas aantrekken en die zogezegd de gas of de elektriciteit komen opmeten en die dan direct geld vragen aan de mensen. Zo’n bedrog maakt de stiel kapot." 
George: "En iedereen gaat werken. Hele wijken zijn overdag stil en leeg. Als ge daar met een camionette komt gereden, dan denken veel mensen: het zullen dieven of inbrekers zijn!"
Humo: Gaan jullie door heel België?
George: «Luik en Antwerpen, Brussel en de Oostkantons, de Kempen en Henegouwen, wij komen overal.
Luc: « De enige streek waar we niet komen zijn de Vlaanders, dat dialect, dat ligt ons niet. We hebben het geprobeerd in Kortrijk en aan de kust. Daar zei iemand sulle tegen ons, en wij stonden te gapen, maakt die ons uit of hoe zit dat? Terwijl hij alleen maar een emmer ging halen om de appelen in te doen. Voor de rest verstaan wij bijna alle Vlaamse dialecten, en in Brussel spreken we met twee woorden, goeiendag bonjour. Frans is voor ons geen probleem, en Waals ook niet. Het dialect van Namen of van Luik, we kennen het. Vandaar ook dat we tot diep in de Ardennen gaan. De Ardennen kennen we als geen ander. Geen weg of we zijn hem gegaan. Geen wegwijzer of we zijn er ingeslagen." 
George: « Maar het zijn wel lange dagen. Om vijf uur uit uw bed, en voor tien uur zijt ge niet thuis." 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

George: « Het hardste om te gaan is de winter. Dan moeten we een campingvuurtje laten branden in de camionette; anders bevriest het fruit."
Luc: «We hebben een keer door Saint Hubert gelopen, twintig graden onder nul! Het ijs stond in pegels in mijn baard. En op de Hoge Venen had het een keer zo hard gesneeuwd dat ie één meter lag opgehoopt. Ik kruip over zo’n sneeuwbank om naar een boerderij te gaan en ik tuimel met appelen en al in een dichtgesneeuwde greppel, tot aan mijn schouders in de sneeuw. Man, man toch! "  
Humo: Jullie komen ook in de grote steden. Dat doet bijna niemand. De meeste huis-aan-huis-verkopers mijden de stad.
Luc: «Wij mijden de randgemeenten. Daar gaan ze met zijn tweeën werken, daar is overdag niemand thuis. Maar in de echte stadswijken vindt ge nog genoeg volk, en de mensen zijn er redelijk joviaal. Maar staat er Abdel op de bel, dan gaan we voorbij. Die mensen kopen liever bij hun eigen volk."
George: « In Wilrijk, randgemeente van Antwerpen hebben we iets lelijk meegemaakt. Ik had aan twee huizen tegelijk gebeld en terwijl ik bij het ene huis sta, doet een vent aan die andere deur open. Hij kijkt rond, ziet me staan, wenkt mij dichterbij en als ik bij zijn deur ben, haalt hij een Magnum 44 tevoorschijn en richt die op mijn hoofd. Ik heb niet gewacht, ik heb die vent een appel tegen zijn kop gegooid, ik heb zijn pols vastgegrepen en ik heb het wapen uit zijn hand gewrongen. Luc is me bijgesprongen en samen hebben we die kerel in bedwang gehouden. De buren hebben dan de rijkswacht gebeld."
Luc: « Dat was een zot, jong! De rijkswacht vond in zijn huis nog kogels en granaten en op de koffer van zijn Magnum kleefde een papier, Ik schiet alle Marokkanen terug naar Marokko."
George: « Die man was dus agressief geworden omdat ik aan zijn huis gebeld had en niet voor zijn deur gewacht had." 
Luc: « Weet ge wat het is? De mensen zijn gefrustreerd. De brievenbus zit elke dag vol reclame van wat ge allemaal kunt kopen, en de mensen kopen maar. Meer dan ze geld hebben. En ineens gaat het niet meer en dan worden ze zuur. Wij voelen dat. Wij voelen het ook als de economie slecht gaat."
George: « Premier Verhofstadt mag zeggen wat hij wil. Voor de gewone man gaat het slecht. Eerst die stijging van de mazout en nu die oorlog, ge ziet dat aan de mensen." 
Luc: « De dag na die ramp in New York (11 september, jh) zagen we het al: de mensen waren triestig. Lang gezicht bij het opendoen, weinig zeggen. Omdat ze daarop zitten te prakkezeren: er komt een slechte tijd, ik ga misschien mijn werk verliezen, ik ga misschien mijn afbetalingen niet kunnen doen en misschien komt die oorlog wel tot hier?" 
George: « De mensen kijken tv, horen dat slechte nieuws en worden bang. Vroeger zouden ze direct bij de buren zijn gaan praten. Nu blijft iedereen met zijn schrik in huis zitten. Dat is het kwaad."

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

 Achter de gordijntjes
George: « Wat ook heel slecht was voor onze commerce was de varkenspest, de dioxinecrisis en dat mond-en-klauwzeer. Ergens gaat iets verkeerd in de landbouw en ineens is het alsof ge met vergiftigde appelen voor de deur staat, ze durven niet meer kopen. De jaren tachtig, dat was nog een schone tijd. Dan stonden we ‘s middags op het dorpsplein om een boterham te eten en dan kwamen de mensen al op het raam van de camionette kloppen, we zijn aan ‘t eten, madame, we komen seffens."
Luc: « Op de buiten zijn de mensen zelfs wantrouwiger dan in de stad. Ze horen van inbraken en carjacken en ze doen hun deur niet meer open. Als wij horen dat er in een wijk pas is ingebroken, dan zijn we weg, rondgaan heeft geen zin." 
George: « De schrik zit erin op de buiten. Vanachter het gordijntje zien ze ons bellen aan de huizen, ze zien onze camionette staan en ze denken: die gaan inbreken als ze een huis vinden waar de mensen niet thuis zijn, en ze bellen de politie. Want wie zit er achter de gordijntjes? Niet de mensen die gerust zijn. Altijd de mensen die wantrouwig zijn. Vandaar dat wij zoveel last hebben. En dan komt de politie om onze papieren te zien en alles is dan wel in orde, maar ge wordt er krikkel van."
Humo: Wat als jullie uren na elkaar niks verkopen? De deuren slaan dicht, mensen zeggen nee of snauwen jullie af?
George: « Ook als ze mij afsnauwen, dan nog blijf ik zeggen, ‘t is niks madame, de volgende keer misschien. En ik draai me om en ik ga weg." 
Luc: « Maar dat afsnauwen, dat raakt u wel. En soms, heel soms zeg ik iets terug. Zoudt ge niet wat beleefder kunnen zijn, madame?"

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Humo: Hoe rijden jullie naar huis na zo’n dag dat jullie maar twee kistjes verkopen?
Luc: « Dan wordt er weinig gezegd en dan is het goed dat ge met zijn tweeën zijn: dan draagt ge dat ook met zijn tweeën. Op uwen alleen de baan doen, dat is slecht, dat gaat knagen in uw kop, dat houdt ge nooit vol. Met twee kunt ge meer verdragen. En er zijn van die dagen dat ge uren aanbelt voor niks en dat ge zo moe zijt dat ge geen woord meer kunt zeggen. Dagen dat ge denkt, ik stop ermee, ik ga naar huis, ik geef het op. Maar ge moogt niet opgeven. Anders hebt ge geen eten in huis.
Van het stappen worden wij nooit moe, maar wel van de slechtgezinde mensen. Het omgekeerde is ook waar. Als zo’n vrouw opendoet die niet wegkijkt maar u aankijkt, die een opgewekte blik en een vriendelijk gezicht heeft, dat geeft u weer moed. Ze moet nog niks kopen, maar gewoon ons vriendelijk te woord staan, dat maakt veel slechte deuren goed."   
Borinage
Luc: « Maar armoe dat wij zien! Dat is niet te geloven. Ze zeggen dat België bij de zes rijkste landen is, maar ik zeg u, d’r is nog armoe in België. Ge moet maar eens in Charleroi of de Borinage komen. Daar is precies nog niks veranderd. De mensen doen de deur open en ge ziet de kinderen met blote knieën en voeten over de stenen vloer kruipen, hun mond zwart van het vuil. De mensen lopen daar nog met een kindervoituur rond om stookhout te rapen voor hun kachel. Zo’n miserie, zo’n sukkelaars dat wij zien! Een oud madammeke doet open in de winter. Geen schoenen, alleen maar lange sportkousen, een lange jas, en een muts op haar kop, ze heeft geen verwarming. Ik kan geen appelen kopen, mijnheer, ik heb geen geld. Maar jong toch! D’r zijn dagen dat wij meer appelen weggeven dan dat we d’r verkopen!"  
George: « Neem de kleine boeren, die hebben het overal lastig. D’r zijn er waar de koeien beter eten dan de boer zelf. Een boterham met gelei, ‘t is al wat er op tafel komt."
Luc: « Dat is zo. En in de provincie is er ook veel kleine nijverheid die kapot is gegaan. De kleine witlooftelers in Brabant, de steenbakkerijen rond Boom, de diamant in de Kempen, daar is het vet van de soep. Vroeger kwam je in die achterhuizen waar ze witloof kuisten of diamant bewerkten, daar zaten ze met vijf of tien tesamen, daar verkochten we fruit als vanzelf, maar dat is gedaan."
George: «In de stad zelf ziet ge ook veel miserie." 
Luc: «We stonden in Antwerpen een friet te eten. Zie ik daar een man met zijn hand in de vuilnisbak gaan. Is er iets vriend, hebt ge problemen? Ik heb drie kinderen, mijnheer, en ze hebben geen eten. Ik heb die mens geen geld gegeven, maar wel vier pakken friet, en hamburgers en bouletten." 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Humo: Hebben jullie soms last van kwaaie honden?
George: « Honden! Ik had er in Mol eens zeven aan mijn jas en mijn broek hangen. Zéven beesten! Mijn broek kapot, mijn jas kapot, maar gelukkig nergens gebeten. (Stroopt zijn broekspijp op) Die beet ziet ge nog wel. ‘t Was van zo’n klein schipperke. De mensen hebben hun beest niet altijd in de hand."
Luc: « Het ergste is wanneer een kind open doet. Ineens schiet er een hond door de gang en dat kind kan zo’n beest onmogelijk tegenhouden. Dan is het lopen hé. Bij Namen ben ik in mijn been en mijn arm gebeten door een Mechelse scheper. Die hond maakte een sprong, ik week achteruit, ik viel op de mesthoop en hij liet niet meer los. Gelukkig kwam die boer uit zijn stal, en die begon gelijk met een casserolle op dat beest te kloppen, anders wou hij niet lossen."
George: « Er zijn ook mensen die de honden achter u aansturen om u weg te jagen. Niks compassie hebben ze."  
Luc: « Weet ge nog? Die hond in Tervuren? Die had u bij uw jas en  die zette zich schrap met zijn vier poten, (groot jolijt) en gij maar snokken om vooruit te komen en die hond maar slepen met zijn handfrein op!" 
George: « En dan dat kasteeltje in de Walen!
Luc: « Ik ging daar naar de grote poort, en ineens schiet er een labrador naar mij, grommen en willen bijten. Maar ik geef mijn hand, ik krieuwel dat beest in zijn pels en ik was gelijk kameraad met ‘m. Die mevrouw doet open, ze ziet haar hond kwispelen en ik mocht gelijk binnenkomen. Hoeveel kistjes appelen hebt ge nog in de camionette? Laad ze maar af, ik koop ze. Ik kon het niet geloven! Omdat die hond mij mocht, mocht ik in huis komen. En de hele vestibule stond vol foto’s van koning Boudewijn, haar man had nog gewerkt bij de koning. Ja, dat zijn de schone momenten, dan kunt ge weer een paar weken verder." 
George: « Soms komen we per toeval aan de deur van een bekende Vlaming. Bob Savenberg (ex-Clouseau), dat was een vriendelijke mens, maar Carl Huybrechts was de onbeleefdste. Die joeg ons van de oprit, maak dat ge weg zijt!" 
De zwarte madam
Humo: Zijn er vrouwen die avances maken aan de deur?
Luc: « Op twee minuten tijd als ge wilt. Het kan gebeuren dat ge goed verkoopt, ge gaat wat vrolijker langs de deuren, ge maakt al eens een complimentje en ineens hebben ze het in u gezien. Daar moet ge mee oppassen. Ik heb ooit een vrouw weten opendoen, die had bijna niks aan, alleen panty’s en nog iets doorzichtigs. Kom maar binnen, zei ze, zet die appelen maar in de kelder, ik maak het bed boven. Ik stommelde die kelder in, zij liep de trap op naar boven. En een speciaal huis dat het daar was, het was te zien dat dat vrouwlie van Afrika hield. Hier hing een masker, daar een schild, wat verder een bos pijlen en een speer; ik dacht, seffens komt haar vent thuis en die smijt zo’n speer los in mijn rugDus ik was gauw uit die kelder en weg uit dat huis." 
George: « Ge moet die aanleidingen mijden, hé."
Luc: « Vandaar dat wij uit principe nérgens binnen gaan. Wij nemen ook geen tas koffie aan, wij blijven uit de huizen. Een huis, dat is privé, daar hebben wij geen zaken mee. Alleen als mensen vragen om appelen naar de kelder te dragen, dan doen wij dat. Maar ik kijk nooit rond! Ik kijk niet naar de vazen, de schilderijen en het kristal, ik kijk naar de grond. Want als ge naar die dure dingen kijkt, dan geeft ge aanleiding; dan kunnen ze denken: komt hij hier voor de appelen, of komt hij hier rondkijken om later in te breken? Het is spijtig, maar zo is de tijd van tegenwoordig." 
Humo: Hebben jullie ooit iets anders willen doen?
George: « Nee. Wij kunnen niks anders dan fruit verkopen van deur tot deur. Wij zijn mannen van de baan." 
Luc: « Stop mij één dag in een bureau of in een fabriek, en ik ben dood." 

Deel (2): Hans de Booij leurt met een boek.
Broeder Stephanus (bedelmonnik) colporteert met een tijdschrift   

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Jodelen: de nieuwe superverspreider van corona

Het stond op 20 oktober in de Frankfurter Allgemeine en op tal van nieuwssites. Het Zwitserse kanton Schwyz dat totnogtoe één van de minst besmette regio's van Zwitserland was, kende ineens een uitbraak "die te vergelijken was met de zwaarste uitbraken in Italië en Spanje". De oorzaak was een "jodelmusical" die door 600 personen was bijgewoond. De mensen zaten ver genoeg uit elkaar, maar niemand van de zangers of de toeschouwers droeg een mondmasker. En zo konden de "virus-aërosolen zich langdurig verspreiden in de polyvalente zaal". Het jodelfeest werd een superverspreider. Meer dan 300 aanwezigen raakten besmet, het hospitaal van Schwyz kon de toevloed van patiënten niet aan.

Dat jodelen populair is in Zwitserland is geen nieuws. Maar dat het jodelen een zeer ernstige zaak is, dat zal u misschien voor het eerst kunnen lezen. Het Zwitserse jodelen kent bijvoorbeeld een even zware landelijke competitie zoals het voetbal bij ons. Je kan promoveren en je kan degraderen. En zoals met de beste voetballers: je kan er nu ook ziek van worden.

Humo augustus 1991 - licht herwerkt en ingekort © Jan Hertoghs 

(Bron: Volksmusik in der Schweiz Ed. Ringier)

(Bron: Volksmusik in der Schweiz Ed. Ringier)

 “Jodelen is aan zeer strenge regels gebonden. Elke zanger moet zijn handen diep in zijn zakken hebben."  

 Ik moet u het relaas doen van mijn persoonlijke zoektocht, een queeste naar één van de meest bespotte, belachelijk gemaakte en  onnozel voorgestelde vormen van muzikale expressie, met name: het jodelen.
Dit is een serieus artikel, we gaan het ernstig met mekaar menen en en om u te tonen van hoever ik gekomen ben, moet u met mij meegaan naar een januarimorgen in 1986. Ergens in Midden-Zwitserland, meer bepaald nabij Einsiedeln rijdt een gele postbus naar een wedstrijd "sneeuwbeeldhouwen"; aan boord zijn dertig jongelui uit meerdere Europese landen. De zon komt roze op boven de besneeuwde bergen, en de chauffeur die elke voetganger langs de weg al met opgestoken hand begroet heeft, zet plots een jodel in. Geen korte jochei zoals hij die allicht vermag af te steken bij een overmoedig genomen haarspeldbocht, maar een echt zangstuk van bijna tien minuten. Op de achterste bank schieten vier Belgen, waaronder mezelf, in een besmuikt lachen en ze sturen van diep achter de zetels gekwelde kattenkreten naar voren: mi-auw! mi-auw! De bestuurder jodelt verder alsof hij het niet hoort. Hoe diep we hem in zijn ziel geraakt hebben kom ik pas op 31 januari 1989 te weten. Op die dag is er op de RTBF een documentaire over de traditionele jodelzang in een kleine vallei in Centraal-Zwitserland. In die kleine vallei volgen  de filmmakers een familie van authentieke zangers, ze beoefenen het "natuurjodelen". Het beeld dat ik onthou: in een idyllisch bergdorpje staat een mooi houten huis en in dat huis zitten twee jonge ouders met hun drie kinderen rond een tafel, en die ouders leren hun kinderen zachtjes jodelen. Toon voor toon, zoals de letters van het alfabet. Ik schaam mij ineens diep over mijn gedrag: dat jodelen van die buschauffeur was geen toeristen-jochei, dat jodelen van hem is even ernstig te nemen als a capella zingen of gedichten schrijven.
Ik neem mijn ideeënschriftje en ik noteer. WAT: Jodelen (ernstig) WAAR: Muotatal (Ch) WIE: Hugo Zemp (RTBF). 

muota.png

Meer dan anderhalf jaar later bel ik regisseur Zemp die niet op de RTBF, maar in een wetenschappelijk instituut in Parijs blijkt te werken. Heel bekend is hij er niet, want ik moet hardop zijn naam blijven herhalen (Zinc? Senf?) voor ik hem aan de lijn krijg. De heer Zemp is niet blij dat ik zijn programma een goed programma vind. De heer Zemp vindt dat ik niks te zoeken heb in het Muotatal. De heer Zemp wil geen adressen geven van jonge families die rond de tafel jodelen. De heer Zemp gaat mij zeker niet helpen, zegt hij, "want journalisten zijn niet te betrouwen. Eén keer heb ik mijn adressen in vertrouwen aan een journalist gegeven en nadien mocht ik bijna niet meer binnen in het Muotatal omdat mijnheer de journalist zo'n onnozel stuk had geschreven." Zie zelf maar hoe je er geraakt, sneert hij nog. Zempathieke man. Wil het jodelen zo'n beetje voor zich houden. Heeft zijn eigen onderzoeksterreintje tussen de alpenroosjes en de edelweissjes ontdekt. Brengt er goedkoop zijn vakanties door ("het is voor het werk!") en ik mag niet op zijn privé-territorium komen of hij zorgt ervoor dat de plaatselijke bevolking gesloten is.
Ik begeef me dan maar naar de Zwitserse Dienst voor Toerisme: weet Anne-Marie Harms waar men het oerjodelen nog aan de kinderen leert? En kent ze jodelaars die mij de Filosofie van het jodelen kunnen uitleggen? Ze weet van mijn volgende reportage over de "redders van de Eiger" en ze zegt dat ik beide moet combineren. In datzelfde Grindelwald (bij de Eiger) is een jodelclub "en daar zitten zeker mensen tussen die u over het traditionele jodelen kunnen vertellen".  

Om me voor te bereiden stap ik alvast naar de bibliotheek en daar vind ik het  naslagwerk "Volkskunst der Schweiz", in 1922 door ene professor Richard Weiss geschreven. Ik lees dat jodelen "vaak voorkomt bij eenzame herders in de bergen die in urenlange jodelmonologen uiting geven aan hun gemoedsstemming." Ha! Geef mij de eenzame herders! De gegroefde voorhoofden! De getaande wangen! De grijze stoppelbaarden! Eenzame herders, bestaat gij nog? Zeg mij, waar kan ik u vinden in 1991?

In dat naslagwerk alvast één heel vreemde illustratie op pagina 227. Een man staat allenig te jodelen op de rand van een vrij hoge rots. De man staat er met een baard, een gezwollen borst én een gestrekte vinger in zijn oor. Het onderschrift: "Alpler jodelt ins Tal hinunter -den Finger ins Ohr." Het is een bijzonder gezicht, die ouwe geitenboer die daar als Paul McCartney staat te zingen op 1200 meter boven de zeepsiegel. Elders lees ik ook dat "kleine groepjes jodelaars mekaar soms bij het Ohrläppchen vatten bij het gezamelijk jodelen". Dat vind ik aandoenlijk, dat er ergens in Europa nog mensen bestaan die mekaar tijden het zingen bij dat allerkleinste lichaamsdeeltje vasthouden. Dàt moet ik zien!

De jodelclub van Grindelwald in de jaren ‘80.

De jodelclub van Grindelwald in de jaren ‘80.

Ik reis naar Grindelwald, een toeristenoord in het Zwitserse Berner Oberland. Voor mij zitten twee leden van de plaatselijke jodelclub, Samuel Michel (53) is leraar, Christian Egger (69) is gepensioneerd spoorwegbeambte.
Ik val met de deur in huis. In België, zeg ik, is jodelen synoniem voor slecht zingen, voor onnozele refreinen, en voor ha-la-li met een hoed op. Belgen lachen als ze het woord jodelen horen. Beiden kijken ze mij aan, zichtbaar geschokt: denkt men er werkelijk zo over in uw land? Ik knik zachtjes van jawohl. Nee, dat hadden ze niet kunnen denken van België. Zijzelf kunnen niks kwaads over ons land verzinnen, hoe komt het dan dat de Belgen? Ik zeg dat mijn arikel iets aan dat Grote Misverstand wil doen, dat mijn blad honderdduizenden lezers heeft en dat die na het artikel wel ànders zullen denken .En zo zijn ze maar al te bereid om mij te helpen.
Egger: "Onze familie woonde in een kleine vallei. Ik ben daar nogal eenzaam groot geworden. Op een dag voelde ik me heel weemoedig, ik was zo'n jaar of zeven, en terwijl ik de koeien hoedde, welden die jodeltonen ineens in mij op.  Niemad had ze mij geleerd. Het waren tonen uit mijn innerlijk, uit mijn onderbewuste. Dat prangde en dat gonsde in mij en dat moest eruit."
Michel kreeg het ook met de koeienmelk binnen: "Als kind stond je 's avonds bij zo'n hut war ze kaas maakten en dan hoorde je dat jodelen bij die bezige handen die melk goten en boter karnden. Oh, ik hoorde dat zo graag, en dan die trage bellen van d koeien erbij, dat was allemachtig mooi."
Hij heeft gelezen dat jodelen ontstaan is als groet in de bergen. Boeren die verspreid in de bergen woonden en die mekaar over die honderden meters afstand groeten wilden, deden dat met een gerekte melodie."
Hij vindt dat de bergen zélf ook tot jodelen noden: "Een mens die boven op een berg komt, die kan toch niet anders dan juichen?! Die vreugde van naar alle kanten te kunnen kijken, dan zingt het van binnen en dan wil het naar buiten! Dat is het wezen van het jodelen, iemand jodelt wanneer zijn innerlijke natuur blij is met de natuur rondom."
De oudste jodel en tegelijk de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie is de natuurjodel. Die worden gezongen bij het melken, bij het vee hoeden, bij het houthakken enzovoort. Natuurjodels worden overgeleverd van vader op zoon en dat gebeurt uitsluitend mondeling. Tot voor dertig-veertig jaar was het totaal verboden om ook maar één jota van een jodel op papier te zetten. Een jodel op een partituur was zoveel als een vlinder op een speld gespietst.
Een jodel is een ingeving van het moment, het springen van de ene toon op de andere, het sneller dan weer trager 'overslaan' van borststem naar kopstem, dat is niet op een muziekblad te vatten. Notenbalken zijn als tralies voor de jodel. Een jodel komt uit de natuur, is het gezegde, en mag enkel op een natuurlijke wijze bewaard worden. Papier was zonde.
Tot meer en meer mensen het zonde vonden dat jodels verloren gingen omdat steeds minder en minder mensen jodelden. Rond 1950 is men begonnen natuurjodels op te schrijven. In het geheim en met een slecht geweten. Hadden de voorvaderen niet gezegd dat de jodel dood zou gaan als hij zwart op papier kwam te staan!

Een natuurjodelaar in het Muotatal.

Een natuurjodelaar in het Muotatal.

Beluister hier een kort stukje Muota-natuurjodel

Jodelen in Bevordering
Ondertussen is de natuurjodel bijna uitgestorven. Men jodelt meer in de beslotenheid van het zanglokaal dan in de wijdsheid van de bergen. Deels omdat het isolement van de kleine berggemeenschappen afneemt, deels omdat de natuurjodel verdrongen is door het 'jodellied' (=jodel met strofe en refrein). Het jodellied is zo'n honderd jaar geleden vanuit Oostenrijk komen aanwaaien. Aanvankelijk was het niet meer dan een "en-de-boom-staat-op-de-berg-hali-hallo!- maar allengs werd het verfijnder en kunstzinniger. Zo kunstzinnig zelfs dat de natuurjodel nu als een "platte boerenjodel" wordt beschouwd.
Wie tegenwoordig lid wil worden van een jodelclub moet een opleiding klassieke zang gevolgd hebben, moet speciale stemtrainingen ondergaan en een aantal ademhalingstechnieken beheersen. Het gevolg van deze 'academisering' is dat vele natuurjodelaars niet langer in het openbaar durven te jodelen uit schrik voor 'boerenjodelaar' te worden versleten.
In 1991 zijn er in Zwitserland 700 jodelclubs. "En er komen er nog altijd nieuwe bij," zegt Michel, "in deze retro-tijd is jodelen in. Zoals men opnieuw de oude meubelen van opa opboent,zo haalt men ook weer het jodelen uit de kast. Het heeft dezelfde sfeer van authenticiteit."
Om de drie jaar houden de jodelclubs een Eidgenossisches Jodelfest, met tiénduizend deelnemers. Dat 'fest' is niet zomaar een zangfeest, maar hét grote competietreffen tussen de clubs uit de nationale jodelliga. Op het feest komen clubs uit eerste, tweede, derde en vierde klasse tegen mekaar uit. Wie goed zingt, promoveert. Wie slecht zingt, degradeert. Grindelwald zit samen met 250 andere clubs in de hoogste klasse. En in die eredivisie mogen ze geen steekje laten vallen. De uiterst strenge Kampfrichter letten niet alleen op zangritme en dynamiek, maar ook op de zuiverheid van het lokale dialect alsmede op kostuum en voorkomen. Elk ribje fluweel, elk kraagje moet heemkundig verantwoord zijn!
Nog een hoofdregel: iedereen moet met de handen in de zakken jodelen. De volledige hand moet in de broekzak. Geen duim aan de broeksriem! Geen pink overboord! Een jodelaar staat ook kloek rechtop, het hoofd lichtjes in de nek, het gezicht monter en opgewekt. Flauwe mondhoeken kosten punten!

Mannen. Montere mondhoeken. En de handen diep in de zakken. (Bron: Volksmusik in der Schweiz Ed. Ringier)

Mannen. Montere mondhoeken. En de handen diep in de zakken. (Bron: Volksmusik in der Schweiz Ed. Ringier)

De jodelsongs van de clubs ontstaan niet langer achter de koe, maar achter de schrijftafel van een heuse jodelcomponist. Er is zelfs een landelijke 'Sabam' die over de auteursrechten waakt als een jodel ergens wordt opgevoerd. Anderzijds bestaan er geen jodelzangers die de nationale hitparade bestormen. Dat is te commercieel, dat is tegen de principes. Nog zo'n principe: je vertolkt alleen materiaal van eigen bodem. Jodelaars uit Appenzell mogen enkel jodels uit Appenzell ten gehore brengen. "Mijn Kempenland" mag dus niet door West-Vlamingen gezongen worden.
Desondanks zijn jodelcomponisten in heel het land beroemd. En hun begrafenissen worden door honderden jodelaars uit heel Zwitserland bijgewoond. Op mijn eerbiedige vraag of er ook gejodeld wordt bij het graf blijkt er een verschil te zijn. Zij zijn protestant in Grindelwald, en daar is niet bon ton om te jodelen op een uitvaart. Maar in katholieke streken nemen ze alles wat losser, die doen het wel. Die componeren zelf volledige jodelmissen!

De meeste jodelclubs vind je in landelijke streken, maar grote steden hebben evengoed hun clubs. Dat zijn de zogenaamde Heimwehjodler. Veelal Zwitsers van het hoogland die om den brode in de grootstad wonen en werken. "Hun liefde en verlangen naar de bergen kunnen ze kwijt in het jodelen," zegt Michel. "Dat is echt heimwee. Die jodelen met de tranen in de ogen. Er zijn ook Heimwehjodler in Australië en Amerika. Voor al die emigranten is jodelen een manier om zich verbonden te voelen met de natuur van hun geboortestreek. En stedelingen die hele dagen een duffe kantoorbaan hebben, die wandelen als het ware door de bergen als ze 's avonds met hun koor kunnen jodelen."
Egger somt wat titels op uit een liedboekje, het gaat altijd over de natuur. Over een Murmelend Bergbeekje, over een Zonnige Morgen, een Stralende Dag, een Zoete Zomeravond, een Sneeuwwit Wolkenveld, of het Hagelwitte Edelweiss. Over het werk ook? Ja, over het Melken van de Koeien en het Trekken van het Paard, maar niet over De Tractor. Nee, zo ver gaan ze niet.
Men jodel-zingt ook niet over de vrouw, de liefde of de geboorte van een kind. Ja, zij weten dat dat vreemd klinkt, want het is mooi om over vrouwen of kinderen of de liefde te zingen, maar liever zingt men over Het Landschap, dat is zo zuiver, zo prachtig, zo allewijds schoon. 
Dat er hier in Grindelwald alsmaar meer parkeergarages gebouwd worden en dat er op de hellingen alsmaar meer skipisten de koeienweiden kapotsnijden, ja, das tut Weh, maar dat kunnen zij met hun jodelen niet verhelpen. Er wordt ook nooit over de actualiteit gejodeld, dat zou heidens klinken. En het bejodelen van een glas witschuimend bier, is dat toegelaten? "Jodelclubs zijn géén drinkclubs," zegt Michel nadrukkelijk, "wij zingen dus niks dat zweemt naar eins, zwei, drei zaufen." En dat is toch lichtjes onbegrijpelijk als men weet dat de meeste jodelclubs mannenclubs zijn. Ook hun club bestaat alleen uit mansvolk. Want vrouwen in een jodelclub, en nu kijken ze onwennig naar elkaar, "dat is eigenlijk een teken van zwakte, een teken dat je niet genoeg mannen hebt kunnen vinden." Wie hun logica wil volgen moet als volgt denken: vrouwen kunnen makkelijker jodelen, dat lijkt een feit te zijn, dus als je echt wil presteren, dan zoek je mannen. Mannen zijn niet zo’n makkelijke jodelaars, dus als je die zware weerbarstige stemmen in de hoogte kan tillen, dan wordt dat blijkbaar ook hoger ingeschat.
Het gesprek stokt even na deze masculiene verklaring, of ik nog vragen heb? Jazeker, steken ze bij het jodelen een vinger in hun oor, en, houden ze mekaar tijdens een samenzang bij de oorlel? Ik had de vragen evengoed in het Nederlands kunnen stellen, ze weten bij God niet waarover ik het heb. Ik toon tekst en illustratie uit het boek van professor Weiss en allebei schieten ze in een luide lach: "Der Herr Professor heeft zich een oor laten aannaaien. Heel waarschijnlijk hebben die bergboeren mekaar voor de grap bij de oorlel gepakt en heeft hij dat voor wetenschap aangenomen, hahaha!" Jammer. Alleen al voor dat Ohrläppchen was ik helemaal naar hier gekomen.

Jonge traditionele jodelaars in Appenzell 2014  -(Bron: Chlause Schuppel Schwarzbären Zäuerli - Reinhold Großmann)

Jonge traditionele jodelaars in Appenzell 2014 -(Bron: Chlause Schuppel Schwarzbären Zäuerli - Reinhold Großmann)

Drama
Diezelfde avond logeer ik bij vrienden in Bern en zij vertellen dat ze recent een moderne film gezien hebben over het jodelen. In de bioscoop zelfs. Titel van de prent: "Alpenglühn (1987).Thema: een jonge vrouw uit de stad leert jodelen, maar als ze een tijdje lid is van een jodelclub komt het tot een conflict. Zij moet niks hebben van de oubollige teksten en heeft meer zin in het zuivere  "natuurjodelen". De traditionele jodelzangers nemen dat niet en pesten de "indringer" uit de stad buiten. Neem het van mij aan: dit is niet zomaar een existentieel drama, dit is hét existentieel drama van Zwitserland: traditie versus vernieuwing, land versus stad, mannenmaatschappij versus vrouwenemancipatie.  
Weer thuis leg ik "Mier Grindelwald" op, een Lp met 'the best of' van de jodelclub. Hoewel de Lp krom staat van de knullige harmonica-partijen en de gezwollen gezangen, staan er ook mooie stukken alpenhoorn en jodel op. Toch kras hoe die jodelaars zo lang en zo aangehouden kunnen jodelen. Het is alsof ze op de toppen van hun longen gaan staan om bij de toppen van de bergen te kunnen. Jodelen heeft iets van janken naar de maan. De arme hond in ons die huilt omdat hij niet bij de volle schoonheid der dingen kan.

In de volle uier
Weken later komt ook een langverwacht pakje met de post: "Zaüerli. Yodel d'Appenzell", 45 minuten jodel uit het kanton Appenzell (opgenomen door onze vriend Hugo Zemp!) Omdat ik geen cd-speler heb, klop ik aan bij onze bovenbuur Jan en alras klinken de koeienbellen stereo door zijn woonkamer. Het zijn niet alleen natuurjodels, het zijn ook natuuropnamen: men hoort boeren duchtig de neus schoon blazen, koeien rammelen aan de ketting, en ergens valt een lege emmer om. En terwijl je de melk met regelmaat van de tepels in de emmer hoort stroelen, sleept een trage, weemoedige  zaüerli door de stal. Buurman Jan herinnert zich ineens dat Radio 3 (nu: Klara,jh) al eens een documentaire had over jodelen, in het kader van Ethnische Muziek. Tot zover de Humo-pionier die dacht dat hij baanbrekend werk verrichtte. In Brussel blijkt er al jaren een Jodel-Alwetende te huizen! (Niet veel later hoor ik ook dat Arnold Rijpens van Omroep Brabant al jaren geleden een "jodelspecial" heeft uitgezonden, met onder andere "cowboy-jodels" van Hank Williams.)
Bij Radio 3 krijg ik producer Herman Vuylsteke aan de lijn. Ja, hij heeft het al vaker over jodelen gehad. Niet alleen over jodelen in de Alpen, maar jodelen in héél de wereld. In Amerika, Afrika, Azië én Oceanië. "Uw jodelen van Zwitserland, dat is pure decadentie." De vooroordelen zijn de wereld nog niet uit, maar ik besluit hem toch te interviewen. En om die vraag niet telefonisch afgewimpeld te krijgen, zal ik Vuylsteke persoonlijk gaan opzoeken op de Reyerslaan, lokaal 2B31.

The jodel is the message
De producer is een beetje knorrig als hij me ziet. Hij is wekenlang ziek geweest en kijkt tegen een stapel werk aan. Hij heeft ook geen hoge pet van Humo, wat kan Humo schrijven over zo'n complexe zaak als het jodelen, dat wil hij nog wel eens zien! En hij hééft iets tegen die Zwitserse jodelaars. Die denken verdekke dat jodelen alleen in Zwitserland bestaat, die kijken niet over de grenzen: "Alle mensen associëren jodelen met Zwitserland, maar nergens is de de jodel zo plat als daar. Elders bestaan er veel rijkere tradities." 

hollerin.png

Of ik al van hollerin' gehoord heb? De jodel van de Amerikaanse Appalachen? Zoveel rijker, zoveel geschakeerder, zoveel authentieker dan de Zwitserse jodel. Hij zoekt een plaat uit de kast en vanop de pick-up klinkt een hijgend kort afknappend jodelen, -ahoe ahie ahaa aheu- alsof iemand van zijn longen een heftig balgje heeft gemaakt. A propos, heeft hij volgende week tijd voor een afspraak?  Hoe langer hij in zijn agenda kijkt, hoe minder tijd hij heeft. Of het moet zijn dat ik hem nu wil volgen naar de mess van de BRT, dan kan hij onderweg verder vertellen.
Nooit eerder heeft een Belgische reporter een interview afgenomen over de complexe materie van het jodelen terwijl hij mee aanschuift voor een kalkoenlapje met prinsessenboontjes. Een historisch moment! Het lijstje échte jodellanden groeit aan tussen de soep en de kroketten: Noorwegen, Polen, Roemenië, Bulgarije, de Pyreneeën en niet te vergeten, de Pygmeeën! Die jodelen als ze op jacht gaan.
Heeft jodelen iets met de gemoedstoestand, het eenzaam-in-de-bergen-zijn? Vuylsteke lacht schamper. Alsof jodelen de blues van de bergen zou zijn? Poeh! Praat voor de toeristen! Elke muziek heeft in wezen te maken met hoe iemand zich voelt, dat is absoluut niet typisch voor jodelen. Jodelen -en dat moet ik goed onthouden- "is een vorm van communicatie. Jodelen komt alleen maar voor op plaatsen waar weinig mensen wonen. Bergbewoners jodelen om contact op te nemen met elkaar. En ze jodelen ook om hun kalmerende stem te laten horen aan de dieren die ze hoeden."
En zo komt hij erbij om het Zwitserse jodelen 'decadent' te noemen. "Er wordt niet meer gejodeld om het isolement in de bergen te doorbreken, er wordt haast uitsluitend gejodeld om een traditie te behouden. Wat ooit eenvoudig en volks was, wordt verfijnd, wordt gecultiveerd, geharmoniseerd en... gecommercialiseerd."
We zijn intussen al aan het dessert (broodpudding) en aan de Moti (spreek uit: Motsi), een Roemeens bergvolk, "zoals zij kunnen jodelen, magnifiek!" Hij heeft er opnamen en goeie vrienden gemaakt en ze blazen er ook op een alpenhoorn, geen kromme, maar een rechte hoorn, een zogenaamde tubnik. En dan heb je ook nog de sino-tibetaanse, de sino-laotiaanse en de sino-taï volkeren in China, die jodelen allemaal. Zoals de Miao (spreek uit: miauw), dat zijn van die heel kleine menskes, zoals die jodelen, ook weer magnifiek! Ik moet opstappen, zeg ik. Als ik nog vragen heb, dan neem ik wel de telefoonhoorn.

Zo, de zaak leek mij rond. De jodelkwestie afgedaan. Eén ding wilde ik nog doen: de muziekredactie van Humo vragen of ze ter illustratie een plaatbespreking kunnen afdrukken waarin het woord jodelen in zijn welbekende negatieve en onnozele zin is gebruikt. Frank Vander linden na een korte rondvraag: "Het spijt ons ten zeerste dat wij u niet kunnen helpen. Ik ben er zeker van dat wij allemaal al het woord jodelen in de door u aangehaalde pejoratieve betekenis gebruikt hebben, maar niemand weet nog bij welke plaatbespreking. U moet dat begrijpen, wij houden daarvan geen fiches bij (lacht)." 
Kijk, dat lachen, dàt is er teveel aan.

 NAWOORD: De moderne tijd heeft het “oude” jodelen intussen ingehaald. Voor het primitieve natuurjodelen bestaan intussen zelfs workshops en ook audio-cursussen. Je kan zelfs leren jodelen “zoals in het Muotatal”. En onze vriend Hugo Zemp zit er weer tussen! Klik hier

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Trump: staat de verongelijkte kiezer nog altijd aan zijn kant?

Binnen enkele dagen kiest Amerika een nieuwe president. De peilingen geven een voorsprong aan Joe Biden, maar niemand betrouwt de peilingen omdat ze vier jaar geleden ook een overwinning van Hillary Clinton voorzagen. De zwevende kiezer en het resultaat in de swing states zullen de doorslag geven. Trump heeft in elk geval zeer trouwe kiezers: 80% van degenen die in 2016 voor hem kozen, zijn tevreden over hem.
Wie die loyale kiezers zijn, dat wist de cultuurhistoricus Joseph Amato al te vertellen de dag na de stembusuitslag van 2016. Hij zag de wrok tegenover het establishment groeien op het platteland.
Op die diepgewortelde wrok teert Trump nog altijd.

Humo november 2016 © Jan Hertoghs  

(Bron: City Journal)

(Bron: City Journal)

"Trump-kiezers missen iets bij de Democraten: die spreken amper over God of over de kerk."

De Democraten hebben het pleit verloren in de Rust Belt (de oude industriestaten) en op het platteland. Om een diepere verklaring voor de winst van Trump te vinden, spreek ik met Joseph Amato, eminent cultuurhistoricus. Hij woont in Minnesota, een landelijke staat die aanleunt tegen de Rust Belt. Ik leerde Joe kennen tijdens een Humo-reportage in Minnesota in 1998.
Was hij verrast door de triomf van Trump? 

Amato: “Ja, ik dacht dat Hillary het uiteindelijk toch zou halen. Maar als ik de laatste twee maanden lezingen gaf in de small towns, zag ik de Trump-bordjes wel flink toenemen."
Humo: Minnesota stemde al veertig jaar blue bij de presidentsverkiezingen. Nu werd Minnesota bijna red: Hillary had nog maar 1,4% voorsprong op Trump. Terwijl Obama Minnesota nog binnenhaalde met 7,7% verschil. 
Amato: "Ja, de Democraten houden hier amper stand. Ze blijven nog  overeind omdat hun sterkste afgevaardigde het opneemt voor de mensen op het platteland. Maar hij is ook tegen teveel gun control, tegen elk klimaatverdrag en tegen abortus!"
Humo: Hillary blijkt alleen overtuigend te kunnen winnen in kiesdistricten met een overwegende ‘gekleurde’ bevolking.
Amato: "Om Trump te verslaan richtte ze zich heel hard op de latino’s en de Afro-Amerikanen. Die kleurlingen leken ineens de toekomst. Kleurlingen, dat was levendigheid. Blanken, dat waren de kleurlozen, de lieden met een flets gedachtengoed. Kijk naar haar denigrerende uitspraak over de kiezers van Trump, the deplorables.  Dan had ze het ineens wél over blanken, maar dan wel over lieden die xenofoob, sexistisch en gun loving waren.
Kijk ook naar Obama na de IS-terreuraanslagen bij ons en in Europa. Hij vroeg weg te blijven van wraak en vooroordelen, hij vroeg respect voor de moslims in de VS. Maar hij had het zo vaak over die mogelijke racistische vooroordelen die de kop opstaken, en zo weinig over die terreurdaders zelf, dat veel blanken het gevoel kregen: hey, die politieke elite denkt wel heel smal over ons. Die ziet ons alleen maar als bekrompen geesten. En die perceptie heeft voor wrok gezorgd tegenover de elite."
Humo: Het platteland kiest ook hard tegen abortus in vergelijking met de kosmopolitische steden waar de Democraten “heersen”.   
Amato: "Veel Trump-kiezers missen iets bij Clinton en Obama: die leiders spreken nauwelijks over God of kerk. Mensen op het platteland vinden dat erg. Zij rekenen nog op God en op de kerk, zij rekenen nog op de christelijke gemeenschapszin van de kleine community. In Clinton en Obama vinden ze daarvan niks terug. In hen zien ze de seculiere grootstad die het individu verkiest boven God, met die persoonlijke keuze voor abortus en voor homorechten. En daarmee kunnen ze zich niet identificeren."

trump po box.png

Humo: Er zit ook wrok en ongenoegen bij de boeren.
Amato: "Ja, de boeren moesten van de banken en de agrosector altijd maar grootschaliger worden: zij moeten de wereld voeden. Zo zijn ze macro-economisch aangemoedigd. Maar als zij -ook economisch!- hun rekeningen maken, dan zien ze amper geld voor hun melk, hun maïs en hun soja. En dan vragen zij zich af: wij voeden  miljoenen mensen, maar ziet iemand ons eigenlijk wel staan? Mogen wij ook nog leven?
Omdat hedendaagse boeren zo grootschalig zijn en veel land bestrijken, worden ze aan meer regels onderworpen en ook zwaarder belast, voor hun wegengebruik of hun waterpollutie. Ook dat zorgt voor wrok tegen de overheid, want zo zien ze hun vrijheid beknot.   
Tegelijk zien die boeren en àlle rurale bewoners hun kleine stadjes de dieperik ingaan. Decennialang konden ze rekenen op een middenstand, op winkels, op een postkantoor. Nu rest alleen nog het tankstation met enkele winkelrekken. Voor die plattelandbewoners is daar iets uit hun handen geglipt.
Hun stadje had vroeger nog een school en een klein hospitaal, dat is weg, of overgenomen door een campus met hoofdzetel twee uur daarvandaan. Dat is meer dan terugloop, dat is verlies van controle.
Tegelijk zijn diegenen die op dat leeglopende platteland blijven wonen nog altijd hardwerkende mensen. Maar voor dat werk, voor die werkplek en dat vaak lage loon moeten ze altijd verder rijden. Naar stadjes die nog niet zijn leeggelopen. Naar bedrijven die nog niet zijn gesloten. Ook die lange autoverplaatsingen gaan wringen als een verlies van controle over je leven. En zo voelt men zich: ver verwijderd van werk én ver verwijderd van de elite die niet omkijkt naar hun bestaan."  
Humo: Er blijkt ook veel onvrede over Obamacare.
Amato: "Brede gezondheidszorg was een goed idee, maar ze werkt  niet op het platteland. Die kleine ondernemers moeten nu hogere sociale lasten dragen, maar daardoor kunnen ze de kop niet meer boven water houden. Tegelijk zien werknemers met lage brutolonen dat er 25 tot 30% wordt afgehouden voor die gezondheidszorg. Ze zijn dan medisch beter beschermd, maar financieel worden ze soms gedwongen om een extra-baan te zoeken. De Democratische gouverneur van Minnesota heeft het  onlangs brutaal gezegd: “Obamacare werkt niet!” Dat zei die Democratische leider in volle verkiezingstijd! “
Humo: De Democraten rekenden Minnesota, Michigan en Wisconsin bij de Blue Wall; staten die steevast blauw stemmen. Clinton ging daar gemakshalve amper op bezoek. Die haast arrogante verwaarlozing keerde zich tegen haar.
Amato: "Dat gevoel van oneerlijk behandeld te zijn speelde wellicht. En het entte zich ook op een veel ouder gevoel. Ik ben zelf vakbondsman geweest en in Minnesota had je altijd sterke vakbonden, zeker in het noorden, in de mijnstadjes. Die plaatselijke unions waren Democraat én patriottisch, die stonden achter de New Deal van Roosevelt, die stonden achter hun jongens die naar Wereldoorlog II gingen en daar hun leven gaven voor de vrijheid van Europa.
Na de jaren vijftig verwaterde de werking van die local chapters. De vakbondskantoren verdwenen uit de kleine stadjes, en de vakbonden kregen secretariaten in de grootstad. Een centralisering waardoor de vakbonden voeling verloren met hun basis. Vergelijk het met de socialisten in Europa, dat waren de baanbrekers van de negentiende eeuw tot 1960, maar nu lopen ze ook door Brussel met hun laptop- en aktentassen, of niet soms?! Onze vakbonden zijn lokaal weggedeemsterd, jullie socialisten hebben geen volkshuizen meer en zijn grotendeels de band kwijt met hun traditionele kiezerspubliek. Ook dat uit zich in wrok en afkeer. 

trump 50s.png


Lokaal zijn de blanken ontworteld doordat de laatste decennia zoveel functies die uit die kleine stadjes verdwenen zijn, en nationaal vragen ze zich af: waarom hebben onze vaders en grootvaders zich ooit krom gewerkt voor die nationale wederopbouw van Roosevelt? Waarom hebben ze hun leven geofferd in die Europese oorlogen? Zij hebben gegéven voor Amerika maar wat krijgen wij terug? Een Amerika waar nog altijd zoveel gezinnen en kinderen in armoede leven!
En dààr zit de winst van Trump. In dat inspelen op die vaak onuitgesproken wrok. En waar de Democraten niet meer weten hoe ze met die blanken moeten omgaan, daar bezorgt Trump hen een nieuwe identiteit: de bouwer zijn van een Great America.
En wat stelt Clinton daartegenover? We want everybody to prosper, wij willen welvaart voor iedereen. Maar dat is een formulering zoals: ik wens iedereen een gelukkig nieuwjaar. Dat is een gemeenplaats, dat rààkt de mensen niet. Integendeel, dat wollige woordgebruik verstikt dat gevoel van mensen die een verlies ervaren. Een verlies van inkomen, van community, van religie of van morele waarden. Die kiezers worden wrokkig als je dat verlies toedekt met vage voornemens.
Wrok en verongelijktheid zitten dieper dan socio-economische factoren. Vandaar dat Trump ook kiezers wint buiten de working class.
In Groot-Brittannie heeft wrok tegen de Europa-elite toch ook de brexit aangemoedigd. Ja, wrok is een sterke politieke motor in àlle historische ontwikkelingen."

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De sprookjes van Trump

Bij het begin van zijn ambtstermijn in 2017 nam president Trump een opvallend besluit. Sprookjes die uit Europa werden ingevoerd moesten aan een diepgaand onderzoek worden onderworpen. Uit Europa komt immers veel fake news en dat wilde Trump een halt toeroepen.

Humo februari 2017 - licht ingekort en extra verlucht met lichtjes dwaze illustraties - © Jan Hertoghs   

Ingescand uit Humo

Ingescand uit Humo

“Hans en Grietje hadden gewapend het bos moeten betreden.”

Volgens president Trump is de klimaatopwarming een fabeltje; hij gaat ervan uit dat het wel zal koelen zonder blazen. Maar als de klimaatopwarming al een verzinsel is, wat dan met de échte fabels en sprookjes. Die komen vaak uit Europa en die moeten volgens Trump eveneens op hun waarheidsgehalte onderzocht worden. En zo krijgen de sprookjes een Trumpal guidance, een soort waarschuwende bijsluiter waarin Donald Trump uitlegt hoe men met deze verhalen omzichtig moet omspringen “omdat ze opvallend veel fictie of fake news lijken te bevatten”.  

Klein Duimpje
Het gezin van een arme houthakker heeft zeven zonen. De kleinste wordt Klein Duimpje genoemd. De wanhopige ouders sturen hun kinderen tot twee keer weg vanwege de honger en de armoede. De tweede keer verdwalen de kinderen in het bos omdat vogels hun spoor van broodkruimels hebben opgegeten. De kinderen vinden onderkomen in een groot huis. Daar woont een reus, die ruikt “mensenvlees” en wil hen opeten. Ze kunnen ontsnappen dankzij Klein Duimpje die de zevenmijlslaarzen van de reus heeft aangetrokken.
Trump: “Eerst en vooral: ik hou van houthakkers én van hun hemden. Great people. Great shirts. En ze hakken bossen om. Dat schept ruimte op onze aarde. Dat kinderen hun weg kunnen terugvinden met kiezelstenen is knap. Kids are smart. They’re great! Kiezelstenen zijn ook ideaal, zeker op opritten, zo vind je altijd je garage terug! Wat ik haat zijn die vogels die de broodkruimels opeten. Vogels, ze zijn niét te vertrouwen. Ze vliegen in straalmotoren en ze doen vliegtuigen neerstorten. I hate them. Die zevenmijlslaarzen zijn een goed idee. Ik zorg ervoor dat onze schoenindustrie die laarzen gaat maken. Daarmee zal onze economie een flinke stap vooruit zetten. Brillant opportunities also for those in the shoeshine business!”

wolf trump.jpeg

Roodkapje
Er was eens een moeder en die vraagt aan haar dochter Roodkapje. om boodschappen te brengen naar grootmoeder. In haar huis wordt Roodkapje opgegeten door de wolf die eerder ook al grootmoeder oppeuzelde. De wolf valt na die maaltijd in slaap, een jager hoort zijn gesnurk, hij snijdt de wolf open en haalt grootmoeder en Roodkapje eruit. De wolf verdrinkt met stenen die in zijn wolvenbuik zijn genaaid.  
Trump: “Wolven zijn een plaag. Door de groenen zijn er teveel wolven. Het natuurlijk evenwicht is verstoord. Eerst eten ze alle schapen op en nadien ook nog eens de vele onschuldige grootmoeders die met wol breien. Wetenschappers zijn dom dat ze die aberratie niet hebben zien aankomen. Het blijkt ook dat die beesten geitjes eten, vaak met zeven tegelijk. Niemand is gebaat met wolven. Wat hebben ze al gedaan voor ons land? ’s Nachts urenlang huilen en zeuren, dat is alles wat ze kunnen! Als onze jagers die beesten uitroeien, komt dat onze wolindustrie ten goede. Wol: ja! Wolf: nee!” 

heks grietje.jpeg

Hans en Grietje
Er was een arm gezin met twee kinderen, Hans en Grietje. Hun ouders hadden geen eten meer en stuurden hun kinderen het bos in. Ze komen bij het peperkoeken huisje en worden binnengelokt door de heks. Zij wil Hans vetmesten in een hok en Grietje moet al het werk doen. Als de heks Hans in de oven wil stoppen, duwt Grietje de heks in de oven.
Trump: “Ouders die hun kinderen het bos insturen, nemen een groot risico. Bossen zijn gevaarlijk, altijd geweest. Wellicht had deze heks lang haar, lelijke tanden en een kromme wijsvinger? Ik haat vrouwen die eruitzien als heksen. Het zijn feministen. Nooit heeft zo’n heks een man. That’s a fact.
Heksen horen in het vuur. Door dat Grietje is gerechtigheid geschied. Maar als die kinderen gewapend waren geweest, was het nooit zover gekomen. Dan schiet je zo’n bitch neer nog voor ze één onwettige vinger kan uitsteken. Aan kinderen zeg ik ook altijd: doe aangifte bij de politie als je ergens een bezem ziet. Daarmee schenden ze ons luchtruim, de politie weet ervan.”

assepoes 1.jpeg

Assepoester
Er was eens een man met een lieve dochter. Hij hertrouwt met een gemene vrouw die twee gemene dochters heeft. Ze behandelen zijn dochter heel slecht: ze moet bij de open haard slapen; vandaar haar naam Assepoester. Op het naburige paleis geeft de prins een bal. Bij toverslag krijgt Assepoester een feestjurk en glazen muiltjes; een pompoen wordt een koets met paarden. De prins danst de hele avond met haar. Om middernacht breekt de betovering. Eén glazen muiltje blijft achter. Na lang zoeken vindt de prins het meisje dat in dat éne schoentje past.
Trump: “Eerst wil ik iets zeggen over die pompoenen. Schitterende groente! Je kan er zoveel mee doen. Soep. Halloween. En nu ook koetswerk. Alles kunnen ze. Great vegetables! Dan die glazen muiltjes. Ik denk dat er een markt is voor doorzichtige waterdichte schoenen. De Chinezen proberen ons allicht voor te zijn. Terwijl wij het meeste glas hebben ter wereld. Het zit in onze brillen, in onze voorruiten en in onze achterruiten. Wij moeten de glasindustrie nieuw leven inblazen. Het is onze toekomst. Ook kapot glas is de toekomst: de meeste scherven brengen geluk. That’s a fact.”

De rattenvanger van Hameln
Een stadje in Duitsland wordt overrompeld door ratten. Een jonge rattenvanger biedt zich aan. Met zijn fluit leidt hij de  rattenstroom weg en verdrinkt ze in een rivier. Het krenterige stadsbestuur weigert te betalen. De jongen neemt weerwraak: met zijn schalmei lokt hij alle kinderen uit Hameln weg en neemt ze mee naar een onbekende bestemming. 
Trump: “Typisch Duits verhaal. Eerst is het: wir schaffen das, en daarna is het terugschrikken van de consequenties. Ze hadden al eerder een muur moeten bouwen tegen die ratten. In Berlijn bouwden de Duitsers een fantastische muur. Waarom dan niet in Hameln?! Je hebt muren nodig als je veiligheid wordt bedreigd. Ik ga overal muren bouwen. Muren kunnen de eeuwen doorstaan. Kijk naar de Chinese muur, die staat er nog. En hoeveel Mexicanen wonen er in China? Geen tien. Mensen hebben muren nodig. Als ze geen muren hebben valt het dak op hun kop.”

spiegel.jpeg

Sneeuwwitje
Een koningin krijgt een prachtig dochtertje met een blanke huid, Sneeuwwitje. Na haar dood krijgt Sneeuwwitje een stiefmoeder. Die nieuwe koningin kijkt vaak in een spiegel aan de wand die haar vertelt dat Sneeuwwitje mooier is dan zij. Jaloers geworden vraagt ze een jager om haar te doden, maar die laat Sneeuwwitje lopen. Ze vindt onderdak bij zeven dwergen. De koningin weet haar toch te vinden en als appelvrouw geeft ze een vergiftigde appel aan Sneeuwwitje. De dwergen baren haar op in een glazen kist. Een mooie prins komt langs, de appel schiet uit haar keel en het springlevende Sneeuwwitje trouwt met de prins.  
Trump: “White people are smart by nature. Maar dit blanke meisje Sneeuwwitje is niet van de slimste. Als je werkelijk zo knap bent, dan trouw je meteen met die prins. Dan ga je niet bij dwergen wonen en in glazen kisten liggen wachten. Tijdverlies! Alleen die sprekende spiegel spreekt me aan. Ik zou vaak met ‘m praten. Ik heb de indruk dat hij heel intelligent is, en heel knap. Spiegels hebben een intrinsieke meerwaarde die glazen deuren bijvoorbeeld niet hebben. Spiegels denken met je mee, ze hebben een apart soort reflectie. Ik hou van spiegels. Spiegels houden ook van mij. Ze steken vaak hun hand of hun duim op. They’re so cool!” 

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De derby Antwerp-Beerschot: rood-witte honden versus mauve-witte ratten

Na de gewonnen Europese match van donderdag moet Antwerp zondag de stadsderby spelen tegen Beerschot.
Het is de eerste derby in eerste klasse sinds het seizoen 2003-2004: beide ploegen “overwinterden” jarenlang in lagere afdelingen.
Antwerp speelt terug in eerste sinds de zomer van 2017. Beerschot promoveerde vorig voetbalseizoen.
Eenzelfde (langverwachte) derby was er in het jaar 2000 en ook toen kwamen beide ploegen terug uit een verblijf in een lagere afdeling.
Dat zorgde voor dit gesprek met enkele hevige fans en clubiconen van toen. O. a. Patrick Janssens, Gene Bervoets, Luk Perceval, Dirk Roofthooft, Rik Coppens en Vic Mees.

Humo november 2000 - licht ingekort © Jan Hertoghs
* tenzij anders vermeld: foto’s ingescand uit Humo

Schermafbeelding 2020-10-22 172653.png

Rik Coppens: "Derby, derby, niks te derby! Er is geen Beerschot meer!"

Ik heb de Heer Jezus ooit zien verschijnen op het Kiel. Twee meter groot, in dik bordkarton uitgesneden, in paars-wit geschilderd en op twee planken genageld en gekruisigd. Zo droegen Antwerpsupporters hem rond het veld. De supporters loeiden, de politie greep te traag in, en toen werd de gekruisigde ook nog eens in brand gestoken. Dat waren de jaren zeventig, dat was de folklore en de rivaliteit tussen de twee oudste Antwerpse clubs. In de jaren negentig degradeerde Beerschot met zijn schuldenlast naar derde afdeling, en ook Antwerp degradeerde naar het vagevuur van 2de klasse. Beider verrijzenis volgde tegen het jaar 2000. Beerschot kwam in 1999-2000 terug in eerste als ‘gefusioneerde’ aanhangwagen van Germinal Ekeren. Antwerp wist in 2000 op eigen studs uit de put van tweede klasse te kruipen. En zo staat er na lange tijd nog eens een Antwerp - (Germinal) Beerschot op de affiche. Vandaar deze aftrap met bekentenissen over eindeloze clubliefde, dolle tribunehumor en zwangerschappen op de staanplaatsen.  

gene.jpeg

Gene Bervoets: in de schoenen van de groten

Als ik de vliegende kok van “Gentse Waterzooi” opbel zit hij thuis met een zware angina. Net nu hij het nieuwe clublied van Germinal Beerschot Antwerpen op mini-CD moet inzingen!
“Ik ben geboren op het Kiel en ik heb de liefde voor Beerschot via mijn vader en grootvader gekregen. Mijn grootvader was de terreinverantwoordelijke, de man die voor het gras, de kalklijnen en de doelnetten moest zorgen. Als hij op het veld bezig was, mochten wij in de gangen van het stadion katteke en verstopperke spelen. Ik ken dat stadion dus door en door, ik heb als kind van zeven jaar ook één keer in de kleedkamer mogen zitten toen de eerste ploeg -met Jan Verheyen - zich aan het klaarmaken was. Zo’n dingen vergeet je van je leven niet. Mijn vader was dan weer masseur en ook trainer van de UEFA-juniores. Hijzelf beweert tot op de dag van vandaag dat hij Rik Coppens ontdekt heeft. Op een dag waren de UEFA’s slechts met acht spelers en mijn pa is de Rik toen thuis gaan halen en hij heeft ‘m achterop zijn fiets naar het plein gebracht…waar Rik de pannen van het dak speelde en dat zou de doorbraak van Coppens zijn geweest. 
Bij ons thuis kwamen soms ook de shirts en de shoes van de eerste ploeg terecht om schoongemaakt te worden. Ik speelde toen als jonge gast bij Kindervreugd (een vereniging van het Antwerps Stedelijk Onderwijs,jh) en ik heb dikwijls een paar van die shoes uit die manden gepakt om mijn wedstrijdje van woensdag te spelen. Dus in plaats van met een maatje 37 speelde ik met een maat 43 van een sjotter van de eerste ploeg van Beerschot! Dat gaf mij vleugels natuurlijk, zo’n echte shoe met een ijzeren tip en leren noppen eronder! Ik was zelf geen onverdienstelijke voetballer; in een ‘entente’ van Kindervreugd en de Antwerpse clubs heb ik nog samen met Lozano in de ploegopstelling gestaan! 
Als je me vraagt waarom hou je van Beerschot, dan is dat als vragen waarom hou je van je moeder? Ik zou niet anders weten, ik zou niet anders kunnen, ik ben opgegroeid met Beerschot. Ik vond ook dat Beerschot meer stijl had dan Antwerp. De club had meer allure. Antwerp is altijd een club geweest met een volkser karakter. Het stadion van Beerschot ligt ook midden tussen de straten en de winkels, wij zijn letterlijk de ploeg van ‘t stad terwijl Antwerp daar ergens verloren ligt tussen de velden en een paar flatgebouwen. 
Wat ik niet oké vind aan Beerschot, zijn die talrijke Vlaams Blokkers onder de supporters. Die laten nogal eens van zich horen, en dat stoort mij, dat hindert mij dat die daar zijn.
Humo: Ben je ook nog gaan kijken toen ze in derde speelden?
«Ja, maar het was pijnlijk. Het grote Beerschot dat speelde tegen iets dat Francs Borains (= uit de Borinage,jh) heette. De club van ‘t stad die dan verloor tegen Kapellen, dat is niet om aan te zien. Soms zaten we zelf te lachen met de manier waarop er gespeeld werd." 

GVA 30/1/89

GVA 30/1/89

Humo: Ik heb een knipsel uit Gazet Van Antwerpen dat er toen zo weinig volk kwam dat de omroeper een bandje met applaus afdraaide als de Beerschotspelers op het veld kwamen.
«Is dat zo?! Ik ben ook niet naar al die matchen gaan kijken in derde omdat ik veel in het buitenland verbleef."
Humo: Vlak voor de fusie met Ekeren was er zo’n geldgebrek dat Beerschot een oproep deed naar spelers die gratis wilden komen spelen. Volgens Gazet Van Antwerpen kwam er zelfs een kerel opdagen  “op moonboots”.
«Zwijg! (lacht) Nu het voorbij is, kunnen we erom lachen, maar toen was het alleen maar zak en as. Zelfs Jan Mulder blikte in die dagen met weemoed terug op de club die door Anderlecht zo gevreesd was; hij had het over “de hel van het Kiel”.  
Humo: Nu wacht "de hel van Deurne”. Wat wordt het?
«1-1 tot de laatste minuut en dan is er een vrijschop en trapt Marc Degryse ‘m op magistrale wijze tegen de netten en daarna gaan wij allemaal zingend naar huis!” 

(c) gie Knaeps

(c) gie Knaeps

Dirk Roofthooft: brandende lucifers 
De acteur (van onder andere “Terug naar Oosterdonk” en “Hombres Complicados”) over zijn rol in de al 120 jaar lopende productie Royal Antwerp Football Club aka “The Great Old”. 
“Ik ben een absoluut roodwitte hond, maar ook een voetbalfan tout court. Ik ben als Antwerpsupporter zelfs naar Juan Lozano op het Kiel gaan kijken omdat ik me niet alleen door een club maar ook door een wonderlijke voetballer kon laten meeslepen. Nu heb ik minder tijd voor het voetbal, nu is er ook die overkill van voetbalwedstrijden op televisie, maar voetbal is voor mij lange tijd dé ideale ontspanning geweest. Ik vergeet dan alle werk en alle zorgen, ik ben alleen maar bezig met dat balleke dat in die goal moet rollen. Daar schep ik een plezier in en bij Antwerp vond ik dat plezier, en dan zeker in de tijd van Georg Kessler en Walter Meeuws. Ik heb zelfs ooit dure tickets voor de Amerikaanse choreograaf William Forsythe laten schieten omdat ik op Antwerp-Spartak Moskou zat (1993) en het onvoorzien tot verlengingen kwam. Het was de halve finale van de bekerwinnaars, als Antwerp won, gingen ze naar de finale op Wembley, en ik heb die prachtvoorstelling laten schieten, ik dacht, foert Forsythe, ik blijf zitten, en Antwerp heeeft toen nog gewonnen ook, een fantastische ontlading was dat!

(c) Jan Hertoghs

(c) Jan Hertoghs

Roofthooft: “Ja, ik keek uit naar die zaterdag of die zondag, ik keek uit naar elke match, zelfs naar de rust zag ik uit: dat hotdog eten, dat venten-onder-elkaar die op één rij een plaske gaan doen in die porseleinen bakken, zelfs dàt was plezant. Het had iets heel kameraadschappelijk, en ik kon echt opgetogen zijn over zo’n avond of namiddag. Ik hou ook geweldig van de humor rond dat plein, dat plagen en schelden en kloten van mekaar, al die zotte opmerkingen die je hoort. Ik was meestal één uur voor de match in het stadion. Dat hele voorspel van geroezemoes en commentaren dat de tribunes vult, dat wou ik niet missen. Soms was ik zo vroeg dat er amper een kat te zien was, maar dan was er wel altijd die éne vent met zijn doosje lucifers die dat hele doosje aanstreek en die dat kleine ‘vuurwerkje’ over het hek en op de piste smeet met de roep “Da’s nogal een ambiance hé, hier oep den Aantwaarp!” (schatert het uit) Die man had een stem als een klok, dat droeg over heel dat veld en je zag die opwarmende bezoekende spelers al kijken, “in wat voor zothuis zijn wij hier beland?!” Zoiets vind ik fantastisch! Van die absurde, onnozele humor. Ik herinner mij ook een rotseizoen, met een drie op zesentwintig (een overwinning was toen nog goed voor twee punten,jh). Na een kwartier was het weeral O-1, en ineens zegt die vent voor mij: “ Godverdoeme! Ik gon nor huis. Ik gon m’n wijf afsloagen!“ En hij stond op en hij was weg (lacht).  
Met de jaren is dat plezier echter minder geworden. Niet dat de ambiance er niet meer is, integendeel, er is nog een schat aan clubliefde op de Bosuil, maar ik vind dat het clubbestuur daar veel te weinig mee doet. Ik mis een drive en een begeestering bij dat bestuur, en omdat die er niet zijn, leidt die club een wat zielloos bestaan. Dat opgelapte dak, die afgebroken tribunes, die zwarte visbak van de loges, dat mist toch uitstraling! Of neem dat eerste jaar in tweede klasse. Naar het einde was er een beslissende match tegen La Louvière die de promotie naar eerste kon betekenen, maar Antwerp verloor, en wat zei onze voorzitter Wauters? “Het is niet erg dat we niet naar eerste gaan. Want nu hebben we tienduizend toeschouwers. Dàt hadden we niet toen we nog in eerste speelden!” Zit je daar als een onnozele kloot je stembanden uit je lijf te schreeuwen, en dan zegt zo’n voorzitter dat niet-promoveren nog zo slecht niet is. Tja, toen ben ik afgehaakt. Sinds die match ben ik niet meer gaan kijken, maar ik blijf de ploeg wel volgen in de krant. Al zakken ze tot in vierde, het blijft mijn club: dàt zal nooit veranderen. “ 

patrick j.jpeg

Patrick Janssens: liever paars dan rood
De voorzitter van de SP heeft het al in eerdere interviews niet onder stoelen of banken gestoken: hij is een echte Kielse rat.   
“Mijn vader nam ons vroeger wel eens mee naar jeugdwedstrijden van Beerschot, maar ik ben voor het eerst naar de eerste ploeg gaan kijken toen ik dertien was. Dat was in het seizoen ‘69-’70 toen Lothar Emmerich topscorer is geworden in de Belgische competitie. Ik heb toen geen enkele match gemist, elke keer stond ik met mijn ticketje van vijftig frank op de staanplaatsen. Ik heb me altijd thuis gevoeld op Beerschot en dat thuis voelen in een stadion heeft met enthousiasme en warmte te maken. Ik heb een jaar in Engeland gewoond, ik ging naar Arsenal kijken, dat zei me niks, en een week later stond ik op Tottenham Hotspur en ik was verkocht, ik was een Tottenham-supporter. Dus eigenlijk kies je je club niet, die club kiest joù! Wat mij bij Beerschot vanaf het begin aansprak was die reputatie van de giant killer. Beerschot kan rommelen tegen kleine ploegen, maar tegen topploegen overtreffen ze zich àltijd; ploegen als Anderlecht en Brugge komen nooit graag naar het Kiel.
Humo: Wat heeft Beerschot dat Antwerp niet heeft?
«Patrick Janssens als supporter bijvoorbeeld! En een aparte fanatieke sfeer. Dat volkse, dat rauwe, dat agressieve, dat groepsgevoel van WIJ tegen de rest, dat vind ik bij Beerschot wel bijzonder. Alleen slaat dat wij-gevoel soms over in racistische beledigingen, dat staat me veel minder aan. En verder heb ik het voor Beerschot vanwege zijn mooie historiek, zijn bijzondere stamnummer dertien (wat intussen omwille van de GBA-fusie nummer 3530 is geworden, jh) en zijn veel mooiere shirts dan Antwerp! Als SP-er is het voor mij moeilijk om dat te zeggen maar ik zie dat paars liever dan dat rood van Antwerp.”

Antwerpfans “begraven” de club Beerschot na het failliet en de fusie met Germinal Ekeren. RIH= Rest in Hell (Bron: ATV / Antwerpforum)

Antwerpfans “begraven” de club Beerschot na het failliet en de fusie met Germinal Ekeren. RIH= Rest in Hell (Bron: ATV / Antwerpforum)


Humo: Heb je herinneringen aan memorabele derby’s?
"We hebben een keer geweldige lol gehad toen Antwerp hier met 1-0 is komen verliezen na een own goal van de Roemeen Dan Coe en hoe heel dat stadion dan begon te roepen: Dank u Dan Coe! Dank u Dan Coe! (lacht) Dat was één van de betere momenten.”
Humo: Vond je de fusie met Germinal Ekeren erg?
«Helemaal niet. We moeten die mensen van Ekeren dankbaar zijn. Germinal heeft ons gered, zonder Germinal was er van Beerschot geen sprake meer geweest. Maar nu spelen we op het Kiel en nu is er van Germinal geen sprake meer, nu wordt er alleen nog "Beerschot!" geroepen. En we heten wel GBA en er zit een roodgeel streepje op dat paarse shirt, maar dat maakt niet uit, qua sfeer zal het een Antwerp-Beerschot zijn als vanouds." 
Humo: Antwerp mag tegen Lierse of Harelbeke spelen, altijd is er wel een moment dat de Beerschot-aversie opsteekt en dat ze bijvoorbeeld “Anti-GBA olé olé!” beginnen te zingen .
"Bij ons is dat identiek; bij ons is het If you hate Antwerp, stand up! En ik blijf dan zitten, maar mijn zonen staan recht. Ik vind de chant Wij zijn Kielse ratten! veel plezieriger, dat zing ik wel mee. Niet dat die ratten mij altijd genegen zijn. Onlangs gaf ik de aftrap Sint Truiden - Beerschot en toen scandeerde een deel van onze spionkop Ratten stemmen rechts! Dat was wel minder leuk."

chantal.jpeg

  Chantal Pauwels: hoogzwanger op de staanplaatsen
De ‘leading lady’ van Agalev in Antwerpen mist geen enkele wedstrijd van de “Liefdevolle Kleuren”.
“Bij mij is het heel romantisch begonnen toen ik zeventien was. Mijn vriend was een supporter van den Antwerp, ik ging een keer mee en ik was direct verkocht: die vriend is mijn partner en Antwerp is mijn club geworden. Mijn vriend was ook de enige Antwerpsupporter in een hele Beerschot-familie, ik ben dus met de verstandigste meegegaan (lacht). 
Wat ik zo bijzonder vind aan Antwerp is dat die ploeg soms boven zichzelf kan uitstijgen. Antwerp heeft nooit de grote sterren en de miljoenenspelers gehad, Antwerp heeft het altijd met wat mindere goden moeten stellen, maar àltijd zijn er van die jaren dat ze met die gewone spelers een geweldig team vormen, dat ze er stààn als ploeg, en dat vind ik schoon aan den Antwerp. Dat ze met zo’n ‘gewone’ Walter Meeuws tot in Wembley geraken bijvoorbeeld, dat vind ik fantastisch.
Ik vind het ook plezierig om bij die twaalfde man te staan. Er is niks zo plezant als goed te kunnen zingen en roepen, en dat stadion te voelen zinderen als al die voeten aan het roffelen gaan. En ja, ik sta daartussen, met mijn roodwitte sjaal én mijn roodwitte pet. En veel mensen blijven weg van Antwerp omdat het er zogezegd gevaarlijk is, maar ik heb op die vijftien jaar dat ik ga kijken nog nooit iets meegemaakt. Ik durf er gerust met mijn kinderen naartoe.

Gazet van Antwerpen okt. 1998

Gazet van Antwerpen okt. 1998

Zelfs toen ik hoogzwanger was van mijn twee zonen, stond ik daar op de staanplaatsen, en dat was lief om zien hoe galant en voorkomend iedereen was, hé jongens, pas eens op, laat madam hier ‘s door! Of: hier madammeke, gaat gij hier maar staan, hier staat ge goed! En natuurlijk zijn er van de X-side die tegen mij zeggen dat ze van het Vlaams Blok zijn, maar ik vind de Antwerp-aanhang toch wel toleranter is tegenover kleurlingen op het veld dan de Beerschotsupporters. Bij Beerschot gaat het er grover en onverdraagzamer aan toe. Maar bon, we hebben het niet meer over Beerschot. Die club bestaat niet meer. Het is nu GBA. Maar toch wil ik niet verliezen tegen “die van het Kiel”

rik copp.jpeg

Rik Coppens: “Derby? Welke derby?!”
Rik Coppens (70) is dé Beerschot-vedette van de jaren vijftig. Zijn show- en clownallures waren nationaal bekend, zijn balkunsten gaven hem de titel “de tovenaar van het Kiel” en “de Paganini van het voetbal”. Tussen ’74 en ’77 was Coppens ook trainer van Beerschot. 
“De komende derby, zegt u. Maar dat is godverdoeme toch geen derby! We spreken toch niet meer over Beerschot, we spreken toch over Germinal Beerschot Antwerpen, de fusieclub! Dus zeg ik: er is geen derby meer, want er is geen Beerschot meer. Punt! 
Maar natuurlijk, de journalisten maken er weer een derby van omdat hun boekske en hun gazet moet verkopen. Wel, ik doe daar niet aan mee, ik veeg er mijn gat aan. Derby, derby, niks te derby! Maar ik heb het natuurlijk zien aankomen. De voetbalkalender was nog maar uit of de journalisten hingen al in hun pen, de derby, dat zou de match der matchen worden en nog van die superlatieven die op geen kloten trekken. Maar ze moeten dan niet verschieten als er oorlog van komt. Want als er oorlog van komt, dan is dat omdat de pers heel dat derby-verhaal heeft opgeklopt. 
De journalisten vragen mij ook: welke emoties voelt ge bij Antwerp-Beerschot? Emoties, jongen, daar veeg ik mijn gat aan! En dat was ook zo in de jaren dat ik nog voetbalde. De supporters liepen heel hoog op met zo’n derby, maar voor mij was dat een match zoals een ander. Gij gelooft me niet?! Neem het geval Bob Paverick. (Paverick speelde van 1927 tot 1948 bij Antwerp. Daarna werd hij één jaar uitgeleend aan Beerschot. Het was pure goodwill omdat het Kiel met zoveel geblesseerden kampte. Paverick wilde echter niet aantreden in de derby. jh) Voor de supporters was dat ondenkbaar, een  bom, een revolutie Maar voor de spelers lag dat anders. Wij aanvaardden Bob vanaf de eerste match. 
Natuurlijk zijn er memorabele derby’s geweest. Onder andere die Beerschot-Antwerp waarbij ik voorover duikelde en de bal in vogelvlucht meenam en met mijn hiel in het doel trok. Dat was in 1952 en dat was een exceptionele goal. Spijtig dat er toen nog geen tv was, want dat was een goal zoals er nadien nooit meer een gemaakt is, in héél de wereld niet. “ 

vicmee.jpeg

Vic Mees: Celtic en Glasgow
Vic Mees (73) is de levende legende van RAFC. Tussen 1946 en 1964 speelde hij 649 wedstrijden in het eerste elftal van Antwerp. En hij heeft nog cijfers.

“Onze stadiondirecteur heeft het voor mij opgeschreven. Ik heb in totaal vierendertig derby’s gespeeld, en thuis op Antwerp hebben we er vijf verloren, zeven gewonnen en drie gelijk gespeeld. Uit op Beerschot hebben we er zes verloren, zeven gewonnen, en zes gelijk gespeeld. In punten van toen zou dat betekenen dat Antwerp 37 punten haalde en Beerschot 31. Dat kunnen ze ons niet meer afpakken (lacht)!
Ik vond elk van die derby’s heel speciaal. Als de voetbalkalender uitkwam, was dat het eerste waar we naar keken: wanneer spelen we tegen den Beerschot? Dat had toch iets van Celtic en Glasgow Rangers. Ginder in Glasgow gaat het om katholiek/Iers-zijn tegen protestant/ Brits-zijn, hier was het vooral een rivaliteit tussen twee delen van de stad: de zuidkant tegen de noordkant. Met in elk van die stadsdelen hevige supporterscafé’s. Je mag ook niet vergeten dat de meeste spelers toen nog écht in die delen van de stad of van de provincie woonden. Met Rik Coppens als uitzondering. Die was van de Seefhoek, dat hoorde bij Antwerp, maar Rik speelde toch bij Beerschot,‘t is altijd een specialleke geweest hé!
Humo: Coppens zegt dat een derby voor hem een match was als een ander.
Mees: «Hij mag dat zeggen, maar dan was hij toch wel een uitzondering in die tijd. De rivaliteit was immers immens, en ze was ook al zo oud. Antwerp is gesticht in 188O, het is de eerste en oudste club van België, en in 1899 heeft Beerschot zich van Antwerp losgemaakt. De rivaliteit is dus al zeker honderd jaar oud. Het leefde in mijn tijd ook in de hele stad, iedereen sprak over de derby, maar het kwam wel nooit tot vechten zoals nu. Er werd in dat stadion geweldig gescholden en geroepen, verbaal ging het er zeer ruw aan toe, maar ik heb nooit, nooit zien vechten. De mensen wilden ook niks missen. Anderhalf uur voor de wedstrijd zat het stadion al vol, en op Antwerp wilde dat toch zeggen dat er bij de vijftigduizend toeschouwers waren. En dan waren er nog veel mensen die principieel weg bleven. Je hebt altijd Beerschot-supporters die geen stap op Antwerp willen zetten, en Antwerp-supporters die het vertikken om een voet op het Kiel te zetten.
Rik heeft wel gelijk dat er tussen de spelers van de twee clubs meer kameraadschap was dan tussen de supporters van beiden. Rik en ik, wij zijn bijvoorbeeld goeie vrienden, terwijl we toch heel verschillend van karakter zijn, en allebei van een club komen die mekaars aartsvijand is."

bert g.jpeg

Bert Geenen: ik hoop op een fusie
Naar verluidt zit het ex-radioman van Studio Brussel en Radio Donna altijd “stilletjes in zijn duffelcoat” naar Beerschot te kijken, maar onder die duffelcoat klopt wel een deep purple heart.
“Ik ga sinds mijn tiende naar Beerschot. In mijn buurt woonde een familie met acht kinderen, die gingen met zijn allen naar Beerschot kijken, elke zondag was het daar al paarswit wat de klok sloeg, en ik vond dat een plezierige ambiance om daarin mee te gaan; één van de dochters uit dat gezin is trouwens mijn vrouw geworden.”
“Ik heb het stadion van Beerschot ook altijd gezelliger gevonden. De Bosuil is een kale betonnen kuip, terwijl het Kiel bomen heeft, en zelfs een klooster dichtbij; het heeft iets huiselijk. Ik zie ook liever paars-witte dan rood-witte kleuren. Op tv zal ik altijd sympathiseren met een paars-witte en nooit met een rood-witte club. Ik zie Anderlecht dus wel graag spelen, maar Standard of Manchester United niét. 
“Wat ik in dat Antwerpse voetbal wel mis is: allure. Een Antwerp-Beerschot is altijd een belevenis door de rivaliteit, maar zelden door het hoogstaande spel. Antwerp en/ of Beerschot hangen immers te vaak bij de middenmoot of bij de staart van eerste klasse; zelden zal je het meemaken dat ze allebei in de top meedraaien en dat ze tegen mekaar uitkomen voor een plaats bij de eerste drie.”
Humo: Ben je een rustige of een luidruchtige fan?
«Een rustige, ik roep nooit wat. Ik ben iemand die naar het voetbal gaat om zich te ontspannen en niet om zich op te boeien. Recht springen doe ik ook alleen maar als ze een doelpunt maken. Pas op, ik geniét van alle zottigheid die ik door anderen hoor uitkramen, maar mij zal je bijvoorbeeld nooit Rood van schaamte! Wit van schrik! horen brullen in een match tegen Antwerp.
En hoe je het draait of keert, die eeuwige en onvoorwaardelijke clubliefde van vroeger is voorbij. Zeker bij de spelers. Ik hoop zelfs dat Antwerp en Germinal Beerschot zullen fusioneren. Anders zullen ze Europees nooit iets te betekenen hebben. En eens het bestuur en de spelers de wederzijdse gevoeligheden hebben overwonnen, zullen de supporters ook wel volgen, zeker?! En als ze goed spelen, roepen we Komaan Beerschot!, en als ze slecht spelen… Komaan Antwerp!        

perceval.jpeg

Luk Perceval : de werkman tegen de bourgeois
De artistieke leider van Het Toneelhuis heeft op het voetbalveld menige “ten oorlog” opgevoerd omdat derby’s “altijd op leven en dood” werden uitgevochten.
“Mijn levendigste herinneringen aan de derby’s komen uit de jaren ’68 tot ‘76. Ik was toen tussen elf en negentien jaar, ik was lid van de Spionkop en ik ging naar alle thuismatchen en uitwedstrijden. Als het Beerschot-Antwerp was, dan gingen wij met onze aanhang te voet van de Bosuil naar het Kiel. In die tijd was dat soms toch een groep van vijfhonderd man die met vlag en wimpel dwars door het stadscentrum trok. Dat was een luidruchtige bende maar helemaal niet baldadig, onderweg werd er niet gevochten of schade toegebracht. Maar hoe dichter we het Kiel naderden, hoe meer eieren we plunderden bij de kruideniers om ze dan in het stadion naar de majorettes van den Beerschot te smijten. 
Het was ook een tijd van nachtelijke stunten en avonturen. Dat de doelnetten van Beerschot werden stukgeknipt, of dat de houten doelpalen werden omgezaagd. En eh… ja, ik was daarbij, bij dat geheime clubje van nachtelijke grappenmakers. 
Ik heb Antwerp-Beerschot ook altijd als een strijd gezien tussen de socialisten en de liberalen. Antwerp, dat was de volksploeg, dat was de ploeg van de gewone werkman; Beerschot, dat was de bourgeois-ploeg, de middenstand, het fijnere volk, de juffrakes van het Kiel. Vandaar dat ze ons ook uitscholden voor boeren van Deurne. Als Antwerp won, dan zongen wij als revanche “Dat spelleke met die boeren is gedaan, gedaan!” Dat ritme zweemt naar De Internationale en dat had zoiets van: den arbeider heeft de dikke bourgeois weer eens op zijn kas gegeven (lacht). 
Aan alles was te zien dat Beerschot meer geld had. Ze hadden een sjieker stadion, sjiekere tenues en sjieker volk, er hing daar ontegenzeglijk een mondainere sfeer dan op Antwerp. En omdat wij voelden dat ze op ons neerkeken, plooiden we ons ook dubbel om ze op hun kloten te geven. Ik heb zelf negen jaar in de jeugdreeksen van Antwerp gespeeld en die derby’s waren de heftigste wedstrijden. Dat was elke keer op leven en dood.   
Intussen heb ik meer en meer afstand van het voetbal genomen, voetbal is een sport van kapitalisten en aandeelhouders geworden waarbij clubs als Antwerp en Beerschot nog nauwelijks van tel zijn: ze zitten in het peloton der sukkels en bijna-armoezaaiers. Maar Antwerp blijf ik nog altijd zien als mijn tweede thuis, om niet te zeggen mijn eerste thuis. Ik heb in dat stadion heel mijn jonge leven gepasseerd, ik heb daar uren en uren gespeeld, ik heb daar mijn eerste lief leren kennen en kussen, dat kruipt dus in je bloed en dat gaat er nooit meer uit. Antwerp is nog altijd de ploeg van mijn hart.”

(c) Jan Hertoghs

(c) Jan Hertoghs

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De laatste "westerners" en cowboydorpen van België (3): Texas City in Tremelo

Antoon Lust (86) alias Billy The Kid. De ouwe desperado van Texas City in Tremelo /Ingescand uit Humo © Stephan Vanfleteren

Antoon Lust (86) alias Billy The Kid. De ouwe desperado van Texas City in Tremelo /Ingescand uit Humo © Stephan Vanfleteren

"Jacques Brel! Koning Boudewijn! Allemaal interesseerden ze zich voor de cowboys van Tremelo!"

Het eerste cowboydorp van België, dat was Texas City in Tremelo. In dat Brabantse Damiaandorp zou al in 1959 een westerndecor zijn opgericht, "een 'uitloper' van de Expo van 1958 waar toen cowboys en Indianen een dagelijkse rodeoshow gaven". Dat vertelt Cole Younger (van het westerndorp in Olmen). Hij zegt zelfs dat er zonder de Expo "nooit cowboydorpen zouden geweest zijn in België."

De krantenknipsels van de Expo leveren weinig op. Er is vooral sprake van het opwindende en futuristische Amerikaanse paviljoen, maar nergens is een spoor te vinden van een rodeo. Wel ontdek ik dat het woord "Texas" in het jaar na de Expo een grote magie moet hebben gehad, want in 1959 is de BRT de westernserie de "Texas Rangers" beginnen uitzenden. Wat voor Willy Vandersteen dan weer de inspiratie was om zijn Suske en Wiske-album "De Texasrakkers" te tekenen.   

En dan helpt het toeval. Ik ben bij Humo-fotograaf Herman Selleslags voor een interview over zijn tentoonstelling in het Fotomuseum, en tussen de vele foto's die hij opdiept, zit er één van The Who in een wildwest decor, "dat is Texas City in Tremelo." En zo vind ik goud, want hij heeft nog een rooie Agfa-Gevaert doos vol zwartwitfoto's, contactafdrukken en kleurendia's. De datum: 20 mei 1967.
Selleslags: "We spreken  over een tijd dat er geen videoclips bestonden, maar de tv-zenders maakten wel van die kortfilmpjes die net zolang duurden als het hitnummer dat de groep speelde. En via via wist Humo dat de RTB een filmke ging draaien over The Who, en dus stuurden ze mij naar die locatie en dat bleek Texas City te zijn. Er was amper volk: in de saloon stonden een paar cowboys en op het terrein was er alleen The Who, de driemansploeg van de tv en ikzelf. The Who bestond toen uit zanger Roger Daltrey, gitarist Pete Townsend, drummer Keith Moon en bassist John Entwistle.
De muziek klonk over het terrein, en de groep playbackte telkens een stukje van de song in een ander deel van het dorp. Alles volgens een heel minimaal scenario. Toch hebben die opnamen zeker drie of vier uur in beslag hebben genomen. Achteraf gezien is dat ongelooflijk: je bevindt je in dat vreemde decor van een westerndorp-in-België en daar kan je een paar uur rondhangen met The Who, die met The Beatles en The Stones toch één van de absolute wereldgroepen waren van dat moment. The Who was trouwens één van m'n lievelingsgroepen toen, maar vraag me niet welk nummer ze daar geplaybackt hebben, dat ben ik vergeten. (Als het om hitsingles ging, dan moet het My Generation, The Kids Are allright, Substitute, I'm a boy, Happy Jack of Pictures of Lily zijn geweest, die zijn alle uitgekomen voor mei 1967,jh) "
Selleslags laat de foto's zien, het is een schatkist zonder meer. Keith Moon in de saloon. John Entwistle koffie drinkend uit een bolle Rombouts(!)kop. Keith Moon zonder zadel op een zwierig Pinto horse. John Entwistle ook al bareback op dat paard, en verder is de groep te zien in alle mogelijke poses: nabij de corral, voor de Sheriff's Office, tussen de bunkhouses enzovoort. "Ja, het zijn heel wat foto's. Ik denk dat die serie in Texas City de grootste fotoserie is die ooit in België over The Who is gemaakt."

The Who in Texas City. Drie uur “optredend” voor drie man en een paardenkop. Ingescand uit Humo / Herman Selleslags

The Who in Texas City. Drie uur “optredend” voor drie man en een paardenkop. Ingescand uit Humo / Herman Selleslags

Spannende broeken
Met die geweldige intro van The Who ben ik vastbesloten om de geschiedenis van Texas City op te delven. En zo kom ik bij "de Snake" (zie deel 2) en in zijn knipselarchief zit één artikel over Texas City. Het dateert van 1960, het verscheen in het magazine "Ons Land" en er is sprake van "een vlakte waar vroeger de asperges groeiden" en waar "de grond nu doorstippeld is met de indrukken van paardenhoeven". Ook ziet de reporter houten constructies "die zo vertrouwd overkomen omdat we ze heel goed kennen van de zilveren schermen in de bioscoopzalen". De 'inwoners' van Texas City worden omschreven als "mannen en vrouwen die kleurige hemden, enorme stetson-hoeden en spannende broeken dragen" en om hun middel torsen ze zware riemen "waaraan zilverversierde holsters en vervaarlijke zesschieters hangen". Cowboys en Indianen blijken mekaar ook met hi! en ugh! aan te spreken en verder hebben ze "ondoorgrondelijke gezichten die op grassprietjes kauwen".
Het is prachtig proza en dan laat ik de lyrisch-dramatische beschrijving van de overval op de postkoets nog achterwege. Bij het artikel staat ook nog een oud adres. En op dat adres vind ik een telefoonnummer en ene Carol neemt op. Ja! Texas City bestaat nog! En het is inderdaad ontstaan in het jaar na de Expo, "maar drie jaar geleden hebben we driekwart van de gebouwen moeten afbreken door een dagvaarding van Stedenbouw. Vroeger was hier een terrein van 2,5 hectare met een saloon, post office, hotel, bank, kerk, winkel, koetsenkot en stallingen, maar nu blijft alleen nog de bank en de saloon over". Carol is al zesendertig jaar bij de western club en sinds 1978 baat ze Texas City uit. De échte stichter van Texas City is Marcel Kesteman, "maar die man is al vijftien jaar dood en al zijn kinderen wonen in Amerika". Ze zegt dat het heel moeilijk zal zijn om nog iemand van die eerste jaren terug te vinden. En binnen twee weken hebben ze wel een 'council', maar journalisten ziet ze niet graag komen ("wat ze allemaal over ons geschreven hebben, het slaat nergens op"). Ik noem de namen van de westerners die ik gesproken heb, het blijken goeie geloofsbrieven te zijn, ik mag toch komen.     Cowboys van de weg
Bij het begin van de straat staat een metalen wegwijzer naar het Damiaanmuseum en daarboven hangt de houten pijl naar Texas City. Het westerndorp ligt vlakbij de bewoonde wereld zijnde de terreinen van de Koninklijke FC Tremelo. Ik parkeer de wagen op de parking naast de kantine en daar staan enkele cowboys zich om te kleden bij de openstaande autokoffer. In de verte klinken Indiaanse trommels en ritmische gezangen en de voetbalveteranen die hier met de sportzak arriveren, zingen het onnozel na: heuja heuja hey, heupsa hey, kust m'n gat.

De Post 25/6/61 (Willy François)

De Post 25/6/61 (Willy François)

Ik begin een westerndorp nu al met de ogen dicht te herkennen: aan de inrijpoort staan glanzende motoren en op het terrein staan alle manspersonen wijdbeens, that's the way. De saloon heeft nog de klassieke klapdeuren en bergt in zich een fantastisch stapelhuis van oude foto's, paardenhoofdstellen en alle mogelijke western rekwisieten. Op deze zaterdag is het een volle drukte van cowboys, trappers en vooral soldaten die met hun sabels tegen de ronde tafeltjes stoten.
De voertaal in Texas City blijkt hoofdzakelijk franstalig te zijn, maar op de veranda van de saloon spreek ik de vlaamstalige Wyatt Earp, hij is nog 'voorzitter' geweest van de Arizona Ranch in Halle-Zoersel die in 2004 door Stedenbouw is opgedoekt. (Noot: de échte Wyatt Earp was sheriff en één van de hoofdfiguren van de Gunfight at the OK Corrall in 1881.)
Earp: "Ik ben in Amerika geweest en ik heb in de échte OK Corrall in Tombstone (Arizona) gestaan! Màn, de boebels stonden op mijn armen!" Ik zeg iets over vergrijzing en de oldtimers van nu en hij knikt: " Het is alleen nog de oude garde die ge ziet. Jonge gasten melden zich niet meer. Ik kom nog van een generatie die met al die western-series is opgegroeid: Bonanza, Rawhide, Gunsmoke, High Chaparall, noem maar op! Die tijd is voorbij. Die gasten groeien op met science fiction en fantasy."
Maar dat de cowboydorpen teloor zijn gegaan, dat ligt "in grote mate aan de media en aan het imago dat zij ons geven. De mensen associëren een cowboy niet langer met iets positief, een cowboy is per definitie negatief. De gevaarlijke vrachtwagenchauffeurs, dat zijn de cowboys van de weg. Hans Van Temsche? Die droeg zijn geweer gelijk een cowboy in de nek! Lernout en Hauspie? De cowboys van de ICT-sector. Kortom, wie zich slecht gedraagt, dat is een cowboy, en dat werkt dus tegen ons!"
Kostuum van de Grand Bazar
"Paul Jambers heeft ooit een reportage gemaakt over de westerners en hij is bij ons op den Arizona komen aankloppen voor medewerking, maar wij hebben hem aan de deur gezet: Jambers vriend, daar is het gat van den timmerman! Als journalisten naar westerndorpen komen, dan zoeken ze alleen maar de sensatie: wordt er hier gevochten? wordt er hier geschoten? Dat is het enige waarin ze geïnteresseerd zijn. En de mensen zien die opnamen dan en wat denken ze?! Pff, een hoopje knokkers en wapenfreaks bij elkaar." Hij haalt zijn Colt uit de holster, "dat ding is onklaar gemaakt, als ik het nog als wapen wil gebruiken, dan moet ik ermee gooien."
Intussen zijn de 'kampspelen' begonnen: er is keuze uit bijl werpen, hoefijzer gooien, met luchtbuksen op blikjes mikken of oude gordijnringen rond de hals van Budweiserflesjes gooien. Een toekijkende Yankee-blauwbloes stelt zich voor als Johnny Flash, 74 jaar, leerbewerker in Luik. Johnny was ooit één van de voortrekkers van een Waals cowboydorp: Western City in Chaudfontaine.
Flash: "Bij het begin van de jaren zestig was dat zo: iedereen droomde van Amerika en iedereen was zot van de western. Mijn vrouw, mijn kinderen, mijn schoonouders, allemaal zijn ze bij de western club gegaan, dat enthousiasme, dat bestaat nu niet meer. En ge moet u dat voorstellen! Nu hebt ge het internet en winkels waar ge die outfit kunt kopen, maar toen moesten wij naar de Grand Bazar! En daar kochten we een cowboyhoed, een kartonnen exemplaar, en onze revolver en onze holster, dat was wat de kinderen kregen met Sinterklaas! Dat was belachelijk speelgoed in feite, maar de fascinatie van de mensen was zo groot dat niemand werd uitgelachen, het mee-doen was het belangrijkste! "
"Zelfs koning Boudewijn kende Johnny Flash! In de jaren zestig was er een verjaardagsfeest op het paleis en wij hebben daar -tussen alle folklore in- een western show mogen geven. En de gendarmes, die schrokken nogal, want in de koninklijke tuin hebben wij al schietend een postkoets overvallen! Onze koning was gefascineerd, hij wilde weten wie de baas van de cowboys was en zo ben ik de eerste Belgische cowboy geweest die hem een hand heeft gegeven!"

Texas City in de jaren ‘60 (foto: Fernand François)

Texas City in de jaren ‘60 (foto: Fernand François)


Ik was Billy The Kid!
Carol komt me zeggen dat haar dochter Bob Lust is gaan ophalen, "hij is slecht te been, maar zijn geheugen is nog goed. Hij kan u zeker vertellen over het begin van Texas City". En zo sta ik enkele minuten later oog in oog met de allicht oudste nog levende Belgische cowboy. Hij is 86, zijn echte naam is Antoon Lust, hij is geboren in Nieuwpoort en een groot deel van z'n leven is hij bakker geweest in Etterbeek. Maar nog veel langer is hij cowboy, "dat zit er bij mij in van mijn vijf jaar, als mijn ouders mij op het schommelpaard zetten, dan zat ik op de prairie!"
Hij is samen met Marcel Kesteman de stichter van Texas City geweest. "Marcel was de dromer en de artiest, ik was de nuchtere middenstander met de centen." En dat de meeste huizen in Texas City getimmerd zijn door Fons, een dakwerker uit Tremelo en Gust, een beenhouwer uit Brussel. En dat het "een curieus verhaal" is van die cowboys en Indianen op de Expo: "Die hadden daar een rodeo en halfweg de Expo gingen ze failliet, en dan zijn de cowboys wél naar Amerika kunnen terugkeren, maar die Indianen waren arm, die hadden geen geld voor een retour met het vliegtuig, en zij zijn opgevangen geweest door Marcel Kesteman." En dat die Indianen moeilijke karakters waren, "zeker als ze alcohol op hadden. Dan zaten ze boemboemboem te trommelen gelijk zot! Tot een kot in de nacht. De mensen werden er horendol van!"
En dat ik hem thuis moet komen opzoeken, hij heeft nog 8mm-filmpjes van de Expo-rodeo en een heel album zwartwit foto's van Texas City.

En zo sta ik een week later bij 'm thuis in Steenokkerzeel. Het interieur is rustiek: een Lievevrouw onder een stolp, Boudewijn en Fabiola in een lijst, een gewei aan de muur en een schilderij van hemzelf op een statig paard ("ik ben heel mijn leven een paardenman geweest"). Om vier uur in de namiddag trekken we de gordijnen dicht en stel ik m'n oude filmprojector op, een Eumig-8mm die ratelend in het verleden grijpt. Zijn projector is al veertig jaar stuk, "ik weet dus zelf niet meer wat er op die rolletjes pellicule staat." Er zijn drie gele Kodachromedoosjes en het eerste filmpje is een biddende processie in Brussel, maar het tweede is de rodeo van de Expo! Er zijn cowboys op wild bokkende mustangs, er zijn cowgirls die acrobatie doen in rode jurken met witte franjes, en er is de onvermijdelijke overval op de postkoets.
Alsof dat niet genoeg is, wolkt in de achtergrond ook nog een Belgische stoomtrein voorbij, ("ik heb het u gezegd, die rodeo werd gehouden in het hartje van Brussel!") En dan is er nog één filmpje en dat zou wel eens Texas City kunnen zijn. Hij gaat op één meter van het scherm zitten, ziet twee cowboys in zwartwit bij een paard staan en dan zijn er alleen nog uitroeptekens: " Mô! Kijk nekeer! Dat is Texas City! Vrouwtje, kijk! Dat ben ekik! Helemaal in het zwart! Ik was de desperado! Ik was Billy the Kid!" Hij zit op het puntje van de zetel en kan maar niet geloven dat hij daar terug is, als jonge veertigjarige, te paard en met een Smith & Wesson in de vuist: " Mô jongens toch, wat een plezier om dat terug te zien! Wat een ontdekking! Wat een ontdekking!" 

De Post 25/6/61 (Willy François)

De Post 25/6/61 (Willy François)

Zot van Bonanza

Hij vertelt dat ie toen alles zelf maakte: de leren kogelriemen, de holsters, de stijgbeugels, "dat was deel van het western leven, dat ge dat zelf maakte. Nu kunnen ze dat niet meer, nu kopen ze het in de winkel." Hij vlocht ook zijn eigen zwepen, en bij de showkes was hij "de crack van de zweep. Ik kon een sigaret uit iemands mond kletsen! Ik kon met één slag een lucifer tussen iemands lippen aansteken!"  En dat hij die precisie oefende op een paal: "In een barst stak ik een stropijl of een lucifer en dan maar klappen met die zweep."  't Waren allemaal cracks toen in Texas City: "Gust De Beenhouwer, dat was een lassokampioen. Die kon een rennend kalf strikken alsof hij nooit wat anders gedaan had." En dat hijzelf ook rap was met de revolver. Zo snel als Lucky Luke? Neenee, "maar ik zal u iets laten zien dat ik toen kon". Hij gaat midden in de living staan en legt een bierviltje op de rug van zijn uitgestoken rechterhand. Dan trekt hij ineens zijn hand weg en voor het viltje de vloer raakt, heeft hij al z'n denkbeeldige revolver getrokken met diezélfde rechterhand, "zo ràp was ik!" En zo aandoenlijk is het om die desperado van 86 daar triomfantelijk naast de eiken tafel te zien staan.
Zijn vrouw moet nu ook het foto-album van Texas City gaan zoeken en daarin steken nog meer paarden en cowboys en pokertafels die omver worden gegooid ("zo'n ruzie, dat was altijd het begin van een showke"). Middenin steken ook glanzende cinemafoto's van de tv-serie "Bonanza": "Ik was toen zot van Bonanza! Heel België was zot van Bonanza! En de mensen die geen tv hadden, gingen bij de buren kijken om dat feuilleton te kunnen zien."

De familie Cartwright vlnr: Adam, Pa, Little Joe en Hoss

De familie Cartwright vlnr: Adam, Pa, Little Joe en Hoss

Bonanza is dan ook een mijlpaal in de tv-geschiedenis. In de VS liep de westernserie zéventien jaar lang en telde ze in totaal duizend afleveringen. In het begin van de jaren zestig waren er negenenvijftig landen die Bonanza overnamen waardoor per week 350 miljoen mensen de serie zagen. En ook de Humo-lezer was verkocht aan de Ponderosa Ranch en het gezin Cartwright bestaande uit Pa, Hoss, Little Joe en Adam: in 1963, 1965 en 1966 kozen zo'n 30.000 Humo-lezers de serie als het beste tv-programma!
"Dat feuilleton heeft bij veel mensen de interesse gewekt voor de western en hier in Texas City hebben we toen nog een paard de naam Bonanza gegeven." Toen waren er nog paarden in de cowboydorpen, zegt Antoon: "Nu is er niks meer. 't Zijn allemaal cowboys zonder paard geworden." En hij laat in het fotoalbum wat steigerende cowboys van anno 1961 zien, die ene dat is Paul le Chanteur, " die was sterk als een reus, die kon een 2PK opheffen bij de pare choque!" En die daar, dat is Johnny, " dat was een geweldige pintendrinker!" En dat ik goed moet oppassen bij wat hij nu gaat vertellen: " Op een dag komt de RTB een stukje spektakel filmen. Aan een buitentafel zaten vier cowboys te kaarten en ik moest met mijn lievelingspaard Zondo over die kaarttafel jumpen! En we doen drie keer een test en drie keer gaat dat goed. Oké, action, de camera rolt, en net als ik kom aan gegaloppeerd, staat Johnny recht met twee armen in de lucht. En mijn paard stopt en door de schok vlieg ik uit het zadel, over de kop, en met mijn ballen op die tafel! En lachen, lachen, allemaal zaten ze op hun knieën van plezier! "

David Bald Eagle
Hijzelf had nooit kunnen denken dat de Expo van 1958 de start zou zijn van Texas City: "Eerlijk gezegd, ik had geen hoge dunk van die cowboys en Indianen in die rodeoshow. Die cowboys waren boers en vulgair, en die Indianen waren bijna elke avond zàt! Alcohol en Indianen, dat gaat niet samen, meneer! Elke avond moésten zij de geesten zien en dat kon alleen maar met vuurwater, en dan was het van à-giiii,à-à-giiii, mensenlief toch, dat was niet om uit te houden. Ik denk dat al hun geld naar drank ging. Die waren echt straatarm."
"Maar Marcel Kesteman kon goed over de baan met die Indianen en hij heeft voorzien dat het een succes ging worden. Eens die houten huizekes daar stonden en eens wij onze showkes deden, stroomde het volk naar Tremelo. In het weekend was dat een processie van velo's, moto's, auto's en zelfs autobussen!"
"Marcel Kesteman herhaalde maar dat dat succes volledig te danken was aan de Indianen die hij in Tremelo had opgevangen. O, hij zou ze nog heilig hebben verklaard! Hij heeft aan de burgemeester van Tremelo zelfs gevraagd om de straat van Texas City te willen veranderen in Bald Eaglestraat!"
David Bald Eagle blijkt de chief te zijn geweest van de Indianen op de Expo. En nu moet ik weer goed luisteren: "Die ouwe Indiaan is vijftien jaar later nog getrouwd met Josee Kesteman, de dochter van Marcel!" Antoon Lust denkt dat ze nog altijd "ergens in Amerika wonen." Hij denkt, in South Dakota.

Ons Land 1961? 1962?

Ons Land 1961? 1962?

Indianen in Tremelo
Een dag later vind ik Josee al via de elektronische rooksignalen van het internet. " U belt uit België?! Over Texas City?! Oh, that's wonderful, I have such good memories!" En zo rafelen we de geschiedenis weer uit, te beginnen bij de Expo van 1958: 
"Die wildwestshow zat niét op het terrein van de Expo, maar in de buurt ervan, aan de Van Praetbrug. En op een dag namen papa en mama ons mee naar die show, ik was toen zeventien jaar. En voor de show begon, had mama in het Engels staan praten met één van de rodeorijders, een Lakota Indiaan uit South Dakota. En okay, de show begon, en er waren Indiaanse traditionele dansen, er was acrobatie te paard, er was een overval op de postkoets en tot slot had je de rodeo. En die ene Indiaanse rodeorijder kreeg toen een ongeluk, zijn mustang schoot uit het starthok, en er direct weer in, en die man werd geplet tussen het paard en de omheining en bleef gekwetst liggen.
Na de show hoorden we dat hij met de ambulance naar het ziekenhuis was gebracht en mijn moeder ging ernaartoe en ze kwam helemaal ontdaan thuis. Dat ze tegen hem alleen maar Frans wilden spreken, en dat ze bezig geweest waren over "apen" en "in de bomen klimmen", ze was furieus. En zij is toen voor hem gaan tolken en hem elke dag gaan bezoeken.
En ja, een ongeluk komt nooit alleen! Kort daarop ging dat rodeo-agency in California failliet en toen stonden die zestig cowboys en die veertig Lakota-Indianen op straat; er was geen geld meer, en van de ene dag op de andere moesten ze hun hotel verlaten. En de meeste cowboys hebben toen hun zadels, kostuums en wapens verkocht en van dat geld konden ze het vliegtuig naar de States betalen. Maar enkele cowboys en al de Indianen hadden veel minder te verkopen, voor hen zat er niks anders op dan in de tipi's te slapen die op dat terrein stonden. En u kent de Belgische zomers, daar waren dagen dat ze tot hun enkels in het slijk stonden!
Wij hadden David Bald Eagle intussen bij ons thuis in Tremelo opgevangen, we zorgden dat de dokter regelmatig kwam en we gingen ook elke dag kijken hoe het met de groep in Brussel was. Dat ging van kwaad naar erger en toen zijn mijn ouders met enkele vrienden naar het Amerikaanse consulaat geweest en daar hebben ze dan het retourticket betaald van al wie nog achtergebleven was.
Maar voor het vertrek wilde David nog iets doen voor onze familie: hij wilde met de Indianen optreden voor ons huis. De straat zal te klein zijn, zegden m'n ouders, waarom doe je het niet op de plek tussen de kerk en het gemeentehuis, dan gaan de mensen van Tremelo iets kunnen zien dat ze nog nooit van hun leven gezien hebben en waar ze nog jàren over zullen spreken!
Dat optreden was fantastisch met zeker een paar duizend toeschouwers. David is op het gemeentehuis ontvangen en hij heeft het gulden boek van de gemeente mogen tekenen. Dat was in 1958, en die foto is me heel dierbaar, ze hangt hier nog altijd in onze living!
En mij hebben ze toen een Indiaanse naam gegeven, wat een zeer grote eer is voor een blanke. Mijn naam is White Star Woman.
Buffalo Bill in België
Kort na het vertrek van de westerngroep was er in Brussel een veiling van alles wat er nog op dat rodeoterrein stond en mijn vader heeft het grootste deel daarvan gekocht, zoals paarden, tipi's, de postkoets, een paar huifkarren en ook het Sheriff's Office. Mijn vader was creatief, hij was kunstsmid van beroep, en hij had eigenlijk altijd van een "cowboyleven" gedroomd. Dat kwam door zijn vader, die had Buffalo Bill en zijn wildwest show zien optreden in Brussel en die had daar nog jàren over gesproken, en zo is die western spirit bij m'n vader ontstaan. (Buffalo Bill en zijn wildwestshow waren in mei 1891 en in september 1906 in Brussel, Gent en Antwerpen te zien. Aan de show namen "225 personen en 175 dieren deel",jh) Je ziet, Texas City gaat niet alleen terug tot de Expo, but way way back in history!
Mijn vader was bij de cavalerie geweest in het Belgische leger en zo ontstond zijn idee om in Tremelo een western riding club op te richten, een manège in western style. En met de hulp van vrienden is hij dan allerlei gebouwtjes beginnen timmeren, en in 1959 is Texas City geopend. De mensen wilden dat zien, ze kwamen van overal, zelfs uit Frankrijk en uit Duitsland!
Ik heb zelf ook met de show meegedaan, ik deed trick riding, zoals:  zonder zadel rijden, op de rug van het paard gaan staan, langs achteren erop springen, langszij in de flanken gaan hangen, ja, ik was best een behendige cowgirl in die tijd (lacht)

(ingescand uit Humo)

(ingescand uit Humo)

Alle Belgische cowboys liepen toen met revolvers en pistolen rond, ik denk niet dat er zoiets als een wapenwet bestond. En ze schoten  blikjes omver en colaflesjes aan diggelen, oh, it was a lot of fun. Ik herinner me ook dat iemand een klein kanon had meegebracht. Dat werd geladen, maar toen ontplofte dat ding, en verschillende mensen zijn naar het ziekenhuis gebracht omdat ze helemaal zwart zagen van die explosie (giechelt), yeah, it was kinda wild, you know. En er werd muziek gespeeld en gezongen bij het kampvuur. En de indianisten roffelden op de troms, dat was tot in het dorp te horen."                As op de prairie 
Ik zeg haar dat Texas City geen goeie naam lijkt te hebben in Tremelo, vanwege knokpartijen en lawaaioverlast. "O yeah, the people in Tremelo, they were always complaining! (lacht) En zeker is er soms bij de cafés gevochten en af en toe zal er wel iemand dronken door het dorp zijn gegaloppeerd, roepend en schreeuwend, dat hoort misschien wel bij een cowboydorp hé?! 
Maar zeg me niet dat er alleen maar slecht volk kwam! Alles en iedereen kwam naar hier. Jacques Brel! Bobbejaan Schoepen! En de Amerikaanse consul liet hier de 4th of July doorgaan! En als er in Brussel een western uitkwam, dan werden wij gevraagd om de première op te luisteren, één keer zijn ze met de postkoets in full blast over de Boulevard Adolphe Max gereden!"
"In 1972 ben ik dan naar de States geëmigreerd en ben ik getrouwd met Dave Bald Eagle! Ja, we waren mekaar niet uit het oog verloren! En sinds dan woon ik in South Dakota. En nu ben ik 66 en Dave is er 88, maar hij is nog in goeie gezondheid, hij rijdt nog paard en hij acteert ook nog in films, net zoals in zijn jonge tijd."
"In1986 is mijn vader ook naar hier geëmigreerd en hij is hier nog heel gelukkig geweest in het land van de western spirit. In 1992 is hij overleden; we hebben zijn as op de prairie verstrooid, in de vier richtingen, helemaal zoals hij het gewenst had."
"Het is hier wel rustiger leven dan in België. Ik google Tremelo soms op als ik een beetje heimwee heb, en dan denk ik my God, dat dorp is groot geworden, en modern, en zoveel winkels. Maar ik verkies toch mijn leven hier. Ik ben sociaal verpleegkundige, ik leg heel veel huisbezoeken af en elke dag rij ik over de wijdse prairie, en dan voel ik me on top of the world dat ik hier mag leven.
We hebben hier paarden en stallingen en zelfs een "Sheriff's Office", dus het is nog altijd een beetje Texas City hier. You see, the spirit continues, en ik ben blij dat Texas City in België ook nog bestaat. Doe ze de groeten van mij!"

Foto: Fernand François (ingescand uit Humo)

Foto: Fernand François (ingescand uit Humo)

Chewing gum en cowboyfilms
Nadat ik Josee aan de telefoon heb gesproken, zoek ik Antoon Lust opnieuw op. Hij is blij te horen dat het haar goed gaat en hij begrijpt ook dat ze zo positief was, "dat cowboydorp was de uitvinding van haar vader, dus zij zal geen kwaad woord spreken. " Maar hij wil het niet wegstoppen. Zoals het een echte boomtown past, had Texas City ook al snel een slechte reputatie in Tremelo:" Op een bepaald moment was het de plek geworden waar oorlogsveteranen van Korea mekaar opzochten, en daar zat crapuul bij. En er is met de vuist gevochten en ook met geweren. En niet alleen op het terrein, op de duur ook in de straten en in de cafés van Tremelo, overal zochten die gasten ambras. Inzoverre zelfs dat de commissaris van Etterbeek mij kwam vragen waarom ik mij met zo'n 'bandietendorp' bezighield. Eind de jaren zestig is er zelfs een eigenaar geweest die begonnen is met striptease en sexfeestjes, maar toen was ik al jaren uit het bestuur gestapt."
Hij haalt de schouders op en zegt dat er niks meer te vertellen is. Ik heb toch nog één vraag. Kan hij uitleggen waarom er in 1958-1959 ineens zo'n fascinatie voor de western was? " Kijk, de oorlog was meer dan tien jaar voorbij, de mensen kwamen er stilaan bovenop, ze hadden weer wat geld en ze zochten iets nieuws, iets dat hen kon verstrooien. En voor noviteiten werd toen naar Amerika gekeken. Dat was al begonnen in 1945. De mensen hadden niks meer toen de oorlog gedaan was en daar kwamen toen de Amerikanen en die hadden àlles. Chocola en appelsienen, grote tanks en vliegtuigen, al wat ze hadden, maakte grote indruk op de mensen. Die jongens zelf maakten ook indruk, die waren groot en blond, alle vrouwen waren er verliefd op, ge moest ze d'r met een vliegenklopper afslagen! De mensen imiteerden hen ook. Zo liep iedereen chewing gum te kauwen in Brussel, want olala, dat was nogal wat beter en sjieker dan kaliesjenhout! Weet u, de mannen begonnen hun broek zelfs op te trekken zoals de Amerikanen, zo dat stoere optrekken aan die riem, dat was een ziékte in België, àlles deden ze na van die Amerikanen!!
En in 1958 stonden ze hier ineens op de Expo, met hun prachtig paviljoen en dat prachtige opschrift, The American Way of Life! Dat was heel die wereld van de frigo en de stofzuiger, en van de Amerikaanse sleeën, de Chevrolet en de Dodge. Ja, de mensen vielen daarvan achterover. Amerika, dat was een droom! Dat was het paradijs! Vandaar kwam de weelde, vandaar kwamen de lux en het comfort!"
En naast dat Amerikaanse paradijs in het huishouden zagen ze ineens ook het paradijs in Hollywood. De Amerikaanse cinema, dat was toen de poort op de wereld. En wat zagen de mensen in die filmwereld? Cowboyfilms! En die cowboys op dat witte doek, dat waren de helden, dat waren de goeien die altijd wonnen van de slechten. Men keek op naar die cowboys, men zag in hen de historische voorlopers van de soldaten die ons in 1945 zijn komen bevrijden. En ik heb het u al gezegd, ze deden den Amerikaan in alles na. En zo is die fascinatie voor de western ontstaan en zo zijn ook die cowboydorpen begonnen."   
Van cowboy tot Christus
Ik volg de westerners nu al enkele maanden en ik vind het nog steeds vreemd, dat wekelijkse omkleden om te kunnen terugreizen in de tijd. Maar uit de kranten maak ik op dat  re-enacting en living history een hoge vlucht nemen; de laatste jaren blijken vooral de Middeleeuwen en de riddertijd populair te zijn. Maar er zijn ook "Romeinse" groepen die de eerste eeuw na Christus naspelen, er zijn Kelten, Merovingers, en Vikingen. En en zijn zelfs prehistorie-fans die zich als holbewoners en rendierjagers uitdossen; we zijn dan al 3000 à 9000 jaar voor Christus!  
Het herbeleven van de geschiedenis is dus in, maar haaks daarop staat de teloorgang van de cowboys en de indianisten, van de re-enactors die de Amerikaanse pionierstijd naspelen. Wat is de reden? Zou het kunnen dat de riddertijd als zuiver en hoofs wordt bekeken, en dat het Wilde Westen intussen het beladen brandijzer torst van presidenten als Nixon, Reagan en Bush? Of ligt het nog eenvoudiger, en zijn de middeleeuwen en het oude Rome het terrein voor de jongeren en/of hoger opgeleiden? Ik vrees van wel. Cowboys en Indianen, dat is een fascinatie van de jaren vijftig en zestig. Met die stoffige kleren die niet stylish zijn en met die houten barakjes die grove handenarbeid verraden, draagt het westerndorp een duidelijke stempel: het is een re-enactment van "de gewone werkman" en in die zin is het voor velen ook passé.  

Foto: Fernand François

Foto: Fernand François


Het graf van Little Horse
In al hun eenvoud dragen die cowboydorpen soms diepe tragedies in zich mee. Als ik nog eens in El Paso ben, zie ik een kerel een  colaflesje onder zijn broeksriem stoppen alsof het z'n revolver is. "Dat is Bronco," zegt Wolfje-de-indianiste, " hij heeft iets verschrikkelijk meegemaakt met één van zijn kinderen". Bronco (47) zegt dat hij in het echt Ferry Proost heet, en dat hij al "als kind van vijf jaar" westerner is. Zijn vader en zijn oom hebben begin de jaren zestig nog mee "den Acawa" gesticht (= Association of Country and Western Activities), dat is de tweede oudste western club in België. En dat iedereen op El Paso van het ongeluk weet, het is op 2 oktober 2004 gebeurd. Bij een verhuizing is zijn zoon van de vierde verdieping naar beneden gevallen nadat iemand te vroeg op de knop van de ladderlift had gedrukt. Zijn zoon riep nog "papa!", hij kwam als de bliksem toegelopen, maar zijn jongen had in zijn val al teveel gevel geraakt, "ik hàd 'm in mijn armen, maar hij was dood, van boven tot onder vol bloed". Tweeëntwintig jaar was ie, en net als zijn twee andere zonen zat ie "als trapper" op El Paso. Hij noemt hun namen: Bronco jr., Night Wolf en Little Horse die er nu niet meer is. "We hebben hem in zijn western kleren begraven en de kerk zat helemaal vol met westerners." Maar na die uitvaart is er iets "heel lelijks" gebeurd. Aan de uitbaters van El Paso hadden ze gevraagd om de as van Little Horse te mogen uitstrooien op het kerkhofje van El Paso, maar het mocht niet. "En daarmee hebben ze heel hard op m'n hart getrapt. Want mijn zoon en ik hebben al die jaren alles gegeven voor de club, wij hebben dikwijls breuken en kwetsuren geriskeerd bij al die stunten die we daar gedaan hebben tijdens de showkes."
Ik moet weten, Bronco was dé stuntman van El Paso "Ik was de man die van het dak rolde. Ik was degene die ze met een touw achter een galopperend paard sleepten! Ik was het die in de baan van een aanstormend paard ging staan en die rond de nek van dat beest sprong, één jump op het lààtste moment." Het is een gruwelijke analogie. De zoon die samen met zijn vader als stuntman van balustrades en daken valt, komt om bij een val tijdens een verhuizing.
En nu die laatste rustplaats geweigerd is, zijn ze uit de club gestapt en komen ze niet meer in western kledij op het terrein. "In de plaats gaan we soms in onze trapperskleren met de motor rijden. En mijn gestorven zoon rijdt altijd mee," zegt hij terwijl hij een kettinkje en een foto-medaillon om zijn hals laat zien. Er gaat ook geen dag voorbij dat hij niet naar het graf van die zoon gaat: "Soms word ik 's nachts wakker en dan schiet het me te binnen, ik ben vandaag vergeten naar het graf te gaan, en dan mag het drie uur 's nachts zijn, dan kleed ik me aan en dan rij ik naar het kerkhof. Om daar een paar minuutjes te staan, een sigaret te roken en wat te klappen met mijn zoon."
Omdat hij op El Paso geen graf kon krijgen, heeft hij dan maar een graf aangelegd in zijn tuin, "met bovenop de revolver en de bijl van een trapper". En is er een feest of een barbecue in de tuin, dan vraagt hij één minuut stilte, "en dan speel ik wat rustige indianenmuziek. Zo zorg ik ervoor dat hij nooit wordt vergeten."
Hij hoopt nog altijd dat er toch een graf komt op El Paso "dat zou mijn grootste troost zijn".

Ik weet het nu wel zeker. Cowboydorpen liggen niet zozeer diep in de natuur. Ze liggen diep in het hart.

Nawoord: Texas City bestaat nog in Tremelo (Basdongenstraat) Elk jaar is er een tweedaags kamp van westerners dat publiek toegankelijk is. Het kamp van september 2020 is niet doorgegaan. Al in augustus werd op Facebook meegedeeld dat Texas City sluit tot in 2021. Zoals alle "evenementen-locaties" deelt ook het westerndorp in de klappen van corona.

Little Horse, de verongelukte zoon van stuntman Bronco heeft alsnog geen graf of asverstrooiing gekregen op El Paso.

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De laatste “westerners” en cowboydorpen van België (2): van Antwerpse indianen en Kempense outlaws

Cole Younger (aka Guy Flass) van Centennial City in Olmen © Stephan Vanfleteren

Cole Younger (aka Guy Flass) van Centennial City in Olmen © Stephan Vanfleteren

Lees hier deel 1

"Golfterreinen en voetbalkantines durven ze niet aanpakken. Maar die paar cowboydorpen, die moeten wég!"

In 1982 bezocht ik het westerndorp El Paso in Wuustwezel voor het eerst, en vooral het showke van die zondag is me bijgebleven. De revolvers knalden zonder ophouden, de outlaws tuimelden met overtuiging uit de dakgoot, de desperado's plooiden dodelijk getroffen over de houten balustrades, en pas als de rook om ons hoofd was verdwenen, zagen we dat het allemaal niet echt was.
Nu is het een nazomerzondag in 2007, en er scheert een vlucht kraaien over de daken. Als dat geen veeg voorteken is.

De cowboys van het El-Paso-showke staan te kletsen en ze spreken mekaar gemoedelijk aan met kloefkapper en rotzak, het soort van smalltalk dat amateurvoetballers ook plegen voor ze het voetbalveld betreden. Dan gaan ze met z'n zessen rond de vlaggenmast staan, ze houden hun hoed voor hun hart, de blauwrode vlag van de zuidelijken gaat de hemel in en dan vuren ze een resem schoten af. Het heftige saluut jaagt enkele kinderen rond de hals van hun ouders en daarmee is de zondag 'geopend'. In de saloon begint een countrybandje te spelen, de uitbaatster opent een schietkraam waar je knuffelbeesten kan winnen en ik zit op de bank naast de Antwerpse Irokees Taima (= Donderslag) die een Groene Michel opsteekt en die binnenshuis Radio 2 heeft op staan, een normvervaging waarvoor hij niet eens op de vingers wordt getikt.    

Er zijn intussen zo'n honderdvijftig toeschouwers komen opdagen, vooral gezinnen met kinderen, een bus jonge "Ollanders" van net over de grens en een paar bikers met bandana en nauwe zonnebril. Wat de omstaanders niet opmerken is dat een Irokese vrouw water is gaan vragen in de saloon: daar wordt ze nù ruw bejegend door de harteloze cowboy Gringo. De 74-jarige sheriff Logan vraagt wat hij de vrouw aandoet - "What do you? With the girl?" - en voor hij kan tussenkomen steekt Donderslag al een Indiaans mes tussen de ribben van Gringo. En daarmee is de show afgelopen, de omstaanders reageren met een lauw applaus. "Wij willen: schieten!" wordt er geroepen en om aan dat verzoek te voldoen gaat één cowboy wat op een collega staan vuren. Die heeft nog een sigaretje en een Jupiler in zijn hand, die denkt er niet aan van omver te vallen en dus blijft hij in die regen van blauwe bonen grijnzend overeind. Het is een gênante vertoning en pas na een minuut gaat hij dan toch op de grond liggen. De halsbrekende toeren op daken en balustrades liggen duidelijk al een tijdje achter ons. 

Als ik later door m'n krantenknipsels blader, merk ik een bizar toeval op. Bovenstaand 'showke' heb ik op zondag 14 oktober 2007 gezien en exact op zondag 14 oktober 2001 kreeg El Paso met een échte vechtpartij en overval te maken! We lezen het verslag van De Morgen en Gazet Van Antwerpen.
"Nadat alle bezoekers zondagavond vertrokken waren, begon ik de saloon op te ruimen, " vertelt een onthutste Jeanneke Somers (62). "Ik wilde net wat lege flesjes wegzetten toen plots twee gemaskerde en gewapende mannen langs de toiletten naar binnen stormden. Ze droegen bivakmutsen en ze riepen: "Dit is een overval. Geef ons het geld!" Ik begon te gillen en rende met het koffertje van de dagopbrengsten naar mijn vriend Freek Smidt (64) en zo zijn we samen tegen die twee mannen beginnen te vechten. Zij hebben meer dan eens in de lucht geschoten om ons bang te maken. Wij dachten, dat zijn losse flodders, maar wij hadden dood kunnen zijn, want er zaten echte kogels in die revolver, ze steken nog in het plafond! Om ze toch af te houden heeft Freek een barkruk en een vaas naar de overvallers gegooid, maar zij hebben ons daarna ferme klappen gegeven. Ze hebben dan het koffertje en mijn handtas gepakt en ze zijn ermee naar achteren gevlucht. Daar hebben ze nog op het slot staan schieten omdat die deur vergrendeld was en uiteindelijk zijn ze via een stukgeslagen raam toch weg geraakt." De dappere uitbaters kwamen er niet zo heelhuids vanaf, "met enkele gapende hoofdwonden en meerdere kneuzingen moesten ze naar het ziekenhuis worden overgebracht."

De Morgen 16/10/01

De Morgen 16/10/01

Nooit eerder was een Vlaams cowboydorp overvallen, maar toén gebeurde het. Eén van de aanwezige cowboys herinnert zich de overval, maar vindt de huidige afbraakpoging van het Vlaamse Gewest veel prangender: " Tegen zo'n overval kunt ge u nog verdedigen, maar wat doet ge als ze u administratief kapot willen maken!?" En dan begint het wikken en wegen over de mogelijke sloop van El Paso en dat ze hopen dat burgemeester Jos Ansoms nog in hun voordeel gaat tussenkomen: "Hij heeft altijd gezegd dat El Paso een méérwaarde geeft aan Wuustwezel!" 
Glittercowboys
Naast El Paso is er nog een tweede dorp met afbraak bedreigd en dat is Centennial City in Olmen. De toegangsweg is met officiële gemeentewegwijzers aangeduid en loopt langs het natuurgebied van de vallei van de Grote Nete. Verscholen tussen hoog geboomte ligt het stadje met zijn western gevels, witgekalkte texmex-huisjes, enkele speeltuigen en een houten rodeo-stier. Guy Flass (64) - tricot onderhemd en een minirevolver aan een halskettinkje - opent de deur van zijn donkere saloon en steekt een lamp aan boven de toog. Guy zit al veertig jaar in de western-wereld en is also known as Cole Younger, een outlaw en renegade die na de Secessie-oorlog van 1861-1865 "op z'n eentje is blijven doorvechten." 
Guy distancieert zich almeteen van mijn interesse voor El Paso, "dat is geen cowboydorp, maar een carnavaldorp." Volgens hem ligt de teloorgang van El Paso aan de nabijheid van "Olland" en wie Olland zegt, die zegt countrymuziek en linedansen: "Eens ge dat soort glittercowboys binnenlaat, kunt ge het wel vergeten. Eén, ze drinken maar twee cola's op een avond, wat slecht is voor de inkomsten. En twee, ze dragen van die glinsterhoeden en glitterbroeken, die stijl vloekt naast de échte westerners."
Vroeger had je niet die import van burgers en buitenstaanders, toen hadden de western clubs genoeg leden om op zichzelf te bestaan: "Dat was in de gloriejaren, tussen 1960 en 1990, toen waren er tientallen clubs die samen honderden leden telden. Daar waar El Paso nu is, had ge toen vier cowboydorpen op één kilometer! Er waren zelfs clubs waar ze een ledenstop moesten invoeren omdat hun dorp elk weekend overvol zat."
Kan hij de typische westerner omschrijven?
"Ge hebt er die uit de stad en de drukte wég willen zijn, maar hier zijn ook altijd veel mensen van de jeugdbeweging geweest. Die hebben heimwee naar het leven in de natuur: het slapen in tenten, het vuur maken, het bouwen van boomhutten, de spanning van nachtspelen en bosspelen, dat avontuur zijn ze kwijt en dat zoeken ze hier terug. Wat die volwassenen willen herbeleven, is dat gevoel van vrijheid dat ge hadt toen ge nog kind waart." Vandaar dat de westerndorpen ook nogal wat truckers en bikers onder hun leden en bezoekers tellen: "Die mannen van de baan hebben dat ook, dat gevoel van vrij te willen zijn."
Zijn vrouw en z'n volwassen kinderen zijn ook lid van Centennial, maar hij weet dat er geen jonge generatie te wachten staat: " Vroeger zochten de mensen nog companie. Er was alleen maar het werk, er was nog weinig op tv, en dat ze een heel weekend in zo'n ander decor konden leven en onder vrienden zijn, dat vonden ze geweldig." Jonge gasten van nu zoeken hun vrienden "zelfs op internet. Maar wat is dat internet?! Wat is die spellekes-wereld ?! Dat is in feite toch ook maar een decor waarin die jonge gasten zich begeven?! Het grote verschil is: wij komen nog buiten, wij komen nog onder de mensen. Zij zitten daar maar alleen voor hun computerscherm."

B centenniial.jpeg

Ik ben van 1842
Guy toont zijn visitekaartje, Cole & Nelly Younger, beide in westernkledij. Hij is fanatiek, zegt Guy. In de kleren die hij draagt, in de boeken die hij leest, in de inrichting van zijn westerndorp. Hij zal niet zeggen, "ik ben van 1942", nee, Guy is "van 1842". En als ze over Centennial City spreken, dan is dat een stadje "van 1842 tot 1905". De "pionierstijd" is eigenlijk afgelopen in 1890, maar die uitloper tot 1905 hebben ze genomen "omdat er dan al ellentriek was in Amerika": anders kan Guy historisch gezien geen licht laten branden "of frisse pinten schenken in de saloon." En ja, zijn kassa en zijn brandblusapparaat zijn natuurlijk van nà 1905, "maar ge moet ook niet heiliger willen zijn dan de paus. Stel dat ik hier alleen maar petrollampekes wil, dan kan ik mijn boeltje wel sluiten van de brandweer." Of hij al in Amerika geweest is? "Nee, dat is er nog niet van gekomen. Ik kàn ook niet. Want Cole Younger heeft vijfentwintig jaar in den bak gezeten, dus als ik naar Amerika ga, dan moet ik consequent zijn en moet ik daar ook zolang in de cel gaan zitten." Hij zegt het om te lachen, maar dat een mens consequent moet zijn in z'n leven, dat is gemeend.
Het valt me op dat haast alle westerners die ik ontmoette nog nooit in Amerika zijn geweest. Het kan een gebrek aan geld zijn maar er is ook schrik mee gemoeid dat het mythische land gaat tegenvallen. Hier leven ze met dat ideaalbeeld van die pionierstijd, hier hebben ze hun eigen wildwest-Bokrijkjes, dus waarom dat bestaan gaan zoeken in Amerika waar het toch niet meer te vinden is.
Zonevreemd
Boven Centennial City -dat intussen meer dan twintig jaar bestaat- hangt sinds februari 2007 de dreiging van een afbraak. Het Vlaamse Gewest dagvaardde Guy omdat een westerndorp zonevreemd is in een waardevol natuurgebied en dus bestaat de kans dat alle constructies tot de grond moeten worden afgebroken. Guy weerlegt dat ze zonevreemd zijn: "Wij zitten in een natuurgebied, wij doen zogezegd de natuur kapot. Maar de kinderen die hier komen, die leren in de natuur spelen, die leren de dieren observeren, die leren vuur maken. Wij zijn dus échte natuurmensen, eigenlijk zouden ze ons moeten aanmoedigen in plaats van wegjagen."

Gazet Van Antwerpen 19/11/08

Gazet Van Antwerpen 19/11/08

Ja, ooit hebben de westerners zich veilig gewaand toen ze zich in hun kleine 'reservaten' terugtrokken, maar zelfs daar dreigt nu de verbanning. Zo denkt Guy erover, hij heeft de stellige indruk dat ze "definitief komaf willen maken met àlle cowboydorpen." En de vergelijking die ik overal hoor maken is: golfterreinen die zonevreemd zijn laten "ze" ongemoeid omdat daar "dikke nekken" achter zitten, maar cowboydorpen pakt het Vlaamse Gewest aan omdat ze weten dat dat "de hobby is van de kleine man die zich geen dure advocaten kan permitteren." Ook vinden de westerners het opvallend dat er tientallen zoniet honderden voetbalvelden mét kantine in agrarische zones gelegen zijn, "die durft men niet aanpakken omdat het er zoveel zijn, maar die pààr cowboydorpen, die moeten gepàkt worden!" Calamity Jane
Wat ik goed vind aan de inheemse cowboy is dat hij op zondagvoormiddag ook koffiekoeken haalt bij de bakker. En zo zitten we bij "de Papa" koffie te drinken in de saloon van zijn Texas Cattle Ranch in Vlimmeren (zie ook deel 1). De kachel brandt vanwege de eerste herfstkou en aan de toog heerst de gemoedelijkheid van flinke sigaren die gepaft worden vanuit de paramedische overtuiging dat "gerookt vlees langer goed blijft!"
De vorige keer dat ik de "Ranch" bezocht, was er een grote council gaande, nu is het een gewone zondag en ontwaakt het kleine cowboydorp onder zijn dennenbomen. De houten huisjes reiken zelden boven manshoogte, maar hier hangt niettemin de charme van een filmset waar nauwkeurig op de details is gelet. Tenminste als we het oervlaamse kiekenkot en de klompen met geraniums buiten beschouwing laten. Geheel in tegenspraak met de moderne way of life is hier ook nog een brede waaier aan kleine middenstanders voorhanden. Er is een blacksmith (met hoefijzers en slijpwiel), een undertaker (met klaarstaande kist), een leder- en zadelmaker, een guns & ammo wapenwinkel (met echt geweer in de etalage en twee kisten explosieven tegen de gevel), en voorts is er nog een dentist en een city marshall. Die laatste woont pal boven de city jail, een cel met echte tralies waarin de Papa een soort vogelschrik met een zilveren vrouwenpruik gevangen heeft gezet. En dat ook ruwe cowboys hun momenten van devotie kennen is te zien: er is een kerk en een verzorgde graveyard waar de grafperkjes met fijne witte plankjes zijn afgezoomd. Daar rusten - om er maar enkele te noemen- Calamity Jane (hung by mistake), Lester Moore (four slugs from a 44, no less, no more) en een Unknown Soldier.
En het zal niet in aanmerking komen voor de brochure van Vlaanderen Vakantieland, maar de Papa kan hier "wel een man of twintig te slapen leggen" in de kerk(!) en in enkele bunkhouses. Hij trekt de houten deur van het grootste slaaphuis open waar een mager peertje een flauw licht werpt op de smalle gang met ongeschaafde beddenbakken, "ge ziet, dat is vijf sterren als ge hier met uw kop tegen het hout stoot!" 

Indianen achter draad
Ik word voorgesteld aan zijn vrouw José en aan de vandaag aanwezige cowboys die mekaar vlotweg aanspreken met lelijkaard en onnozelaar wat doorgaans op grote kameraadschap wijst. Quickly ken ik nog van de vorige keer, maar nu is er ook Martin Mc Rose, een 57-jarige veedief uit Antwerpen, en Captain Perez, hoofd van een groepje zuidelijke cavaleristen, die mij meteen vertelt dat hij "niet zonder het westernleven kan". De kapitein en zijn manschappen "gaan soms vijf dagen marcheren met uniformen en wapens" en dan slapen ze ook onder de blote hemel, "helemaal gelijk als toen". Een opmerkelijke figuur is de 43-jarige Blizzard, die zijn naam niet te danken heeft aan het overleven van een helse sneeuwstorm, maar aan het feit dat hij Storms Jef heet. Jef heeft twee zonen: de twintigjarige Snowhare en de tienjarige Kleinen Blizzard, een ventje met sympathiek ros haar en sproeten, helemaal het onschuldige Hollywoodkopje om door roodhuiden uit een huifkar ontvoerd te worden.
Papa heeft vroeger nog in een postorderbedrijf gewerkt en is ook chauffageman en meubelbewerker geweest. Niet direct een literaire beroepskeuze, maar toch heeft hij met de jaren een behoorlijke westernboekerij bijeen gespaard. Hij toont kasten en schappen en bladert door zijn favoriete fotoboek "The West that was" waarin hij de oude prenten in zijn eigen taalgebruik becommentarieert: de koeien hebben geen hoorns maar kapstokken en de cowboys dragen geen revolver maar een serieus boormachien. Tegelijk is hij één en al bewondering voor het harde leven "van die gasten: ge moet het maar doen, zestien uur achter zo'n stofwolk van duizend koeien rijden in een hitte van vijftig graden!" De boeken zijn meest Engelstalig en dat zegt iets over de bezieling van de Papa, "ik heb op school nooit Engels gehad, dus ik moet lezen met een woordenboek erbij." Uit die boeken haalt hij ook zijn vragen voor de jaarlijkse cowboyquiz. Hij plooit een indrukwekkend kasboek open waarin hij zo'n tweehonderd vragen heeft opgenomen. Er zijn gemakkelijke vragen (van één tot vijf punten) en moeilijke vragen (van tien tot twintig punten) en al die vragen heeft hij in zorgzame hoofdletters op de ruitjesbladzijden geschreven, "en zeggen dat ik nooit bureauwerk heb gedaan!" Het is geen bureauwerk, het is monnikenwerk. Als voorproefje laat hij vraag 36 zien: Hoe heette de eerste herberg voor veedrijvers in Kansas? Ik vind het een aartsmoeilijke, maar in cowboymiddens is dat een makkie voor vijf punten!
Over de rassentegenstellingen in Amerika heeft de Papa nog geen al te dikke boeken gelezen, maar de principes zijn hem duidelijk: "Voor mij is alleman gelijk voor de wet, kleur of ras, dat maakt geen verschil. Maar in Amerika is dat anders! Daar zijn de Indianen nog slechter af dan de negers. Want de negers lopen vrij rond, maar de Indianen zitten nog altijd achter nen draad."
Hij zal me ook in contact brengen met een westerner die werkelijk in Amerika is geweest en die het fijne weet van de Indianen en van het indianisme, dat is zijn kameraad "de Snake".

(chromo uit De Wonderlijke “Gebarentaal” der Indianen (uitg. Chocolaterie Meurisse 1950)

(chromo uit De Wonderlijke “Gebarentaal” der Indianen (uitg. Chocolaterie Meurisse 1950)

Hij Die Met Slangen Slaapt
En zo zit ik enkele weken later bij de Snake alias Charles Geerts die een parlophone heeft en op een appartement blijkt te wonen. "De Snake" is zeventig jaar, maar die leeftijd valt niet op te maken uit zijn pezige lijf. En ja, zijn trainingsvest, zijn joggingbroek en zijn sloefen zijn ontegensprekelijk van hier, maar de lange vlecht van zwart haar en het bruine vel met de geprononceerde jukbeenderen wijzen op een andere afkomst. De Snake is zoon van een Belgische vader en een Lakota Sioux moeder die rond de jaren van de Grote Depressie (1930) naar België is gekomen en die nadien nooit meer is teruggekeerd naar haar Pine Ridge Reservation in South Dakota.
De Indiaanse naam van de Snake is Zoe Chè Chá (=Hij die met Slangen Slaapt). Die heeft hij in 1954 gekregen toen hij als zeventienjarige "per autostop" door het westen van de Verenigde Staten zwierf. "Ergens in de moeraslanden van South Dakota" was hij op een keer naast zijn rugzak in slaap gevallen en twee slangen hadden zich tijdens zijn slaap in de warmte van zijn rugzak genesteld, passerende Sioux hadden dat gezien en hadden hem die naam gegeven.
Na z'n Amerikaanse zwerftocht wilde hij niet meer terug naar België: eerst is hij in de Camargue gaan werken, "als paardenvanger bij de zigeuners" en daarna liet hij zich zeven jaar inlijven in het Franse Vreemdelingenlegioen. Pas in 1964 keerde hij terug naar België en zo leerde hij de western-wereld kennen: "Ik werkte aan de dokken in Antwerpen en met vijf vrienden hadden wij een Harley-Davidson-clubke. Met dat clubke hebben wij nog de limousine van de Rolling Stones mogen begeleiden bij één van hun eerste concerten in België, en met die vrienden reden wij ook elk weekend de cowboydorpen af en zo heb ik in Wuustwezel den ACAWA leren kennen (= Association of Country And Western Activities, de tweede oudste club in België,jh). Nu heeft een western-club zowel cowboys, indianisten, trappers en soldaten in haar rangen, maar toen had je alleen maar cowboys. Ik ben toen zelf ook nog efkes cowboy geweest, ik heb zelfs mijn snor laten groeien, maar toen dacht ik: foert, ik moet mijn afkomst niet verloochenen, en zo werd ik één van de allereerste indianisten in België."
Zoals hij daar zit, ziet hij er zeer Indiaans uit, hij heeft ook iets van een oud wijs opperhoofd met die zware sonore stem en de trage bedachtzame zinnen die hij spreekt. En hij kàn ook Lakota spreken, maar tegen mij bezigt hij het volbloed Antwerps: "Ik em maajn làànk hoar noojt nie afgesneje."De Snake heeft zijn lange zwarte haren nooit willen afsnijden, ook niet toen hij dokwerker was: "Ik droeg die vlecht gewoon onder mijn klakske." Ik vraag of de andere dokwerkers hem dan den Indiaan noemden? Natuurlijk. Dat spreekt nogal vanzelf.

Snake    © Stephan Vanfleteren

Snake © Stephan Vanfleteren

De Vallei van de Roodhuiden
Uit de kast diept hij een dik fotoalbum op. De zware leren kaft is een basreliëf van een indiaanse krijger, die beeltenis heeft hij eigenhandig in het leer gedreven. De foto's dateren vooral uit de jaren zeventig en tachtig en hij is te zien als een fiere warrior met een imposante pluimentooi, de war bonnet. Voor die 'bonnet' mogen alleen de staartpluimen van de bald eagle worden gebruikt, en in zijn war bonnet "zitten de pluimen van zeker drie arenden!" 
Veel foto's zijn genomen in La Vallée des Peaux-Rouges, "mogelijk hét grootste westerndorp dat er ooit geweest is in Europa". (De "Vallée" was gelegen in Fleurines, tussen Parijs en Compiègne, en heeft van 1966 tot 1988 bestaan,jh) "Op de heuvel had je het westernstadje met de saloon, de bank, de post en het casino en in de vallei stonden de tipi's van de Indianen en de stallen met de bisons."
De bezoekers mochten wel het stadje binnen, maar het Indiaanse tentendorp mochten ze alleen vanop afstand bekijken. "Daar woonden toen dertig à veertig indianisten, vooral Fransen en Duitsers. Ik was er elk jaar een maand, heel mijn congé van de dok ging daaraan op. In het kamp was ik dog soldier (= letterlijk: waakhond-krijger) en één van mijn taken was de burgers buiten houden (toont foto met streng beschilderd gezicht) Ja, ik was toen streng en bars voor de mensen. Ik blafte ze af, of ik stuurde mijn dobberman op ze af. In die tijd had ik een heel kwaaie reputatie."
De Vallée was op korte tijd heel populair: "Op de duur had het de allure van een familiepark met een bezoekerstreintje en animatie zoals een rodeo, een intocht van de cavalerie of een overval van de Indianen op het treintje. Vooral in de jaren zeventig kwam er veel volk, 's zomers stonden daar rijen toeristenbussen op de parking."

Het Indianenkamp van “La Vallée des Peaux-Rouges” in Frankrijk (bron: forumwesternmovies.fr)

Het Indianenkamp van “La Vallée des Peaux-Rouges” in Frankrijk (bron: forumwesternmovies.fr)

Gebed voor een pijp
De Snake zegt dat zijn tipi nog altijd klaarligt in zijn garage en dat het "woudlopen" er altijd heeft ingezeten bij hem. "Ik was heel graag bij de wolfkes en bij de scouts. Ik heb er veel geleerd: sjorren, vuur maken, koken, respect voor de natuur." Die kennis komt hem nu nog van pas. "Vorig jaar was ik nog in de States. Ik heb er met mijn vrouw 6000 mijl rondgereden en overal in openlucht gekampeerd. Ons enige gerief was een pan en een koffiepot. In zo'n pot kunt ge alles bereiden: koffie, thee, soep én patatten koken. Ik kan met heel weinig mijn plan trekken."
Of hij weet waarom zo weinig westerners Amerika bezoeken: "Ik zal het u zeggen! Dat komt door het blijven plakken in de saloon! Ik ken dat wel: ze zeggen dat ze geen geld hebben voor het vliegtuig. Maar als ge twee maanden niet drinkt, dan voelt ge pas hoeveel er in uw zakken blijft zitten. Maar ja, drinken en tooghangen, dat is een traditie in de cowboydorpen."  
En dan drinken we zelf een glas en het is een beetje vreemd om met een Indiaan een roemer uitstekende Franse wijn te degusteren. Hier zitten we nu echt wat te verbroederen inzoverre zelfs dat hij  tegen zijn vrouw zegt: "Nicole schatteke! Gaat mijn pijp eens halen." Zij brengt twee foedralen in hertenleer die hij fraai bewerkt heeft met de pennen van een stekelvarken en in die foedralen zitten een mondstuk en een kopstuk van een pijp. Het houten mondstuk heeft hij zelf gedraaid uit pruimelaarhout en het kopstuk is gemaakt uit rooie catliniet-steen, het is een geschenk van een oude Indiaan uit South Dakota. En goed oppassen, die gebedspijp is heilig: ik mag ernaar kijken, maar ik mag ze niet aanraken. En twee minuten zal hij geen woord meer spreken, hij kust steel en pijpenkop, prevelt korte formules, toont zwijgend de taaie tabak, en net als ik verwacht dat hij alles gaat aansmoren met een gloeiende halm sweet grass, bergt hij de pijp weer op. De ceremonie is voorbij en de tent blijkt toch maar weer een appartement aan de rand van Antwerpen te zijn.

Het Franse cowboydorp “La vallée des Peaux-Rouges” dat op korte tijd uitgroeide tot een toeristische atrractie (bron: forumwesternmovies.fr)

Het Franse cowboydorp “La vallée des Peaux-Rouges” dat op korte tijd uitgroeide tot een toeristische atrractie (bron: forumwesternmovies.fr)

Het juiste ruitjeshemd
Als we het over de teloorgang van de cowboydorpen hebben ligt dat volgens de Snake "aan de volwassenen". Zijn kinderen zijn  opgegroeid in die western sfeer, hij heeft indianenkleren voor ze gemaakt en hij heeft ze altijd meegenomen naar de councils en de cowboydorpen, "maar de generatie die nu kinderen heeft, brengt zijn kinderen niet meer mee," en zo vergrijzen de westerners. Het heeft ook met de dress code te maken. "In de jaren zestig stonden de clubs meer open voor nieuwelingen. Ge kondt lid worden met een cowboyhoed en een spijkerbroek, ge werd niet gelijk afgerekend op uw kledij. Nu moet ge direct àf zijn, uw kledij moet helemaal in de puntjes zijn of ge wordt scheef bekeken. Zo jaagt ge de mensen weg natuurlijk, zo krijgt ge nooit een verjonging."  
"En er is nog iets dat mij stoort. Die cowboys van nu blijven  steken in hun boeken en hun films. En maar discussiëren of een kostuum wel degelijk van 1870 is of niet. Dan denk ik bij mezelf, grow up hé mannekes! Ge moet meegaan met uw tijd! Maar ik ben een slechterik als ik dat zeg. Stel dat gij morgen een echte working cowboy uit Montana meebrengt, eentje van het jaar 2007, wel, dan ben ik zeker dat die in sommige cowboydorpen niet binnen mag omdat zijn hoed, zijn jeans en zijn ruitjeshemd te modern zijn. 't Is een echte cowboy maar hij draagt de verkeerde kleren! Dat is toch te zot om los te lopen! Ik wéét dat working cowboys nu met quads en pick ups rijden. Ik aanvaard dat, ik zie dat ze dat nodig hebben voor hun werk. Maar zo'n moderne tiep wordt scheef bekeken door de Belgische 'cowboys', want... dat is genen échte meer! Komaan hé! Waar zijn die mee bezig?!"
De Snake geeft wel toe dat hij "met de jaren milder is geworden" en dat hij vroeger ook "heel secuur" was op de kledij van hemzelf én van anderen. (Later zal een cowboy me vertellen dat de Snake bij hem ooit eens "àlle knopkes van zijn cowboyhemd" met een mes eraf heeft gesneden omdat het "niet de juiste knopkes waren. 't Was heel vernederend wat hij deed.")
Ik heb ook de indruk dat hij toleranter is voor de cowboys dan voor zijn rode broeders. Zeker als hij het heeft over “de indianisten van nu! Ze kunnen zingen en dansen, maar hun traditionele kledij zelf maken, dat is er dikwijls teveel aan en dus kopen ze het maar in een winkel, zoveel makkelijker. En wat ze altijd eerst doen is zoveel mogelijk pluimen op hun kop steken. Dat ik zeg: zoudt ge niet beter eerst mocassins leren dragen? Dan weet ge wat het is om op Moeder Aarde te lopen! Dan doet ge iets dat u nederig maakt!"
"Die Belgische indianisten zitten ook te kappen op de Indianen in Amerika. Als die casino's openen, dan zijn het slechterikken en kapitalisten! Ik vind van niet. Al wat ze doen is het geld terug pàkken dat hun ooit is afgenomen. Ik vind dat ze groot gelijk hebben. Maar nee, dat zijn geen échte Indianen meer! "
En zo schuift de avond in de nacht en de wijn in het lege glas en bij het afscheid geeft hij nog een bussel salie-van-de-prairie mee ("om uw bloed te zuiveren!") en ook een bundel krantenknipsels uit de jaren 1963-1993 ("lees maar, dat waren de béste jaren"). 

Antwerpen, Texas
Tussen de knipsels zit een oude lijst met de tientallen clubs die deel uitmaakten van de Western Association of Belgium. De W.A.B. is intussen opgedoekt net zoals de meeste clubs die op de lijst staan: The Posse in Broechem, The Wild Bunch in Merksem, The Lawmen in Antwerpen, enzovoort. Tot 2000 waren er in Vlaanderen nog een tiental clubs actief, daarvan zijn er de laatste jaren nog drie gedwongen opgedoekt, en alledrie hadden ze een lange bestaansgeschiedenis: The Abilene Ranch in Schilde (1976-2003), the Badlands Cattle Company in Meeuwen (1978-2003) en de Arizona Ranch in Halle-Zoersel (1972-2004). De Arizona Ranch was populair en kwam in zijn bestaan meermaals in het nieuws, onder andere met doopplechtigheden waarbij een kolonne van cowboys, Indianen, soldaten en trappers met de doopkinderen naar de kerk trok. Toen ze pas begonnen werden ze in een krant omschreven als "een club waar men leeft volgens de regels van de pifpafkunst". Karel Biddeloo, tekenaar en auteur van De Rode Ridder-strip was ook een westerner en begon hier zijn carrière als "de onverbiddelijke killer en revolverheld Johnny Reb". Arizona moest zijn activiteiten staken omdat er in een bosgebied "geen plaats is voor horeca en cowboy-en-Indiaan-recreatie (sic)". 
Erg tragisch was het einde van de Abilene Ranch in Schilde. Hun voorman Willy Fikot stierf in 2002 toen hij een tuinvuurtje met een flesje thinner wilde aanwakkeren en zwaar verbrandde. Zijn as werd uitgestrooid op het terrein en al vrij snel na dat afscheid moest het dorp met de grond gelijk worden gemaakt omwille van "enkele bouwovertredingen die plots niet meer gedoogd werden". Frank De Meulder (winnaar van Expeditie Robinson in 2004 en als indianist gekend onder de naam Sterke Beer) was ook lid van "Abilene". Met de 50.000 euro prijzengeld probeert hij opnieuw een western terrein op te bouwen, maar haast overal stuit hij "op een muur van administratieve hindernissen".
"De Willy van Abilene" is nog altijd een bekende naam in western middens. Ook de Snake heeft Willy goed gekend: "Ik was erbij toen hij trouwde in 1984. De gazetten stonden er toen vol van omdat er zoveel westerners waren komen opdagen voor het Antwerpse stadhuis." Antwerpen, Texas blokletterde Het Laatste Nieuws op 28 mei '84 en de Snake staat prominent op één van de foto's. "Na dat huwelijk bonden de cowboys hun paard vast en gingen een pint drinken in Café Den Engel. Ik was in vol ornaat als Indiaan, ik kon zomaar niet van mijn paard stappen, maar omdat de cowboys en de bazin van dat café mij bléven roepen, ben ik op mijn paard tot aan de toog gestapt, dat ziet ge hier op de foto. En daarmee ben ik allicht de enige die te paard in Den Engel is geweest. En voor mij heb ik een pintje gevraagd en voor mijn paard een Bolleke!"
Dat waren nog eens indianenverhalen!

De Snake aan de toog van het Antwerpse café Den Engel ( Het Laatste Nieuws 28/5/84)

De Snake aan de toog van het Antwerpse café Den Engel ( Het Laatste Nieuws 28/5/84)

 Awoert, John Wayne
Het stond in mijn agenda: 28-30 september "western treffen" in Centennial City; maar als ik op die zondagmiddag in Olmen arriveer, is het stil in het stadje. Ik stap dan maar binnen in de schaars verlichte saloon en zoals in de echte westerns draait ieder zich om naar de vreemdeling die in de deuropening verschijnt. Ik spreek een welgemeende goeiemiddag uit die met een mompelende goeiemorgen wordt beantwoord. Ze zijn hier nog niet lang wakker, ze hebben gisteravond "tot laat naar de sterren gekeken, van boven de tapkraan dan!"
Guy stelt zijn cowboys en hun vrouwen voor. Naar zijn zeggen zijn er "nogal wat oldtimers en plakijzers bij", hij bedoelt: leden die hier elke zondag komen. Grijze haren, ronde brillenkassen, de ellebogen op de toog, de sigaren in het vermoeide gezicht, ja, het kamp van gisteren is uitgeregend, en zo gaan ze de landerigheid van de zondagnamiddag in, rokend en niet veel zeggend.
Guy's vrouw Nelly staat achter de toog en probeert een cowboy te reanimeren die alleen maar zwijgt en oxo drinkt. Ze geeft het op en ze wijst op z'n gsm: " Telefoneer mij maar als ge wakker zijt!"
Ik wens Guy een gelukkige verjaardag en hij zegt: dank u. Eergisteren is hij vijfenzestig geworden, morgen maandag gaat hij officieel met pensioen en dinsdag... moet hij voor de rechtbank van Turnhout verschijnen om te horen of Centennial City al dan niet moet afgebroken worden. 
Guy laat zijn boekenkast met "cowboyboeken" zien en net als "de Papa" houdt hij een jaarlijkse cowboyquiz: "Daar kan een gewone burger niet aan deelnemen, daar moet ge fanatiek voor zijn." En natuurlijk zullen er ook vragen zijn over western films en western-tv-series: "Maar niet over Bonanza! Dat waren cowboys in een kartonnen studio, dat was één grote poppenkast!" Guy is meer gecharmeerd door de spagettiwesterns van Sergio Leone die hij hoger aanslaat dan de Hollywoodfilms met supercowboy John Wayne: "Die spagettiwesterns hadden een zwak verhaal, maar die waren juister gekostumeerd en gedocumenteerd. John Wayne, dat is om te lachen. In het begin van de film is zijn hemd gestreken en komt hij pas van de coiffeur en op het einde van de film - na een hoop gevechten met indianen en outlaws - zit dat hemd nog altijd scherp in de plooi en ligt zijn haar nog altijd in diezelfde coupe, zo belachelijk."
En al even belachelijk is het dat Hollywoodcowboys met hun hoofd tegen hun zadel slapen: "Flauwekul! Dat zadel bleef dag en nacht op hun werkpaard zitten, want als er iets gebeurde, dan moesten ze gelijk in het zadel kunnen springen."

illustratie uit Zondagsvriend 12/5/1960 (Het Wilde Wilde Westen)

illustratie uit Zondagsvriend 12/5/1960 (Het Wilde Wilde Westen)

Eind jaren zestig heeft Guy nog zelf "kalfkes gevangen met een lasso. Dat was een idee uit de boeken en de films en dat deden we dan na in een boerenwei. Dat was duzend keren opnieuw proberen tot het ons lukte." In heel wat cowboydorpen werden kalfpoten gestrikt, maar in 1976 "is de Dierenbescherming daartussen gekomen, het mocht niet meer, het was wreedheid jegens de dieren". Hij vertelt nog een eind weg en zegt dat hij "blij is dat hij nog eens met een geïnteresseerd iemand over zijn hobby heeft kunnen babbelen". En dat hij hoopt dat zijn advocaat "een soort gedoogbeleid" kan pleiten en dat ze met Centennial City nog enkele jaren mogen uitbollen tot hij het fysiek niet meer aankan, "dat zou een menselijke oplossing zijn".
Hij kijkt het magere kringetje rond en wordt een beetje melancholisch: "En zeggen dat we hier vroeger op een vrijdagavond met een hoop volk bij het vuur zaten. Alle tafeltjes vol. De mannen bewerkten leren vellen tot riemen of beenstukken, de vrouwen breiden en naaiden, en dan was het: Cole, vertel nog eens van uw boeken. En dan vertelde ik verhalen die ik gelezen had. En dan dacht ik: zie, zo was dat bij de cowboys vroeger ook. Dat ze 's avonds gezamenlijk bij het vuur zaten en vertelden. Maar ja, waarover spreek ik nog. Een vol clubhuis, dat is al meer dan tien jaar geleden."  Er wordt niet veel meer gezegd. En net als ik afscheid wil nemen komt een suikerzoete melodie uit de muziekspeler. Het is Skeeter Davies met Why does the sun go on shining? Why does the sea rush to the shore? (...) Don't they know it's the end of the world.... En het sentiment vult de saloon tot in de kleinste kieren en ik heb compassie met Guy en het is een oude machteloosheid die hier als een stille hond tussen de gebouwen sluipt.
Was het een western geweest, dan kwam nù de cavalerie ter hulp. Maar dit is Olmen, een verschrikkelijk eind weg van Hollywood.

Deel 3: "The Who" tussen de Belgisch cowboys

Nawoord: Centennial City is definitief afgebroken in 2018. De gronden werden verkocht aan Natuurpunt en het terrein is nu onderdeel van het natuurgebied Giesbroek. Enkel een oude wegwijzer getuigt nog van het cowboyverleden. Initiatiefnemer Guy Flass (Cole Younger) is een jaar voor de afbraak gestorven. Ook zijn vrouw Nelly is intussen overleden.
De Snake (83) zou nog bij de levenden zijn.
En voor de quizzers: de eerste herberg voor veedrijvers in Kansas heb ik moeten opzoeken.
Het zou de “Old Man Jones” kunnen zijn. Maar hang me niet op als het verkeerd is.,

B cole en nelly.jpeg
Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De laatste “westerners” en cowboydorpen van België (1) : begraaf mijn hart bij de baan naar Wuustwezel

Drie weken voor de presidentsverkiezingen is Amerika een land waar het Vrijheidsbeeld vervangen is door een Oranje Vuurtoorts die niet bepaald een baken van vertrouwen is. Hoe dat land bestuurd wordt, hoe dat land verscheurd wordt, we kijken er met licht afgrijzen naar. Ooit keek heel België op naar Amerika. Ooit was Amerika voor veel Belgen een land van belofte. Dat was in de jaren na de oorlog en na de Expo van 1958. Alles aan Amerika leek groot en schoon en schitterend. Uit die fascinatie zijn hier de cowboydorpen ontstaan.
The American Dream ter grootte van een jongensdroom. En Sergio Leone, die hebben ze van dichtbij gezien!

Humo december 2007 - licht herwerkt - © Jan Hertoghs

El Paso   © Stephan Vanfleteren

El Paso © Stephan Vanfleteren

“Als kind speelden we al cowboy en indiaan. Ik was een indiaan. Mijn pluimen waren blaren van de rododendron en die zaten rond mijn kop met een rooie rekker van een weckpot.”

Cowboydorpen. Veel zijn er niet meer in België. Ze worden oud, met hun geschiedenis die teruggaat tot de Expo van 1958, de jaren van Bonanza en de zwartwitfilms van John Wayne. Hun 'bewoners' noemen zich westerners en indianisten, en ze hebben hun houten saloons en corrals op de buiten gebouwd. Maar nu hun gronden "agrarische zone" en "landschappelijk waardevol gebied" zijn verklaard, komen ze voor de rechtbank te staan, de ongewilde outlaws die bijna allemaal grijs haar hebben. Ze zijn niet meer van deze tijd, maar zijn ze dat ooit wél geweest? In de week verplaatsen ze zich in het tijdperk van Colruyt en Toyota, in het weekend leven ze honderdvijftig jaar terug, in de pionierstijd van Buffalo Bill en van Crazy Horse. Humo volgde met lichtjes toegeknepen ogen de Belgische cowboy die langzaam aan de horizon verdwijnt.  

In de krant lees ik dat El Paso mogelijk moet afgebroken worden. El Paso bestaat bijna veertig jaar en is één van de oudste cowboydorpen in België. Het 'dorp' ligt aan de vrij drukke weg van Wuustwezel naar Kalmthout, pal naast een koeienwei en een  eikendreef. Het is een dag in mei, de merels hebben het moeilijk fluiten boven de felle wind en de hevig waaiende takken. Western Club El Paso, zo staat het op de gevel met daarnaast de koene gezichten van een cowboy en een pluimen-Indiaan én ook een lichtreclame van de Wuustwezelse Drankcentrale die hier voor de cola en het vuurwater zorgt. Een koppel met een wild beschilderde Dodge JMC wil net vertrekken. Ze zeggen hun naam: Yakima en Nokamis, wat Hertenman en Dochter van de Maan betekent. "Waaj zèn van Aantwaarpe, mor waaj zèn aajgelek Irokezen." Het klinkt bijna als Irakezen,  maar ik heb genoeg Winnetou gelezen om te weten dat ze Iroquois zijn, die in het noordoosten van Amerika leven, maar die hier voor me staan en met een onmiskenbare Antwerpse tong spreken. Of ze ook de telefoon opnemen als Yakima en Nokamis? Nee, dan zeggen ze dat het "bij Ludo en Patricia Gilles is". Maar hier, op het terrein, worden die Belgische namen niét genoemd, " wij spreken mekaar altijd aan met de Indiaanse naam of met de cowboynaam." En dat ze nu moeten gaan doppen, straks zijn ze terug. Ik kijk hun voertuig na, hun Irokese namen in kleefletters op het schild van het reservewiel, airbrush wolven op het koetswerk en bij elk raam een dreamcatcher.   

El Paso heeft een zanderige Main Street met aan weerszijden  plankhouten huizen. Er zijn twee saloons, een General Store, een Barber Shop, een Stage Company en een Courthouse. De gevels hellen wat over, maar zo moet dat zijn als je tegen de geteerde planken een oud wagenwiel hebt staan. Het voetpad is een plankier en leidt naast een hoge galg en een klaarstaande open doodskist. Bij de Christ Church of El Paso is ook een kerkhofje met enkele graven, één ervan is van John Wesley Hardin, de revolverheld waar de jonge Bob Dylan een album en een titelsong aan wijdde. Een ander is van Old John Selman, en wie hem kent, weet dat het Eugène de Pesseroy is, de man die zevenendertig jaar sheriff van El Paso is geweest. Eind 2006 is hij gestorven aan een hartinfarct, zijn as ligt hier verstrooid en naar ik later zal horen is " het maar gelukkig dat die mens al die miserie van de mogelijke afbraak niet moet meemaken."   
Voor de paarden is er uiteraard een OK Corral en ik zie ook het balkon waar 's zondags de neergekogelde desperado's over de reling stuiken. Vijfentwintig jaar geleden heb ik hier eens een showke gezien, ik herinner me de knallen van de losse flodders en het complexloze Engels dat de cowboys spraken, "hé smeirigen bustard, you killed my friend hé!" Taalbeheersing met de losse teugel. 

Yakima en Nokamis laten hun Indiaanse longhouse zien, ze weten dat het "niet echt long is", het is maar vier meter diep, maar toch gerieflijk ingericht met stoelen, zetels, vellen en huiden. Aan de muur hangen een lange stenen pijp, een gewei en tomahawk, en vlakbij staat ook een hedendaagse frigo waarvoor ze zich gelijk verontschuldigen, "ge moet uw eten toch koel kunnen houden in de zomer." Ik vraag of ze al in de States zijn geweest om Indianen te bezoeken, nee, Amerika, daar hebben ze nooit het geld voor gehad. Alles wat ze weten over de Indianen, weten ze van hun medicijnvrouw; die heet Wolfje en die woont hier permanent in het cowboydorp. Vandaag is ze bij haar broer. Is dat ook een Indiaan? "Nee, dat is een cowboy, hij bakt hier 's zondags de frieten in de frituur".
Het is een gebogen frele vrouw die uit het weekendhuis komt, ze heeft zwartgeverfde krullen, felrooie laknagels en een koppel stekende blauwe ogen, "journalisten heb ik de laatste tijd genoeg gezien!" Op haar Belgische identiteitskaart staat Peggy Moens, maar dat is iemand uit een andere wereld. Hiér heet ze Sunknani Tutanka Win; maar omdat niemand dat kan onthouden of uitspreken, mogen ze haar Wolfje noemen. Door haar positie als medicijnvrouw en doordat de Irokezen een volk zijn "waar de vrouwen de baas zijn" moeten de zeven Indianen van El Paso "naar haar luisteren". Spijtig genoeg is er "tegenwoordig nogal veel ambras onder haar volk." Ze vindt dat erg: " De échte Irokezen wonen met honderdveertig in een longhouse, en daar is altijd vrede en harmonie. Maar hier, onder die acht Indianen, is het altijd ambras."

Sunknani Tutanka Win aka Wolfje, de indianiste. © Stephan Vanfleteren

Sunknani Tutanka Win aka Wolfje, de indianiste. © Stephan Vanfleteren

Die herrie gaat dan vooral over de levensstijl: " Sommigen zijn niet geïnteresseerd in dat traditionele leven van de Indianen. Die halen dan een tv in huis en die gedragen zich in El Paso alsof ze op de camping zitten. Als ge zo doet, dan zijt ge verkeerd bezig."    
Ze benadrukt dat het heel zwaar is om indianist te zijn omdat het "een levenshouding is" en omdat je d'r veel tijd in moet stoppen: " De cowboys kunnen nog naar een westernwinkel gaan en daar een hoed, een broek en een strikske kopen. Maar Indianenkleren zijn bijna niet te vinden of ze zijn heel duur in de aankoop. Ge moet ze dus zelf maken uit wol en hertenleer, en dat hebben weinigen ervoor over. Vandaar dat er ook zo weinig indianisten zijn in België."
Die huisvlijt en die levensfilosofie moet ik zeker niet gaan zoeken bij de cowboys. Wolfje: "Voor de meeste van die gasten is het vooral show: wat schieten en een luide mond opzetten, en aan de toog de grote jan uithangen met die revolver aan hun broek."
Yakima laat de indiaanse kleren zien van z'n vrouw, onder andere een met kralen versierde trouwjurk die Wolfje heeft gemaakt. De medicijnvrouw wijst aan de muur, zelfs die strijdbijl heeft ze eigenhandig vervaardigd. En ze kan ermee smijten ook: "Als ik die met de juiste houding gooi, dan steekt ze ginder in het dak van die boerderij." Ik schat de afstand tot het boerderijdak op zo'n tweehonderd meter.
Wolfje woont in het cowboydorp, in een "heilig huis" waar niemand een voet mag zetten. Dat is nodig, zegt ze, want de cowboys en Indianen van El Paso hebben bijna "geen privacy meer". Wat ze daarmee bedoelt, kom ik van anderen te weten. El Paso blijkt sinds elf jaar in handen te zijn van "een Hollands koppel met meer commerciële bedoelingen". Zij zorgen dat de westerners een locatie hebben, maar in ruil moeten de cowboys en de Indianen present zijn als de uitbaters erom vragen. Dat kan zijn voor het showke van de zondagnamiddag, maar ook voor de feestjes in El Paso, gaande van doop en huwelijk tot boerenbal en goa party! Cowboys en Indianen moeten dan "in kostuum" de biertap bedienen en als western-figurant bijdragen tot de feestvreugde. Wat voor lange gezichten zorgt onder de échte westerners en wat hen in andere cowboydorpen het etiket geeft "dat die van El Paso maar plastikken cowboys zijn".

Ik vraag of Wolfje al in Amerika is geweest? Nee, zegt ze beslist, "ik zou nog niet willen. Want die Indianen daar zijn afgestompt, misvormd door de consumptiemaatschappij. Dat zijn geen échte Indianen meer." En dan vertelt ze dat ze al meer dan dértig jaar indianiste is en zich al die tijd verdiept heeft in boeken over de oude Indiaanse cultuur, "ik denk dat ik méér weet over de Indianen dan de Indianen zelf!" Ze maakt ook helende zalf volgens een recept dat ze me niet gaat vertellen ("het is iets met wortels") en ze spreekt op de koop toe Lakota, de taal van de Sioux, "en die taal spreek ik beter dan veel zogezegd échte Indianen!"
Het zit er bij haar in van kleinsaf, "toen ik vijf jaar was, wilde ik al een Indiaan zijn." En ze herinnert zich nog de Expo '58 in Brussel: "Ik heb daar de cowboys en de Indianen zien vechten en rondrijden, dat was heftig voor een kind van elf jaar, ik was met momenten bang om ernaar te kijken!"
Met de jaren is ze "geestelijk geëvolueerd" inzoverre dat ze nu ook Indiaanse huwelijks- en begrafenisceremonieën voltrekt. In september gaat ze negen kinderen dopen, "dat zijn burgerkinderen, van ouders die aangetrokken zijn tot die wereld van de Indianen".
Eigenlijk zijn wij vooral kinderen van de jaren zestig en zeventig, zegt ze, "ge zult dat horen, veel cowboys en Indianen komen uit Antwerpen, het zijn mensen die veertig-vijftig jaar geleden wég wilden uit de stad, die toen in de natuur wilden gaan leven."

Sympathiek vuurgevecht in El Paso © Stephan Vanfleteren

Sympathiek vuurgevecht in El Paso © Stephan Vanfleteren

Ik heb getwijfeld aan dit opzet, - wat heb ik te zoeken bij die hobbyisten in western outfit? - maar àls een Antwerpse indianiste zich een bétere Indiaan voelt dan het gros van de Indianen in Amerika, àls een Antwerpenaar 37 jaar sheriff wil zijn en zijn as wil laten rusten op een minuscuul kerkhofje in een houten wildwest-decor, als mensen hartstochtelijk over oude culturen praten van een land waar ze nooit geweest zijn, dan moet er meer zijn. Ergens, honderdvijftig jaar geleden, was er een leven voor hen weggelegd. Een bestaan vol natuur en avontuur, in een land met onbegrensde mogelijkheden. De deernis is dat ze veel te laat geboren zijn en dan nog in een land met zeer begrensde mogelijkheden. Hoe ze die illusie hooghouden, van dat geïdealiseerde verleden, van dat verloren paradijs, dat wil ik wel eens zien.
De zondag erop ben ik om één uur op El Paso. Het is nog te vroeg voor enige actie, sheriff Logan Harvey (74) veegt blaren en rijft het mulle zand van de hoofdstraat. Yakima en Nokamis komen uit hun long house gesloft, ze hebben maar twee uur geslapen, het feest heeft vanmorgen tot acht uur geduurd, "en toen moesten we nog opruimen". Intussen komen de eerste bezoekers aan en ik zie kinderen al spelend op de galg kruipen. "Gaat daar eens af," roept de sheriff, "subiet gebeurt er een ongeluk." Niet dat er een strop hangt, maar de kinderen kunnen door het valluik stuiken.
De Nederlandse eigenaars, Jeanneke en Freek, maken de buitentafels schoon en leggen uit waarom El Paso op de commerciële toer is gegaan: "Als hier geen feesten en party's waren, als wij de ploeg van Big Brother zouden weigeren om hier een week te kamperen, dan was de boel al gesloten geweest en waar hadden de cowboys dan gestaan?! Ze moeten toch weten dat het onderhoud van zo'n dorp klauwen vol geld kost!"
De cowboys moeten niet klagen, de cowboys moeten blij zijn! En dat er dan "af en toe" eens geholpen moet worden achter de toog, "dat is maar normaal". (Van Indiaanse zijde zal ik later horen dat de cowboys dikwijls hun kat sturen als ze van dienst zijn: "ofwel moeten ze naar de zee, ofwel naar hun moeder, ofwel naar hun moeder in de kliniek!")
Jeanneke en Freek hebben trouwens al voor heel wat extra animatie gezorgd. De cowboys hoeven niet altijd de bank te overvallen, voor de verandering hebben ze ook al eens een autobus mogen attaqueren, "en één keer zelfs tien Arabieren en een échte kameel". Ik zie het al gebeuren, John Wayne in een onuitgegeven duel met het Schip Van de Woestijn. Er komt een jong koppel door de poort met twee kinderen en iets van blijde verwachting op hun zondagse gezicht: "'t Is voor dat verjaardagsfeestje van onze kleinste, met twintig kindjes, wij komen het voorschot betalen. " Wolfje wordt erbij geroepen, want zij moet die dag "het eten doen". Ja, zegt ze, wij kunnen die namiddag voor frieten zorgen én een curryworst. En dat er zeker één cowboy en één Indiaan zal zijn om de kindjes bezig te houden "met spellekes en zo, we gaan ook cowboy en Indiaantje spelen". En dat de mama zeker op de uitnodiging moet zetten "dat de kinderen kleren moeten meebrengen die vuil mogen worden". Dat is dan afgesproken. Ze zegt dat er daarstraks ook telefoon was van jonge vrouwen die een vrijgezellenfeestje wilden houden mét ophanging van de 'vrijgezellin' aan de galg. Ook voor haar was er kledingadvies: " Zie maar dat zij een onderbroek aan heeft als ze een rok draagt, want bij zo'n hanging ziet ge àlles!"
Jaja, het leven is niet gemakkelijk. 

Een motorclub komt aangereden, een rij van donkere pothelmen op blinkende Harleys. Bij de saloon staan wat oldtimers en ik spreek met Joshua die vier jaar geleden gestopt is met het "western zijn" maar die nog altijd zijn hoed, broek en bretellen draagt uit die vervlogen jaren. Hij is twintig jaar lid van de club geweest en hij wijst de huisjes aan die hij mee heeft helpen rechtzetten. Van het kerkje weet hij te vertellen " dat het helemaal gemaakt is naar het model van het kerkske in Bonanza". Dat is de roemrijke tv-serie uit de jaren zestig waarmee ze hier allemaal zijn opgegroeid. En dat graf ginder, van John Wesley Hardin, dat is eigenlijk van Ronny Van Hool, "die was al jàren lid, die stopte met het cowboy-zijn en die heeft zichzelf dus symbolisch begraven".
De Ronny, dat was tenminste nog een échte, maar nu is het "hier allemaal om zeep", zegt Joshua. "Nu komen hier gasten, ze betalen het lidgeld, ze kopen een stetson, boots en een revolver en de volgende zondag staan ze hier al te paraderen." Het zijn tapkastcowboys, of ook, macadamcowboys, "gasten die vies zijn van slijk en van stof", en zij zorgen ervoor dat El Paso zo'n slechte naam heeft in de westernwereld.
Vroeger, ja vroeger, "toen was het nogal wat anders! Toen kreegt ge een peter en een meter en die droegen u voor als ge het waardig waart. Dat duurde zeker twee à drie maanden eer ge bepaalde kleren mocht dragen, zo stréng waren ze. Maar tegelijk was het ook een vriendengroep, mensen die mekaar elk weekend zagen en die geweldig aan mekaar hingen."
En nee, hij is nog nooit in Amerika geweest, en nee, het Engels van El Paso was niet zo goed als op teevee (" hier spraken ze Yankees soms uit als Jan-Kees"), maar dat ze authentiek waren, dat staat buiten kijf. En dan krijg ik het verhaal te horen dat ik in alle cowboydorpen zal horen: "Hier zijn eens Amerikanen geweest, échte Amerikanen, uit Amerika zelf, en die zegden tegen ons: ge moogt fier zijn, want zoiets vindt ge niet meer in Amerika!"   

(Gazet Van Antwerpen 1975)

(Gazet Van Antwerpen 1975)


Ik begin iets te begrijpen. Ze wilden niet zomaar weg uit de stad. Ze wilden een plaats creëren die - al was het maar voor een weekend- een betere wereld zou zijn. Van vrienden, van kameraden. Westerners en indianisten zijn in wezen idealisten en utopisten. En omdat ze idealisten zijn, tref je hier ook de eeuwige tweespalt: tussen de zuiveren en de onzuiveren, tussen de échten en de onechten die het ideaal gecommercialiseerd en dus verraden hebben.    
Jongens toch! Wààr is de tijd dat Willy De Groot (de sterreporter van Story) en Karel Biddeloo (de tekenaar van De Rode Ridder) hier ook nog als cowboy rondliepen. El Paso heeft altijd die nationale bekendheid gehad: Jambers is er geweest, en Echo, en Afrit 9, en noem maar op, "alle tv-programma's zijn hier geweest!" El Paso is zelfs  internationaal bekend, wie ze hier allemaal gezien hebben!  Studentenclubs uit Holland "met tweeduizend man"! Het vreemdelingenlegioen uit Frankrijk "met zijn eigen tenten"! Het lief van Sean Connery "zonder dat hij erbij was", en dan vergeten we bijna nog "de Sergio Leone"! In 1975 bracht de befaamde regisseur van spagettiwesterns een bezoek aan België om zijn nieuwe film The good, the bad and the ugly voor te stellen, (wat toen op de Vlaamse affiches en calicots nog vertaald werd als: "Een genie, twee partners en een sukkel",jh ) De cowboys van El Paso hebben de grootmeester toen "al schietend" verwelkomd in het Brusselse Zuidstation en later speelde de band van El Paso " prachtige Morricone-muziek" in het Antwerpse De Keyserhotel waar bij verbleef. Sergio Leone had zo'n ontvangst "nooit eerder meegemaakt" en was aldus Gazet Van Antwerpen "vol lof voor de Wuustwezelse cowboys".   
Ja, heel de wereld wist van El Paso, "ooit waren wij de moederclub van alle westernclubs", maar nu kijken die andere clubs op El Paso neer, nu neemt hun aantal leden af en als het aantal bezoekers  hier in 2007 is toegenomen, "dan zijn dat vooral ramptoeristen die het spel nog eens willen zien voor het afgebroken wordt".   
Het nieuws van de dreigende afbraak kwam er in februari 2007. Het Vlaamse Gewest, dienst Stedenbouw, dagvaardde de eigenaars omdat er voor het merendeel van de gebouwen nooit een bouwvergunning was aangevraagd. Daarenboven lagen die onvergunde bouwsels in ruimtelijk kwetsbaar (agrarisch) gebied. De zaak is al enkele keren uitgesteld, een definitief vonnis wordt verwacht in februari 2008. En zo rust er al maanden een stille vloek op dit dorp.

Papa Blue Eyes © Stephan Vanfleteren

Papa Blue Eyes © Stephan Vanfleteren

Naast het voetbalveld van de Koninklijke Vlimmeren Sport loopt een smalle weg (met de klinkende naam Wetschot) tot tegen het bos en zo kom ik bij de houten palissade van de Texas Cattle Ranch. Tegenover de 'ranch' is een échte varkensboerderij, naast de ranch woont de Rudy die me weet te vertellen dat de ranch eigendom is van ene "Papa Blue Eyes uit Oelegem". Toffe gast. Kameraad van hem. Tien jaar geleden is hij ermee begonnen "om zijn weekendverblijf om te bouwen in western stijl". De leden van de club zijn vooral veertig- en vijftigplussers. Eén keer per jaar houden ze een treffen, een council, en dan staat de wei naast de ranch vol tenten en tipi's. "Mijn vrouw werkt in de supermarkt in Vlimmeren, en zij ziet ze dan soms aan de kassa staan, in hun cowboykostuum of in hun Indianenkleren." Rudy geeft me het telefoonnummer van "de Papa" die ook Patrick Jorens blijkt te heten. Ik bel 'm op en ik heb chance: "de council is binnen twee weken". En reporters zien ze niet zo graag komen ("omdat ze ons meestal belachelijk maken"), maar Humo mag binnen, "als gij tenminste uw voeten afveegt!"
25 mei is een vrijdag met zon en een zachte avond. In het dorp Vlimmeren staan pijlen naar het cowboydorp dat dit weekend een paar honderd bezoekers verwacht. Op tweehonderd meter van de ingang is de prikkeldraad van een wei open gemaakt, hier mogen de auto's en de campers staan, daaronder ook enkele Duitse en Nederlandse nummerplaten. In een tweede wei is "het kamp" ingericht: de cowboys met hun gezin kamperen in witte canvastenten, de Indianen staan een eindje verderop met een grote tipi. 
"De Papa" (53) komt in blote bast toegelopen en gesticuleert dat deze vreemdeling oké is, "laat 'm binnen, mannen! Die mens heeft in den Humo een heel schoon artikel geschreven over Montana en de cowboys en de Indianen ginder. " Voila, ik kan niks meer verkeerd doen. En dat ze de Frank ook moeten roepen. Dat blijkt Frank De Meulder te zijn, winnaar van Expeditie Robinson in 2004, en al jaren overtuigd indianist. Frank draagt mocassins, een hertsleren broek en een kralensnoer op het blote bovenlijf. Als ik laat horen dat ik in El Paso ben geweest, vernauwen zijn ogen. El Paso? Pfoe!
"Ik zag ze op ATV! Joenge, ik kreeg de boebels van benauwdheid op mijn armen. Die showkes die ze daar vertonen, dat is cowboyke en indiaantje spelen. Dat doen wij niet! Wij zijn  re-enactors. Wij bestuderen dat dagelijks leven van vroeger - die kleren, die werktuigen, die ceremonies- en wij her-beleven dat zo historisch mogelijk. Bij ons is dat geen spél! " En dat ik vanavond maar eens door het tentenkamp moet lopen, langs "al die vuurkes die daar branden. Dan voelen wij ons in een echt cowboykamp, dan zijn wij niet meer in België, dan zijn wij honderdvijftig jaar terug!"
In dat tentenkamp zijn geen moderne dinges toegelaten, dus geen gsm's, geen radio's, geen horloges en ook geen aanstekers. Wie licht nodig heeft, gebruikt een petrollampeke, en wie muziek wil maken, "moet maar een gitaar pakken". 
De ene auto na de andere arriveert en straks zal hij me zeggen dat dit voor hem “de schoonste dag van het jaar is: als ik zie dat iedereen hier is, als ik zie dat ze allemaal graag terugkomen elk jaar. " Over de Duitse bezoekers is hij niet zo verwonderd: " In Duitsland zijn de cowboydorpen nog altijd populair. Ge hebt daar ook nog veel clubs van indianisten. En dat is allemaal te danken aan één man, aan Karl May (1842-1912, zeer populaire westernschrijver. Creëerde de figuren Winnetou en Old Shatterhand, jh)
Middelpunt van de Cattle Ranch is uiteraard de saloon. Daar zitten nog meer blote basten op barkrukken om de hitte uit hun vel te drinken. Ik zie ook veel gezichtsbegroeiing, haast ieder heeft een snor, baard, sikje, knevel of walrus. De Papa deelt kwinkslagen uit en blijkt een geboren verteller met een eigen idioom van krachtige overdrijvingen. Een lelijke vrouw is bij hem "zo lelijk dat zelfs haar hond niet met haar wilde gaan wandelen of ge moest 'm drie koteletten geven!" Urbanus & Lambik tesamen, ik hou er wel van.

Zou hij El Bandido kunnen zijn? Een outlaw van de Texas Cattle Ranch © Stephan Vanfleteren

Zou hij El Bandido kunnen zijn? Een outlaw van de Texas Cattle Ranch © Stephan Vanfleteren

We gaan weer in de buitenlucht zitten bij enkele cactussen die hij zelf heeft "gefabriceerd" met betonijzer, groen PU-schuim en stekels van plastic. Hij rolt een sigaret uit een blikken tabaksdoos en op het deksel staat Lassie, de dapperste tv-hond van de jaren zestig: "Als kleine jongen wou ik al Indiaan zijn. Ik vroeg aan ons moeder zo'n rooie rekker van de weckpotten en die rubberband deed ik dan rond mijn kop: dat spande zo hard dat het bloed bijna uit mijn kop sprong. Mijn pluimen, dat waren de lange blaren van een rododendron, en aan mijn voeten deed ik lappen tapisplain, dat waren mijn mocassins!"
Het avontuur heeft hem altijd getrokken. "Ik ben nog para-commando geweest. Ge komt in alle werelddelen, ge leert iemand  doodknijpen zonder dat 'm het weet, en met de negers doet ge van die speciale volksspelen." Hij noemt een paar missies en dat hij "daar nog altijd flashbacks van heeft". En dan zonder de minste overgang: "Hier kwam deze namiddag een uffra met een klas van het eerste studiejaar voorbij. Of ze het kamp mochten zien? Zeker uffra, komt u binnen! En dan heb ik ze een rondleiding gegeven langs de cowboytenten en de tipi en nadien mochten die bengels vragen stellen. (Doet seutig stemmetje na) "Meneer, schiet u Indianen dood?" Làp, probeer dat maar eens serieus uit te leggen aan een zevenjarige! En dan een ander kind: "Meneer, wat drinkt een Indiaan?" En ik zei: water en koffie. En dan vroeg het: "en wat drinkt een cowboy?" Al de rest, heb ik gezegd. En dan dat kindje tegen die juffrouw: "Juffrouw, wat is dat, alderest?"
Ik vraag of hij al in Amerika is geweest. "Neeje, jongen, maar dat is wel altijd mijn grote droom geweest; om zo ergens in een landschap te staan gelijk de Grand Canyon en dan te denken: hoé zou dat voor die mannen vroeger geweest zijn om hier cowboy te zijn? Maar toen we jong waren, was die vlieger naar Amerika té duur. En nu we het wél kunnen betalen, zijn we op een leeftijd gekomen dat we kleinkinderen hebben, en die van ons krijgt de tranen in d'r ogen als ze die een dag moet missen. Gaat gij maar alleen, zegt ze. Maar ja, wat zou ik op mijnen alleen in Amerika gaan doen? "
Maar dat hij veel gelezen heeft over de pionierstijd van Amerika, hij heeft voor 250.000 frank (6000 euro) boeken: "Ja, als ge daarin op gaat, in die kleren en in die boeken, dan is het een dure hobby."
Zo heeft de Papa "schone cowboyboots" besteld in Duitsland, voor 24.000 frank (600 eur). En waarom hij ze niet in Amerika had besteld, kreeg hij te horen, via internet, veel goedkoper! Niks goedkoper, zegt de papa, ik heb ooit eens goedkope internet-boots besteld, na twee keer dragen schoot de zool al los, hij heeft ze gelijk "in het bos gezwierd!"
En dat de hoeden ook al zo duur zijn, "een goeie stetson veegt ge niet uit met 10.000 frank. Ge hebt er ook goedkope, maar dat is brol: als het slecht weer is, hangen die flappen naast uw kop, precies ne jachthond in de regen".

Quickly © Stephan Vanfleteren

Quickly © Stephan Vanfleteren

Intussen trekt het avondprogramma zich op gang. Een vrouw in lange pioniersrok en linnen kapje zet het openingsnummer in. Het is I never promised you a rose garden van Lynn Anderson, een mega-hit uit 1970 waarbij ik als een pijl uit een boog zou willen verdwijnen. Papa is intussen aan een merkwaardig verhaal bezig over een haas die hij ooit geschoten heeft met de nagels uit zijn klompen! "Ik stop die nagels in een cartouche, ik schiet, en dat beest blijft aan de boom hangen met die nagels door zijn twee langoren!"
Hebben intussen ook nog aan onze tafel plaats genomen: Quickly, een cowboy uit Beerse die zijn bijnaam verworven heeft omdat ie "sneller jenever kan drinken dan zijn schaduw", en Peter die half trapper half roodhuid is, vandaar ook zijn naam: "Hij die Twee Wegen Bewandelt". Maar dan in het Teton-Sioux natuurlijk. Tegen Peter maak ik gelijk de beginnersfout door het woord 'Indianenstam' uit te spreken, "Stammen staan alleen in het bos! Ge moet over volkeren of nations spreken." Peter is afkomstig van Herentals, maar woont intussen in Duitsland waar hij in de Stahlbau zit. Met z'n Duitse vrouw probeert hij nu de moeilijke taal van de Teton Sioux onder de knie te krijgen. Of ze al in Amerika zijn geweest? Nee, dat is er nog niet van gekomen.
Ik leg hen uit dat ik geïnteresseerd ben in het "waarom van het cowboy & indiaan zijn"; of zoals de Papa het zo schoon weet uit te drukken, "het worroem!"  Wat wij hier allemaal gemeen hebben, zegt Peter, "is dat wij tegen het moderne leven zijn." Hij verstaat daaronder: het gejaagd zijn, het gestresseerd zijn. "Dat ge om zes uur moet opstaan, dat ge acht uur moet werken, dat ge van uw baas nog een overuur moet maken en als ge dan moe thuis komt en voor uw tv kruipt, dat ge dan ineens denkt: godverdomme, mijnen dag is om!" 
Hier in het cowboykamp "is geen tijd en is niks geregeld", en in de maatschappij is "alles geregeld". Als hij zegt dat het ook een "teruggaan is naar de jeugd," dan vallen de anderen hem bij. " In onze jongenstijd deden wij niet anders dan cowboy of indiaan spelen."
Als Quickly zegt dat hij nog elke week uitkijkt naar zijn cowboykleren en dat hij niet kan wachten "tot het vrijdagavond is", dan schiet me de term cowboy junkies te binnen. De ware addicts, dat zijn die gasten hier. 
Volgens Peter was er al een Belgische fascinatie voor het cowboyleven in de jaren twintig. "Ik ken een ouwe bompa en hij heeft na de eerste wereldoorlog schepen uit Amerika zien aankomen aan de Scheldekaaien in Antwerpen. Die hadden levend vee bij, dat moest naar het slachthuis, en aan boord van dat schip waren er  cowboys om die beesten te begeleiden. Loeiende runderen en cowboys in de straten van Antwerpen, ge kunt verstaan dat daar veel volk op stond te kijken!"  
Ik ga bier halen in de saloon en daar tref ik cowboy Billy Boy. Aan zijn tongslag merk ik dat de mazout in zijn hand niet de eerste is van de avond. Hij is in Canada geweest! Meer bepaald in Winnipeg! En dat heel die binnenstad nog vol houten cowboyhuizen staat. Ik betwijfel het, maar hij slaat al met zijn hand op de toog dat het echtigentechtig de waarheid is. Ik betaal met euro's wat hier niet de standaardmunt is; aan de tapkast wordt met lichtgroene lokale dollars afgerekend, gefotocopieerd geld dat een hoge ruilkoers volgt : 1 Vlimmerse dollar =1,25 euro!
Terug aan tafel wordt het verhaal verteld van de Make A Wish Foundation. Een hartpatiëntje van vijf jaar uit Mol had als hartenwens "één dag een cowboy zijn". Dat was in 2001 en die heeft toen "onze ranch bezocht en de Arizona Ranch in Halle-Zoersel, en daar was van alles voorzien, paardrijden, lasso gooien, enzovoort". Door de solidariteit onder de clubs hadden ze voor dat manneke ook "een cowboykostuum op maat" gemaakt. Ruwe bonken van venten haalden ineens "het koeienvel vanonder hun tent uit, sneden het in twee en zegden 'hier! maakt hier maar een broek van!' En dat ventje heeft alles gekregen: een broek, een vestje, een zakhorloge, bootskes, echt het beste van het beste, en zijn moeder heeft verteld dat dat kind nog weken in die kleren heeft rondgelopen, hij ging er zelfs mee slapen!!"   Zie, daar wordt Peter nu week van. Hij neemt ontroerd zijn hoed af en houdt 'm op zijn hart: "Sé mannen, als ik dat hoor, dan bloeit mijn hart! Dat is schoon, heel schoon dat zoiets nog kan!"

Quickly en Papa aan de saloontoog. © Stephan Vanfleteren

Quickly en Papa aan de saloontoog. © Stephan Vanfleteren

Dat brengt hen op het hoofdstuk De Gazetten en wat die van hen schrijven. Allen zijn het erover eens: reporters deugen niet. "Ge vertelt iets en ze schrijven iets helemaal anders!" Wij worden nooit au serieux genomen, wij worden altijd belachelijk gemaakt, dat is de teneur. Tv, juist van hetzelfde! "Neem Eén uit de duizend, dat vroeger program van Marlène de Wouters," zegt Papa, " we worden uitgenodigd bij VTM, we zitten daar met enkele cowboys in het cafetaria en Marlène komt bij ons zitten voor een voorbereidend gesprekske. (Schakelt over op getuite lippen en ABN): 'Hebt u geen schrik dat de mensen u gaan uitlachen?' Ik zeg: nee, wat bedoelt u? 'Wel ja, door uw kledij en zo?' En ik zeg: 'Als u, madame Marlène de Wouters, als ù naar een toneelstuk gaat zien van Shakespeare, lacht u die acteurs dan ook uit, ofwatte?' Làp, ik had gedaan, hé! In de uitzending hebben ze mij héél ver van de micro gezet!" Altijd maar vragen naar die “rare” kledij, nooit eens vragen naar wat hen werkelijk bezig houdt.

Ik vraag hem waarom je zoveel oldtimers en zo weinig jongeren ziet in de cowboydorpen. Voor hen is de computer de eerste schuldige: " Als ge tegen een jonge gast zegt: daar is een paaltje en hier is een hoefijzer, dan weten ze niet waarover ge het hebt. Maar zet ze voor een ingewikkelde computer met duizend mogelijkheden en ze zijn direct vertrokken!"
Die computer is "tegenwoordig hunne god", wordt er gezegd, waar is de tijd dat er geen video en zelfs geen tv in huis was. "Als ze vroeger iets van Amerika wilden weten, dan moesten ze naar de film gaan," zegt Peter. Hij kent een vrouw die in de jaren zestig heel veel westernkleren heeft gemaakt: " Van die kleren bestonden geen patronen. En toen ze eens zo'n lang kleed van een pioniersvrouw wilde maken, is ze naar de film Gone with the wind gaan zien om dat patroon in haar kop te prenten. Nu zouden ze zeggen: ik haal de dvd en ik zet het beeld stil, maar zij is toen drie keren naar die film geweest om goed te kunnen kijken. Dat is dus negen uur dat die madame in de cinema heeft gezeten, enkel en alleen om dat kleed te kunnen maken." Om mij maar te zeggen hoe sommige mensen daarin kunnen opgaan, in die westernwereld. En ook dat de vrouwen belangrijk zijn: zegt dat wel, mannen, wij kunnen niet zonder!

Van de kostuumfilm is het maar een kleine stap naar een discussie die in àlle cowboydorpen leeft: hoe streng moet ge zijn voor leden van wie de kleren maar half western en dus historisch niet correct zijn? Het voorbeeld wordt aangehaald van de Texas Rangers in Wechelderzande, "dat is een besloten club. Daar mogen alleen leden komen die een perfecte outfit hebben." Voor mij is dat te extreem, zegt de Papa, "zo'n strenge club waar soms maar vijf man aan de toog staat." De Papa vindt dat ge soepel moet zijn. "Hier lopen soms mannen met drie messen en een revolver op hun heup. Dat is erover. Dat is showen. Dat zijn mannen die niks van de geschiedenis kennen. Maar ja, ge kunt niet verlangen dat iedereen een boekenlezer is. Hier komt ook iedereen:  mannen van den bouw, chauffagemannen, camionchauffeurs en advokaten. Dat er daar mannen bij zijn die puur voor de lol komen, dat moet ge kunnen verdragen, "zolang het maar geen zottekesspel wordt zoals op El Paso." 
Papa overloopt het programma van morgen: het ontbijt is spek met eieren, dan 's middags is er een half kieken voor iedereen, en om twee uur wordt de council officieel geopend. Van dan af zijn er geen burgers meer toegelaten in het kamp, want dan beginnen de wedstrijden: om ter beste vuur maken, messen werpen, bijlgooien en hoefijzer smijten. Wie het meeste punten verzamelt, is gewonnen. 
Ik zeg dat ik stilaan ga vertrekken. De Papa gaat nog één mopke vertellen. Of twee. "Ge weet toch van welk materiaal de zitting van een rolstoel is gemaakt? - Van antiloop! En weet ge ook van welk hout ze krukken maken? - Van kreupelhout!" En kom, we zullen nog een laatste drinken, en zo zitten we samen, en allemaal zijn we cowboys van Jupiler County en Uithetfleske City.
Het is na middernacht als ik door het kamp loop. Er schuiven dunne wolken langs de maan die haar stille zilver op de canvastenten werpt. Her en der branden houtvuren, klein en helder, en bij die vlammen spreken de grote mensen gedempt nu, want er zijn kinderen die niet kunnen slapen. In de schaduwen van de tentzeilen zie ik hoe ze nog eens worden ondergestopt. Op de zandweg naast het kamp lopen twee cowboys, hun heuprevolvers glanzen in het licht van deze nacht. Alles is romantisch nu, behalve die éne pissende stadshond die ze klik-klik uitlaten aan een uitschuif-leiband.  

Deel (2): Centennial City in Olmen “Wij worden verdreven zoals de Indianen”

Nawoord: El Paso is toch nog blijven bestaan. Na jaren van onzekerheid besliste het Hof Van Beroep in 2014 dat de strafvordering onontvankelijk was. Het kwam tot een regularisatie van de verjaarde bouwmisdrijven. Een foto-filmpje over El Paso (2017) zie je hier
Indianiste "Wolfje" heeft intussen een graf op het kleine El-Paso-kerkhof. Ze werd 72. Bij haar dood in juni 2016 kreeg ze een begrafenis met Indiaanse ceremonie en haar as is ter plaatse verstrooid.
De Texas Cattle Ranch in Vlimmeren is ongeveer tien jaar geleden verkocht omdat Papa Blue Eyes "voor een paar zware en dure operaties stond". Alle western-coulissen zijn afgebroken.  

graf+wolfke.jpg
Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De coronacrisis: wie gaat nog fluitend naar zijn werk?

Ik hoorde op het radiojournaal dat 88% van de Vlaamse bedrijven het thuiswerken aanbiedt aan zijn werknemers. Voor de coronacrisis was dat slechts 57%.
Zodat je je gaat afvragen: wie gààt nog naar zijn werk. En de al even pertinente vraag (in deze crisistijd): wie gaat er nog fluitend naar zijn werk?
We gingen te rade bij enkele geboren fluiters.
Humo december 2012 -licht herwerkt © Jan Hertoghs

Vicske De Fluiter fluit “You’ll Never Walk Alone” in de voetbalkantine van FC Herenthout ( april 2013) © Herman Welter  Beluister hieronder een fragment

Vicske De Fluiter fluit “You’ll Never Walk Alone” in de voetbalkantine van FC Herenthout ( april 2013) © Herman Welter
Beluister hieronder een fragment

You'll Never Walk Alone
Vickske De Fluiter

"Je moet je nooit generen! Zelfs in de rij van de supermarkt zal ik fluiten."

Om érgens te beginnen richten wij ons oor tot het oudste fluitende beroep ter wereld: de bouwvakker. Hoe staan de zaken daar?
Jef zit al decennia in de bouw, "maar fluiten is zeldzaam geworden. Als het weer én het werk meezit, dan hoor je 't soms nog. Maar de werfradio is nu de baas. En de jonge gasten hebben soms ook al oortjes in: ieder z'n eigen muziek." 
Jozef
is met z'n 31 een jonge bouwvakker, maar fluiten, "dat is de wereld uit. Ik fluit zelf nooit. Er is teveel druk en stress, er is geen tijd om relaxt te zijn. Eigenlijk zijn wij bouwvakkers stil geworden. Zelfs naar de vrouwen fluiten wordt bij ons niet meer gedaan."
Ooit zong Jan De Wilde dat "de bouwvakkers na een nare tijd weer iets hebben om naar te fluiten", maar dàt lijkt dus finito. Ook Stanny merkt in de bouw nog amper fluiters op. Hij heeft wel een fabrieksfluiter gekend: "Die floot àltijd! Was er 's morgens een tof liedje op de radio, dan floot hij dat de hele dag. Was hij naar een begrafenis geweest, dan floot hij nog ùren Waarheen leidt de weg! Ging het werk vooruit, dan floot ie! Ging het werk niet vooruit, dan floot ie nog! Wij zegden hem soms: slikt uw fluitje in. Maar nee, hij moést kunnen fluiten. Dat waren zijn arbeidsvitaminen, zei ie. "
Wim is schrijnwerker. Hij komt op werven allerhande en hoort ook nog amper fluiten. Hij denkt zelfs dat het alleen nog bestaat in figuurlijke zin: "Als ze zeggen: die gaat fluitend naar zijn werk, dan is dat alleen nog maar beeldspraak. Dat échte fluiten is er niet meer bij. " 
Wim heeft nog een aparte observatie:" In mijn jeugd hoorde ik vooral de postbode, de bakker, de melkboer, de brouwer, en later de leverancier van diepvriesproducten fluiten. Allemaal mannen die aan de deur kwamen. Waren ze echt goedgezind of was het commercie? Zij moeten dat geweten hebben dat mensen makkelijker kopen van een goedgezinde fluiter dan van een mistroostige zwijger."

Bobbejaan Schoepen (ingescand uit Humo/ Bobbejaan Records)

Bobbejaan Schoepen (ingescand uit Humo/ Bobbejaan Records)

Ik weet het van mezelf. Ik floot vroeger meer dan nu. Je bent geen knaap meer, de harde wind in het medialandschap snijdt soms je adem af, en het vraagt ook zelfvertrouwen om fluitend over straat te fietsen, én om dat vol te houden terwijl een passant in aantocht is. Je voelt dan gêne, alsof je niet luidop opgewekt mag zijn.   Fluiten is not done geworden. Alsof het een vorm van dwaasheid is. Alsof jij de naïeve pipo bent die niet beseft dat het crisis is. En sléchte tijd! Voor iederéén dan nog!
Hoe je liever niet toegeeft aan die gêne, dat wil ik leren van ervaren fluiters. Zoals Georges Meersschaert. Hij is 75 en fluit al vanaf zijn elfde.
"Net als m'n kameraden liep ik te fluiten op de speelplaats. Wij hadden toen geen oortjes met muziek. Wij hadden alleen een voetbal en knikkers om ons bezig te houden. Dan ga je vanzelf wel fluiten. Eén schoolmeester floot ook en hij heeft me nog aangemoedigd: 'goed op weg, Georges, doe uw best!'
Toen ik achttien was, begon ik als schrijnwerker in de bouw. Ik floot vanaf de eerste dag en mijn baas was content. Een fluitende werkman, dat had hij graag, dat wilde zeggen dat ik plezier vond in mijn werk.
Toen ik eenentwintig was, zag ik Bobbejaan Schoepen optreden in De Haan. Dat was een belevenis. 's Namiddags reed hij door de straten met zijn paard en cowboykostuum, en iedereen liep te hoop om hem te kunnen zien. De mensen waren zot van Bobbejaan! En 's avonds zat zijn circustent bomvol voor zijn optreden. En al die liedjes die hij zo machtig kon fluiten, die ben ik gaan nafluiten. Ik heb een muzikaal gehoor: als ik een liedje twee keer hoor, dan kan ik het fluiten.
Later was ik klusjesman bij het OCMW in Oostende. In hun ziekenhuizen zagen ze mij graag komen, want ik liep fluitend door de gangen.
Maar nu! De mensen fluiten nog amper. De mensen zijn minder vrolijk geworden. Dat heeft te maken met de komst van de tv en dat de mensen veel minder op café gaan. Ik ging met m'n ouders op café, daar zat een accordeonist, daar werd gedanst, daar was de muziek en het plezier tastbaar aanwezig, en dat gaf ook de goesting om met muziek door het leven te gaan.
Vroeger floot ik ook op straat. Nu fluit ik alleen nog in een lege straat. Als ik mensen zie komen, dan hou ik op. Ik wil niet dat ze denken: die vent fluit, die is zeker niet zjuste in zijn bovenkamer! "
Georges vindt het erg dat hij zich geneert voor dat schuifelen. Hij wordt er stil van. Maar zijn kanarie fluit onverstoorbaar verder. Georges kijkt eens schuin naar het beestje, en zegt dat hij toch nog chance heeft gehad. "Acht jaar geleden heb ik mijn tweede vrouw leren kennen. Zij treedt op en zingt Edith Piaff, en de laatste vier jaar mag ik mee om te fluiten.
Dat kwam met de dood van Bobbejaan in 2008. Ik mocht in Man Bijt Hond een hommage fluiten, en zij heeft me toen aangezet om weer te beginnen. Wij treden vaak op voor zestigplussers, en dan zing en fluit ik liedjes van Bobbejaan en van Will Tura. En mét succes. Soms zijn daar ook jonge gasten aanwezig, en die zitten als een schaap te kijken. Want ja, dat is zo ànders dan die muziek uit hun oortjes en hun computer. Terwijl fluiten de goedkoopste muziek is die er is. Het zit in u, het kost geen geld!"
Toch is hij pessimistisch wat het fluiten op straat betreft. "Dat is voorbij, passé, uitgestorven."

Cowboy Henk (Ingescand uit Humo/ Herr Seele )

Cowboy Henk (Ingescand uit Humo/ Herr Seele )

The Happy Whistler
De man voor wie het fluitenieren nog verre van finito is, is Vic Van Der Taelen. Aan de telefoon fluit hij al zo blijmoedig dat ik een sterk vermoeden heb. Of hij bezit Het Geheim van Het Eeuwig Leven of hij kent op z'n minst het Geheim van Honderd Jaar Fluiten. Het huis van Vic en z'n vrouw Jacqueline is dan ook een lichtbaken in het dorp. Met een lichtkrans voor het raam, en binnen een grote collectie kerst: ballen, kabouters, herten, hoefijzers, zilverklokjes en sneeuwmannen met een theelichtje erin. In deze warme kribbe woont de man die iedereen kent als Vicske De Fluiter.
Vic: «Ik kom buiten en ik ben aan 't fluiten! Waarom? Omdat ik altijd gefloten heb. Op school. Thuis. Op straat. Ik zie mij nog uit Cinema Lux komen! Wij hadden dan "The Third Man" of de western "Johnny Guitar" gezien, en dan floten we die melodie op weg naar huis!"
"Nu is dat nog. Of ik naar de bakker ga, of in de tuin werk, of naar Radio Minerva luister, ik fluit altijd. Zelfs in de supermarkt! Ik sta aan te schuiven aan de kassa, andere mensen ergeren zich, maar ik fluit mee met de muziek die ze daar spelen!
Jacqueline: «Om zes uur staat hij op, en dan is hij al aan het fluiten. Van de slaapkamer nààr de badkamer!"
Omdat hij zich dan al goed voelt, zegt Vic. En dat Bobbejaan Schoepen een grote inspiratie is geweest. En dus fluit hij iets van Bobbejaan. En daarna iets van Roger Whittaker, en dan iets van Chopin. Weemoedige melodieën zijn het, en als ik hem daarop wijs, krijgt hij zo ineens de tranen.
Vic: «Al wat muziek is, dat zit heel diep bij mij. Op straat fluit ik van contentement, maar als ik tegenover mensen fluit, dan fluit ik met gevoel. Heel mijn hart leg ik daarin. Echt jongen, als ik het Ave Maria fluit, dan krijg ik zelf de kou op m'n armen (z'n stem stokt) Ja, muziek ontroert mij. En het raakt de andere mensen ook. In het café zullen de kaarters hun kaarten neerleggen. En ik zag ook al mensen wenen die naar mij aan het luisteren waren!"
Vic draagt "iets mee", zegt hij. En later zal hij het met een half woord zeggen: nooit muziek mogen studeren van zijn vader,  dàt is het gemis dat hij in dit leven meedraagt. Maar verder no problemo hé
"The Happy Whistler is mijn artiestennaam. En dat is niet gelogen, want fluiten maakt gelùkkig. Mijn huisarts heeft het vorige week nog gezegd: hij wil ervoor tekenen, om zo gezond te zijn als ik op m'n vijfenzeventigste! En dat is van het fluiten. En van het boogschieten, want dat doe ik ook! "
Of hij dan nooit stress kent. Stress, wadisda? Of eens een slechte dag heeft? Nee, ook dat kent hij niet, maar hij heeft er al wel van gehoord. Slechte dagen schijnen nogal voor te komen bij mensen die hun werk niet graag doen en die nooit zingen of fluiten. Voilà. En ter illustratie fluit hij de overbekende melodie van Pak al je zorgen in je plunjezak, en fluit-fluit-fluit!
Vic: «Dat zegt toch alles?! Door te fluiten vergéét je al je zorgen. Door te fluiten ben je geconcentreerd op die tonen en pieker je niet meer over je problemen. En dat mensen soms raar kijken, dat moet je je niet aantrekken. Zelfs al sta ik in het park tussen twintig man, dan fluit ik nog! “
Jacqueline: «Hij converseert zelfs met de vogels!”
Vic: «Ik ben eens twintig minuten met een merel bezig geweest: ik fluiten en hij antwoorden. En bij mensen bestaat dat ook. Dat ze mij passeren en achter mij beginnen te fluiten. Omdat dat fluiten zo aanstekelijk is! “
Jacqueline: «Dat is zo. Ik fiets op een vast tijdstip naar m'n werk, ik fluit meestal ook, en nu zijn er al 'vaste tegenliggers' die hun hand opsteken. Ik ben geen onbekende meer, ik ben "die madame die fluit" en nu zeggen ze mij goeiedag. Fluiten maakt de mensen socialer!  “

lennon.jpg

Jukebox
Vic zegt dat hij fluit "zonder erbij na te denken." Wat wel lastig is op een begrafenis. "Je gedachten drijven efkes weg, je wil fluiten, en ineens besef je waar je bent. Hola Vicske, houd u in!" Vic wil altijd en overal fluiten. Een dag zonder fluiten? Dan wordt hij zot. In zijn leven was er nog maar één periode dat hij niet floot, "toen had ik een longontsteking!" En dat ook de jeugd van dat fluiten houdt. Hij is nog klusjesman geweest in zes scholen, "en als leerlingen me zagen op straat, dan was het zwaaien en roepen: Vicske! Vicske! Dat wil toch zeggen dat ze je graag zien. En waarom zien ze je graag? Omdat je fluit en opgewekt bent!"
Hij denkt dat de mensen minder zijn gaan fluiten "sinds ze met de auto naar het werk rijden. Van dan af hadden ze hun eigen muziek bij. " De autoradio, de walkman, de oortjes, zo is het allemaal "om zeep gegaan".
Jacqueline is intussen bij de pc gaan zitten en ze zoekt iets van André Rieu dat Vic goed kan fluiten. En daarmee trekt zich een kleine huiselijke jukebox op gang: Jacqueline die nummers intoetst op YouTube en Vic die meefluit. En wat mijn muziekgoesting is? Ik moet ook maar een artiest of een nummer noemen, en Vic zal het wel meefluiten. Ik schat dat Neil Young en Bob Dylan mogelijk wat far out zijn voor een 75-jarige, de Beatles dan maar. The Beatles? Natuurlijk! En dan is er al koud ruggenvel als Vic meefluit met And in my hour of darkness she is standing right in front of me. Speaking words of wisdom, let it be. Let it be. En dat John Lennon toch een fantastische zanger is! Maar al direct krijg ik ook een waarschuwing: niks van de Stones vragen hé! Want die Mick Jagger, "dat is een varken, dat is iemand die de vrouwen slaat." En dat is een principe bij Vic, "ik fluit niks van venten die hun vrouw slaan".
Dit kent hij ook, zegt Jacqueline, en daar klinkt Gotye en Somebody that I used to know door de miniatuurboxen en Vic fluit mee ("ik hoorde dat op de radio en ik was direct verkocht!") En zo horen we nog Ennio Morricone met The Good, The Bad and The Ugly. Boudewijn De Groot met zijn Land Van Maas en Waal, Hans de Booij met het vrolijke tiktak-ritme van Annabel, en Michel Fugain met Une belle histoire. En elke keer fluit Vic welgemoed mee, want het zijn "allemaal cracks, die zangers", en ik duik nu gewoon in de dichtstbijzijnde top-100, ik doe er hem zo'n plezier mee. Peter Maffay Du. Herman's Hermits No Milk Today. John Denver Country Roads ("Fantastische gast, John Denver! Ik had zjust hetzelfde  cowboyhemd als hij!") en tenslotte (ik vergeet nu zeker tien nummers) is er Creedence Clearwater Revival met Bad Moon Rising. Op de YouTube-foto zie ik dat viertal uit het zorgeloze 1969, en John Fogerty heeft zijn ruitenhemd en die diepe bles boven zijn ogen, - hoe hard ik toen op hém wilde gelijken. En bij dat jeugdsentiment fluit Vic nu de soundtrack. En zo wordt het een avond die ik niet gauw zal vergeten. Want wat ik hier aantref is onvoorwaardelijke liefde voor de muziek.
En heel de weg naar huis fluit ik in de auto. En de stoplichten, o Heer, zij springen op groen.

kuifje-haddock.jpeg

Fluitend geld verdienen
Fluiten heeft iets van ingaan tégen het donker en tégen de malheuren die op je afkomen. Geen wonder dus dat er een fluitcouplet zit in de Monthy-Python-song Always Look on the bright side of life. Aan het kruis genageld zijn, de final countdown voor ogen zien, en toch nog opgewekt fluiten, dàt is de spirit. Maar nu is het fluiten zelf bijna dood. En slechts een enkeling zag het aankomen. Getuige: een artikel uit Life waarin sprake is van de "kwijnende fluitcultuur" in een jaren-50-dorp in Kansas. Een begoede inwoonster kon het niet langer aanzien en bedacht een remedie. Wekelijks wandelde een incognito jury door het dorp om te horen welke kinderen hun best deden om te fluiten. En de mooiste fluiter kreeg op zaterdag een zilveren dollar uit de handen van Georgia Neese Clark Gray. Volgens Life kreeg "het stoffige dorp al vrij spoedig het uitzicht van een levendige volière" (A town learns to whistle again, 27/8/56)
Van de Brabantse Nederlander Geert Chatrou (43) weet ik dat hij begaan is met het voortbestaan van het fluiten. Hij is drievoudig Wereldkampioen Kunstfluiten, hij kreeg ook al eens de hele tent mee op Lowlands, maar evenzeer is hij vertrouwd met de hedendaagse schroom om op straat te fluiten: "Die gêne waarover jij het hebt, die is heel herkenbaar. Een vriend van me fluit ook op straat en hij houdt ook op als hij iemand ziet. En dat vind ik zó jammer. Want waarom zou jij je inhouden? Je moet dat gewoon doén! Kijk bij jezelf: als jij iemand hoort fluiten op straat, dan is dat toch fijn om te horen?! Waarom zou een ander dat dan niet over joù denken?! "
Chatrou verdient intussen "fluitend zijn geld" door met orkesten op te treden. Hij heeft ook een lespakket waarmee kinderen in het basisonderwijs kunnen leren fluiten: "dat gaat van fluitjes maken tot meefluiten met liedjes, en dat wérkt als een trein! Kinderen van die leeftijd vinden het sùperleuk om te kunnen fluiten."
Eén weekje fluiten op school is natuurlijk weinig, "het beste is als je d'r thuis mee opgroeit. Ik heb m'n vader altijd horen fluiten. Als kind dacht ik dat het een vorm van communicatie was bij ons thuis. Dat het erbij hoorde. Net zoals lachen of praten."
Geert is al heel lang overtuigd dat fluiten goéd voor je is: "Als jongen ben ik eens met hoofd én lippen tegen een lantaarnpaal gebotst, drie weken dat ik niet kon fluiten, en volgens mijn moeder waren dat drie weken dat ik totaal onhebbelijk was. Ik weet nu waarom. Als ik niet meer kan fluiten, dan kan ik me niet meer uiten, dan weet ik geen weg meer met mijn emoties. Wat ten koste gaat van mijn goede humeur! En dus denk ik: als mensen meer zouden fluiten, zouden ze beter weg weten met hun vreugde en hun verdriet." 
Geert is zoals Vic, hij fluit altijd en overal. En dus heeft hij het soms lastig, "op concerten bijvoorbeeld. Dan spelen ze de Vier Jaargetijden van Vivaldi, en dan moet ik op m'n lippen bijten: nee, Geert, niét met die solo meefluiten!"    

kwik en flupke 2.jpeg

Keigelukkig meisje
Vic belt mij met een tip. Hij heeft ooit een kleuter leren fluiten, dat meisje is intussen achttien, en misschien fluit ze nog? Het zou betekenen dat er nog hoop is, als zelfs jonge vrouwen nog fluiten. En ja, Chloé Van der Vieren fluit nog altijd.
Chloé: "Vicske kwam klussen in mama's winkel en hij heeft het me geleerd toen ik drié was. Ik herinner me dat heel goed, ik was keigelukkig toen ik het ineens kon en toen Vicske zegde: Chloé, ge kunt het! Dat was in de tijd dat ik helemaal betoverd was van The Sound of Music. Elke morgen keek ik naar een stukje van die video, en ik zong die liedjes al wat mee, en nu kon ik ze ineens ook fluiten. Do-Re-Mi en My Favourite Things, dat kon ik als kleuter helemaal meefluiten. En tot mijn tien jaar  heb ik élke avond de CD gedraaid van de musical Peter Pan, en ook die liedjes kon ik zingen en nafluiten. “
De mama: "Zij was echt een kind dat fluitend door het leven ging. Tot haar twaalfde floot ze de hele dag. En luid! Ik heb dikwijls gezegd: kan het niet wat stiller?!”
Chloé: "Ja, jij zaagde op dat lawaai! Ik vond dat gewoon. Ik stond op, ik kwam de trap af en ik floot."   
De mama:"Op haar twaalfde gingen we met een boot varen op de Lot in Frankrijk. En bij die sluizen was het aan Chloé en haar vriendinnetje om die deuren open te draaien en terwijl floten ze. Je had die boten moeten zien die ook in de sluis gingen, die mensen zwaaiden mee terwijl zij floten van "Zie ik de lichtjes van de Schelde"!
Chloé: "Op het middelbaar floot ik nog. Op de weg naar school bijvoorbeeld, drie kilometer aan een stuk. 't Was een lange stille baan, zalig om te fluiten en te zingen. En als ik ging winkelen in Antwerpen, dan floot ik ook. Alleen zou ik dat niet durven, maar papa was erbij en die floot ook.
Sinds ik naar Brussel ga om kunsthumaniora en conservatorium te volgen, durf ik echter niet meer fluiten op straat. Als meisje word je al genoeg aangesproken en lastig gevallen, dan wil je niet opvallen en dus zeker niet gaan fluiten. Als ik het nog doe, is het vooral thuis, op m'n kot of in de auto. In een vertrouwde omgeving fluiten of zingen, dat doen wel veel mensen, denk ik. "
"Ik fluit wel anders naargelang m'n humeur. Als ik vrolijk ben, dan fluit ik vooral bekende liedjes. Maar als iets me tegenzit en ik mezelf moet opmonteren, dan ga ik meer improviseren, dan ga ik mijn gevoel uiten in iets dat uit mijn binnenste komt." 
Maar soms gebeurt het nog dat ze op straat "random begint te fluiten". En dan ziet ze dat mensen dat ontwend zijn. 
Chloé: "Meisje of jongen, jong of oud, eigenlijk verwacht men  van niemand nog dat hij of zij fluit. De mensen zijn zo gehaast, hun gedachten zijn zo benomen door al de dingen die ze nog moeten doen, dat ze zichzelf geen tijd geven om eens te fluiten of te zingen. En dus zijn ze ook verrast als anderen het doen."
En dat het aardig wat tijd geleden is dat ze nog eens een fluitende medemens is tegengekomen. Het bleek "een stel zatten" te zijn, op een avond in Brussel. ("Dat zegt iets. Dat men pas gaat fluiten als men zich vrijer en minder geremd voelt.") Zijzelf had het ook amper ge-out dat ze fluitster is. "Toen ik aan mijn klas van dit interview vertelde, was dat eigenlijk de eerste keer dat ik zei dat ik kon fluiten. En zo bleek dat nogal wat medestudenten niet eens konden fluiten. En allemaal vonden ze dat spijtig, triestig zelfs, dat ze dat niet konden. Dat ze dat nooit geleerd hadden.
Ik zou het aanleren op de lagere school. Dan zijn kinderen het ontvankelijkst om vanalles te leren. Dan zit je ook veel minder met dat idee wat de anderen van je zullen denken. Als kind doe je maar, heel los en onbekommerd. Bij mij was dat ook: ik heb het meest gefloten tussen vijf en twaalf jaar. "

Ik zit aan deze reportage te schrijven en ik moet ineens aan Jealous Guy denken, met dat ingetogen fluiten van John Lennon. Zou Vic het kennen? Ik bel hem op, hou de telefoon bij de YouTube-clip en Vic fluit direct mee, "ha fantastisch! Die John Lennon, dat was een crack hé!"
Fluiten is onsterfelijk.  

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Het nieuwe schooljaar: leerkrachten vertellen hoe ze een klas aanpakken in het éérste lesuur

Door corona ziet 1 september er enigszins anders uit. Bubbels op de speelplaats, pijlen in de gangen, alcoholgel aan de klasdeur, en mondmaskers op de secundaire schoolbanken. Allerlei veranderde “protocollen”. Wat niet verandert, is dat een leerkracht voor een klas nieuwe gezichten komt te staan, en dat hij/zij er vanaf het eerste uur moet stààn. Zeven leerkrachten leggen uit hoe je zo’n klas leeuwen het best temt. En wat de beginnersfouten zijn.

Humo september 2001  (c) Jan Hertoghs

Ingescande foto: Jos Halberghe (1912-2005). Hij maakte vooral in de jaren vijftig fotoreeksen over het alledaagse leven op het platteland.

Ingescande foto: Jos Halberghe (1912-2005). Hij maakte vooral in de jaren vijftig fotoreeksen over het alledaagse leven op het platteland.

“Als jullie aangenaam zijn, zal ik ook aangenaam zijn. En als jullie vervelend zijn, zal ik ook vervelend zijn.”

Ik heb leerkrachten gehad die dat eerste lesuur binnenkwamen, hun boekentas neerzetten en met de handen op die nog gesloten tas een korte maar krachtige verklaring aflegden, een soort State of the Union van wat er dat jaar kon en wat vooral niét kon! Wij scholieren werden aangesproken als "Mijne Heren"! Dat zei al genoeg. En dan had je van die performers die niks zegden, hun rug draaiden en driftig hun naam op de breedte van het bord begonnen te schrijven, waarop de drie punten in de voor- en de achternaam een slag van het krijt kregen, een niet mis te verstaan signaal om te zeggen: ik (bonk krijtje) ben hier (bonk krijtje) de baas (bonk krijtje). Humo wilde het klappen van de zweep kennen en vroeg het korps naar zijn entree in de (secundaire) leeuwenkuil.
Jij daar met je groene pullover
Hilde 
(44) geeft Engels in het Beroeps-secundair Onderwijs.
“Ik begin heel clichématig. Ik zeg: ik ben mevrouw V, ik ga hier Engels geven, en of het een aangenaam jaar wordt, dat hangt volledig van jullie af. Zijn jullie aangenaam, dan ben ik ook aangenaam. Zijn jullie vervelend, dan ben ik ook vervelend. Ik ben ook degene die les geeft. Dus als ik praat, dan zwijgen jullie. En als jullie praten, dan praat ik niet meer, dan hou ik op met lesgeven. Bon. Laat ons hopen dat het een fijn jaar wordt, en als jullie je goed gedragen, dan plan ik wel eens een film of een andere prettige activiteit. Maar als jullie je niet gedragen, tja, dan krijgen jullie een leerkracht die zich gewoon aan de verplichte leerstof houdt.“
Die boodschap vertel ik soms vriendelijk soms heel kortaf. Dat hangt van de klas af. Je voelt dat bij het binnengaan. Is de klas vriendelijk, dan ben ik ook vriendelijk. Is de klas weerbarstig, hangen de brutaaltjes al onderuitgezakt in hun bank met die uitdagende blik van wat ga jij ons hier komen vertellen?! , dan ben ik zeer kort en zeer afgemeten. Het erge is dat er meestal maar twee of drie van die belhamels zijn, maar die gasten sleuren wel heel de klas mee in hun negatieve houding. 
Als volgende stap vraag ik dat ze zich voorstellen, dat gebeurt dan met de nodige onnozele grappen, mijn naam is Peter, mijn achternaam is Selie, maar eens ik hun echte namen gehoord heb, grift ik die in mijn geheugen. Je kan immers niet ingrijpen bij rumoer als je de namen niet kent, je moet naam en voornaam noemen, dat heeft impact, dat heeft effect. “Jij daar met je groene pullover”, dat heeft geen enkel effect.  
Meestal kom ik ook in een klas waar op de eerste rijen niemand zit, dat kleine groepje is helemaal achteraan gekropen, vér van mij weg. En dan moet ik ze één voor één naar voren halen, kom, vooraan is nog plaats, kom maar, ik zal u niet bijten! Maar soms blijft er eentje zitten, en als dat te lang duurt, dan zeg ik: het is genoeg geweest, ga maar naar de directeur. Op die manier heb ik al iemand weggestuurd toen het schooljaar nog maar tien minuten oud was. Dat moet ook zo. In het begin mag je die gasten geen speelruimte geven. Na een paar weken gaat dat wel, dan ken je die gasten beter, dan ga je ook losser met mekaar om.
HUMO: Hou je oogcontact?
Hilde: « Oh ja, als je ze niet in de ogen kijkt, als je over ze heen kijkt, dan kom je bang en onzeker over. Dus ik kijk ze récht in de ogen en ik ga ook altijd vlak bij hen staan, soms pal voor hun bank. 
Humo: Het klinkt bijna als leeuwen temmen.
Hilde: "Dat is het ook een beetje. Je mag niet vergeten dat sommigen daar zitten enkel en alleen omdat hun ouders nog kindergeld willen trekken. Die komen naar school “om zoveel mogelijk lol te maken”. Dat ze met die “lol” de leerkracht én de klas terroriseren, dat dringt niet altijd tot ze door.”
Humo: Vraag je ook hoe hun vakantie geweest is ?
Hilde: « Ja, dat doe ik elk jaar. Om ze te laten voelen “juf V. is géén gemakkelijke maar er kan bij haar toch ook over andere dingen gesproken worden.” Die opening moet er vanaf het begin zijn; ze moeten weten dat ik niet alleen over de leerstof maar ook over andere dingen aanspreekbaar ben." 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Geacht Publiek!
Paul 
(45) geeft Engels en Nederlands in het Algemeen en Technisch Secundair Onderwijs.
«Wij hebben geen klassieke eerste schooldag. De allereerste dag op onze school is een soort onthaaldag waar onder andere schoolfoto’s worden genomen en waar het schoolparlement wordt voorgesteld: dat maakt de overgang van vakantie naar school toch iets minder bruusk. De tweede dag is voor ons de echte entree. Ik duw de deur open, ik stap de klas binnen, ik ga vooraan staan, de leerlingen staan recht, dat hoort zo op onze school, en dan zeg ik dat ze weer mogen gaan zitten. Dat moment is belangrijk. Zopas waren ze nog aan het kletsen, maar door dat opstaan en gezamenlijk weer gaan zitten, is het duidelijk dat de les begint en dat de leerkracht de touwtjes in handen neemt.
Dan draai ik me om, ik neem een stuk krijt en ik schrijf mijn naam op het bord zeggende “dat er tien mogelijke schrijfwijzen zijn, maar dat dit de enige is die ik dit schooljaar wens te zien”. Vervolgens vraag ik hen om een naamkaartje te maken met hun voornaam en familienaam, en dat kaartje moeten ze dan geplooid voor zich op de bank zetten. Ik overloop de namen, ik informeer naar familiebanden - broer van, zus van, dochter van, zoon van- en als ze op dat laatste ja zeggen, dan glimlach ik dat ik nog met hun pa in de klas gezeten heb, en je ziet ze dan wat bleekjes wegtrekken. Want dat schept een band hé dat ik hun vader ken, (grijnst) ze voelen zich dan al bij voorbaat op de vingers gekeken!
Ik laat ze in die eerste les ook altijd vertellen over hun vakantie met vraagjes als Wie heeft er een rotvakantie gehad? Of Wie heeft een bezienswaardigheid bezocht die het niet waard was om bezien te worden? Dat terugkijken naar de vakantie, dat moet erbij voor mij. Er is niks doffers dan een leerkracht die binnenkomt, zijn naam zegt en gelijk met de les begint.
Humo
: Maak je afspraken met de klasgroep?
Paul: « Ja, in die eerste les deel ik mijn zogenaamde heilig evangelie uit, een blad waarop een aantal afspraken staan omtrent leerboeken, huistaken, toetsen en dergelijke, en dat blad overloop ik dan met enige kwinkslagen. Na die lezing is er het obligate invullen van de administratieve formulieren en dat invullen is voor mij hét ogenblik waarop ik mijn coup de theatre voorbereid. Terwijl zij aan het schrijven zijn, begin ik die zesentwintig namen intensief te memoreren, mijn ogen zijn nog open, ik zie eruit als de leraar die met zijn blik door de klas wandelt, maar inwendig ben ik in een razend tempo die namen aan het blokken tot ik ze van buiten ken. We zijn dan ongeveer aan het einde van de les, ik zeg dat ze hun naamkaartjes even weg moeten leggen, en dan dreun ik - als betrof het de betere televisiequiz- àlle namen van die gasten op. Wat zéér veel ontzag wekt, dat kan ik je wel vertellen (lacht)
Humo: Vakmanschap is meesterschap! Hoe spreek je de leerlingen aan ?!
Paul: "Ik spreek ze nogal eens aan met Geacht Publiek! Dat lichtjes hoogdravende, daar hou ik wel van. Dikke leerboeken noem ik ook steevast kanjers en turven, en in plaats van over Het Schooljaar zal ik eerder spreken over “dit licht gedwongen samenzijn dat ons jaarlijks wordt opgelegd door het ministerie van Onderwijs”. ‘t Is een ironische manier van praten die ze best kunnen pruimen, merk ik, en ik voel ook dat die humor een goeie manier is om de jongelui bij de les te houden. “

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

De mop van de twee hoeren
Raf Coppens 
(36) is stand up comedian, Humo’s Comedy Cupwinner 1999 én parttime leraar wiskunde in het beroeps-secundair en het technisch-secundair.
“Normaal gezien moet de leerkracht de sfeer kunnen zetten in dat eerste lesuur. De klas is nog nieuw, de leerlingen zijn vaak ook nog nieuw voor mekaar, zij houden zich gedeisd, dus daar is ruimte voor de leerkracht! Ik begin dat lesuur meestal met een paar droedels, rebussen of wiskundige raadsels op het bord te tekenen, lesgeven doe ik nooit in dat eerste uur. 
Humo: Is je niet geleerd om streng te zijn in dat eerste uur?
Coppens: «Jawel. Mij was gezegd dat ik in dat eerste uur met ijzeren hand moest optreden, en ik heb dat enkele jaren gedaan, maar dat wrong met m’n karakter. Waarom moet je in dat eerste uur de feldwebel uithangen als je dat in de rest van het jaar niet gaat volhouden?! Ik ben geen autoritair iemand, ik ben meer laissez-faire, waarom zou ik me dan anders gaan gedragen in dat eerste uur?! 
Het heeft ook geen zin om die gasten te bedelven onder een lijst met afspraken, want hoe meer afspraken je hebt, hoe moeilijker je het maakt voor jezelf. Want als je tijdens het jaar er niet in slaagt om al die afspraken te handhaven, tja, dan maak je je belachelijk, dan ondermijn je jezelf.
Ik begin natuurlijk wel met énkele afspraken zoals niet teveel spijbelen, niet door elkaar babbelen, en gsm’s afzetten in de klas. Ze mogen hun gsm ook niet gebruiken als rekenmachine; vorig jaar had ik dat nog toegelaten, maar in plaats van te rekenen zaten ze natuurlijk sms-berichtjes te versturen.
Ik probeer ze in dat eerste uur ook wel te taxeren, ik wil weten wat voor vlees ik in de kuip heb, en dat doe ik door ze uit hun kot te lokken. Ik vraag naar hun interesses, en aan de uitroepen merk ik dan direct wie de haantjes-de-voorste zijn. Zij proberen mij natuurlijk ook te testen. Ik had er ‘ns eentje die me ineens vroeg Hé, mijnheer, kende gij die mop van die twee hoeren, en dan is het natuurlijk kwestie om gevat te antwoorden, stijl: jongen, wat uw familie doet, dat interesseert me niet, ik ben hier gekomen om les te geven, en daarbij, ik heb u zondag gezien in Plopsaland!! Als je zo’n zware gast met zo’n snelle reactie de kop kan indrukken, ja, dan scoor je bij de rest van de klas. Dat continu alert zijn, dat altijd voorbereid moeten zijn op opmerkingen, dat vind ik trouwens veel vermoeiender dan een zaaloptreden. Het publiek van mijn optredens is ook bijlange niet zo luidruchtig als het publiek in mijn klas.
Humo: Tijdens een comedy-optreden heb je mensen die je maar moeilijk aan het lachen krijgt, maar hoeveel procent van je klas staat weigerachtig tegenover de leraar die daar optreedt?
Coppens: "De helft van de klas ongeveer. ‘t Is wiskunde hé, een vak dat nogal heftig gehaat wordt. Vandaar dat ik mijn lessen toch met enige grappen moet opvullen. Maar je mag ook niet de clown gaan uithangen, je moet steeds die smalle grens kunnen bewandelen tussen grappen maken en toch discipline houden, en dat is wel een oefening op het slappe koord.  
Humo: Heb je uit je eigen schooltijd nog opmerkelijke entrees onthouden?
Coppens: "Eentje begon met te zeggen Biologie is het belangrijkste vak dat er bestaat omdat IK dat geef! Dat vond ik wel tof. En we hadden ook iemand die zich in zijn eerste les gedroeg als een instructeur van een boot camp, die vent stond te brullen en te schelden dat het geen naam had, zitten als ik het zeg! Is dat zitten? Dat is hangen? Sta recht! Récht, zeg ik u!  maar tijdens het jaar ontpopte die vent zich tot de grootste grapjas en anarchist die ik als leerkracht gekend heb. Maar in zijn eerste uur wilde hij iedereen compleet afbreken zodat hij je nadien helemaal naar zijn hand kon zetten.”
Humo: Zijn er valkuilen die een leerkracht best vermijdt?
Coppens: "Ja, de namen van een klas overloop je best niet zelf. Laat de leerlingen hun naam maar zeggen. Want als jij ze overloopt, dan zitten ze erop te wachten dat je een naam verkeerd uitspreekt om dan in vreselijk gelach uit te barsten, wat nogal pijnlijk is om mee te maken." 
Humo: Hoe belangrijk is dat eerste uur voor de rest van het jaar?
Coppens: "Dat is belangrijk omdat ze dan een eerste indruk van je krijgen, maar ook weer niet zo belangrijk dat de rest van het jaar ervan afhangt. Een slecht eerste uur is daarom nog geen slecht schooljaar. Uiteindelijk komt het erop neer dat je je vak kent en dat je dat vak een beetje boeiend kan verkopen."  

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Dat wordt niks met deze klas
Lieve 
(48) geeft kunstgeschiedenis in het Kunst-Secundair Onderwijs.
“Ik heb mijn vast lokaal waar ik lesgeef en ik zorg er altijd voor dat ik daar eerst ben. Ik wil absoluut vermijden dat de leerlingen er eerst zijn; dat is zo’n schrik van mij dat het dan uit de hand zal lopen. Dus ik zorg dat ik eerst ben, dan sta ik vooraan, dan héb ik mijn positie, dan is het míjn ruimte, míjn klas. Ik zeg ook niks in die eerste seconden. Ik sta vooraan en ik kijk langzaam rond in die klas. Niet met een streng gezicht om indruk te maken, maar met een open gezicht, nieuwsgierig naar wie ze zijn. Vervolgens zeg ik dat ik Lieve C. ben -niet mevrouw C!- en dat mijn vak kunstgeschiedenis is en welke mijn voorkeuren zijn op het gebied van kunst en kunstenaars. Ik zeg ook dat ik mijn vak grààg doe, en dat ik hoop dat ik die liefde voor dat vak zal kunnen overbrengen. 
Dan vraag ik aan hen om zich voor te stellen, van welke richting ze komen en waarom ze deze richting gekozen hebben. Naar hun vakanties vraag ik niet, want dan loopt het uit de hand, dan krijg je van die straffe verhalen over drinken en sex, nee, ik hou me bij mijn vak, ik vraag of ze naar de film, de opera of tentoonstellingen gaan, en welke kunstenaars ze graag hebben. Rubens, dat vinden ze allemaal ouwe brol; wat wél populair is zijn pop-art en de surrealisten Dali en Magritte, dat bizarre spel met de realiteit, dat heeft altijd aantrekkingskracht op jonge gasten. 
Tijdens die kennismaking probeer ik ook hun namen te onthouden maar dat gaat slecht, ik kan slecht namen onthouden. Het zijn er ook zoveel, ik moet zo'n tweehonderd namen leren kennen in die school, en in elke klas heb ik amper vijftig minuutjes les. Bij mijn thuiskomst neem ik dan ook direct de namenlijst van de klassen die ik overdag gezien heb en dan probeer ik om op die namen een gezicht te plakken. De eerste week herinner ik me hoogstens drie namen per klas: de jongen of het meisje met het mooie uiterlijk en de gasten met de grote mond die dingen geroepen hebben als kunstgeschiedenis, dat interesseert mij niet, of kunstgeschiedenis, ha ja, daar ken ik alles van! Je moet weten, in zo’n voorlaatste jaar zitten gasten van 17 jaar maar ook van 22-23 jaar! Maar ik vind dat KSO wel een prettig publiek, ze zijn los en heel open, ze zullen je bijvoorbeeld ook op straat aanspreken. Ik kom uit het ASO en daar is de sfeer helemaal anders. Daar spreekt men de leerkracht niet aan op straat. De leerkracht is immers dé vijand, daar spreek je niet mee." 
Humo: Hoe voelt dat als er vanaf de eerste les een gebrek aan interesse is in de klas? 
Lieve: "Je hebt van die klassen waar je weinig respons krijgt, zo’n muur van allemaal vlakke gezichten, en uiterlijk ben ik dan dapper aan het vertellen, maar inwendig voel ik die teleurstelling van “dat wordt niks met deze klas” en dat is een gevoel dat ik niet meer kwijt raak, dat ik een heel jaar zal meedragen. Voor mij is dat eerste lesuur dus heel belangrijk: ik heb het gevoel dat het hele jaar daarvan afhangt. En is dat eerste uur goed geweest dan ben ik blij, maar is dat eerste uur de mist ingegaan, dan kan ik me amper overtuigen dat ik die situatie nog recht zal kunnen trekken. Ik ben dus heel gecrispeerd in dat eerste uur, ik hou me steeds voor: dit is je eerste uur, Lieve, dit is hét moment, nù moet je het waarmaken!"

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Hij heeft mij vetzak genoemd!
Werner 
(23) is een beginnende leerkracht. Hij geeft talen in het ASO.
“Je loopt die gang in en je hoort al van ver het tumult uit de openstaande deur, dat is klassiek, die gasten denken nog dat het vakantie is, en in zo’n tumultueuze toestand moet je uiteraard een duidelijke entree maken. Op zo’n eerste september ben ik een vat vol zenuwen, maar uiterlijk probeer ik dat te verbergen, dus ik recht mijn rug, hef de kop ophoog en stap ‘kalm’ die klas binnen. Vervolgens wacht ik zwijgend tot iedereen braaf naast zijn bank staat, wat de gewoonte is in onze school. Intussen kijk ik met argusogen de klas rond. Oudere leerkrachten hebben me dat gezegd: kijk met een strenge, vermanende, vorsende blik die klas in! Zorg ervoor dat je streng overkomt! Wat niet vanzelfsprekend is. Je bent nog jong, dus dan heb je het moeilijk om je gezicht in die strenge plooi te leggen. Gelukkig staan in onze school de bureaus van de leerkrachten op een verhoogje, dus je staat al hoger, je bevindt je al in de positie van dictator (lacht), dàt helpt! 
Dan zeg ik dat ze mogen gaan zitten, we slaan een kruisteken en ik stel me voor: ik ben mijnheer D, ik geef Duits en ik ga jullie daarvan laten proeven. Nadien vraag ik dat zij zich voorstellen: naam, voornaam, waar ze wonen en waarom ze die richting volgen. “
Humo: Willen ze dat wel doen, want de hoeveelste leerkracht ben je misschien al die daarnaar vraagt?
Werner: "De meeste klassen doen dat, maar in één klas zegden ze: mijnheer, over ons is niks te vertellen want wij zijn toch de vuilbak van ‘t school! Dan heb ik gevraagd om het toch te proberen vanuit het idee dat ik hen nog niet “veroordeeld had” - ik ben nog nieuw, ik ken jullie niet, ik ken de school niet - en dan is dat toch enigszins gelukt. Meestal vraag ik ook welke boeken ze lezen, en uit ervaring breid ik dat algauw uit naar de auto- en computertijdschriften die ze lezen. Ik vraag ook  wat hen het meest interesseert bij Nederlands, - willen ze poëzie, willen ze drama en toneel,- en daar hou ik dan echt rekening mee in de rest van het jaar. “
Humo: Vraag je ook naar de tv-programma’s die ze graag zien?
Werner: «Nee, omdat ik zelf weinig tv kijk. En dat heeft al geleid tot grappige situaties. Was er ineens een leerling die VETZAK tegen me zei! Het was dan nog één van de braafste van de klas! Ik was verbouwereerd, geef je agenda maar en ik pen daar gelijk een notitie in. ‘s Avonds hoor ik van collega’s dat het eigenlijk maar een loze kreet is uit Het Peulengaleis, dus we lachen er eens goed mee, maar een maand later komt de moeder van die leerling op de ouderavond: “Heeft onze zoon werkelijk vétzak tegen u gezegd? Maar mijnheer, dat moet zwaar gesanctioneerd worden!” (lacht), ik was die notitie natuurlijk al lang vergeten.”
Humo: Wat zijn de beginnersfouten die je moet zien te vermijden?
Werner: « Je moet vermijden dat je begint te roepen om een klas stil te krijgen. Je hebt leerkrachten die zo’n rumoerige klas binnenkomen, die stilte eisen, die zich kwaad maken, die roepen van “ge gaat mij niet liggen hebben!” en dat ze “zwaar gaan gestraft worden”, maar dat is hopeloos. Wie zich kwaad maakt, staat machteloos tegenover zo’n klas. Anderzijds mag je ook niet té vlot beginnen. Want bij een “vlotte jongen” krijgen ze algauw het idee, daar kunnen en mogen we alles. Ik heb dat één keer meegemaakt. Ik kwam in een klas waar ze vier jaar jonger waren dan ik, er zaten vrienden van mij en van mijn broer, dus ik was iets jovialer, maar na een week zegden ze al niet langer mijnheer maar riepen ze Yo! en Werner! in de klas en dat familiaire heb ik serieus moeten terugschroeven, wat een zeer lastig proces is. Je kan beter in het begin streng zijn en nadien de teugels vieren.
En je moet ook opletten met e-mail! Ik dacht modern te zijn, dus in plaats van mijn telefoonnummer gaf ik mijn e-mailadres wat enorm geapprecieerd werd, er waren werkelijk leerlingen die me via deze weg vragen stelden die ze in de klas niet hadden kunnen stellen, maar na een maand of vier heeft een leerling wel een zeer zwaar virus in mijn computer gedropt. We wéten wie het gedaan heeft. Die gast heeft zijn sanctie niet ontlopen.”

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Koffie en sigaren
Kris
 (25) geeft Nederlands en Geschiedenis in het ASO.
“Ik heb liefst dat de leerlingen al in de klas zijn zodat ik een entree kan maken. Het is zelfs niet erg dat er al enig rumoer is in de klas, dat is zelfs handig om meteen op in te pikken. Ik viseer dan gelijk de leerling die niet zwijgt of die niet achter zijn bank staat. Zo’n gast spreek ik dan hyperbeleefd aan: “Mijnheer, U bevindt zich niet op de plaats waar U zich moet bevinden. Gelieve U onmiddellijk te verplaatsen naar de plek die de Uwe is.” Voor gasten van twaalf-veertien jaar komt dat toch raar over, maar dat is mijn bedoeling. Door ze met U aan te spreken, behandel ik ze precies als grote mensen, en dat zet ze wel op het verkeerde been. "
Als het dan definitief stil is in de klas, laat ik die stilte altijd even duren. En terwijl kijk ik héél rustig rond in die klas. Met zo’n air van ik heb de situatie hier volledig onder controle. “
Humo: Je acteert dus dat je alles onder controle hebt.
Kris: «Ja, dat is een stukje acteren, dat is een pose die je aanneemt, en de eerste jaren daverde ik inwendig van de zenuwen. Maar nu ben ik veel minder nerveus, nu geef ik werkelijk geen krimp meer, er is geen spiertje in mijn gezicht dat vertrekt, en streng kijken lukt me ook, ik kàn heel boos kijken, ik moet dat absoluut niet oefenen voor de spiegel (lacht).
Tijdens de eerste minuten merk ik ook meteen de broeihaarden en de onruststokers op. Het zuchten, het naar buiten gapen, het met de elleboog porren van medeleerlingen, dat soort onaandachtig gedrag heb ik heel gauw in de gaten."
Humo: Hou je dat strenge uiterlijk dat hele uur aan?
Kris: "Nee. Het is het niet de bedoeling dat die gasten voor de rest van het jaar schrik krijgen van mij, ik ben ook de leerkracht waar ze vanalles aan moeten kunnen vragen, dus na een minuut of twintig kom ik los, breng ik wat humor en maak ik bijvoorbeeld grapjes over mijn familienaam, Torremans dus noem mij maar “den Torro”, en dat vinden ze wel leuk. In het begin van de les denken ze wat voor een neurk is dat? maar op het einde van de les is er toch al de opluchting, hij is streng, maar hij valt mee, hij zal ons wel helpen als we hem nodig hebben. “
Humo: Heb je uit je eigen schooltijd entrees van leerkrachten onthouden?
Kris: "Wij hadden vroeger een leraar wiskunde voor wie we allemaal heel veel schrik hadden. Die kwam de klas binnen en die begon direct een aantal gasten luid bulderend uit te schelden. Wat is uw naam? Hang niet in uw stoel! Ga met uw gat op uw stoel zitten! En gij daar! Bakkes dicht en zwijgen! Die man had ook altijd een boekentas bij zich met een thermos koffie en sigaren. En nadat hij ons een pak wiskunde-oefeningen gegeven had, begon hij een kop koffie te drinken en een sigaar te roken in de klas. Dat was werkelijk om te laten voelen: jullie zijn niks, jullie zijn nog minder dan het stof onder mijn voeten, en ik vertrap jullie als ik dat wil. Die man kon aan het bord leerlingen vernederen en kleineren dat ze wenend naar hun bank gingen. Iedereen die wat dik of wat klein was, die kreeg de volle laag. Dat was een terreur, als die man bij het begin van zijn lesuur naar zijn klas ging, dan was het niet alleen stil in die ene klas, maar in àlle klassen waar hij voorbijliep!" 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Er ligt een leerling voor de deur
Anne 
(44) geeft Nederlands in het Kunst-Secundair Onderwijs.
“Als er enkele nieuwe leerlingen zijn, dan begin ik meestal met een kennismakingsbrief, dan gaat er een brief door de klas en dan moet iedereen opschrijven wat zijn grootste deugd is én zijn grootste ondeugd en ook waar ie een hekel aan heeft. Dan vouwt hij zijn tekstje dicht en geeft de brief aan de volgende. Op het einde laat ik de stukjes van die brief dan voorlezen en dan moet de klas raden over wie het gaat. Met die brief vermijd ik dat je van bij het begin een opdeling krijgt tussen de stoere luidruchtige anciens en de wat stillere nieuwelingen. Want die anciens krijgen niet de kans om het hoge woord te voeren, en de nieuwelingen krijgen een middel om zich een beetje bloot te geven zonder dat men er direct op kan reageren.
Als het allemaal nieuwelingen zijn, dan vraag ik dat ze een papiertje nemen en dat ieder zijn buurman beschrijft, “zoals je denkt dat hij is”.  Ik neem die uitspraken dan op een bandje en twee maanden later draai ik dat weer af en en dan ligt iedereen onder de bank van het lachen, want niks blijkt te kloppen van die eerste indrukken. Ik hoed me zelf ook voor te snel taxeren van een klas, want ik heb al vaak gemerkt dat de grootste lawaaimakers van het begin vaak de weekste watjes blijken te zijn.
Wat ik niet zo prettig vind aan dat eerste uur bij leerlingen die jou nog nooit gezien hebben, is dat gapen van die kinderen. Jij komt daar binnengevallen als leerkracht en zij zitten echt naar je te kijken als naar een deus ex machina. De nieuwe leerkracht als nog niet vertoond theaterstuk! Dat vind ik niet leuk, dat stille, afwachtende kat uit de boom kijken. Bij de oudere leerlingen is die drempelvrees gelukkig weg, die kennen je al, dat is cameraderie, die komen al op de gang met je staan praten. 
Intussen geef ik ook al zolang les dat ik niet meer opkijk tegen dat eerste lesuur, maar het is ooit wel anders geweest toen ik pas begon. Dan ging ik echt met de daver op het lijf naar die klas. Zelfs als dat een klasje van 10 veertienjarigen betrof, dan nog was dat angstig afwachten wat het worden zou. Ik herinner mij een eerste uur dat ik niet binnen kon. Er lag een jongen met zijn lijf tegen de deur, dat kon ik door het venster zien! Het angstzweet brak me uit, oh, ik ga geen les kunnen geven, en wat een hel wordt het eens ik daar binnen stap! Met veel wurmen en duwen kreeg ik die deur toch open en als straf heb ik die leerling verplicht om daar het hele uur te blijven liggen. En die is daar ook braaf als een schoothondje blijven liggen. En die klas was ook braaf, daar viel weinig op aan te merken. Maar mijn hart, dat klopte in mijn keel! Seffens staat die recht! Seffens komt die op mij af! En o wee, dan zal blijken dat die gast twee keer zo groot en zo dik is als ik! Later bleek dat kind een geestelijke stoornis te hebben, iemand die hem kende is ‘m zachtjes komen vragen om op te staan. En mijn angst was dus helemaal ongegrond, maar daaraan merk je hoe een beginnende leerkracht gebukt gaat onder die angst voor het onbekende, er mocht niet het minste gebeuren of ik was compleet van de kaart."

St eligius.jpg

Afgestudeerd en toch terug naar school
En dan is er nog de ex-middelbare scholier Jonas Govaerts (21) die zich met twee kompanen heeft voorgenomen om op de eerste schooldag  plaats te nemen op een wildvreemde secundaire schoolbank .
Jonas: "Als afgestudeerden gaan we toch nog in enkele grote middelbare scholen van Antwerpen binnenstappen. We hebben daarvoor drie typetjes: de nerd, de sportfreak, en de jonge inwoner van de blokken van het Kiel. Ik ben Wesley, de jongen van het Kiel, ik draag een salopette, een oorbel en een 2Pac-t-shirt. Dan is er Tim, de nerd, een gast die zijn geruit hemd hoog in zijn broek stopt, zijn vettig haar diep over zijn voorhoofd kamt en een ouwe leren dokterstas als boekentas draagt. En tenslotte is er Kim, de sportivo, met trainingsoutfit, sportschoentjes en het haar strak naar achteren in de gel. 
Zo hadden we ons vorig jaar ‘vermomd’ en zo zijn we in drie scholen binnengestapt, en dat zonder enig probleem. Er heerst op die eerste dag zo’n overrompeling en zo’n chaos dat elke wildvreemde een school kan binnenwandelen, zijn jas aan de kapstok hangen en in een klas plaatsnemen. Ook in de klas zelf was er niemand die raar opkeek: men is gewend aan oudere gasten die op de ene school zijn buitengeflikkerd en die op een andere school hun laatste jaar komen doen. 
Vorig jaar waren we nog te braaf. Vanaf het moment dat de leerkracht de namen afriep, stonden we op en verlieten we die klas, mompelend dat we ons vergist hadden. Dit jaar doen we het opnieuw en blijven we zeker zitten alsof het wel degelijk ‘onze’ klas is. In onze fantasie zien we ons ook heel domme vragen stellen aan die leerkracht die dan liefst compleet in de war geraakt (lacht)
Wat we ook doodgraag zouden meemaken, is dat we het uithouden tot aan de speeltijd zodat we ons typetje kunnen verder spelen op de speelplaats. Ik zou me dan gedragen alsof ik me erg zorgen maak om dat laatste jaar, dat ik wéér zal buizen, dat ik wéér zal moeten blijven zitten. Dat zaaien van die onrust, dat voeden van die jaarlijkse Angst Van De Middelbare Scholier, dat lijkt me fantastisch. Want in je binnenste heb je natuurlijk grote pret, in je binnenste wéét je: ik ben er vanaf, ik moét hier nooit of nooit meer zijn!"

Meer lezen