Reportages

Een archief van eigen reportages.
Over bliksemjagers en voetbalveteranen,
klaroenblazers van de Last Post en autobestuurders die geen 1000 km per jaar rijden.  
En natuurlijk nog Vele Anderen.

Het boek “Kind zonder winter” heeft zijn voorgeschiedenis. Een hele reeks winterreportages ging eraan vooraf; zie ‘Winterreportages’ (in de header) of zie onder October 2025 .

ARCHIEF

Meer reportages lezen?

Wil je ingelicht worden als er nieuwe
reportages verschijnen?

Vul dan hier je e-mail-adres in:

Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De pottenkijkers (2): voetbal kijken ondanks gesloten deuren / de dakfans en andere voetbalburen

De dakfans van de Buffalo’s , toen nog bij het Ottenstadion . (Ingescand uit Humo/ Foto: Stephan Peleman)

De dakfans van de Buffalo’s , toen nog bij het Ottenstadion . (Ingescand uit Humo/ Foto: Stephan Peleman)

"Ik zie maar één stuk van de backline. En toch kijk ik al veertig jaar naar àlle matchen!"

Lees ook deel 1 van De Pottenkijkers

Een tienerkamer met rooie hartjes aan de muur, een laptop op bed, de glazen cola leeggedronken. En naast het open raam een schuin dak waarop zes jonge gasten naar AA Gent - KV Mechelen zitten te kijken. Ze roepen, zwaaien met de sjaal en klappen mee met de rest van de Gentse tribunes: Come on Blue-White, Come on Blue-White! Het is voetbal kijken vanuit de coulissen. Wat ze zien zijn de ruggen van mensen, de ruggen van zitjes, de bedrading van het stadion, de luidsprekers, de ventilatieroosters en slechts de helft van het speelveld. Van de 1-2 einduitslag hebben ze alleen maar de eerste goal van KV Mechelen gezien, maar dat kan het enthousiasme niet drukken. Dit is het Ottenstadion, welkom Buiten de Zone.   (Humo oktober 2008)

Toen ik het Gentse stadion in augustus bezocht, viel die ene woning in de rustige tuinwijk meteen op. Mogelijk is er geen huis in België dat zo dicht een stadion benadert als dit pand. Gabriëlla De Landtsheer en haar dochter Rani (16) wonen er nu twee jaar, en dat hun club in hun achtertuin ligt, is letterlijk te nemen: achter het huurhuis is een koer annex hek en achter die spijlen begint het stadion. Er zit zelfs een grendel op het hek die ze kunnen wegschuiven, "zo kunnen we tijdens de match zien wanneer er weinig volk aan het eetkraam staat en dan gaan we ons gauw een hotdog halen."  
Dochter Rani is de felste Buffalo en ze heeft bij elke thuismatch vrienden en vriendinnen op bezoek. Niet dat ze met de huidige resultaten van de "Gantoise" uit hun dak zullen gaan, maar het is wel een optie.  
Rani: «Meestal komen we goed op tijd met ons groepje. Dan kunnen we het volk langs ons huis in het stadion zien stromen. Je voelt dan de sfeer onder de supporters, het roepen, lachen en grappen maken, heel die spanning van de match die nog moet beginnen. Zeker bij grote matchen zoals tegen Brugge, Anderlecht of Standard, komen we heel vroeg bijeen om die aanloop naar de match niet te missen.
Als we op ons dak stappen, dan is dat voorzichtig: je moet echt uit het raam klimmen, oppassen dat je het glas van de veranda niet raakt en dan voorzichtig in de dakgoot schuifelen en dan zo tegen het schuine dak aanleunen. We stoppen meestal een kussen of donsdeken in onze rug zodat we half rechtop zitten. Zo kan je ook een cola drinken of een stuk pizza eten.
In het stadion kennen ze ons intussen al. Er zijn er die vanop de tribune naar ons zwaaien, die er plezier in hebben dat wij d'r weer zijn. Soms zijn er vrienden die een sms-je sturen dat ze ons "keigoed kunnen zien zitten". En dan zwaaien wij terug vanop ons dak.
Maar we kunnen dus alleen maar de rechterhelft van het veld zien. Het plezierigste is wanneer de tegenpartij daar speelt, want dan zien we AA Gent aanvallen. Maar het kan natuurlijk ook dat Gent in de verdediging wordt gedrukt en dat we ze minutenlang niet zien. Dan roepen we: komaan! langs hier! Speelt ne keer deze kant uit!
Het is wel raar dat we daar zitten en maar de helft zien, want de meeste van die dakzitters-vrienden hebben een abonnement. Soms blijft iemand weg die toch eens de match in zijn geheel wil zien, maar meestal komt die de volgende keer al terug omdat de sfeer op het dak zo plezant is.
Na de match, en zeker als Gent gewonnen heeft, dan komen de vrienden van het stadion naar ons poortje en soms zo bij ons binnen; dan is het hier de zoete inval, dat is heel plezierig zo na de match."
Drie weken later raakt bekend dat het Ottenstadion verdwijnt en dat het nieuwe Arteveldestadion al in 2010 klaar zal zijn. (Noot: dat is uiteindelijk de Ghelamco Arena geworden, jh)
Gabriëlla: "Dat was heel spijtig nieuws. Van al de plaatsen waar ik gewoond heb, was dit wel de plek waar we het meeste plezier hebben gehad. Die ambiance, die gaan we nergens meer kunnen vinden."  
Vigor Wuitens
Nieuwe stadions, ze gaan altijd weg uit de bebouwde kom, en als ze er blijven, dan is het verongelijkt en tegen hun zin. Er komen schuttingen en panelen, ze zetten een hoge kraag op en draaien de rug naar de omwonenden. Sint-Truiden is zo'n stadion. Het wordt de "hel van Staaien" genoemd, en ik stelde me al een vagevuur voor van licht ontvlambare omwonenden. Maar dat valt tegen. Naast het blauwgele Café Stadion en Taverne De Kanarie (met échte gele kanarie aan de muur!), is er slechts weinig vuur te vinden in de 'inkijkende' woonhuizen langs de Tiensesteenweg. Overigens, in januari 2008 is het ook daar gedaan met inkijken, dan zal de nieuwe hoge tribune er staan.   
Vijftien kilometer voorbij Sint-Truiden ligt Tienen en daar speelt tweedeklasser KVK in het Bergé-stadion (zo genoemd naar een oud-beheerder van de Suikerraffinaderij). Bergé, het klinkt als schapenwol, en zo mat is ook de uitstraling van het stadion. Er zijn loketten voor de betalende toeschouwers, maar je kan ook op straat blijven staan en door het entreehekken de wedstrijd volgen. Omdat het zo'n laag stadion is, zijn er flink wat huizen met inkijk, maar als ik aanbel, doet de onverschilligheid open. - Geef mij maar de motocross. En: de voetbal, dat zegt me niks! En ook: "Ik heb in het seizoen 1953-1954 in de eerste ploeg gespeeld. En toen waren dat allemaal mannen van Tienen en omstreken. Toen lééfde dat hier. Nu spelen hier zelfs negers! Het zijn ook geen spelers meer, het zijn voyageurs. Dit jaar sjotten ze in Tienen, volgend jaar zijn ze weg." Dus nee, dat bovenraam dient zeker niet om naar KVK te kijken.

Het veld van Vigor Wuitens (Hamme) met de buurhuizen, en de graszoden waarop Herman Brusselmans ooit speelde.  (Bron: Eindhoppen - Blogger)

Het veld van Vigor Wuitens (Hamme) met de buurhuizen, en de graszoden waarop Herman Brusselmans ooit speelde. (Bron: Eindhoppen - Blogger)


Nog een tweedeklasser die in een woonwijk speelt is Vigor Wuitens Hamme. De naam van het stadion is de eenvoud zelve, kortweg Het Gemeentelijk Stadion.
Vigor Wuitens bestaat honderd jaar. Maar vandaag is het geen feest voor de vrijwilliger van het secretariaat. Hij staat te sakkeren boven een rij kartonnen dozen: "Dat zijn hier verdomme de nieuwe trainers, maar ze zijn verdomme te laat. Die pakskes moesten uit China komen, maar die geel mannen hadden natuurlijk teveel werk met hun Olympische Spelen!" Ook een kleine club heeft zo zijn problemen met de globalisering. De man wijst een huis aan in de  Sportpleinstraat, daar woont den Etienne, die heeft een dakkapel, die kan zeker binnen zien! En waarom schrijft ge  niet over dat huis naast Etienne? Daar heeft er zich onlangs ene van kant gemaakt, een zonderling, zijn huis vol vuilniszakken, zo vies, dàt zou pas een reportage zijn!  
Etienne Van Buyten is slecht te been maar dat wil niet zeggen dat hij vanuit zijn huisraam naar de matchen kijkt. "Ik ga op de tribune zitten. Mij laten ze zo binnen! Wat wilt ge?! Ik heb verdomme van mijn zeventiende tot mijn vijfendertigste in de eerste ploeg gespeeld en ik ben dertig jaar trainer geweest van de jeugd!" Heeft hij dan ook Vigor's bekendste jeugdspeler, Herman Brusselmans, onder zijn hoede gehad? "Den Herman? De zeun van den biestekoopman?! Natuurlijk! Ik had 'm bij de kadetten. t Was ne roare. Hem doecht dat iel Vigor van hém was! Maar 't was geen hoogvlieger bij 't sjotten. Zijn broer Jef, die was veel beter! " 
Jef Brusselmans, een naam om te onthouden.
 Over het muurtje
De schrijver en Nobelprijswinnaar Elias Canetti wordt niet gauw met voetbal in verband gebracht, maar toch heeft hij een verleden als voetbalbuurman. In de jaren twintig resideerde hij zes jaar in een wijk van Wenen die op één kilometer van het stadion van Rapid Wien lag. In die tijd bezocht hij geen enkele wedstrijd, las hij geen enkele sportkrant, sprak hij met niemand over voetbal en toch miste hij geen enkele match: "Ik zat de hele tijd aan het raam en probeerde elk geluid, elke kreet van vreugde en teleurstelling te doorgronden. Ik zag niemand en toch leerde ik alle stemmen van de menigte kennen." Naar eigen zeggen ontdekte hij zo de psychologie van de massa.
De vierentachtigjarige Maria C. doet sterker dan Canetti. Ze woont op het Lisp, ze volgt al meer dan veertig jaar de wedstrijden van SK Lierse, en toch heeft ze amper een voet in het stadion gezet. Alles volgt ze vanuit de bovenverdieping van haar huis en die distantie schept blijkbaar de liefde, want nog nooit heb ik een fan ontmoet die geen matchen bijwoont en die tegelijk zo hartstochtelijk trouw is aan die ene club.  
Maria: «Vroeger hadden wij zo goed als volledige inkijk. Al wat tussen ons en het veld stond, was een simpel hofmuurke. Mijn man heeft altijd een abonnement gehad, maar hij is nooit langs de ingang gepasseerd. Hij wilde daar niet aanschuiven. Hij kroop in onze hof simpelweg over het muurke. En terwijl had hij zijn abonnement vast en hij zwaaide ermee. Zo van: ge kent mij hé, ik ben een abonnee, ik ben niet zomaar iemand die voorniet probeert binnen te kruipen. Want dat is de waarheid: hier bij de buren zijn er vele geweest die bij de grote matchen hun voordeur hebben open gezet, en via hun hofmuurkes is er heel wat volk naar binnen gepasseerd. Ge zoudt ervan verschieten! Het was een gemoedelijke tijd. Mijn man was duivenmelker en het is dikwijls gebeurd dat een speler met zijn shoes over ons muurke kwam gekropen om een duif te kiezen voor zijn eigen duivenkot. Nu spreek ik wel van lang geleden. 
Mijn man is veertig jaar naar de Lierse gaan zien. En in het begin mocht ik meegaan, maar dat heeft maar een paar matchen geduurd. Hij vond dat ik teveel in discussie ging met de andere supporters. 'Gij kunt niet zwijgen', zei hij, en daarom mocht ik nooit meer meegaan. Ik ben pertang heel hevig voor de Lierse, ik heb een geelzwarte sjaal, ik heb een geelzwart klakske, maar in dat stadion heb ik dus amper een voet binnen gezet. Ook niet nadat mijn man gestorven was. Ik ben op mijn plaatske aan het raam gebleven.

Lierse SK-supporters op hun tribune en rechts het raam waar Maria al 40 jaar postvat om amper een smalle strook van het veld te kunnen zien. (Ingescand uit Humo/ Foto: Stephan Peleman)

Lierse SK-supporters op hun tribune en rechts het raam waar Maria al 40 jaar postvat om amper een smalle strook van het veld te kunnen zien. (Ingescand uit Humo/ Foto: Stephan Peleman)

Een spie van de backline
Op die verdieping heb ik zo'n hoge caféstoel staan, en dat is juist gepast: als ik daarop zit, dan kan ik net over de bomen iets van het veld zien. En zo volg ik àlle matchen.
Maar zenuwachtig dat ik ben! Ik kan niet stilzitten achter dat raam. Dan kruis ik mijn armen. Dan leun ik op de vensterbank. Dan kom ik van mijn stoel. Dan kruip ik er terug op. En maar naar de klok kijken. En dan is de match nog niet begonnen hé! En dan begint het spel, maar dan kan ik nog niet stil zitten. Dan loop ik tijdens zo'n match wel tien keer van boven naar beneden, trap op, trap af.
Wat ik ook altijd doe is na een kwartier naar buiten gaan, de straat op. En dan ga ik tot aan de loketten en vandaar kan ik driekwart van de tribunes zien: hm ja, d'r is precies toch veel volk deze avond en hup, ik loop weer naar binnen. Ik moét dat volk gezien hebben. Ik moet daar elke match gaan kijken. Dat is zo bij mij.  
Wat ik vanuit mijn raam kan zien? Dat zal ik u eens uitleggen! Ik kan de zijkant van één tribune zien en de tribune aan de overkant. Maar van het veld kan ik alleen maar een klein stukske van de linkerkant zien, namelijk één spie van de backline. De goal zelf kan ik niet zien. En van het spel zie ik ook heel weinig: ik zie de keeper uittrappen en soms zie ik al eens een aanval afkomen. Dat is 't.
Meest kijk ik naar de tribunes met de supporters van de Lierse. En naargelang ze hevig zijn met hun vlaggen en hun sjaals, weet ik dat ze goed spelen of niet. En soms roepen ze geweldig, en steken ze hun vlaggen en hun armen omhoog, dan weet ik dat het goal is voor ons. En een penalty, dat is ook te horen. Dan wordt er héél lang boe! en awoe! geroepen, dan ziet ge ook die hevige gestes van de mensen, en dan weet ik het, ze roepen om een penalty.     Vlaggenman
Als de match gedaan is, dan blijf ik ook niet binnen, dan ga ik in mijn deur staan om de supporters op te wachten. En al van ver heb ik altijd hetzelfde ventje in het oog. Heeft hij zijn vlagske opgerold onder de arm, dan is het noppes. En steekt hij dat in de lucht, dan hebben ze gewonnen. Maar dan nog vraag ik: wat was nu de uitslag, en hebben ze goed gespeeld of was het om te schreeuwen? Ik moet dat allemaal weten. Totdat het volk voorbij is. Dan ga ik terug naar binnen.
Hebben ze gewonnen, dan is mijn week goed. Maar hebben ze verloren, olala, dan ben ik niet om aan te spreken! En 't is niet dat ik de spelers zo goed ken. Ik kan ze begot niet bij hun naam noemen. Maar de Lierse, dat zit ..." Ze wil nog vertellen, maar het komt er niet uit. Het is de krop in de keel, en ze tast dan maar naar het kruisje op haar hals. "Ik word 's nachts al eens wakker en dan haal ik soms een fotoboek en mijn oude gazetten uit de kast. Ik begin te bladeren en ik vergeet de tijd en alles. En ziet dees foto!, en die!, en deze!, en hier waren ze kampioen van België! En dan denk ik dikwijls: wat heeft die ploeg al schone jaren gekend."
En dat Lierse hopelijk nooit verhuist," want dan ben ik verloren. In de week zit ik ook dikwijls aan dat raam. Want zo'n stadion, daar is elke dag wat te beleven. De man die het gras onderhoudt. De auto's die de parking oprijden, de mensen die het café binnengaan, dat is mijn amusatie."
(Noot: in mei 2018 moest Lierse SK het faillissement aanvragen. In het stadion speelt nu Lierse Kempenzonen, het vroegere KFC Oosterzonen Oosterwijk, jh)

Uitzicht vanuit de “Kesbeeck-torens” op het veld van Racing Mechelen. Foto: Jurgen Vantomme (Instagram). Jurgen heeft een fotoboek gemaakt met beelden van amateurvelden: “Offside” in 2015 verschenen bij Lannoo.

Uitzicht vanuit de “Kesbeeck-torens” op het veld van Racing Mechelen. Foto: Jurgen Vantomme (Instagram). Jurgen heeft een fotoboek gemaakt met beelden van amateurvelden: “Offside” in 2015 verschenen bij Lannoo.

De torens van de Racing

Ik was niet zinnens om ook derde klasse te bezoeken, maar volgens Mechelse insiders moest ik absoluut 'de torens' in de buurt van Racing Mechelen gaan bekijken. Aan de Oscar Van Kesbeeckstraat ligt het Oscar Van Kesbeeckstadion en in Café Stadion zit Louis Wernaers (67), een man die zichzelf omschrijft als "nen hevige van de Racing, wat zeg ik, nen ielen eevige van de Racing!"
Louis wijst links van het stadion: "Ziet ge die twee hoge blokken? Dààr woon ik. En mijn appartement heb ik gekocht in 1971, speciaal om zicht te hebben op de Racing. Ik kijk dus al zevenendertig jaar élke dag op dat veld. Ik sta op, ik kom in de keuken en ik lees de spreuk: Waar Een Wil Is, Is Een Weg! Dat staat te lezen op onze hoofdtribune. En die kakkers van de Malinwa zullen natuurlijk zeggen dat wij de Weg kwijt zijn, maar dat trekken wij ons niet aan. Die kakkers, jongen! Die hebben de paus, de kardinaal én de Mark Uyttterhoeven, die hebben alleman, en dan nog zitten ze in de schulden!"
Ik pols of hij vanuit zijn flat naar de Racing kijkt, maar ik had evengoed kunnen vragen of hij zout in zijn pint wil: "Nee, gij! Ik betaal een abonnement! Ik moet op het stadion kunnen zijn! Ik moet, ik moet, ik moet! Zelfs toen ik mijn been brak, zat ik op de tribune met mijn pikkel in de plaaster! Géén match zal ik missen! Ik ga al kijken vanaf mijn zes jaar, met mijn vader en grootvader. Wij stonden altijd achter het reclamemuurtje vlakbij het veld, maar omdat ik te klein was om over dat muurtje te kijken, had mijn vader voor mij houten stelten van zeventig centimeter getimmerd. Dan kon ik daarop staan en hij hield mij vast. Totdat het goal was natuurlijk, dan moest ik rap zelf de balustrade vastpakken!"
Naast de twee hoge torens (Kesbeeck 1 en Kesbeeck 2) zijn er dichter bij de hoofdingang nog twee lagere residenties (Juliana en Liliosa). Volgens dezelfde Mechelse insiders staan daar "bij grote matchen toch zo'n dertig à veertig toeschouwers op de balkons, waaronder nogal wat gasten met een stadionverbod".
Kakkers forever!
In 2003 liep Peter Maes (30) een stadionverbod op. Hij stond al eens op "de balkons van de Racing", maar hij is niet van de Racing. Hij is supporter van KVM en hij moest vaak zeer vindingrijk zijn om zijn geliefde kakkersploeg van nabij te kunnen volgen. 
Maes: "Ik heb stadionverbod gekregen na een wedstrijd die KVM speelde in derde klasse. Het was op KV Turnhout, en ik ben iemand overeind gaan helpen die op het veld lag nadat er relletjes waren geweest. Niks agressie dus, maar ja, ik had het veld betreden, en dus kreeg ik dat stadionverbod.  Van zo gauw dat uitgesproken was, wist ik: ik ga niet thuis blijven, ik ga naar elke match van KVM zien. Ik ga altijd met de bus mee, dan ben je een uur van tevoren ter plaatse en dan kan je rustig rondzien naar een plek met wat inkijk. In derde klasse is dat niet lastig: daar zijn het kleine tribunes, daar vind je altijd wel een plek om binnen te kijken. Maar ze zijn wel streng. Zo was ik bij Red Star Waasland op een fiets gaan staan die tegen een stadionmuur stond, maar de politie had het gezien en ik moest daar weg, want ik kwam met mijn handen ààn het stadion. 
Toen we tegen onze aartsvijand "de Racing" moesten spelen, wist ik natuurlijk die 'blokken' staan en ben ik al een week van tevoren gaan aanbellen om een goeie plaats te kunnen hebben. Ik duwde het ene belletje na het andere, maar het was telkens "wij doen daar niet aan mee", of "wij zijn niet thuis" of "wij hebben juist volk die dag". Ik wilde het al opgeven, maar toen kwam net iemand thuis die een barbecue ging geven voor zijn vrienden, en een man meer of minder op zijn terras, dat maakte hem niks uit. Ik was zo blij dat ik daar 's zondags met twee flessen wijn aan de deur stond.
En een uitzicht dat ik had! Vanop het balkon zag ik zelfs mijn kameraden staan, met hun warme plastic bekers bier in de blakke zon, en ik stond daar op dat koel terrasje, met een frisse pint. Ik heb zelfs mee mogen eten van de barbecue!

(c) Jan Hertoghs

(c) Jan Hertoghs

Op OH Leuven heb ik ook op dat torengebouw gestaan. Dat was iets moeilijker want de politie beveiligt dat gebouw en ik moest mijn identiteitskaart afgeven om daar binnen te mogen.  Met een kameraad hebben we de lift genomen en zijn we op zo'n hoge verdieping deur voor deur gaan aanbellen. Dat was daar een doolhof, wij waren op de duur onze oriëntatie kwijt, en er deden mensen open die alleen maar zicht hadden op de Delhaize. Excuseer meneer!
Uiteindelijk mochten we toch ergens binnen, die vrouw was wel wantrouwig, maar die man zag er geen kwaad in en een kwartier later stonden de flesjes bier al open! Sympathieke mensen, ik heb een foto van ze gemaakt en later naar hen opgestuurd.
Union St-Gillis is goed in de winter, maar alleen in de winter, dan zijn de bladeren van de bomen in het Dudenpark, en dan kan je vanop die omringende hoogte tamelijk goed het speelveld zien.
In Virton moet je op de parking van de Aldi zijn, dat is dé goeiekoop, want daar kun je voor nul euro heel het terrein zien! Eupen is ook prima. Daar ga je links van het loket staan, en daar zie je tussen de spijlen zowat driekwart van het terrein.
Ik ben bij speelvelden geweest dat ik maar één goal zag, maar dat was mij genoeg. Zeker in de helft dat Mechelen naar die kant speelde: als je de bal dààr dan zag binnenvliegen, dat deed dubbel deugd!
En was er dan toch een stadion waar ik geen inkijk vond, dan vroeg ik aan mijn maten in het stadion om een sms-je te sturen als er iets speciaals gebeurde. Meestal ging ik dan tegen een poort of de omheining leunen in de buurt van het vak van KV. En als ze begonnen te scanderen, dan scandeerde ik mee, en als ze omhoog sprongen bij een goal, dan sprong ik mee. Dat ik daar moederziel alleen stond, maakte me niks. In gedachten was ik in het stadion. Op KSK United (Lommel) heb ik ook eens een match kunnen volgen op een minimonitor van een tv-straalwagen die buiten het stadion stond. Dat scherm was niet veel groter dan een gps, maar ik kon toch volgen."
Tussen de gladiolen
Als compensatie voor de clubs die zich alsmaar verder van de bewoonde wereld onttrekken, ben ik ook op zoek gegaan naar een lokaal veld dat nog binnen de bebouwde kom ligt en waar alle omwonenden nog ruim de inkijk hebben.
Kenners van de KBVB Provincie Antwerpen raadden me Larum en Oosthoven aan. In Larum kon je de tirolerschlagers van de buurman tot aan de zijlijn horen. En in Oosthoven was er de terreinverzorger die tijdens de match uit zijn blote hoofd onthield waar de verdwaalde ballen in de tuinen waren gevlogen en die daar dan op maandag ging aanbellen, maar als ik terplekke kwam, was het toch niet echt wat ik zocht. Ik zocht terreinen zoals Jan Mulder ze geestdriftig beschreven heeft in zijn "Hollandse Velden": landelijke amateurpleinen met karakter waar de omwonenden vergroeid zijn met het speelveld en waar de couleur locale nog niet gesaneerd is zoals bij Het Multifunctionele Terrein Van Tegenwoordig.
Als kind wist ik Tubantia zijn. Rond dat veld stond het omwonende mansvolk van de wijk Deurne-Ruggeveld naar de zondagmatch te kijken, staande op een keukentrap, bierbak of hoger nog, op het duivenkot. Als ik zo'n pitch kan vinden die even ingebed tussen de hovingen ligt, daar heb ik veel voor over.
FC Oppuurs leek in aanmerking te komen. Een derdeprovincialer waar wel wat huizen inkijk hebben en waar het veld over de volledige lengte aan een moestuin grenst met massieve savooikolen, prei, selder, prinsessen, gladiolen én drie grazende geiten. Spijtig genoeg bleek dit terrein het B-veld te zijn.
In de Topografische Atlas van België (1:50.000) staan de voetbalvelden ingetekend, ik heb grote stukken van de provincies Antwerpen, Limburg en Oost-Vlaanderen onder de loep genomen, maar het is alsof alle voetbalterreinen uit de dorpskom gedeporteerd zijn naar de rand van de gemeente. Naar de zone waar recreatie zijn officiële plaats heeft, naast de industriezone en naast de landbouwzone.
Het mag ook duidelijk zijn, wat in de volksmond nog gerekend wordt onder de "provinciale ploegskes", die blijken intussen alle te beschikken over reclamepanelen, beschutte staanplaatsen en gigantische drankbastions (voorheen kantines geheten); en ook dat is natuurlijk een aanslag op de inkijk van de buren. 

Het speelveld van FC KWB Elversele. Soms duiken er spelers op in de omliggende tuinen om een verdwaalde bal te zoeken.  (Foto uit “Europese Velden” van Hans van der Meer )

Het speelveld van FC KWB Elversele. Soms duiken er spelers op in de omliggende tuinen om een verdwaalde bal te zoeken. (Foto uit “Europese Velden” van Hans van der Meer )

FC KWB Elversele
Verder zoekend kwam ik bij het fotoboek "Europese Velden" van de Nederlandse fotograaf Hans van der Meer en daarin stond één veld dat aardig beantwoordde aan wat ik zocht. Het terrein lag in Elversele en de ploeg die er speelde, is lid van Het Waas LiefhebbersVoetbal (Walivo), een verbond van vijfentachtig amateurploegen met fantastische namen als FC Welkom en FC Koekoek. Bij Walivo suggereerden ze om ook eens te gaan kijken bij Sinaai Sport in Sinaai. Dat ligt met zijn smalle oprit tussen zo'n zéstien aanpalende woonhuizen! Maar nog straffer is Elversele, deelgemeente van Temse. Daar, aan de voet van een jaren-zeventig-wijk, ligt het terrein van FC KWB Elversele. Klein van afmetingen, flink bergaf hollend naar één doel en aan één kant bruin overdekt met herfstblaren van de canadapopulieren. Wat het zo charmant maakt is dat het aan twee kanten embedded ligt tussen de achtertuinen, heesters, hagen, gazons en aardappelbedden van de omwonenden.
Leander is in zijn tuin bezig. En of hij het veld kent, hij heeft vijfentwintig jaar bij de KWB gespeeld! En zijn buurman is de voorzitter van de ploeg! En zeker dat die matchen luid leven brengen in de wijk. Vorige week was het 6-5 tegen Verbroedering Briel, toen is hier nogal geroepen! Ze spelen ook 's zondags om tien uur, dus van stille zondagen is hier geen sprake. En dat het veld klein is, dat klopt ("Als ik als verdediger een doeltrap mocht geven, dan kon ik met die stilliggende bal in de andere goal geraken!") En maar vertellen en glunderen achter zijn brandende sigaar. Het is vandaag één september. Dag waarop Manchester City gekocht is door een sjeik en dat er 20 miljoen betaald is voor Fellaini, 36 miljoen voor Robinho en 38 miljoen voor Berbatov. Alleen in lichtjaren valt het uit te drukken hoever dit kleine Elversele verwijderd is van die voetbalwereld. Volgende match zal ik er zijn, zeg ik.
Bal door de ruit
Het is zo'n dorp en zo'n zondag waarop wielertoeristen vanuit de schaduw van de kerktoren in de zonnige straten komen gefietst. Op het speelveld aan de Meersstraat ligt het gras er glanzend bij, de ploeg van de tegenstrever wacht nog op een elfde man en Stijn Van Elslande, de voorzitter van FC KWB Elversele heet me welkom. Hij woont op vijftig stappen van het veld, en kent de buren die op zondagmorgen al eens een bal in het glas hebben gehad: "Elk seizoen sneuvelt hier wel een ruit", en waar elders op zondagmorgen de rolluiken omhoog gaan, "gaat hier wel eens een rolluik terug omlaag".
In een tuin aan de overzijde bleek ooit een kleine serre te zijn voor tomaten en sla, "maar die heeft er slechts één seizoen gestaan".
De wedstrijd van de blauwwitte KWB-ers tegen Scoutshuis 81 uit Sint-Niklaas neemt een aanvang. De bezoekers zijn slechts met tien, maar ze spelen bergaf en bij de eerste aanval maken ze al de nul-één. Als de bal aan die kant niet in het doel of in het vangnet verdwijnt, verzeilt hij in "den bos", een coalitie van canadabomen en woeste netelplanten. Terreinverzorger Achiel is het mij droog komen vertellen: "Als ge daar een bal moet gaan zoeken, moet ge een lange broek aan hebben." Heerlijke man, en al eenenveertig jaar verknocht aan de club.
Eén stuk zijlijn grenst ook nog aan een wei waar runderen staan te grazen, voorlopig nog met hun gat naar de wedstrijd. Tussen de weipalen met schrikdraad staat een merkwaardig "betonpoortje" dat de boer heeft uitgedacht omdat zijn omheining zo te lijden had van inklimmende spelers die de bal gingen zoeken. Tussen die betonnen palen kan juist één manspersoon in de wei te stappen, maar tegelijk is dat poortje te smal voor een koe die wil uitbreken. "Twee jaar geleden heeft die boer dat geïnstalleerd. Wat dus wil zeggen dat wij hier negenendertig jaar over en onder die draad hebben gekropen!"  
Het geroep van de spelers klinkt onverminderd galmend tussen de hagen en de achtergevels en de gelijkmaker zie ik feilloos  binnenkomen. Hier mag je nog vlak naast de doelpaal gaan staan en vanuit die positie heb ik het schot zien krommen, de keeper machteloos zien tasten naar het leer en de bal dof horen kletsen tegen het donkere net. Zo live zie je het op geen enkele zender.   
Na de 1-1 wordt het 2-1, 3-1 en 3-2 en ook het toeschouwersaantal loopt gestaag op naar vijfentwintig. Enkele vijftigers en zestigers die in de wijk wonen, komen het terrein op via een smal servitudepad tussen twee woningen. Hubert is zo'n vaste bezoeker. Hij legt uit dat je hier rustig binnen de lijnen mag lopen. Dus  dwàrs door het doelgebied en zo récht naar de kantine.

Het speelveld van FC KWB Elversele :  waar ballen getrapt worden naast siertuinen , garage-opritten en serres met kwetsbare ruiten. (Ingescand uit Humo/ Foto:Stephan Peleman)

Het speelveld van FC KWB Elversele : waar ballen getrapt worden naast siertuinen , garage-opritten en serres met kwetsbare ruiten. (Ingescand uit Humo/ Foto:Stephan Peleman)

Achiel zit in "den hof"
Peter
staat met gekruiste armen bij zijn tuinhuis. Hij kijkt naar het spel maar is "niet echt in voetbal geïnteresseerd. Ik sta soms vijf of tien minuten te kijken, een enkele keer ook een hele time." En om zijn niet-belangstelling te onderstrepen, "ik woon hier al twintig jaar en ik ben nog maar twee keer in de kantine geweest". Het was in zijn tuin dat de serre menige glasbreuk te verduren kreeg. En natuurlijk vliegen er ook matchballen in de tuin zonder glas te raken: "Vroeger zat den Achiel dan ongevraagd in onze hof naar die bal te zoeken. Op de duur hebben we hem gezegd dat dat eigenlijk niét kon, en nu belt hij aan. Maar ja, als ge nog in uw pyjama staat en ze bellen aan, dat is ook niet plezierig."
Het is rust, de stand is 6-2, en als ik bij andere buren aanbel, wordt er maar aarzelend opengedaan: het is ook de dag en het uur van de Getuigen van Jehovah.
De buurman die achter het doel woont, gaat "nooit kijken", maar ziet soms wel spelers door zijn tuin struinen op zoek naar een bal: "Als ge in uw zetel zit, ziet ge dat toch niet graag rond kruipen." Hij is blij dat de gemeente een hoog vangnet heeft geplaatst. Bij hem waren al drie ramen gesneuveld.
Een andere huisvader woont er met zijn gezin al negentien jaar, en heeft vooral oog voor de terreinverzorger Achiel. Die woont ook in de straat naast de club en heeft jàren het terrein verzorgd. Het terrein is intussen een gemeentelijk terrein, "maar omdat hij het persoonlijk zó verzorgt, beschouwt hij het nog steeds als ZIJN terrein. Wij zien hier door de week knapen met een bal arriveren en nog geen vijf minuten later staat hij hier ook om te zien of ze niks verkeerd doen. Hangen ze even aan de deklat, dan jaagt hij ze weg. Het is hem intussen gezegd dat hij niet moet overdrijven. Maar die mens leeft voor zijn veld. Gisteren vierden hij en zijn vrouw hun vijftigjarig huwelijk. Denk dan maar niet dat hij uitslaapt na zo'n feest. Om half negen vanmorgen stond hij hier, met zijn machien om de lijnen te trekken, en met een hark om de blaren van het veld te rijven!"
Van ongewenste ballenrapers in de tuin hebben ze geen last, "integendeel, soms staat hier zo'n volwassen speler als een bedremmelde schooljongen aan de deur 'of ze alstemblieft den bal terug mogen hebben?' Schoon om zien!" Niet dat die spelers altijd zo braaf zijn: "'t Is ook al een paar keer felle tumult geweest, één keer is er zelfs geknokt op het veld. Dat was zes jaar geleden en toen is de politie tot hier moeten komen."
Achterpoortjes
Buurman Eddy komt tien minuten voor affluiten via zijn achterpoort het terrein op en duikt de kantine binnen zoals een duif op haar hok valt. Eddy komt vooral "voor de ambiance onder de supporters en om een pint te drinken op zondagmorgen". Eddy is beslist de lankmoedigste onder de buurtbewoners: zijn achterpoortje staat altijd open, bij hem mag iedereen de tuin in om de bal te gaan zoeken. Zelf houdt hij ook een oog in het zeil: "als ik kwajongensstreken zie, of het licht brandt 's avonds laat nog in de kantine, dan verwittig ik Achiel."
De wedstrijd is afgefloten, de einduitslag is 10-2, en enkele basisspelers komen nog rond met lotjes "ten voordele van de kas". Alle leven om het veld valt weer in zijn stille plooi. De herfst komt uit de meersen gewaaid met de zachte geur van ouwe blaren. De zon schijnt. De koeien herkauwen. Het gras groeit langzaam. Eén bal ligt nog in de greppel. 

hans+vdm+2.jpg
Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De pottenkijkers (1): toch voetbal kijken in stadions met gesloten deuren

Tot 11 september moeten alle voetbalwedstrijden in de hogere klassen nog achter gesloten deuren gespeeld worden. Dan komt er een versoepeling in overleg met de plaatselijke burgemeesters.
Voetbalsupporters zitten nu al bijna een half jaar met een nooit gezien "stadionverbod". Tegelijk zijn er clubs waar je ook met gesloten deuren toch nog altijd een toeschouwer kan zijn. Omdat het stadion in een woonwijk ligt en de buren een inkijk hebben. Daarover gaat deze reportage. Sommige van de besproken clubs hebben intussen een ander en/of meer afgesloten stadion. Maar op meerdere plaatsen (o.a. bij de eersteklassers OHL en Sporting Charleroi) zijn er nog steeds omwonende "pottenkijkers" die zich niks hoeven aan te trekken van gesloten deuren.

Humo oktober 2008 © Jan Hertoghs   

Vanop het balkon van de vijftiende verdieping: zo kijken de stadionburen Willy, Tony en Lowieke en naar hun favoriete club OHL (ingescand uit Humo/ Foto: Stephan Peleman)

Vanop het balkon van de vijftiende verdieping: zo kijken de stadionburen Willy, Tony en Lowieke en naar hun favoriete club OHL (ingescand uit Humo/ Foto: Stephan Peleman)

"Het stadion is het grootste meubel én het dierbaarste huisraad dat ik heb!"

Ik vroeg me af of het nog zou kunnen. Naast een stadion van eerste of tweede klasse wonen en inkijk hebben op het speelveld. In je keuken staan en een vrijschop zien plaatsen. Tegen je raam leunen en een penalty weten geven. Na enig zoeken heb ik ze nog gevonden, huizen met uitzicht op de cornervlag. En wat bijzonder was, bij die omwonenden leefde nog opvallend veel hart en ziel en clubliefde.
Humo op visite in het land van de "pottenkijkers".

Op 29 juli is het zomer, ligt het voetbalseizoen nog stil en ben ik langs de E40 onderweg naar het stadion van FC Dender. Bij de afrit Ternat heeft een tuincentrum een groot bord met de tekst: Hier Staat Uw Kerstboom Voor 2008. Er zijn geen seizoenen meer en sommige mensen kunnen niet rap genoeg dood zijn.
In Denderleeuw zit een lijvige vrouw in de zon te bakken op het hete asfalt voor een rij garageboxen. Als ze over haar verbrande schouder en de gloeiende spoorweg kijkt, ziet ze het stadion van FC Dender liggen. Boven de inkompoort staat het in oud smeedijzer te lezen: Florent Beeckman-stadion. Sinds de Denderzonen in eerste klasse spelen is dat stadion te klein. Dus is er in de voorbije maanden flink uitgebouwd, ik zie veel nieuw beton en vers geschroefd aluminium. Op het secretariaat zeggen ze dat die nieuwe tribunes er sinds juni staan en dat het nu definitief gedaan is met "binnenkijken", iets wat jarenlang wél mogelijk was.
Bij Jean-Pierre en Francine Van Isterdael in de Lindestraat mag ik gelijk in de tuin en onder de parasol zitten ("wat drinkt u meneer?") en intussen hebben we een panoramisch zicht op het stadion.
"Vroeger was dat een open voetbalveld met rondom ijzeren balustrades en een paar kleine tribunes. Toen hadden we natuurlijk veel inkijk. Toen was dat nog een familiaal stadion om het zo te zeggen. Maar elk jaar dat ze promoveerden, kwamen er meer tribunes en installaties bij. En ja, vorig jaar waren ze dan in eerste klasse, toen hebben ze zeilen van tweeënhalve meter gehangen om de inkijk te beperken, maar vanuit onze slaapkamer konden we toch nog zestig procent van het speelveld zien."
Spijtig genoeg konden ze vanuit dat raam maar één doelgebied zien ("we mankeerden zjust één goal"), maar als er een grote match was "dan hadden we toch altijd volk in huis: kennissen, vrienden en familie die op de slaapkamer wilden komen kijken. Om Anderlecht of Brugge eens van dichtbij te zien en ook uit nieuwsgierigheid natuurlijk, naar al dat volk dat naar zo'n match komt kijken."
Tot twee jaar geleden had Jean-Pierre zelf nog een abonnement, maar dat is nu gedaan, "ik volg de matchen alleen nog op tv." Beiden vragen zich wel af of FC Dender het niet te groot ziet. " Zo'n grote infrastructuur voor ocharme zestien wedstrijden! Dat stadion zit misschien maar drie keer vol op één seizoen. (Noot: Intussen speelt FC Dender in Eerste Klasse Amateurs, het vroegere Derde Klasse, jh) Want tegen Roeselare, Bergen of Moeskroen ziet ge hier maar weinig volk. En ziet die grote lichtpalen eens! Dat is licht, licht, licht, dat kost vaneigens een paar honderdduizend euro per jaar. En intussen krijgen wij één gratis spaarlampeken van het Vlaamse Gewest om ons te leren zuinig te zijn. Ergens is er toch iets dat niet klopt!"
Maar natuurlijk leven ze nog mee, zegt Francine. Ze zien het volk toestromen voor de match, ze horen het roepen vanop de tribunes, "en als het hevig is, dan zeggen we tegen mekaar: nu zal het zekersjt goal zijn!"
Toen Dender pas in eerste speelde, is Man Bijt Hond ook geweest om hen te komen filmen. Ze wijzen waar de cameraploeg heeft gestaan, daar en daar, en ook hiernaast in de tuin van de broer van Jean-Pierre. Die heeft daar een hok en een ren met kippen, en nergens in België zijn er kiekens die zo dicht bij Eric Deflandre en Johan Boskamp staan. "Soms komt Bossie voorbijgewandeld als hij onderweg is naar de training. " En dat kunnen niet veel mensen zeggen, "dat ze Bossie zien vanuit èren hof!"
Aan de overkant van het stadion staat nog een inkijkhuis. Het staat op zo'n tien meter van het hek, kijkt pal tussen twee tribunes door en vanop de eerste verdieping moet het hele grasveld te zien zijn. Een moestuinman zet zijn kruiwagen neer en gebaart dat niemand thuis is. En op mijn vraag of ze het veld kunnen zien, zegt hij ja, maar dat "dat jonge koppel niet in voetbal geïnteresseerd is".
Er was op deze plek ook een hek waar bij elke match zo'n tien man door de spijlen stond te kijken. Maar met de schutzeilen en de nieuwbouw zijn die gratis staanplaatsen verloren gegaan. Hij zwijgt een halve minuut, staat er zelf van te kijken wat hier als een paddestoel uit de grond is geschoten en wil dan teruggaan naar zijn lochting van aardappelen, prei, tomaten en prinsessenbonen op staak. Ik zeg: "Uw boontjes zijn de boontjes die het dichtst bij eerste klasse staan!", maar hij kijkt me niet begrijpend aan. Zo gaat een compliment verloren.

Het stadion van FC Dender lag redelijk ‘embedded’ in de bebouwde kom .

Het stadion van FC Dender lag redelijk ‘embedded’ in de bebouwde kom .


Café Le Derby
Mijn zoektocht ben ik niet in het wilde weg begonnen. Op de websites van de clubs of op Google Earth kan je vrij goed zien of een stadion nog omwonenden telt. Zo vielen Anderlecht, Standard, Brugge en Genk af, die stadions hebben zich verschanst, dragen een ring van metaal of hebben de allure van een dure schoendoos. Anderen hebben trainingsvelden, sportcentra of andere infrastructuur in de directe omgeving, en vallen dus ook af. Een paar stadions liggen buiten de bewoonde wereld, zoals Het Kuipje van Westerlo waar slechts één huis in de schaduw van de tribunes staat (en die éne nabestaande leeft dan nog in onmin met de club.)
Sommige stadions zijn gelukkig nog niet uit de bebouwde kom verbannen, en zo sta ik voor het Guldensporenstadion van KV Kortrijk dat aan de drukbewoonde Meensesteenweg ligt. Binnenin trekt de man met de zitmaaier zijn baantjes op het glinsterende gras en niets zaliger dan dat gemaaide groen, die fel opwaaiende geur tussen de lege tribunes, de verwachting van iéts dat komen gaat, grootse prestaties op de grasmat!  
Maar in de directe omgeving valt geen opwinding te bespeuren. Eén kant van het stadion wordt ingenomen door de trieste parking van een discounter en een paar achtergevels. De tuinmuren van die huizen zijn bescheiden, ik kan er zo overheen kijken en de tuinkabouters zien. Naast die tevreden blozende dwergen staat een mens die de zaken minder rooskleurig ziet: "Vroeger kon je het spel nog vanuit de dakvensters zien. Maar nee, het moet allemaal groter en hoger. En spreken wij nu nog van een sport, meneer?! Nee, wij spreken alleen nog van geld. 't Is al geld wat de klok slaat." En dat hij benieuwd is of KV Kortrijk weer zo'n dikke nek gaat zetten als de vorige keer in eerste klasse, "toen hebben ze het geld langs deuren en vensters naar buiten gegooid."
Ook in het aanpalende café The Future is van ambiance geen sprake. Ja, natuurlijk heeft de cafébaas KV-supporters aan zijn toog, en ja, natuurlijk kan hij vanop zijn verdieping een flink stuk van het speelveld zien, maar in feite kan alles wat een bal is hem "gestolen worden". Curieuze cafébaas zo pal tegenover de hoofdingang van een stadion.
Eenzelfde scenario in Bergen. Daar ligt het stadion van RAEC Mons temidden van een volkswijk, daar bezit de eerste verdieping van Café Le Derby de béste inkijk op de pelouse maar ook deze baas is geen bal in voetbal geïnteresseerd. En als ik durf te vragen waarom zijn café dan Le Derby heet, dan is dat een vraag te ver: "Ginder zitten klanten, monsieur, die moet ik nù bedienen." Mons staat dan ook derde laatste. (Noot: de club ging in 2015 failliet, jh)
Rik Regenboog
Allicht hebben we meer geluk nabij het Regenboogstadion van SV Zulte Waregem. Er kabbelt een vijver aan de poorten, er zitten vaders en zonen op karper te vissen en over het water voert een ouderwetse brug met rooie geraniums aan de witte brugleuning. Romantischer kan de entree naar een voetbalstadion niet zijn. Zo'n honderdvijftig meter verderop staat een hoog appartementsgebouw, de Residentie Regenboog: zouden ze vandaar een blik op de grasmat kunnen werpen? De man die ik aanspreek, blijkt een oud-schepen van Openbare Werken te zijn. Hij noodt mij op zijn balkon, wijst triomfantelijk allerlei infrastructuur aan die hij mee uit de grond heeft gestampt, maar de residenten kunnen het speelveld niet zien, zelfs niet vanop de hoogste etage. Er staan populieren in de weg en het veld is te veraf. En zo verdwijnt Waregem ook van de lijst. Eén vraag nog: welke romantische ziel heeft die bloemenbrug bedacht? "Aha! Dat was voor de arrivée van het WK Wielrennen in 1957. Die brug en die weg is speciaal over dat water gebouwd om de aankomst in het stadion te kunnen hebben. Vandaar ook de naam Regenboogstadion." Het is wetenschap waarmee ik ooit nog een quiz zal winnen. En wie won toen de trui met de regenboog? Het was de man die drie keer wereldkampioen werd, Rik Van Steenbergen. 

De stadionvijver vlakbij het terrein van Zulte Waregem is ook een gekende plek bij karpervissers. Links boven de brug die naar het Regenboogstadion leidt. Speciaal aangelegd in 1957 voor de finish van het WK Wielrennen.

De stadionvijver vlakbij het terrein van Zulte Waregem is ook een gekende plek bij karpervissers. Links boven de brug die naar het Regenboogstadion leidt. Speciaal aangelegd in 1957 voor de finish van het WK Wielrennen.

Wij zijn Stadisten
De Kardinaal Mercierlaan in Heverlee is een dreef en dus heet het stadion van OHL (Oud-Heverlee Leuven) ook Den Dreef. Maar het stadion zou evengoed "Den Blok" kunnen heten want achter haar twee tribunes staat een gigantische zuil van twintig verdiepingen, een building met in totaal tweehonderdvijftig appartementen. Alle etages van deze building hebben balkons, dus in principe zouden daar duizenden voetballiefhebbers een gratis staan- of zitplaats kunnen vinden. Voor de inkomhall van de Residentie Riverside zitten twee oudere mannen op een kampeerplooistoel. Émile De Wit (66) en Willy Hollanders (71) hebben iets met de club en zijn gelijk op dreef.
Émile: «Willy en ik, wij supporterden al vele, vele jaren  voor Stade Leuven." 
Willy: «In 2002 is dan die fusie gekomen met Oud-Heverlee, maar wij spreken niet van OH Leuven."
Emile: «Wij spreken nog altijd van de Stade. Wij zijn nog altijd Stadisten."
Willy: «Veel supporters van de Stade zijn weggebleven na die fusie, maar sinds ze in tweede spelen, zijn er toch veel terug gekomen. Ik zet nog altijd geen voet binnen, maar ik kijk wel vanop het balkon. Zelf woon ik op het achtste, maar om te kijken ga ik naar het vijftiende, daar wonen mijn zuster en schoonbroer. Zij hebben een appartement op de zijkant van den blok en vandaar hebt ge een geweldig zicht op de plein. Vijf minuten voor de match ga ik op het balkon staan. En er is altijd plaats! Meestal zijn we daar met twee, Lowieke en ik. Lowieke is ook een gebuur. Hij kent de spelers beter dan ik. Ik moet maar een rugnummer zeggen, en hij weet al wie het is!
Ik heb al topmatchen gezien dat hier honderd man op de balkons stond. Ziet gij ons eigenlijk staan vanaf de tribunes, Émile?"
Émile: "Ja, natuurlijk. Ik zie ze bougeren op de balkons. Maar horen doet ge dat niet. Ik zou de match ook kunnen volgen vanuit mijn appartement, ik woon op het vijftiende. Maar ik vind dat ge uw ploeg moet steunen, en dus koop ik elk jaar een abonnement. Ik zit liever in het stadion dan op mijn balkon omdat we daar met een vriendengroepje samen zitten."
Willy: «Ieder zijn gedacht, Émile. Maar wat wij wél zien is het aankomen en vertrekken van de bussen met de spelers, en soms kinderen van 'den blok' die op een handtekening staan wachten. Dat is toch speciaal en dat ziet ge allemaal van bovenaf. Voor twee jaar is dat hier een spel geweest! Toen met die match tegen KVSK United (Lommel). Die maakten toen kans op promotie naar eerste, maar dan moesten ze hier absolùùt winnen. En Lommel verloor. En toen is hier gevochten voor den blok. Ze hebben met stenen naar auto's gegooid en hier de vuilnisbakken door de glazen halldeuren van de residentie gezwierd. De rijkswacht is erbij moeten komen. Er waren wel acht gewonden. En dat allemaal vlak onder de balkons."
En dat ze dit jaar een zwaar seizoenbegin gaan krijgen, "' t is zeker geen cadeau om als eerste match tegen Sint-Truiden te spelen, dan zoudt ge moeten komen kijken!"  
Terrasvoetal
Ik ben te laat voor die eerste match van OHL. Net als ik uit de auto stap, zwelt het joelen aan vanuit het stadion om dan in een knal van gejuich te ontploffen dat op en neer kaatst tegen het hoge appartementsgebouw. Het is één-nul voor OHL!
De lift brengt me naar het vijftiende, Tony, de schoonbroer van Willy laat me binnen, en via het kamertje met de bureautafel en de strijkplank kom ik op het balkon. Daar staan Willy en zijn maat Lowieke Valkenaers al te leunen tegen de balustrade. Ha, ge zijt er! En z'hebben juist een goal gemaakt! En wat vindt ge van ons panorama?
Het is een énig gezicht. In de opkomende duisternis ligt de schitterend verlichte groene rechthoek en vanop deze hoogte  heb je een uitstekend zicht op de wedstrijd: de geraffineerde spelpatronen, het taktisch vernuft, ja zelfs, het ritmisch wapperen van de cornervlaggen, niets ontgaat ons hier.
Dit zijn dan ook echte skyboxen. We staan hoger dan de lichtmasten, we schatten onze uitkijkpost op zo'n vijfenveertig meter boven de gewone supporters. Maar ook hier kunnen we nog de vette geur van hamburgers opsnuiven, de perfecte totaalervaring dus. 
Willy stelt zijn voetbalvriend Lowieke voor: pas op, want dat is nen hooligan! Het bedaarde Lowieke glimlacht, die Willy toch, en doet er dan weer een kwartier stilzwijgen bij. Hij volgt die matchen heel intens, zegt Willy in mijn oor, "en in 't weekend kijkt hij wél veertien uur naar 't Engels voetbal".
En de match mag slecht zijn, en hun ploeg mag verliezen, maar altijd kijken ze tot het einde van de wedstrijd ("Wij zijn trouwe kijkers.")
Van een stilliggende fase maakt Willy gebruik om de wijdere omgeving te schetsen: ginder de luchthaven van Zaventem ("dat is schoon, vind ik, al die stijgende en dalende vliegers"), daar het Meerdaalwoud, en daarachter Wallonië, "zeg nu nog dat wij geen uitzicht hebben!"
Willy zegt dat OHL al veel geluk heeft gehad, en lap, daar schiet STVV op de paal. Op de eerste speeldag in tweede klasse is deze match tegen Sint-Truiden een topper, maar ik tel slechts een tiental toeschouwers op de balkons plus nog twee zwartkijkers op een kabine van de elektriciteitsmaatschappij.
Willy weet waaraan het ligt: het is een woensdag en het is vanavond ook Standard tegen Liverpool. Plus die kwaaie wind natuurlijk. Ja, die is niet weg te denken en die komt met stoten van 50 à 60 per uur op ons balkon gevlogen. Willy heeft een dikke trui aan en Lowieke heeft zijn fleece tot op de kin dichtgeritst. Zolang  het maar niet regent, staan we hier droog, is de filosofische conclusie.

Het veld met de hoge inkijk-appartementen. Ook wel bekend als OHL:  Onze Hoogbouw Leuven.

Het veld met de hoge inkijk-appartementen. Ook wel bekend als OHL: Onze Hoogbouw Leuven.

Tribune Twee
Het is rust. De spelers stappen van het terrein en wij gaan binnen om ons "e bekke op te warmen". We nemen plaats in de zetels, Tony serveert bier en cola light voor iedereen en intussen kijken we naar Jacques Vermeire op vtm, en als het winter zou zijn, dan zou Tony de verwarming god heet hebben staan, zeg nu nog, hoeveel voetballiefhebbers kunnen zoveel comfort combineren? Zo zijn er niet teveel, zegt Willy, 't is hier gelijk op de business seats! En hij zal ook vertellen van François Sterchelé die hier nog topschutter is geweest met 29 goals en dat hij OHL van derde naar tweede klasse heeft geloodst in het seizoen 2004-2005.
Willy laat ook het andere balkon zien ("tribune twee"). Daar speelt zich nu een prachtige zonsondergang af boven de nationale luchthaven, er is ook een houten zitbank met een bol hortensia's ernaast, maar daar missen ze "een klein stuk van één zijlijn" en dus kiezen ze meestal voor de Kant Strijkkamer.
De spelers komen weer op het terrein, Willy is nog gauw naar zijn appartement gelopen voor een dikkere jas en Lowieke trekt de rits van zijn fleece nog wat hoger op zijn kin, "en dat noemen ze dan zomer!"
De twee staan ieder in een hoek van het balkon, op vier meter van elkaar. Net twee onbekenden op een bank in het park die ieder aan de buitenkant gaan zitten, maar "zo staan wij altijd, ieder heeft zo zijn hoek om naar het spel te kijken." Een speler van OHL krijgt zijn tweede gele kaart en moet van het veld, en kort daarop scoort STVV de één-één. Willy kletst met zijn hand op de balustrade: "t' Is toch wel die blottekop van nen Debroux, zeker! " De doelpuntenmaker blijkt een ex van OHL te zijn die nu tegen zijn voormalige ploeg scoort. Hij kan bij Willy maar op weinig sympathie rekenen ("Een vuile speler! Heeft hier vroeger véél kaarten gepakt!") En dan is STVV al opnieuw in de aanval en volgt het defaitisme: "Ge gaat dat zien. St-Truije gaat hier winnen met 1-3!" 
OHL krijgt een tweede keer rood, moet dus met negen spelers verder, en de scheldwoorden aan het adres van de arbiter -"dief! dief!" en "vendu! vendu!"- klinken nu vijftien verdiepingen hoog.
En dan -alleen zichtbaar vanop de balkons- zien we de uitgesloten speler van het veld stappen, door een tunneltje gaan en dan helemaal alleen langs het hamburgerkraam passeren, zo naar de kleedkamers. Eenzamer kan een aftocht niet zijn.
Vierenzeventigste minuut en één-twee. Bal in de linkerbovenhoek, en vanuit onze high definition hebben wij die bal éérder onder de lat zien gaan dan in het stadion. Vier minuten later wordt het ook nog 1-3, en Willy herinnert ons aan zijn voorspelling bij het begin van de tweede helft ("'k hem et gezeit hé!") 
Het is een kwartier voor tijd en de eerste OHL-supporters druipen al af naar de parking. Ook op het balkon is het stil geworden ondanks de straffe wind. De duisternis is nu volledig ingevallen, de straten met hun huiskamers en autobestuurders ontsteken hun lichten, en wij staan boven die lichtbokaal in het donkere Leuven, er vliegt een vliegtuig over, maar het is niet zeker dat de piloot het scorebord en de teleurstelling hier kan zien. En dan fluit de arbiter af, we trekken de balkondeur achter ons dicht en Willy weet het nu wel zeker: Sint-Truije gaat kampioen worden, ge gaat dat zien! " (Wat Willy op die eerste speeldag voorspelde, gebeurde ook: STVV speelde dat jaar kampioen en promoveerde naar eerste,jh)
Fever Pitch
Zelf ben ik ook opgegroeid in de buurt van een stadion. We woonden op één kilometer van de legendarische Bosuil. Daar speelde België tegen Holland en daar speelde ook onze zeer geliefde Royal Antwerp Football Club. De magie van dat stadion had ons al jong te pakken. Bij een België-Holland ging je als kind bij het raam staan. Om de stroom auto's en autocars te zien, en om later het rumoer te horen aanzwellen van de toeschouwers. In je kleine wereld die plaats kénnen, goed weten waar die branding van gejuich en opwinding zich bevond, zo kan liefde ontstaan.
Om die reden heb ik ook met bijzonder genoegen naar de documentaire That Final Day gekeken (2003, van Tom Egbers voor NOS Studio Sport). Daarin worden twee ploegen - Swansea City en Exeter City- gevolgd. Ze spelen in de laagste profliga (Division Three) en op de laatste speeldag moet de beslissing vallen wie van beiden naar het amateurvoetbal degradeert, zowat het begin van een roemloos einde. Wat ik vooral heb onthouden is hoe die oude houten stadions embedded lagen in een volkswijk en met welk een passie en hartstocht er werd meegeleefd in de omringende rijhuizen, tot zelfs in de badkamer toe. Die beelden, dat was de directe inspiratie voor mijn stadiontoer. 

Beeld uit de NOS-docu That Final Day (2003): de inkijk vanuit één van de aanpalende woningen (Swansea).

Beeld uit de NOS-docu That Final Day (2003): de inkijk vanuit één van de aanpalende woningen (Swansea).

Zebra in hart en ziel 
In Charleroi is de eerste aanblik van het Stade du Pays lichtjes verbijsterend. Het is alsof een kolossaal ijzeren geraamte tussen de huizen is gevallen en er als bij wonder geen enkele voorgevel is geraakt. Zo dicht staan de huizen in de schaduw van dit steile amfiteater waar Sporting Charleroi zijn thuisbasis heeft. De kleinere huizen komen niet tot aan de knieën van het gevaarte, maar een paar hoge appartementsgebouwen lijken er nipt bovenuit te torenen. Ik ga de belletjes af, dool drie kwartier van hall naar hall, maar inkijkers zijn niet te vinden, en ook de Zebrasympathie is ver te zoeken. "Het is een merde, meneer! Vanaf vier uur zetten ze alle straten af omdat het om acht uur een match is! Hier was een overlijden in de buurt, wel, de begrafenisaannemer heeft tot elf uur moeten wachten eer hij tot hier mocht komen!"
Wat verderop kijkt een zes-verdiepingen-residentie net tussen twee tribunes door. Twee mannen in de hall weten wie ik moet hebben: "Belt u maar bij Monsieur Staquet! Dat is uw man! Dat is een heel hevige Sporting-supporter. Toen hier nog het oude stadion stond, heeft hij de gemeente ooit zover gekregen dat ze een dikke tak van een boom zijn komen zagen omdat hij niet genoeg inkijk had!"

Het Stade du Pays. Alsof een kolossaal  ijzeren geraamte pal tussen de woningen is gevallen.

Het Stade du Pays. Alsof een kolossaal ijzeren geraamte pal tussen de woningen is gevallen.

Het is na achten, niet meteen het uur waarop alleenstaande bejaarden nog deuren opendoen voor onbekenden, maar hij staat al bij de lift op me te wachten: entrez, entrez, als het over de Sporting gaat, dan kan ik u vertrouwen! "Ah, u bent een Vlaamse journalist? Ik ben half Vlaams, mijn vader was een Waal, mijn moeder was van Gent. "
Hij gaat me voor naar de kleine keuken en daar is een ronduit majestatisch zicht op het zonbeschenen groene speelveld, voilà le Sporting, zegt hij. Het klinkt dusdanig plechtig alsof hij het paleis van de koning aanwijst. En die grote poteau met reclame die daar pal in zijn zicht staat, die denkt hij gewoon weg: "ik heb quasi honderd procent inkijk!"
Erneste Staquet: «Ik ben boer geweest en mijnwerker en nog een paar beroepen, maar al die tijd ben ik onafgebroken supporter van de Sporting geweest. Nu nog. De Sporting is een deel van mijn leven. Je suis Zèbre tout coeur, je suis Zèbre de nature.   Zo'n twintig jaar geleden zijn ze die residentie beginnen bouwen en toen wilde ik direct naar hier verhuizen. Bij de keuze van ons nieuwe appartement was maar één ding belangrijk voor mij en mijn vrouw: welk appartement heeft de meeste inkijk op de Sporting? En dat hebben we dan gekocht.
Pas op, ik wilde dichtbij wonen, maar ik ben geen zwartkijker, ik heb jaren een abonnement gehad. En als het match was, dan nam ik de lift naar beneden, ik stak de straat over, en dan ging ik op de tribune zitten, en als ik omkeek dan zag ik de ramen van mijn appartement. In feite was ik nog altijd chez moi als ik op de tribune zat.

Erneste Staquet met zijn Sporting-Charleroi-panorama. (Ingescand uit Humo / Foto: Jan Hertoghs)

Erneste Staquet met zijn Sporting-Charleroi-panorama. (Ingescand uit Humo / Foto: Jan Hertoghs)

Slapeloos
Staquet «In de aanloop van Euro 2000 zijn ze hier die grote tribunes beginnen bouwen. Voor de andere buren was dat een slechte zaak, zoveel licht dat wegviel, maar voor mij is de inkijk zelfs nog groter geworden dan bij de oude tribune. Ja, het EK heeft mijn uitzicht verbeterd! Mijn kleindochter is hier toen naar een paar Europese matchen komen kijken. Duitsland-Engeland bijvoorbeeld, een match waar toen veel om te doen was. (Een clash van de twee hooligan-groepen werd toen gevreesd in het dichtbevolkte centrum van Charleroi,jh) Voor die match is een Deense meneer toen komen vragen of hij een spandoek van Carlsberg mocht ophangen. En mijn kleindochter heeft van hem een paar bakken bier cadeau gekregen.  
Twintig jaar heb ik een abonnement gehad. Maar nu al drie jaar niet meer. Ik was drieëntachtig en ik vond me te oud worden om op die winderige tribunes te zitten. En van dan af keek ik vanop mijn terras. Eerst had ik nog mijn vrouw en een kozijn die mee kwamen kijken, maar allebei zijn ze gestorven in de afgelopen twee jaar en nu ben ik nog alleen om naar de Sporting te kijken. 't Is droevig, maar zo is het leven. Tout change dans la vie!
Al die grote ploegen Anderlecht, Standard, Brugge, AA Gent, ik heb ze sindsdien gezien vanop het terras.
Niet dat ik gauw zal roepen of applaudisseren vanop de etage, zo ben ik niet, ik beleef dat meer vanbinnen. Zo'n dag van de wedstrijd, dat is één en al spanning bij mij. Ik ben dan even nerveus als een jonge supporter. Op die leeftijd zoudt ge kalm moeten zijn, en de dingen moeten kunnen relativeren. Maar mij lukt dat niet.
Als ze winnen, dan sta ik nog lang op het balkon te kijken, naar al de vlaggen en de sjaals en al het roepen en het zingen. Maar als ze niet winnen, dan slaap ik niet in de nacht daarop. Dan kan ik zelfs niet naar het verslag van de match kijken op tv. Ik kan er niet tegen dat ze verliezen, ik kan er niet tegen dat ze thuis punten laten liggen. 
Spijtig genoeg heb ik geen buren waarmee ik over voetbal kan praten. Op het vijfde is één man van vijfenzeventig maar die is supporter van onze rivaal, van Olympic Charleroi. Die kijkt ook vanuit zijn appartement, maar alleen in de hoop dat Sporting zwaar op zijn kop krijgt. C'est un peu idiot, non?"
Het grandioze zicht vanuit de keuken hebben we al gehad en dan gaat hij naar de slaapkamer, schuift het gordijn weg en opnieuw ontvouwt zich de grasmat in al zijn glorie (" ik  mis alleen maar die ene cornervlag.") En zo staan we naast het eenvoudige bed met de strakke witte sprei, de antieke wekker, het crucifix en de modeste meubelen. Hij wijst nog eens op het stadion, "ziedaar mijn grootste meubel en het dierbaarste huisraad dat ik heb." Ik dank hem om onaangekondigd toch zo welkom te zijn.  Pas de quoi, wimpelt hij af, vrienden van le Sporting zijn àltijd welkom hier!"

Deel 2: Hevige Lierse-fan ziet vanuit haar raam slechts een 5-meter-strook van het veld, maar mist toch geen enkele match.                  

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De hittegolf en een coup de foudre: op stap met een bliksemjager

Terwijl we een lange hittegolf en de heetste week sinds het begin van de metingen (1833) meemaken, trekt ook een lijn van onweders over het land. Bliksem en wolkbreuken houden de mensen binnen, maar in Noord-Frankrijk, net aan de andere kant van Watou is er altijd één man die dan op stap gaat: Philippe Talleu, chasseur d'éclairs. Hij "jaagt" al op bliksems sinds 1999.    

Humo juli 2005 - licht ingekort (c) Jan Hertoghs

© Philippe Talleu

© Philippe Talleu

"Zelfs met Kerstmis denk ik aan onweer."

Honderdzeventig kilometer rijden is het nog naar het noorden van Frankrijk. De snelweg is een grijs gespannen lint vol hitte. Geen boom beweegt langs de berm, geen zuchtje wind is er in de blaren, en waar de zon onder gaat, hangt een heiig, onheilspellend licht boven de velden. 
Ik passeer de Franse grens, en dan Houtkerque, Herzeele en Wormhout, het zijn op dit uur stille dorpen met zwijgende kerktorens en blauwwitte luiken aan de huizen. In Esquelbecq staat een klein huisje en daar doet een Fransman met een snorretje open. Het is Philippe Talleu, 37, en chasseur d'éclairs. We zeggen enchanté en op dat ogenblik dondert het in de verte. Hij zegt: "Sommigen brengen de zon mee. U brengt tenminste het juiste weer mee!"
Binnenshuis springt de hond uit zijn mand en tegen mijn benen. Panier!, roept het vrouwtje, en dat het beest stil moet zijn, het kind slaapt al. In een bureau volgestouwd met boeken, cahiers én een kooi met perruches, zit Philippe voor zijn pc: hij klikt op een meteosite en zegt dat we chance hebben, voor vanavond kondigen zich twéé onweren aan. Een klein warmte-onweer boven Duinkerke en een heel groot onweer dat na middernacht komt aandrijven vanuit Normandië. In die regio heeft het al lelijk huisgehouden: hagel en rukwinden, overstromingen, auto's door het water meegesleurd en mensen die in bomen zijn moeten klimmen om niet te verdrinken. De schade mogen ze houden, de bliksems mogen ze naar hier sturen.
Hij zegt dat de grote onweren soms uit Normandië komen, maar nog vaker van het zuidwesten, van de kant van de Pyreneeën. Ze trekken dan over het Massif Central en over Parijs en zo naar het Pas de Calais, hij woont langs die boulevard des orages.
Ik neem notities in het schemerduister van de huiskamer, alleen het licht van het tv-scherm mag aan, zo ziet hij beter vanwaar het onweer nadert. Hij kijkt ook de hele tijd naar buiten, naar de wolken die zich indikken boven het dorp, en naar de populier in zijn tuin: elk onweer wordt voorafgegaan door windstoten en hoe meer die peppel beweegt, hoe heviger het onweer. 
Geen kwartier later staan we al buiten aan de deur, on va le vivre en directe! Er vallen dikke druppels op de stoffige straat en ik herken de ronde uitstulpingen onder het zware wolkendek, het zijn mammatus, wat wijst op een hevige turbulentie. We stappen in zijn versleten Peugeot 205, hij laadt twee camera's en twee statieven achterin en duwt een muziekcassette in, ça fait partie de l' ambiance de la chasse. Misschien had iets dreigend van Sixteen Horsepower wel beter bij bliksemweer gepast, maar bij deze Fransman zal ik het moeten stellen met techno, hevige retteketet van zuiders allooi. 
Met vijftig rijdt hij door het dorp. Hij houdt zich aan de regels, hij wil niet dat de gendarmes hem tegenhouden, want dan moet hij stoppen en zijn papieren afgeven, en stel u voor dat hij dan in de verte dat onweer zou zien passeren!, oh non terrible, dat wil hij niet meemaken. 
De slagbomen van de spoorweg Rijsel-Duinkerke gaan omhoog, hij duwt diep het gas in om op tijd in Pitgam te zijn: daar zijn heuvelruggen waar je twintig kilometer in het rond kan kijken. De regen tikt op de voorruit, de temperatuur zakt op een kwartier met zes graden en we stoppen op een kleine heuvelweg. Het warmte-onweer zit ginder aan de kust, we zien de flitsen vallen uit een zoom van donkere wolken. Een groot multi-cellulair onweersveld kan honderden kilometers lang zijn, dit is maar een kleine foyer orageux, amper twintig km lang, "wat koelte van de zee en wat hitte van het land die botsen, c'est pas grand chose". 

© gie Knaeps

© gie Knaeps

Een merel fluit tegen het vallen van de avond in, er is de regen die op het zand valt en de aarde die gaat ruiken naar grashalmen en diepe vijvers. In de verte rommelt opnieuw een trein op de lijn naar Duinkerke, in zijn verlichte ramen neemt hij de avond mee. 
Philippe houdt het voor bekeken, het lokale onweertje is uitgedoofd "als een platte pile" en dat het bij de natuur "altijd weer afwachten is, je weet nooit wat zo'n avond brengen zal, het is de natuur, het is niet de teevee.”
In een "goeie" zomer is hij een twintigtal nachten onderweg, dat is één nacht op zes dat hij buiten is. Soms een uurtje, soms een hele nacht tot de zon weer opgaat. Hij jaagt alleen 's nachts  want een onweer van overdag, dat gaat verloren in het daglicht, dat levert geen goeie bliksemcontouren op. En dat hij veel tijd heeft: hij heeft als père en foyer een aantal jaren loopbaanonderbreking gevraagd en zijn stoel bij de spaarbank wordt nu ingenomen door een ander, voor zijn part neemt hij die boulot nooit meer op. 
We rijden langs een oude molen. Hij wil die molen ooit samen op de foto met een bliksem. De foto heeft hij al jaren in zijn hoofd, maar de bliksem wil zomaar niet vallen waar hij het wil. Ja, zo'n coup de foudre naast een molen of achter een kerk, dat accentueert, dat dramatiseert! Hij vindt die couleur locale belangrijk. Zomaar bliksems in de lucht fotograferen, dat zegt hem niks. Hij wil ook dat oude landschap van la Flandre laten zien: de korenvelden, de eenzame boerderijen, de lichten van de grote stad in de verte, de donkere golven van de zee. Mensen die op zijn tentoonstellingen komen, herkennen die lokale cadrages en ze appreciëren het, ze hebben hem al le peintre flamand genoemd. 
Black out
De terugweg is versleten en verlaten, een snoer van teerbruine palen en doorgezakte kabels, maar Philippe zegt dat hij zich hier thuis voelt op die smalle en donkere wegen. Dat komt omdat hij in het département du Nord nog rally's heeft gereden, als piloot en als co-piloot. Met die rally's is hij zes jaar geleden gestopt toen zijn compagnon verongelukte. Zijn compagnon, dat was zijn neef, en het ongeluk gebeurde niet op een rallykoers maar sur la route de tous les jours. Van toen af kon hij zich niet meer concentreren aan het stuur, "ik reed een rally en het enige waar ik aan dacht, was aan hem." En dat ik het misschien niet zou zeggen met dat tengere lijf van hem, maar dat hij ook aan bodybuilding en gewichtheffen heeft gedaan. Tot hij dat bliksemjagen ontdekte, dat is nu de passie die hem al vijf zomers wakker houdt.
We draaien opnieuw het dorp in. Het dorp waar ze hem na een onweersnacht altijd vragen of hij "wat getrokken heeft". Zoals ze aan vissers vragen of ze wat gevangen hebben. 
Thuis kijken we weer op de site die alle blikseminslagen boven West-Europa registreert. Er is een onweer boven Londen, één boven Parijs, en ook één tussen Kortrijk en Gent, près de chez vous. Ik vraag hem waarom onweer hem zo fascineert.
"Ik heb altijd graag naar onweer gekeken, als kind ging ik 's nachts in de deur of achter in de tuin staan om de bliksem beter te kunnen zien. Als kind beleef je dat wel anders, je kijkt ernaar als naar een vuurwerk. Dat is passief, terwijl ik nu actief de onweders ga opzoeken." 
In mei '99 heb ik mijn eerste bliksems gefotografeerd. Rond middernacht was er een fel onweer en ik ben met mijn camera in de voordeur gaan staan, en bij elke bliksem heb ik afgedrukt, un peu à la lucky luke, maar toen de foto's àf waren bleek er niks op te staan (lachje). Ik vond het jammer van dat prachtige onweer, en omdat ik zo'n black out niet meer wilde meemaken, heb ik de fotograaf om uitleg gevraagd, en de volgende keer ben ik met een statief en een manuele ontspanner  vertrokken." 
"Elke bliksem heeft zijn eigen vorm en karakter: een vork, een tak, een wortel, een slang, een spin.... Geen twee bliksems zijn dezelfde. En na al die jaren sta ik nog steeds versteld van wat een impact ze hebben op de nacht. (toont enkele foto's) Kijk, dit lijkt  alsof ik op een namiddag een overbelichte foto van mijn tuin heb gemaakt, maar het is drie uur 's nachts, en de bliksem zorgt voor zo'n fel licht dat je in de bomen het onderscheid kan zien tussen de groene en de bruine blaadjes. Ikzelf heb op dat moment niets gezien, ik was gewoon verblind door dat licht."

© Philippe Talleu

© Philippe Talleu

100.000 km per seconde
Ik heb een voorliefde voor onweer op het eind van juli, begin augustus. Dan is het oogsttijd en dan werken de boeren ook 's nachts nog verder, je kan die grote maaimachines horen ronken door de korenvelden en je ziet die koplampen ook overal in het duister heen en weer gaan. Als het dan onweer is, dan wordt dat mechanisch geronk helemaal overstemd door het gekletter daarboven in de lucht. Dat die hemel zo'n kabaal kan maken, daar hou ik wel van. En dat de boeren hun aren oogsten en ik terwijl mijn bliksems oogst, dat heeft ook wel iets."
"Onweer op het platteland verschilt van onweer in de stad. In een stad is een onweer direct dichtbij. Omdat er zoveel licht en zoveel straatlawaai is, hoor of zie je het niet echt naderen. Maar op de buiten is het anders, daar zie je alle stadia: eerst dat broeierige van de avond en al de eerste 'weerlichten' achter de wolken, dan het naderende rommelen van de donder, de eerste flitsen dichtbij, de eerste 'stang' die in de grond slaat, en vervolgens het hevige losbarsten aan alle kanten, met tenslotte het langzame afdrijven en nog wat late nijdige flitsen en donderslagen.
Ik hou vooral van dat naderen en dat afdrijven, het ingeslapen dorp dat opschrikt en nadien weer indommelt, de rust die er was en die wederkeert, de stilte voor én de stilte na de storm, daar hou ik van.
Ik hou ook van de nacht en van het rijden 's nachts. Dat ik onderweg ben, dat de muziek hard staat, dat de straten verlaten zijn, en dat ik ogenschijnlijk alleen op de weg ben. De nacht heeft een veel betere 'ambiance' dan de dag. Overdag is er verkeer, is er drukte, heb je allerlei kleine zorgen aan je hoofd, en dat leidt af. 's Nachts is die banaliteit van het dagelijkse leven er niet. De nacht heeft dat avontuurlijke, dat onbestemde, je weet niet wat er gaat gebeuren, on part dans l'extraordinaire." 
"Dat ik niet in mijn bed en in mijn huis ben zoals iedereen, is ook apart. Ik ben de buitenstaander, ik sta letterlijk buiten in de natuur, en tegelijk heel dicht bij die natuur die op zo'n moment zijn krachten ontbindt." 
"Zo'n onweer is een geweldig natuurfenomeen. De donder, de rukwinden, de hagel, de stortregens, en dan al die grillige patronen waarbij honderdduizenden volt over en weer snellen tegen honderdduizend kilometer per seconde. Dat is toch pure magie!"

© Philippe Talleu

© Philippe Talleu

Au Bon Coin
"Een bliksem die op een toren, een grote boom of een hoogspanningsmast valt en als een grote lichtbol uit elkaar spat, dat is een foto die ik al tientallen keren in mijn hoofd heb afgedrukt. In de verte heb ik dat al gezien, maar ik zou het graag van dichtbij zien gebeuren. Zo'n bliksem op een mast en dat dat licht als een slang over de kabels kruipt, dat zou een prachtige foto zijn. "
"Ik jaag wel op dat onweer, ik zit het achterna, maar soms kan het zich tegen mij keren. Dat risico is er altijd, en daar hou ik rekening mee. Ik heb soms ook schrik, en ik vind dat niet flauw van mezelf, het weerhoudt me ervan om stomme dingen te doen. Als het onweer te dicht komt, dan treuzel ik niet, dan stap ik in en verschuil ik me in mijn auto. Er valt op zo'n moment ook nog weinig te fotograferen, meestal vallen regen en hagel met bakken uit de lucht."
"Drie keer is een bliksem op honderd meter van mij ingeslagen. Twee keer zat ik veilig in de auto, één keer stond ik buiten. Dat was dan geluk hebben, want zelfs met een inslag op honderd meter kan je nog altijd geraakt worden door de stroomgolven die zich voortplanten in de grond."  
Het is intussen half twaalf en omdat het grote onweer uit Normandië pas tegen half drie verwacht wordt, wil ik nog enkele uren proberen te slapen. Eerder had hij gezegd dat zijn kleine huis geen sofa heeft en dus wordt het pitten in de auto. Ik kruip letterlijk in de koffer en leg me op een slaapmatrasje. Hier lig ik nu in de nacht met de heldere sterren en op de parking van Café Au Bon Coin. Ik hoor de kerkklok tampen, ik hoor elk half uur de slagen vallen in de straten waar iedereen nu slaapt.
Als Philippe om halfdrie op het raampje tikt, zie ik 'm al hoofdschudden. Het wordt niks, het grote onweer dat van Normandië moest komen is onderweg uitgedoofd. Hij kan het zelf niet geloven, zo'n machtig geweld en dan zo'n sisser, c'est pas vrai. Hij verontschuldigt zich dat ik nog zo'n lange weg op huis aan moet en hij hoopt dat ik nog terug wil komen, dat ik het niet opgeef na één keer. Ik zeg dat ik geduld heb en dat hij op mij mag rekenen. 

Laagseizoen
Die eerste chasse d'éclairs was in de nacht van 2 juni 2003 en alles wees erop dat we mekaar gauw terug zouden zien. Elke dag zijn er immers véértigduizend onweders over heel de wereld, dus daar kon er wel eentje af voor het noorden van Frankrijk. Op de koop toe zaten we in de zomer van 2OO3, die historische hondsdagenzomer dat in heel Europa de mussen uit de dakgoot en de oude besjes uit het leven vielen, maar wat bleek... In héél 2003 kunnen we niet één keer uitrukken voor een nachtelijk onweer! De grote droogte speelde ons immers parten, er was gewoon te weinig aanvoer van humidité om de onweersneigingen te voeden. En 2004 was al niet veel beter. Er kwam wel wat onweer aan, maar haast altijd overdag.
Of ik werd om drie uur wakker van een knetterende donder in Antwerpen, maar dat bleek local en Belgique te zijn, bij hem was er geen éclairtje te zien. 
Het werd een mistroostige mailcorrespondentie op de duur ("Malheureusement, toujours pas d'orages en vue. Triste saison!"), en wat ook zwaar begon te wegen, was dat ik op 21 juni 2003 een machtig onweer gemist had.... Ik had die avond een feest, daar kon en wilde ik niet wegblijven, maar nét die éne nacht was het zwaar prijs geweest. Ik heb de mail hier nog liggen, "superbe nuit d'orage " (...)"une chasse de quatre heures" (...) "des dizaines et des dizaines de coups de foudre au sol" en ook "dat het niet makkelijk zal zijn om deze ambiance te evenaren in de komende maanden". Met een link naar zijn site waar de helle vorken en witte wortels van die nacht mij natuurlijk om de oren vliegen. Dat was dé kans en ik heb ze laten liggen. 
Vals alarm
Ik tel de mails die we op twee jaar hebben uitgewisseld: achtenzeventig in totaal en eenendertig daarvan gingen over naderend onweer en dat ik stand-by moest zijn. Zijn 'alarm' kwam altijd met veel uitroeptekens de mailbox binnen:  ORAGE...  risque d'orage! chasse d'orage! alerte orageuse! menace orageuse! orage dimanche! orage mercredi? orage vendredi nuit? orages mardi???  orage INFO! en zo ging dat maar door. De 'bliksemman' begon op de duur tot mijn kennissenkring te horen zonder dat iemand 'm ooit gezien had. Ik ging naar feestjes onder voorbehoud dat "de bliksemman misschien ging bellen", ik zat aan restauranttafels met de mededeling dat ik om half elf misschien nog naar "mijn bliksemman in Frankrijk moest", en zo verstreken er na elk alarm drie of vier dagen dat ik in de startblokken stond, klaar om te vertrekken, klaar om eindelijk de grote koekenbak mee te maken. 
Met nieuwjaar 2005 stuurde ik wensen, "hopelijk knalt er dit jaar nog wat anders dan champagne!" En hij was gelijk blij dat hij nog van me hoorde, hij vreesde al dat ik het zou opgeven en het geen derde jaar meer wilde proberen.  
Kwam dan één mei 2005, de heetste 1 mei ooit. Hij had al laten weten dat het kon spànnen, de gsm lag heel de nacht naast mijn bed, maar niets dat rinkelde. De volgende nacht was ik niét standby, maar dàn meldt hij in de voormiddag dat hij om vijf uur 's morgens een "geweldig onweer" heeft beleefd en "zeker honderd foto's heeft gemaakt". Het onweer had zich out of the blue gevormd, en met mijn twee uur rijden vanuit België kon ik er onmogelijk op tijd bij zijn. Merde-non-de-dju!
Hij stelt intussen voor dat ik bij "bliksemalarm" enkele dagen in een naburig hotel kom logeren, zo ben ik vlakbij en zo kan een losbarstend onweer me écht niét ontgaan! Ik begin te denken dat één van ons beiden zot moet zijn, en thuis wordt nu vrolijk de spot gedreven met mij: bij het minste bliksemschichtje in het weerbericht van Frank en Sabine, bij elke deur die in huis dicht knalt door de tocht, wordt hier luid geroepen dat ik direct in de auto moet springen, "'t GAAT ONWEREN!!" 

© Philippe Talleu

© Philippe Talleu

Daar is 'm!

Maar op vrijdag 24 juni is het dan toch zover en het zou wel eens "een groot én gevaarlijk onweer kunnen zijn", aldus Philippe. Ik vertrek om kwart voor acht met slaapmatrasje, appelen, water, cola, en voldoende mondvoorraad om als het moet twaalf uur op de been te zijn, on sait jamais! 
België gaat al een week gebukt onder de Koperen Ploert, er is een  hittegolf aan de gang, in het Hageland en Vlaams-Brabant heerst waterschaarste en in de rusthuizen worden de bejaarden conform het hitterampenplan aan de blauwe Spa-baxter gekluisterd. Alle voortekenen zijn dus gunstig, het kàn niet anders dan onweren deze nacht. 
Als ik om kwart voor acht vertrek is het nog vierendertig graden op de snelweg, motorrijders schieten voorbij met lichte meisjes rond hun lederen bast gebogen, het is de vlucht vooruit naar de kust en de koelte. 
Bij Ieper staat het vee zuchtend in de dorre weilanden en stinkt het naar bedompte lucht uit hete varkensstallen. Op de radio waarschuwt het KMI voor "onweders die gepaard kunnen gaan met zware neerslag op zeer korte tijd". 
Ik heb het gevoel dat ik naar iets heel oud rij, iets uit lang vervlogen leesboeken, iets waarvan je verondersteld werd bàng te zijn, en dat ik nu van dichtbij ga kunnen zien.
Om tien voor tien sta ik opnieuw bij het huisje van Talleu, hij zegt naar waarheid dat het lang geleden is dat we mekaar gezien hebben, en hetzelfde hondje moet nog steeds kort worden gehouden door hetzelfde vrouwtje. Maar dan is er geen tijd te verliezen, binnen de vijf minuten zijn we vertrokken met dezelfde techno-bagnole van toen. 
Vannacht zijn er deux paquets op komst; het ene vrachtje onweer zit boven de Engelse zuidkust en kan later in de nacht het Kanaal oversteken. Het andere zit vrij dichtbij, dat zit nu al boven Calais en op internet heeft ie gezien dat het geen kleintje is, 't is costaud, potig onweer dus, met in de kern zo'n tachtig inslagen per minuut. 

© gie Knaeps

© gie Knaeps

Bang van bliksem?
Al rijdend legt hij uit dat je onweer op drie manieren kan fotograferen. Ofwel en face als het aan komt drijven, ofwel en profil als het voorbij drijft, ofwel in de rug als het afdrijft. Pal temidden van een onweer willen fotograferen is bad wisdom, want dan zit je midden in de stortregens, dan zie je geen afgetekende bliksemcontouren. Geen minuut later schiet er al een serieuze priem van links naar rechts door het zwerk, een éclair internuagueux, "een bliksem die van wolk tot wolk springt, ze zijn tientallen kilometers lang, en ze zijn als flits tot honderden kilometers ver te zien". Na de schicht volgt geen donder, hij zegt dat het onweer op minstens dertig kilometer moet zijn eer je de roffels kan horen. 
 We stoppen op hetzelfde plekje van twee jaar geleden, een geur van regen en zeewater komt aangewaaid, koud en zilt tegelijk. Bladstil is het nu, geen geluid van vogels nog te horen, en de enige die schrapend de stilte verbreekt, is weer de trein naar Duinkerke. Als kind heb ik voor donkere ramen staan luisteren naar treinen in de nacht, en sinds dan kan elke valavond en verre ijzeren weg me ongewild weemoedig maken, mais j'entends siffler le train, mais j'entends siffler le train, que c'est triste, un train qui siffle dans le soir...
Van het westen komt een lichtgrijze nevel aangeschoven en daar is hij niet mee gediend, "zo'n regengordijn kan alle bliksems maskeren, en dan zijn we eraan voor onze moeite". Hij is ooit in zo'n verzopen bliksemnacht onderweg geweest en na vier uur 'jagen' had hij hoop en al één foto. Terwijl straffe windstoten het bermgras plat drukken, komen sms-jes van andere weerfanaten, c'est une grosse cellule! staat er op het lichtende schermpje, het is dus onweer dat mogelijk een paar uur kan duren. Uit Boulogne komt zelfs een bericht dat daar de bliksem in de banlieue is ingeslagen, "we hebben hier geen elektriciteit meer". 
Nadat vijf bliksem een oranje schelp in de nacht hebben gevormd, vindt Philippe het tijd om bij zijn statief te knielen, ça va commencer. En dat het vandaag Sint-Jan is, ùw feestdag, en dat ik nu allicht wat "feestvuurwerk" ga krijgen. Wààps, er schiet een slang door de lucht met zeker drie gekromde ruggen, zo'n bliksem heb ik nog van m'n leven niet gezien, en zo dichtbij! 
Of ik bang ben, vraagt ie. We staan op een heuvel, heel alleen, nààst een metalen voertuig, en ik zou alleszins voorzichtiger kunnen zijn, maar bang ben ik niet. In feite heb ik réden om bang te zijn: drie jaar geleden is de bliksem in mijn eigen huis geslagen, met een geweldige knal, videorecorder stuk en blauwe flitsen die uit de stopcontacten sprongen. Maar verder geen érg, en nu ben ik gewoon mijn vader, die ging ook kalmweg buiten staan kijken als er onweer was. Wat mijn moeder geweldig ongerust maakte, zij kon geen onweer hebben, en dat komt door hààr moeder: die vertelde bij élk onweer over die ene blikseminslag die het hele huis tot de grond had afgebrand. 
Pakkans
Op goed anderhalf uur tijd is de temperatuur intussen van vierendertig naar twààlf graden gezakt, dat is kil genoeg voor een regenjas en een warme pull. De bliksems komen nu van twee fronten naar ons toe geslingerd en Philippe wil naar een betere standplaats, changement du décor! De ex-rallypiloot kruipt achter het stuur, de koplampen schieten langs bomen met zwiepende kruinen, gaan kort door de bochten en langs het lange gras, en het enige wat hij zegt, is een sec: et oui, Jan, c'est bien la chasse!
Op de nieuwe locatie zet hij zich met de snuit in een roggeveld en met de koffer naar de "bliksemnesten", in die koffer zit ik droog, met de benen over de rand en ik geniet van het spectacle son et lumière. Twee slingers die in mekaar haken. Twee slangen die op mekaar toespringen. Meerdere fantastische coups de foudre au sol, en hoe die schitterende worteltakken zich in blauw en wit in de horizon boren. Hij drukt keer op keer de Minolta af, bedaard en laconiek: "Il est dans la boîte!" 
Wat helemaal niet zo eenvoudig is als het lijkt, want wààr zal het hellevuur inslaan? Stuikt het neer achter die boom, achter die schuur of midden in het open veld? Hij moet de locatie anticiperen, de sluiter twintig of dertig seconden open zetten en hopen dat er terwijl een grote bliksem door zijn schootsveld komt gesprongen. 't Is ook elke keer gokken met de cadrage. Als hij groot cadreert, staat er veel decor op, maar worden de bliksems in verhouding kleiner. Zoomt hij in, dan heeft hij grotere bliksems, maar dan verkleint hij wel zijn pakkans om een bliksem binnen te halen. 't Is zoals met alle jagerij, zegt hij, je ziét wild, maar dat betekent niet dat je het ook kan schieten. 

© Philippe Talleu

© Philippe Talleu

Kooi van Faraday
Vijf bliksems vormen een web in de lucht, een mitraillette van donder gaat er achteraan. Philippe is enthousiast, dat is niet echt aan zijn lichaamstaal te merken, maar wel aan zijn brede smile én het feit dat hij plots Engels spreekt met een hoog Allo! Allo! -gehalte: Wonderfool! Lovvely! I've got iet! 
Sommige schichten leggen een blauwe schijn over het landschap, anderen drukken in een oogwenk een stekende kleurenfoto af, ik zie haarscherp de groene roggestengels én de rosse akkergrond. Het onweer zit op ongeveer een kilometer van ons, in elk van de vier autoraampjes zie ik oranje en purperen vorken die uit de hemel worden geslingerd. Maar dan breekt de stortregen los, en daardoor zijn de elektrische fourchetten niet meer te onderscheiden. Philippe wil wég uit de regen, we rijden wegen op en af, maar hij vindt nergens een opening in het watergordijn. Er zit niets anders op dan te wachten tot de wolkbreuk van ons weg drijft, "pas dan kunnen we zien waar de bliksems zitten."
De auto met zijn druipende ramen is intussen geen auto meer maar iets dat het midden houdt tussen een car wash en een cabine voor pasfoto's waar heel de tijd de flash afgaat. Het bliksemt werkelijk élke seconde, aan alle kanten licht de horizon op, en toch zitten we hier relaxt en met gekruiste armen te kijken als zaten we in de bioscoop. 
Een kwartier niet kunnen fotograferen duurt té lang voor Philippe. Hij gaat in kleermakerszit in de koffer zitten met het statief gespreid én... de kofferdeur helemaal open. We zitten op een heuvel, met het bliksemgeweld boven onze kop, en voor alle zekerheid vraag ik 'm of een auto nog een kooi van Faraday is als je de koffer hebt open staan? Hij denkt even na over de vraag en zegt dan laconiek: " C'est encore un cage de Faraday mais avec des petits problèmes quoi."
Daar moeten we allebei om lachen, fools on the hill dat we zijnen ik zie het al in de krant staan:" Belg en Fransman neergebliksemd in auto. Inzittenden hadden om onverklaarbare reden de koffer wijdopen staan."
Het is intussen middernacht en tussen twee cellules van onweer valt een korte pauze. Philippe wil naar de Casselberg, die ligt op 176 meter, het hoogste punt in de hele regio, daar moeten we het nieuwe onweer goed kunnen zien aankomen. Met vette techno-beat pompen we ernaartoe, onderweg kletsen de plassen met gedruis tegen het chassis. Maar ook op de Casselberg valt de regen op ons dak en moeten we verder. Zuytpeene, Bollezeele, Wymaerscapelle, het jagen is een nerveuze jacht geworden, bij elk kruispunt kijkt hij naar de lucht twijfelend welke weg hij moet nemen, zuid, west of noord. 
Acht op tien
Het felle oplichten van de wolkenmassa's gaat intussen onverminderd voort alsof continu röntgen van de auto en het landschap worden genomen. Ik moet op de duur mijn hand half voor de ogen houden, zo vermoeiend is dat licht, zo haperend stroboscopisch schiet het langs de ramen.
Ik vraag of die oude molen veraf is, die ene molen die hij op de foto wil samen met een bliksemstang. Bonne idée! Dat hij daar niet eerder aan gedacht heeft! Twee kilometer verder parkeert hij zich langs een smalle weg, het regenwater komt in slijkgeulen naar beneden gelopen, maar verder is het stil, én opgehouden met regenen. Het is halftwee, het onweer is al meer dan drie uur aan de gang en lijkt nu op zijn retour. Philippe kijkt naar de opstijgende damp boven het warme natte asfalt, en hij voelt dat er nog "potentieel" is. Ik voel niks, maar hij zegt dat de vochtige lucht opnieuw ioniseert, dat ze van polariteit verandert, "en door van negatief naar positief te gaan, hangt er nu weer elektriciteit in de lucht." Hij zegt zowaar dat het hem ook oplaadt, en dat hij er zelf energiek van wordt, "vandaar dat ik in zo'n onweersnacht ook uren onderweg kan zijn, zonder slaap en zonder moe te worden."
Terwijl we hier roerloos achter het statief zitten, lijkt het of niets nog beweegt in deze nacht. De nevelige weg, de donkere bomen en het korenveld, de molen met zijn twee wieken in de lucht, en heel dat nachtelijk landschap dat zich kilometers uitstrekt, er is niets dat zich daarin verroert, alles lijkt te wachten op de eerste bliksem. Die slaat in en verlicht de hele molen, de witstenen romp, de luiken opzij en de houten staken van de wieken. Het is een bliksem volgens het boekje, statig en veelarmig, ik hoop dat Philippe 'm heeft. Er volgen dan nog zeker zes bliksems met tussenpozen van een halve minuut, de donders rollen traag en majestueus door het wolkendek, dolby surround! 
Om kwart voor twee is het afgelopen, we hebben drieënhalf uur ononderbroken bliksems gezien en Philippe geeft dit onweer een àcht op tien, "spijtig van dat half uur regen, daar hebben we veel éclairs gemist."

© Philippe Talleu

© Philippe Talleu

Zigzag
We rijden terug naar Esquelbecq waar de lucht opnieuw helder is, er staan al sterren boven de daken, en het enige dat nog rest van het onweer is regenwater. Dat loopt banjerend over de straten en luidruchtig door het gangpad van de riolen. We bladeren tussen foto's en met de bliksemschichten komen ook de beschouwingen.  
"Deze bliksem heb ik aan de kust genomen. Dat is heel bijzonder, een onweer fotograferen vanop het strand. Die bliksems 'vallen' recht in zee, je ziet ze weerspiegeld in het water. Het is er ook zo onwennig kalm: in de lucht gaat het onweer heftig te keer, maar dat zeewater blijft rustig ruisen, tussen alle geweld en donderslagen door hoor je alleen maar die kleine golven aanspoelen op het strand. 
Je kan je afvragen, waarom dat fotograferen, waarom niet gewoon kijken naar die bliksems?! 't Is waar, je zou die bliksems ook kunnen opslaan in je hoofd, maar daar verbleken ze te gauw. Nu gaan ze niet verloren, nu heb ik nog een souvenir. Op zich is dat bijzonder: zo'n bliksem is eenmalig, leeft in feite slechts een fractie van een seconde, maar door mijn foto blijft ie eeuwig bestaan.
In Frankrijk zijn er een stuk of acht bliksemfotografen. Twee ervan zijn professionele lui, die verkopen hun foto's, en dan heb je nog een zestal semiprofessionelen zoals ik die het doen omdat het hun passie is. En ja, ik ken gasten die op alles een bliksem hebben staan, op hun koffiemok, op hun auto, op hun muismat, maar dat vind ik te ver gaan, ik wil het mijn vrouw niet aandoen dat het hier in huis ook nog eens overal bliksemt. 
In elk geval, op straat ontgaat me geen enkele bliksem: er moet maar een zigzag staan op een auto van een expreskoerier of in het logo van een elektrofirma, en àltijd, àltijd zal ik die gezien hebben, chaque fois ça fait un flash
En zoals een supporter uitkijkt naar het nieuwe voetbalseizoen, zo kijk ik uit naar het onweerseizoen: in april begint dat en het kan duren tot november. Eigenlijk zijn er maar vier maanden dat er weinig of geen kans is op onweer, dus dat is best te doen. En zoals andere mensen altijd aan sneeuw denken, zo denk ik elke dag aan onweer. Zelfs met Kerstmis denk ik aan onweer! Daarom niet aan onweer in de lucht, maar dat ik een mooie bliksemfoto ga uitvergroten, of mijn website stofferen, of een tentoonstelling ga opzetten, ik ben er altijd mee bezig. "
"Ik kom heel af en toe iemand tegen die ook enkele bliksems gefotografeerd heeft. Ze hebben een filmpje geschoten, een tiental beelden zijn gelukt en die mensen zijn content met één nacht bliksemjagen. Daarom vraag ik mij vaak af wat mij zo bezighoudt, wat mij zo drijft om het zolang vol te houden; want zelfs als ik zeventig zal zijn, dan zal ik er nog mee bezig zijn. Ik denk dat het een queeste is, een nooit eindigende zoektocht: altijd zoek je een bliksem die nog mooier is, nog groter, nog specialer qua locatie, en dat houdt nooit op." 
"Naast liefde voor die bliksems, is het ook liefde voor de fotografie én liefde voor de natuur: ik ben graag buiten onderweg. En soms komt er nog iets bij. Als ik daar 's nachts in mijn eentje sta en er is een hevig onweer, dan grijpt me dat altijd heftig aan. Heel die sfeer van nacht en onweer, dat heeft iets magisch, iets metafysisch voor mij. Het lijkt dan alsof die bliksems contacten leggen tussen hemel en aarde, het is alsof je op dat moment minder ver staat 'van gene zijde'. De voorbije jaren heb ik mijn ouders en enkele vrienden verloren... wel, als het hevig onweert, en als andere mensen bang zijn, dan krijg ik moed. Want ik weet op dat ogenblik mijn ouders en mijn vrienden héél dichtbij."

Nawoord: Philippe Talleu is nog altijd bliksemjager. Hij mailde me dat het de laatste dagen "druk" was na een “eerder mager begin van het seizoen".
Dit is zijn website: https://yserphoto.jimdo.com/
Intussen zou ik zelf niet meer willen plaatsnemen in een auto met een open koffer en dat pal onder een onweer. Ik raad het werkelijk niémand aan. Ik ben banger van onweer sinds ik drie jaar geleden een reeks maakte over mensen die getroffen werden door de bliksem en die het wonderlijk genoeg nog konden navertellen. Ik ben nu de man die in huis de ramen sluit en alle stekkers uittrekt, zelfs al rommelt het nog maar in de verte. Older and a bit wiser.


 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Beiroet en de honden van de (puin)hoop

In de puinhopen van Beiroet wordt nog verwoed naar vermisten gezocht. De honden en de redders die daarvoor worden ingezet, hebben een heel specifieke opleiding doorlopen. De honden leren urenlang te verblijven “in een zeer lawaaierige omgeving”. De redders leren geduldig te blijven terwijl ze belaagd worden door “opgewonden en opdringerige omstaanders”. Hoe traag en stapsgewijs zo'n training verloopt, dat leerde ik in Zwitserland. Dat land traint al puin-speurhonden sinds 1966.
Uit Humo 8 juni 1995 - herwerkt en ingekort - © Jan Hertoghs  

puinhond 4.jpeg

“Tijdens de training liggen wijzelf urenlang bedolven onder steenpuin en moeten de honden ons leren vinden.”

Het Zwitserse Emmental. Zwaluwen scheren er over het versgemaaide gras, krekels sjirpen in de poten, boerderijen en klingelende koeien blaken in de zon, en bij wijze van schril contrast zal ik in deze Heidiaanse omgeving uitsluitend gaan spreken over verwoeste huizen, bedolven inwoners en stof en as.
Ik spreek met Patrizia Pedotti Bucher (33) . Zij maakte deel uit van de kleine groep Zwitserse redders die in het Japanse Kobe met twaalf 'puinhonden' op zoek ging naar overlevenden van de grote aardbeving van 17 januari 1995. Op de hele wereld zijn er misschien enkele honderden ervaren redders-met-'puinhonden'. De organisatie met de meeste ervaring is het Schweizerischer Verein für Katastrophenhunde dat al sinds 1966 'puinspeur'-trainingen organiseert voor redders en honden. Door hun internationale ervaring waren de Zwitserse hondenteams de enige die van de Japanse regering toelating kregen om een week lang deel te nemen aan de reddingswerkzaamheden in Kobe. 
HUMO: Wat is het verschil tussen een hond die tussen het puin speurt en een lawinehond die in de sneeuw snuffelt?
Patrizia
: "Hoe ze zoeken is niet verschillend, ze gaan allebei op de geur van mensen af, maar de interventietijd is beperkter. Een lawinehond moet binnen enkele minuten op de plaats van het onheil zijn want na één uur zijn de kansen om iemand levend uit de sneeuw te halen amper drie op tien. Een puinhond kan nog tot dagen na het onheil nuttig werk verrichten."
HUMO: Op de BBC zag ik hoe een 'puinhond' uit een nest jonge honden werd geselecteerd. Het dier was amper zes weken oud, maar de bezitter zag toen al dat ie kwaliteiten had.
Patrizia
: "Mijn man die ook redder is, is zijn hond op die manier gaan uitkiezen bij een kweker van jachthonden. De hond die hij in gedachten had, moest een sterk ontwikkelde speurzin hebben, moest zeer zelfstandig zijn en moest een absolute spring-in't-veld zijn, eentje die er lol in vindt om heel de tijd te lopen, te springen en rond te jakkeren. Ik had geen verlanglijstje maar toch is mijn  Arco zéér geschikt. Het is een alpenherdershond, eentje van de boerderij, dus die zal wel tegen een stootje kunnen, dacht ik bij aankoop, maar al gauw bleek dat ik een bangerik in huis had gehaald. Hij had schrik van koeien, van tractoren, van auto's, van mensen, van alles en nog wat. (lacht)
Hij is heel "gewoon" begonnen. Het was mijn huisdier, en pas na drie jaar is zijn training begonnen. En van een hond met een klein hartje die geen vijf meter van mijn zijde week, heb ik toch een dappere en zelfstandige hond kunnen maken.”
HUMO: Hoe heb je hem zijn angsten helpen overwinnen? Want zo'n reddingshond die tussen het puin staat, wordt omgeven door sirenes, krakend beton, grijpers van graafmachines, motoren, schijnwerpers, mensen die roepen en krijsen.
Patrizia
: "Het komt erop aan je hond aan zoveel mogelijk lawaaiplaatsen te laten wennen. Je gaat met 'm naar een bouwwerf, tussen de kranen en de graafmachines, je stapt met 'm op de trein, eerst in een rijtuig, later op de harmonica tussen twee rijtuigen, je brengt 'm binnen in een schietstand,  al die plaatsen waar het lawaai overweldigend is, daar ga je heen. Enkele keren per jaar trainen wij ook samen met het leger, en dat komt nog het dichtste bij de realiteit omdat op zo'n legermaneuver ook met schijnwerpers gewerkt wordt en soldaten sowieso alleen maar met dingen oefenen die lawaai maken. Ik vertel dat nu in grote lijnen, maar eigenlijk zijn het allemaal heel kleine stapjes die heel veel tijd vergen. Eer een hond werkelijk klaar is om mee op interventie te gaan, heb je een training achter de rug die minstens twee en soms wel vier jaren duurt."
HUMO: Maar het kan ook zijn dat je na een jaar trainen merkt: dit wordt niks.
Patrizia
: "Ja, je mag de plezierigste oefeningen bedenken, maar als die hond bang blijft of als ie zijn natuurlijk speurinstinct niet wil aanscherpen, dan is alles verloren moeite."
HUMO: Is er een hondenras dat meer voor het puin geschikt is dan andere rassen ?
Patrizia
: "Schoothondjes of te grote honden zijn niet geschikt, maar voor de rest zijn zowat alle rassen -mannetjes zowel als wijfjes- te gebruiken. Het hoeven zelfs geen echte rashonden te zijn, mijn Arco is ook maar een bastaard."
HUMO: Hoe begin je met die training?
Patrizia
: "Eén van de eerste dingen die je aanleert, is blaffen. Je geeft 'm zijn eten alleen als hij blaft of je doet de deur pas voor 'm open als hij blaft. En daarna leer je hem blaffen én met de poten krabben, als teken van: hier zit wat ik zoek. Je stopt bijvoorbeeld zijn etensbakje onder een doos en je haalt het er pas onderuit als hij blaft én met zijn poten krabt. Eens hij dat blaffen én krabben onder de knie heeft, verzin je honderden spelletjes op datzelfde thema: verstoppen en vinden. Je pakt zijn speelgoedje af en je stopt het voor zijn ogen in de zandbak, of je verbergt jezelf in het bos achter een struik, of je verbergt je thuis achter de badkamerdeur, en hij moet je elke keer zoeken, en als hij je vindt: krabben én blaffen."
HUMO: En telkens hij dat doet, beloon je hem.
Patrizia
: "Ja, ik geef 'm zijn favoriete speeltje, of een stukje vlees, en ik toon ook dat ik blij ben. Gewoon maar een klopje geven -"goeie hond,brave hond"- is niet genoeg. Je moet meeleven met het speuren van de hond en ook echt blij zijn als hij iets vindt. Als je dat niet voor jezelf kan opbrengen, als de hond aan jou niet kan merken dat je echt blij bent, dan zal hij op de duur alle zin om te speuren verliezen. De beste motivatie voor de hond is dat je zelf ook heel gemotiveerd bent."

puinhond 5.jpeg

Ik begraaf me levend
HUMO: Wanneer begin je met de hond in puin te zoeken?
Patrizia
: "Dat moet een heel voorzichtige stap zijn. Je moet de hond eerst en vooral aan puin laten wennen zonder dat ie al iets moet zoeken. Je leert 'm eerst over puin lopen, in een kiezelgroeve bijvoorbeeld, dat ie zich leert voortbewegen op die onstabiele rollende keien, dat ie een klein hellinkje leert nemen of bergaf durft lopen op schuivend grind. En zo zoek je alle mogelijke materialen op waarop ie moet leren lopen: een berg los zand, opeengestapeld hout in een zagerij, door elkaar gevallen hout in een verkrotte stal, omgehakte boomstammen in het bos, rotsblokken in de bergen, stukken beton op een sloopwerf, vlechtijzers van beton op een bouwwerf, metaalplaten, schuinliggende metaalplaten, natte metaalplaten, bevroren metaalplaten, hij moet echt alle terreinen aankunnen, hij moet aanvoelen: ik kan mij overal bewegen. Tussen haakjes: die verplaatsingen naar al die bouwwerven en 'lawaaiplaatsen' overal te lande kosten geweldig veel kilometers en tijd. Dat moet je d'r zelf ook voor over hebben."
HUMO: De volgende stap is dan: mensen tussen dat puin zoeken?
Patrizia
: "Ja, en ook hier gaat het stap voor stap. Het heeft geen zin om mensen al van de eerste keer diep onder het puin te stoppen omdat de hond dan na een half uur beton-klauteren gefrustreerd raakt omdat hij niemand vindt. We beginnen dus aan de rand van het puin waar de hond het 'slachtoffer' snel kan vinden. Zo hebben we een soort 'vossenhol', een mansgrote pijp die enkele meters in een helling verdwijnt. Daar kruipt een 'slachtoffer' in en achter hem wordt de pijp afgesloten met een houten deksel. De hond heeft dat gezien, hij moet niet zoeken, hij moet ook nu weer eerst leren blaffen en krabben op die plek waar hij een mens weet. Eens hij dat beet heeft, gaan we ons stilaan in het puin zelf verstoppen. Wij worden dus slachtoffer.
En soms is dat voor een half uurtje of een uur, maar soms ook voor een hele dag als meerdere honden na elkaar getest moeten worden. Mensen met claustrofobie zouden het allicht besterven als ze zo levend onder betonbrokstukken begraven worden, maar bij ons hebben sommige een zaklampje bij om een boek te kunnen lezen, anderen luisteren naar muziek op hun walkman, en er zijn er zelfs die erin slagen een dutje te doen tussen die koude, natte stenen. De ligplaats is meestal redelijk ruim, maar je bent wel zo stevig tussen de stenen begraven dat -als de hond je vindt-, je vaak maar een gat van een armdikte hebt om hem als beloning een stukje worst in de bek te stoppen.
Ik heb ook al eens negen uur in een hol in de sneeuw gelegen, weliswaar goed ingepakt in een slaapzak, maar je mag zeker zijn, een dag duurt lang in die omstandigheden."
HUMO: Als redders doorlopen jullie ook een psychologische training waarbij jullie vertrouwd worden gemaakt met het werken in crisissituaties.
Patrizia
: "Terwijl we met de hond heel geconcentreerd bezig zijn in het puin, sturen de oefenmeesters "lastige dorpsbewoners" op ons af. Die moeten flink op onze zenuwen werken en dan zien zij of we daartegen bestand zijn. Die ersatz-dorpelingen beginnen dan tegen ons te jammeren of houden niet op domme vragen te stellen (Ben je al lang bezig? Je hebt zeker nog niks gevonden? Hoe heet die hond eigenlijk? Komen jullie uit Amerika?). Of ze weigeren je te geloven als je zegt dat de hond iemand geroken heeft (Dat kan niet! Daar is niemand! Daar woont niemand!), of ze staan heel de tijd opgewonden aan je mouw te trekken om niet dààr maar in hun huis te gaan zoeken . In Armenië ('88) hebben we het meegemaakt, daar trokken ze haast de kleren van ons lijf, daar gingen dorpsbewoners met mekaar op de vuist omdat wij zogezegd teveel aan die kant van de straat zochten en niet in hùn huizen. Dat is vreselijk hard, die mensen bidden en smeken, kom mee! kom mee!, maar je moet vlakaf nee zeggen, je blijft bij elkaar, je loopt niet met de mensen mee, eentje die hier zoekt en eentje die honderd meter verderop zoekt, dat doe je niet. Voor je het weet ben je de anderen kwijt en kan je niks meer uitrichten."

puinhond 3.png

Stand-by
HUMO: De aardbeving in Kobe vond plaats op een vroege dinsdagochtend. Wanneer en hoe treedt bij jullie het alarm in werking?
Patrizia
: "De eerste die alarm slaat is de Erdbebenwarte in Zürich. Zij registreren alle aardbevingen ter wereld en wanneer er een grote beving in een dichtbevolkt gebied heeft plaatsgevonden, zetten ze de Rettungskette Schweiz op standby. Een gezamenlijke task force die ervoor zorgt dat op een zeer korte tijd een team klaarstaat met een noodhospitaal, medische uitrusting, bloed, drinkwater, communicatie-apparatuur, kleine kranen, graafmachines, een aantal honden met hun begeleider, en niet te vergeten een paar tolken. Die hulp wordt aan de regering van het getroffen land aangeboden maar die 'Rettungskette' komt pas op gang als die regering er ook daadwerkelijk mee instemt.
En soms heb je dan zelf maar een half uur om je rugzak te pakken. Helm. Zaklamp. Slaapzak. Zonnebril. Heel die checklist die je moet aflopen... en dan is het rennen naar je auto, gas geven naar het vliegveld van Zürich en daar stond het vliegtuig startklaar.
In Kobe zelf zijn we in een brandweerwagen gestapt en met loeiende sirene het rampgebied ingereden, één puinhoop zover je kon zien."
HUMO: Hoe begin je te werken in zo'n uitgestrekte chaos?
Patrizia: "
De politie gaf adressen op, de brandweer reed ons zo dicht mogelijk bij die straten, en de buren wezen waar het huis was geweest, of wezen een voordeur in het puin."
HUMO: Zijn de honden opgewonden als ze ineens zoveel puin zien? Rukken ze aan de leiband om erin te vliegen?
Patrizia
: "Nee. Ze voelen goed dat ze op vreemd terrein zijn en dat dit geen oefening is en je ziet ze afwachten wat ze te doen staat."
HUMO: Beginnen jullie te zoeken waar je mensen hoort roepen?
Patrizia
: "Nee, want die mensen kan men nog vinden. De hond is daar nodig waar men de mensen noch hoort of ziet."  
HUMO: De honden lopen niet aan de leiband.
 Patrizia
: "Nee, ze lopen vrij rond over de brokstukken en als ze een krocht of een spleet zien die groot genoeg is, dan wurmen ze zich erin. Arco is 70 cm lang en 50cm hoog, maar hij geraakt in zo'n gat (toont met haar handen een opening van een goeie vijftien centimeter) Als zijn kop erdoor gaat, dan volgt zijn lijf ook. En dan verdwijnt ie voor een tijdje."
HUMO: Hoelang blijft hij zo ondergedoken?
Patrizia
: "Tot hij in alle hoeken gesnuffeld heeft. Dat is meestal gauw gebeurd, tenzij hij in een grote ondergrondse parking terechtkomt, dan zie je hem de eerste minuten niet meer."
Kamikaze
HUMO: Lig je bovenop het gat waarin hij verdwenen is om zijn geblaf beter te kunnen horen?
Patrizia
: "Zoals de Indianen op de treinsporen?! Nee, ik sta gewoon bovenop het puin te wachten tot ik hem hoor."
HUMO: Kan je aan zijn geblaf horen of ie een dode dan wel een levende gevonden heeft?
Patrizia
: "Bij Arco kan ik los door het puin horen dat hij iemand gevonden heeft, ik kan ook horen dat ie heel dichtbij de persoon is dan wel of ie het nog op een andere plek wil proberen waar ie denkt dat ie dichterbij kan komen. Maar of ie nu de geur van een lijk of van een levende heeft geroken, dat kan ik aan zijn geblaf niet uitmaken. Als ik hem onder het puin zou kunnen zien, dan zou ik het beter kunnen merken, want de meeste honden gaan zich toch anders gedragen. Sommige honden krabben alleen maar en blaffen bijvoorbeeld niet als ze een dode vinden."

puinhond 2.png

HUMO: Hebben honden eigenlijk schrik van lijken?
Patrizia
: "We weten niet hoe lijken op hen inwerken. Er zijn honden die bij een dode ineens veel harder beginnen blaffen, er zijn er ook die blaffen maar zich compleet wegdraaien van die plek en er zijn er die niet blaffen, rechtsomkeer maken en weglopen."
HUMO: Omdat ze denken: hier zijn we niks mee?
Patrizia
: "Het is een instinctieve reactie van het dier op de dood, en elk dier reageert anders, want er zijn er ook die agressief worden en ineens verwoed op een stuk puin beginnen bijten. Op training vinden ze ook alleen maar levende slachtoffers en het lijkt er soms op alsof ze zich 'bedrogen' voelen."
HUMO: Vind je altijd een slachtoffer op de plaats die de hond heeft "geblaft"?
Patrizia
: "We werken in ploegen van drie: een redder speurt met zijn hond, de tweede staat vlakbij in standby en de derde staat verderop "in rust" met de hond. Dus als Arco een plek aanwijst, moeten de tweede en eventueel de derde hond die plek eveneens affirmeren en dan zijn we zo goed als zeker dat er iemand ligt."
HUMO: Welke factoren kunnen het speurinstinct van de hond in de war brengen?
Patrizia
: "Uiteraard kunnen we ze niet laten speuren op terreinen die doortrokken zijn van gas-, benzine- of andere chemische geuren. Ook regenweer is nefast, want regen dempt de geuren. Ook zon en felle warmte drukken de geuren weg daar onder in het puin. In Kobe was het 'goed' weer: het was niet te warm en het had niet geregend."
HUMO: Beseft de hond dat hij gevaar loopt? Dat hij zelf bedolven kan geraken?
Patrizia
: "Mijn hond in elk geval niet. Die kent geen gevaar, die ziet geen gevaar, die springt overal op en onder dat ik soms niet durf te kijken. In Kobe heeft ie een bijnaam gekregen: Arco, de Kamikaze! Zaterdag op training heb ik het nog gezien: hij dook vanop een oefen-etage twee meter in de diepte, in een berg losse stenen."
HUMO: Zijn er op sommige missies honden gestorven omdat ze zelf bedolven werden?
Patrizia
: "Op die dertig jaar dat we bestaan is het gelukkig (neemt tafelhout vast) nog nooit gebeurd. Mensen willen in dergelijke crisissituaties wel eens risico's nemen, maar ik denk dat honden instinctief aanvoelen dat ze het gevaar niet moeten zoeken. Anderzijds is de kans reëel dat een hond iets overkomt, want zij lopen vaak op terrein waarop jij je niet waagt omdat het op instorten staat."
Mortuarium op de stoep
HUMO: Als de hond iemand aanwijst, graven jullie dat slachtoffer dan zelf uit?
Patrizia
: "Nee, wij wijzen de vermoedelijke vindplaats zo precies mogelijk aan en dan komt onze Zwitserse ploeg met haar kleine kranen en graafmachines. In Japan hadden we die achterban niet bij, daar waren het Japanse brandweerlui die de brokstukken opruimden."
HUMO: En als die gravers niks vinden.
Patrizia
: "Het is mogelijk dat de brokstukken in te dikke lagen op elkaar liggen en dan sturen we de honden na elke weggeruimde laag opnieuw in het puin om te zien of de bergers nog op de juiste weg zijn. Als we dan kleren, of haren of een lichaamsdeel vinden, dan zijn we zeker dat ze dichtbij zijn."
HUMO: Mag de hond dat slachtoffer besnuffelen? Als beloning, als bewijs dat ie zijn werk goed gedaan heeft?
Patrizia
: "Ja en nee. Als dat slachtoffer direct uitgegraven wordt, kan je 'm daarmee belonen, maar als ze dat slachtoffer pas na tien uur bovenhalen, is de hond dat allang vergeten. Dus meestal belonen wij hem direct met een stukje vlees of met zijn favoriete speeltje."
HUMO: Eigenlijk krijgen jullie slechts weinig slachtoffers te zien omdat het uitgraven door anderen gedaan wordt?
Patrizia
: "Ja. In Kobe hebben we de slachtoffers dan weer wel allemaal gezien omdat ze niet afgevoerd werden maar ter plekke werden 'opgebaard'. Op de stoep, op een grasveldje of in een groen gebleven voortuintje werden de afgestorvenen neergelegd en dan namen familie, vrienden en buren langzaam afscheid. Eerst streelden ze een voor een het lichaam, dan wasten ze het, ze masseerden het, ze wikkelden het in dekens en tot slot legden ze offergaven rond het lijk opdat de dierbare op zijn weg naar het 'hiernamaals' niets zou tekortkomen. Er was bijna niks meer, maar toch probeerden ze de dode nog dingen te geven die hem dierbaar waren. Dat was zeer ontroerend om zien, wij waren allemaal erg onder de indruk. Vanwaar ze die haalden, weet ik niet, maar er werden ook bloemen gelegd, onder andere door de Japanse brandweerlui die hen opgegraven hadden. Als je ophield met werken en je keek rond, dan zag je overal van die kleine begrafenissen tussen het puin.
Kobe heeft op ons veel indruk gemaakt omdat we bij een dergelijke ramp zelden zo'n stille, gedisciplineerde mensen hebben gezien. Zo zag ik in de buurt waar we werkten een man en een vrouw staan. Ze stonden stil naast elkaar en keken naar wat overbleef van een huis. Een uur later stonden ze daar nog stil. Twee uur later nog altijd. Drie uur later nog altijd, ga eens vragen wat er is, zei ik aan de tolk. Bleek dat de vader van de man nog onder het puin lag, en ook de buurvrouw. We hebben beide gevonden, maar beide waren al dood. Toch ongelooflijk dat die daar zo fatalistisch stonden te wachten, dat niemand daar krijste of gilde. Alles was daar kalm, akelig kalm eigenlijk. Er werd ook niet geplunderd. De mensen kropen tussen de stenen rond, maakten de bruikbare spulletjes die ze nog vonden een beetje schoon, stopten ze in kartonnen dozen en zetten alles op een ordentelijk hoopje op de stoep, op enkele meters van hun verwoeste huis. Kleine kartonnen huisjes waren het en iedereen bleef daar af, iedereen respecteerde die bezittingen. Ik vergeet die kartonnen dozen nooit, een kaftje met uittreksels van de bank, een beetje speelgoed, enkele boeken, een deken erover, zo schamel en toch zo dierbaar zoals het daar stond."

puinhond 6.jpeg

Psychische naschok
HUMO: Jullie werken meestal in de schijnwerpers van de wereldmedia. Ben je daarvan onder de indruk?
Patrizia
: "Nee, daar let je algauw niet meer op. Maar in het begin stonden ze soms in rijen achter ons, er waren meer cameramensen dan redders aan het werk. Zeker in Kobe, waar wij alleen toegang hadden gekregen. Ze volgden ons overal, met de auto, en zelfs met de helicopter."
HUMO: Jullie hebben in Kobe niemand levend vanonder het puin gehaald. Was dat niet frustrerend?
Patrizia
: "Nee. Vooral niet omdat we zagen hoeveel die doden voor die nabestaanden betekenden en hoe intens zij ermee omgingen. Ze waren ons ook heel dankbaar. Ze zijn ons komen omarmen. Ze zijn de honden komen omarmen. Dat heeft ons geweldig aangegrepen. Iedereen weet toch hoe vreselijk een familie lijdt wanneer ze niet met eigen ogen hùn dode gezien hebben. Mensen bij wie een familielid 'verdwenen' is of verdronken is op zee, kennen vaak hun leven lang geen rust meer." 
HUMO: Jullie sliepen daar in je slaapzak in leegstaande kantoren. En je kon slapen. Maar heb je nadien geen nachtmerries gehad?
Patrizia
: "Nee. Maar er zijn wel prangende dingen die bijblijven en die ineens weer in je hoofd opduiken als ik enkele weken later opnieuw met de hond op training was. In Kobe had een vrouw ons gewezen waar haar man lag, zij had de kracht gehad om zich met blote handen een weg te graven, en ze wees mij het gat, "daar ligt ie". En dan kruip je daarin met de hond, zover je kan, en dan werd die weg ineens afgesloten door zo'n typisch Japans kamerscherm en ik zag ook een stuk van een slaapdeken en te weten dat achter dat scherm en onder dat deken een lijk lag, te weten dat mijn kruipwegeltje alleen maar naar een lijk leidde, dat was veel akeliger dan toen ze die dode man uit het puin haalden en ik hem effectief te zien kreeg. De dingen die je meest aangrijpen lijken eerder kleine, onheilspellende gebeurtenissen te zijn. Je hebt jezelf gewapend tegen zware verwoestingen, zware kwetsuren, en zware miserie, maar je wordt uit evenwicht gebracht door die kleine huiselijke zaken."
Oklahoma City
HUMO: Waarom zoekt men nog met honden en niet met computergestuurde robotten of infrarood-apparatuur?
Patrizia
: 'Er bestaan akoestische toestellen die geluiden opspeuren en optische infrarood apparatuur die 'door' het puin straalt, we hebben beide al gebruikt, maar beide hebben hun gebreken. Op het akoestische toestel zit gewoon heel veel ruis -de sirenes, de graafmachines- en men kan alleen maar mensen horen die zich hoorbaar kunnen maken, die nog met een steen op een plank kunnen kloppen bijvoorbeeld. Infrarood-apparatuur bestaat nog maar sinds dit jaar, het registreert ook de allerkleinste bewegingen zoals het kloppen van een hart, maar ook daar is er 'ruis' omdat het ook de hartkloppingen van de redders of het ritselen van een boom registreert. Het apparaat kost ook zes miljoen Bfr, (150.000 euro) voor dat geld kan je flink wat honden trainen. Wij houden het voorlopig op honden. Honden zijn niet alleen veel accurater, ze zijn ook sneller, en veel zelfstandiger, want niet afhankelijk van stroomaggregaten of batterijen. Je laat ze gewoon los van de leiband en ze functioneren."
HUMO: In jullie CV lees ik dat de groep tussen 1976 en 1995 negentien belangrijke interventies heeft verricht. 1O6 mensen werden levend gered, 77 lijken werden geborgen. Eigenlijk betekent dat een gemiddelde van amper tien geredden per interventie. In Mexico City waren 8OOO doden en redden jullie 11 mensen, in Kobe waren 5OOO doden en halen jullie 16 doden vanonder het puin. Twijfel je soms aan het nut van die interventies?
Patrizia
: "Ik weet ook wel dat het mooiste is als je honderden mensen levend vanonder het puin haalt, maar niks doen en vanop afstand toekijken is toch nog erger. Op sommige plaatsen redden we tientallen mensen, elders vinden we alleen maar doden. Dat hangt ook van de plaatselijke gesteldheid af, hoe het weer is, hoe de ondergrond is, hoe de huizen gebouwd zijn, enzovoort. Een slachtoffer dat tussen koel puin ligt waar af en toe wat regen als drinkwater doorsijpelt, zal langer in leven blijven, dan iemand die crepeert van de dorst onder zongeblakerd beton. Het aantal geredden hangt dus niet enkel van ons, van onze honden of van onze training af."
HUMO: Heel die inzet van jullie hoogtechnologische  reddingsorganisatie kost per keer vele miljoenen. Voor datzelfde geld kan je in de Derde Wereld hele dorpen redden van de hongerdood.
Patrizia
: "Zo heb ik er nog niet over nagedacht, en zo wil ik er ook niet over nadenken. Ik wil ook niet weten hoeveel het onze regering allemaal kost, want Japan of Armenië betalen niets. Mijn land draagt alle kosten."

puinhond 1.png

HUMO: Jullie zijn allemaal vrijwilligers.
Patrizia
: "Niemand van ons is beroeps, daarvoor zijn er te weinig interventies. Iedereen heeft dus een job en wie op het ogenblik van het alarm zich kan vrijmaken, die kan mee op interventie. Er zijn bij ons redders die al jaren met hun hond trainen, maar nog nooit op interventie zijn geweest. Ik kan makkelijker mee omdat ik hier in huis secretariaatswerk doe."
HUMO: Wat is je drijfveer voor dat reddingswerk?
Patrizia
:"Ik doe dat werk omdat ik vind dat een hond niet alleen een gezelschapsdier is. Ik wil dat mijn hond niet alleen iets voor mij maar ook iets voor anderen kan betekenen."
HUMO: Bij de bomaanslag in Oklahoma City was een van de belangrijkste hondenteams de Californian Swiss Search Dog Association.
Patrizia
: "Het is een reddersvereniging die haar honden op dezelfde manier traint als wij. Wij geven ginder jaarlijks een basistraining en zij bouwen daar een heel jaar op verder. Ik heb met ze gesproken toen ze terugkeerden en het zwaarste om te verwerken was dat ze de slachtoffers in stukken en brokken hadden gevonden. Bij een 'gewone' aardbeving wordt een mens bedolven, hij krijgt een balk of een stuk plafond op zijn hoofd, hij is op slag dood of hij stikt, maar je vindt hem toch nog altijd als mens terug. In Oklahoma City hadden de honden voortdurend gekrabd en geblaft, en heel vaak haalden ze dan slechts een arm of een been boven: een hond kan niet weten hoeveel mens er nog ligt als hij iets ruikt. Psychologisch was dat zwaar geweest. Je waagt je leven  in een gebouw dat op instorten staat en als je dan hoofdzakelijk stùkken van mensen vindt, dat was vreselijk ontmoedigend."

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De ramp van Beiroet en de ramp van Tessenderlo (1942): als tonnen ammoniumnitraat exploderen 

In Beiroet zijn 2750 ton ammoniumnitraat ontploft waardoor een groot gedeelte van het havenkwartier is weggeveegd en er is ook aanzienlijke schade tot ver in het stadscentrum. Ammoniumnitraat is een bestanddeel van kunstmeststof en kan in aanraking met andere stoffen of bij verhitting extreem verwoestend zijn. De ultrarechtse terrorist Anders Breivik gebruikte in juli 2011 slechts 0,95 ton van het product om in het regeringskwartier van Oslo acht doden en zeer ernstige schade aan te richten.
In april 1942 ontplofte er 200 ton in Tessenderlo die een groot deel van het dorp verwoestte.
Jan Stevens (Aarschot) was een jonge scout die met zes van zijn kameraden meteen hulp is gaan bieden.
Humo april 2009 - licht ingekort © Jan Hertoghs

© Archief Eddy Vandepoel

© Archief Eddy Vandepoel

"Zoek u een kop, een romp, twee armen en twee benen en leg het in een kist."

29 april 1942 was elders een zonnige en koude woensdag in oorlogstijd, maar voor Tessenderlo was het de roetzwarte dag waarop zijn chemische fabriek ontplofte en honderdnegentig slachtoffers maakte. De klap werd tot in Antwerpen gevoeld, vijftig kilometer verder, het is één van de zwaarste Belgische rampen van de twintigste eeuw, en toch is er meer dan zestig jaar voor nodig geweest om deze fatale gebeurtenis zijn plaats te geven in de geschiedenis.
Dat de ramp nu in 2009 'bestaansrecht' krijgt, heeft veel te maken met de documentaire die Eddy Vandepoel maakte. Op 1 maart 2009 ging "De Ramp van Tessenderlo" (twee uur en acht minuten!) in première en de plaatselijke opkomst was zo overweldigend dat extra-voorstellingen moesten worden ingelast.
Vandepoel: «Op korte tijd hebben drieduizend mensen de film gezien en het maakt hier heel veel los omdat het lange tijd zo stil was rond die ramp. Het laatste boek dateert van 1982 en nooit eerder waren er van die ramp bewegende beelden - uit filmjournaals en amateurarchieven- bijeen gebracht." In de docu zit een opmerkelijk getuigenis van Jef Stevens (86) uit Aarschot die als scout een helpende hand ging lenen. Het zou een litteken blijven dat hem nooit meer verliet.
Jef Stevens: «Aarschot ligt in vogelvlucht op zo'n twintig kilometer van Tessenderlo maar die knal en die luchtverplaatsing waren zo hevig dat de uitstalramen van een aantal winkels kapot sprongen. 't Was oorlog, de mensen dachten aan een luchtbombardement, maar 's middags hoorden we dat bericht van die ontploffing op de radio, en met zeven kameraden hebben we dan beslist om erheen te gaan. We waren negentien, we kenden mekaar al tien jaar van de scouts, we waren ook samen in de weerstand, en zo zijn we in groep vertrokken, met de fiets en in ons scoutsuniform. Niemand had kennissen of familie in Tessenderlo, en toch hadden we die wens om daar te gaan helpen.
Ik zal de namen van mijn kameraden noemen. Want ze zijn intussen allemaal dood. Maar ze mogen niet vergeten worden. Het waren:  Staf Nijs, Louis Nijs, Fernand Noynaerts, Albert Van Meensel, Leon Franck en Turre Janssens."  

© Archief Eddy Vandepoel

© Archief Eddy Vandepoel

Humo: Wat had jij tegen je ouders gezegd toen je vertrok?
«Niks! Die wisten nergens van. Ge moest ook niet altijd rekenschap geven aan uw ouders. Op uw negentien jaar zijt ge toch al redelijk onafhankelijk."
«Wij zijn binnendoor gereden, door bos en hei, en om drie uur kwamen we daar aan. Wij kenden Tessenderlo omdat we daar al eens gekampeerd hadden, maar in dat dorp was geen dorp meer te zien, heelder stukken straat waren weggeveegd! En hier en daar waren ze tussen het puin aan het zoeken en een paar mannen waren ook al de straten vrij aan het maken. Niet met bulldozers hé, met de hand en met de schup!
We zagen ook slachtoffers rondlopen, helemaal onder stof en kalk, en zo verdwaasd! Die reageerden amper als ge iets zegde, dat waren zombies! Stond daar een oud moederke met haar armen voor zich uit, "ik zie niks meer, mijn ogen! mijn ogen!" Die had kalk en plaaster op haar ogen gekregen en die ogen waren als dicht gecementeerd.
En gij vraagt naar ambulances, jongen, maar d'r waren er geen! De lichte en de zware gekwetsten zijn met kar en paard naar het ziekenhuis van Diest gevoerd. En dat is niet over een macadam hé, maar over bultige steenwegen en zandwegen!
Aan de kerk stonden enkele notabelen die het hulpwerk coördineerden, maar ze kwamen handen tekort. De volwassenen waren of omgekomen, of aan het zoeken naar hun familie, of onderweg naar het ziekenhuis om te zien hoe het met hun verwanten was. Kunnen wij iets doen, vraag ik. Heel graag, zei één van die mannen, ga naar de nonnekesschool en daar zal de dokter zeggen wat ge moet doen.
En daar was inderdaad een man in een witte schort en hij nam ons mee naar de turnzaal die nog intact was. Wat we daar zagen, kunt ge u niet voorstellen. Daar werden continu stukgereten lichaamsdelen binnengebracht, op berries, op deuren, in kuipen en in emmers, en dat werd daar in hoopkes uitgekieperd! Handen, voeten, benen, ingewanden, het lag er door elkaar.
Ik ga u voor een moeilijke taak stellen, sprak die dokter: ge neemt een doodskist, ge zoekt een kop, een romp, twee armen en twee benen, en dat 'lichaam' legt ge dan in de kist. En er mocht al eens een hand of voet ontbreken, "maar het geheel, dat moet een mens zijn". En lag dat lichaam erin, dan deksel erop nagelen, en niemand, niémand nog in die kisten laten kijken! Dat werk moesten wij dus doen. Met onze blote handen! En zonder masker voor de mond."

Humo: Is er iemand misselijk geworden?
«Nee! En we zaten daar nochtans constant in die lijkengeur. Zo'n dikke weeïge lucht. Ze kroop in uw kleren, ze zat in uw neus, en als ge uw lippen likte, had ge altijd die zoeterige smaak in uw mond.
Vooraf moesten we in die kleren van de slachtoffers ook nog naar herkenningstekens zoeken en ze bovenop hun kist leggen. Dat was heel moeilijk want die mensen hadden bijna niks bij zich. Ze droegen werkkleren en hun persoonlijke bezittingen hadden ze 's morgens in hun kleedkastje gelegd. Maar wij moésten in die flarden van vesten en broeken tasten: op zoek naar sigaretten, een tabaksdoos of zo'n rooie zakdoek met van die witte bollekes. De kleinste kleinigheden waren goed om toch maar een identificatie mogelijk te maken."
Humo: Zijn jullie daar 's avonds blijven "logeren"?
 «Nee. Wij wilden niemand tot last zijn. 's Avonds fietsten wij weer naar Aarschot, dertig kilometer ver. En mijn moeder zag me binnenkomen: zeg, gij stinkt zo! Ja, we zijn in Tessenderlo "e bekke gaan helpen". Da kleedsel uit en in de basseng! En verder is daar niet over gesproken, en maar goed ook, want anders had ze ons zeker thuis gehouden. En de volgende morgen deden we proper kleren aan en vertrokken wij opnieuw naar 'ons werk'.
Wij waren goed georganiseerd. Met zes man vulden wij drie kisten en de zevende man was 'reserve' om bij te springen. Dat was voor het geval dat iemand het niet meer aankon.
In mijn 'reservetijd' ben ik toen ook die fabriek gaan bekijken. Daar waren ze met snijbranders bezig om de lichamen los te maken die tussen ijzeren balken geplet waren. De eerste dag heb ik ook die jongen van de vakschool zien hangen. Dat manneke was misschien twaalf jaar en stak met zijn kop tussen twee poutrels. Die was door de luchtdruk omhoog gekatapulteerd net op het moment dat de zoldering half instortte en die hing daar te versmachten boven de kapotte schoolbanken. Naast hem hadden ze twee ladders gezet: op de ene stond een werkman die dat kind zachtjes probeerde los te wrikken en op de andere stond een geestelijke dat ventje moed in te spreken. Maar veel konden ze niet doen, bij de minste beweging kon dat lokaal instorten. 't Schijnt dat dat ventje daar nog lang gehangen heeft, ook nadat het dood was, maar ik ben daar nooit meer gaan zien. Het was zo al erg genoeg. (Heeft het moeilijk). Ge geraakt dat niet meer kwijt, zo'n trauma. En nu bestaat er crisisopvang en psychologische begeleiding, maar toen was er niks. Niemand sprak tegen ons. Niemand gaf ons raad. Ja, als ge u  slecht voelde, dan moest ge maar "een eindeke gaan wandelen", had de dokter ons gezegd."

© Archief Eddy Vandepoel

© Archief Eddy Vandepoel

Humo: Zijn er geen anderen gekomen om jullie bij te staan?
 «Nee. En later heb ik begrepen waarom ze ons met die taak belast hebben. Wij waren buitenstaanders, wij hadden daar geen familie, dus moeten ze gedacht hebben: dat is iets voor die jonge mannen van Aarschot, die kunnen dat wel aan. Ook van aflossen was geen sprake. Op de derde dag kwam hier een groep jongeheren en jongedames aan, en alle droegen ze een witte schort en lange rubberen handschoenen. Het waren eerstejaarsstudenten geneeskunde van de universiteit van Leuven, samen met hun professor! Ik durfde dat hoge gezelschap niet vragen of ze kwamen helpen, maar ik vroeg die professor wel of wij misschien enkele van die handschoenen mochten hebben. Nee, dat kon niet, want dat was eigendom van de universiteit! En weg waren ze, en nooit hebben we ze nog gezien, de platbroeken!"
Humo: Hoe lang zijn jullie gebleven?
 «Zes dagen. Dat wij toen stopten, kwam door de lichaamsdelen die ze nog binnen brachten. Die verkeerden al in staat van ontbinding en ineens dacht ik: stel dat ik hier een ziekte oploop? Die mannen van de universiteit blijven  properkes weg en wij moeten risico's nemen?! Dat was toch niet serieus en iedereen was akkoord om te stoppen. Het begon ook zwaar te wegen. Zo was er niemand van ons die 's middags een boterham door zijn keel kreeg. Eten lukte niet. Vanwege die lijkengeur en de geur van formol. Dat stond daar in open emmers om onze handen geregeld te kunnen ontsmetten.
Dat we het toch zolang hebben volgehouden kwam door onze ingesteldheid. Ge moest uw verstand op nul zetten, en dan hield ge dat vol. Denken en nadenken was verkeerd. Een vrouw kisten en terwijl denken hoe die kinderen zonder moeder verder moesten, dat was fout. In zo'n klaslokaal gaan piekeren over die kisten die de plaats innamen van de schoolbanken, over de dood die ging zitten op de banken van de jeugd, ook dat was verkeerd. Ge moest niet denken. Ge moest werktuigelijk handelen. In feite waren wij geen mensen meer, wij waren robotten. “
Humo: Hebben jullie veel mensen kunnen identificeren?
 «Ik denk dat wij honderdvijftig kisten gevuld hebben, maar ik schat dat er negentig onbekend zijn gebleven. Nu hebben ze foto's en DNA-testen, nu is dat professioneel. Maar toen gaven ze dat in handen van passanten! Ha, u herkent de tabaksdoos van uw vader? Oké, die naam van die mens op een papierke, dat papierke met een nagel op die kist, die kist op een brancard, en dan droegen wij die met twee man naar de kerk.
Dat zou nu toch wel anders zijn. Wie nu een familielid moet identificeren, die krijgt psychologische begeleiding. Maar in Tessenderlo kwam die familie gewoon dat klaslokaal binnen, en wij moesten die mensen dan maar opvangen.
Ik herinner me zo'n vaderke, hij kwam zijn zoon herkennen en liet ons een recente foto zien: een jonge kadee, zeventien jaar. En ik herkende dat gezicht en ik wees de kist aan, maar er lag spijtig genoeg geen voorwerp waarvan die vader kon zeggen dat het van zijn kind was. Of ja, z'n werkschoenen, die zou hij wel herkennen! "Want die zijn nieuw, die ben ik nog maar pas voor hem gaan kopen, hij werkt nog maar twee weken in de fabriek!" Ik wist dat die jongen in die kist geen voeten meer had... en toch heb ik gezegd: dat klopt, deze jongen hàd nieuwe schoenen aan! En die mens was doodgelukkig, hij had dan toch een kist en een lichaam om bij te rouwen."

© Archief Eddy Vandepoel

© Archief Eddy Vandepoel

Koningin Elisabeth
 «Er zijn heel wat pasfoto's geweest waarbij wij onzeker waren of we de juiste kist aanwezen. Maar wij waren scouts! Wij waren plantrekkers! En wij deden er dus alles aan om de mensen een psychologische klop te besparen. Ge kunt toch niet zeggen, och mensen, wij weten het zelf niet, ze zijn hier allemaal in stukken vaneen. Als ge dat zegt, dan duwt ge de familie nog dieper in de put!
Ik weet ook nog de dag dat ze die meisjes uit de kelders haalden. Jonge vrouwen die daar in de verpakking van het waspoeder werkten, en door de ontploffing waren die kelders onder water gelopen, en  waren zij verdronken in die dikke grijze zeeppap. Die lichamen waren nog intact toen wij ze kistten en een tijd later staat er een jongeman bij ons die zijn vrouw niet kan herkennen aan hetgeen er op de kist ligt. Ze waren "pas een week getrouwd", hij wist niet welke kleren ze aan had, "zo goed kenden ze mekaar nog niet", en of hij haar gezicht mocht zien?! En voor die éné keer mochten we dat deksel weer los wrikken van de dokter: jong meisje, schoon gezicht, blonde krulharen, een gebloemd kleedje, "'t is mijn vrouw!" riep hij en hij stortte zich op dat lichaam en tegelijk kwamen er zeepbelletjes uit haar neus, "die leeft nog! die ademt nog! ge hebt ze levend in die kist gestopt!" Die man werd razend, met vier man hebben we dat lichaam uit zijn handen moeten trekken en de dokter heeft 'm dan een kalmeerspuitje gegeven. Nadien legde hij ons uit dat zo'n ingeslikt waspoeder gaat fermenteren in de ingewanden, "en dan krijgt ge van die zeepbellen die naar boven komen". 
En zo gingen de dagen voorbij en wij zaten daar maar te werken, afgesloten van de buitenwereld. De vierde dag zagen we een gezelschap van dames en heren over de speelplaats komen en één van ons ernaartoe, "euh madammekes, ge blijft hier beter buiten, want dat is hier niet geschikt voor gevoelige mensen". En de voornaamste dame antwoordt: "Ik ben koningin Elisabeth en ik kan daartegen, want ik ben verpleegster geweest." Maar ook zij heeft maar efkes de kop binnen gestoken en is dan verder gegaan."
Humo: Je hebt zelf nog onderzoek gedaan naar de oorzaak van de ramp?
«In de documentaire zeggen ze dat de oorzaak bij het  ammoniumnitraat ligt (nvdr: een zout dat gebruikt wordt in meststoffen) en dat die stock versteend was en dat ze die met dynamiet moesten losmaken, wat toen de gewoonte was, en dat het op die manier is misgelopen. Maar ik blijf mijn twijfels hebben: hoe kan een stock van 200 ton die bovengronds ligt opgeslagen, een krater van 75 meter diep slagen?! Dat gaat er bij mij niet in.
Ikzelf heb naderhand via de weerstand en via een bron binnen de fabriek vernomen dat daar een ondergrondse bunker was waar duizend liter nitroglycerine lag opgeslagen. Wat ze daar absoluut niet nodig hadden, want zij waren een fabriek van waspoeder en meststoffen. En toen is het mij gaan dagen. Duitsland had een Verordnung dat alle chemische fabrieken in de bezette landen onderzoek moesten verrichten naar een alternatieve brandstof voor raketten. Dat was voor de V1 en de V2 en ze zochten een nieuwe drijfkracht voor die tuigen. En ik kan dat niet bewijzen, maar volgens mij hebben ze geëxperimenteerd met die nitroglycerine en is dat toen fout gelopen in een combinatie met die kunstmest. Maar ja, ik heb geen bewijzen."

Humo: Zijn jullie ooit bedankt geworden?
 «Nooit! Niemand sprak tegen ons. Zelfs die dokter waarvoor wij werkten, heeft niet eens zijn naam gezegd. In 2002, zestig jaar na de feiten, heb ik dan toch een stap gezet. Het was de dag dat de zesde kameraad van toen overleed. Met zes waren ze in de anonimiteit gestorven, en op dat moment zag ik het als mijn plicht om ons verhaal te vertellen. Ik heb toen een brief van twee bladzijden naar het gemeentebestuur van Tessenderlo gestuurd en zij hebben ons dan postuum bedankt voor de taak die wij op ons hadden genomen.
Maar weet ge, zelfs bij die zestigste verjaardag was daar geen officiële herdenking, noch van Tessenderlo Chemie, noch van de gemeente. Er waren daar alleen een aantal familieleden die zélf iets organiseerden bij het gedenkteken van de naamloze slachtoffers, en ik ben toen nog zelf een krans gaan kopen!"
Humo: Ben je tussen 1942 en 2002 nog in Tessenderlo geweest?
 «Nee, nooit meer. En ook, mijn kameraden en ik hebben daar al die jaren nooit meer over gesproken. Ik zie ons daar nog fietsen gedurende die zes dagen, wij waren moe, wij waren overmand door wat we gezien hebben, en toen al spraken we geen woord tegen mekaar. Ook tegen onze ouders of tegen vrienden hebben wij nooit iets gezegd. Dus als ge onder mekaar over iets niet spreekt, dan verstaat ge dat wij helemaal geen goesting hadden om erover te spreken met normale mensen! Niemand zou ons hebben kunnen begrijpen!" 
Humo: Jullie zijn op die enkele dagen wel alle jeugdige onschuld verloren.
 «Dat moogt ge wel zeggen. Wij hebben heel vroeg de hardheid van het bestaan gezien. En dan denk ik aan de jeugd van nu. Die is toch veel meer beschermd. De ouders waken over hen, de school waakt over hen, er mag hen niks miskomen. Maar zo leert ge toch de wereld niet kennen?!
Wij beredderden onszelf, bij de scouts en bij de weerstand, en ik kan u zeggen: wij kregen de wereld te zien zoals hij wàs! In '43 ben ik ook opgepakt vanwege mijn rol in de weerstand en heb ik nog twee jaar in Duitsland gevangen gezeten. Moesten we dwangarbeid doen in de buurt van Leipzig, dar waar de grote luchtbombardementen waren. Kon ik daar opnieuw tussen het puin gaan werken! Die mensen kropen in de schuilkelders, maar boven hun kop kwamen de brandbommen, die huizen brandden af, stuikten ineen en zij verkoolden in de hitte. En wij groeven dat puin uit, trokken die deuren van die Luftschutzkeller open en die mensen zaten daar nog altijd rond de tafel! Maar als ge ze aanraakte, dan braken ze af gelijk de asse van een sigaret!
Ik word er nog wel eens wakker van. 't Zijn trauma's, 't heeft zijn sporen nagelaten... (z'n ogen schieten vol) En hoe ouder ge wordt, hoe zwakker en sentimenteler ge wordt. Als ik het journaal zie met beelden van verwoesting, van puin en van slachtoffers dan komt dat allemaal terug... Als ge jong zijt, dan stapt ge daar over. Maar als ge ouder wordt, dan kunt ge al dat oude leed niet meer ontwijken. Dan komt alles van vroeger weer heel dichtbij."

© Archief Eddy Vandepoel

© Archief Eddy Vandepoel

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De machtige duivenvlucht uit Barcelona: vertrokken in volle corona

U hebt er vannacht niet van wakker gelegen, maar veel Belgische duivenmelkers wel. Want vrijdagmorgen 31 juli zijn vanuit Barcelona bijna 15.000 duiven onderweg naar hun hok in ons land ,Frankrijk,, Nederland, Duitsland, Groot-Brittannië én Luxemburg. In onze contreien worden ze vanaf deze zaterdagmorgen verwacht. Na 24 à 32 uur vliegen (een korte nachtrust inbegrepen).
België heeft dit jaar 6179 duiven ingeschreven. En die duiven, dat zijn de "zware kleppers", de Merckxen, Museeuwen, en Boonens van het kot. 

Wij spraken met 4 liefhebbers. O la paloma Barcelona! 

Humo november 1996 -licht herwerkt © Jan Hertoghs

duif barcelona.png

"Wat ik dan nog tegen mijn duif zeg? Auf Wiedersehen!"

Café De Vroege Morgen in Wijnegem. Rond de tafel zitten Gilbert, Fonne,Jos en Paul. Mannen die al meer dan twintig jaar met de duiven spelen en in wier colombofiele middens ik mij nu bevind met de volgende vraag: wat betekent Barcelona a) voor de duivensport in het algemeen en b) voor jullie in het bijzonder ?
Paul: "Barcelona is de koninginnenrit van de duivensport."
Jos: "De marathon!"
Fonne: "Het WK." 
Gilbert: "De Iron Man van het luchtruim! De triathlon! Het zwaarste dat er is. Die duif vliegt elfhonderd kilometer!"
Paul: “Ik zeg altijd: Barcelona spelen, dat is een duif meegeven. Een DUIF, hé. Geen lodder!" 
Gilbert: "Een Barcelona-duif moet getraind zijn, moet speciaal gevoerd zijn, moet medisch helemaal oké zijn voor ze vertrekt."
Jos: "Het is de dag dat ge ne Merckx of ne Museeuw meegeeft. En zoals die coureurs getraind zijn, zo ook uw duif. Voor Barcelona moet ze zeker twéé vluchten van 5OO km gedaan hebben."
Gilbert: "Een Brive van 7OO km, dat is genoeg!" 
Jos: "Voilà, duivenmelkers spreken mekaar altijd tegen. Ik zeg twee keer 5OO km, en daarna vier weken rust. Dat is mijn gedacht."
HUMO: Hoeveel duiven vertrekken er gemiddeld in Barcelona?
Paul
: "Dit jaar waren ze met iets meer dan twintigduizend: zo'n tienduizend uit België en tienduizend uit Noord-Frankrijk, Nederland en Duitsland. Van de tien eerste prijzen, waren er ook vijf voor de Belgen, waaronder de titel.”
HUMO: Was Barcelona '96 geen rampvlucht voor de Belgen?
Gilbert
: "Het drama van Barcelona", pff, laat me niet lachen. VTM stuurde dat bericht de wereld in: RAMPVLUCHT BARCELONA! Slagveld voor de Belgische duivensport! Na één dag zijn er ik-weet-niet-hoeveel-duiven vermist! Terwijl het potdorie een vlucht is die twee dagen duurt! Barcelona is een overnachtingsvlucht. Die duiven slàpen onderweg! Gelukkig heeft de BRT zich niet laten trappen (=duivenmelkersjargon voor copuleren), zij hebben dat rechtgezet."
HUMO: Hoelang zijn de duiven onderweg?
Gilbert
: "Dat hangt af van het weer. Een duif met zuidenwind gaan we vlugger terugzien dan één met tegenwind. Maar soit, wil je in de prijzen vallen, dan moet je binnen de 24 à 32 uur na het vertrek kunnen pakken. Dat zijn dan duiven die tegen 9OO à 12OO meter per minuut (=6O à 7Okm/h) en soms nog harder hebben gevlogen. (De nachturen worden niet meegeteld, dat zijn slaap-uren voor de duiven,jh)"
HUMO: Waar slapen de duiven?
Gilbert
: "In de buurt van een dorp of een koppel huizen."
Fonne: "Er zijn duivenmelkers die beweren dat sommige duiven in de bomen slapen. Dat kan een snelle vlucht betekenen als het waait. Want dan slaapt de duif onrustig van al dat geritsel in de blaren, en dan zal ze al voor het ochtendgloren 'op de baan zijn' en ook rapper op haar kot zijn."
Gilbert: "Dat zijn de goeie duiven. Die verliezen geen moment. Die drinken ook al vliegend. Die scheren over een kanaal of een rivier en drinken in de vlucht. Een duif met slijk aan de poten die is gestopt om te drinken. Die heeft tijd verloren."
Fonne: "Er zijn ook duiven die 's nachts niet gaan zitten en die nog uren durven doorvliegen. Zeker wanneer het een heldere maannacht is." 
Gilbert: "Vooral de Nederlanders schijnen hun duiven te trainen op dat nachtvliegen. Die speculeren erop dat de duiven 's nachts nog de klare lijn van de kust kunnen volgen, naar het noorden!"
Paul: "Maar er zijn er ook die zeggen dat de Belgische duiven een nachtvoordeel hebben, omdat ze zich in het duister kunnen richten op het licht van onze snelwegen. Al dat licht, dat hebben ze natuurlijk niet in Duitsland en in Nederland."

© gie Knaeps

© gie Knaeps

Het renpaard van de kleine man
HUMO: Wielrenners, voetballers, allemaal hebben ze bijgeloof voor een wedstrijd. En duivenspelers? Bestaan er rituelen bij het inkorven bijvoorbeeld?
Jos
: "Je hebt er die hun duif altijd als eerste in de kevie (=de verzendmand) willen zetten. Of altijd als laatste. Of nooit als laatste."
Fonne: "Je hebt er ook die heel de tijd die vleugelpennen van hun duif openstrijken. Dat lijkt op een ritueel, maar bij sommigen is dat een tic nerveux geworden. Die kunnen die duif al niet meer gewoon in hun hand houden."
HUMO: Hoe nerveus zijn jullie voor het vertrek?
Gilbert:
 "Die weken tevoren praat je onder mekaar alleen maar over uwen Barcelona. Gaat ze aankomen of niet, heeft ze genoeg getraind of niet, is ze echt fit of niet."
Paul: "En je zit met die schrik, ze zal toch niet ziek worden onderweg op de trein?! Want dat is de grootste schrik van de duivenmelkers, de ziektes in de mand! Want er zijn nog altijd 'liefhebbers' die zieke of minderwaardige dieren meegeven, en die kunnen je duif besmetten natuurlijk." 
HUMO: Spreek je nog met je duif zo vlak voor het vertrek?
Gilbert
: "Tuurlijk! Je spreekt altijd met je duiven. De stem van de baas, dat kalmeert, dat bemoedigt. Dat is toch ook zo bij koeien, paarden en honden."
Jos: "Je hebt er die staan roepen bij die mand: Schatteke, tot zaterdag hé!"
Fonne: "De onnozelste dingen zeg je dan. Ik zeg bijvoorbeeld gemakkelijk Auf Wiedersehen!" 
Jos: "Soms sta je met die duif in je handen en denk je: "Verdorie,jongen, 't is misschien de laatste keer dat ik u zie!"
Gilbert: "De duif zelf is ook nerveus voor het vertrek. Ze voelt wat klam aan, ze zweet, ze heeft zelfs lichtjes overgegeven in haar mand."
HUMO: Oei.
Gilbert
: "Dat is niet erg, dat is een goed teken. Dat bewijst dat ze scherp staat! En dat is te danken aan de wekenlange voorbereiding. Neem nog maar de gespecialiseerde voeding die ze krijgt. Niet zomaar maïs, maar een specifieke vluchtmengeling. Met daarnaast nog een terribel gamma aan nevenproducten: van vitamine-complexen tot kruidenthee en krachtvoer met 26 granen erin!" 
Paul: "Je mag gerust zeggen dat een duif beter gesoigneerd wordt dan de meeste ouderlingen in een rusthuis."
Jos: "Neem de verzorging van het hok. Een droog hok, een warm hok. Een hok met verwarmingsplaten in de vloer. Zodat er geen vocht binnen kan, want vocht brengt ziektes en parasieten." 
Gilbert: "En dan de veearts die regelmatig langskomt om bijvoorbeeld preventieve inentingen te zetten.Vandaar dat je gerust mag zeggen: de duif is het renpaard van de kleine man! Maar die kleine man, die sterft uit. Een kleine man kan nu ook al honderd duiven hebben." 

© gie Knaeps

© gie Knaeps

HUMO: Bestaan er specifieke Barcelona-rassen?
Gilbert
: "Als je op Barcelona speelt, moet je duif van een zware fond-ras komen. Een ras dat gekweekt is om lange afstand te vliegen. De sprinters, de vitessen van de 1OO km, dat zijn geen beestjes voor Barcelona. 't Is de marathon en dan moet je een 'Lismont' meegeven. Vandaar dat je ook geen jonge duiven mag meegeven, het moeten duiven zijn die minstens twee vluchtseizoenen achter de rug hebben." 
Jos: "Ze moet niet alleen ver kunnen vliegen, Gilbert, ze moet ook naar huis willen komen. En dus speel je op de duiver die hoogdriftig terug naar zijn duivin wil (het weduwschap!) Of je speelt op de duivin die absoluut terug naar haar nest jongen wil (het nestspel!). Die duivin haal je dan van dat nest op een moment dat de jongen acht dagen oud zijn. Dat is ideaal om ze rap terug te krijgen, en dat wordt ook zo getimed met het het paren of met het uitbroeden dat die jongen er zijn, precies acht dagen voor het vertrek naar Barcelona."
HUMO: Zijn er duivenmelkers die hun duif begeleiden tot bij de start in Barcelona?
Gilbert
: "Meegaan naar Quiévrain, dat gebeurt, maar meegaan naar Barcelona, dat doet niemand. Want je wil je duif niet zien vertrekken hé, je wil ze zien aankomen." 
Fonne: "Ik ken toch iemand die met het vliegtuig vertrok, naar het vertrek ging kijken, en rap weer de vlucht naar Brussel nam om op tijd thuis te zijn voor de aankomst."
HUMO:Wat kan je verdienen met een eerste prijs.
Gilbert
: "Dat hangt af van wat je zelf op die duif hebt ingezet. Een gewone liefhebber zet 2OO frank in en is al blij met een ereplaats, maar de grote fond-mannen zetten meer in en die kunnen met hun prijsbeest twintig- of dertigduizend frank winnen als ze binnen de eerste tien van het nationale of internationale klassement eindigen. Dat is niet het grote geld. Dat komt pas als ze die duif gaan verkopen, dan kunnen ze honderdduizenden franken voor dat beestje krijgen. (Intussen zijn dat honderdduizenden euro geworden, jh 2020) Want de winnaar van Barcelona, die wordt wereldberoemd hé." 
Door de voordeur
HUMO: Als de duif gelost is, zien jullie ze dan in gedachten over de Pyreneeën en over Frankrijk vliegen?
Jos
: "Ja, en dat begint vanaf de vrijdagvoormiddag dat Radio 1 het bericht van de lossing gegeven heeft. Van dan af zit je met de kaart van Frankrijk in je kop. Hoe zal ze vliegen? Recht over de Pyreneeën en het Centraal Massief? Of met een bochtje om de bergen en langs de Middellandse Zee?"
Gilbert: "Dat is het grote mysterie. Wij weten niet welke weg onze duiven volgen. Als je als duivenliefhebber door het zuiden en het midden van Frankrijk reist, dan denk je, jongens hoe is dat mogelijk dat die duiven op dit vreemde terrein hun weg kunnen vinden. Heuvels, bossen, bergkammen, rotsmassieven." 
Fonne: "Eigenlijk weten we alleen dat ze Parijs en de grote steden mijden. Zoals alle slimme chauffeurs."
Gilbert: "En dat ze onweer uit de weg gaan." 
Jos: "Maar de ene duif vliegt links van het onweer en de andere rechts. Waarom doen ze dat? Hoe kiezen ze dat?"

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Gilbert: "Als we ze in gedachten volgen, dan moeten we wel eerst weten hoe de wind zit. Rap op Teletekst of TF 1 kijken en dan afwegen hé: blaast de wind zuidwest dan worden ze naar het oosten van Frankrijk gedreven. Dat is dan goed voor de oostenlijn, voor de mannen van Limburg." 
Jos: “Blaast de wind oost, dan is dat goed voor de mannen van de 'westenlijn' (West-Vlaanderen). Wij in Antwerpen zitten daar tussenin, wij zijn de 'middenlijn'."
Fonne: "Een duivenmelker heeft ook graag open weer, want dat is veilig weer. Dan kunnen de duiven veilig in de hoogte vliegen. Maar is het bewolkt, dan zijn we ongerust, want dan gaan de duiven laag vliegen en kunnen ze de hoogspanningslijnen raken! Ook als het sterke tegenwind is, gaan ze laag vliegen, héél laag. Dan vliegen ze tussen de bomen, dan scheren ze over de akkers, over de maïs, over de daken van de huizen, zo vlak erboven. Want een duif zoekt altijd de luchtlagen met de minste weerstand."
Gilbert: "En de betere duif is daar een meester in, die kan het weer en het terrein heel snel aftasten en daarop heel snel anticiperen. Die duiven vertrekken in één grote wolk, in één grote klad, maar van dan af volgt ieder zijn eigen kompas. En de goeie duiven zijn degene die hun kompas onmiddellijk juist hebben staan en die op eigen vleugels de weg vinden."
HUMO: Je hebt dus geen peloton en geen wieltjeszuigers?
Paul
: "Op kleine afstanden heb je dat wel. Maar op de zware fond als Barcelona komen de duiven één voor één aan." 
Jos: "Duiven die in zo'n wedstrijd in een klad vliegen, dat zijn slechte duiven. Dat zijn duiven met een kuddegeest. Die moeten naar Antwerpen vliegen maar blijven hangen in een klad die naar Limburg vliegt."
Gilbert: "Een goeie duif heeft mordant, heeft de kracht en het uithoudingsvermogen om er te komen, de drang ook om terug op dat hok te zijn. En dat los van wat andere duiven willen. Je traint die duiven ook in het alleen vliegen."
Fonne: "Duiven, dat zijn dieren die je echt kan trainen en africhten. Zo ken ik een duif en die is opgeleerd om los door de (open) voordeur, los door de gang en zo naar haar hok in de tuin te vliegen."
Jos: "Ik kende een duivenmelker in Antwerpen centrum. Dat hok stond in de kelder. Die duiven moesten in de kelder 'vallen'! En die deden dat!"

Ingescand uit Humo (c) gie Knaeps

Ingescand uit Humo (c) gie Knaeps

Kippenvel
HUMO: Lig je 's nachts wakker van die duif alleen op reis?
Fonne
: "Als ik die nacht van Barcelona wakker word, dan bestaat de kans dat ik niet meer in slaap geraak. Dan denk ik aan mijn duif, aan mijn hok, aan al mijn duivers en duivinnen, en dan begin ik te kweken, en ja, dan lig ik wakker hé."
HUMO: Hebben jullie schrik van de Franse jagers onderweg?
Gilbert
: "De Franse jagers! Dat houdt zich niet aan het seizoen! Dat schiet op al wat beweegt! Dat vangt zwaluwen en trekvogels,"ja, natuurlijk zit je daarmee in."
HUMO: Hoeveel uren sta je die volgende dag op die verre vlucht te wachten?
Gilbert
: "Bij een Quiévrain en andere korte vluchten, weet je dat ze een uur of zo wegblijven en kan je op je kot staan wachten, maar bij een Barcelona kan dat uren duren en je moet toch al 's een stukje eten, even naar toilet, rap een boodschap doen. Het gebeurt dus vaak dat je de duif niet ziet binnenkomen. Ik heb één keer mijn Bismarck zien komen en ik kreeg gelijk het kippenvel over mijn rug. Mijnen Bismarck! Nu al! Dat kan niet! Fantastisch! Hij is er ! Hij is er! Ja, jongen, dan komen de tranen in uw ogen."
Fonne: "Dat stipje in de lucht, dat wiegen, dat sturen en leggen van die vleugels om recht op dat kot te vallen, dat kleine beestje helemaal uit Barcelona. Die pakt ge vast, die bekijkt ge: manneke,manneke toch, die pakt ge nog 's vast en nog 'ns, goed gedaan, manneke, goed gevlogen!"
Gilbert: "Zo'n duif die terugkomt van Barcelona, dat is voor elke liefhebber een duif die hij altijd graag zal zien. En zelfs als ze geen prijs haalt, dan nog zal dat altijd zijne crack zijn, zijnen Barcelona blijven. Want die beestjes hebben een prestatie geleverd. Die zijn mager geworden! Die zijn al hun vet kwijt! En dat is heel anders dan bij het vertrek. Dan staat die duif mooi rond, dan zit die stevig in haar vlees."
Direct na aankomst wordt de ring in de constateur geduwd en wordt er gelijk naar de "hoofd-uitmaker" in het duivenlokaal gebeld. Hij noteert het geheime ringnummer van de duif plus de stempelnummer op haar vleugelpennen en verwerkt al die aankomsten met zijn computerberekeningen. Immers, elk hok heeft een andere ligging ten opzichte van Barcelona en in functie daarvan worden de aankomsttijden verrekend.
Ik ben 'm kwijt!
HUMO: Dwingen duiven die zo’n marathon gevlogen hebben een zekere autoriteit af bij de andere duiven van het hok?
Fonne
: "Dat die anderen duiven zeggen  Chapeau! Want gij zijt in Barcelona geweest?! Nee, zo gaat dat niet."
Gilbert: "Integendeel! Die moet na die week afwezigheid haar of zijn plaats terug veroveren binnen de hiërarchie van het hok."
HUMO: En dan zijn er de duiven die te laat komen. Die twee dagen of langer onderweg zijn.  
Fonne
: "Bij mij kwam eens eentje zo laat thuis, die had blaren onder haar voeten. Van al dat stappen! (jolijt)"
Gilbert: "De prijskamp zelf wordt ook niet na één dag afgesloten, maar pas nadat één kwart van alle duiven binnen is. Dit jaar werd Barcelona gesloten na een week."

© gie Knaeps

© gie Knaeps

HUMO: Driekwart van die duiven is na een week nog onderweg?
Jos
: Och! Vroeger zijn er Barcelona's geweest die maanden open stonden of die nooit àf raakten omdat dat kwart nooit is binnengeraakt!"
Paul: "Dat was vroeger, he Jos! Uiteindelijk komt driekwart wel naar huis. Een goeie gezonde duif komt altijd naar huis. Dat kwart achterblijver dat zijn de lodderduiven. Dat zijn melkers die minderwaardige duiven meesturen om voor de prijs van het duivencafé te kunnen meespelen: een fles wijn, een zak duivenvoer of een stoomstrijkijzer. Hun duif is eigenlijk een duif voor de soep, maar ze geven ze toch mee "om te proberen". Wint ze een strijkijzer, des te beter. Komt ze niet meer terug, ook goed, ze wilden er toch vanaf."
HUMo: Wacht je even ongerust op een goeie duif die achterblijft als ouders die opblijven omdat hun kind te laat naar huis komt?
Gilbert
: "Ja, je bent er niet gerust in. Hij zou al thuis moeten zijn en hij is er nog niet. Ik ben 'm kwijt. Ik zie 'm nooit meer terug. Had ik 'm maar niet meegegeven!" 
Fonne: "Zelfs al weet je dat ze 's nachts niet vliegt, dan nog ga je 's avonds op dat hok kijken. Hij moest zo eens gearriveerd zijn. Terwijl je weet dat het niet kàn!"
Gilbert: "Sommige verlichten 's nachts hun hok! Vaak hebben ze ook een nachtingang. Zoals een hotel! Je weet maar nooit." 
Jos: "Je zit met die schrik: als hij terugkomt, hoe komt hij dan terug? Met een gebroken poot? Met bloed aan zijn pluimen? Ik heb eens achttien dagen op mijn 'Barcelona' gewacht. Altijd maar opnieuw in de tuin, nog niks op dat hok, 's morgens, 's middags, 's avonds, altijd maar kijken. En ineens was hij er, met een wonde van zijn bek tot aan zijn krop. Toen ik die vastpakte, had ik ook een krop in mijn keel. Jongen toch, waar hebt gij overal gezeten? Wat hebben ze met u onderweg allemaal aangevangen? Zo'n duif is sportief gezien een duif voor de soep. Maar je kan die niet dood doen. Want dat is een overlevende, dat is een oorlogsveteraan, dat is een duif die de Achttiendaagse Veldtocht heeft gedaan! En het jaar daarop stuur je hem verdorie opnieuw mee, want heimelijk denk je: hij is van een sterk ras, en ... hij weet nu de weg!"

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De stille bekerfinale tijdens corona en de roodwitte roots van Luk Perceval

Zaterdagavond wordt de bekerfinale gespeeld tussen Royal Antwerp FC en een club uit Brugge. De match had al op 22 maart gespeeld moeten zijn, maar corona zat dwars. En waar de Heyzel uitverkocht was, volgt nu een stille strijd achter gesloten deuren.
De vorige bekerfinale van Antwerp is al geleden van 1992. Het won toen tegen KV Mechelen en speelde het jaar daarop de internationale bekerfinale op Wembley. Kort voor die topper spraken we Luk Perceval, artistiek leider van de Blauwe Maandag Compagnie. Perceval was een jeugdspeler van Antwerp en is verknocht aan die liefdevolle kleuren. Hij spreekt niet alleen over 'zijn' Antwerp, maar ook over voetbal als kunst en de intense ontroering die hem daarbij kan overvallen.

(Humo mei 1993 - licht herwerkt © Jan Hertoghs 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Luk Perceval: “Den Bosuil ! De Hel van Deurne. Ik was onder de indruk tot in de toppen van mijn shoes.”

Een huiskamer in Deurne-Noord, eind jaren zestig. De chips aangebroken, de tv ontstoken,en de familie klaarzittend om de wedstrijd Racing White - Antwerp te bekijken. (In die jaren zond de BRT eens in de maand één competitiewedstrijd uit.) Daar zaten we dan, in onze stretchen pyama's, als trouwe Antwerp-aanhangers met  roodwitte sjaal om de hals en roodwitte muts op de kop, de koperen scheepstoeter blazensbereid. Aant-warep (boemboemboem op de salontafel) Aant-warep! Op het scherm of op de Bosuil maakte voor ons weinig verschil, you'll never walk alone.
Anno 1993 ga ik alleen nog kijken als er werkelijk wat op het spel staat, maar toén vond ik het iets heldhaftigs hebben om week na week, in weer en wind, in goede en in kwade dagen die ploeg aan te moedigen. Rood van schaamte en wit van schrik, hoonden die van Beerschot toen Antwerp degradeerde. Je droeg het als een martelaarschap. En ooit zou wel de verrijzenis komen.
Nu, 113 jaar na zijn oprichting stapt de Great Old uit de catacomben: Antwerp gaat naar Wembley (spreek uit: Wem-be-ley).
Wie zeker een door het theaterdecreet gesubsidieerde vreugdedans heeft uitgevoerd, is Luk Perceval (35), artistiek leider van de Blauwe Maandag Compagnie  en al langer dan een blauwe maandag Antwerpfan. Perceval heeft tot zijn vijftiende bij Antwerp gespeeld en wordt naar eigen zeggen ‘nogal wat liever’ over voetbal dan over theater geïnterviewd.
"Als ik een theaterstuk moet uitleggen blijf ik in algemeenheden steken. Als ik over voetbal spreek, kan ik lyrisch worden. Zoals bij dat derde doelpunt, Lehnhof scoort tegen Spartak Moskou, dan zit ik te janken op die tribune. Dat is ontroering in mijn binnenste vergaard na 27 jaar lief en leed met die club te hebben meegemaakt. Er zit tussen Antwerp en mij een navelstreng.
Vijf jaar geleden schreef ik mijn twee zonen in bij de miniemen. Dat was zo'n twintig jaar nadat ik als UEFA-junior bij Antwerp was weggegaan en achter die schrijftafel zit Charles van Rieck, een mannetje van 9O jaar en mijn  ploegafgevaardigde toen ik nog miniem was. Ik zeg hun namen -Jeroen en Steven Perceval-, hij kijkt van zijn blad naar mij: "Gij et veur den ierste keer meegespeld oep den Olsé, ne zondag oem elf uur en we emme gewonne mè 1-4! Jongen, dan stroomt er zoveel ontroering door mijn lijf, dan voel ik mij zo verknocht, dat is niet te geloven."

Ingescand uit Humo

Ingescand uit Humo

HUMO: Ben je ook verknocht aan dat stadion, aan die legendarische betonkuip van de Bosuil?
Perceval: "
Den Bosuil! Dat stadion is voor mij een relikwie.  In 1972 -ik was toen veertien- ben ik ballenraper geweest bij een België-Holland, zo'n avond waarop de Bosuil ineens De Hel van Deurne wordt. Al die commotie, al die legendarische spelers binnen oogafstand, daar was ik van onder de indruk tot in de toppen van mijn shoes! Dat stadion, dat is mijn jeugd. Ik heb daar geravot, verstoppertje gespeeld, een eerste lief uitgekleed, gewed met een kameraad dat hij niet in een lichtpyloon durfde klimmen om daar -op grote hoogte en tijdens een wedstrijd- zijn broek af te steken, wat hij dedju ook nog gedaan heeft, ... àlles heb ik daar meegemaakt. “
HUMO: Wat mij nog altijd fascineert, is hoe je via dat achtergeborgte waar het altijd naar pis en hotdogs stinkt, over zo'n betonnen trap ineens in dat stadion komt. De zon schijnt op die witte bankjes, een geur van zoet gras en milde sigaartjes waait je toe, met al dat opgewonden vooraf-geroezemoes van al die toeschouwers. Heerlijk.
Perceval
: "Terwijl jij in het stadion kwam, heb ik als jonge kid meermaals tussen de lijnen gestaan. Wij speelden met de miniemen vaak de voorwedstrijd voor de grote match. En één keer heb ik voor de ogen van al die toeschouwers een doelpunt gemaakt, mijn enige doelpunt van dat seizoen. Dat applaus dat toen opklonk voor mij, -ik schat van zo'n tienduizend toeschouwers- dat applaus zal ik nooit vergeten. Het was alsof de hemel voor mij openging. Ik zal ook nooit de eerste keer vergeten dat ik die grasmat als speler mocht betreden. Op dat moment was dat stadion zo goed als leeg omdat het een jeugdwedstrijd betrof, maar in mijn fantasie zat daar natuurlijk zestigduizend man! Uiteraard was mijn grote droom om ooit in de eerste ploeg te mogen spelen. Maar die droom viel aan duigen bij de UEFA-juniores: ik zag dat ik te licht woog en dat je als middenvelder geen twee, maar drie longen moest hebben en die had ik niet. Mijn voetbalcarrière is uiteindelijk bij het Katholiek Sportverbond geëindigd. Maar in mijn droom en in mijn slaap speel ik vaak bij de eerste ploeg. Tussen mannen als Czerniatinsky, Severeyns en Smidts. En meestal ben ik voorstopper en belast met een speciale bewakingsopdracht, Nilis uit de match houden bijvoorbeeld. Die raakt natuurlijk géén bal! (lacht)

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs


Boeren!
Perceval: "Door die finale in Wembley is Antwerp voor eeuwig en altijd "de ploeg van 't stad", maar Antwerp is geen stadsploeg zoals Beerschot er een is. Antwerp is veel meer een volksploeg, omdat ze rekruteren uit de volksbuurten en omdat ze in Deurne spelen en niet binnen de stad. Nu zit Beerschot in tweede, maar als Antwerp vroeger op het veld van Beerschot verscheen, dan werd toch luidkeels "Boeren! Boeren!" gescandeerd. Ook als wij met de miniemen van Antwerp tegen Beerschot speelden, zag je het verschil: die jongetjes hadden betere shirts, een beter veld en ze gedroegen zich ook anders, met veel meer kapsones dan wij. Wij zagen er nog zo'n beetje vooroorlogs uit met onze dikke katoenen shirtjes die met een veter om de hals sloten en met onze stijfgesteven broekjes waar je je billen aan sneed."
HUMO: Die rivaliteit met Beerschot nam bizarre vormen aan. Ik herinner me één wedstrijd waarbij Antwerp-supporters een kartonnen paars-witte Christus met kruis en al op het Beerschotveld neerpootten en vervolgens in brand staken.
Perceval: "
Ik ben vroeger lid geweest van de Spionkop, wij stapten met vijfhonderd man én met vlag en wimpel te voet van het Centraal Station naar het Kiel. En onderweg pikten wij eieren uit de winkels om de majoretten van Beerschot te kunnen bekogelen. Een paar keer hebben we 's nachts ook de doelpalen van Beerschot zwart geverfd. Dat had zijn charme, die deugnieterij.
Om op dat volkse terug te komen. Mijn ouders die ex-schippers waren, woonden in Deurne-Noord, vlakbij het Albertkanaal en uit dat "kanaalkantje" ben ik haast logischerwijs bij Antwerp terechtgekomen. Want al wat in onze buurt aan snotneuzen rondliep, speelde bij roodwit. De familie Mariman woonde daar ook! (Frank en Ludo speelden lange tijd bij Antwerp. Ludo later ook bij The Kids,jh) .Als kind kenden wij maar twee spelletjes: tegen-de-muur-sjotten  of rond-den-blok-koersen. Iets anders was er niet. Mijn ouders hadden het niet breed, wij gingen nooit met vakantie, Antwerp en de wielerzesdaagse, dat was zowat de enige ontspanning. Ik ben bij de Antwerp-miniemen beginnen spelen toen Antwerp voor het eerst in zijn geschiedenis naar tweede was gezakt (seizoen 1967-68). Toen ze na twee jaar uit dat vagevuur stapten, was dat een soort heropstanding. Ook wij als jeugdspelers kregen bij het begin van dat seizoen een preek van de trainer: Antwerp ging het roer omgooien en wij moesten dubbel zo hard ons best doen."

© Wietse Hertoghs

© Wietse Hertoghs

Cruijff en de trekbiljart
HUMO: Ik herinner mij ook dat annus fantasticus toen Antwerp weer naar eerste promoveerde. Na de beslissende match op Waterschei en toen iedereen het veld opstormde, en ze de spelers uitkleedden om een souvenir te hebben, kon ik het onderhemd(!) van keeper Eddy Braem te pakken krijgen. Dat heeft nog jaren boven mijn bed gehangen.
Perceval
: "Zo'n fetisjisme had ik niet. Wel heb ik lange tijd met een enorme roodwit geblokte vlag rondgelopen. Als ik met dat vaandel op de tribunes zwaaide, zagen vijfhonderd mensen geen bal meer! Op Club Brugge hebben ze dat doek om die reden zelfs willen afpakken en daar is toen een vechtpartij uit ontstaan. Voor de bekerfinale tussen Antwerp en Anderlecht (1975) had ik een Amerikaanse helm half rood en half wit geschilderd en daarop een bekertje gekleefd zodat die helm eruitzag als een Duitse pinhelm. Daar heb ik ook lang mee rondgelopen. Ik was ook een verwoed autogrammenjager. Handtekeningen van Antwerpspelers, maar ook handtekeningen van internationale topvoetballers. Mijn succesjaar was 1972 met de Europese eindronde voor landenteams die toen in België gespeeld werd. Ik had de handtekeningen van Cruijff, Van Hanegem, Neeskens, Beckenbauer, Vogts, noem maar op. Boeken vol had ik, en over elke handtekening kleefde ik een cellofaantje zodat de inkt nooit zou verbleken! Cruijff was toen mijn god en ik heb hem zien trainen op de Bosuil. Maar na de training -en dat vergeet ik nooit!- stond ie in het buffet te flipperen met een sigaret in zijn mond! Mijn allerhoogste idool schuddend aan die flipperkast met -en dat vond ik nog het ergste!- een vulgaire sigaret tussen zijn lippen. Wat een demystificatie!"
HUMO: Mij is het als jong supporter één keer overkomen dat ik na een uitwedstrijd in Sint-Truiden de hele Antwerpploeg in een doodgewone taverne zag staan. Van Moer met een biljartkeu en supporters die zomaar hun arm om die spelers legden, onbetamelijk vond ik dat! Ik kende ze alleen maar vanop grote afstand, en nu stonden ze daar, Antwerps pratend en bier tot zich nemend. Ik wou dat ik het niet gezien had.
Perceval:
 "Zelfs als jeugdspeler heb ik maar één keer een Antwerp-speler buiten het veld ontmoet. Ook voor ons was er die afstand waardoor die spelers een soort halfgoden waren. Die afstand creëert de mythe hé. Op video heb ik een tv-uitzending waarin Hugo Camps met Freek De Jonge door het Bosuilstadion wandelt. En Freek vertelt welke herinnering hij heeft aan "de hel van Deurne". Wat voor een onuitwisbare indruk dat gehuil -verweg in een ander land- op hem maakte, als kind zittend bij de radio. Radio kon toen nog legende schrijven, want er was nog geen tv. En je ziet Freek die originele houten doelpalen betasten, pràchtig is dat. Zelfs nù nog vind je op de Bosuil geen ronde staalbuizen in het doel, maar stoere vierkante balken."
FC Middenstand
HUMO: Antwerp is een wisselvallige ploeg. Winnen tegen Spartak Moskou, maar jaren later in de Belgische beker uitgeschakeld worden door vierdeklassers als Libramont en Dottignies. Groots in grote wedstrijden, klein in de kleine matchen.
Perceval:
 "Onder Georg Kessler en onder Guy Thys was Antwerp geen up-and-down-ploeg. Zij zijn de trainers die Antwerp constant konden laten presteren tijdens hun "bewind". Walter Meeuws is ook zo'n autoriteit, onder hem beleeft Antwerp nu grote dagen, maar als ik Meeuws met Thys en Kessler vergelijk, is Meeuws eigenlijk iets te tof voor de jongens, hij staat eigenlijk iets te dicht bij de spelers om ze week na week te laten presteren.

luk zelf.jpeg

Eigenlijk leid ik mijn troep, mijn Compagnie ook als een voetbalploeg. En zoals een trainer goeie voetballers niet moet leren hoe ze moeten spelen, zo moet een regisseur evenmin zijn acteurs leren hoe ze moeten acteren. Kijk naar de opwarming voor de match. Dan zie je hoogstandjes en goocheltruukjes, haarfijn getrapte doelschoten, loepzuivere passes, alles doen ze dan met de bal, want ze zijn ontspannen. Maar dan komen ze op het veld, die stress valt op hun lijf, en hop, ze zijn de helft van hun kunnen kwijt. Daarom moet een trainer geen technieker zijn, maar een vaderlijke autoriteit, een papa voor die spelers.  En al wat die "papa" moet doen is die speler of die acteur op zijn vertrouwen werken zodat zijn creativiteit opbloeit en zijn energie vrijkomt. Als je een acteur teveel op zijn techniek aanpakt, dan zal hij onder zijn capaciteiten spelen. Net alsof je een voetballer met een te technische opdracht in het veld stuurt, die voelt zich ook in zijn creativiteit belemmerd. En voetbal IS creativiteit. Voetbal IS grote kunst voor mij. Ik heb hier een video met uitsluitend slow motion-opnamen van Johan Cruijff. Als je ziet wat die voetballer binnen één seconde in zijn hoofd beslist en met zijn benen uitvoert, dat is puur kunstenaarschap, dat is hoogbevlogen creativiteit. Zoals hij met heel zijn lichaam en met opgestoken vinger kon faken alsof ie naar links ging trappen en terwijl met buitenkant voet die bal naar rechts trapte, dat is onwaarschijnlijk geniaal. Ik kan zitten schreien als ik dat zie."
Humo: Antwerp klimt nu naar een internationale top. Kunnen ze dat bestendigen?
Perceval:
“Tja, je zit daar met die voorzitter Eddy Wauters die nooit eens zijn nek zal uitsteken en die absoluut niet de dynamiek van een havenstad belichaamt. Andere havensteden zoals Rotterdam, Marseille, Hamburg, Bremen of Liverpool hebben allemaal grote ploegen met een belangrijke internationale uitstraling. Antwerpen heeft dat niet en het lijkt erop dat Antwerp dat economisch potentieel uit zijn haven gewoon niet benut. Antwerp is nog teveel een middenstandsploeg waar Janneke en Mieke een kartonnen bord langs het veld mogen zetten. Er zit geen lijn in, er staat geen groot project voor ogen. Kijk naar die business seats, dat complex staat daar als een luxueuze steenzweer op dat amechtige betonstadion geënt. Precies of ze hebben van grootmoe een borst geamputeerd en haar een poepsjieke prothese aangepraat. Een dure pleister is het, een gouden tand in een oud gebit. Mij doet dat pijn aan het hart. Er is te weinig risico, te weinig verbeelding, te weinig kunstenaarschap bij Antwerp. Het bestuur kruideniert nog teveel. Zo'n middelmatigheid is toch uit den boze in het voetbal. Welke toeschouwer, welke voetbalfan is geïnteresseerd in een ploeg die de middelmaat en de middenmoot in haar vaandel voert. Daar komt toch niemand naar kijken! Mijn twee zoontjes spelen bij Antwerp, maar Antwerp heeft geen echte kweekschool voor zijn jeugd zoals Anderlecht dat heeft. Die jongetjes moeten zich nog altijd in diezelfde triestige kabientjes omkleden waar ik mij 25 jaar geleden heb omgekleed. OK, Hans-Peter Lehnhof en Walter Meeuws komen bijna elke zondag kijken naar dat jonge grut, maar dat is puur uit sympathie, een echt lange-termijn-beleid is er niet."

© Wietse Hertoghs

© Wietse Hertoghs

HUMO: Voor heel wat mensen staat Antwerp nog altijd gelijk aan de heethoofdige X-side.
Perceval:
 "Hooliganisme is een maatschappelijk fenomeen, het gebeurt bij voetbalwedstrijden, maar het heeft met voetbal geen uitstaans. Het is gecultiveerde agressie en die vind je niet alleen in en om de stadions. Die hooligans met hun geweld moet ik niet, maar heel die brutale opdringerigheid van alle soorten rondwentelende en uit-en-aan flikkerende reclames, dat moet ik evenmin. Dat totaal gebrek aan stijl -ook in andere stadions-, vind ik zo triestig. Toch kunnen noch de commerce noch het hooliganisme bij mij de poëzie van het spel wegnemen. De poëzie is de menselijkheid tijdens zo'n wedstrijd, zo'n match is als het leven zelf, met de hoogtes en laagtes van een ploeg, met de inzinkingen en de opflakkeringen van een speler. Hoe zo'n match ineens kan kantelen. Plots, na een hoekschop die nipt naast gaat, waart er iets door die spelers: je merkt hernieuwde wilskracht en ja, verdomme, het zit er nog in! En wat depressie was, wordt hoop. Dat spel krijgt ineens ook meer drift, meer agressie, wonderlijk om zien zo'n ommekeer!
Ik kijk zeer graag naar Engels voetbal. In Engeland wordt minder op tactiek gespeeld, daar is het nog veel meer patsboem en om ter hardst achter die bal aanhollen, met slidings en tackles en gevaarlijke kopstoten, puur uit honger naar die bal. Een ploeg die goed georganiseerd en doordacht voetbal brengt, dat is beter voor het resultaat maar ook minder ontroerend om zien. Ik zie voetballers het liefst gààn naar de goal. Keer op keer, telkens opnieuw, zonder vaar of vrees. Zoals Antwerp in de tweede helft tegen Spartak Moskou. Technisch lagen ze onder bij die Russen, maar ze bleven knokken om die bal, al was het op hun knieën. Dat knokken, dat niet opgeven, dat gaan en opnieuw gaan, dat is voor mij de ware aard van voetbal."
De Wembley-emotie
HUMO: Voetbal is ook onuitgegeven. Van een concert kan je het verloop redelijk voorspellen, maar bij voetbal liggen miljoenen spelpatronen klaar en vooraf weet je nooit hoe de wereld er 9O minuten later zal uitzien.
Perceval: "
Triomf en tragedie liggen op elf meter afstand van mekaar. Lehnhof die klaarstaat om die penalty te trappen tegen Moskou. Vander Elst die klaarstaat bij de stip in de wereldbekermatch tegen Spanje, dat is niet na te vertellen, wat voor gevoelens er dan door zo'n speler gaan. Elk jaar kijk ik naar de Engelse cup final op tv. Dat is mijn jaarlijkse ontroering die ik voor geen geld wil missen. Eerst die samenzang, die liederen die intens gezongen worden door de supportersscharen, want eindelijk zijn ze op Wembley, onnoemelijke wedstrijden zijn eraan voorafgegaan en verdorie, wat hebben we afgezien! Ondertussen zie je die twee ploegen klaarstaan in de catacomben, vlak voor ze uit de tunnel duiken. In de verte -en de BBC brengt dat prachtig in beeld- zie je de zon en het gras, maar binnen is het nog donker, die gezichten zijn bleek weggetrokken van de schrik en de spanning, kijk maar naar dat bijten en dat malen van die kaken op die kauwgom, en die kleine sprongetjes die ze maken op die tegels, en dan doet de BBC-man teken ... en dan komen die spelers uit dat tunnelleke in die immense kolk van volk, in die zee van dat stadion... Jong, dan ik zit te bleiten in mijn zetel!
Met Jan Fabre die ook bij Antwerp gespeeld heeft, ga ik af en toe naar een wedstrijd kijken. Laatst nog naar Antwerp-Anderlecht en toen die spelers opkwamen en 15.OOO toeschouwers lieten horen dat ze er waren, zei Jan:" Dit kunnen wij nooit ofte nooit bereiken."

Mei 1993. Duizenden Antwerpsupporters zijn met treinen onderweg, de lange reis richting Oostende en Wembley.    © Stephan Vanfleteren

Mei 1993. Duizenden Antwerpsupporters zijn met treinen onderweg, de lange reis richting Oostende en Wembley. © Stephan Vanfleteren

 

                     

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De alziende corona-camera: de burgemeester met het fotografische geheugen

Door de nieuwe corona-maatregelen met vaak lokale verstrengingen is de rol van de burgemeesters heel belangrijk geworden.
Burgemeesters van 2020 moeten een alziend oog hebben. Sluiten de cafés op het voorziene uur? Dragen de inwoners hun masker in de drukke straten? Volgt het woonzorgcentrum de strenge maatregelen in verband met bezoek? Zijn er voldoende camera's als één van m'n agenten een vuistje uitdeelt? U ziet, een burgemeester moet één en al oog zijn.
En dan helpt een fotografische geheugen, zoals bij deze West-Vlaamse burgervader. Hij is de perfecte contact-tracer avant la lettre! 

Humo december 2010 - licht ingekort (c)Jan Hertoghs

Ingescand uit Humo/ Foto: Jelle Vermeersch

Ingescand uit Humo/ Foto: Jelle Vermeersch

De man van de 20.000 namen en gezichten
"Sommige mannen zijn vrouwenzot. Ik ben ménsenzot."

Je kent het gevoel vanop recepties, feesten en fuiven. Je begeeft je in een dichtbevolkte bubbel van personen en hun voornamen. En oei, hier twijfel je tussen Els en Ellen, twee groepjes verder zeg je besmuikt hallo (het was Bert besef je achteraf), en weer drie stappen verder wordt het een afgang ("dag Katia" - "het is Nadia"). De hersenen rijden lek, je steekt je wiel in de lucht, maar de volgwagen van het geheugen laat je hopeloos in de steek.
Iemand die daarmee nooit problemen heeft is Ignace  Dereeper (64), burgemeester van de West-Vlaamse stad Oudenburg. Naast zijn duizenden inwoners kan hij nog vele duizenden andere gezichten onthouden van zijn vroeger beroep buiten Oudenburg. En alle gezichten onthoudt hij met naam én adres. Spreek vijf woorden met hem en je zit voor altijd in zijn brein.

Humo: In februari 2010 zat u in "Het Dorp" (Man Bijt Hond) en toen zei u dat u als burgemeester achtduizend van de negenduizend inwoners kent. Maar hoe weet u dat het er 8000 zijn?  
«Als er hier op een jaar gemiddeld honderd sterfgevallen zijn, dan is er af en toe één die ik niet gekend heb, soms twee. En twee op honderd, dat is een kleine tweehonderd op negenduizend, en voeg daar nog de baby's en de kleutertjes bij, dan kom je ongeveer bij duizend "onbekenden".
Onlangs kwamen ze hier voor een reünie de lijsten opvragen van iedereen die in 1950 in Oudenburg geboren was. En dan heb ik die lijst van die zestigjarigen zelf eens overlopen en er was niemand bij die ik niet kende."
Humo: Terwijl die mensen jonger zijn dan u.
«Ja. En waarvan sommigen allang niet meer in Oudenburg wonen: naar overal zijn ze uitgezwermd en daardoor heb ik ze soms in geen jàren meer gezien. Maar als ze in mijn straat hebben gewoond, met mij school hebben gelopen, of misdienaar zijn geweest, of in de jeugdbeweging of een andere vereniging hebben gezeten, dan kén ik ze. En als het reünie is, dan ben ik aanwezig en dan zal ik proberen om al hun echtgenoten en echtgenotes te leren kennen. Daar ben ik heel gedreven in." 
Humo: Kent u ook de kinderen, jonger dan tien bijvoorbeeld?
«Als ik die kinderen samen met hun ouders heb gezien, dan ken ik ze. Onlangs was er hier een evenement waarbij ik veel ouders gezien heb, deels op de school, deels op het stadhuis en in een volksvergadering. De meeste ouders kende ik, en wie ik nog niet kende, daarmee heb ik kennisgemaakt. Even ermee praten is genoeg om hun naam en hun gezicht te onthouden. En als hun kind erbij was en zij die naam van dat kind gezegd hebben, dan ken ik ook dat kind."
Humo: En met kennen bedoelt u...
«Levenslang onthouden.
Humo: Dus zowel die dertigers als hun kinderen?
«Inderdaad. Ik zal die gezichten, die namen en die voornamen voor altijd onthouden. En als ik ze op straat, op een feest of elders terugzie, dan zal ik ze goeiedag zeggen met voornaam of familienaam.
Ik leer ook kinderen kennen op het voetbalveld. Ik ga naar de duiveltjes zien, of de preminiempjes en de kadetjes. En als ik ze samen met de papa heb gezien, dan weet ik: dat is een Gevaertje. Dat is een Lesaffertje, enzovoort. Alleen al door naar de fysionomie te kijken, onthou ik de familienaam van dat kind."
Humo: Hoe gaat dat dan in uw hoofd? Gebruikt u een ezelsbruggetje? Vriendelijk gezicht= Devriendt?
«Nee. Dat komt bij mij "binnen" en dat zit erin."
Humo: U moet niet doordringend kijken? U moet niet even de tijd nemen om dat gezicht en die naam "in te prenten"? 
 «Nee. 't Komt automatisch, 't komt intuïtief. Als ik mensen terugzie, hoef ik m'n hersenen ook niet te pijnigen, dat is één oogopslag en ik weet wie ik voor me heb. Pas op, ik ben niet onfeilbaar. Als je vierenzestig bent, dan heb je een massa mensen gezien en gesproken. Zeker wanneer je zoals ik tweeënveertig jaar in de politiek zit, en nog veel langer in het verenigingsleven. En vroeger heb ik dan ook nog maatschappelijk werk gedaan bij de CM (Christelijke Mutualiteiten). Ik heb heel veel mensen thuis bezocht, en ja, die komen er ook allemaal bij." Humo: En dat zijn geen inwoners van Oudenburg?
«Inderdaad. Voor het ziekenfonds heb ik in heel de regio rondgetoerd. Middelkerke, Diksmuide, Klerken, Zarren, Houthulst, (tot op 25 km van Oudenburg,jh). Ik deed dat werk in de periode 1977-1987, dus als ik iemand van toen terugzie, dan is dat zeker twintig jaar geleden dat we mekaar gezien hebben. En dan vraagt het oproepen van die naam wel eventjes tijd. Want gezichten veranderen met de jaren, zeker wanneer er ziekte of miserie is geweest. Maar ineens klaart dat dan op. Ik zie bij dat gezicht een gemeente, en dan een straat en dan zijn huis, en pàts, dan heb ik zijn naam."
Humo: U ziét die straat voor u?  
«Jaja! Als u mij vraagt om de Klerkenstraat in Houthulst te beschrijven, dan zie ik die straat zo voor mij, mét alle huizen."
Humo: Het huis en het adres zijn dus belangrijk om een naam te plakken op iemands gezicht. U moet de persoon kunnen "lokaliseren". 
«Ik moet vooral ons eerste gesprek kunnen lokaliseren. Zag ik hem thuis, in de voetbalkantine, of op een gouden bruiloft? En als ik dat weet, als ik ons weer zie babbelen, dan herinner ik me ook de naam."

Geef hem een straat en een huisnummer en de burgemeester zegt wie er woont en hoe de inwoners eruitzien. (c) Jan Hertoghs

Geef hem een straat en een huisnummer en de burgemeester zegt wie er woont en hoe de inwoners eruitzien. (c) Jan Hertoghs

Humo: U kent alle straten en huizen waar u vroeger huisbezoek hebt gedaan. Dan kent u in Oudenburg allicht ook alle straten.
«Ik ken er alle straten én alle huizen. Het zijn er vierduizend ongeveer."
Humo: Vierduizend huizen kennen. Dat is fenomenaal! Ziet u dan een soort foto van dat huis?
«Ja, dat is een foto. Ik zie de gevel, ik zie de voortuin, ik weet of ze langs de voordeur dan wel langs achteren binnen gaan. En van de achtertuin weet ik of er groenten of grote bomen staan."
Humo: En het huisnummer op de gevel.
«Ook dat zie ik voor mij. Het cijfer en ook het soort huisnummer, de typografie ervan."
Humo: Maar er zijn honderden types van huisnummers. In email, in aluminium, in rode plastic, noem maar op.
«Ik zié dat allemaal. En ook of die gevel in nieuwe of oude baksteen is. Mét kleine garage, met grote garage. Door mijn huisbezoeken ken ik ook veel interieurs.  Van mensen waar ik nu kom als burgemeester, maar ook van mensen waar ik vroeger geweest ben, in de periode 77-87 toen ik voor de CM werkte,  ik zou ze nog allemaal perfect kunnen omschrijven. Niet alle details, niet die ene blauwe vaas of dat ene bloemenschilderij. Maar wel: eiken interieur met aquarium, typisch landbouwinterieur met Leuvense stoof, of modern interieur met strakke meubelen. Ook onthoud ik waar vaak verse snijbloemen staan en waar er nooit bloemen staan. De sfeer van een huis of huishouden onthoud ik heel goed: altijd lekker warm, koud en kaal, altijd een "druppel", veel drukte met kinderen, eenzaam en vervuild, slordig met plakkerige tafel en stoelen."
Humo: U gaat later een heemkundig werk kunnen schrijven: de interieurs van Oudenburg en omstreken anno 1977-1987.
«Dat is zeker zo. En ik zou er gelijk de tractortypes en de automodellen van toen kunnen instoppen. Want ook voor voertuigen heb ik een grote belangstelling. Plus! Ik onthou ook heel goed brievenbussen. Dat zit zo. Mensen komen met een probleem of een vraag op mijn zitdag, en ik zorg nadien voor een schriftelijk antwoord. Ik kan dat vanuit het stadhuis met een postzegel versturen, maar ik verkies om die brieven zelf te bussen. Ik zie dat als een ontspanning: 's avonds voor ik ga slapen, spring ik in mijn auto en doe ik m'n pudderonde (= puitenronde), hop, hop, hop, zoals een kikvors. En dan zie ik al die brievenbussen! En al de rest natuurlijk. Is die woning goed gesoigneerd, is de pelouse afgereden, is de tuin proper of een woestenij. En intussen kijk ik ook rond op straat. Brandt de openbare verlichting? Zitten er stoeptegels los? Dat doe ik dan één moeite."         

Humo: Kan u ook zeggen waar ze al vroeg een kerstboom hebben staan? Of waar een kerstman de gevel beklimt?
«O ja, dat zie ik zo voor mij. Dorpstraat 21: Patrick V, ongelooflijk veel decoratie en kerstverlichting. Die loopt zelfs door tot op de omheining van zijn buurvrouw,  Maria C., dat is de Dorpsstaat 19.
Het is een passie van mij. Ik wil alle mensen in mijn omgeving leren kennen, met hun blije en met hun droevige momenten. Vanmorgen ben ik naar de begrafenis van André V. geweest, echtgenoot van Julia V.T. En ja, ik zag enkele van hun dochters, dan schieten die namen mij te binnen en dan stel ik vast, hm, tien jaar ouder, maar ze zien er nog goed uit!"
Humo: U bent altijd en overal met namen en gezichten bezig
«Ja, ik zit altijd en overal naar de mensen te kijken. Dat is soms wel eens onbeleefd, zegt mijn vrouw. Maar ik kan niet anders, het is sterker dan mezelf. Ik kom graag op bijeenkomsten, en dan zie ik de mensen die ik ken, maar nog snéller de mensen die ik niet kén. Zo'n onbekende, dat werkt op mij als een magnéét! Ik wil die absoluut leren kennen. Ik ben 64, maar ik zal ook de jonge gasten leren kennen: via de jeugdraad, maar ook via de jeugdbewegingen. De Chiro organiseerde onlangs een spagetti-avond, wel, dan ben ik present."

De burgemeester volgt van zeer nabij zijn inwoners

De burgemeester volgt van zeer nabij zijn inwoners

Humo: Kent u ook het beroep van de Oudenburgenaren?
«Dat ging vroeger beter. Ik kende de werkgevers uit de streek en ik wist wie er bij hen werkte. Maar nu zwermen de mensen verder uit om te gaan werken, en ze veranderen ook sneller van werkgever, dus dat wordt moeilijker. Maar als ik met hen ooit over hun werk gesproken heb, of als ik ze met hun beroep op de kiezerslijsten heb zien staan, dan zal ik dat onthouden.   Ik praat ook makkelijk met de mensen: op straat, in hun vereniging en op mijn zitdagen. Op die spreekavonden zie ik tussen de honderdtwintig en de tweehonderd inwoners per maand. Dat is een zeer hoog aantal. Andere burgemeesters zien hooguit enkele tientallen inwoners per maand.
En dan volg ik ook nog eens de nieuwkomers. Zie ik ergens een nieuw gezicht bij een huis, dan zal ik stoppen en de persoon welkom heten en de hoop uitdrukken dat hij het goed mag stellen in Oudenburg. En dan zit die persoon ook "binnen" in mijn geheugen. Dat is niet om mijn aantal op te drijven, dat is gewoon mijn manier van doen. Ieder mens heeft dat toch graag dat hij herkend wordt, en dat je zijn naam kent, en dat je iets van zijn partner of kinderen herinnert."
Humo: Werkt uw geheugen ook andersom? Als ik een adres opgeef, weet u dan wie er woont?!
«Dat weet ik zeker!
Humo: Weststraat 6!
«Dat huis is afgebroken (lacht).
Humo: Weststraat 120.
«De straat loopt maar tot 70.
Humo: Mariastraat 12!
«Plezierig dat je dat vraagt. In dat huis woont onze negenduizendste inwoner! Willy M. met zijn vrouwtje Ingrid D. Ik ken ze allemààl in de Mariastraat!"
Humo: Had u die gave ook al toen u kind was?
«Eigenlijk wel. Mijn eigen klasmakkertjes van het eerste studiejaar kende ik al heel vlug, met hun naam én hun adres. En toen ik tien was, kende ik alle jongens van de gemeenteschool. Daar waren toen nog acht klassen van elk dertig leerlingen, dus dat ging om tweehonderdveertig jongens.  Ja, ik kende ik ook de oudere jongens, daar keek je naar op bij het voetballen, en toen mocht er ook nog zo'n beetje gepest worden en zo. Natuurlijk dat je die groten dan onthoudt." 
Humo: Hebt u al van fysionomisten gehoord? Dat zijn mensen die extreem veel gezichten kennen. In casino's worden ze ingehuurd om gokkers met een speelverbod van de tafels te weren.
«Nooit van gehoord. Het is ook niet mijn beroep om die gezichten te onthouden. Het gebeurt en passant zou ik zeggen. Als burgemeester krijg ik de lijsten van mensen die nieuw aangekomen zijn en mensen die de gemeente verlaten hebben. En dan kijk ik waar ze naartoe gaan. Dat is puur uit interesse, maar zo geraakt het dan ook in mijn memorie." 

Humo: Hebt u ook iets met het onthouden van cijfers?
«Vroeger meer dan nu. Twintig jaar geleden kende ik zeker vijfhonderd nummerplaten van Oudenburgse wagens."
Humo: Dus, u ziet een auto, u ziet de chauffeur...
«En dan stop ik die nummerplaat bij die naam en dat gezicht. Die vereenzelviging gebeurt automatisch. Maar het onthouden is nu moeilijker omdat a) de mensen vaker van auto veranderen, b) de automodellen op mekaar zijn gaan lijken en c) die combinatie van cijfers en letters op de nummerplaten niet simpel is.  Hetzelfde met telefoonnummers. Vroeger kende ik makkelijk vijfhonderd telefoonnummers uit mijn hoofd. Maar vanwege de complexe gsm-nummers en het feit dat mensen nu een vast toestel én een gsm hebben, is alles ingewikkeld geworden."
Hete Julia
Humo: Als inwoners ooit een boete hebben gekregen op het grondgebied van uw gemeente. Zit dat dan ook in uw memorie?
«Als er een PV is opgesteld vanwege te snel rijden of dronken rijden, dan zit dat 's morgens bij mijn briefwisseling als burgemeester en ja, dan weet ik dat. Of neem de inwoners die vaak gehaast zijn en vaak foutparkeren, die ken ik allemaal. Idem voor de familiale conflicten waarvan ik op de hoogte ben gesteld. Of neem weer die nieuwkomers in de gemeente. Als ze zich inschrijven, dan zit er bij de inschrijving altijd een uittreksel van het strafregister. Ik zal niet nalaten van dat te lezen. Om te weten wat voor vlees ik in de kuip heb."

De burgemeester heeft last met het onthouden van de meer dan 500 Oudenburgse nummerplaten. Omdat hij de nummerplaten connecteert met de respectievelijke auto’s en  “die auto’s van tegenwoordig lijken teveel op mekaar”. (c) Jan Hertoghs

De burgemeester heeft last met het onthouden van de meer dan 500 Oudenburgse nummerplaten. Omdat hij de nummerplaten connecteert met de respectievelijke auto’s en “die auto’s van tegenwoordig lijken teveel op mekaar”. (c) Jan Hertoghs

Humo: De burgemeester als Big Brother?
«Het is nu eenmaal zo dat een burgemeester veel weet van zijn mensen, maar ik zal daar nooit misbruik van maken."
Humo: Neem, u ziet iemand op straat, dan klinkt zijn naam op in uw hoofd, maar hoe zit dat met zijn profiel? Ziét u die PV's en dat strafregister ook in uw hoofd? 
«Nee, dat is eerder een abstractie. Als ik een mens zie, zie ik allereerst zijn straat en zijn gevel. En dan pas verschijnt dat profiel. Brave mens. Zware jongen. Zet zich in voor 11.11.11 Zet zich in voor de parochie. Enzovoort."
Humo: U hebt uw pappenheimers als kind gekend, dus u weet van zware jongens die vroeger braaf zijn geweest.
«Of omgekeerd! Jaja, de levensloop van een inwoner is mij zelden een geheim. Ik ben twee jaar beroepsjournalist geweest voor Het Nieuwsblad, in 73-74, ik deed voor hen de zware dossiers, moordzaken en zo. En nu wil het toeval dat hier in Oudenburg op zes maanden tijd twee moorden gebeuren. Hier gebeurt nooit een moord en toen ineens twéé! De ene was Chareltje L. een klasgenoot van mij. Die zit in geldgebrek, stapt naar zijn tante in Oostende, bindt een sjaal om haar nek en wringt zolang tot hij wat krijgt. Maar hij wringt een beetje te hard en toen kon ze geen geld meer geven, want ze was dood. Dat was voor mij direct twee-drie volle bladzijden, ah ja, ik kende beide door en door. Tien jaar later komt hij uit den bak en heb ik hem een job gegeven, als delver bij de gemeente. En hij heeft dat schitterend gedaan, die tweede kans grijpen, en hij is ook een heel goeie echtgenoot, want zijn madamtje is ondersteboven gereden aan de Aldi in Koekelare, ze ligt al tien jaar plat, en hij verzorgt ze voorbeeldig. 
Bij de tweede moordzaak kende ik de twee verdachten én het slachtoffer. De verdachten waren Freddy V. en Lucien D., levenslang verdacht maar nooit veroordeeld. En het slachtoffer was de zogenaamde Hete Julia, aldus bekend in de plaatselijke textielfabriek, waar zij de opvallendste van de vierhonderdveertig dames was, ze had nogal wat affaires."

20.000 gezichten
Humo: In uw gemeente wonen ook allochtonen, met niet-Belgische namen. Die onthoudt u ook. Maar onthoudt u eveneens de juiste schrijfwijze van die namen?
«Jaja, Marokkaanse namen, Albanese namen, Belgische namen, dat blijft gelijk. Ik wil die zonder fouten onthouden. Dus ook of het Jansens, Janssens of Janssen is."  
Humo: Ik wil nog altijd een systematiek ontdekken in uw memoriseren. Als u op een receptie staat, bent u dan honderd procent geconcentreerd op de persoon waarmee u praat? Of bent u zo'n receptiebeest dat al pratend zijn ogen laat zwerven over de andere aanwezigen en voorbijgangers?
«Ik ben die laatste: ik praat, ik onthoud ook wat gezegd wordt, en intussen scan ik de andere omstaanders en de binnenkomers. En als er iemand is die ik niet ken, dan kan ik moeilijk weg op die receptie zonder dat ik weet wie het is."
Humo: U kent achtduizend inwoners in Oudenburg, maar daarbuiten allicht ook nog een groot aantal mensen?
«Ik ken overal mensen, en dan zeker in West-Vlaanderen. Naast die duizenden die ik via die huisbezoeken ken, heb ik ook nog loketwerk voor de CM gedaan in een aantal gemeentes en zo ken ik nog enkele honderden in Bredene, enkele honderden in Den Haan, zowat duizend Oostendenaars..."
Humo: Zitten we dan aan vijftienduizend?
«Ik denk zelfs twintigduizend. Maar het gaat mij niet om dat getal of om een record. Om zo'n goed geheugen voor mensen te hebben, moet ge eerst en vooral de mensen graag zien. Er zijn mannen die vrouwenzot zijn. Wel, ik ben mensenzot. Ik ben gepassioneerd door mensen. Wie ze zijn, wat ze doen, waarvoor ze zich interesseren." 
Peerke Pollentier
Humo: Kan u goed gebeurtenissen en data onthouden?
 «Alleen lokaal. Als De Slimste Mens over lokale gebeurtenissen in Oudenburg zou gaan..."
Humo: ... dan wint u glansrijk.
«Dat mag ik niet zeggen, maar ik zal toch een gedùchte kandidaat zijn!"
Humo: En kaarten onthouden bij het kaartspel, lukt dat goed?     
«Ik ga al eens naar een kaarting (kaartprijskamp), maar ik moet eerlijk zeggen: mijn kaartspel lijdt onder mijn ambitie om iedere aanwezige in die zaal te zien en te kennen. Ik kan dus beter kaarten als we slechts met vier man in een kamertje zitten (lacht).  Dat is ook zo bij een voorstelling of een concert, dan zit ik steevast op de laatste rij, want dan kan ik iedereen goed zien die aanwezig is. Dus als ik een voorstelling écht wil volgen, dan zou ik eigenlijk met mijn rug naar de mensen moeten zitten. Om niet afgeleid te zijn." 
Humo: U woont alles bij? Amateurtoneel, kaas- en wijnavond, overal waar inwoners bijeen zijn, daar bent u ook? 
«Absoluut. Maar ik kan me ook perfect opsluiten om een moeilijk dossier te bestuderen. Dan heb ik geen moeite om  twee dagen alleen te zijn. Ik moet niet altijd tussen de mensen zijn. Anderzijds moet ik toegeven dat ik weinig thuis ben. Ik zie dat in mijn agenda. De laatste jaren ben ik op zijn minst 265 avonden van huis, met één jaar dat ik zelfs  313 avonden niet thuis was. Wat wil je, Oudenburg is een actieve stad met honderdzesenveertig verenigingen." 

Al voor de oorlog had Oudenburg een burgervader met een fotografisch geheugen. Zo moet het er ongeveer hebben uit gezien in zijn hoofd.

Al voor de oorlog had Oudenburg een burgervader met een fotografisch geheugen. Zo moet het er ongeveer hebben uit gezien in zijn hoofd.


Humo: Hadden uw ouders ook zo'n fenomenaal geheugen?
«Ik weet dat niet. Mijn moeder kon dingen die haar verteld waren, ook van naaldje tot draadje opnieuw vertellen. Het was toen niet ongewoon dat de mensen veel van mekaar onthielden. Ze zagen en spraken mekaar meer dan nu, ze bleven ook langer op dezelfde plaats wonen en werken en ze waren voor het léven met dezelfde persoon getrouwd. Nu is er een Oudenburgenaar die al voor de achtste keer met een ander mokke trouwt, tja, dat maakt de zaken niet makkelijker."
Humo: Maakt het ouder worden het onthouden moeilijker?
«Voorlopig heb ik daar weinig of geen last van."
Humo: Van andere veel-onthouders is geweten dat ze vaak verstrooid en vergeetachtig zijn in praktische zaken.
«Bij mij is dat niet het geval. Ik zal niet gauw een sjaal vergeten of zonder bril en gsm mijn bureau verlaten. (Fotograaf Jelle Vermeersch komt binnen. Hij is van Keiem bij Diksmuide  en geen vijf seconden later is hij al op dreef: over de Keiemse pastoor en over de beroemdste Keiemse inwoner, Michel "Peerke" Pollentier, "toen woonachtig in de  Dodepaardenstraat numero 31!" En de Keiemse grootouders van de fotograaf, dat zijn oorspronkelijk Oudenburgenaren. "De Meesschaerts! Sterk boerengeslacht. Veel dierenkoopmannen in de familie! De Lange Meesschaert mat bijna twee meter. En zijn vrouw Flavie, dat was een berg, die woog bijna 150 kilo!")
Humo: Is het alleen een "lokale" gave, of loopt het ook door als u op vakantie bent? Stel, u bent in een hotel in Turkije met veel andere nationaliteiten. Werkt het dan ook?
«Dat werkt in elke leefomgeving. Natùùrlijk ken ik binnen de kortst mogelijke tijd het kamermeisje en de vrouw achter de bar en de kelner aan tafel, en àlle gasten waarmee ik een woordje gewisseld heb. En ik zal ze nooit meer vergeten! Vroeger was er geen tijd om op reis te gaan, nu gaan m'n vrouw en ik twee keer per jaar, en dan meestal met een groepsreis. Wel, alle gidsen van al die reizen kan ik me zo herinneren. Of ze ons nu in Duitsland, China of India hebben gegidst, ik ken hun naam en voornaam, of ze 't goed of slecht deden, en nog een pak persoonlijke anecdotes erbij. Eigenlijk is zo'n bus of hotel ideaal. Ah ja! Ge moet misschien maar vijftig mensen memoriseren, en ge hebt twee weken tijd om u te focussen. Dat is een makkie hé." 
Humo: Er bestaan mensen die niks kunnen vergeten: alles wat ze ooit gelezen, gezien of gegeten hebben, dat onthouden ze in detail. Zij zouden goud geven om af en toe iets te kunnen vergeten. Hoe is dat bij u? Raakt u niet bezwaard door die berg persoonsgegevens? Dat u er genoeg van hebt. Dat u niet wil dat er nog iets "binnen" komt.
«O nee, nee, nee, nee! Dat weegt totaal niet op mij. Ik ben altijd nieuwsgierig. Ik ben altijd op jacht om mensen te leren kennen."
Humo: Bedankt voor het gesprek. Hoelang gaat u mij onthouden?
«Voor altijd uiteraard! “

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Zomer van verveling: 13-jarige rijdt 800 km met oma's auto

De corona-zomer van 2020 grijpt sterk in op het leven van volwassenen, maar voor kinderen en scholieren zal deze zomervakantie eerder een saaie plek in hun herinnering worden. Ook de 13-jarige Jan-Ole beleefde een saaie zomerse zondag in 2008 en besloot dan maar 'uit het niets' om een avontuur te beginnen.
Humo juli 2008 -licht ingekort - © Jan Hertoghs

jan-ole 2.jpeg

Dertien jaar en dwars door Europa
"Het is hier zo saai. Ik wil een stukje van de wereld zien."

Er zijn krantenberichten van maar vijf lijnen die toch de allure van een film hebben. Op 23 juni lees ik: "13-jarige rijdt uit verveling 800 km met de auto van zijn oma". De zich vervelende jongeman heet Jan-Ole, woont in het noorden van Duitsland en is met oma's auto tot in Parijs kunnen rijden. In het Duits hebben ze het mooie woord Wanderlust voor dat aanstekelijke verlangen om op reis te gaan. En ja, tussen droom en daad kunnen praktische bezwaren staan, maar voor een kind van dertien is de wereld groot én overzichtelijk tegelijk. En zodoende stapte Jan-Ole in zijn eigen roadmovie en in de Hyundai automatic van zijn oma.

Om de jonge baanzwerver te vinden moet ik in Ostrhauderfehn zijn, een gemeente in Ostfriesland (deelstaat Nedersaksen). De laatste kilometers hebben malende schaduwen van windmolens en laagland met opgeschoten maïs en berkenbomen. Hier waren vroeger veenkolonies en het land ligt soms nog open in oude bruine turfkanalen. Het is warm, honden hebben de tong uit de bek en Ostrhauderfehn met zijn tienduizend inwoners blijkt veel uitgestrekter dan gedacht. Ik heb enkel het krantenbericht en de voornaam Jan-Ole; het is de plaatselijke middenstand die me zijn huis zal wijzen. Zijn ouders staan niet bepaald te wachten op journalisten ("we hebben alleen een interview willen toestaan aan twee kranten en twee tv-zenders") maar omdat ik van zover gekomen ben en Humo in deze contreien een onberispelijke reputatie geniet, mag ik binnen. Jan-Ole (geboren: 14 augustus 1994) geeft me een hand en je zou hem een kindvolwassene kunnen noemen. Met zijn  grote gestalte, zijn schrandere ogen achter het scherpe brilletje, en zijn ouders die hem tijdens het gesprek als hoogbegaafd zullen omschrijven ("daarom verveelt hij zich ook zo vaak.") Tegelijk is hij nog echt een kind dat gaat grinniken als hij hoort dat ik ook Jan heet en hij zal me ook ongegeneerd aangapen als ik vertel dat ik pas op mijn tweeëndertigste een auto kon besturen. Ik vraag hem of hij zijn reis lang van tevoren heeft zitten plannen.
Jan-Ole: «Nee. Het was zondagmiddag. Ik verveelde me zoals zo vaak en ineens had ik dat idee: als ik nu eens naar Spanje zou rijden, naar Dénia. Toen ik klein was, hebben we daar twee jaar gewoond. Ik wilde die plek nog wel eens terugzien. Het schooltje waar ik geweest ben, de kinderen van mijn klas, dat stadje, die omgeving”
Vader: «Dénia ligt aan de Costa Blanca, ten noorden van Benidorm. Een bouwondernemer hier uit de buurt had me naar daar gehaald om een aantal huizen te bouwen. Eerst waren we daar met korte periodes, maar op de duur was er zoveel werk dat we daar zijn gaan wonen. Jan heeft in Dénia schoolgelopen van zijn vierde tot zijn zesde. Als kleuter heeft hij dus heel vaak die weg naar Spanje gereden met ons."  
Jan-Ole: «Ik had Dénia gauw gevonden op internet en op de routeplanner zag ik via welke snelwegen en landen ik moest reizen om tot daar te geraken."
Vader: «Je kwam niet zomaar op dat idee hé. Het had ook met oma te maken. Je moeder, je zus en ik moesten de volgende morgen ieder met onze auto weg, maar oma was pas aan de rug geopereerd en kon niet autorijden. Dus ineens stond haar auto daar te niksen...”
Humo: Wat voor auto is het?
Jan-Ole
: «Een kleine Hyundai Atos met automatische versnellingen."
Humo: Had je al eerder met die auto mogen rijden?
Jan-Ole
: «Ja. Hier achter de tuin ligt een groot veld en daar had ik al rondjes gemaakt. Een jaar eerder had ik zelf een autootje gekocht. 't Was een oud wrak, ook een automatic, nog net goed genoeg om mee rond te karren, en ideaal om uit elkaar te gooien en met de onderdelen te prutsen. Ik ken wel wat van auto's en motoren, die bouwschema's vind ik op internet."
Vader: «Maar hij is dus nooit eerder op de openbare weg geweest. Nog voor geen meter."
Harde schijf
Humo: Had je geen twijfel vooraf? Enige angst die knaagde? Het was toch een afstand van meer dan 25OO km!
Jan-Ole
: «Toch niet. Ik was honderd procent zeker van mijn stuk. Ik heb natuurlijk wel aan de reactie van mijn ouders gedacht, dat ze boos en ongerust zouden zijn, maar de drang om die reis te maken was groter. Ik heb wat kleren en ondergoed ingepakt, maar niet teveel. In Spanje zijn ook wassalons, dus daar kon ik die kleren dan wel wassen. Wat ik ook heb meegenomen was de harde schijf van mijn computer zodat niemand kon zien welke route ik gepland had."

jan ole 4.jpeg

Humo: Had je landkaarten, een afgedrukt routeplan of een gps om je weg te vinden?
Jan-Ol
e: «Ik had de gps van mijn zus. Die had ik stilletjes uit haar kamer genomen een paar uur voor ik vertrok. En ik had mijn twee laptops en mijn Playstation mee, dat zijn drie dingen die me dierbaar zijn, dus die nam ik mee."
Humo: Had je wat bij om te eten en te drinken?
Jan-Ole
: «Nee. Daarvoor heb ik geld genomen. Huishoudgeld. Uit de portemonnee van mama... Honderd euro had ik bij me."
Humo: Heb je eraan gedacht om een vriend mee te vragen?
Jan-Ole
: «Geen seconde. Die zouden gedacht hebben dat ik zot was. Die zouden me niet geloofd hebben dat ik zoiets ging doen. “
Humo: Wanneer ben je dan vertrokken?
Jan-Ole
: «'s Nachts om twee uur. Ik ben niet meer gaan slapen, ik heb nog laat zitten lezen op de computer. Dat gebeurt wel meer, dat vinden ze hier thuis niet ongewoon. Toen papa en mama slaapwel kwamen zeggen heb ik gewoon wat teruggezegd zoals altijd. Ik wou niet extra vriendelijk zijn, dat zou teveel opvallen. In mijn bagage staken wel twee souvenirs: een foto van papa, mama, zus en oma. En ik had ook een klein stenen olifantje mee van mama. Zij verzamelt beeldjes van olifanten en die ene had ze me ooit gegeven.
Toen het twee uur was, ben ik stilletjes met mijn reiszak naar buiten gemuisd, ik heb de auto gestart, ben de weg opgedraaid en ik was weg."

Fahren auf der Autobahn!
Humo: Vond je het moeilijk om de deur achter je dicht te trekken?
Jan-Ole
: «Nee. Ik had maar één ding voor ogen: fahren! Eerst ben ik naar Leer gereden, een stadje op 20 km van hier, en vandaar kan je meteen op de Autobahn richting Groningen en Amsterdam. Tot Amsterdam had ik de gps zelfs niet nodig. De route zat in mijn hoofd."
Vader: «Hij is daar om vijf uur 's morgens toegekomen en hij wou de stad bezoeken en de grachten zien. Er was maar weinig volk op de been, zei ie. Nu ja, welke toerist is zo vroeg op?! Je hebt daar echt in die smalle straatjes zitten boren hé?!"
Jan-Ole: «Ja. Op de duur zat ik een beetje vast en ben ik door een enkelrichting gereden om terug op de hoofdweg te komen. Ik was op zoek naar een parkeergarage in het centrum en zo ben ik helemaal door de oude stad gereden. Na het parkeren ben ik gaan wandelen en na het wandelen heb ik twee uur geslapen op de autozetel. Ik wilde maar tot negen uur slapen, want ik wist: als ze om zeven uur mijn aanwezigheid merken, dan kan papa op twee uur rijden in Amsterdam zijn en tegen dan wilde ik uit de stad zijn (grinnikt om z'n plannetje).
Vader: «Ik ben rond zes uur naar mijn werk vertrokken, maar ik heb niet gezien dat de auto van oma weg was. Ik was pas op mijn werk toen mijn vrouw belde: Jan ist weg ... Ik ben gelijk weer naar huis gereden."
Moeder: «Ik was op om kwart na zes. Ik zat te ontbijten en vanuit het raam kan ik oma's auto zien staan, die staat altijd op zijn vaste plaats. Die morgen stond ie er niet, dat vond ik wel vreemd. En toen ik Jan wilde wekken om naar school te gaan, zag ik dat hij ook weg was en dat er een briefje op zijn bed lag. Een handgeschreven briefje: "Liefste allemaal, maak jullie geen zorgen, maar het is hier zo vervelend, ik wil een stukje van de wereld zien." Ik dacht: hoe komt hij erbij?! Hij is dertien, hij kan toch zomaar geen reis gaan maken met een wagen?!"  
Vader: «We hebben dan de lokale politie gebeld, die hebben de Kriminalpolizei ingeschakeld en die hebben op hun beurt via Interpol een internationaal signalement verspreid." 
140 per uur

jan-ole 3.jpeg

Humo: Zag je het als een reis, een vakantie of een expeditie?
Jan-Ole
: «(denkt na en glimlacht) Toch eerder als vakantie, want ik moest niet naar school."
Moeder: «Hij zit op de middelbare school, maar die week was het voorzien dat al de leerlingen van zijn klas een leerstage zouden lopen in een bedrijf in de buurt."
Jan-Ole: «Maar in de plaats zat ik in Amsterdam! En na Amsterdam ben ik naar Rotterdam gereden. Daar heb ik de haven gezien, en daarna wilde ik weer verder. In één trek naar Spanje."
Humo: Amsterdam, Rotterdam, met al die ringen en vele baanvakken rond die grote steden, dat is toch lastig als je daar niet bekend bent?
Jan-Ole
: «Boh, dat valt wel mee als je goed uitkijkt. En in Amsterdam was het nog vroeg, daar reed maar weinig verkeer. Die eerste morgen heb ik ook vrij snel kunnen rijden. In Duitsland en in Holland heb ik constant 140 gereden."
Humo: Je bent ook door België gepasseerd.
Jan-Ole
: « Ja, maar daarvan heb ik weinig onthouden. Tenzij dat er veel files waren op de autoroutes rond Brussel. Ik heb daar ook ergens getankt en een Duitse vrachtwagenchauffeur aangesproken, want na het tanken kon ik niet terug starten. Hij kende wat van automatics en blijkbaar was er iets met het stuurslot. Het was meteen verholpen."
Humo: Geen politie gezien onderweg?
Jan-Ole
: «Jawel. In Amsterdam waren ze een auto aan het controleren. Daar had ik wel even schrik toen ik daar voorbij moest. Ook zijn er twee motoragenten gepasseerd, maar die hebben evenmin wat gezegd."
Humo: Jij weet dat je in overtreding bent, maar zij zullen niks opvallend gezien hebben. Je bent groot van gestalte, zelfs als je in die auto zit.
Jan-Ole
: «Ja, ik ben 1m73, maar ik ben zeker niet de grootste van de klas."  

Gratis péage
Humo: Had je een gsm bij je?
Jan-Ole
: «Ja. Maar die stond de hele tijd af. Ik wilde niet dat ze mijn signaal en dus mijn reisroute konden volgen."
Vader: «Op één of andere manier kon de politie je toch traceren. Zij wisten wanneer je in Nederland, in België en in Frankrijk was. Dat je richting Parijs reed, dat wisten we bijvoorbeeld. Hadden ze als volgende aanwijzing Lyon doorgegeven, dan wist ik honderd procent zeker dat je naar Dénia onderweg was. Dan zou ik een vliegtuig naar Alicante of Valencia genomen hebben, ik zou een auto gehuurd hebben, en ik was je tegemoet gereden, ik was er zeker van dat ik je zou zijn tegengekomen!! (Jan-Ole lacht: die papa toch!)" 
Humo: Tegen de avond van de eerste dag was je in Frankrijk.
Jan-Ole
: «Ja, en het probleem waren die péages waarvoor ik  niet het geld had. Ik ben drie péages gepasseerd. Bij één tolhuisje stond een slagboom zomaar open en bij de volgende twee péages heb ik gezien dat er niemand in het huisje zat waar de 'elektronische abonnees' konden passeren. Ik ben dan vlak achter een Franse auto gereden en toen de slagboom open ging, ben ik achter de bumper mee geglipt." 
Vader: «Tja, met honderd euro kom je niet ver. (afgemeten) Je hebt ook wel goedkoop getankt, hé..."
Jan-Ole: «Ik heb onderweg twee keer getankt en één keer ben ik zonder te betalen weg gereden. Dat was voor een bedrag van vijftig euro. De vorige tankbeurt had me al dertig euro gekost en ook die parkeergarage in Amsterdam kostte geld. Ik had niet veel meer over."

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Nog 1729 km
Humo: In Parijs was het avontuur dan afgelopen.
Jan-Ole
: «Het was nog 70 km voor Parijs, in Estrées Saint Denis. Ik had die nacht op een parkeerplaats wat proberen te slapen, maar ik was nog moe toen ik vertrok. En toen moest ik weer tanken, ik wilde weer niet betalen, en in mijn haast om ongezien te zijn en ook door vermoeidheid heb ik niet gemerkt dat ik diesel in plaats van benzine aan het tanken was. En toen ik wilde starten gaf de auto geen kik meer. Omdat ik zolang wegbleef van de kassa, kwam een bediende kijken, hij wilde helpen, hij wist wel een garagist die de tank kon schoonmaken, maar ja, hij moest eerst wel geld hebben voor die diesel die ik getankt had. Ik zei hem dat ik geen geld genoeg had en of hij soms mijn laptop wilde kopen? Maar toen zei hij dat hij de politie ging bellen. En een tijdje later stonden ze daar. Toen was mijn reis voorbij natuurlijk. Maar ik vond het niet zo erg omdat ik zo moe was." 
Humo: Hoelang was je toen al onderweg?
Jan-Ole
: «Iets van een zesendertig uur. En ik was nog 1729 km en 19 uur en 27 minuten van Dénia verwijderd."
Humo: Was de Franse politie vriendelijk?
Jan-Ole
: «Ja, maar het was moeilijk praten. Ik kon geen Frans, zij konden geen Duits en ze spraken ook maar een paar woorden Engels. Ik sprak beter Engels dan zij."  
Humo: En hier thuis rinkelde de telefoon?
Moeder
: «Ja, dé grote opluchting! De Franse politie wist te vertellen dat hij gevonden was en dat we hem op zijn gsm konden bellen. We hebben gelijk gezegd dat we hem zouden komen ophalen en hij is dan daar op het politiebureau van Estrées Saint Denis blijven wachten op ons. Om vier uur zijn we hier vertrokken en voor middernacht waren we daar. Dat weerzien zal ik niet gauw vergeten, hoe hij daar op een stoel zat in dat Franse politiebureau."
Vader: «Hij was toch ontspannen. Hij had met die agenten nog  naar het EK voetbal zitten kijken.
Moeder: «We zijn daar wel niet langer gebleven dan nodig was. We zijn diezelfde nacht nog naar huis gereden, opnieuw  achthonderd kilometer. Onze dochter zat bij mij in de auto en Jan is bij mijn man gebleven”
Vader: «Ik heb eerst die diesel uit de auto gehaald en het hele brandstofsysteem gereinigd. Dat kan ik zelf, ja. Zo handig ben ik wel. En dan zijn we samen met het autootje van oma naar huis gereden en deze keer zat ik aan het stuur!"
Humo: Bij jullie moet toch wel de angst bestaan hebben dat hij in een ongeval zou betrokken geraken?
Moeder
: «Dat was onze grootste angst. Dat hém iets zou overkomen en dat we hem niet meer levend gingen terugzien. Of dat hij andere mensen zou aanrijden, zoals: een kind dat de weg oversteekt. Alle mogelijke ongevallen gaan door je hoofd."
Vader
: «Dat hij ergens tussen twee vrachtwagens geplet zou worden. Of met dat wagentje onder een vrachtwagen zou geraken." 
Jan-Ole: «(lacht) Ja, dat zou wat gegeven hebben met zo'n kreukelzone van niks!"
Humo: Had je soms angst tussen vrachtwagens?
Jan-Ole
: «Nee, ik was op mijn gemak. Ik heb ook nooit echt tussen vrachtwagens 'gehangen', daarvoor reed ik te snel."
Moeder: «Híj was op zijn gemak; wíj gingen hier door een nachtmerrie. Elke minuut, elke seconde hoop je dat er een telefoon komt, dat hij terecht is en dat er niks ergs gebeurd is. Je leven is geen dagelijks leven meer, maar een trance. Je kan aan niks anders denken dan aan dat kind dat godweetwaar is. En misschien al zwaargewond is. Of dood. Ja, jij lacht, maar op dat ogenblik was het allerminst grappig. Nu kunnen we d'r ook om lachen, nu kan m'n man zelfs zeggen, "dat heb je goed gedaan, jongen!" Maar toen was het heel erg, niemand die ook maar kon slapen die eerste nacht. We zijn maar gerust geweest vanaf het ogenblik dat we in de auto naar Parijs stapten."
Jan-Ole
: «Stel dat jullie onderweg een ongeval hadden gekregen.(grinnikt luid) Dan had ik jullie toch dik uitgelachen!"
Moeder «'t Is al goed, jij! Wij zijn daar in Estrées ook heel goed opgevangen. Er was voor een tolk gezorgd. Onze zoon had een verklaring mogen afleggen met een advocaat erbij en een arts had hem onderzocht of hij oké was. Dat vond ik super. Want op dat moment was hij eigenlijk maar "een jonge buitenlander zonder papieren". En toch zo correct zijn, ja, dat waren sehr nette Polizisten! Dat hij dertien was, en dus in feite nog een kind, daar waren ze maar later die dag achter gekomen. Ze konden het amper geloven, zegden ze."
Jan-Ole: «(vrolijk) Was ik agent geweest, ik had het ook amper kunnen geloven! (Ik imiteer de Franse agent: Vous avez treize ans? Treize ans?! Pas plus? C'est pas vrai! Daar moet ie geweldig om grijnzen.)
Moeder: «We hebben dan een verklaring moeten ondertekenen waarin een aantal feiten stonden opgesomd: geen péage betaald, getankt zonder te betalen...En nu wachten we af of daar nog een staartje aan komt."

péage jan ole.png

Pak rammel
Humo: Hoe heeft oma het opgenomen? Gaf ze zich de schuld: ik had geen automatic mogen kopen?!
Moeder
: «Ach nee! Dat hoefde ze niét te denken. Had ze een auto met versnellingen gehad, dan was hij daar ook mee vertrokken. Niet dat je zoiets voorziet, verre van! Want ja, je kan als ouders véél bedenken, maar dat je kind van dertien achter het stuur kruipt en naar Spanje vertrekt, dat is toch wel het laatste. Iedereen maakte zich zorgen, de familie, zijn lerares, de leerlingen op school..."
Humo: Wat heb je gezegd toen je je oma terug zag?
Jan-Ole
: «Hallo Oma!"
Moeder: «Nee, Jan, je hebt ze flink omhelsd."
Jan-Ole: «Maar een goeie auto heeft ze toch niet. Hij was me te klein en hij reed te langzaam. Onderweg heb ik een Ferrari 365 GT en een splinternieuwe Bugatti Veyron gezien. Daar had ik wel in willen zitten!"
Humo: Hoe reageerde men in het dorp?
Moeder
: «We hebben het meer dan een week stil kunnen houden. Maar zo gauw het nieuws dan toch bekend raakte en de kranten en de tv-zenders ineens in de straat stonden, ja, dan ging het rond! Heel veel mensen begrepen wat wij doorstaan hadden, maar wat hij in zijn eentje gepresteerd had, ja, dat vonden ze toch wel Toll! Kraft! Super! Unglaublich! Waarvan ik echter geschrokken ben is hoe gewaltbereit sommige mensen reageerden."
Jan-Ole: «Die wilden dat ik een pak rammel kreeg!"
Moeder: «Dan krijg je dingen te horen als: was het mijn kind geweest, dan had ik 'm geslagen en geslagen dat hij het nimmer van zijn leven zou vergeten!"
Humo: En heeft hij straf gekregen?
Moeder
: «Ja, hij mag per dag nog maar één uur zijn computer gebruiken. En dat zal zo nog wel eventjes duren. Voor hem is dat een strenge straf. (Jan-Ole knikt)"
Humo: Heb jij nadien op internet nagezocht waar het bericht overal verschenen is?
Jan-Ole
: «Heel veel persagentschappen hadden het. Ik heb het bericht in het Duits gezien, het Frans, het Nederlands, het Bulgaars en het Roemeens."
Hoogbegaafd
Humo: Was hij als kind al avontuurlijk aangelegd?
Moeder
: «Niet dat hij de wijde wereld introk, maar hij heeft wel vanalles gedaan: véél verzameld, hele miniatuurspoorcomplexen gebouwd, in bomen geklommen, uit bomen gevallen, armen gebroken, auto's en machines uit elkaar gehaald en weer in elkaar gestoken... Hij is altijd ondernemend geweest, maar het duurde nooit lang. Zijn spanningsboog is maar kort. Dat komt door zijn hoogbegaafdheid: zo gauw iets hem niet meer verrast of intrigeert, dan kijkt hij er niet meer naar."  
Humo: Ik zie het al een tijdje. Je verveelt je zichtbaar.
Jan-Ole
: «Ja. Voor mij is die reis voorbij."
Moeder: «En altijd weer datzelfde verhaal vertellen, dat ligt hem niet." 

jan ole 5.jpeg

Jan-Ole: «Ik verveel me wel vaker, hoor. Hier thuis, op school, bij vrienden. Alleen als ik voor de computer zit, dan voel ik me oké. Dan kan ik dingen opzoeken waarnaar ik nieuwsgierig ben."
Moeder: « Sinds elf september 2001 interesseert hij zich voor dat World Trade Center. Hij was toen nog geen zes jaar."
Vader: «Hij weet van die aanslagen, die Arabische piloten, hun opleiding. En ook alle complottheorieën kent hij. Hij helpt zelfs zijn zus die vijf jaar ouder is. Zij maakt een eindwerk over de halveringstijd van nucleair afval. Er waren zaken bij die ze niet verstond, hij las het één keer en hij kon haar uitleggen wat er bedoeld werd."  
Moeder: «Soms hoor je dat zo'n kinderen Einzelgänger zijn. Jan is dat niet. Hij kan in een groep goed opschieten met anderen. Jan heeft bijvoorbeeld vijf jaar voetbal gespeeld. Hij is heel vroeg begonnen, op zijn vijfde, bij de zogenaamde Pampers Liga. Maar toen hij ouder werd is hij ermee gestopt."
Jan-Ole: «Ik was verdediger en ik vond het niet kunnen dat de doelpuntenmakers met alle eer gingen lopen en dat verdedigers werden gezien als domme idioten die alleen maar de ballen moeten wegtrappen."
Moeder: «Dat sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel gaat blijkbaar samen met zijn hoogbegaafdheid. Hij ziet en ervaart wat veel andere kinderen eenvoudigweg niét zien. Hij kijkt ook veel naar Nachrichten-TV, een honderd procent nieuwszender."
Jan-Ole: «Ik interesseer me vooral voor politiek en economie. En ook voor geschiedenis. Europese geschiedenis. Duitse geschiedenis. Daarover lees ik veel. En alles op internet. Niks uit boeken."
Humo: Wat vind je een boeiende periode in de Duitse geschiedenis?
Jan-Ole
: «Het Derde Rijk. Hoe de nazi's de macht hebben overgenomen. Hoe ze de mensen zo konden manipuleren. De massapsychologie die ze hanteerden. De concentratiekampen die ze bouwden."
Moeder: «(aarzelend) Hij heeft een bepaalde politieke oriëntatie."
Jan-Ole: «Ik ben links! En wie over de nazi's spreekt, moet toch weten wat het nationaal-socialisme is. In de klas zitten een aantal gasten die rechts denken, en daar ga ik tegenin. Veel mensen geloven zomaar alles wat hen verteld wordt. Ik denk veel na. Eigenlijk ben ik altijd aan het nadenken."

In het donker zijn van de windturbines alleen nog de rode lichtjes te zien. De wieken malen zonder ophouden.
En in dat ene kinderhoofd staan de gedachten ook niet stil.           









Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Voetnoten langs de weg: achter de schermen van de zelfgeknutselde wegwijzers

Het is juli, het is zomer, en dat is traditioneel de periode dat de landman de vrucht van zijn arbeid aanbiedt naast de weg. Dit jaar zal hij meer klandizie hebben omdat meer mensen corona-vakantie nemen in eigen land, en ook meer mensen de supermarkten mijden waar groenten en fruit "door de handen van iedereen zijn gegaan".

Averbode © Jan Hertoghs

Averbode © Jan Hertoghs

"Ik zit soms dagen op klanten te wachten. In het weekend kopen de mensen geen eieren. Als het regent ook niet. En als het schoon weer is evenmin."

 Er zijn wegwijzers naar Brussel en Maldegem, naar containerpark Leeuwerik en restaurant Cappuccino. Maar er zijn ook wegwijzers naar nieuwe aardappelen, scharreleieren, legkippen, fokstieren en een tweedehands waterval. Het zijn de wegwijzers naar de zeer kleine kleinhandel met een vaak ontroerende eenvoud qua verfwijze en spelling. 

uit Humo augustus 2014 - herwerkt en ingekort- © Jan Hertoghs

Het is juli en volop zomer. Met de driekleur nog alom, want de Duivels zitten nog in de aanloop naar de WK-kwartfinale.

In Borsbeek (7 km buiten Antwerpen) tref ik mijn eerste wegwijzer, naar een Tomatenautomaat. De weg heeft de breedte van één auto en ik zal dit soort smalspoor nog vaak tegenkomen: het leidt naar een achterland, de typisch Vlaamse overgangszone tussen landelijk wonen en landbouw-op-z'n-retour. Met een amalgaam aan nieuwbouw, paardenweides, golfplatenschuren en hardbewerkte moestuinen. Ik kom bij een grote serre, er schalt een radio tegen het glazen plafond, en de automaat geeft tomaten, paprika's en wisselgeld terug. De tuinbouwers zelf zijn nergens te zien.
Op de terugweg bekijk ik mijn eerste wegwijzer nog eens uitvoerig en maak notities. Wat meteen de argwaan wekt van een  wielertoerist. Die achterdocht zal me blijven vergezellen. Toon belangstelling voor die mini-mercantiele wegwijzers, en je zal bekeken worden als een controleur van de belastingen. 

Vremde © Jan Hertoghs

Vremde © Jan Hertoghs

In Vremde zijn Scharreleieren Te Koop. Het bord is een voorbeeld van schilderen met het blote oog. Na de royale SCH heeft de auteur gemerkt dat zijn plankje te kort is, hij is de ARREL dan gaan verkleinen, om bij EIERE toch weer ruimer en groter te gaan, gevolg: op het einde is er nog amper plaats voor de N. Ook deze letterkundigen zijn niet thuis. Scharreleieren koop je blijkbaar op scharreluren, tijdstippen die je zelf maar moet uitzoeken.
Ik zie zaken die ik nooit eerder zag. Nabij een boomgaard en een  bord met Kersen & Krieken, hangen mannen acht meter hoog aan een galg. Het zijn vogelverschrikkers, manshoge gele jekkers op een skelet van stokken die heen en weer zwaaien in de zomerwind. In het koele achterhuis met de houten kistjes vertelt de vrouw dat ze alles al geprobeerd hebben tegen de spreeuwen: linten, ballonnen, blinkende cd's, kanonnekes, "en zelfs harde radiomuziek, maar niks helpt, na twee dagen zijn ze terug."
Ik zal haar niet gauw vergeten. In krijt schrijft ze de getallen van mijn aankopen op de bodem van de bascule, elk cijfer zingt ze en de optelling maakt ze ook al zingend. Het moet le temps des cérises zijn.

Legkiekens
In Berlaar-Heikant zijn ze wel thuis bij het bord Scharreleieren. Ik informeer uitvoerig naar ras, afkomst en leeftijd van de legkippen. Het blijken "gewone legkiekens" te zijn: witte, zwarte en bruine. Een legkieken legt drie jaar, dan is het Schluss, maar van zijn vader (de Jos) mogen ze hier op pensioen gaan, dat heet: "blijven rondlopen tot ze doodvallen". Ik stel zoveel vragen dat de man op de duur wel moét voorstellen "of ik de kiekens wil zien".
We wandelen langs de goudvissenvijver, de slabedden en de gladiolen, en zo komen we bij de uitgestrekte scharrelweide van de dertig kippen. Plaats zat! Dit is een landerij voor een paard en een koe, dat krijgen die pluimdieren bij leven niet omgescharreld. Bij het hek staat de emaillen braadpot waaruit de kippen drinken. Kippen zijn de meest beschaafde drinkers die er zijn. Hoe ze de bek bedachtzaam in het water dopen en dan de kop zachtjes tillen om dat water neerwaarts te klokken. Ik kan er uren naar kijken. Er valt al een vroege peer van de boom, een doffe plof in het rustige gras.  De zes eieren kosten negentig cent, en na betaling klinkt het: gij zij mercikes! En dat de eieren mij mogen smaken. Zo is deze kleinhandel, een aankoop gaat vergezeld van beleefdheid en goede wensen.
Terugkomend door Borsbeek is er een mini-wijzer naar het avondfeest van de trouwers Sofie en Bjorn. Proficiat alsnog Sofie en Bjorn. Was het zaterdagavond geweest, ik was de pijlen gevolgd en binnengegaan. Niks zo fantastisch als incognito meefeesten op een feest met allemaal onbekenden.        

Nabij Zandhoven © Jan Hertoghs

Nabij Zandhoven © Jan Hertoghs

Illegale constructies
De bebouwde kom van Lille begint met twee borden: Scharreleieren Te Koop en Konijnen Te Koop. De vrouw komt met gekruiste armen naar het hek, altijd een goed teken dat de antwoorden beknopt zullen zijn. Zij en haar man zijn gepensioneerd en die verkoop, "da's maar een hobby, meneer". Het konijnenbord staat normaal op een paal, maar het is eraf gewaaid en "zeggen gelijk het is, we zijn te lui om het terug te hangen". Zo'n bord doet soms kopen. "Ge hebt gezinnen die dat zien en ineens stoppen voor een dwergkonijntje voor de klein mannen." Ik vraag of ze een vergunning hebben voor die plakkaten, want dat ik gehoord heb over een strenge administratie terzake. Ze zegt dat die zelfgeschilderde borden "ook maar een hobby zijn". Wat moet volstaan als wettelijke argumentatie. Maar meteen toch ook de wedervraag of ik soms van de staat ben? Of ik soms die borden kom weghalen? Ik zeg dat ze niet ongerust moeten zijn, want dat ik journalist ben. De wedervraag kan niet onbevangener zijn: of mijn bezigheid soms ook een hobby is?
Ik zal de argwaan nog vaak tegenkomen. Die is gevoed door de zomer van 2013. Toen maakte het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) bekend dat ze streng zou optreden tegen de "onvergunde bewegwijzering". Elk bord dat in de berm van een gewestweg staat en dat naar horeca, groentewinkels, of andere handel verwijst, moet een vergunning hebben. Zoniet, dan volgt een PV en de verwijdering van de illegale "constructie". 
De borden en wijzers waarvoor ik stop, staan vooral in voortuinen. Op die privégrond lijkt het alsof er geen vergunningsplicht is, maar de woordvoerster van AWV is formeel: "Ook op privégrond moet zo'n bord vergund zijn. Voor elke constructie -hoe klein ook- moet een stedenbouwkundige vergunning worden aangevraagd bij de gemeente".Is het privégrond langs een gemeenteweg dan kan de gemeente de vergunning leveren. Is het privégrond langs een gewestweg, dan moet de gemeente advies vragen aan AWV. Wat erop neerkomt dat haast alle borden in deze reportage illegaal zijn. Niemand van mijn geïnterviewden had ooit een vergunning aangevraagd. Onder het Belgische motto: "als je niks aanvraagt, kunnen ze het ook niet weigeren".

Fuifplakkaat
Van gemeentebesturen hoor ik dat ze die seizoensborden van aardbeien en aardappelen wel willen gedogen. Maar dat ze strenger optreden tegen borden die activiteiten aankondigen. De eigenhandig geschilderde plakkaten voor fuiven, motorcrossen en ruitertornooien zorgen "voor een verrommeling van het landschap", anders gezegd: "die krakkemikkige huisvlijt, die moet eruit."
Ik ben voor een lichte verrommeling van het landschap. Van mij mogen fuifplakkaten in de koeienwei. Immers, als de Vlaamse overheid zelf bewerkstelligt dat er een wildgroei is van drie miljoen verkeersborden langs de weg, dan moet ze niet de vinger heffen als er in de berm een vierkante meter triplex-met-verf verschijnt.
Daarom ben ik blij in Koningshooikt, blij met het volstrekt illegale Beach Party-bord van de lokale Chiro. Het staat in een open wei pal naast een drukke gewestweg en het roept de passanten toe met vrolijke spuitbuskleuren en frisse sjablonen.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Een authentiek fuifplakkaat keert ook elk jaar terug. Na overwintering in een kelder hoeft alleen de datum te worden  aangepast met een onhandige overschildering.
Maar je ziet deze verfpiraten minder en minder. Elke zich respecterende en dus over-reglementerende gemeente heeft immers hààr deftige oplossing: in het centrum zetten ze een raam waar vier gelijkvormige borden in passen, en elke vereniging kan binnen dat "format" haar activiteit aankondigen. Brave, uniforme, saaie communicatie. 

Boerenautomaten
Het is m'n tweede namiddag, en vreemd hoe weinig wijzers er zijn  tussen Lille en Mol. Enkel buiten Kasterlee tref ik een pijl naar een aardappelautomaat. De betonwegel leidt over De Wamp, een rivier die ik nooit eerder ben overgestoken. Zeker anderhalve kilometer ver leiden de pijlen, tot bij de autobanden die het veevoer afdekken en de linde die schaduw geeft aan een bungalow. Daarin staan zestien inoxkastjes met aardappelen. 10 kilo nieuwe aardappelen kosten 5 euro. 50 cent per kilo is dan nog een 'faire' prijs. In juli zakte de prijs van de nieuwe aardappelen naar  anderhalve eurocent per kilo. Zo is dat in Europa waar een boer slechts kringloopwinkelprijzen mag vragen voor voedsel.
Vroeger verkocht Dirk aan de deur en had hij een ouder publiek, "dat kwam om te kopen én om een klapke te doen". De automaat die er twee jaar is, bracht een ander cliënteel: "jonge mensen die overdag gaan werken en 's avonds nog raprap patatten komen halen." Zijn klandizie blijft hoe dan ook beperkt "omdat 50 procent van de buitenmensen nog een hof heeft en dus zelf patatten kan zetten." Hij heeft gehoord van boerenautomaten dicht bij de stad; die verkopen méér omdat stadsmensen geen moestuin hebben en "gauwer gewend zijn aan automaten".
Hij gaat terug aan het werk, ik stap weer in de auto waar ik niet langer alleen ben. Laat nabij een boerderij je autoraam open en je hebt vliegen, rusteloze passagiers die tien kilometer lang de stuurhut niet willen verlaten.

Grijze zeilen
Nabij Meerhout steekt een rat de drukke weg over, onder een auto en tùssen de voor- en achterwielen. Goeie timing. Dan volgt een scheefstaand bord naar een Zeilmakerij. De grintweg leidt het bos in, met een stofwolk achter me aan. Er volgen open weides en enkele verouderde boerenschuren, en hij staat op een erf en knikt als ik het hier "nogal afgelegen" noem. Veel bedrijfjes zitten in een industriezone, "ik zit liever op mijn eigen". Vroeger was hij loonwerker in de akkerbouw, en toen dat te weinig verdiende, trok hij naar de fabriek, waar hij het niet uithield tussen de muren. Nu maakt hij pvc-zeilen voor alle doeleinden: voor het afdekken van zwembaden in de winter, voor terrassen van cafés, dekzeilen van camions, biertenten op een motorcross. Alles op maat en in alle kleuren. Rood, geel, blauw, groen, "maar de mensen vragen tegenwoordig vooral grijs en gebroken wit. In het verkeer zie je ook veel grijs. Nog weinig groene, rode of gele auto's. De mensen zijn de laatste jaren wat grijzer, wat stiller geworden."
Hoe neem je afscheid van een zeilmaker? Je steekt je hand op en hij knikt vanuit de donkere schuurdeur. Waarom ben ik geroerd? Het moet die afgelegenheid zijn en die ene man tussen die zeilen van grijs.   

Zammel © Jan Hertoghs

Zammel © Jan Hertoghs

Schuw  
Het huis staat helemaal alleen langs de drukke baan tussen Geel en Westerlo en de oprit is zo kort dat je bruusk moet afslaan en bruusk moet stoppen. Er zijn twee borden: Jonge Legkippen en verderop het iets kortere Jonge Legkippe. Aan het raam hangt een Belgische voetbalvlag en de jonge man duwt de voordeur net zover open tot hij in de opening past, niet verder. Binnen hangt een klok met een stilgevallen slinger. Hij kijkt schuw naar de grond. Dat hij hier zomaar overvallen wordt door een onbekende, en dan nog met vragen! Een legkip kost negen euro. De meeste mensen kopen ze per twee. De beste dag was toen ze zes kippen op een dag verkochten. En weer een verontschuldigende blik om de korte antwoorden die hij maar kan geven. We eindigen het korte gesprek met een korte analyse van de Rode Duivels ("het was niet zo goed") en dan sluit de deur zich, en is er alleen maar geraas van verkeer. Ik ben teleurgesteld. Ik vroeg naar kippen, maar eigenlijk had ik een levensverhaal gewild. Over dat eenzame wonen. En over die kakelende dieren die soms weglopen. Door het hoge buntgras , weg van het huis en hun ren, de wijde wereld in, tot waar een vos ze uit de struiken bijt. 

Heetste Nacht
Een paar kilometer verder heeft een hanenpoot Trekker Trek Veerle op een wegwijzerbord gezet. Veerle is een dorp en "trekker-trek" is een wedstrijd touwtrekken tussen tractoren, Er komt dikke rook aan te pas en men sleept met boomstammen en ander onhandig gerief. De wegwijzerpijlen zijn uiterst schots en scheef getekend. Ze lijken op de Indianenpijlen in de ouwe strips van Lucky Luke.
Nog in Veerle staat Café Euro te koop, en is er een plakkaat met aankondiging van "De Heetste Nacht" in het naburige Eindhout. Ik zal er niet bij zijn op 12 juli, en ik zal dus nooit weten hoe heet die heetste nacht was, en wie nadien de zaal mee had moeten opkuisen, maar toch zijn kop niet heeft laten zien.  
Averbode heeft een amateuristisch sandwichbord van twee fineerplaten die al veel regen gezien hebben. Het woord Scharrel-Eieren is gesplitst, want het bord is niet breed genoeg.
De vrouw is blij met de babbel aan de deur. Er zijn vaak stille weken, van twee klanten, of soms maar één. In het weekend kopen de mensen niet. Als het regent ook niet. En als het "schoon weer" is evenmin. "En ge zult dat zien: heb ik twaalf eieren, dan staat er drie man, en heb ik vijftig eieren, dan zie ik niemand". En nu heeft de gemeente de straat heraangelegd, dat gaf ook minder aanloop. Ik opper dat ze in een moeilijke "business" zit en daar kan ze om lachen. Och ja, kippen eten etensresten en ze leggen eieren in de plaats, dat is toch een profijt. En allicht zou ze meer verkopen als ze meer thuis was. Maar zij en haar man, ze gaan veel weg. Niet ver weg, nee, in haar leven is ze bijvoorbeeld nog maar één keer aan zee geweest. En toch zegt ze: ge moet van het leven profiteren. Het kan morgen gedaan zijn.

Kerkhofkersen
Tussen Zichem en Scherpenheuvel kondigt een groot bord de Lobosfeesten aan met tal van activiteiten die het plakkaat tot aan de rand hebben gevuld. Met onder andere een Ladies Nigt. Dat moet Night zijn, maar ik lach niet. Ik weet hoe moeilijk het is om zoveel tekst (170 letters!) in witte verf en op rechte lijnen over te brengen. Behoud dan maar eens je taalkundig overzicht!   
Het Hageland is een fruitstreek, maar er staan nauwelijks borden. Dorpen in juli maken al een verlaten indruk, maar zonder aanwijzingen naar fruit of groente is er helemaal geen teken van leven naast de weg. 
In Glabbeek staat wel een prachtig fuifplakkaat voor de Nuit Hawaienne. Die nacht moet een begrip zijn in Glabbeek, want het bord is veelgebruikt en afgesleten. En ook veelbelovend met al jaren een roodgloeiende sunset, wuivende palmbomen en luie hangmatten. Glabbeek ligt op 11.826 km van Honolulu. 

Tussen Vremde en Broechem © Jan Hertoghs

Tussen Vremde en Broechem © Jan Hertoghs

Nabij Sint-Truiden en dus in Haspengouw zijn er meer fruitstalletjes en ook fruitautomaten langs de weg. In Duras wijst de pijl: Kersen 200 Meter. Het zijn 600 meter, maar vaut le détour, want vind maar eens kersenautomaat vlakbij een kerkhof.  
Het heeft gisteren hard geregend, en de gazons zijn flink opgeschoten. Mannen in korte broek trekken baantjes in het gras. En ik zie veel tegenzin. Een nijdig gebukt lopen achter die duwstang en een gemelijk kijken naar die machine die nog geen enkele week rap genoeg vooruitging.  
In Kortessem komt het bordje amper boven het gazon uit. Het is slechts een voetnoot langs de weg. Nieuwe Aardappel. Een enkelvoud waarvan je begrijpt dat het niet om één knolvrucht gaat. Op het tuinhek een tweede bord: Voor Aardappelen en Eieren Volg De Pijlen. Er rinkelt een bel die mijn aankomst verraadt. De man wil wel over zijn veldwerk spreken, maar hij heeft achterdocht, en dus zeg ik maar weer dat ik geen fiscale controleur ben. Hij zegt dat hij nooit gerust is, hier in de fruitstreek word je op de vingers gekeken, "zelfs al verkoop je dooie wespen in een bierglas". 
Tien eieren kosten 1,25 euro, hij heeft vooral vaste kopers uit de omtrek, maar ooit is hier een franssprekende vreemde aan de deur geweest: een man uit Luik kocht 10 kilo patatten en 40 eieren. En Luik wordt uitgesproken als redelijk dicht bij de Oeral.
Na de zomer zijn er geen nieuwe aardappelen meer, dan plakt hij het woordje Nieuwe af met grijze tape: "Aardappel, da's al wat er dan blijft staan." Ik zie het gebeuren. Het laatste knollenbed is leeg, hij voelt het najaar ingaan, en staande aan de keukentafel voltrekt zich het ritueel tussen man en vrouw: waar hebben we de grijze tape gelegd?
Hij is nu meer op z'n gemak en haalt een soort babyfoon uit z'n hemdzak. "Dat ding gaat af als iemand de sensor op de oprit passeert." Zo kan hij ginder ver in de tuin werken en klanten toch horen aankomen. Passeer maar eens het hek, zegt ie, en inderdaad, in zijn hemd gaat nu een saxofoon spelen. Hij haalt zelfs de batterijen uit het toestel, ik mag nu alles van hem weten. Als ik oversteek naar de auto, roept hij: "oppassen als ge instapt of ze rijden uw deur eraf." Ook die goede raad is hier niet duur.  

Kabouterland
In het Limburgse Oostham zijn Vijverstenen + Waterval Te Koop. Ik ken niks van vijverstenen en ik heb een waterval nog nooit zo klein geschreven zien staan, dus bel ik aan. Een dertiger komt monkelend naar het hek, Ha, gij komt maar eens kijken? Komt gij maar eens kijken, jong! Zijn tuin valt niet meteen te omschrijven. Laat ons zeggen dat er een gazon is met een spierwitte partytent annex een kleine vijver met goudvissen en daarrond is er een decor, een landschap van zelf aangebrachte tuindecoratie.  
De over te nemen waterval is niet echt groot te noemen met zijn  1,2 meter, maar de verkoper wijst erop dat deze waterval toch vier "trapkes" heeft. De vijverstenen die te koop zijn, noemt hij  "Maaskeien", zwerfstenen die gewonnen zijn uit de Maas en ze liggen werkelijk overàl gestapeld. In emmers, in tonnen, op zeildoek, op planken, ik schat meerdere honderden kilo's, en die heeft hij dus na jarenlang gebruik in een vijver "allemaal één voor één gekuist met javel" tot de groene aanslag eraf was. Die vijverstenen zet hij niet op Kapaza "want daar staat het al vol vijverstenen, daar gaan de mensen mij niet vinden. Met mijn bord langs de baan ben ik de enige verkoper, hier gaan de mensen mij zéker zien!"

Oostham © Jan Hertoghs

Oostham © Jan Hertoghs

De nieuwe siersteen die de vijverstenen zal vervangen, ligt al klaar. Dat is paars getinte Canadese leisteensplit, en als ik eveneens belangstelling toon voor dat grind dat mij onbekend is, ontspringt er bij deze Karel een tweede waterval; met trots en plezier laat hij naast al zijn steenslag ook àl zijn tuindecoratie zien. Een witstenen dolfijn, gekleurde papegaaien, namaakvlinders met grote vleugels, een tuinkabouter die onophoudelijk een straal water uit zijn mond laat pletsen, en dan nog meer tuinkabouters waarvan de grootste "ooit geschoten is op de kermis". De kleinere kabouters hebben allemaal een zonnecel, als het donker wordt, "springt hun licht aan". Er is ook een motard-tuinkabouter, op zijn motor ontspringt het licht in zijn stenen koplamp. Alles wat zijn tuin bevolkt, houdt niet van de duisternis, want er zijn ook slakken, kikkers, schildpadden en retrolantaarns die licht verspreiden, "ja, 's avonds is hier zoveel licht dat ik soms denk dat er een vliegtuig naar beneden zal komen".
Vanwaar zijn affectie voor tuinkabouters? Door sprookjes, door  Disney? Niks van die inspiratie, hij vindt dat "schone beelden", da's alles. "Kom maar eens mee naar m'n werkhuis!" Daar doet hij het onderhoud van zijn dwergen. Bij vijf kabouters wordt hun puntmuts opnieuw helrood geschilderd, en ook de paddenstoelen met stippen worden weer fris in de verf gezet. Hij is "altijd bezig". Om vijf uur 's morgens is hij al weg naar het werk in de fabriek, en als hij na de middag thuiskomt, gaat hij gelijk aan de slag: "Anderen moeten eerst een uur gaan liggen om te bekomen van hun werk, ik begin direct in mijnen hof". En maar vertellen over alle verbeteringswerken die hij daar nog gaat uitvoeren. En dat het gezin niet veel weggaat, één keer per jaar naar Center Parcs in Holland. Dit jaar is er geen geld genoeg voor zo'n verlof, "en dan maken we het in de hof maar gezellig".
Ik denk dat ik een gelukkige mens heb ontmoet.      

Oud ijzer
Het is een warme dag in de polders en de lucht is somber. Een grauwe dweil ligt over de dag. Op een camping staat een vrouw bovenop een caravan, ze schrobt het bovendek van haar woonwagen. Dit is het hinterland van de kust. Hier liggen de vruchtbare poldergronden, hier liggen de kansen voor de landman die afzet zoekt bij de tienduizenden vakantiegangers.
Tussen Mannekensvere en Middelkerke kruis ik het bordje Stamboek Fokstieren Te Koop. Niet meteen een afzetproduct voor de gewone toerist, ik ben nieuwsgierig. Het huis is een ingewikkeld procédé van achterhuizen, schuren en afdaken, het duurt twee minuten eer ik de deurbel vind. Niemand thuis. De fokstieren in de wei kijken onverschillig. Fuck you fokstieren. Een mens zegt vanalles als hij alleen is. 
Dichtbij Middelkerke zijn er pompoenen voor 4 euro en courgetten voor 0,5 euro. De man doet open in korte broek en sandalen en met een opgewekte sigaar in de kop. Hij volgt de seizoenen, er waren al de kersen en de krieken, en straks komen ook nog de boontjes en later de walnoten. Het is zelfbediening, je neemt uit de kar en je duwt het gepaste geld door de brievenklep. De mensen zijn "heel eerlijk". Slechts drie keer per jaar wordt er gestolen.
Het Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid heeft hem al getraceerd. Hij kreeg documenten thuis, vanaf welk omzetbedrag hij zich in regel moet stellen met vergunningen en taksen. ("Alles moeten ze reglementeren tegenwoordig.")
Naast het huis is een erf vol ijzeren beelden. Ze zijn ook te koop en gemaakt van oud landbouwalaam. Dat schuimt hij af bij boeren in de streek. "In de bijbel staat dat je zwaarden moet omsmeden tot ploegscharen. Ik smeed ploegscharen om tot kunst." Kunst met een kleine k voegt hij eraan toe. En een oud-ijzer-kunst die vooral wordt gekocht door stadsmensen. Een zwaan heeft ronde vleugels die ooit bolle ploegmessen waren. Verder is er een uil, een kromlopende aap, en een jager met een jachthond aan zijn been. Een rustiek oud-Vlaams dadaïsme, de geassembleerde vrucht van wielen, tandraderen, en bouten. Twaalf jaar geleden had hij een KMO met zestig werknemers en ging hij "kapot van de stress. Ik had de keus, dood onder de graszoden, of stoppen met werken." Hij koos het laatste.     

Slijpe © Jan Hertoghs

Slijpe © Jan Hertoghs

Zwarte mannen
Eieren en Hoeveboter, de woorden slijten weg in weer en wind. Ik klop aan de achterkeuken en vraag of ik de hoeveboter mag zien. De boerin haalt een rolvormig pakje uit de koelkast, de boter goudgeel in dat matte papier. Eén kilo kost zeven euro, dat is goedkoper dan in de supermarkt. Maar toch ziet ze amper klanten. "De mensen gaan liever naar de supermarkt, daar halen ze alles in één keer. Ze doen niet meer de moeite om tot hier te komen voor twaalf eieren en twee pakjes boter."
Tegen m'n verwachting zijn er amper bordjes in het achterland van Nieuwpoort tot Zeebrugge. Wel zijn er deftige wegwijzers naar automaten die vooral aardappelen leveren, een nieuwsoortig professionalisme in de straatverkoop. Ik zak af naar Oost-Vlaanderen en het Waasland: tussen Moerbeke en Beveren is de zelfgeknutselde wijzer er terug. Hij heeft een biotoop nodig van platteland én lintbebouwing. In die habitat van boerenhuizen-met-moestuinen  en burgerhuizen-zonder-moestuinen gedijt de handwijzer. Zijn ook nog karakteristiek voor deze biotoop: oude melkstopen die dienst doen als brievenbus, maïsvelden die afwisselen met drankendiscounts, en diverse koterij die het opneemt tegen sierklinkers.
Alsof hij die overgangszone wil illustreren steekt nù een haas de steenweg over. Ik zie hem zitten op een nieuwe garageoprit. Met spitse oren en opgetrokken achterpoten kijkt hij schichtig naar het vergulde smeedwerk dat zijn weg verspert. Het verkeerde hazenpad gekozen.

In Stekene opteert de wegwijzer voor aardappelen met een dubbele L, en de tweede E van Eieren heeft een trema. Ik zag elders ook al Coergetten, Petatten en Aardbeziën. Triplex heeft zijn eigen spelling. 
In Sint-Gillis-Waas zijn "Maïs-Pakken Te Koop" Ik ga achterom en klop aan de vliegendeur. Voor de boer ben ik ook een lastige vlieg, hij heeft "geen goesting in uitleg," en wijst op z'n scheve lip, "daarstraks hebben ze mijn tand getrokken". Dan toch twee zinnen uitleg. In zo'n pak zit 500 kilo gehakselde voedermaïs en de kopers zijn hobbyboeren met een paar paarden of koeien. "Soms staan hier zwarte mannen die maïskolven willen kopen om te braden in de pan. Dat moet ik dan uitleggen met hand en tand: ik heb alleen maïs voor de beesten." De wereld opgedeeld in mensen die het verschil kennen tussen maïskolven en maïspakken.   

Stekene © Jan Hertoghs

Stekene © Jan Hertoghs

Wintervoorraad
De boerderij in Vrasene heeft veel te koop: Aardappelen, Scharreleieren, Appelen-En-Peren, Hooi-Stro-Biet. De aardappelen zijn Niuewe. Nog eens, ik aanvaard foute spelling. Niuewe aardappelen smaken even goed als correct gespelde knollen. Vlak achter het Eieren-bord is de kippenren: veel korter kan de keten tussen producent en verbruiker niet zijn. Uit een houten hok komt een hond naar mij gesprongen tot waar het touw dat toelaat. Er is een buitentafel met appelen, komkommer, tomaten en een bos gladiolen. De sla drijft enigszins in het regenwater van de vorige nacht. De boerin leunt in de deuropening. Ze zegt dat ze minder verkoopt "nu de automaten opkomen." Aan de overzijde van de straat hebben ze d'r ook één, en daar kost een kilo appelen anderhalve euro en bij haar is het één euro. "En toch gaan ze daarover. Ik versta dat niet. 't Moet zijn dat zo'n automaat is als de supermarkt. Ge pakt, ge betaalt en ge zijt weg. 't Is precies of ze willen niet meer dat een mens komt opendoen en dat ze een paar woorden moeten wisselen."
De wereld is niet meer hetzelfde. Tot 1969 woonden ze nog in Kallo. Daar zijn ze verdreven, hun boerderij is onteigend voor de Liefkenshoektunnel. Ze heeft nog elke dag heimwee naar Kallo. "Wat zaten we daar goed. Ik moet mijn ogen maar dichtdoen en ik ben er terug."   
Ze zegt dat er minder huisverkoop is. Ik zal het onderweg toch ook gemerkt hebben dat die kleine wegwijzers verminderen. "De jaren zeventig, dat was de goeie tijd, dan kwamen ze van overal kopen. En zeker van 't stad, och, van Antwerpen kwamen er zoveel met hun auto! Gepensioneerden, ze kochten vierhonderd kilo patatten. Voor henzelf en voor de kinderen. Een facteur kocht patatten voor de mensen op zijn ronde. Iedereen kocht patatten voor de hele winter. Nu kopen ze patatten voor drie dagen." De wereld is niet meer hetzelfde, ze zegt het voor de derde keer.
Ik wil niet met lege handen weggaan en koop sla en tomaten.
Er kakelt een kip.
Het ei ziet de wererld.

Klein addendum van fuifplakkaten, fruitpijlen en groentewijzers

Vrasene © Jan Hertoghs

Vrasene © Jan Hertoghs

Borsbeek © Jan Hertoghs

Borsbeek © Jan Hertoghs

Veerle © Jan Hertoghs

Veerle © Jan Hertoghs

Zoutleeuw © Jan Hertoghs

Zoutleeuw © Jan Hertoghs

Duras © Jan Hertoghs

Duras © Jan Hertoghs

Vlissegem © Jan Hertoghs

Vlissegem © Jan Hertoghs

Klein-Sinaai © Jan Hertoghs

Klein-Sinaai © Jan Hertoghs

Zillebeek-Beveren © Jan Hertoghs

Zillebeek-Beveren © Jan Hertoghs


Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Zomer zonder Werchter (3): the day after

DSC_3334 - kopie.jpg

De stilte nà de storm : “Ooievaars van Planckendael komen op de campingweides een smoske eten.”

Humo 6/7/2010 - licht herwerkt - © Jan Hertoghs

Werchter. Een bom decibels, rondzwervende petflessen, smeulende plasticvuurtjes en diepe remsporen in te lang gedragen onderbroeken. En na die paddestoelwolk is er the day after. Met een groteske fall-out aan afval, dat spreekt. Vandaar onze zeer interessante vraag: hoe ziet de wereld eruit als Werchter niet langer het centrum van de planeet, maar terug de deelgemeente van Rotselaar is? We vroegen het aan ingewijden.
Hun relaas over verstoorde biotopen, ooievaars die fastfood eten en schattenzoekers die veel geld en gsm's vinden.
Maar we beginnen met de aftocht en de zeer stille trom van zondagnacht en maandag.

Johan "zit" al zeer lang op Werchter en hij heeft all areas in de security gestaan. Hij kent de "droeve aftocht" op maandag, ze inspireert hem zelfs tot historische vergelijkingen.
"Het einde van Werchter heeft veel te maken met het weer. Als het goed weer is, slentert men naar huis, het mag nog wat uitbollen. Maar als het hard geregend heeft, dan wordt er geen seconde gewacht na de laatste muzieknoot. Men is moe, men is nat en meer dan negentig procent snàkt naar de uitgang en naar huis.
En ja, elk jaar heb je die kern van weerbarstigen die niet naar huis wil. Zo van: wij zijn hier en wij blijven hier. De sweepers maken dan een lange rij, ze schuiven langzaam op, en zo schuiven ze die hardnekkigen naar de uitgang. Ik moet zeggen, de laatste jaren wordt die kern harder en harder, het komt soms tot fysiek geweld met de security.
En dan is het maandagmorgen en dan begint de aftocht van de campingweiden, een aanblik die mij elk jaar met deernis vervult. 't Is als de terugtocht uit Rusland, van de soldaten van Napoleon. Dat is geen stappen meer, dat is sloom sloffen over de baan, met hier en daar zelfs een mankepoot en een trekkebeen. Die rugzakken hangen schots en scheef op de schouder, de slaapzakken, matjes en tentjes zijn maar half opgerold en ingepakt, dat is één en al doffe plunjezak dat zich naar het openbaar vervoer beweegt.
Een levensgroot verschil met de euforie en de dadendrang van donderdag! Dat is de éérste dag, dat borrelt en spettert, dat wil zijn energie kwijt in een catharsis na de examens, dat is champagne die vanonder de stop komt geschuimd. Alles kan! Alles mag! En laat ons vooral roepen en brallen en zuipen! Met de security kamperen wij achter de backstage. Ik herinner mij zo'n eerste nacht, de muziekoptredens waren al een uur gedaan, ik stond nog even naar het uitspansel te kijken, en in de verte hoorde ik die campings, en uit die warme nacht kwam één woeste, langgerekte schreeuw. En ik dacht: zo moet het ook in Rome geklonken hebben toen de vandalen de stad in brand staken (lacht). Eén groteske uitbarsting, één wilde euforie van bevrijding. 
Maar dan is het Monday, monday, de dag van de algemene metaalmoeheid en dat zie je op de gezichten: na vier dagen  heeft die "anarchie" lang genoeg geduurd. Die aftocht heeft ook dat wrange droefgeestige van iets dat onherroepelijk voorbij is. Er is dat doffe besef, back to reality, back to mama en papa. Maar toch ook wel, oef, eindelijk terug naar ons baddeke en ons beddeke."

GVA 9/7/2013

GVA 9/7/2013


Plectrum en meloenschil    
Swiffer1 is vertrouwd met de eerste opkuis in de laatste nacht van het festival."Dat is een slagveld. Langs die hoofdbaan is dat een zee van plastic bekers, wegwaaiend papier, platgetrapt blik, kleren ook, en kapotte en hele stoelen die de mensen hebben achtergelaten. Wij schieten dan diezelfde nacht in actie met een schoonmaakploeg en omdat we allemaal jonge gasten zijn, komen ze met je lachen. Stoemerikken! Wie staat er nu te wérken! Ge moet u amuseren! Maar dan zeggen we dat wij vijftig euro per uur betaald krijgen, of dat wij gedetineerden zijn die een werkstraf moeten doen, en dan laten ze je met rust.
Zelf heb ik nog niets van waarde gevonden, maar vorig jaar deed ik de opkuis van de wei en toen kwam ik een gast tegen die twee portefeuilles had gevonden met in totaal driehonderd euro. Hadden wij die gevonden, dan hadden we ze terug bezorgd, maar hij heeft ze bijgehouden."
Swiffer2 doet al vijf jaar de "opkuis", te beginnen vanaf maandagmorgen acht uur. Het is zijn vakantiewerk.
«Dat is een speciale aanblik, al dat plastic dat ligt te glinsteren in de zon. We werken met een gritsel (lichte rijf), zo trekken we alle afval op hopen en dat stoppen we in zakken. Wij vinden veel kapotte zonnebrillen en soms kleren: kapotte t-shirts, of een verloren sandaal of schoen.
Af en toe vind je ook een gsm, maar dan een gehavend mode: over de cover en het scherm hebben ze vier dagen overheen gelopen. Boeken hebben we nog nooit gevonden. Het lastigste zijn de meloenschillen! Die krijgen we slecht geveegd, die zijn vettig en zwaar, daar schuift onze gritsel overheen.
Als het geregend heeft, is het zwaar werk. Want dan zijn al die kapotte bekers, blikjes en flesjes half in het slijk gedrongen, dan is het constant bukken om alles uit de modder te plukken.
Of het die maandag stil is op die wei?! Absoluut niet! Dat is één af- en aanrijden van heftrucks, camions, kranen en bestelwagens, en overal klettert het van de stellingen die ze afbreken. Dat opkuisen is ook nooit gedaan. Telkens als ze een houten vloer of een stand afbreken komt er weer een pak vuil vrij. En dan gaan we daar gelijk op af zodat het zich niet opnieuw kan verspreiden over de wei.
Tegelijk met de wei zijn er de ploegjes die de grote wegen  doen. De campings proberen we vanaf woensdag zo proper mogelijk te maken. Doel is dat Werchter en omgeving er na drie dagen terug normaal uitzien, maar eigenlijk zijn we twaalf dagen voltijds bezig. De eerste dag met zestig man, de tweede dag met veertig en na twaalf dagen nog altijd met een man of tien. Of ik ooit iets bijzonder vond tussen al dat afval? Frontstage kan je al eens een plectrum vinden en backstage heb ik het polsbandje van de drummer van Rammstein opgepikt. Dat souvenir heb ik mee naar huis genomen. "

DM na Pukkelpop 20/8/2013

DM na Pukkelpop 20/8/2013

Brandjes blussen
Luitenant Hugo Van den Eynde en zijn brandweermanschappen zorgen voor verkoeling op hete dagen en ze verdelgen ook manmoedig de wespennesten in de buurt van opgeschrikte campinggasten. Hij staat al jaren op Werchter-brug en vandaar overschouwt hij de maandag: "Die eerste aanblik? Eén grote puinhoop. Eén grote afvalbelt. Maar dat is ons werk niet. Ons werk is het blussen van brandjes op de campings. Nogal wat gasten zijn te lui om hun gerief ook weer naar huis te nemen en dan steken ze dat algauw in brand. Als de campingverantwoordelijke zo'n vuurke ziet, en hij krijgt het zelf niet gedoofd met zijn snelblusser, dan worden wij verwittigd en gaan we met de spuitwagen ter plaatse. Wat ze opstoken? Alles! Campingstoelen, kleren, grondzeilen, tentzeilen, petflessen, etensafval, en natuurlijk zit daar heel veel plastic en synthetische kunststof bij. Ze stoken die rommel op en ze vergeten dat daar nog tentjes staan waar mensen liggen te slapen. Drie vier jaar geleden is dat een keer uit de hand gelopen. Dat vuurtje was uitgegroeid tot een  vuur van wel vijftien meter hoog. Wij konden eerst niet op die wei, de brandstokers hielden ons tegen, en toen is de politie d'rbij moeten komen om ons toegang te verlenen."
Geen uitvaart tijdens festival
Hoe ziet de pastorale wereld eruit in dit deel van het Hageland? Op zaterdagavond is er in Werchter géén eucharistieviering "wegens de grote drukte op straat". Op zondagochtend "slapen de meeste festivalgangers nog" en kunnen de kerkgangers alsnog de zondagsdienst bijwonen "via een kleine aparte ingang". Maar op maandag kan er bijvoorbeeld nog niet begraven worden. Aalmoezenier Karel Vandervoort is de priester die voorgaat in de kerk van Sint-Jan Baptist.
«Tja, die jaarlijkse grote trammelant! Die is met de tijd gereglementeerd en gefatsoeneerd, maar die heeft zo zijn gevolgen. Maandag was er een sterfgeval in Werchter. Dan kan je in principe op zaterdag de uitvaart doen, maar nu moet de familie wachten tot dinsdag na het festival. Om de eenvoudige reden dat je al vanaf woensdag speciale toegangsbewijzen moet hebben om het dorp in- en uit te geraken. Dat is voor een begrafenisaannemer niet doenbaar om al die familieleden van zo'n bewijs te voorzien. Maandag zou theoretisch ook kunnen voor zo'n uitvaart, maar dat is nog teveel de dag van de Grote Rotzooi. Op dinsdag is het centrum hier proper en dan kan de begrafenis plaats vinden. Pas op, ik zeg niet dat dinsdag een rustige dag is, want eigenlijk zitten we in de opbouw naar de volgende zaterdagavond, dan is het weeral festival, de Werchter Classic. Ach ja, dat is maar één avond. En met een heel ander publiek. Dan ziet u ineens al die bezadigde ouderen. Ze zijn hun wilde jaren én haren kwijt. Maar ze komen nog naar hier, uit heimwee naar vervlogen tijden. Ze komen zelfs met de Mercedes en de Jaguar!"
En nee, er zijn nog geen jonge gasten of bezadigde ouderen wiens laatste wens het was om in Werchter begraven te worden.   
Flora en fauna
Werchter ligt nabij de Demer- en de Dijlevallei en op een kruising van drie landschapsgebieden: de zanderige Brabantse Kempen, de Hagelandse heuvels en de leemhoudende teeltgronden richting Tienen. Van de les geografie weten we dat dit een rijke diversiteit aan flora en fauna zal opleveren! De gemeente heeft zelfs een Rockweide-Wandeling bewegwijzerd. Maar Luc Vervoort (Natuurpunt Oost-Brabant) is niet zo enthousiast over hoe de natuur erbij ligt nà juli en na jaren van festivals.
"Vroeger hoorde de festivalwei tot het Werchters Broek en in zo'n vochtig gebied vond je een grote soortenrijkdom, maar dat is gedaan. Als jij als natuurwandelaar in augustus op die wei komt, dan vind je daar alleen nog de typische tredvegetatie. Dat zijn een paar planten die zich aangepast hebben aan die verdichte bodems met ongunstige lucht- en waterhuishouding. Zeg maar: het soort armtierige plantengroei dat je ook vindt op plaatsen waar teveel koeien in een kleine wei staan. Op zo'n intensief belopen bodem kunnen alleen maar enkele grassen en onkruiden groeien.
Het is ook een bodem die extreem aangerijkt is met vloeibare en opgeloste afvalstoffen, zoals menselijke urine en vergane etensresten. Het zou wel interessant zijn om te weten of het mestdecreet even streng is voor Werchter als voor de landbouwers? Hoe dan ook, die "overbemesting" is niet goed voor de diversiteit aan plantengroei. Op de gronden waar men regelmatig maait, heb je nog wat grassensoorten, maar op de plekken die gelaten worden voor wat ze zijn, krijg je een wildgroei van netels en distels. Dat is de flora die welig tiert rondom de weide en nabij de campings. "
"Enkele jaren geleden was die festivalweide nog natuur- en landbouwgebied. Dat is dan omgezet in recreatiegebied, maar eigenlijk klopt er iets niet met die bestemming.  Er is alleen maar recreatie als er optredens zijn, wat eigenlijk een versmalling is naar pure commerciële recreatie." 

GVA 8/7/2014

GVA 8/7/2014

Biotoop overhoop
"Welke vogels je op die wei kan zien? Vooral kraaien en eksters en andere opportunistensoorten die zich aanpassen aan de omstandigheden. De campings, dat is een verhaal apart, omdat ze de laatste jaren zo zijn uitgebreid. Een aantal ligt midden in natuurgebied en daar hebben de vogelsoorten toch stevig te lijden. Men begint die locaties al vroeg te maaien, zo rond midden juni, en dan zijn daar nog een aantal grondbroeders en die zijn hun kroost kwijt natuurlijk. 
Die campings, dat waren vroeger overwegend natte broekgronden en verlaten beemden met canadabossen, en ineens konden die eigenaars een mooie cent verdienen door die "slechte wei" te verhuren als kampeerterrein. Dat dagenlang kamperen heeft toch wel een grote impact op de natuur. Het gaat om tientallen hectaren waar het elf maanden stil is en waar de biotoop van die vogels ineens op zijn kop wordt gezet door een massa mensen en lawaai. In het struikgewas en de bomen nestelen nog laat enkele vogels en sommige zijn in juli nog hun jongen aan het voeren. Door die drukte op de campings gaan ze schuw weg blijven van hun nest, die jongen gaan geen of te weinig eten krijgen, en dan is het ermee gedaan. Men hoort niet graag die kritiek, maar voor die vogels en natuurgebieden is toch weinig respect van de organisatoren."

Ooievaar met smos
En wij die dachten dat Werchter een trekpleister was voor onze gevederde vrienden! Meerdere omwonenden hadden immers ooievaars gesigaleerd! ("Vorig jaar heb ik ze nog gezien. Vier ooievaars tegelijk, op de parkingweide. Ze waren duidelijk naar etensafval aan het zoeken. Ik verschoot. Ge verwacht zoiets niet in Werchter. Maar nu blijkt dat ze van Planckendael komen.")
Een andere ingezetene verklaarde dat hij in Werchter het hele jaar géén meeuwen ziet tot het begin juli is: "Hoe ze het te weten komen, weet ik niet. Maar met het festival zijn ze massaal op post. En ze blijven een paar dagen rondhangen en ze eten de etensresten die op de campingweiden achter blijven. Oud brood, restjes barbecue, meloenen, geef dat maar aan de meeuwen!"
Vervoort: «Ja, meeuwen zijn natuurlijk niet schuw. En wat die ooievaars betreft, die zie je inderdaad nog tot een flink eind in juli. En ze komen wel degelijk van Planckendael. Vaak jonge vogels die al in hun park naar eten gescharreld hebben en die dus in de nabijheid van mensen zijn opgegroeid. Een ooievaar is een opportunist. Die heeft leren samenwonen met de mensen. Het is ook bekend dat een deel van de West-Europese populatie niet meer in Afrika overwintert. Ze blijven in Spanje en Portugal rond de stortplaatsen hangen. En ja, dan is Werchter voor hen gewoon een park annex "stort" dat ze dan ontdekken in de dagen na het festival. En dat leren ze vlug natuurlijk, dat ze in het gras een broodje smos makkelijker te pakken krijgen dan een kikker."
En mocht je je afvragen waarom je alleen door wespen en nog nooit door een bij bent gestoken op de wei: hier is het antwoord van onze imker met kasten op anderhalve kilometer van de muziekzwerm: "Je zal daar geen bijen zien, want bijen komen niet af op stroperige frisdrank of zoet voedsel. En daarbij: bijen zijn gevoelig, die blijven weg van plaatsen waar lawaai is. Ze verdragen dat niet, zo'n hevige luchttrillingen. Als de boeren vroeger een wilde zwerm bijen annex koningin in een korf wilden drijven, dan namen ze potten en pannen en dan rammelden en klopten ze zolang tot die zwerm beschutting zocht in die korf. "
Rattle and hum!

GVA 6/7/2010

GVA 6/7/2010

Twintig bankkaarten
Ooievaars pikken naar fast food, maar ze zijn niet de enige scharrelaars in Werchter. Je hebt ook de amateurs met de metaaldetector. Twee à drie dagen later duiken ze op, en sommigen komen nog tot weken nadien de weide afschuimen. Franco B. komt al dértig jaar naar Werchter. Hij kent de weide als andermans broekzak. 
«Ik ga meestal twee of drie dagen later. Dan kan je proper zoeken,  dan is het grootste deel van het afval al opgeruimd. Voor ik de wei betreed, vraag ik altijd de toestemming. En die krijg ik ook. Omdat ze mij kennen na àl die jaren, en omdat ik niet alles bijhoud wat ik vind.
Wat ik zoal vind? Kettinkjes, juweeltjes, uurwerken, gsm's... Dat valt zomaar niet op de grond hé, dat komt door het springen en zot doen. En wij hopen altijd dat het één dag mag regenen tijdens het festival. Want alles wat men verliest, verdwijnt dan in de modder. En dan zijn wij de enigen die het terug kunnen vinden. 
Geldstukken en muntjes, dat vinden wij à volonté. Nu zijn dat euro's, maar vroeger vonden we munten uit heel Europa. En heel vreemd, daar waren zelfs guldens bij. Een Hollander zit dus niet honderd procent OP zijn geld (lacht). Hoeveel geld wij vinden... dat hangt af van festival tot festival. Onlangs ben ik gaan zoeken, 's avonds na het Beach Festival in Oostende, en toen had ik op drie à vier uur honderdtwintig euro bij elkaar. En acht grote blikken Jupiler! Weggestopt onder het zand.   
Maar zoals gezegd, ik hou niet alles bij. Vorig jaar heb ik op Werchter zeven gsm's gevonden en ik heb ze alle zeven afgegeven bij de Verloren Voorwerpen. Vaak is dat ding stuk, maar dan hebben ze de simkaart toch terug. Bankkaarten! Dat kunt ge u niet voorstellen hoe vaak die verloren worden! Vorig jaar had ik er wel twintig, en ik heb ze alle twintig afgegeven. Daar heb ik zelfs geen detector voor nodig, die zie ik liggen met het blote oog. Een ander ziet alleen iets van plastic, maar onze ogen zijn veel harder getraind op alles wat waarde heeft. 
En sleutels breng ik ook allemaal terug! Het zou toch spijtig zijn dat daar ergens een fiets of een brommerke op slot staat, en dat die jong ocharme daarmee niet verder kunnen rijden.    
Of ik ook op de campings zoek? Daarvoor ben ik minder te vinden, want daar blijft de rommel en afval langer liggen dan op het festivalgedeelte. Jong, ge kunt u niet voorstellen wat daar achter blijft! Volledige tenten, frigoboxen, flessen bier, vorken, lepels, dat steekt daar allemaal in het gras. Spijtig dat ik het moet zeggen, maar dàt is de jeugd. En ik zal u nog iets vertellen. Ik ken de uitbater van zo'n camping. En die zei me vorig jaar: Franco, al wat gij oplaadt, dat moet ik niet meer opruimen. En dus reden een vriend en ik met twee lege remorquen tot daar en wij zijn met twee volle bakken terug gekomen. We hebben niet alles kunnen opladen, het was teveel! Dat gelooft gij niet wat daar nog ligt! Spiksplinternieuwe tenten, niet eens opengedaan! Nieuwe grondzeilen! Nieuwe barbeques! Volle zakken houtskool! Goed luisteren hé. Ik heb dat niet nodig! Ik doe dat niet voor mijn profijt, ik doe dat om aan anderen uit te delen. Maar dat is werkelijk zonde wat daar allemaal achter blijft!"

NAWOORD: Tot 2018 werd er elk jaar nog zo’n 40 à 50 ton afval achtergelaten, waaronder veel tenten en grondzeilen. In 2019 werd er nog meer en uitvoeriger gesensibiliseerd. Aan de campinggasten werd gevraagd om hun tenten (én ook hun opblaas-zwembadjes) weer mee te nemen. Er zou “een pak minder afval “zijn geweest. Maar in geen enkele krant was een exact cijfer te vinden in de weken daarna. Op Tomorrowland (editie 2019) werden na het eerste weekend alleen al 5000 slaapzakken achtergelaten op het terrein.

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Zomer zonder Werchter (2): de pionier van de mobiele toiletten

Wie Werchter zegt, zegt eten en drinken en zegt dus ook toiletten. In de jaren negentig waren de mobiele wc-cabines nog nieuw en niet helemaal ingeburgerd, en dus wilde ik die pis-en-kak-pionier wel eens spreken. Ik heb hier mijn originele Word-tekst van juli 1995 voor mij en ik merk dat ik aan Guy Mortier vijf titelsuggesties heb gedaan. De Vader Van Alle Festivaltoiletten. De pot op met R.E.M.-sporen. Plee it again, Sam! Holy shit, man! Het Never Ending Stoelgangfestival. Ja, ik zat toen in een geweldige post-anale fase. Uiteindelijk koos (gm) voor deze beklijvende kop:

Humo sprak met Kakman: een septische kijk op het festivalwezen

Ingescande foto uit Humo

Ingescande foto uit Humo

Lees ook deel 1 van de Zomer Zonder Werchter: twee trouwe soldaten van de frontstage

Humo juli 1995 -licht herwerkt - ©Jan Hertoghs

"Wilt ge mij in zo'n wc mee naar binnen brengen? Hoe dikwijls ze dat al gevraagd hebben!"  

Terwijl de koperen ploert de koeien geselt en het mensvolk op terrassen bijeendrijft ("Schoon weer, jaja, maar ze moeten nu ook weer niet overdrijven!"), arriveer ik op de immens lege weide van Werchter. Op het terrein waar acht dagen geleden 7O.OOO sprinkhanen neerstreken, zijn alleen nog containers, hekkens, zeilen en schrale meeuwen te bekennen. De hitte staat als een verzengende tent tussen de bomen, het is àpeuprès veertig graden in de schaduw van een borstelsteel, en dan komt Alex Geudens (43) uit Arendonk met zijn opligger de weide opgereden. Hij moet hier nog zijn om een laatste serie toiletcabines op te takelen en hij is zowat dé wc-meneer van tal van festivals en evenementen.
"Ik heb The Stones drie keren gedaan, twee keer in Werchter en één keer in Nijmegen, ik heb Bon Jovi en Michael Jackson gedaan, ik doe Pinkpop, Pukkelpop-en-noem-maar-op-pop, ik doe ze bijna allemaal. Ik had in 1994 de paus, ik zou hem met al mijn toiletten volgen van Brussel naar Tremelo naar Namen, 's nachts afbreken en 's morgens weer opbouwen, al mijn materiaal stond klaar, maar toen brak die heilige zijn poot, ja, die heeft me zwaar in de zak gezet."
"Ik ben een boerenzoon, ik heb als loonwerker met gierkarren en grote dorsmachines gereden, maar ik heb ook in oud ijzer, oud papier en recyclageglas gezeten, ik heb dus altijd iets met mijn handen gedaan, en zo heb ik vijftien jaar geleden mijn eerste toiletwagen gebouwd. Gewoon, een idee uit mijn kop, niks afgekeken uit het buitenland, paar schetsen op papier en beginnen lassen en sleutelen.
De bak van een klein vrachtwagentje heb ik omgebouwd tot een toiletcontainer met vijf wc's, vier pissijntjes, vier lavabo's en een zeepdispenser en daarmee reed ik in het weekend de kermissen af. De mensen deden toen nog hun behoefte op café of in de kant, toiletwagens waren absoluut niet in de mode, en het gebeurde dat ik bijvoorbeeld een hele dag op de rommelmarkt van Heist-op-den-Berg stond en niet genoeg geld verdiende om mijn benzine te betalen. Dat was zo'n twaalf jaar geleden, maar dan heb ik een eerste keer op een festival gestaan, op Pukkelpop, en zo ben ik in die wereld  gerold en hebben ze mij een beetje overal leren kennen.
Ik had ondertussen nog een vaste job, ik werkte voor een aannemer van bruggen en wegen, mijn stiel bestond erin om de asfaltlintjes tussen twee betonstroken glad te strijken. Die job heb ik opgezegd, want dat sanitair begon mijn week in beslag te nemen."

Pionier in mobiel sanitair. Alsook pionier in vind-ik-leuk. (Eigen folder Geudens Sanitair 1995).

Pionier in mobiel sanitair. En pionier in vind-ik-leuk. (Eigen folder Geudens Sanitair 1995).

"Ik kom overal waar veel volk is, hoe meer zielen hoe meer vreugd, maar of ik van pop en rockmuziek hou? Nee, geef mij maar een tent met Will Tura, of Vaya con Dios, of Dana Winner. Het nederlandstalige lied, (duim omhoog) dat is mijn smaak. Maar zelfs al zou rock mijn goesting zijn, ik zou geen minuut de tijd hebben om naar die muziek te luisteren. 'Gelukzak," zeggen ze dan tegen mij, "gij hebt drie keer de Stones gezien', maar ik heb de Stones niét gezien. Ik heb alleen maar wc's gezien. En ik heb wc-rollen rondgedragen, en ik heb kuisploegen met zeemvellen bevoorraad om de brillen schoon te maken, en mijn helper heeft constant met de ruimwagen rondgereden om doorlopend die bewaartanks van die wc-cabines leeg te zuigen. Dat is continu werken, maar zo wil ik het ook. Het moet goéd zijn, het moet àf zijn, ik wil dat ze overal zeggen: gij moogt nog terugkomen."
Jacko Occupé
"De gewone cabines zonder waterspoeling zijn voor de toeschouwers, de toiletwagens met waterspoeling komen meestal backstage voor de artiesten. Onder het podium staat ook nog één extra cabientje, want ja, een artiest die gaat optreden, die moet dikwijls nog eens rap hé. Eén keer heb ik Michael Jackson uit een van mijn toiletwagens zien komen. Normaal kijk ik niet naar wie er optreedt, zelfs al loop ik los door de backstage of de frontstage, maar de show was juist gedaan, hij verdween van dat podium, en ik zie hem in het toilet stappen. Direct vier bodyguards daarbij, van die kleerkasten met een microfoontje voor hun gezicht en enkele tellen later kwam mijnheer buiten. Toén had ik mijn fototoestel moeten hebben natuurlijk, dat zou een mooie reclame geweest zijn, Michael Jackson op mijn toilet!"
"Of ik dat tof vind, backstage rondlopen? Ik vind dat niks bijzonders. Ge hebt er die op het podium staan en ge hebt er die naast het podium staan, ieder doet zijn werk, zo is het toch, maar er zijn er die veel geld zouden geven om daar te komen waar ik kom. Ik heb al ik-weet-niet-hoeveel aanvragen gehad van jonge gasten die met mij willen meerijden, die mijn helper willen zijn om als 'verstekeling' met de toiletwagens backstage binnen te geraken. Nee, jongens, zeg ik dan, niet met mij."

In de boskes
"Ik kom trouwens niet alleen op muziekfestivals. Ik zet ook toiletten op vliegmeetings, op marathons, beurzen, bouwwerven, overal waar volk komt en waar geen toiletten zijn, daar ben ik. Ik zet zelfs toiletten voor het leger op maneuver. Voor buitenlandse legers op maneuver welteverstaan, Amerikanen en Britten die hier op doortocht zijn bijvoorbeeld. Voor de Belgische soldaat op maneuver moet ik geen toiletten zetten, die moet nog altijd in de boskes kakken, ja, zo is het. Daar komt nu wel verandering in met al die VN-troepen die naar ex-Yoegoslavië vertrekken. Nogal wat van die buitenlandse VN-soldaten krijgen in België hun opleiding samen met Belgische militairen en vanwege die buitenlandse inbreng zijn die Belgische piotten de eerste die ook op toilet mogen."
"De Belgische mentaliteit is niet zo proper, ik merk dat op de Belgische festivals. Daar moet ik in verhouding met het aantal toeschouwers altijd minder toiletten zetten dan in Nederland. In Nederland zegt men: zoveel mensen = zoveel toiletten, zodat niemand lang moet wachten. In België denken ze: ach, laat dat volk maar een beetje wachten. Als er maar plaats genoeg is voor eten en drinken, want dat doet de kassa rinkelen! De toiletten, dat is bijzaak. Vaak krijg je de pechstrook toegewezen, een hoekje of een bermpje dat nog niet vol kramen staat. In Nederland is dat anders, daar hebben ze echte sanitaire blokken op een festivalterrein. Terwijl je hier met je wc-cabines vlak naast een hotdogkraam moet gaan staan en dan komen ze bij mij klagen dat er een wc-geur tussen het eten hangt! In Werchter is de laatste jaren veel verbeterd, maar de organisatoren zetten toch nog altijd enkele van hun eelfgemaakte toiletten voor de heren. Dat is een dakgoot die ze op een houten schutting hebben geschroefd en alles loopt via een darm naar een gat in de grond. Soms wordt die dakgoot eraf gerukt en dan staat iedereen gewoon verder te zeiken in het gras. Zoiets is in Nederland onvoorstelbaar."

Wildplassen in Werchter. Voor de statistici:4 op de 5 mannen droeg  een korte broek aanvang juli. (c) gie Knaeps

Wildplassen in Werchter. Voor de statistici:4 op de 5 mannen droeg een korte broek aanvang juli. (c) gie Knaeps

Wipwip
"Op die wc's gebeuren wel de dingen die op alle publieke wc's gebeuren. Je vindt er portefeuilles die verloren zijn en portefeuilles die gestolen zijn. Sommige liggen gewoon naast de bril, andere steken in de stront. Dan stop ik mijn hand in een plastic zak, ik pak die portefeuille uit de blubber, ik draai dat zakje binnenstebuiten, leg er een knoop in en geef het aan de organisatoren. Of ik spoel ze thuis af en stuur ze zelf op naar de rechtmatige eigenaar. Ik vind natuurlijk ook wel eens drugs, en soms ook een druggebruiker. Die is meestal te herkennen aan het feit dat hij op zijn knieën voor de pot zit. Die rotzooi moet ik niet."
"Toen die mobiele toiletten nog nieuw waren op de festivals, hadden wij ook wel eens te lijden van vandalisme. Zatte koppen vonden het dan leuk om er een deuk in te trappen, één keer had een kwiet zelfs een kijkgat uitgesneden met een mes, en meerdere keren vonden we cabientjes tegen de grond getrapt waar ze dan -aan de voetsporen te zien- bovenop gestaan hadden. Maar nu is het nieuwe eraf, nu laten ze die dingen met rust."
"Condooms vind ik natuurlijk ook en zeker zijn er koppeltjes die zo'n wc-cabine gebruiken om het eens rap te doen. Ze hebben op de wei al dicht bijeen gelegen, er is de drank, er is de muziek, en ineens moet het dan gebeuren. Wij zien gewoonlijk één dakje tussen andere dakjes beginnen wiebelen, er steken al eens twee voeten onder een deur naar buiten, hier en daar wordt met de voeten op een deur geklopt, hard geklopt, zacht geklopt... Als het kalm is, laat ik die twee gerust, maar als er mensen staan aan te schuiven, dan moeten ze eraf. Dan trek ik desnoods wat kledingstukken onder de deur naar buiten om ze eruit te krijgen."
"Evengoed zijn er die hun gazet zitten te lezen op het toilet. En dat kan best wat duren, want er worden op die festivals nogal wat gazetjes uitgedeeld. Die verdwijnen dan na lezing in de pot, die verstoppen mijn afvoerdarm, daar heb ik het niet mee. Net zomin als met die graffiti-mannen. Want wie mag die tekeningen de week daarop één voor één wegschrobben met een bijtend product? Meneer hier!" 
Puur natuur
"Op een groot evenement heb ik zo'n tweehonderd cabines staan en haal ik per dag gemiddeld dertigduizend liter op. Onder elke wc-pot zit een bewaartank die 25O liter kan bevatten en eigenlijk is zo'n toiletcabine een plastic huizeke met onderaan een septische put in plastic. Mijn wc's zijn dus septische wc's en -alstublieft!- géén chemische wc's. Zelf voer ik al mijn tankwagens naar een verzamelbekken in een zuiveringsstation en voor die lozingen heb ik mijn vergunningen.
Dat ik met stront rij, doet mij niks. Ik heb vroeger ook gier over de akkers gevoerd en dat is net hetzelfde. Het is puur natuur zeg ik maar."
"Eén keer had ik de politie op mijn dak. Dat was vorige week. Ik kwam terug van Bospop (Weert) en in de buurt van Eindhoven steekt zo'n snelle wagen van de marechaussee me voorbij en op hun dak begint een zinnetje te flitsen; Volg mij! Volg mij! Ik daarachter, volgende afrit gestopt, ik stap uit met een rol wc-papier in mijn hand: 'Wat is er, heren, moet u soms dringend?" Daar konden ze niet om lachen. Honderd gulden moest ik meteen betalen, "want u rijdt met een truck zonder brede achteruitkijkspiegels." 

Het plaskruis op volle kruissnelheid. Het werd begin jaren ‘90 als nieuwigheid geïntroduceerd.  gie Knaeps

Het plaskruis op volle kruissnelheid. Het werd begin jaren ‘90 als nieuwigheid geïntroduceerd. gie Knaeps

Plaskruis
"Het is geen gemakkelijke job. Het is een job waar veel denken aan voorafgaat. Je moet die toiletten niet zomaar afkappen als een berg zand, dat moet overzichtelijk zijn, mensen moeten hun weg kunnen vinden in zo'n toilettenblok. Iemand die net van de wc komt, is toch altijd met zijn gedachten eventjes weggeweest. Als die mens de deur opendoet, dan moet die meteen kunnen zien: ha, daar is de uitgang! Je mag de mensen niet laten buitenkomen in een wirwar: help, waar moet ik naartoe?" 
"Het is ook geen gemakkelijke job omdat je een heel seizoen op alle uren van de dag klaar moet staan, en dan zeker in het weekend. Vrijdagavond laat sturen ze een fax "de voorverkoop loopt goed, breng meer toiletten", zaterdagmorgen om zes uur belt er iemand van een festival waar ik geen contract heb of ze toch nog tien cabines van mij kunnen huren, voor diezelfde dag! Zaterdagnacht om vier uur word je uit bed gebeld door een dubbele tong die zegt dat hij de toiletten wel op slot wil doen, "maar dat hij het slotje van de deuren niet kan vinden". En zo is er altijd wat."
"Telkens als er nieuwe modellen op de markt komen, zit je ook met de kinderziektes. Zo is het nooit een appetijtelijk zicht geweest om vanop de bril recht in dat blubbergat van de tank te kijken en op een keer had een firma hét gevonden. Die hadden onder in de pot een klep gemonteerd en die klep ging pas open als je op de bril ging zitten. Maar veel toiletgangers- vooral dames- hangen zo'n beetje boven de bril in plaats van er voluit op te zitten. Gevolg: alles hoopte zich op boven die klep wat nog veel minder appetijtelijk was!  Die kleppen heb ik er meteen uitgezwierd."
"Wat wel een goeie uitvinding is geweest, dat zijn de pispalen of zoals de Hollanders zeggen, de plaskruisen. Dat Hollands fabricaat is een pissijn in het kwadraat, dus vier plastic urinoirs die gemonteerd zijn op een bewaartank in het midden. Ik vind dat een flinke verbetering. Mannen staan nu apart: gedaan met het gewiebel en het scheefplassen boven de bril van het gemeenschappelijke toilet."

"Ik ben bezig met vroeger en met later. Van elk nieuw toilet of pissijn dat op de markt komt, probeer ik altijd één exemplaar te kopen. Dat zet ik opzij in mijn magazijn. Zo werk ik stillekes aan mijn privémuseum voor later." 

Deel 3: Werchter, the day after

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Zomer zonder Werchter (1): twee trouwe soldaten van de frontstage

Voor het eerst in zijn lange bestaan zal er deze zomer geen festival zijn in Werchter. Reden: de onvoorziene top of the bill Corona.
Er is wel een Rock Werchter Zomerbar vanaf 2 juli met kleinere optredens voor 400 personen. 
Bij deze gaan we terug naar het jaar dat het ééndagsfestival zijn twintigste onbekommerde verjaardag vierde.
Aan het woord zijn Ben en Johan, twee aimabele security-kleerkasten met grote schappen anekdotes. 

Humo 28/5/96 - licht herwerkt - © Jan Hertoghs 

Ben Vanhoegaerden en Johan Vandendriessche © gie Knaeps

Ben Vanhoegaerden en Johan Vandendriessche © gie Knaeps

Werchter: een dag in het leven van twee kleerkasten
"Zie! Ik heb het wéér! Het haar komt weer overeind op mijn armen!"

Op het moment dat het dubbelfestival T/W twintig kaarsen op zijn boxen ontsteekt, staan Johan Vandendriessche (36) en Ben Vanhoegaerden (37) ook twintig keer op Werchter. En ja, zij hebben de wei van bloemist Juul De Wit zien vollopen en zij hebben die wei ook zien leeglopen: tien keer als festivalganger (1977-1986) en tien keer als frontstage security.
Ben is bankbediende en Johan is assistent-bibliothecaris, niet bepaald de kleerkasten-industrie dus, maar ik heb beide Kortenbergenaars hun brede armen over hun brede borst zien kruisen ('dat hebben we samen geleerd in de kleuterklas van zuster Xaveria!') en ik zeg u: deze borstkassen zijn uit massief ruwe bolster. En dus mét blanke pit.
In wezen zijn Ben en Johan vooral brothers in rock die in hun leven al pakken concerten hebben bijgewoond en die samen in de States al mijlen en mijlen hebben verreden op zoek naar de wortels van hùn muziek.
Ik stel me deze twee gabbers voor als ze in de tachtig zijn. Bewoners van het rusthuis Ter Denneboom (verste kamer gelijkvloers), een rolstoel met de sticker Slow Train Coming,  boven hun bed het plaasteren tegeltje No sleep til' Brooklyn!, en op de schouw een kruisbeeld met opschrift Rock 'n Roll Will Never Die. En dan de directrice die in hun hardhorige oren roept: " Hier is een journalist die wil weten of jullie zestig jaar geleden op zo'n weide hebben gelegen om naar muziek te luisteren?" 

HUMO: Wat betekent Werchter voor jullie?
Johan
: "Werchter is voor mij belangrijker dan Kerstmis en Nieuwjaar samen. Zevenendertig word ik en nog klopt mijn hart rikketik vol verwachting. De nacht tevoren kan ik de slaap niet vatten en lig ik te woelen in mijn bed als een kind dat op schoolreis vertrekt, of Sinterklaas verwacht. Als jonge gast lag ik dan klaarwakker in bed en haalde ik al de groepen van de komende dag voor mijn geest. Als security lig ik minder wakker van de muziek en meer van de vraag of alles wel goed zal verlopen. Werchter ja, daar lig ik wakker van. Ik noem Werchter zelfs mijn tweede geboortedorp. 
Ik ben ook niet verlegen om te zeggen dat ik in mijn jonge tijd die wei gekust heb voor ik ze betrad! Het was het eerste festival dat Ben en ik als zeventienjarigen bezochten en zo'n eerste liefde laat je eigenlijk nooit in de steek. (toont tien jaar tickets en een paternoster van security-badges:" Dat zijn mijn relikwieën.") Het is bij mij allemaal begonnen met de film Woodstock. Ik kon hem niet gaan zien, ik was maar elf jaar, maar ik zag die foto's in cinema Metro in Kortenberg en ik was aangegrepen, ik was verkocht.Aan wat ik het Groot Broederschap van de Rock 'n Roll noem. Ik heb nog altijd die nostalgische hang naar dat Woodstock-idee, dat allemaal samen in vrede naar muziek luisteren. Daar in die idyllische scenery van Werchter zag ik dat ook gebeuren, zeker in de periode tussen mijn 17 en 25 jaar.
Nu ben ik ouder en loop ik al eens backstage, en dan zie ik die business, en dan zie ik hoe alles eigenlijk alleen maar om poen en centen en money draait, dus dat Woodstock-gevoel begint meer en meer vals aan te voelen, maar toch kan ik die sfeer op die wei niet meer missen. In dat opzicht lijd ik aan het Peter Pan-syndroom, ik ben zo'n jongensdromer, ik heb nog altijd die jonge gast van zeventien in mij."

Zelfklever van de editie 1978.  (Collectie Ben VH)

Zelfklever van de editie 1978. (Collectie Ben VH)

HUMO: 's Morgens om halfnegen worden de hekken opengezet. Een bijzonder moment?
Ben
: "Het plezàntste moment!" 
Johan: "Wij staan daar al van zeven uur, half acht op die wei, en alles is nog zo stil, geen grasje, geen blaadje beweegt, 't is de pastorale, 't is zo'n Pallieteriaanse Timmermansiaanse sfeer met een paar leeuweriken in de lucht, en dan hoor je de torenklokken van Werchter het half uur slaan en dan! Dan zie je in de verte ineens de start van de marathon van New York! Maar dan wel met allemààl lopers die in slechte conditie zijn! Ja, om half negen plaatselijke tijd in Werchter zie je perfect hoe het gesteld is met de fysieke conditie van de Vlaamse en ook de Hollandse jeugd. Er zijn er die halfweg de wei, na amper 3OO meter dus, al steektes in hun zij krijgen en al niet meer kùnnen. En vervolgens staan ze hier te hijgen en te hijgen aan het hek."
Ben: "De konijntjes!"
Johan: "Ja, de konijntjes! Ooit hebben wij drie konijnenjongen van een gewisse dood gered. Om acht uur deden we nog een laatste check van het terrein en ineens zien we daar een hol mét drie jonge konijntjes. Precies in die strook waar binnen enkele minuten die horde bizons in stampede zou voorbijkomen. Iemand van de hondenclub van Tildonk heeft die jongen bij hun oren uit dat hol gepakt en ze in een bos backstage weer losgelaten!"
HUMO: De rush gaat naar de plaatsen op de eerste rijen. Hoeveel mensen willen zo'n plekje veroveren?
Johan
: "Toch een paar duizend. Daar zijn mensen bij die al van zes uur 's morgens voor die ingangspoort zitten te wachten.' 
Ben: 'In de tijd van U2 en Simple Minds waren er die 's nachts al hun slaapzak voor die poort gooiden. Toen wij zelf nog festivalgangers waren, wilden wij ook vooraan staan en dan lummelden wij heel de nacht in die buurt rond: op het terrein van de wipschieting of in de bar van de hondendressage. Heel soms deden we een tukje in openlucht, probeerden we te slapen zomaar langs de weg.'
Johan: "De weg naar Wakkerzeel! En liep het tegen achten dan stonden wij voor de poort."
Diehards
Johan
: "Die honderd man frontstage security is hoofdzakelijk afkomstig uit de 'frontdorpen' Werchter, Kortenberg en ook Zolder. Zij zitten verdeeld over de twee delaytorens,de mixtoren,de middengang, kortom, alle compartimenten die voorwaartse publieksdruk moeten opvangen. Waar het eigenlijke frontstage hek is, daar staan wij, de zogenaamde kilo's, de mannen die letterlijk enig gewicht in de strijd kunnen gooien, de mannen die als het moet in die massa kunnen en willen penetreren om orde op zaken te stellen."
HUMO:Jullie staan er niet om dat podium te beschermen, jullie staan er om het publiek te beschermen.
Johan
: "Absoluut! Wij zijn niet de gorilla's die onschuldige festivalgangers op hun gezicht slaan. Wij zijn er om de veiligheid van dat frontpubliek te verzekeren." 
HUMO: Jullie kijken ook altijd richting publiek?
Ben
: "Altijd. Ogen naar het publiek, rug naar het podium. En als je dan toch per se één groep aan het werk wil zien, dan vraag je toelating aan de rest van de ploeg om van die hele dag één kwartiertje of één half uurtje af te knijpen."
HUMO: Jullie staan daar wel in de volle decibelbeuk. Ik stond ooit frontstage en tot mijn verwondering begonnen mijn broekspijpen te flapperen van het volume. Jullie dragen allicht oordopjes.
Ben
: "Sinds vijf jaar zelfs onafgebroken. En met reden. Ik had al bij heel veel concerten heel dicht bij de boxen gestaan zodat ik nu in één oor aan gehoorverlies lijd."
Johan: "Je staat daar amper bij stil, maar die geluidsgolven, die trillingen uit die boxen, die vibreren, die resoneren. Tot in je borstkas. Tot in je ingewanden."
HUMO: Kan je een profiel schetsen van de gasten in die frontlinie?
Johan
: "Eerst en vooral zijn er de diehards die voor alle muziek komen en die géén enkele groep willen missen. Daartussen zit ook een select groepje intelligentsia dat tijdens de pauzes de Humo-bijlage leest én/of literatuur van Kerouac, Bukowski, en Burroughs, zeg maar, het soort schrijvers dat bij rock-'n-roll past."
Ben
: "Daartussen zitten ook de diehards die maar voor één top-act komen en die de rest van de muziek 'uitstaan' tot het hun beurt is. Dat zijn de types die zich vanaf halfnegen aan dat hek vastkluisteren als gevangenen aan de tralies en die in trance op hun idool wachten."
Johan: "Onder hen vind je ook de klonen, de lookalikes. Vooral bij The Cure. Die hebben op de eerste rij wel twintig Robert Smittekes staan. Allemaal van die nachtraven waarvan de mascara is uitgelopen en het haar is overeind gekomen nadat ze met hun vingers in het stopcontact hebben gezeten."
Ben: "The Cure was in '9O top of the bill na Bob Dylan. Dat had natuurlijk andersom moeten zijn, maar soit! Die gasten waren dus fysiek verplicht om naar Dylan te luisteren en tijdens dat optreden van onzen Bob vroeg ik aan die vleermuizen of ze wisten wie Bob Dylan was. De ene zei Connais pas! en de andere zei Een ouw sacoche! (komen niet bij van het lachen)

Robert Smith - The Cure © gie Knaeps

Robert Smith - The Cure © gie Knaeps

Water in de woestijn       
HUMO: Maar jullie hebben wel respect voor dat eersterangspubliek?
Johan
: "Zeker. Omdat wij vroeger uit hetzelfde fanatenhout gesneden waren. Wij weten wat je daar moet ondergaan. 't Is een survival of the fittest en je wordt belaagd door honger en dorst en krampen in de benen." 
Ben: "En niet te vergeten de hitte van die Koperen Ploert die soms zo pal boven die wei staat dat je die lucht boven die koppen ziet zinderen zoals boven de tarmac van een vliegveld."
HUMO: Hoe doen diehards hun sanitaire behoeften?
Johan
: "Ze kunnen niet naar het toilet want dan zijn ze hun plekje kwijt. En omdat ik ze het nog niet in een plastic zakje heb zien doen, denk ik dat die gasten nauwelijks wat eten of drinken. Daardoor zijn ze ook de eerste kandidaten om flauw te vallen."
Ben: "Zo'n meisje dat al vanaf halfnegen met de blik op de Simple Minds aan dat hek hing en Jim Kerr kwam op... en ze viel van haarzelve. Bye bye Jim, bye bye optreden, ze heeft alleen maar de binnenkant van de Rode Kruistent gezien. Daarvoor had ze een ticket gekocht, daarvoor had ze tien uur gewacht!" 
Johan: "Dan hang je dus half over die afrastering om die bewusteloze uit dat pak te tillen. En als dat een Miss Twiggy is, oké, maar als we daar Miss Piggy moeten uithalen, dat is minder." 
Ben
: "Acht keren op de tien zijn het meisjes die van hun stok gaan. Sorry, maar zo is het. De topjaren qua flauwvallen waren 1983 (U2/ Simple Minds), 1984 (Simple Minds en Lou Reed), en 1985 (Paul Young en U2).”

Jim Kerr (Simple Minds) en Bono (U2) geïnterviewd door Bart Peeters (still uit Belpop “40 jaar Werchter” Canvas)

Jim Kerr (Simple Minds) en Bono (U2) geïnterviewd door Bart Peeters (still uit Belpop “40 jaar Werchter” Canvas)

HUMO: Volgens onze plaatselijke correspondent Staf Herten was '85 redelijk degoutant. Bono (U2) zag de fans met bosjes tegen het hek vallen en nog riep hij de wei op om naar voren te komen.
Johan
: "Zo'n Bono is dan zo theatraal en zo pseudo-jezus bezig dat zo'n tiep dat niet meer ziét volgens mij. A propos, U2... fantastische groep hé! Als ik nog aan hun eerste optreden denk! (wijst op een arm vol rillingen) Ziet! Vijftien jaar later en ik krijg nog kippenvel! En dan Bono: I lost my voice, so I have to sing with my heart! Zeg nu zelf, dat is toch een zeer schone rock- 'n-roll zin!"
HUMO: Ondertussen valt er wel weer iemand flauw.
Johan
: "Ja, en bij grote warmte is er dan die héte walm die uit dat publiek opstijgt, dàt is om mottig van te worden. Die hitte! Die lijfgeur! Dat zweet! Regent het, dan is dat een stank van natte lijven, modder, platgetrapte hamburgers en plasjes kots en bier. En dan hang je daarboven en dan zeg je bij jezelf: dat zijn HELDEN die het hier een ganse dag uithouden."
HUMO: Op hondsdagen laven jullie ook de dorstigen.
Ben
: "Eens je daarmee begint, is er geen ophouden aan. Je draait die brandspuit open, je vult flessen, je vult bekertjes en je blijft bekertjes vullen. Uren aan één stuk."
Johan: "Die massa, dat is één groot lichaam. En soms zie je dat lichaam genieten, en soms zie je dat lichaam afzien. Soms roept, soms smeekt dat lichaam om water. Water! WATER! Dan denk ik aan galeislaven of zelfs aan de Derde Wereld. Wij, de rijken die het water hebben tegenover en massa van armen die geen water hebben.En je wil die nood wel lenigen maar aan de andere kant denk je: het helpt niet,het zijn druppels op een hete plaat." 
Ben: "Andere security-jongens zullen makkelijker zeggen: laat ze dorst lijden, ze hebben het zelf gezocht door hier vooraan te komen staan. Maar wij kunnen dat niet aanzien. Wij blijven water dragen." 
Johan: "Er zijn er ook die onze boterhammen met kaas en hesp schooien, maar daar ben ik selectief in. Mijn boterhammen gaan alleen naar vrouwelijk schoon."
Bernadette-van-Lourdes

Jim Kerr (Simple Minds) - still uit Belpop “40 jaar Werchter” Canvas

Jim Kerr (Simple Minds) - still uit Belpop “40 jaar Werchter” Canvas

HUMO: Hoe schuilen de diehards tegen de regen?
Johan
: "Met een plastic zeiltje zoals iedereen. Tenzij hun heiland aan het optreden is, dan kan de regen hen niet deren." 
Ben:"Dan heffen ze hun handen ten hemel: laat het water maar over onze hoofden komen, samen met de muziek van onze heer!"
HUMO: Als mensen dan eindelijk hun idool aanschouwen, krijgen ze allicht ook een andere blik in de ogen.
Johan
: "Dat is soms de absolute adoratie, ik noem dat de de Bernadette-Van-Lourdes-blik.Die trance in die opengesperde ogen, die lippen die de teksten van de eerste tot de laatste zin mee playbacken."
Ben: "Dat ze met de boerenjongens-rock-'n-roll van Bryan Adams meezingen, begrijp ik nog, maar ik heb fans zien meelippen met Jim Kerr van The Simple Minds en dat zijn allesbehalve simpele teksten."
Johan: "Dat zijn van die vage, esotherische songs met cryptische verwijzingen naar Keltische toestanden, en die zingen ze dan mee alsof dat I-love-you-yeah-yeah- is. Met hetzelfde gemak zingen die gasten misschien je reinste rechtse praat mee. Ja, daar sta ik soms wel bij stil, bij die macht vanop dat podium."
HUMO: Ik heb meisjes uren met een snijbloem in hun handen zien wachten om dan na tien uur geduld die bloem naar hun idool te gooien en dan valt en verdwijnt die roos toch wel tussen de boxen zeker. Moeten jullie ook bloemen overbrengen van verliefde fans?
Johan
: "Ja, en brieven! "Kunt u deze brief niet afgeven aan Robert?!" Altijd met de voornaam hé!”
HUMO: En deed je dat dan?
Johan
: "Ik speel komedie. Ik zeg: ja, ik zal hem aan Robert geven. Maar ik gaf die brief niet af, want ik kon toch niet backstage geraken. 's Avonds aan de toog las ik die brieven voor, dat was om je zot te lachen. (daverende lach)"
HUMO: Lelijkaard!
Johan
: "Er zijn zelfs gasten die een demo-cassetje afgeven. Die duwde ik dan 's nachts in mijn auto-cassettenspeker en dan moest ik dikwijls zo hard lachen dat ik bijna tegen een boom reeed."
HUMO: Slechte mens!
Johan
: "Ik heb toch nooit gezegd dat ik een goed mens was!"
HUMO: Hebben jullie fans geweten die zich de kleren van het lijf rukten voor hun idool?
Johan
: "Dat niet, maar ik heb één keer Jim Kerr zien opkomen en tegelijk zag ik een vrouw in de frontstage wier hand in haar broek verdween en die hand is dat ganse optreden in die jeans gebleven. Wij stonden daar, zo van wink wink, nod nod , heb je dat gezien. Wij waren gegeneerd maar madam deed rustig verder. Dat zijn uitzonderingen. Wij hebben ook op Pinkpop gestaan en daar zie je veel meer van die zottigheden. Vergeleken met Pinkpop is Werchter een plechtige-communiefeest."
Message in a PET-fles
Ben
: "Hier zitten toch ook mafkegels. Herinner je je die zot tijdens Iggy Pop?!" 
Johan: "Zeker! Tijdens heel dat optreden riep die I just wanna be your dog! Wraf wraf wraf! Dat is een refreintje van Iggy Pop en die kwiet heeft dat wel duizend keren geroepen. Op de duur stond het schuim zelfs op zijn lippen."

Modder. Het zou iets van John Lennon kunnen zijn. © gie Knaeps

Modder. Het zou iets van John Lennon kunnen zijn. © gie Knaeps

HUMO:In Torhout '92 had je dat modderfestijn. 
Ben
: "In Torhout was het modderroetsjen, in Werchter was het modder gooien. Dat was tijdens de Red Hot Chili Peppers. En dat slijk vloog vooraan in de wei van de linkerkant naar de rechterkant, precies twee loopgrachten."
Johan: "De 'Peppers' riepen: Throw more mud at us! En hop, 5OOO man nam zo'n klot slijk en begon een offensief, net de slag om Stalingrad (imiteert bombardement)"
Ben: "Driekwart van de security stak onder het podium in dekking. Ikke niet. Ik was rots in de branding."
Johan: "Rots in het slijk,ja. En Peppers-bassist Flea trok zijn broek af, liet zijn gat zien aan het volk en kwak, zo'n vlaai slijk tegen zijn achterste! Guy Mortier maakte toen nog de intelligente opmerking: "John Lennon heeft hierover een mooi nummer gemaakt." en 95% van de wei wist niet dat hij het over 'Mother' had." 
HUMO: In '89 hebben ze ook ijsjes gegooid naar Tanita Tikaram.
Johan
: "En daar hadden ze groot gelijk in!"
Ben: "Ze zong vals!"

Flessenregen tijdens “Message in a bottle” © gie Knaeps

Flessenregen tijdens “Message in a bottle” © gie Knaeps

HUMO: In '91 vlogen de PET-flessen door de lucht.
Johan
:"In Torhout was dat bij Iggy Pop en in Werchter was dat maf genoeg bij Sting, maar wel bij een heel passend liedje, Message in a bottle..."
Ben: "Wij staan op een houten verhoog, wij kunnen dus anderhalve kop boven die massa zien en dat was fascinerend, die duizenden en duizenden bottles die op die zee van volk heen en weer golfden en ronddobberden."
Johan: "Op 60.000 man heb je natuurlijk altijd een paar malloten die denken dat ze iets méér moeten doen en die toen met volle flessen zijn beginnen experimenteren.Ik zie dat zo voor mij gebeuren, zo'n gast die zo'n kegel op zijn kop krijgt,wok,dat bloed spoot als een fontein uit zijn haar." 
Ben
: "Toen was het ineens oorlog,hé.Toen hebben ze d'r ineens honderd moeten afvoeren en het jaar daarop was het binnenbrengen van plastic 'bottels' al verboden."
Rock-'n-roll-stoelen

HUMO: Hebben jullie dat frontstagepubliek met de jaren zien veranderen?
Johan
: "Ze worden jonger natuurlijk. En ze krijgen meer tattoos en die collectieve begeestering voor de Simple Minds en U2 heeft plaats gemaakt voor het meer individuele slam dancen (=tegen mekaar op pogoën)skydiven en crowdsurfen. Skydiven is zowat rond 199O ontstaan. Ineens dook dat op, van die menselijke Arianes die met een voetje van een medemaat de lucht werden ingeschoten en die met een zachte of harde splashdown op het publiek landden om dan liefst verder te dobberen. Het ergste was bij Therapy en Offspring in '95, dat waren de rattenvangers van Hameln, die skydivers bleven maar komen. Maar wij pakken niks aan, wij drijven al die surfers terug in het publiek." 
Ben: "Wij zijn sterk anti-skydiven als je ziet hoe mensen worden afgevoerd met een jaap in hun hoofd, courtesy van een legerbottien tegen hun kop!"

© gie Knaeps

© gie Knaeps

HUMO: TW heeft een rustig aureool: er wordt weinig of niet gevochten, maar soms zullen jullie toch hardhandig moeten optreden.
Johan
: "Heel weinig. Eigenlijk allleen wanneer kleine groepjes ambrasmakers naar voren dringen en andere mensen beginnen te ambeteren. Het afleidingsmaneuver is dan om voorin te roepen dat ze moeten ophouden  - hun middelvinger gaat dan omhoog natuurlijk- en ondertussen met genoeg security van de wei die gasten langs achter "aan te vallen", in casu ze eventjes op de schouder te tikken. Zo'n onverhoedse verschijning van de security is bijna altijd voldoende om ze te doen ophouden. Op die tien jaar hebben we misschien nog maar tien mensen hardhandig van de wei moeten verwijderen." 
Ben: "Fascist! roepen ze dan."
Johan: "Tegen mij! Antifascist in hart en nieren!"
Ben:(grijnst) Ze gaan misschien voort op je uiterlijk, hé Janneke."
Johan: "Normaal heb ik lang haar, maar voor Werchter laat ik me altijd een broske knippen. Dat dwingt meer gezag af! En daar kunnen ze ook niet aan trékken,hé."
HUMO: Staan jullie uitsluitend frontstage?
Ben
: "De laatste jaren wissel ik het 'front' al eens af met het gehandicaptenpodium en dat is een sport apart. Gemiddeld is daar plaats voor zo'n vijftig rolstoelen, ieder met één begeleider. Maar soms komen ze daar toe met zés begeleiders!Ik ben ook foerier van die mensen, want zij komen langs een aparte ingang binnen, zij hebben dan geen klakskes en boekskes gekregen en ik ben dan zo zot dat ik als security 'klakskes en boekskes' voor die mannen ga schooien."
Johan: "Gij doet goede werken, Ben. En er gebeuren af en toe ook mirakels op dat podium! Weet je nog die ene gast die ineens uit zijn rolstoel opstond en op één been begon rond te dansen! Al die anderen dachten: halleluja, hier is iemand genezen, maar die tiep had maar één gebroken been." 
Ben: "En dan die twee nep-mindervaliden! Halverwege het festival zag ik dat ze van plaats verwisseld waren en dat de begeleider nu met zwachtels en dekens over zijn knieën zat. Die validen hadden gezamelijk een rolstoel gehuurd om op dat podium te kunnen zitten!" 
Tranen in blauw
HUMO: Wie mogen jullie toelaten in die frontstage area?
Johan
: "Alleen Schueremans en zijn adjuncten, de technici en de roadies van de optredende groep, plus een beperkt aantal journalisten en fotografen. En nog een hoopje Bekende Vlamingen."
Ben: "Dat gelukkig elk jaar kleiner wordt."
Johan: "Dan hebben we het vooral over de Paul Jambersen en Walter Grootaersen en ook sommige rockjournalisten die daar staan te kijken met zoveel blasé, met zoveel kontdraaierij en zelfgenoegzaamheid, dat ik er misselijk van word. Als je Arno bescheiden in de kant ziet staan, een en al aandacht voor een groep die optreedt, dat is me toch héél wat liever dan die gasten die vooral zélf willen gezien worden."
Ben: "Je vergeet de politici, Janneke."
Johan: "Ja, de politici met hun acte de présence! Dat is zo geloofwaardig als Iggy Pop die een bezoek zou brengen aan de Belgische senaat. Bullshit!"
HUMO: Jullie hebben tien edities op de wei gestaan en daarna negen edities frontstage.  Hoe is het om van de wei naar die coulissen te gaan?
Johan
: "Dat is een lichte desillusie, want je staat bijna oog in oog met die artiest. Er is geen kloof, geen hekken, geen tienduizend man die u scheidt, en dat is een ontluistering. De magie vanop de wei ben je ontegenzeggelijk kwijt. Maar in ruil krijg je wel een heel bevoorrechte plaats, en eerlijk, ik zou nu niet meer terug willen in die wei."
HUMO: Hebben jullie mooie herinneringen aan een moment waarop de hele wei is plat gegaan?
Johan
:"Toen Lenny Kravitz in '93 voor de tweede keer naar Werchter kwam, zat ik toevallig met een ploeg van MTV in de mixtoren en tijdens "Let love rule" gingen 4O.OOO van de 6O.OOO armen in de lucht en die armen pakten mekaar vast en die begonnen heen en weer te zwaaien. En toen zei ik bij mezelf: hier is uwe Woodstock, Johan! Ik kreeg het helemaal warm vanbinnen. Dat was zo, zo ontroerend!"
Ben: "Bryan Adams in '88 en in de gutsende regen. Die gast heeft daar de set van zijn leven gespeeld, want het was koud, iedereen was nat tot op het bot, en hij kreeg die wei warm, hij kreeg die wei aan het dansen."
Johan: "Dat was één grote regenfuif. Wij herinneren ons ook allebei heel goed The Scene, openingsact in '93. Die speelden "Blauw", die eerste akkoorden gingen over de wei en ik heb mijn zonnebril op moeten zetten want ik begon gewoon te bleiten. En dat is geen gezicht hé, zo'n struise security die met zijn knuisten de tranen uit zijn ogen staat te wrijven. Ja, dat was zo'n golf van authentieke emotie tussen podium en publiek, dat was... een regenboog van warmte die daar gespannen werd en wij stonden daar middenin. Kijk, ik heb het wéér zitten zie, mijn haar komt weeral overeind op mijn armen!"  

Thé Lau van The Scene © gie Knaeps

Thé Lau van The Scene © gie Knaeps

Ben: "Of neem The Pretenders('87). Die drummer Martin Chambers goot zijn drums vol water en elke keer als die op zijn vellen mepte, spoot daar een fontein uit die percussie, dat was zo memorabel, ja, toen had ik het ook zitten."
Johan: "Kunst is emotie. Ik ben een rockfanaat, maar ook een liefhebber van opera. En in die zalen wordt niet bepaald gejoeld, men blijft op zijn zetel, maar als zo'n uitvoering gedaan is, dan volgt daar zo'n ovatie en zo'n ontroering, dan merk je dat die mensen even hard zijn 'ingepakt' als zo'n massa op een festivalwei." 
Sepultureluur
HUMO: Hebben jullie soms heimwee naar de kleinschaligheid van vroeger?
Johan
: "Die kleinschaligheid wàs charmant. Ik herinner me trouwens één van de allereerste besprekingen in Humo waarin die reporter schreef dat hij zich via "een aantal negorijen als Wespelaar en Tildonk" naar Werchter begeven had! Maar het heimwee dat ik heb, is vooral een heimwee naar dat buiten slapen,dat pinten pakken met allerlei hippe vogels, dat is dus meer een heimwee naar een jeugdige onschuld die er niet meer is."  
Ben: "Bij mij is er vooral een heimwee naar de programmering van vroeger, de kwaliteit van de affiche toen."
Johan: "Een affiche waarop de invloed van Humo heel goed merkbaar was. Dat was voor ons dik oké, want Humo was toen onze bijbel en Marc Didden onze profeet en Werchter de jaarlijkse hoogmis. Met achter dat altaar: een Warren Zevon,een John Cale,een Nick Lowe, Dave Edmunds, Rory Gallagher, Kevin Ayers !"
Ben
: "The Kinks, Talking Heads, Dire Straits, Steve Miller, noem maar op! Dat is wat anders dan nu. Nu zeggen de meeste groepen op de affiche mij niks meer. Met de jaren ben ik ook steeds meer naar de roots van de rock-'n-roll gegaan, naar de country en de blues. Maar ik geef niet af, ik loop niet weg. Al die jaren dat ik security was, ben ik op mijn post gebleven en heb ik ALLE groepen aanhoord." 

(deel van de cover van het boek “20 Jaar Torhout/Werchter, uitg. Icarus)

(deel van de cover van het boek “20 Jaar Torhout/Werchter, uitg. Icarus)

HUMO: Wat vonden jullie de laatste jaren nog de moeite?
Ben
: "John Hiatt was fenomenaal goed, en Luka Bloom, Tragically Hip en Buffalo Tom waren ook zéér oké, en R.E.M. in '95 was fantastisch, en Neil Young met Booker T and the MG's in '93 was onvergetelijk, maar de rest - stijl Metallica / Sepultura -, dat is gort, dat is niet meer voor mij." 
Johan: "Toen ik dertig was, dacht ik dat het generatieconflict mij nooit te pakken zou krijgen, maar op mijn 36ste ben ik daar niet meer zo zeker van. Pas op, ik kan Prodigy en The Chemical Brothers pruimen, die vibe van die dance-toestanden werkt bij mij ook aanstekelijk, maar veel van dat moderne gedoe pàkt me niet, rààkt me niet zoals een Bob Dylan of een Jackson Browne me kan raken. 't Is net alsof groepen als Metallica of zo'n opgeklopte razernij als Rage Against The Machine je alleen nog willen raken met hun geluidsvolume." 
Nuchtere honden
HUMO: Hoe voelt het als alles gedaan is?
Johan
: "Voor mij is die dag zoeff voorbij, en als het middernacht is, dan voel ik mij mistroostig. 't Is voorbij. 't Is gedaan. En dan die lege wei en die wind, plasticzakken en kranten die over mekaar tuimelen, die stillevens van een plasje kots naast een vertrappeld deken...after the deluge,hé."
Ben: "Ik ben dan doodop en ik wil alleen nog mijn bed zien. Alles bijeen zijn wij dan twintig uren in het getouw geweest."
Johan: "Hola, Benneke, maar eerst moeten we nog het terrein schoonvegen. Om 1.3Ou 's nachts is het ontruiming van de festivalweide. Met voorop Het Rode Kruis, in tweede linie de security, en in derde lijn de hondenclub. Met die drie opeenvolgende rijen kammen wij dan dat terrein uit op zoek naar zatteriken die nog tussen die mesthoop liggen, kwestie dat niemand wordt platgereden als daarna de vrachtwagens komen. Dus 1u3o, operatie Discussie met de Zattekloten! Die theewaters zijn makkelijk te vinden, hoe verder van het podium hoe zatter, en ze zijn ook heel makkelijk te herkennen aan hun taal, de Klinkertaal. Ik zeg bijvoorbeeld heel beleefd en heel beschaafd: Jongens! Het festival is nu al twee uren gedaan. Gelieve alstublieft het terrein te verlaten zoniet zullen de trucks over uw zatte botten rijden!  Dat is toch een schone uitleg, niet! En wat antwoorden zij? Ei-ai-oe-ie-eu-aa-eu-oe-ie-ie!  Allicht bedoelen zij: ik ga nog niet naar huis, bijlange niet. En dat blijft maar lullen, en dat blijft maar zwammen, en dat gaat maar door met zijn lamlendige vertragingsmaneuvers,  ja'ai perdu mon frère, I have lost my brother! Waar is de wc mijnheer? Enzovoort, enzovoort."
Ben: "Alle drankstalletjes zijn al dicht, maar om halftwee staan ze nog met twintig bonnetjes te zwaaien. Ik moet bier hebben! Ik moet mijn geld terughebben!"
Johan: "Hier en daar is er ook een pol & soccer die nog het woordje 'fascist' kan uitspreken, en ja, dan moet je na twintig uren op je benen staan wel al je engelengeduld aanspreken om die gast niet op zijn gezicht te slaan. Dat is slenteren, schelden, slenteren, schelden en zo loop je honderden meters achter dat schorem aan. Die gasten die alleen maar naar het festival komen om te zuipen, dat is hét grote minpunt van die dag.Als dat ontruimen iets te tergend naar mijn zin verloopt, dan word ik kortaf: "Mannen! Als ge niet naar mij luistert, geen probleem! Maar denk eraan: na mij komt de hondenclub van Tildonk en die honden luisteren helemààl niet naar jullie! Enkelingen laten het dan zover komen, die wachten die hondjes dan op en die willen die hondjes dan over de kop aaien en die worden dan dubbel en dwars gebeten. Jodeldejodel!"

© gie Knaeps

© gie Knaeps

Finale
Johan
: "Is de ontruiming voorbij, dan gaan we naar de perstent, en dan komt de ontlading. Die tent is leeg, dat terrein is leeg, en alles is dan precies ineens van ons. En we drinken dan dikke pinten op de goede afloop,  zo van wij hebben dat hier gedààn!, dankzij ons is het allemaal goed verlopen. En dan zijn wij allemaal dikke broers, security onder elkaar.
Nu zal ik u ook vertellen wat ik nog maar tegen zeer weinig mensen verteld heb. In 1985 zaten Ben en ik samen in Vak Z van de Heyzel... wij hebben het Heyzeldrama dus van nabij meegemaakt. Wij hebben mensen zien stikken, wij hebben blauwe mensen gezien."
Ben: "De gast naast mij kreeg een betonblok op zijn hoofd dat de helft van zijn gezicht wegscheurde. Ik heb die gast nooit meer teruggezien in het geharrewar."
Johan: "En wij hebben geholpen, wij kennen wat van EHBO, maar wij zijn op de duur gaan lopen omdat we het niet meer konden aanzien. En ik ben nooit meer naar een voetbalwedstrijd gaan kijken, maar het feit dat ik nu nog altijd security ben, heeft heel veel met die Liverpool-Juventus van 1985 te maken. En soms ben ik bang, soms heb ik schrik voor eenzelfde tragedie op Werchter, maar het loopt jaar na jaar veilig af, en dat is goed."
Nawoord: Ben was nog security tot 2004 (o.a. backstage en aan het gehandicaptenpodium). Johan is nu nog actief; sinds 2008 bemant hij de commandopost van de frontstage-security"ik volg alles op camera,ik zit in het oog van de storm, ik maak het festival van binnenuit mee en zodoende ben ik nu in de gelukkigste periode van mijn Werchterleven."

Morgen deel 2: “Kakman”, de pionier van de mobiele toiletten

Sidestage: een klein album van foto’s en memorabilia

T-shirt van de vroege editie 1978.  Bij Ben thuis hangt dit T-shirt ingekaderd en achter glas. Uitsluitend te bezichtigen op Open Monumentendag. (Foto: Leo Hans)

T-shirt van de vroege editie 1978. Bij Ben thuis hangt dit T-shirt ingekaderd en achter glas. Uitsluitend te bezichtigen op Open Monumentendag. (Foto: Leo Hans)

Als jongeman kuste Johan de weide van Werchter alvorens ze te betreden.  Hij spreekt van een Heilige Grond. En dus ook van zijn “paternoster met security-badges”.

Als jongeman kuste Johan de weide van Werchter alvorens ze te betreden. Hij spreekt van een Heilige Grond. En dus ook van zijn “paternoster met security-badges”.

Securitybadge editie 1991. Veiligheid betekende toen ook: een veiligheidsspeld.  (Foto: Leo Hans)

Securitybadge editie 1991. Veiligheid betekende toen ook: een veiligheidsspeld. (Foto: Leo Hans)

ben front badges.jpg
Ben groet ‘s morgens de dingen.   (Foto: Leo Hans)

Ben groet ‘s morgens de dingen. (Foto: Leo Hans)

Johan op de commandopost met achter hem de schermen van de camerabewaking. Hij heeft - ook dit jaar nog- ogen op zijn rug.

Johan op de commandopost met achter hem de schermen van de camerabewaking. Hij heeft - ook dit jaar nog- ogen op zijn rug.

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Toerisme in eigen land (1): koninklijke familie bezoekt Bokrijk

Toerisme in eigen land! Dat is het motto waarmee deze corona-zomer is ingezet. Om dat extra in de verf te zetten bezocht de Koninklijke Familie vorige zaterdag het Openluchtdomein van Bokrijk. Het hoog-adellijk gezin fietste dat het een houterige lust was!
Dat de leden van een tamelijk oud koninkrijk zich thuis voelen in Bokrijk mag geen verwondering wekken. Het strafste is dat wijzelf  al in de zomer van 1991 naar het bekende Limburgse domein trokken.
We spraken er met de “figuranten”, de boeren en boerinnen van Bokrijk.

Humo 15/8/91 -herwerkt en ingekort - © Jan Hertoghs

"Ik moet mijn klak en mijn bollenzakdoek hebben. In mijn gewone kleren durf ik geen show te verkopen."

Ingescande foto uit Humo/ Herman Selleslags

Ingescande foto uit Humo/ Herman Selleslags

In een tijd waarin de dagjesmens in grote raderen wil rondgedraaid  worden en door wildwaterrivieren kletsnat gezwierd, is het geen sinecure om een museum overeind te houden waar alles stilstaat, afgezien van de slagboom op de parking.
Bokrijk is volgens domeinbeheerder Jef Jans een oord van “natuur, cultuur, rust en ontspanning”. Je zou denken dat de brave man te vaak en te dicht bij een molen heeft gestaan om nog zoiets te durven zeggen in 1991, maar blijkbaar is er na de thrill van het reuzenrad toch weer de behoefte aan de rustige slag van het botervat. Vorig jaar daagden zo’n 750.000 bezoekers in het provinciale domein op, waarvan de helft een bezoek bracht aan het Openluchtmuseum. En nu spreek ik met de huisbewakers, zeg maar: de parttime boeren van Bokrijk.
In hoeve 23.1 en in het halfduister maak ik kennis met Maria Emael. Omdat ik journalist ben, vraagt ze meteen of ik weet hoe een heet hangijzer eruitziet. Lap, daar heeft ze mij al zitten! Ze wijst op een zwartberoete beugel boven de open haard, dàt is een hangijzer en dat diende om een braadpan op te hangen boven het vuur: "Ge kunt geloven dat zo'n ijzer heet werd!"
HUMO: U zit hier in het schemerdonker. Zelfs zonder oliepitje. Comfortabel is anders.
Maria: “
Dat weet ik, maar ik woon hier niet, hé. Ik hoef hier niet te strijken of te koken of in dat smalle bed te slapen. En ik ben hier graag. Ik woon op een appartement in Genk, dat is tussen vier muren. Hier zit ik ook niet breed, maar ik ben tenminste onder de mensen. Thuis zit ik alleen. Hier zit ik nooit alleen. Zelfs als het slecht weer is, komt er volk over de vloer. Ik ben al negentien jaar weduwe, mijnheer, ik ben alleenstaande, ik moet mij toch met iéts kunnen bezighouden. Als ik hier kom, als ik mijn rok, mijn neusdoek en mijn kanten muts aantrek, dan voel ik mij een ander mens."
”De mensen hebben soms wel een verkeerde indruk. Zojuist is hier nog een mevrouw geweest en die zei tegen haar kinderen dat ik hier woonde, dat ik hier sliep. Daar kom ik tussen. Je moet kinderen niks wijsmaken. Er komen hier al genoeg mensen die denken dat Bokrijk een écht Limburgs dorp is en dat wij in die huisjes wonen."

Onbeteugelde romantiek op de achterbank van de huifkar. (Ingescande foto uit Humo: Herman Selleslags)

Onbeteugelde romantiek op de achterbank van de huifkar. (Ingescande foto uit Humo: Herman Selleslags)

Het valt me op dat er in sommige huizen weinig huisraad is. Hoofdwachter Leo Van Dijck legt uit dat op de meeste plaatsen het tinnen bestek, de koperen potten en de borden in aardewerk preventief zijn weggenomen. "De mensen kunnen hun handen niet thuishouden. Wat niet te verwonderen is hé. Als je ziet hoe ze in Berlijn zelfs steen en stukken beton meepikken!" Op het dorpsplein staat een schandpaal en er hangt op dit moment een twaalfjarige in het prangijzer die luidkeels roept: eurg, eurg, ik ga dood! Ik ben zeker: àls Bokrijk maar meer van dit soort attracties zou aanbieden waar de bezoekers zelf in een varkenskot kunnen plaatsnemen of tien keer zout in een ketel met kokende patatten kunnen strooien, dan is de toekomst van dit domein verzekerd. Want daar zijn wel alle bewakers het over eens: de mensen willen overal aankomen.
Maria: "Ze willen kasten opentrekken, op strobedden gaan liggen, aan botertonnen draaien en de pispot uit het nachtkastje halen.
Neem het kerkje van Erpekom. Daar mocht elkeen vroeger met die klok luiden. Angelus van ’s morgens tot ’s avonds natuurlijk. Nu mag alleen de kerkbewaker de klok nog luiden, en alleen om vijf voor zes als het domein gesloten wordt. Dat is zo geregeld omdat hij anders de hele dag zou moeten zeggen Afblijven! Niet aankomen! Hij legt intussen zelfs een knoop in het klokkenzeel. En hij steekt er nog een borstelsteel door om het goed te blokkeren.>>

De Onzichtbare Fluiter
Ik ga de kerk binnen en daar tref ik de 79-jarige Martin Van Heusden die 'alzeleven bij de paters gewerkt heeft." Hij heeft een geheel aparte feeling voor de clerus en de kerk: "Als ik met een bus gepensioneerden op reis ben, voél ik al waar de kerk staat nog voor ik een toren gezien heb."
Martin: "De mensen vragen wel eens waar de biechtstoel staat en dan geef ik gelijk deze goede raad. Biecht dubbel zoveel zonden als ge begaan hebt, dan krijgt ge weliswaar meer penitentie, maar dan kunt ge nog een hele tijd zonden doen op krediet!"
Bert Cuypers is medebewaker van het kerkje. Bert zit in grijsblauwe stofjas aan een schrijftafeltje en stelt zich voor als de Onzichtbare Fluiter.
Bert: “De mensen komen binnen in de kerk en dan horen ze dit. (Een gefloten “Ave Maria” zweeft door de kerk. Aan Berts neusvleugels, borstkas of luchtpijp is niets te merken; alleen zijn lippen staan wat strakker.) Mijn lippen bewegen niet, de mensen zien mij geen adem scheppen en toch fluit ik zonder ophouden omdat ik kan fluiten én tegelijk ook kan inademen. Gewoonlijk zit ik hier aan dit tafeltje en dan zie ik de mensen door de kerk lopen, haha, ze zoeken de luidspreker die er niet is!"
"Ik heb liefst buitenlands bezoek. Ze komen hier toe uit Amerika, Australië en Japan, en die buitenlanders hebben méér bewondering dan de Belgen. Een buitenlander ziet die ouwe huizekes en zegt wel tien keer nice en beautiful. Die zijn in de wolken. En dan zie ik naar ons eigen Genk met zijn 12.000 inwoners, daarvan zien we d'r in een heel jaar nog geen 200."
Datzelfde ervaart ook huisbewaker Georges Timmermans.
Georges
: "Buitenlanders zijn ook vriendelijker. Een buitenlander zegt bijna altijd goeiedag. Een Belg zegt niks. Een Belg begaapt je - daar zie, daar zit dien boer - en dan verdwijnen ze door het gat van de deur."
Georges is intussen ook de flauwekul beu als mensen vragen of ze in de jaren stillekes soms ook al brandblusapparaten hadden.
Georges: "Duizend keren heb ik dat al moeten horen! Soms zien ze ook mijn radiotransistor staan als ze die ene kast opentrekken. Hola meneer, een radio in Bokrijk, dat kan toch niet hé?! Ja maar zeg ik dan, dat radiootje is toch ook al vijf jaar oud, hoor!"

Boer stelt vast dat zijn ezel zich toch twee keer aan dezelfde steen heeft gestoten. (Ingescande fot uit Humo/ Herman Selleslags)

Boer stelt vast dat zijn ezel zich toch twee keer aan dezelfde steen heeft gestoten. (Ingescande fot uit Humo/ Herman Selleslags)

Het is juli, het is vakantie, er zijn geen schoolgroepen, maar in de buurt van de smidse kom ik een boer tegen die strohalmen veegt naast een schuur met een laaghangend dak. << Ze kunnen er niet afblijven, hé, van dat stro. Iedereen die voorbijkomt, pulkt zo’n pijl eruit, twee pijlen blijven halfweg uit het dak steken, de volgende bezoekers vinden dat geen gezicht, en zo gaat dat voort tegen een tempo van driehonderdduizend man per seizoen. Wat denkt ge!? Voor het winter is, hebben wij geen dak meer!>>
Ik verlaat het Arme Heidelandschap en begeef me naar Het Vruchtbare Laagland. In een Lokers woonhuis tref ik Guillaume Van Berghe (56). Guillaume heeft als motto "dat de mensen moeten kunnen lachen". Hij is ex-mijnwerker en heeft met zijn vader 10 jaar "in de put gezeten". En daarna zaten ze vijf jaar samen in Bokrijk. Hij heeft ook zijn anekdotes over pikkende bezoekers.
Guillaume: "Zelfs toen de directie de meest waardevolle stukken had laten wegbergen werd er nog gestolen. Een paar jaar geleden ging er een vrouw aan de haal met zo’n stom klein zwart strijkijzertje. Ik erachteraan, ik heb ze verdorie moeten achtervolgen tot op de parking! Zo is dat tegenwoordig, iedereen wil zijn stukje antiek. Daarom zit het weinige dat hier is met een ijzerdraad vast. En dan nog zijn er van die dommeriken die durven vragen: “Waarom zit hier alles met een ijzerdraad vast, mijnheer. Was dat vroeger de gewoonte?”


"Nu praat ik honderduit. Maar vroeger was ik een stille joeng. Mijn vader heeft mij geleerd dat ik mijn mond moest opentrekken en dat ik voor geen man bang moest zijn als ik ze maar aan het lachen bracht."
Dat is goed te merken. In het volgende half uur hoor ik hem grappen debiteren die steevast terugkomen bij elke klad nieuwe bezoekers. "Ik moet hier goed stoken want ik heb geen vrouw." of "Als ge denkt dat dat bed te smal is om in te vrijen. Ik vrijde vroeger wel op een stoel!" Het zijn vaste grappen en ze zijn ook voorbereid.
Guillaume: "Als je hier altijd dezelfde vragen en opmerkingen hoort, dan kan je niet altijd over de 18de eeuw beginnen en zo ben ik andere replieken beginnen verzinnen."  
-Schone kast is dat hier!
-Schoon kast! Schoon kast! Allemaal hebben ze het over die kast. Dat ik schoon ben, dat zegt niemand.
Het zijn boertige oneliners, het is humor met haar op, maar het past in dit kraam, en de bezoekers hebben hun lol. Ik moet nog het meest lachen omdat hij zijn grappen al tegen mij verteld heeft en nog geen minuut later debiteert hij ze alsof hij ze ter plekke verzint: "Sommige grappen heb ik nog van mijn vader. Er zijn er bij die tien jaar oud zijn."
-Die kast zou ik wel willen.
-Een kast van de vorige eeuw?! Waarom wilt ge mij niet, ik ben van deze eeuw!

bokrijk4.jpeg

Guillaume: "Ik vernieuw wel, hoor, Ik vul mijn repertoire ook aan. En zo zit ik dikwijls te prakkezeren: wat moet ik volgende week weer gaan vertellen in Bokrijk? Mijn vrouw ziet mij piekeren en zij kan maar niet begrijpen waarom ik me daar zo mee bezig houd, "met de mensen iets wijs te maken."
Soms zit ik op café en hoor ik iemand iets zeggen waarvan ik denk: dat is een zin voor Bokrijk, die moet ik onthouden. Mijn vader dacht daar nooit over na. Die maakte de mensen alles wijs: "sla het er maar uit, jong! Wat ge zegt, heeft geen belang. Als ge maar iéts zegt". Het vreemde is dat ik die dingen pas durf zeggen als ik mijn kiel, mijn klak en mijn bollenzakdoek draag. In mijn gewone kleren zou ik geen show durven verkopen."
"Soms doe ik alsof ik een wassen beeld ben. Ik kan làng stilzitten zonder een spier te vertrekken en als ze dan aan mijn gezicht komen om te zien of ik echt ben, spring ik recht: Ha, ge dacht dat ik dood was!
Mijn grootste betrachting is dat de mensen lachend buitengaan en dat ik ze buiten nog nagenietend hoor zeggen: dat was ne plezante, hé! Ik heb hier een koppel gehad en die zijn me later ooit komen zeggen: wel, mijnheer, wij lagen ’s avonds in bed en ineens schoten wij allebei in een lach, want (zichtbaar geroerd) we waren allebei aan u aan het denken."

Boer zoekt bezoeker. Oude prentkaart Bokrijk, jaren zestig.

Boer zoekt bezoeker. Oude prentkaart Bokrijk, jaren zestig.

 

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De stille overwegen (3): ontsnapt aan de klap

Geert Louwagie/Zoutenaaie. © Stephan Vanfleteren

Geert Louwagie/Zoutenaaie. © Stephan Vanfleteren

“Wij kunnen niet zonder die privé-overweg. Het is de enige toegang naar ons land.”

Humo mei juni 2009 -bewerkt en ingekort - © Jan Hertoghs

Lees ook deel (1)
Lees ook deel (2)   

Het enige dat boven dit vlakke land uitsteekt, zijn de bergen bieten en de grote machines die op de smalle wegen rijden om de velden leeg te halen. Hun repels slijk liggen ook in Zoutenaaie, op de enige toegangsweg naar het boerenhof van Geert Louwagie. Armen in de zij, opgerolde mouwen, aardevegen op kleren en armen: "Gij zijt toch niet van de NMBS? Gij komt dat hier toch niet afschaffen?" En meekomen, hij zal het allemaal uitleggen.

Zijn privé-overweg over de drukke elektrische lijn 73 (Gent-De Panne) is nog geen vijftig meter achter het woonhuis. Hij heeft maar twee wegen, de ene naar het dorp, de andere gaat over het spoor naar zijn land, "wij gebruiken dat dus honderd procent!" En wijzen met de hand, voorbij de sporen, naar een vergezicht met geploegde aarde.
Wat hij al heeft meegemaakt met de NMBS! Zijn vader en grootvader zijn door de NMBS àltijd betaald geweest voor het gebruik van de grond, maar toen hij in 1986 de boerderij overnam, kwam er ineens geen geld meer. Ja, enkele jaren later kreeg hij een brief, "toen wilden ze dat ik 20.000 frank per jaar betaalde voor het gebruik van de overweg, dat is toch de omgekeerde wereld! Ze hadden juridisch geen poot om op te staan. Eerst waren er de boeren en dan pas de trein!"
"En wat bij die kerels uit Brussel altijd terugkomt is de veiligheid: zo'n trein met passagiers, die mag onder geen beding in gevaar gebracht worden. Helemaal akkoord. Maar installeer dan een bel en een licht. Ja, dat zou mij twee miljoen kosten! Weet ge wanneer ik een gratis bel en licht zou krijgen? Als ik een wandel- en fietspad zou toelaten op mijn eigendom. Maar ik moet geen wandelaars en fietsers op mijn grond hebben, wat is dat nu! Oké, dan dachten ze aan een tunnel. Zaten ze daar op hun bureau in Brussel te tekenen en te rekenen, kwamen ze met dat plan tot hier. Maar mensen toch, dat was een tunnel voor tracteurkes uit de jaren vijftig. Daar in Brussel weten ze niet hoe groot de landbouwmachines van nu wel zijn."
Nadien heeft hij niks meer vernomen van die heren. En dat zo'n privé-overweg een aparte verantwoordelijkheid is. Als hij loonwerkers op zijn land laat werken, is hij aansprakelijk voor hun veiligheid. Met dagen dat ze tot vijftig keer moeten oversteken! "Dus als het mist is, dan bel ik ze af. 't Is veel te gevaarlijk."
Eén keer is het gebeurd, een aantal jaren geleden, dat een loonwerker met zijn machine stil viel, pàl op de sporen. "En in de verte kwam de trein, en claxonneren en blazen, en die mens maar gas geven, gas geven om weg te geraken, op het laatste moment was hij erover, de trein miste de opligger op tien centimeter! Die man was compleet aangedaan, die is hier met zijn machien nog tegen mijn eigen tracteur gebotst.  Van alteratie. Ik zeg: afstappen, vriend, gaat gij maar een half uurke op dat muurke zitten." Ja, dat oogsten, dat is het gevaarlijkste, herhaalt hij, "soms vergeet ge te kijken omdat ge zo in studie zijt."

DSC_3232.jpg

En hoe de NMBS vroeger de taluds veel beter onderhield, struiken en onkruid werden déftig gekortwiekt. "Nu is het Infrabel en nu sproeien ze 's nachts wat onkruidverdelger vanuit een rijdende tankwagon, die vervuiling loopt in de grond en in de oppervlaktewaters, de boeren krijgen dan later de schuld van die vervuiling, én het werk is maar half gedaan. Het blijft een brousse naast de talud."
Hij wijst waar ooit twee grote vlierstruiken stonden. "Die zijn bijna mijn dood geweest. Ze waren zo dik gegroeid dat ik op de duur over het stuur van de tractor moest buigen om de trein te kunnen zien. Eén keer was 't machien nog honderd meter van mij! In een fractie van niks moest ik beslissen: gas geven of achteruit? Maar gas geven ging te traag zijn, hij zou mijn achterstuk nog kunnen raken, dus ik geef een snok aan die pook en plankgas in achteruit, en vlàm, hij passeerde op nen niet. Ik ben van m'n tractor gesprongen en ik heb die vlierstruiken met de blote hand uit de grond gewrongen en gesleurd, wég ermee!"

Gloeiende wagons
Hij steekt een sigaret op en wijst een huis aan, die moeten ook altijd over de sporen, en op een dag is hun auto gevangen geweest door de trein. Eén zwaargewonde en hun eigen kindje dood. 't Zal twintig of tweeëntwintig jaar geleden zijn. En hoe die treinen hier rap mogen rijden in dat open stuk.
En zo spijtig van die elektrificatie, zo lelijk! Die palen en die bovenleidingen hebben het polderlandschap danig verknoeid. "Voor '96 was het hier allemaal vlak en vrij, en dan zo'n trein erdoor, dat hàd iets, dat was schoon."
De zon neigt naar haar laatste tegenlicht en er suist een trein voorbij. Er zijn bestuurders die hem kennen en claxonneren, en hij steekt dan z'n hand op, "wyder leven met de trengs!"
Hij is negenenveertig, hij heeft heel zijn leven bij dit spoor  gewoond, en toch heeft hij amper met die trein gereden, "de eerste keer dat ik een trein vanbinnen zag, was ik tweeëntwintig; het was de dag dat ik als milicien naar het leger vertrok".
Intussen heeft Louwagie duizenden en duizenden treinen gezien en de bijzonderste blijven de goederenwagons met vloeibaar gietijzer: "Dat is twaalfhonderd graden heet. Die mogen maar dertig per uur rijden. Ik zie ze soms 's nachts en 't is speciaal, die gloeiende gevaartes die zo traag voorbij komen, 't zijn precies donkere beesten met vuur in hun buik, de gloed slaat er van af". 
Het wordt donker. De honden blaffen, de maan klimt in de lucht, de kieviten roepen nog lang in het duister. En hij blijft maar vertellen. Silhouet tegen het blauwige van de avondlucht, met de rooie punt van een sigaret.   

De overweg nabij Adinkerke, met rechts de cabine die het zicht hindert. © Jan Hertoghs

De overweg nabij Adinkerke, met rechts de cabine die het zicht hindert. © Jan Hertoghs

Ontsnapt aan de dood
Met Zoutenaaie erbij heb ik in het najaar 2008 haast alle privé-overwegen bezocht op de zestig kilometer tussen Aarsele en Adinkerke. Slechts twee van de eenentwintig heb ik nog niet gezien. De nummers 115 en 117 in Adinkerke. Ik twijfel of ik die twee laatste van lijn 73 nog ga doen. En dan is het 16 februari 2009 en staat het in de kranten "Ongeval onbewaakte overweg Adinkerke". Het is gebeurd aan "de 117", de laatste op mijn lijstje.
Het gras waait helemaal plat en ook de canada's buigen onder de felle noordooster die er vandaag is. Met Karel Ryckewaert, baseballpet, stoppelbaard en onderzoekende ogen, rij ik naar de plaats waar het ongeval gebeurd is. Van een secundaire weg gaat een asfaltbaantje over de spoorweg en zo naar een landhuis. Dat is de bewuste privé-overweg. Hij steekt het spoor over en draait z'n bestelwagen met de neus terug, naar het tarweveld, "een jachtveld dat ik kwam inspecteren". Z'n zoontje van vier was bij hem en achterin zat de labrador. En ik moet zelf maar eens achter het stuur komen zitten. Dan zal ik zien hoe beperkt het zijzicht is,  door die elektriciteitscabine vlakbij het spoor.
"Bij het instappen van m'n auto was er nog geen trein te zien. Dus ik start, geef genoeg gas om op die talud te raken, maar je rijdt toch nog stapvoets, want je zit met onvoldoende zicht vanwege die cabine die in de weg staat. Hangend over m'n stuur kijk ik in die richting van Veurne, en net als ik met de neus voorbij die cabine ben, zie ik een trein! Op vijftig meter! En hoe rap gaat vijftig meter als zo'n trein 120 per uur rijdt? Dat is 120.000 meter per uur, dat is 2000 meter per minuut, dat is dertig meter per seconde, dus in geen twee seconden was die daar! Ik zag alleen iets zwart heel dichtbij. Ik dacht niet dat het met mij gedaan was. Ik dacht: ai! hij zal mijn bumper mee hebben! en oei! die auto is nog nieuw, pas 1500 kilometer, en dan ineens boef!! En het volgende moment liggen we gekanteld in het veld, ik lig tegen het portier en mijn zoontje ligt wenend op mij.
En dan natuurlijk, los die gordels en eruit! Maar mijn hoofd voelde zo warm, ik tastte, allemaal bloed, dus ik heb m'n trui uitgetrokken om daarmee dat bloeden op m'n hoofd te stelpen."
Hij neemt z'n pet af en toont het lange litteken, "ik was gescalpeerd, dat lag helemaal open, mijn schedel was volledig te zien. Maar ik had niks pijn, de adrenaline zeker?! Met moeite zijn we eruit geklauterd, en ja, de auto was perte totale. De motor was ontploft, de radiator lag vijftig meter verder, en een voorwiel zeventig meter verder. Die trein zelf stond op driehonderd meter stil en die heeft daar nog drie uur stil gestaan."
Dat van die trein en die brokstukken hebben ze hem later verteld.
"Op dat moment zit je in een tunnel, je denkt alleen maar aan jezelf, je vrouw en je kind dat weent en weent. Al de rest, dat is verweg, als in een film die terwijl bezig is.
Ik heb m'n vrouw gebeld, die wilde dat eerst niet geloven. Ik zei, ja, ge moet komen! En dan heb ik de 100 gebeld, maar ik was in de war, ik kon niet uitleggen waar het gebeurd was, en dan is een motorrijder gestopt, en die heeft mijn gsm overgenomen om te zeggen waar het was. Ik heb de hond geroepen, maar er kwam geen geblaf, hij zal dood zijn, dacht ik, maar toen ik de achterdeur open maakte, zat hij daar te bibberen, hij leefde nog!"
"Na drie uur ziekenhuis konden we al naar huis. En dan begon het. (Grijnst) De journalisten, daar heb ik nog het meest last van gehad! Die drukte, al die vragen, ik kon het slecht verdragen, ik moet een hersenschudding hebben gehad. In elk geval, je komt op de regionale tv en op de eerste pagina van Het Nieuwsblad: Vader en zoontje ontsnappen aan de dood. Fuck jong, de ene telefoon na de andere, en iedereen bellen aan de deur, 't was precies een café bij me thuis. Mensen die mij in geen jaren gezien hadden, wilden mij ineens terug zien! Heel Adinkerke sprak over niks anders.
En die overweg? Ja, daar rij ik nu nog over, maar ik ben wel extra voorzichtig. En met m'n zoontje hebben we veel gebabbeld, hem dat uitgelegd alsof het een groot avontuur is dat wij tweeën hebben meegemaakt, en zo kan hij dat wel aan blijkbaar. Hij is in elk geval niet bang van treinen. En raar, ik heb er ook niks van overgehouden. Geen nachtmerries, nul komma nul! Misschien omdat het niet m'n eerste klap was, ik heb nogal accidenten gehad met de auto. Mijn vrouw heeft er een grotere shock aan overgehouden dan ik. Die was er kapot van, om daar te komen aanrijden, die auto zien liggen, mij zien bloeden, ons kindje zien wenen...
Eén ding is er wel. Soms ben ik aan het rijden, gewoon in het verkeer, er hoeft niks te gebeuren, maar ineens is die klap er weer. Die zit blijkbaar nog altijd in mijn kop. Die raak ik maar niet kwijt."
Het waait nog harder nu, de armen van het sint-andrieskruis klapperen op de paal.

uit “Treinen”, archief NMBS

uit “Treinen”, archief NMBS

Dwaze toeren
In 2006-2007 en ook nu in 2009 voert Infrabel een intensieve campagne rond de veiligheid aan de overwegen. Het is een oud zeer. In tijdschriften en jaarverslagen uit de jaren vijftig valt al op dat ongevallen én roekeloosheid aan overwegen toen ook een ernstig probleem vormden. In 1951 lezen we in het maandblad "Treinen" dat "het aanrijden van de sluitbomen op de overwegen dagelijkse kost is geworden, en dit ten spijt van een krachtig rood licht dat vanop een grote afstand de aandacht des weggebruikers trekt". Er is sprake van "dwaze toeren van automobilisten" die grote rampen kunnen veroorzaken. In december 1952 wijdt Treinen een hoofdartikel aan de kwestie: "Waag uw leven niet aan een overweg!" Er is sprake van 105 botsingen aan overwegen waarbij 25 doden en 71 gewonden vielen. Lichtzinnigheid, dat woord valt meer dan eens en het blad somt op wie zich daaraan bezondigt. Zo zijn er de bestuurders "van een luxueuze Amerikaanse 12-cilinder-slee die zich verheven achten boven andere vervoermiddelen". Daarnaast zijn er ook de verkeersmagnaten die geen geduld hebben en van "wiens claxongetoeter men horendul wordt". En ook zijn er de "sportievelingen die een wedren met den trein houden en die in feite kandidaat-zelfmoordenaars kunnen genoemd worden. Zij die sneller meenden te zijn dan een sneltrein kunnen thans over hun bevindingen niet meer meepraten!" Verder zijn er nog de "zorgelozen die op uitstap zijn en die gezellig koutend met hun medepassagiers op de trein beuken". De redacteur voegt er sarcastisch aan toe: "Kerkhof of hospitaal zullen wel niet het doel van dat uitstapje zijn geweest!"
Ook voetgangers en fietsers "gaan vaak onbezonnen tewerk". Bij hen is er sprake van spelletjes, zoals "onder de slagbomen doorkruipen of over de afsluiting wippen" (er waren toen nog meer hele sluitbomen dan nu,jh). Zelfs kleine kinderen moeten een waarschuwing krijgen, getuige de foto van een klasje dat in twee brave rijen oversteekt: "Maar hoe popelt misschien hun hartje van verlangen om op de rails te blijven spelen! Koorddansen op een spoorstaaf, keitjes gooien tussen de dwarsliggers, nagels laten pletten door een trein, het is toch allemaal zo boeiend! En dan worden ze in beslag genomen door hun spel en dan vergeten ze de trein..."

Uit Treinen (1951-1952) / archief NMBS

Uit Treinen (1951-1952) / archief NMBS

Flitspalen aan overwegen
Wat de ongevallencijfers betreft: tussen 1960-1965 vielen er gemiddeld vijftien doden aan overwegen, tussen 2005 en 2008 is er nog altijd een gemiddelde van veertien slachtoffers (zelfdodingen niet inbegrepen). Intussen zijn de overwegen met 65% verminderd (van 5500 naar 1929) en ook het aantal gereden treinkilometers ligt veel lager dan in 1960, maar tegenover dat afnemend treinverkeer staat het nog altijd toenemende autoverkeer en dat zorgt voor een "onveilige druk" op de overwegen.  
Naast de autogebruikers die de signalisatie negeren en die de snelheid van een naderende trein vaak onderschatten zijn er ook de onvoorzichtige zwakke weggebruikers. Recente statistieken laten zien dat ongeduldige voetgangers, fietsers, bromfietsers en motorrijders de belangrijkste groep slachtoffers zijn.
Er zijn slagzinnen bedacht ("Eventjes wachten. Daar ga je niet dood van."), er zijn bij sommige black-spot-overwegen borden geplaatst ("Rood rijden = dood rijden"), maar dat alles schijnt weinig effect te hebben.
Infrabel wil nu flitspalen plaatsen aan die 'gevoelige' spoorwegovergangen. Tegen 2015 denkt men zelfs aan tweehonderd palen, aldus Infrabel. Dat overtreders geflitst worden is geen nieuwigheid. Eind jaren zestig oefende de NMBS al "een systematische fotografische controle" uit aan bepaalde overwegen. De automatische camera stond "bovenop een mast " en over de rijweg kwam een kabel en die zorgde - bij rood licht - voor de ontlading van een flitslamp en de werking van de camera. Het experiment werd na twee jaar stopgezet omdat de detectiekabels stuk gingen door het autoverkeer en "omdat kinderen het helaas prettig vonden van de flits te zien werken".    
In de campagnes gaat het doorgaans over ongevallen aan bewaakte (=elektrisch beveiligde) overwegen. Aan de onbewaakte overwegen (met passieve signalisatie) gebeuren in verhouding nauwelijks ongevallen. Ze maken zo'n vijftien procent uit van alle overwegen, maar zijn door hun minder gebruik slechts 'verantwoordelijk' voor vier procent van de ongevallen. Mogelijk zijn weggebruikers toch meer op hun hoede daar waar slagboom, bel en licht ontbreken.

Archief NMBS

Archief NMBS

De baron en lijn 12
Voorjaar 2009 bezoek ik nog enkele overwegen, waaronder één privé-overweg in Kapellen. Die intrigeert me omdat het de énige is op de lijn 12 van Antwerpen naar Essen en Nederland. Het is een drukke lijn met veel reizigers- en goederenverkeer, met de Thalys ook, maar volgens de lijst van Infrabel zou op die lijn toch nog een anachronisme zijn aan kilometerpunt 59,754. Er staat ook een naam bij (P. Kronacker) en dat is Baron Paul Kronacker. Hem heb ik in 1986 voor Humo geïnterviewd. Staatsman, tafelgenoot van Churchill, Chroestjow en Truman, industrieel én grootgrondbezitter.
Op zijn eigendom zou dus nog die overweg staan. De baron is intussen vijftien jaar dood, maar met toestemming van de familie brengt een boswachter me naar de plek. De lijn snijdt nog altijd door het domein maar van de privé-overweg is alleen nog een stuk omheining te zien. Enkele jaren geleden is de spoorbedding gemoderniseerd en toen is de bejaarde overweg afgebroken en vervangen door een kleine tunnel onder het spoor. 
"Toen die tunnel er nog niet was, moesten vooral de boswachters en de rentmeester die overweg vaak gebruiken om in het andere deel van het domein te geraken. Met de fiets kon je nog onder de slagboom kruipen, maar met de jeep moest je stoppen. Aan beide kanten lag er een roodwitte balk op palen, en aan elke kant zaten die "schuifbomen" vast met een hangslot. Dat was zo verplicht van de spoorweg en de baron stond erop dat ze altijd slotvast waren. Hijzelf gebruikte die overweg als hij ging paardrijden of jagen. Dan moest een boswachter of een bediende met hem meerijden om die slagbomen los te maken en weg te schuiven. Hij was baron, hij kwam natuurlijk niet van zijn paard.
Ook als hij ging jagen werd de overweg open gemaakt voor zijn gezelschap en voor de trakkers die het wild moesten opjagen.
Langs die overweg moesten de boswachters ook gaan bij grote zomerse droogte. Dan werd er dag en nacht langs de spoorlijn gepatrouilleerd om te zien of de treinen geen bos- of heidebrand hadden aangestoken. Dat kon gebeuren als een rem loshing. Zo'n remschoen gaat dan slepen tegen het treinwiel en dat geeft een regen van gensters. In 1960 is er zo een flinke bosbrand geweest. De NMBS heeft toen betaald, een vergoeding waarvan wij een heel nieuw bos hebben aangeplant!"

Kermt. De overweg en de beukendreef naar de abdij van Herkenrode. © Jan Hertoghs

Kermt. De overweg en de beukendreef naar de abdij van Herkenrode. © Jan Hertoghs

Rinkelbel
Van de Voorkempen gaat het naar Limburg. In Kermt, bij Hasselt, vind ik een overweg met grote allure. Hier geen boerenpad, hier geen weggestopt bestaan tussen de maïsstengels, maar een heel brede oversteek die uitloopt op een fraaie beukendreef. En er komt regelmatig een mens voorbij. Zoals deze wandelaar-met-hond die zegt dat de dreef naar de abdij van Herkenrode en naar Stokrooi gaat, daar  zijn "nog honderden hectaren om te wandelen". En dat de dreef vroeger veel mooier was toen de oude beuken nog niet waren omgehakt, "dat waren geen bomen, dat waren koepels waar ge onder liep". En dat het vandaag zacht is voor de tijd van het jaar; we horen al vinken, winterkoninkjes en tjiftjaffen. Ik wandel met hem over de overweg en dan zie ik ineens het houten kruisje, "dat is nog nieuw, dat staat er nog maar van Allerheiligen". Het is voor een jongen die zich voor de trein "heeft gegooid". Ik lees zijn naam, zijn geboortedatum en dat zijn leven in november 2007 een einde heeft genomen, twee dagen na z'n negentiende verjaardag. Op de ingelijste foto is een lachende gast te zien, breeduit op een zitbank, twee vingers in een V-teken. Vooruitkijken, dat is wel het laatste wat je van een foto kan verlangen.
Hij zegt dat zich hier al meerdere voor de trein hebben gegooid. Vandaar dat hier soms nog kruisen en boeketjes staan, maar nooit voor lang, "ze waaien weg met de zucht van de trein." 
Veel mensen van Kermt komen hier wandelen en fietsen, bij zijn weten is nog niemand "per ongeluk" gegrepen door een trein. "Zowel links als rechts is er een bewaakte overweg op korte afstand. Dus als er een trein komt, hoort ge van twee kanten bellen rinkelen, dan weet ge dat ge moet oppassen."
Het is een drukke overweg. Ik sta er twintig minuten en intussen zijn zeven treinen met groot geraas gepasseerd. Reizigerstreinen van de lijn 35 (Hasselt - Leuven) maar ook goederentreinen, trafiek die onderweg is van het Ruhrgebied naar de Antwerpse haven.  
Ik sta hier anderhalf uur en kan maar moeilijk weg. Er is iets dat deze overweg bijzonder maakt. En het zijn niet alleen de uiteenlopende treinen met hun autotransport, ertsen of citernes, en ook niet de reizigerstreinen met hun snelle doortocht van graffiti. Het is wat zich hier kruist. Die dreef naar die eeuwenoude abdij  en haaks daarop die treinen. Snel en traag. Wiel en boom. Akker en ijzer. Oude stilte en industrieel lawaai. Leven en dood ook.

Kermt. Het herdenkingskruisje voor de 19-jarige.   © Stephan Vanfleteren

Kermt. Het herdenkingskruisje voor de 19-jarige. © Stephan Vanfleteren

Voor ik vertrek zie ik vlinders met oranje vleugelpunten, nooit eerder gezien, ze lossen op in het licht van de zon. Tien dagen later is het op de radio dat in Kermt een jonge vrouw verongelukt is aan een overweg. Zo kort na m'n bezoek is dat al een pijnlijk toeval, maar het zal allicht op die twee andere bewaakte overgangen zijn gebeurd, waar meer ongevallen gebeurden. Maar zo zit een samenloop van omstandigheden niet in elkaar. De volgende dag staat het in de krant dat de vrouw gegrepen is op de overweg aan de dreef. Toen ze fietsend vanuit het natuurgebied kwam. De politie sluit een wanhoopsdaad uit. "Mogelijk was het slachtoffer verblind door de zon en heeft ze de afstand van de naderende trein verkeerd ingeschat." Ik moet nog vaak aan Kermt denken en aan zijn wandelaars en passanten. Nog nooit van hun leven was er op dié plek een ongeluk gebeurd. Wat waren we goedgelovig, wat hebben we geen rekening gehouden met één fietser in het licht van de zon.   
Spookrijden
Ik volg mijn lijst. Een lang spoor van overwegen. Beringer Heide. Balensedijk. Genebos. Langs de weg zie ik vrouwen ramen zemen en mannen een feesttent opstellen en bier drinken, de zon in de blonde glazen. En dat ik ze nooit terug zal zien. De plotse weemoed van het autorijden. Zoveel dat er is en zoveel dat voorbijgaat.  
In Herentals tref ik nog een oud emaillen bord met een bijna onherkenbaar verroeste locomotief. Allicht jaren dertig. Een omwonende begint te klagen. Vorig jaar was hij nog deel van de straat Koulaak. En nu is hij afgesneden van alle andere huizen omdat Infrabel in november halsoverkop de onbewaakte overweg tussen zijn huis en de rest van de straat heeft afgeschaft en opgebroken. Hij woont nu aan de voet van een talud. En of ik er iets aan kan doen? Gij zijt toch journalist! 

Gevarenbord nabij Koulaak Herentals; Allicht uit de jaren ‘30  © Jan Hertoghs

Gevarenbord nabij Koulaak Herentals; Allicht uit de jaren ‘30 © Jan Hertoghs

Het gaat schemeren, maar ik wil nog twee overwegen zien. Bij het militaire domein. Bij het dorp van mijn grootvader. En hoewel ik daar redelijk de weg ken, kan ik nauwelijks bij de spoorweg geraken. Elke weg in de bossen loopt dood op een greppel of een wei. De laatste weg is heel slecht, met zuigende modder, diepe putten en struiken die tegen de auto slaan. Als ik hier vast rij, wie zal me dan komen halen?
Er staan nog enkele huizen aan de rand van het bos. Een man komt op zijn sokken buiten. "Als ge die naar die overwegen wilt, waarom rijdt ge dan niet met de auto langs het spoor?" Zeker dat het niet mag, maar er zijn er nog die zo rijden, hij doet het ook. De eerste overweg die ik zal zien, is van het militaire kamp en daar "kunt ge simpelweg keren en terug naar hier rijden." Dat laatste is niet waar, ik kan de auto hoogstens tot tegen de verroeste poort van het legerdomein manoeuvreren, zijn achterste op amper twee meter van het spoor. Ik kan hier amper keren en draaien en dan klinkt in de verte de bel van de overweg. Merde! Ik stap uit en zie de lichten naderen, die twee meter spatie moet toch wel genoeg zijn om me niet te raken?! Maar wàt moet die bestuurder denken als hij in zijn koplampen die auto naast de bedding ziet?! Ik doof alle licht en maak me zo klein mogelijk om niet zichtbaar te zijn. Alsof die auto hier op zijn eentje is geraakt. De trein raast-raast voorbij, grijs suizend metaal en geelverlichte ramen. Heeft iemand deze zot gezien? Hij stond hier bij de bramen!  
Wat bezielde me om hier spook te rijden langs dit spoor?  Argeloosheid en niet beducht zijn op gevaar, dat was het zeker. En  ook, àls mijn lijst zegt dat hier een overweg is, dan wil ik die vinden. Dan moét ik die zien. En hoe moeilijker te bereiken, des te uitdagender. Naast die rails rijden leek aanvankelijk zelfs geen risico. Terwijl dat al spelen met je leven was. Om dan plots in dat kleine hoekje te komen. Daar zat het ongeluk. Het had op mij gewacht.
En het liet me gaan.

Het zijspoor: klein aanvullend foto-album van nog stille overwegen

Sinte Apollonia Aalst  © Jan Hertoghs

Sinte Apollonia Aalst © Jan Hertoghs

Kermt. © Jan Hertoghs

Kermt. © Jan Hertoghs

Genebos (Ham). © Jan Hertoghs

Genebos (Ham). © Jan Hertoghs

Lommel.  Locomotief en hagel.  © Jan Hertoghs

Lommel. Locomotief en hagel. © Jan Hertoghs

Kepkensberg (Ham) © Jan Hertoghs

Kepkensberg (Ham) © Jan Hertoghs

Boshoek. Lint. © Jan Hertoghs

Boshoek. Lint. © Jan Hertoghs

Antwerpse Haven. © Jan Hertoghs

Antwerpse Haven. © Jan Hertoghs

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De stille overwegen (2): koeien op het spoor

Esen. Tweemaal per dag steken de koeien de drukke lijn Gent-De Panne over.  © Stephan Vanfleteren

Esen. Tweemaal per dag steken de koeien de drukke lijn Gent-De Panne over. © Stephan Vanfleteren

Wij hebben eeuwige overgang. Zo staat het op papier bij de notaris!"

Lees hier deel 1 van “Stille Overwegen”

Humo mei juni 2009 - bewerkt, ingekort © Jan Hertoghs

Soms loopt er geen openbare weg, maar een privéweg over de treinsporen en dan is een overweg een private overweg. Nooit geweten dat ze bestonden. De meeste van deze overwegen zijn onbewaakt, hebben geen bel of knipperlicht en zijn vaak gelegen in havens en industriegebieden. Sommige bevinden zich ook in de bebouwde kom of nabij een boerderij.
De lijn met de meeste privé-overwegen is de lijn 73 van Gent naar De Panne, een drukke én geëlektrificeerde reizigerslijn waar de treinen snelheden halen tot 140 per uur, en toch zijn er op het stuk tussen Aarsele en Adinkerke nog 21 van die boerenoverwegen.

De privé-overweg in Aarsele is in gebruik als ik er kom. Een man parkeert naast de spoorlijn, tilt een zak aardappelen op de rug en steekt de sporen over naar het huis aan de overzijde van het spoor; dat is blijkbaar alleen via deze weg te bereiken. Bij de overweg staat een gevarenbord, een sint-andrieskruis en zelfs een soort slagboom. Op twee palen rust een regenpijp en in die schacht rust een ijzeren buis; ze is roodwit geverfd en kan open en dicht geschoven worden. Dezelfde privéslagboom zit er ook aan de overkant. Zo ziet een éénmansoverweg er dus uit.

Aarsele. De privé-slagboom: een roodwitte buis in een regenpijp.  © Jan Hertoghs

Aarsele. De privé-slagboom: een roodwitte buis in een regenpijp. © Jan Hertoghs

De man komt terug en zegt dat ik de mensen in het huis niet kan bezoeken. Er is een sterfgeval. De negentigjarige bewoner is vannacht overleden en nu is zijn 88-jarige weduwe alleen thuis, 't zou niet passen, nu een journalist. Ik verontschuldig me, zó ongelegen had ik niet willen komen.
Heel hun leven hebben ze hier gewoond, zegt hij. Dat kleine huis aan de andere kant hoort bij het grote boerenhof aan deze kant dat door hun zoon is overgenomen. Ze zijn dus over het spoor verhuisd,  die zoon gingen ze "nog dagelijks helpen".
De piochers van de NMBS kenden het echtpaar. Was er onderhoudswerk aan het spoor, dan konden ze in het huis hun middagboterhammen eten en kregen ze koffie. Ze schuilden er ook als het regende.
Een buurvrouw komt naar me toe, benieuwd naar de bezoeker die niet van hier is. Ze heeft hier vlakbij een ijssalon met verkoop van hoeve-roomijs, bij goed weer moet ik maar eens terugkomen. Of er zich ooit bijzonderheden hebben voorgedaan aan deze kleine overweg? Twee jaar geleden heeft zich een man verdaan. Hij was in de dertig en in een scheiding verwikkeld, hij zag het leven niet meer zitten. Toen ze zijn auto verplaatsten, zagen ze de lege bierblikken, "allicht had hij zich nog moed ingedronken". Moed moet ge hebben, zegt ze. Want zo'n trein is groot en snel, 't is een gevaarte dat voorbij raast. Zelfs als ze hier op de weg staat, heeft ze d'r al schrik van.

Landelijke privé-overweg in Aarsele. “Komt gij de putten in de weg maken?!” © Jan Hertoghs

Landelijke privé-overweg in Aarsele. “Komt gij de putten in de weg maken?!” © Jan Hertoghs

Zijt gij van de ijzeren weg?
De tweede private overweg in Aarsele is vanop de straat amper te zien. Ik moet ervoor op een erf komen, met mest en prikkeldraad,  en ik klop vergeefs tegen het hout van de achterdeur. Door het raam zie ik een kleine gestalte in de donkere huiskamer. Een oude moederziel in een zetel naast de kolenkachel. Boven haar de schouw en het devote plaaster van Jezus, Jozef en Maria. Ik tik op het raam, ze schrikt wakker en gebaart van binnen te komen. En dan ontspint zich een vreemd gesprek.
-Gij komt voor den eletrik! -Neenee, ik ben journalist, ik kom....
-Ek verstoaj euj nie!
-Ik ben een reporter, ik...
-Ik versta u niet! Zijt gij van den ijzeren weg?
-Nee, ik ben reporter, ik kom iets maken over overwegen.
-Ha, gij zijt dus toch van de ijzeren weg!
-Nee, ik werk voor een weekblad.
Ze kijkt me lang aan, en zegt dan nog eens: ek verstoaj ekik euj nie! Om me toch enigszins te legitimeren, maak ik het gebaar van fotograferen, en dat ik "een foto wil maken van de overweg".
-Ha, gij komt iets maken van de overweg! Gij komt de putten  maken!
-Neen, neen, ik kom de putten niet maken.
-(Verbaasd): wa komde gij dan doen!?
-'t Is voor een reportage... Ik kom foto's maken! Foto's van die overweg! Het schijnt dat hier een boer is...
-Ja, hier is een boer!
-Met koeien..
-Met koeien, ja!
-En die gaan over de overweg.
-Ja, die gaan soms over de overweg. En gij komt nu de overweg maken, die putten in de weg!!
Waar woont die boer vraag ik vertwijfeld. Hiernaast, wijst ze, ga daar maar kloppen! En als ik hartelijk dankend de deur sluit: den dien ierneffest, hij is toch niet thuis. En inderdaad, hij is niet thuis. Maar de overweg kan ik zien. Met het verplichte bord Private Overweg en met het paard en de koeien die van de overkant naar de vreemde visiteur staan te kijken.

Fluo tussen de schapen
Langs dezelfde straat in Aarsele zou nog een derde overweg zijn. Daar gaat ge niet geraken, is me gezegd, de weg ernaartoe "staat vol maïs, ge zult langs het spoor moeten gaan". Als ik één minuut in de stenen van het ballast heb gelopen, rinkelt de overweg achter mij. De trein kan hier elk ogenblik zijn en ik durf niet teruglopen, ik wil de treinbestuurder niet ongerust maken (Onbekende Man Loopt Sneltrein Tegemoet). Een geluk dat ik mijn gele hesje draag. Dat was me vooraf gemaild door de Infrabelwoordvoerder dat ik bij elke overweg de veiligheid zou moeten respecteren ("Gelieve een geel veiligheidsjasje te dragen a.u.b."). Ik had de schouders opgehaald (safety guys!) maar nu heeft het zijn nut: in fluo kan ik laten zien dat ik geen onbevoegde ben. Maar het is geen gezicht. Ik ga zo ver mogelijk in de kant staan, schrijlings over de greppel en tegen de wei waar de schapen schaapachtig toekijken hoe een mens zich vasthoudt aan hun prikkeldraad. En dan is de hoge trein er, een singelen van staal, een harde inslag op de rails, de plots belasting met tonnen en tonnen gewicht, en dan is de metalen duisternis voorbij en dooft het geraas uit, ginder in de verte.
Langs het spoor ligt het pluimenskelet van een kraai, er groeit ook kamille en er warrelen kleine vlinders tussen de klaprozen. Zo is het leven bij kilometerpaal 23/8. Honderd meter verder is de overweg, met links een jungle van maïs en rechts dezelfde dichte brousse. Ik weet niet welke landbouwer hier moet tegengehouden worden, maar aan weerskanten van het spoor is er het slagboomsysteem met de halve regenpijp en de wegschuifbuis. Geen idee waar hier de weg is, maar er is hoe dan ook een overweg.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Dikbillen
Het wordt zeldzaam, zo'n boerenerf met een vijver. Op het water drijven witte en zwarte zwanen. De boer komt buiten en ziet me onwennig parkeren. Een stadsmens weet niet waar hij moet gaan staan als er zoveel ruimte is.
Zijn privé-overweg wordt nog twee keer per jaar gebruikt, om ginds de maïs te zaaien en om er later de maïs te hakselen. Over koeien en kalveren kan ik slecht praten, dus ik zeg iets over de versleten autobanden die ik op nagenoeg àlle boerenhoven zie. Hij zegt dat het ermee gedaan is. Vroeger kwam de gehakselde maïs als veevoer onder een zeil met autobanden te liggen. Maar uit die versleten banden kwamen eindjes ijzer, die braken af en geraakten al eens in het voer. En nu zitten duizenden boeren in België dus met honderden autobanden opgescheept. Ik wens hem het beste (ik had Goodyear! kunnen zeggen) en begeef me verder langs lijn 73.
Onderweg vertellen triplex plakkaten wat er zoal te doen is.
In Lichtervelde is het zaterdag Teeltbal. En in Handzame is nu een eethuis open. Dat heet De Flitspoale omdat daar een flitspaal is.

Ik kom in Zarren, deelgemeente van Kortemark, en achter de Vleesgroothandel en Slachterij Van Nieuwenhuysen moet nog een overweg zijn. Om die te mogen zien moet ik langs de baas passeren. In zijn bureau geeft het raam uit op de transportband met vleeshaken waaraan voortdurend halve varkens voorbijschuiven, richting spek en blinde vinken. Na een reeks drukke telefoons hoort hij dat het voor Humo is en gaat hij wat gemelijk achteroverleunen: "Overwegen hé! Dat zijn dus de ophefmakende dossiers waar uw blad zich momenteel mee bezig houdt." Hij wuift in de richting waar het is en de privé-overweg wordt gebruikt als ze dikbillen willen afmesten, dan moeten die naar de weide aan de overkant. 

De met struiken en netels overdekte berm bij de overweg in Zarren. © Jan Hertoghs

De met struiken en netels overdekte berm bij de overweg in Zarren. © Jan Hertoghs

Van de runderoverweg is het maar een paar honderd meter verder tot bij een groothandel van auto's en vrachtwagens. Zij moeten soms "geparkeerde wagens opzijzetten" als de boer zijn overweg wil gebruiken om zijn beesten "naar de lagergelegen broeken te brengen". Hij zal de overweg persoonlijk wijzen, het ding is moeilijk te vinden tussen het struikgewas en de netels. En ook hier kwam al een einde aan een leven, "een jong gastje, 't was af met zijn lief, en ie sprong onder de trein". Hij zegt het met de zakelijkheid van iemand die niet lang stil staat bij zo'n noodlottigheden. Life goes on, ook in Zarren.
Koeienspoor
Om overweg 73/64 te zien moet ik de oprit opdraaien van een melkveebedrijf, het "Hof Van Esen". Boer Patrick Packet zegt dat op deze plek al sinds de middeleeuwen een boerenhof gevestigd is. En dat er inderdaad een overweg is, en dat hij twee keer per dag met de koeien erover stapt! 's Avonds van de wei naar de stal om ze te melken, en 's morgens van de stal naar de wei als ze opnieuw gemolken zijn.
Het is nauwelijks te geloven dat er in deze tijd nog koeien over een spoorlijn gaan waar de treinen meer dan honderd per uur rijden, maar Patrick kent de uurtabellen. "Het gewone schema is dat er twee treinen per uur rijden. Behalve op de spitsuren, dan zijn er vier per uur." Het systeem is simpel, als de vaste reizigerstrein naar Gent of De Panne gepasseerd is, dan steekt hij over. Hij zal dus nooit oversteken op een vast tijdstip wanneer er volgens de tabellen geen trein verwacht wordt, "want die vaste trein kan natuurlijk vertraging hebben. Of er kan ineens een losse locomotief komen. Of een onderhoudstrein. Of een goederentrein." En zo is het àltijd uitkijken.
Zeker ook in de zomermaanden omdat er dan extra-treinen worden ingelegd naar de kust. Ook tijdens de oversteek zelf kan een trein nog komen aansnellen, en om dat te horen zijn er de bewaakte overwegen van Zarren en Esen-Roggeveld. Als Zarren rinkelt, heeft hij nog vijfentwintig seconden om het spoor vrij te krijgen, en als Roggeveld rinkelt, heeft hij nog vijfendertig seconden. "Als je met de koeien op de spoorweg staat en die overweg begint te rinkelen, dat is adrenaline, dat is een steek aan joen harte". 
Het is nog geen uur om te melken, maar we lopen tot bij de overweg, aan beide zijden afgesloten door een smeedijzeren hek. De koeien zien Patrick verschijnen, anderhalf uur te vroeg, en ze heffen vragend en loom loeiend de kop. Hij zegt dat het spoorverkeer hem niet stoort, "we moeten er zo vaak overheen, 't is alsof de spoorweg deel is van de boerderij". En ook de spoormaatschappij maakt het hem niet lastig: elk jaar komen ze de verharde weg over de rails egaliseren zodat geen beest of mens kan struikelen. En dat er op al die jaren nooit een koe is aangereden. Noch bij hem noch bij de ouders van z'n vrouw die hier tientallen jaren geboerd hebben. Maar àls hij een nachtmerrie heeft, dan is het toch altijd déze: "Ik ben met de koeien aan het oversteken, en ineens rinkelt de bel, en geen beest wil nog een poot verzetten!"

Esen. “Dat is mijn nachtmerrie. De bel rinkelt, de trein nadert en de koeien willen geen poot verzetten.” © Jan Hertoghs

Esen. “Dat is mijn nachtmerrie. De bel rinkelt, de trein nadert en de koeien willen geen poot verzetten.” © Jan Hertoghs

Aanstormende treinen
Ik laat het lijstje van Infrabel zien. Alleen al op de tien kilometer tussen Zarren en Esen zijn nog àcht privé-overwegen, dat moet uniek zijn in België. Welk privilege hebben ze in deze Westhoek dat ze elders niét hebben? Informeer eens bij Sylvère, zegt Patrick, hij is de plaatselijke geschiedkundige.
De man zit tussen boeken en papieren. Een missionariskop, getaand, met een smal wit baardje en heftige gebaren zoals zendelingen die hebben. Die spoorweg, die heeft een geschiedenis! Hij ligt er van 1858 en eerst was er alleen een lijn van Lichtervelde naar Veurne, later is die doorgetrokken naar Adinkerke en Duinkerken. Een private compagnie wilde de Westhoek ontsluiten na twee socio-economische drama's van de 19de eeuw: het verval van de huisnijverheid door de mechanisatie en dan de aardappelziekte én de hongersnood van 1843-44, met veel emigratie naar Amerika. Van de spoorweg werd veel verwacht, de werklozen zouden werk vinden in de fabrieken en de boeren zouden afzet krijgen voor hun producten. Maar de ontsluiting liep fout: met de treinen kwam ook het goedkope graan uit Amerika en Rusland, en toen stortte de plaatselijke economie nog meer in elkaar.
Wat die overwegen betreft, dat is simpel. De boeren waren er eerst en dus kregen ze het verworven recht om de spoorlijn over te steken. Dat gebeurt vooral in het voorjaar en de zomer als het vee geweid wordt in de broucage, de lagergelegen uiterwaarden. Maar dat ik niet moet denken dat de kleine pachters dat recht verworven hebben. Het waren hun heren, de grootgrondbezitters. Zij hadden natuurlijk aandelen in die private spoorcompagnie en zij kregen dat gedaan!  En of ik mij kan voorstellen dat die eerste treinen twintig per uur reden en dat ze die toen "aanstormende treinen" noemden omdat ze dubbel zo rap gingen als paardengalop. En bij het spoor in Esen-Roggeveld staat nog een maisonette van een bareelwachtster. Dat zijn "typische huizekes, die hebben geen binnenmuren, want een bareelwachtster moest vanuit elke plek in huis de ramen en de aanstormende treinen kunnen zien, en als ze d'r één zag, dan nog had ze de tijd om buiten te lopen en het schuifhek veilig dicht te trekken!"

“Als de bel van de nabije overweg rinkelt, heb ik 25 seconden om de koeien van het spoor te halen.” © Jan Hertoghs

“Als de bel van de nabije overweg rinkelt, heb ik 25 seconden om de koeien van het spoor te halen.” © Jan Hertoghs

Zwijnen
Sylvère kan ook nog vertellen over het Groot Duits Kanon dat hier stond in '14-'18, maar Patrick gaat zijn koeien melken en die traversee wil ik zien. De reizigerstrein naar De Panne scheert voorbij tegen 140 en terwijl is hij de dieren al naar het hek aan het drijven. Het zijn er een dertigtal en ze gaan niet hollen als vaarzen die de kolder in de kop krijgen, nee, één en al geduld zijn die grote flaporen. Patrick sleept de beide hekkens open en met trage schoften nemen ze het hellinkje van de spoorweg. Twee minuten duurt het. En wat als er na één minuut een overweg rinkelt? Dan sluit hij het hek van de wei, en dan jaagt hij de koeien die op dat moment op het spoor staan wég naar de stal, "dat lukt ook; ze zijn niet gauw nerveus, ze blijven altijd kalm". En dat hij zijn koeien liever over een spoorweg van 140 dan over een rijweg van 70 per uur brengt: "Die machinist heeft een schema, die mens is betrouwbaar. Maar zo'n autobestuurder is nooit te betrouwen. Wat die vooral heeft, is géén geduld." 

Van de koeien gaat het naar de varkens, vijfhonderd meter verderop. Ik wil aankloppen aan het huis, maar deuren en luiken zijn dichtgespijkerd en wat ooit een boerenhuis met stallingen was, is nu als stalling geheel bewoond door de zwijnen. Ik kan geen enkel beest zien, ze zitten geblindeerd tussen de muren, maar bij de overweg achter het erf hoor ik ze nog altijd schrokken en krijsen en ook hun stront en ammoniak zijn meegestapt tot hier. 
's Avonds eet ik in Kortemark-Centrum. Om half negen zijn er al geen passanten meer. Alleen nog auto's die om de rotonde en de fontein draaien. Op het terras van de taverne komen slechts twee liedjes uit de boxen. I never promised you a rose garden en ook: Santa Maria, Insel die aus Traümen geboren, ich hab meine Sinne verloren. En zo een half uur aan een stuk. Ik heb er vrede mee. De wereld draait toch ook maar door.     

Onbewaakte overweg, begin jaren vijftig. (Archief NMBS)

Onbewaakte overweg, begin jaren vijftig. (Archief NMBS)

Rolhekkens en wipsluitbomen

Van de Belgische overwegen is ook een geschiedenis te vinden. Die lees ik in oude nummers van Het Spoor (Maandelijks Orgaan van de Sociale Werken van de NMBS) of van Treinen, een NMBS-maandblad voor een breder publiek. In Het Spoor is nog veel liefde te lezen van de spoorweglui voor de grote spoorwegmaatschappij. Met artikels over honderdjarige bareelwachtsters of bebloemde stations waar de chef een prijs heeft "weggekaapt met zijn salvia's en geraniums". Hier ook lovende stukken over heldhaftige beambten die door hun edelmoedig optreden reizigers "voor den dood hebben behoed". De NMBS had toen ook nog ruimte voor de poëzie van Walt Whitman en voor romantische foto's met Sneeuw, Tegenlicht en Onschuldige Kinderen. Zoals de foto uit 1958 waar een kind vol ontzag opkijkt naar de kaartjesknipper die het kaartje teruggeeft met de grote hoofdletters VROLIJKE VAKANTIE KLEINE BAAS!
In die bladen vind ik de prehistorie van de overwegen. Er moeten al vroeg sluitbomen geweest zijn, maar ze werden pas in 1891 bij wet geregeld. In 1902 is in elk geval al sprake van "meer dan vierduizend rolhekkens die de spoorwegwereld als het ware van de alledaagse dingen afzonderen". Het wegverkeer was toen nog niet zo opdringerig en alomtegenwoordig als nu, "meestal bleef een groot aantal overwegen gesloten. Ze werden enkel geopend door de bareelwachteres om een rustig span door te laten." De omgekeerde wereld dus, veel overwegen gingen maar heel af en toe open voor het wegverkeer.
In 1951 is de wereld een stuk sneller geworden en gaat men de "geniepige rolsluitbomen die traag worden dichtgetrokken en die vele ongevallen met auto's veroorzaken" stilaan vervangen door de snellere wipsluitbomen. Dat zijn de slagbomen zoals we ze nu kennen, maar ze worden nog wel manueel bediend. Op dat ogenblik zijn er nog altijd zo'n zesduizend overwegen in ons land: vierduizend hebben een actieve signalisatie, tweeduizend hebben alleen maar een passieve signalisatie, zijnde het sint-andrieskruis (= vierde categorie). Op lokale lijnen bestaan zelfs nog overwegen van vijfde categorie waar de treinen tot 5km per uur moeten vertragen en waar "de machinist de fluit der locomotief gedurende de hele passage laat werken".   

In 1951 zijn er nog tweeduizend onbewaakte overwegen in België. Vaak zijn het overgangen voor buurtbewoners. (Archief NMBS)

In 1951 zijn er nog tweeduizend onbewaakte overwegen in België. Vaak zijn het overgangen voor buurtbewoners. (Archief NMBS)

In die jaren vijftig en zestig worden de overwegen meer en meer een probleem omdat het autoverkeer geweldig toeneemt. De NMBS is gedwongen om overwegen zonder bel en knipperlicht te supprimeren en om overwegen met druk wegverkeer te vervangen door bruggen en tunnels. De evolutie is merkbaar in de cijfers. In 1960 zijn er nog 5500 overwegen. In 1970 4850 en in 1980 nog maar 3930 stuks. In 1996 zitten we aan 2575 kruisingen waaronder toch nog 932 onbewaakte exemplaren. Op dit moment zijn er nog 1929 overwegen waarvan 298 een passieve signalisatie hebben. De laatste tien jaar zijn dus zo'n zeshonderd van die 'onbewaakte' overwegen opgeheven.

Eeuwige overgang
Midden oktober sta ik weer langs lijn 73. De kerkklok van Esen slaat half twee en kraaien wieken weg van de vierkante toren. Het wordt herfst nu, als zwarte vogels zich neerzetten op het kouder wordende land. Maar de zon schijnt nog in de rug, er sjirpt nog een laatste krekel en uit de zijgreppel rept een konijn zich weg, lang in dekking gebleven, en nu in zigzag over de rails en zo het aardappelveld in. Die akker is machinaal gerooid met nog honderden kleine aarpels die zijn achtergebleven. Ik moet aan de bijzondere film van Agnès Varda denken, Les Glaneurs et La Glaneuse. Zou hier nog een glaneur, een sprokkelaar zijn die de achtergelaten veldvruchten komt rapen?
In Esen vind ik nog drie privé-overwegen, maar in de bijhorende boerenhuizen is niemand. Zo gaat dat als op het land gewerkt wordt. De deuren open, de stallingen open en ook de kofferklep van de auto. Ik roep hallo, de katten geeuwen op het trapje, de bomen op het erf laten hun blaren vallen, in een stilzwijgen dat oud is en geel.

De wijde polders komen na Diksmuide. Een asfaltweg zwaait het land in, gaat met roodwitte kruisen over het spoor en daar is de boerderij met een berg voederbieten erbij. Ook hier weer niemand te zien, of toch, ze zitten op de nok van een loods: de vader, de zoon en z'n vrouw zijn een nieuw dak aan het timmeren. Vanuit de hoogte staan ze licht argwanend te kijken, de zoon met de hamer, de vader met een golfplaat in zijn hand. Ha ja, hier zijn inderdaad veel onbewaakte overwegen, en dat er vroeger nog meer waren. Maar met de elektrificatie in '96 zijn er veel gesupprimeerd.
Aan hun travers is nooit wat gebeurd, maar ginder aan de brug heeft er "ene zijn kop voor de trein gelegd". Sarcastisch: "hij had zeker een kop teveel of zo?" En omdat ik niet reageer: " Ja, zo gaat dat in 't leven. Als ge moe zijt, dan legt g'uwe kop erbij!" Ik zal het nog meer tegenkomen langs de overwegen, dat schamperen over zelfmoord, dat geringschattende dat eigen is aan het niet kunnen begrijpen.
En dat zij geen schrik hebben dat "de NMBS hun travers zal afpakken". Het staat zo opgeschreven bij de notaris, "op papier hebben wij den eeuwigen overgang". Dat ze mij vanop hun dak zo'n mooi en onsterfelijk woord cadeau doen. Het klinkt als de belofte van de Eeuwige Jachtvelden. Een schone dood moet dat zijn. Sterven, en met je laatste adem langs het roodwitte kruis passeren en dan wacht daar het hiernamaals. Het staat zo op papier!   

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

Trein omgewaaid
Overweg 88 in Oostkerke lijkt zonder geschiedenis, een wei, een hek en de spoorweg op een talud, maar de overburen wijzen een huis, die boer is eigenaar van die wei, hij weet nog een en ander te vertellen. 
Boeren. In eerste instantie zullen ze tamelijk nors uit schuur of hangar komen, welke burgerman gooien ze nu weer binnen, maar heb je geen al te domme vraag, dan breekt een groot verhaal los. Twaalf jaar geleden is bij 'zijn' overweg een trein omgewaaid. Hij vertelt het laconiek alsof het een Fiat Panda was. Het had die nacht gestormd, dat wel, en er lagen elletrikke staken omver, dat ook, en het kàn straf waaien in de polder, maar zo hard dat een trein van de sporen waait?! 't Is de versie van het treinpersoneel, maar hier in de streek denken ze aan een ontsporing. 't Was een paar maanden na de elektrificatie en de nieuwe bedding zal misschien verzakt zijn geweest? In elk geval, toen hij ging kijken, stond er nog één rijtuig op het spoor en lagen het machien en twee rijtuigen op hun kant in zijn wei! 't Was gelukkig de vroege trein, die van 5u20, dus veel inzittenden waren er niet en ze waren alleen lichtgewond. En hoeveel miserie hij nog heeft gehad. Eerst moesten ze betonplaten in zijn wei leggen, want anders zakte de hefkraan in de bodem door het enorme gewicht dat ze tillen moest. En natuurlijk was zijn wei naar de vaantjes, een hoop flauwekul en papieren gedoe met de NMBS.
Ik heb het opgezocht. Het omwaai-incident stond in de kranten van 25 februari 1997. Volgens de bestuurder en de treinwachter werd de trein in de linkerflank door een windstoot getroffen. "We reden tegen 120 per uur. Het treinstel werd als het ware uit de rails gelicht. Voor wij het beseften lagen we in de omgekantelde wagons midden in een zompige weide." Het KMI wist van een onweersfront boven Oostkerke, driehonderd meter verderop "werden honderden dakpannen afgerukt bij een landbouwbedrijf", dus er kan sprake geweest zijn van een korte maar hevige windhoos. De NMBS zelf reageerde met ongeloof:" Zo'n treinstel weegt 150 ton. Moeilijk te aanvaarden dat een windstoot zo'n gevaarte uit de rails kan lichten". Dat klopt, het moest al een flinke tornado zijn. Een F3 op de schaal van Fujita is zo'n zware tornado waarbij "treinen kunnen omslaan of ontsporen." Die poldertornado had dan wel een windsnelheid moeten hebben tussen 25O en 330 km per uur.
In de trenches

Overweg in de polder in Lampernisse. “Als die overweg er niet meer is, moet ik 5 km omrijden.”  © Jan Hertoghs

Overweg in de polder in Lampernisse. “Als die overweg er niet meer is, moet ik 5 km omrijden.” © Jan Hertoghs

Het dorp heet Lampernisse. Ik kan het talloze keren zeggen en het blijft een mooie naam. Dit is het land waar ze scheewege zeggen tegen een kruispunt en waar een boerderij Groot Cameroen Hoeve heet. Boer Delputte taxeert: "Een schone wagen! Gij komt zeker van de stad?!" En dat ik met die propere auto niet naar de overweg moet rijden, 't is nog zeshonderd meter verder op zijn land en "'t ligt er vol slik". Ik mag van hem een fiets hebben, 't zal handiger zijn, maar al na honderd meter zak ik in de slijkbodem, de klei kruipt omhoog langs de banden, gaat klitten aan spatbord, remmen en kettingkast, het is zo kleverig dat ik moet afstappen. Een haas schiet uit het gras, zijn hazenpad rent het stoppelveld over, de grond amper rakend in zijn lange, lange sprongen.
De overweg is een eenzaam kruis, wijd en zijd geen mens te bekennen, aan beide kanten wachten alleen maar kluiten polderaarde.
Ik geef de fiets gegeneerd terug, 't is een modderrad, maar geen probleem, de boer zal er vanavond de hogedrukreiniger op zetten. En dat in deze klei negentig jaar geleden de trenches waren, hier was de frontstreek en het huis was helemaal weggeschoten.
Ook zij hebben hun "recht op overgang" op papier staan, die overweg hebben ze trouwens écht nodig. Als die er niet is, moeten ze vijf kilometer omrijden om op het grootste deel van hun land te geraken. Ze gebruiken 'm dus best veel, wel duuzd keren op een jaar. En dat ze ooit aan de NMBS gevraagd hebben om er een knipperlicht te plaatsen, maar dat zou het boerengezin twee miljoen Belgische frank gekost hebben.
Het lastigste zijn de oogstdagen, dan wordt er met de tractoren wel tien tot twintig keren per dag getraverseerd, "en dan is het soms dat ge erover rijdt en dat ge u nadien afvraagt of ge wel eerst gekeken hebt!" 't Is al een keer geweest dat hij de trein vergeten was en dat het machien ineens aan zijn kop voorbijraasde. En natuurlijk hebben ze hier ook die wegschuifbuizen die als slagbomen moeten dienen. Hij moet er niet van weten. Hier staan ze altijd open, terwijl ze dicht moeten zijn én op hangslot! Slot en sleutel zijn dwaas, volgens hem, dat is tijdrovend en maakt dat oversteken alleen maar riskanter.
Die sloten kunnen ook dienen "om te kloten". Hij heeft al verhalen gehoord van boeren die dezelfde overweg gebruiken, die in onmin raken met met elkaar en die dan "het hangslot veranderen om de andere te couillonneren".

Winter in Erpe-Mere. (Archief NMBS)

Winter in Erpe-Mere. (Archief NMBS)

Winterochtend
In de winter van 2008-2009 heb ik geen overwegen gezocht. Maar toen gebeurde dit. Begin februari waren we op wintervakantie in Boltigen, een klein dorp in het Zwitserse Simmental. Elke morgen rijden we dezelfde hoofdweg, van de logeerboerderij naar het skistation. Een lang eind naast een spoorweg. Op de laatste ochtend van de week is de weg afgesloten. Politie en brandweer leiden het verkeer om langs een hoger gelegen weg. En vandaaruit zien we de trein stilstaan voorbij de onbewaakte overweg, met twee brandweerlui bij de kop van de locomotief. Het eerste ongeluk dat we zien in de negen jaar dat we hier komen. 's Middags is er het radionieuws nabij de skilift "dat vanmorgen twee personen dodelijk verongelukt zijn nabij Boltigen. Het spoorverkeer was de hele voormiddag nog gestremd."
Boer Hans spreken we de volgende dag, hij woont niet ver van de plek. En die trein heeft de auto wel zeventig meter ver gekatapulteerd. De ene inzittende lag dood op de weg, de andere zat dood in de auto. Twee mannen die altijd samen naar hun werk reden; ze kenden de plek heel goed, ze kwamen er elke morgen voorbij. Maar dan volgt de onvermijdelijke kanttekening van het noodlot. De ene had niet op zijn vaste plaats gewacht, was al een eind naar de komende auto toegestapt, die bestuurder had dan niet op zijn vaste plek gedraaid, maar was in het donker van de ochtend snel achterwaarts op die oprit van de overweg gereden om zo te kunnen keren "en daar had de trein hen gegrepen". Tegen honderd per uur. En dan volgt boerenfilosofie. Het ongeluk is overal, zegt hij, denk nooit dat het er niét is. Zeg ook nooit dat je al twintig of dertig jaar zonder ongeval rijdt. Dat is misplaatste trots. Want zoiets is allesbehalve je eigen prestatie. Dat is ook aan anderen te danken die tegenover jou hebben opgepast.
De volgende morgen heeft het gesneeuwd. De sporen van het ongeval zijn al niet meer te zien. De Zwitserse krant zegt dat er landelijk nog 3155 onbewaakte overwegen zijn, tien keer meer dan in België.

Laat een onderwerp los en het komt je achterna.

DEEL 3: Ontsnapt aan de trein van 120.000 meter per uur

NAWOORD: Boer Patrick Packet (Esen) stapt niet langer met zijn koeien over de sporen. Zijn melkvee is uitgebreid, er waren teveel dieren om over te steken. De overweg is vernieuwd door de NMBS (“maar niet doordacht, er is een niveauverschil op die plek”) en dus blijft het lastig oversteken, maar nu met tractoren en materiaal. Patrick is wel verlost van zijn nachtmerrie (“de bel rinkelt en mijn koeien willen geen poot verzetten”).
De overstekende koeien van Stephan Vanfleteren hangen nu in het groot in hun bureau.

Plaatselijk geschiedkundige Sylvère is in 2017 overleden.

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Lege treinen en stille overwegen (1): de laatste onbewaakte spoorovergangen

Tijdens corona liep de bezetting van de Belgische treinen terug tot 5 procent. Intussen nemen meer mensen de trein, maar eind mei was er in de spitsuren nog altijd maar een bezetting van 9%. Met als gevolg: de overheid die vanaf midden augustus gratis treinpassen gaat bedelen om de mogelijk nog lege treinen te bevolken.
Wie echt de meest lege en allerstilste plekken van de Belgische spoorwegen wil bezoeken, moet op zoek gaan naar de laatste onbewaakte overwegen.
In 2009 waren er nog 298. In 2018 waren het er nog 230. 

Sinte Apollonia Aalst © Stephan Vanfleteren

Sinte Apollonia Aalst © Stephan Vanfleteren

“Paarden weigeren hier soms over te steken. Ze hebben schrik van de blinkende staven.”

Humo mei 2009 - herwerkt en ingekort © Jan Hertoghs

Spoorlijnen lopen eigenmachtig door het land. En waar ze wegen kruisen is er een overweg. Met een bel en een lichtsignaal en vaak ook een slagboom. Maar tegelijk zijn er nog 298 onbewaakte overwegen in dit land. De stille overwegen. Zonder slagboom, zonder bel, zonder licht. Ik heb ze gezocht. Omdat het plaatsen zijn waar nauwelijks iemand komt. Omdat het plaatsen zijn waarvan men amper het bestaan vermoedt. Dat hield een belofte in. Van onvermoede verhalen. Van ontdekkingen in het achterland.  

In de zomer van 2008 begon m'n zoektocht, en dat de rand van Aalst boerenland zou zijn, dat had ik niet kunnen denken. Er staat een paard in de wei, koeien kauwen op het middaguur en tussen de twee weilanden loopt een veldweg. Amper nog begaan, maar toch worden mogelijke weggebruikers verwittigd met het bord van de onbewaakte overweg: een zwarte stoomlocomotief in een rode driehoek van gevaar.
Dat gevaar is maar moeizaam te bereiken. Ik moet me honderd meter een weg banen door opgeschoten gras. De krekels sjirpen in de warmte. De witte wolken drijven door de blauwe lucht. En dan is er de laatste waarschuwing, het roodwitte sint-andrieskruis. Met daarachter spoorlijn 82, van Aalst naar Burst. De ijzeren weg ligt er roerloos bij. De treinen zijn nog ver achter de einder. Er is alleen het suizen van hun afwezigheid en de trillende hitte boven de glanzende rails.

Sinte Apollonia Aalst © Jan Hertoghs

Sinte Apollonia Aalst © Jan Hertoghs

Aan de andere kant verdwijnt de veldweg in een wirwar van netels en distels. Houtduiven en kraaien vliegen op, én een wielewaal. Làng geleden dat ik die schuwe vogel nog gezien heb. En zelfs hier staat  een waarschuwend bord voor mogelijk verkeer dat nadert vanuit die  overwoekerde richting. Weer en wind hebben gaten gemaakt in de gevarendriehoek die ooit een gift was van de Royal Automobile Club de Belgique. Zo'n emaillen bord dateert van de jaren dertig. In het land reden toen meer treinen dan automobielen.
Fantastische plek toch, hoe die spoorweg hier in een bocht verdwijnt, zoals in alle goeie films, en hoe de houten dwarsliggers naar creosoot ruiken, de teerolie die bestand maakt tegen de tijd, zo moéten ijzeren wegen ruiken! Ik leg een munt op de spoorstaaf, straks walst hier een wiel en ligt er voor niemand een aandenken.

Niet ver van de overweg groeien hoge canada's. U bevindt zich hier, zegt het bord. In Honegem-Solegem-St-Apollonia. Het klinkt als een aftelrijm, maar het is "een beschermd landschap van de Vlaamse Gemeenschap sinds 24 juni 1992". Bij dit beschermde land staat een huis waar een oudere vrouw onkruid wiedt. Zij heeft vroeger nog dichter bij een bos gewoond dan hier. Dat was in de Oostkantons, waar ze in 1944 de Amerikaner heeft zien arriveren na de Slag om de Ardennen. Die hadden wit brood bij, en gemalen koffie, en zij hadden vier jaar geen koffie gedronken. En zo praten we gemoedelijk over een wereldoorlog. Met terwijl te-donkk te-donkk te-donkk, een onzichtbare trein achter die zichtbare bomen.

Erpe-Mere. De smalle buurtwegel (Wagenstraat/ Meiboomweg) leidt naar een nauwelijks zichtbare overweg © Jan Hertoghs

Erpe-Mere. De smalle buurtwegel (Wagenstraat/ Meiboomweg) leidt naar een nauwelijks zichtbare overweg © Jan Hertoghs

Netelhuis
Bij de spoorwegen vonden ze het niet oordeelkundig dat ik over "onbewaakte overwegen" zou spreken. De officiële term is overwegen met passieve signalisatie of overwegen van vierde categorie. Dat is genoteerd. En vervolgens heb ik van infrastructuurbeheerder Infrabel een lijst van vijf bladzijden gekregen, allemaal overwegen vierde categorie! En telkens staat aangegeven: de gemeente, de dichtstbijzijnde straat en drie nummers. Het nummer van de spoorlijn, het nummer van de overweg en het kilometerpunt. Dat punt is zichtbaar op zijpaaltjes en dus nuttig voor onderhoudsploegen die met een trein onderweg zijn, maar voor wie met de wagen onderweg is, zijn die nummerpaaltjes géén hulp.  
Zo zoek ik nu al een half uur naar de overweg aan de Broekstraat tot iemand zegt: hier is helemaal geen Broekstraat, ik denk dat gij bij de Wagenstraat moet zijn, daar is nog een onbewaakte overweg.
De fietsster gaat me voor langs hovingen met volières, miniatuurwindmolens en bloeiende gladiolen, tot we bij een smalle koker tussen twee huizen komen, dat blijkt een buurtwegel, en die plavuizen geven uit op een overweg voor voetgangers.
Ik steek lijn 82 over -richting een nieuwere tuinwijk in Erpe - en aan de andere kant gaapt een vervallen huis. Een spookpand. De ruiten zijn stuk, de gordijnen zwaaien uit de kozijnen en de netels gaan hier ongevraagd naar binnen. Benieuwd hoe het hier 's avonds is, op dit verlaten pad met z'n wildgroei van struiken.

Erpe-Mere. Het “spookhuis” aan de Meiboomweg © Stephan Vanfleteren

Erpe-Mere. Het “spookhuis” aan de Meiboomweg © Stephan Vanfleteren

Wreed ongelukkig

Lijn 82 telt nog zés onbewaakte overwegen op tien kilometer en de volgende overweg aan de Grote Gentweg -ook in Erpe- is ineens heel breed. Ik moet me werkelijk dwingen om te stoppen en links en rechts te kijken. Het is wennen. Dat zo'n stille overweg op elk moment even gevaarlijk kan zijn als een overweg waar alles brandt en rinkelt. 
Ik leg de motor stil en achter de wilgen en de weidebadkuipen klinkt het gedempte geraas van de E40 met zijn meer dan tienduizend wagens per uur. Daar is mobiliteit. Hier beweegt niets. Het landschap kijkt me aan met zomerse onverschilligheid. Het heeft niet gevraagd dat ik tot hier zou komen. Het kent ook geen verwondering. Het weet van treinen en passanten, en dat die altijd voorbijgaan.   

In Erpe-Mere is een stopplaats waar net een trein stopt. De deuren sissen open, de dagtaak in Brussel is achter de rug. Achter mij klinkt klein hoefgetrappel op het asfalt. Een man leidt een pony. In het zadel zit zijn kleine zoon. Het is als een Italiaanse film, maar dan Oostvlaams gesproken. 
In de wijk achter de Magerstraat houdt de nieuwbouw op en daar is een smalle overweg naar de akkers aan de overkant. Een man harkt hooi met een strohoed onder de zon. Jozef De Pauw heeft dat stuk grond al vijfenveertig jaar in bezit. Veel vroeger was hier zelfs géén overwegske, zegt hij, toen wandelden de mensen gewoon over de sporen. Dat was nog in de tijd van de stoomtreinen. Hij doet na hoe traag die wel op gang kwamen, zo dzjoe dzjoe dzjoe, en hij moet lachen, hij denkt dat ik nooit zo'n trein gezien heb, maar ik zeg dat ik ze nog helder kan herinneren, 's avonds in het Kempense dorp, met de witte stoompluim boven de appelaars van mijn grootvader.

Erpe-Mere, nabij de Magerstraat. De toegangsweg naar het hooiveld van Jozef De Pauw. © Jan Hertoghs

Erpe-Mere, nabij de Magerstraat. De toegangsweg naar het hooiveld van Jozef De Pauw. © Jan Hertoghs

De tijd staat niet stil, zegt hij. Het kan twintig jaar geleden zijn, of dertig jaar, hij was hier met zijn vrouw en twee dochters in het witloof aan het werken en toen zagen ze ineens dat vrouwmens van in de veertig komen aanstappen met de velo aan de hand, "en ik zag ineens van links de trein komen, maar dat menske zag niks, die had de kop naar beneden, die had daarvoor een douw gehad, hare man had haar laten zitten, die was helemaal in gedachten, en ik roep heel hard, en die machinist blaast maar, en remt maar, remt maar, en van dat remmen en piepen schiet ze ineens toch wakker en kan ze zich nog juist achteruit trekken, juist op tijd, ze was anders dood geweest! En tweehonderd meter verder is die trein gestopt, de garde eruit, die moest natuurlijk een verklaring hebben. Maar dat menske deed dat niet express, die was wreed ongelukkig, die zat in haar somberte, maar zo zoudt ge dood zijn voor dat ge het weet."
Omdat hij zo ambachtelijk staat te leunen op zijn hark, vraag ik of ik een foto mag nemen, en dat ik ze op zal sturen. Het mag, zegt hij, en dat er van Jozef De Pauw nog niet veel foto's gemaakt zijn. En ook, "of hij die foto dan moet betalen misschien?"

Volk van Brussel
Bambrugge, zo wonder kan een dorp heten. En een eind bezijden de Kwalestraat ligt zijn onbewaakte overweg. De weg is eerst een dubbel karrenspoor en wordt dan een dun zandpad tussen de meidoorn- en de beukenhagen. De canada's ritselen dat het nog lang warm blijft, de bramen rijpen in de struiken en in de wei staat nog een ouwe handpomp, ik ben zeker dat de zwengel knarst en piept. Ik zal het nog vaak merken, door die overwegen kom ik op plaatsen waar de tijd op een zijspoor is gaan staan. 

Een smalle veldweg leidt naar een verscholen overweg in Bambrugge. © Jan Hertoghs

Een smalle veldweg leidt naar een verscholen overweg in Bambrugge. © Jan Hertoghs

Ook in Bambrugge-dorp is het stil. Om half acht sjilpen de mussen in de straten en op het ijzeren bankje bij het perron zitten drie vrouwen. De armen gekruist, de blote voeten rustend op hun sloefen en sandalen. Zo bewaken ze de stopplaats en de overweg, zo bewaken ze het dorp, en zo schouwen ze alle passanten. Ik zeg dat ik van bij de onbewaakte overweg kom. Die diende vroeger voor de boeren, zeggen ze, daar kondt ge toen met een paard en een schone kar hooi over geraken, maar nu is het een smal wegske geworden, nu kunt ge d'r alleen nog over met uw hond of een crossfiets. Vroeger waren het hier allemaal boerenmensen, het ene huis na het andere, en nu is er in heel Bambrugge nog één boer, nog éne!
Ik vraag of er veel treinen komen op een dag. En dan beginnen ze alle treinen van een dag op te sommen. Die van kwart voor zes, dat is den eersten, dan nog een paar van 's morgens, dan die ene van de noene, en dan die van de schoolkinderen om half vijf, en dan nog een paar voor het volk dat van Brussel komt, en dan de laatste trein, die is nu al gepasseerd, die was om zeven uur.
En zo moet ik dus tellen, negen treinen naar Aalst en negen naar Burst, en allemaal omnibussen. En 's middags zit er vaak niemand op de trein, of af en toe éne mens, ne meinsch die naar Oilsjt moet. "Tja, wié rijdt er nog met de treinsch tegenwoordig? De mensen hebben allemaal hun auto! En er rijden ook bussen, zovéél bussen in deze tijd! Dan staan wij soms in de hof te werken, mijn man en ik, en dan zien we de trein en niemand erop, en dan zeggen we dat soms tegen onze zoon: daarstraks was hier weer een trein waar ze allemaal plat op de grond lagen! Dat is voor te lachen hé dat ge dat zo vertelt. De zoon zegt dat de lijn gaat blijven, ze is van groot belang voor het Belgische leger, zegt hij, en hij kan het weten, want hij werkt bij de ijzeren weg." 

Ruitjes-ongevallen

In de jaren zestig waren er nog een paar duizend onbewaakte overwegen in België, nu zijn het er nog welgeteld 298. En hoewel onbewaakte overwegen veel minder ongevallen kennen dan de bewaakte overwegen waar méér verkeer is, toch was ik benieuwd of zich daar ooit zware botsingen hebben voorgedaan. Bij de NMBS bleken ze aparte cijfers bij te houden voor de overwegen van vierde categorie; ik hoefde maar naar hun archief in Brussel te komen en dan kon ik zelf opzoekingen doen in de registers. 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

De bundels lagen klaar, vanaf 1953, met linnen ruggen en ruitjesschriften en het etiket Passages à Niveau, Gelijkgrondse Kruising, dat waren vroeger de geijkte termen voor de overweg. De tijd heeft de bladzijden vergeeld, maar toch is goed te zien hoe minutieus ze zijn opgesteld. Met een verdeling tussen Bewaakt en Onbewaakt, Halve Barelen, Hele Barelen, of Geen Barelen. Elke bladzijde is een maatwerk van kaarsrechte kolommen die met de liniaal en met Oost-Indische inkt getrokken zijn. En elk ongeval heeft uiteraard zijn dossiernummer, zijn datum en locatie, en ook zijn oorzaak. In negentig procent van de gevallen is dat Onoplettendheid of Onvoorzichtigheid van de Weggebruiker wat dan zeer oplettend en zorgvuldig staat ingeschreven.
Eén kolom geeft ook aan waartegen de trein zoal gebotst kon zijn, en elk cijfer is dan een obstakel. 3 is een gespan. 4 een kar of kruiwagen. 5 moteur, motocyclette of vélomoteur 6 fiets of driewieler 7 voetganger 8 dier, en 9 allerlei (waaronder: SCHIP, VLIEGTUIG ETCETERA). De slachtoffers kennen drie groepen: Tués, Blessés en Légèrement Blessés.
Ik blader door de schriften, strakke ruitjes vol ongevallen, doden en gekwetsten. Jaar na jaar schuiven kalenderdagen van leed voorbij in een lange litanie van locaties: Bouwel, De Pinte, Poix-Saint-Hubert, Cierreux, Grimbergen, Libramont, Munsterbilzen. En dan telkens het cijfer van de Victimes omcirkeld, soms met blauw, soms met een rood kleurpotlood.
In een jaarverslag heb ik intussen gelezen dat 1972 een desastreus jaar is geweest en dat vind ik in die kaft ook terug, met op 7 juni een ongeval in Rotselaar, fél omcirkeld: acht doden en tien gewonden. Heel waarschijnlijk is dit het zwaarste ongeval ooit aan een overweg van 4de categorie. De "stille overwegen" waren toen nog talrijk in België: in 1972 waren er nog 2489.

Rotselaar.  Het monument voor de acht Italiaanse slachtoffers. © Stephan Vanfleteren

Rotselaar. Het monument voor de acht Italiaanse slachtoffers. © Stephan Vanfleteren

Nooit zullen we hen vergeten
Het dossier van Rotselaar draagt het nummer H6009/72 en de bediende brengt een kaft met krantenknipsels en een rapport vol technische gegevens. Aard van het Ongeval: aanrijding van een mini-autobus door de diesellokomotief van reizigerstrein N° 3527. Plaats van het Ongeval: onbewaakte overweg n° 124 gelegen aan afstandspunt 100.905 van de lijn 35 Hasselt-Leuven. En dan nog meer details: "Lokomotief kwam tot stilstand op ca. 272 meter voorbij de overweg." "De remmen van de locomotief waren in orde." "Trein was samengesteld uit 7 rijtuigen. Totale lengte: 185 meter. Normaal uur van doorrit: 17u05. Aantal Reizigers: 112." En voorts dat het "op het ogenblik der feiten klaar weder was met een goede zichtbaarheid". Ook dat de betrokken bestelwagen van het werk Mercedes was en dat de inzittenden verzekerd waren tegen arbeidsongevallen. Met dan de acht namen van degenen "die op de slag gedood werden". Het zijn Italiaanse namen van mannen tussen de 33 en de 51 jaar, allen wonen ze in Genk.
Bijna zevenendertig jaar later sta ik op dezelfde plek. Het is geen helder weer, het is betrokken. De zanderige Spoorwegstraat van toen steekt het spoor niet meer over, maar loopt dood op de afsluiting van de spoorlijn. En geheel onverwacht, in de graskant staat een arduinen steen met daarin gegraveerd de namen van de acht slachtoffers en de Italiaanse tekst: Zij Vonden De Dood Op de Terugweg Van Hun Werk. Ze Blijven Altijd Samen In De Vrede Van De Heer. - Altijd Zullen we Hen Liefhebben. Nooit Zullen We Hen Vergeten. Er liggen ook roosjes in een glazen kader die met de jaren in drie stukken is gebarsten. En intussen suizen de treinen voorbij, soms wel twee op drie minuten. Het is nog altijd druk op die lijn Hasselt-Leuven.

(Bron: Archief NMBS)

(Bron: Archief NMBS)

Jack-Op
Twee huizen staan er nog aan de Spoorwegstraat. In het ene is niemand thuis, in het andere weten ze van het ongeval en van de steen, maar toen het gebeurde, woonden ze hier nog niet. De man vertelt dat hij hier 's avonds "jonge gasten met fietsen en brommerkes" langs het spoor ziet. Ze keren nooit terug, dus hij veronderstelt dat ze op die plek nog altijd over de sporen kruipen: "Alsof het leven nog niet gevaarlijk genoeg is, meneer!"
In het verslag van de NMBS is ook sprake van een getuige, een brouwersgast die daar met zijn "bierauto" stond. Na wat telefoontjes kan ik hem opsporen, hij "houdt nu café in Rotselaar-Heikant".
Ik kom in een interieur met stamgasten en oude bierreclames en de patron zegt dat het lang geleden is en dat hij zich nog weinig herinnert. Ja, hij is opzij gaan staan om hun camionette door te laten, de weg was daar te smal, en hij reed toen voor Jack-Op, "die brouwerij, die bestaat niet meer". Die botsing, dat was een bliksemslag, de mensen vlogen naar alle kanten. Allemaal Italianen, allemaal gastarbeiders, ze werkten aan de leidingen van Distrigas (hun werf was maar op 200 meter van het ongeval,jh). Hij is nog naar een huis gelopen om daar de hulpdiensten te bellen, maar verder weet hij niks meer.
Het café komt nog met andere voorvallen. Dat de overwegen nu overal bewaakt zijn, maar dat de mensen niet voorzichtiger, maar wel roekelozer worden. Zes jaar geleden! Hier in Rotselaar! Twee meisjes van de middelbare school! Ze spijbelen en ze gaan zich wat amuseren aan de bewaakte overweg. Op het spoor staan en op het laatste ogenblik wegspringen. Eéntje is gepàkt door de trein en ze is erin gebleven, amper dertien jaar! Ik hoef maar te knikken. De ene deernis sluit de andere tragedie niet uit. Un train peut en cacher un autre.


Het laatste ruitje
In het NMBS-rapport staat de naam van de treinbestuurder die toen vijfentwintig was. Ik wil hem niet opbellen, en sta op een avond bij zijn huis in het Hageland. Ik had een afwerend gebaar verwacht, maar Rik Swartenbroeckx lijkt haast opgelucht dat hij zijn relaas kan doen.  
"Ik was een jonge machinist, en reed nog maar een half jaar alleen toen het gebeurde. Ik kwam van Hasselt en ik reed naar Leuven, tegen zo'n 90 per uur. En ineens zie ik daar op die zandweg een camionette naderen, tegen geen twintig per uur, zo traag reden ze naar die overweg. Ik heb geclaxonneerd en de noodremming ingezet en hadden ze toen direct geremd, dan had ik niet eens hun voorste schokbreker geraakt, maar die bestuurder heeft gas gegeven om over de rails te geraken. Ik zie nog altijd die ene man die achteraan in dat busje zat, aan het laatste ruitje keek hij over zijn arm naar de trein, ik keek naar hem, ik hoopte dat zijn gezicht voorbij zou gaan, want dan waren ze allemaal voorbij. Twee seconden heb ik dat gezicht gezien. Dat is een minuscule flits in uw leven, dat is iets van niks, maar was ik een tekenaar, dan zou ik dat gezicht nù nog op papier kunnen zetten. Haarfijn, en tot in de kleinste details. Dat gezicht zit in mijn hersenen gebrand. Dat zal ik nooit van mijn leven vergeten.
En toen kwam die doffe slag, één ton tegen bijna vierhonderd ton. En driehonderd meter verder stond ik stil. Ik keek buiten en het achterste van die camionette met nog enkele zitbanken hing op de kop van mijn locomotief. 't Was een ravage, overal stukken van mensen, overal stukken van dat voertuig.
Onze taak is dan niet eerste hulp toedienen aan de gewonden. Waarop wij getraind zijn en waaraan wij éérst moeten denken is de veiligheid van onze trein en van onze passagiers. Ik ben gaan telefoneren bij de bareelwachtster aan de naaste overweg en dan ben ik de sporen gaan "afdekken". Op duizend meter voor de trein zet ge een rode vlag, een fakkel en voetzoekers zodat tegemoetkomende treinen tijdig het gevaar kunnen zien en nog kunnen stoppen. En daarop hoor ik ineens een gerucht langs dat spoor, dat waren àl mijn passagiers, met hun boekentassen, handtassen en valieskes, met tientallen sprongen ze van de hoge trede van die trein en allemaal liepen ze, weg van het onheil, en naar de grote steenweg toe.
Ik moest ook de andere kant van de trein gaan 'afdekken' en de eerste dode die daar lag, was die ene man van dat laatste vensterke.
Wat ik ook niet vergeet, was dat hondje. Die Italianen hadden een hondje bij, zo'n foxke met witte en zwarte vlekken, en dat beestje liep daar maar, van de doden naar de zwaargewonden, en maar over en weer.
Geen tien minuten later stond het vol politie, rijkswacht en ambulances. De gewonden brachten ze weg, de ledematen van de doden hebben ze verzameld en in doodskisten gelegd, en tegen de avond is mijn trein dan naar Leuven gesleept.
Ik kreeg acht dagen verlof en in die week ben ik elke nacht wakker geworden, nat van het zweet. Altijd weer zag ik dat gezicht. Ik heb ook de begrafenis willen bijwonen, iets van troost willen bieden aan die families, maar dat mocht niet van de NMBS, dat zou "slecht zijn voor mijn gemoed".

Piëta
Na die acht dagen moest ik volgens mijn dienstrooster een heel ander traject doen, maar van mijn baas moést ik die eerste werkdag opnieuw dat traject Hasselt-Leuven doen. Nu hebben ze daarvoor begeleiders, maar ik moest heel alleen die trein weer op. Toen ik in Leuven aankwam, had ik een kwartier vertraging, zo vaak had ik geremd omdat ik meende iets op de spoorbaan te zien. In NMBS-termen is een kwartier een gruwelijke retard, maar ze hebben geen woord gezegd. Na twee dagen was ik het door en met de jaren heb ik dat ongeval toch uit mijn hoofd kunnen zetten."
Eigenlijk heeft hij veel meer afgezien van een ongeval aan een bewaakte overweg: daar kon het ongeval vermeden worden en toch gebeurde het. "Een jong manneke rijdt met zijn brommer tegen de slagboom, die knapt af, die knaap slipt, zijn bromfiets valt tussen de rails en terwijl ik mijn noodremming inzet en claxonneer, blijft die jong aan zijn brommer sleuren. Waarschijnlijk was die pas gekocht of was hij daar zeer aan gehecht, want hij wou dat ding absoluut weg trekken. En zo werd hij toch nog geraakt door de zijkant van de locomotief, ik stond bijna stil en toch pàkte ik hem nog. Zijn hand was eraf en ook zijn gezicht was helemaal weg, hij was gelijk in coma, denk ik".
Dat het zo'n jong manneke was, daarvan had hij afgezien omdat hij toen zelf kinderen had. En wat hij evenmin kan vergeten, is de koolputter die daar met de bromfiets arriveerde en die zegde dat iedereen moest zwijgen "want dat zo'n mens in de coma nog altijd kan horen!"
En toen had hij die zwaargekwetste jongen op zijn schoot genomen en hem zachtjes troostend beginnen wiegen.
Als moeder en kind. Als een piëta.

Nog bijna dertig jaar heeft hij dat traject Hasselt-Leuven gereden en nog een paar duizend keren is hij voorbij die plek in Rotselaar, en later voorbij dat monument gekomen, "één keer was er een herdenkingsdienst bezig, dat kon ik zien vanuit m'n stuurpost". En hoe hij nog lang gepiekerd heeft waarom ze toch zo traag reden: "Ik had de indruk dat die arbeiders afgeleid waren, dat ze naar iets luisterden, de koers op de radio of zo. Dat is een gedachte die me nooit heeft losgelaten." 7 juni 1972 viel midden in de Ronde van Italië, een Giro die later door Eddy Merckx gewonnen werd. De rit van die dag was een bergrit  van Parabiago naar Livigno (256 km) en werd door Merckx zelf gewonnen voor de Spanjaard Galdos en de Italiaan Marcello Bergamo die nog redelijk lang kon aanklampen. Het is geen verklaring. Het is alleen maar gissen naar het noodlot, il fato, il destino.

“Terugkomend van hun werk vonden zij hier de dood. “ Opschrift op het monument in Rotselaar © Jan Hertoghs

“Terugkomend van hun werk vonden zij hier de dood. “ Opschrift op het monument in Rotselaar © Jan Hertoghs

Vlaamse Arden   
Eind september. Fazanten buigen de nek naar de grond als ze ijlings weglopen voor de auto. In Sint-Martens-Lierde zou onbewaakte overweg nummer 58 moeten zijn op de lijn 122 (Geraardsbergen-Gent), maar hij is niet meer. Ge had twee jaar eerder moeten komen, zegt de buurman, de lijn is vernieuwd en toen hebben ze die overweg opgeheven. Maar als ge verderop afslaat aan de Bloemmolens, dan is daar een pad naar beneden en dààr is nog een onbewaakt exemplaar. Ik vind het pad, het stort zich inderdaad van de top van een Vlaamse Arden steil naar beneden, recht op de overweg, de spoorweg en de gevarendriehoek. Dat alle ministeries van Verkeer in Europa nog altijd zo'n locomotief met stoomwolk gebruiken om aan te geven dat er een onbewaakte overweg is, dat waardeer ik. Vroeger zou ik gezegd hebben: het is zo'n trein zoals kinderen hem tekenen. Maar tekenen kinderen nog locomotieven met een pak zwarte smoor uit de schouw?  
In het aanpalende Sint-Maria-Lierde is het oude seinhuis nog bewoond, de gele dahlia's hangen over het hek, de appels zitten dik en rood in de bomen, maar dat hier ergens een onbewaakte overweg zou zijn, daar weten de bewoners niets van. We zijn hier pas komen wonen, meneer, en we moeten nog veel verbouwen.
De overweg ligt amper tweehonderd meter van hun huis. Een boerenzandweg en ook nog het andrieskruis, maar de verharde overgang tussen de rails is weg. De passage is opgeheven en er is niemand om wat te vragen. We zullen nooit weten welk het nut was van overweg 122/63. Hoe vaak een boer hier is overgestoken. En of de reizigers in de trein ooit oog voor die overweg hebben gehad. Zou daar iets van kunnen achterblijven? Van een blik in de velden, van een oogwenk in de spoorkant?

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Louise-Marie
Lijn 86 loopt van Oudenaarde naar Gent, en in Ronse is nog een onbewaakte overweg midden in de stad. Het is de Lindestraat, ze maakt een trechter, en na een ijzeren beugel die onvoorzichtigen moet afremmen, passeer je één van de zeer weinige onbewaakte overwegen binnen een stad gelegen. In alle agglomeraties loopt zo'n straatje dood op de spoorlijn, hier gaat het als vanouds over de rails. Een buurvrouw hangt al meteen ongerust door het raam vanwege mijn bic en papieren! "Gij komt dat hier toch niet afschaffen? Want dan gaan veel mensen kwaad zijn!"  
Ronse is niet groot. Twee kilometer ervandaan sta ik al bij straatnaamborden met namen als Muziekbos en Maneschijn. Een eindje kan ik nog autorijden, dan wordt de weg te smal tussen de varens en de beukenbomen. Er komt een beek uit een bron, er is een stenen waterput, en struikrovers kunnen hier zeker werk vinden, zo diep en donker is dit bos.
De overweg is een lichtinval. Twee buizerds cirkelen in de lucht, een zilveren vliegtuig vliegt nog hoger. De spoorlijn loopt in een bocht langs koeien en veel te grote weipalen: het zijn oude biels die de boer in de grond heeft geslagen. Ooit droegen ze de trein, nu moeten ze vee dulden dat z'n vel staat te schurken.
Onderweg langs lijn 86 zie ik een wegwijzer naar Louise-Marie. Het dorp heeft een afgelegen stopplaats waar ik jàren geleden ben afgestapt. Ik wil ernaartoe, maar bijna niemand weet zich de plek nog te herinneren omdat alles zo heraangelegd en onherkenbaar is geworden. In 1984 maakte ik een serie over kleine stopplaatsen die afgeschaft gingen worden. Louise-Marie had toen nog een stopplaats en een perron vlakbij de enige 'bergtunnel' in Vlaanderen, die van de Muziekberg: 422 meter lang. Kortbij woonde Roger Santens, jaren piocher geweest. In de winter bestond zijn bijzondere taak erin om met een staaf de ijspegels stuk te kappen die aan de gewelven van de tunnel hingen. "Er waren kastaars bij van twee- en driehonderd kilo! Maar ook de grond was één klomp ijs, ik viel, ik gleed, de wanden waren van ijs.  Beestig werk. Eén keer was zo'n pegel tot op de grond gegroeid. Dat was een boom van wel duizend, tweeduizend kilo. Die heb ik met mijn houweel omgehakt en toen viel die knots nog op de sporen ook. Dat heeft me een uur gekost om alles stuk te hakken. Gelukkig zijn er nooit ongevallen gebeurd."
Louise-Marie. Perrons met zo'n naam zouden ze moeten bewaren.

Waarom hier in Heurne?   
In Nukerke zijn er holle wegen en werpt de zon lange schaduwen op het gras. De kinderen spelen er woensdagje en de hond blaft tegen de draad waar de schapen plukken wol hebben achtergelaten. De overweg is er voor de bieten, zegt het boerenkind beschroomd, en onze ouders zijn gaan werken.
Het loopt naar de avond, lijn 86 loopt ook verder, en één overweg wil ik nog zien: Heurne-Axelwalle. Als ik er ben, komt net een trein voorbij. In z'n ramen weerkaatsen de wolken en de weg. En daarna is het weer stil aan de voet van het roodwitte kruis. 
Honderdvijftig meter verder loopt hetzelfde spoor over een bewaakte overweg. Vlakbij is een oude boerderij met een mestpacht en met groengeverfde deuren. Eerst komt ze alleen maar op de drempel staan, dan zal Adela de tijd nemen, de handen op de rug leggen en leunen tegen de gevelmuur. En dat er aan die onbewaakte overweg niet zoveel gebeurt: "D'r komen wandelaars en fietsers en ruiters." En dat ge moet oppassen met paarden, zeker als ge beginner zijt, een ruiter met zijn eerste broekske aan. Want soms weigeren die dieren over het spoor te gaan. Ze betrouwen dat niet, die staven die glinsteren in de zon. "We hebben dat vorig jaar nog gezien. Geen poot erover. En afstappen en aan de leidsels trekken, en niet willen bougeren hé!" Iemand van de buurt zag het en die vrouw had ervaring met paarden. Ze steeg zelf in het zadel, nam driehonderd meter aanloop, en ging dan in volle galop over de sporen, en nog eens, en nog eens, "en toen kreeg die jonge ruiter zijn beest terug en toen wilde dat dier ineens wél luisteren."
Ooit is een madame met haar auto geslipt op het slijk van de overweg en zijlings gekanteld in de greppel. Ze ging verderop bellen en intussen kwam de trein en die had haar auto geschramd, zo heel heel rakelings, "alleen de lak was eraf".  Dan moogt ge van geluk spreken.

De stille overweg van Heurne-Akselwalle.

De stille overweg van Heurne-Akselwalle.

Er ritselt een muisje langs de gevel, ze kijkt het na. En ze vertelt van vijfentwintig of wel dertig jaar geleden, toen zich hier een jongen verdaan heeft, "een jonge student uit Gent. Het was rond deze tijd, eind september, begin oktober, bij 't uitdoen van de patatten. En ineens zien we de trein stilstaan, niet ver van de onbewaakte overweg, en allemaal volk errond. En dan de ziekenwagen. En dan de politie die hier kwam bellen naar het parket. Want in die tijd was er nog geen gsm. En 't moet erg geweest zijn. Mijn man is ook gaan zien. Die jongen had zich gebukt in het spoor, die was met zijn rug naar dat machien gaan staan, dat was zo'n grote groene diesel met gele strepen, daar zit een haak vooraan, en die haak had hem opgeschept bij zijn broeksriem, en hij was voorover blijven hangen en had een paar honderd meter met zijn hoofd toektoektoek die biels geraakt tot de trein gestopt was. Van zijn schedel was niks meer over, maar aan zijn gezicht was helemaal niks te zien, dat was nog heel gebleven."
Ze kijkt me aan alsof dat toch nog één goed ding was, dat gave gezicht. En later zijn z'n ouders hier nog op bezoek geweest, en die hebben het verteld: "Hij had tweede zit en was er weer niet door en hij had dan ruzie gekregen met zijn verloofde, 't was af geraakt en toen had hij het gedaan. Zijn fiets genomen, en helemaal van Gent naar hier gekomen." En dat die jonge student van de Limburg was. Ja, zegt ze, waarom zou iemand van zo ver hier in Heurne willen sterven hebben? Dat vindt ze nog het vreemdste.  
Het is intussen koud geworden bij het huis en de fruitbomen. En ik weet evenmin waarom hij tot hier gekomen is. Het moet in elk geval een lange tocht geweest zijn, die vijfentwintig kilometer beslissen van Gent naar hier.

Ik rij nog eens langs de overweg. De plek is eenzamer dan daarstraks. En dat hier een leven een einde heeft genomen en dat iemand dat landschap misschien nog één keer in zich heeft opgenomen voor dat geraas hem uit dat leven zou verwijderen.
Ik heb zelf een vriend gehad die voor die ijzeren uitweg gekozen heeft.

DEEL 2: HET RECHT OP “EEUWIGE OVERGANG”

DSC01716b.JPG
Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Experimenteel reizen in eigen land (4): met een gocart de grens over

© Stephan Peleman

© Stephan Peleman

De pedaalridders: twee man en een paardenkop bij 5 Beaufort

Humo 24/7/07 licht herwerkt , uit de serie “Buitengewone Dagtrips” © Jan Hertoghs

Lees hier deel 1: rugzaktoerist in eigen stad
Lees hier deel 2: de pionier van de maffe reisformules
Lees hier deel 3: in volle zomer liften met een slee

Ons experiment van vandaag valt onder de noemer Slow Travel: reizen met een traag en ongewoon vervoermiddel. In de Lonely Planet for Experimental Travel (van de pionier Joël Henry) is sprake van ongewone verplaatsingen per tractor en per draagstoel, maar wij nemen patent op een zeer Belgisch vervoermiddel: de gocart van de kust aka de cuissetax. Daarmee zullen we ons naar het buitenland begeven, de grens over. Wat allicht nooit eerder gedaan is met zo'n dijkvoertuig.
Ik surf naar een paar fietsverhuurcentra aan de kust en zo opent zich de wonderlijke wereld van alles wat met per pedaal wordt aangedreven. Eenden, bijen, schildpadden, locomotieven, tanks, takelwagens, ideaal voor de kleine voetafdruk. Het gamma voor de volwassenen is beperkt, maar ik weet nu al: als ik een kar met een paardenkop zie, dan neem ik die!  
Een co-trapper is snel gevonden. Ik bel naar Dieter Coppens (29) die samen met zijn neef Mathias Coppens te zien was in de geweldige lift-avonturenserie The Road Ahead (TMF, 2002) en De Poolreizigers (Kanaal 2, 2003). Dat ik Coppens vraag is niet alleen vanwege zijn bekwaamheid op het gebied van de plantrekkerij maar vooral vanwege zijn fenomenale traptechniek.
Dieter is gelijk enthousiast: "Man! Dat is altijd mijn droom geweest om met zo'n gocart op reis te gaan! Ik wil daarmee zelfs naar Afrika! Hoelang blijven we weg? Een week?" Ik zeg dat het voor één dag is. Ook goed natuurlijk.
Een week later overleggen we over de "inkleding" van onze kar. Dieter wil iets "als de cabine van een vrachtwagen". Dus met onze voornamen JAN en DIETER "op een nummerplaat achter de voorruit". En nog op die voorruit zo'n omkaderend lint met de vlaggetjes van Europa en uiteraard ook "zo'n dikke bekerhouder voor de koffie". Ik pleit voor een sobere aanpak. Als we die kar met teveel fransjes optuigen, dan gaan de mensen denken: het is ludiek, het zijn grapjassen, laat die maar gerust. Als we het sober houden, dan gaan ze misschien denken: "die twee zijn de weg kwijt", dat gaat betere gespreksstof opleveren. 
Ik kijk alvast ook mijn internationale reisbijstand na of we  vanuit een ander land kunnen teruggesleept worden naar België, maar er is nergens sprake van de verzekering van een huurvoertuig.

De aangekruiste dag in onze agenda is vrijdag 6 juli, de eerste droge dag temidden van een aanhoudende natte periode, maar toch met één nadeel: een wind van vier Beaufort. Twee dagen voor het vertrek is die verwachting aan de kust al opgelopen tot zés Beaufort. Die windkracht staat in een weerboek aangegeven als krachtige wind: 39 tot 51 km per uur, dit betekent: kleine en grote takken bewegen, wind fluit in de draden, zeegolven drie meter hoog. Dat klinkt niet bepaald als een briesje.
Wat de fysieke conditie betreft. Ik doe geen sport, ik doe alleen wat dagelijkse verplaatsingen met de fiets en de eerste en de laatste keer dat ik op de zeedijk in zo'n Harley Trapson heb gezeten, was vijftien jaar geleden. Toen was het voor een half uur. Nu gaat het een hele dag zijn.

© Stephan Peleman

© Stephan Peleman

Bijt maar op uw tanden!
Het radioweerbericht is niet mals. Aan zee kan de westen-tot-zuidwesten wind "hard waaien met pieken tot 70 km per uur". Enige troost: het blijft wél droog met temperaturen tot negentien graden. Langs de snelweg tussen Jabbeke en De Panne beweegt àlles: de bomen zwiepen met hun takken, de meeuwen scheren met een rotvaart wind-mee en zelfs de auto ondervindt hinder van de windstoten. Als zo'n wagen van meer dan duizend kilo al impact ondervindt, wat gaat het dan worden met zo'n speelgoedkar op dunne wielen?!        
Tussen de huizen en de straten van De Panne is de wind nog luw, maar als we op de zeedijk komen stuift het zand in sluiers over de promenade. Er zijn maar een paar vakantiegangers te zien die even naar de woeste zee komen kijken en dan weer beschutting zoeken in de zijstraten. Terwijl het zand ons in de oren suist, stappen we binnen in het fietsverhuurbedrijf met de geheel toepasselijke naam Arizona. Er zijn geen andere klanten.
De karren "voor de groten" staan uitgestald op het strand. We vallen onmiddellijk op een driezit met een groot paard, maar omdat we het ding bijna niet uit het zand gemanoeuvreerd krijgen, lijkt het ons te log voor de tocht. De jobstudent verzekert ons echter dat het "één van de lichtste" is om te trappen. We twijfelen en vragen een proefrit, honderd meter tegen de wind in. We zetten de voeten op de trappers, het paard schokt vooruit in de bulderende wind en allebei schieten we in een onbedaarlijke lach, riders on the storm! Dit moet toch lukken!? Zeker met dit mooie paard, met zijn glanzend witte flanken, zijn wapperende gele manen en zijn wilde zwarte oogbollen, één en al drift en temperament!
We willen de eigenaar vooraf niet veel vertellen, niks over een hele dag weg zijn en niks over Frankrijk, maar omdat het raar is dat we ons met dit weer absoluut op de weg willen wagen, geven we toch enige verklaring, iets over "wat rijden, wat foto's maken en mogelijk een halve dag weg zijn."
De man van Arizona zegt dat het goed is, maar of wij wel weten waaraan we beginnen? En met toegeknepen ogen naar de zee: "Nu is de wind nog te doen omdat het afnemende tij is. Maar deze namiddag, met de vloed, zal het hàrder gaan waaien." We knikken dat we het aankunnen. "Ja, afzien is goed voor een mens!", knikt hij, "bijt maar op uw tanden! Als ge ze tenminste op elkaar kunt houden met die wind!" En dan klappert hij grijnzend met zijn gebit. In films heb je àltijd van die bemoedigende figuren bij het begin van een avontuur.

Zeer zwakke weggebruikers hebben voorrang in De Panne. © Stephan Peleman

Zeer zwakke weggebruikers hebben voorrang in De Panne. © Stephan Peleman

Uitzonderlijk transport
We rijden tweehonderd meter op de dijk. Passanten lopen met gebogen hoofd voor ons uit, hun hand half voor hun ogen. Uit de andere richting - wind mee- komen kinderen op hun step, die komen aangevlógen.
Achter de hoek pimpen we de kar op voor de lange trip. Kussens op de harde zitjes, een achteruitkijkspiegel voor de veiligheid, en achteraan een oranje plakkaat Uitzonderlijk Transport - Convoi Exceptionnel. In de 'zadeltas' op de rug van het paard komen regenzeilen, snelbinders en ducktape voor mogelijke reparaties. Op het zitje tussen ons is plaats voor kompas, wegenkaarten, appelen, water, chocola en druivensuiker. Ik zuig op een suikertablet, het zand knarst al tussen de tanden.

Start! We schuiven onze kar meteen tussen het autoverkeer op de hoofdstraat. En lachen natuurlijk, en met de fietsbel rinkelen, en naar de mensen wuiven, allo! goeiemorgen! bonjour! Dat krijg je als grote mannen zich als klein mannen gaan gedragen.
Dieter is de stuurman, maar hij moet nog wennen aan het stuur, een éénarmige stang die uiterst gevoelig reageert. Het voorwiel zwenkt onmiddellijk in een haakse bocht bij te hard sturen, ik moet me dan uit alle macht vastklampen om niet van de kar te tuimelen. Een passerend gezin ziet ons over straat laveren en één van de kinderen moet vreselijk hard lachen, te hard om nog sympathiek te zijn.
We slaan een zijweg in en komen in rustiger straten met riante villa's. Vijfhonderd meter hebben we gereden en er zit al een slag in mijn rechterpedaal. De trapper zit wat los én ook niet haaks op de pedaalarm waardoor hij bij elke trap tegen het metalen frame knikt en knarst.
Wat nu ook hevig tot ons doordringt: de versnelling van zo'n gocart is een héél kleine versnelling. Dieter ziet een gelijkenis met de waterfiets, "dat is ook trappen-trappen-trappen en amper vooruit geraken". Dat iemand die "doortrapt" synoniem is voor iemand die "zot" is, begrijpen we nu beter.

Wuiven en terwijl ook de bestuurder verwittigen dat de zijdeur van zijn gocart open staat. © Stephan Peleman

Wuiven en terwijl ook de bestuurder verwittigen dat de zijdeur van zijn gocart open staat. © Stephan Peleman

La douce France

We zijn nog maar een kilometer weg van de zeedijk en nu al hebben we veel bekijks; vooral van automobilisten die ons inhalen: hun verstoorde blik spreekt interessante boekdelen. We laten de processie achter ons niet te lang aangroeien, acht auto's is de norm en dan gaan we in de kant staan. Soms wuiven ze aanmoedigend, soms claxonneren ze ongeduldig zoals die ene Volvo die ons zonder pardon in de kant dwingt. Hij heeft natuurlijk een pak PK's onder zijn gat zitten tegenover die ene horse power van ons.
De fotograaf die een half uur in ons spoor heeft gehangen, heeft onze snelheid gemeten: het blijkt dat we toch tien à twaalf per uur halen tegen de wind in.
Aan Manège't Peerd worden we aangesproken door een kwieke Franse voetganger in korte broek. Où allez-vous? La France? Olalala! Bonne idée! C'est pas loin! 
Kort voor de middag bereiken we de grens; en het liefst hadden we een slagboom en een norse beambte gezien (Rien à déclarer? Un cheval, monsieur!), maar sinds het Verenigde Europa moeten we content zijn met het blauwe bord en de gele sterren. Het oude tolkantoor is nu zelfs een pralinewinkel van Leonidas.

Voor het vertrek bandenspanning controleren en  gezonde zeelucht bijpompen. © Stephan Peleman

Voor het vertrek bandenspanning controleren en gezonde zeelucht bijpompen. © Stephan Peleman

Bray-Dunes is het eerste Franse dorp en bij elke fleurige bloempot of tropische plant in de voortuin, verzuchten we: ah la France! la douce France! en intussen waait het stof in onze oogkassen.
Bij een kleine bakker die zijn etalage heeft ingericht met een namaakvuurtoren, namaakvisnet, namaakgarnalen en namaakzeesterren kopen we twee koffiekoeken. Een Franse mens met zijn baguette onder de arm vraagt waar we vandaan komen: van Antwerpen? Toch niet helemaal te paard, zeker? Hij is geïnteresseerd. Maar talrijker zijn de klanten die ons straal negeren of die ons kort toeknikken met een afgemeten M'sieurs!
Ze moeten van ons niet achterover vallen van verbazing, maar ze moeten ook niet doen alsof hier àltijd een trapfiets én een polyester paard bij de bakker staat.

Wat we volop zien in dit Noord-Frankrijk is kitsch in de tuin, met herten, kabouters en stenen vissen, maar ook pneus fleuris. Men snijdt zo'n autoband in twee, men werkt het profiel aan beide kanten open zodat zich in het midden een korf vormt, men schildert 'm wit en hangt 'm aan de voorgevel met geraniums erin. Een schone recyclagetraditie die in België nog nauwelijks bestaat.
Bray-Dunes heeft het voor ons. Van achter de autovoorruiten worden gebaren gemaakt, allez! allez-y!, en één mevrouw waarschuwt heftig, attention! il y a des gendarmes plus loin! Daar hebben we stiekem op gehoopt, op zo'n opgeheven witte handschoen, messieurs, u weet toch dat dit in Frankrijk ten strengste verboden is, zet uw voertuig maar even aan de kant, vos papiers s' il vous plaît! Maar het zijn douanes, ze staan gebukt over een autokoffer en ze zien ons niet eens passeren.

Net over de grens in Bray-Dunes. Ons stokpaard ziet voor het eerst stokbrood van een Franse bakker. © Stephan Peleman

Net over de grens in Bray-Dunes. Ons stokpaard ziet voor het eerst stokbrood van een Franse bakker. © Stephan Peleman

We zwaaien vanaf nu naar àlle passanten en naar alle kinderen aan het raam. Als wij plezier hebben, dan de anderen ook! Eén vrouw op de fiets kijkt zuur en blijft zo kijken. In haar blik lezen we verongelijkt kiesgedrag en de gedachte "of wij niks beters te doen hebben ?!" Volwassenen op een vrijdagmiddag, die moeten wérken.
Het is ook werken met die zware wind op kop. We rijden nu aan een tempo waarbij we elk detail op en naast de weg langdurig kunnen bekijken: elke brievenbus, elk rioolrooster, elk verkeersbord, elke vuilnisbak, elk stuk stippellijn op het asfalt. 
Wind in de zeilen
In Ghyvelde fluit de wind om de kerktoren en hangen de gemeentelijke bloempotten heen en weer te zwaaien aan hun sierpalen. De reclameborden van café en krantenwinkel liggen om, niemand doet nog moeite om ze wéér eens op te rapen. We houden rust aan het monument van de gesneuvelden en we parkeren ons paard binnen de lijnen van een parkeervak. Het beest zelf is niet te houden, het galoppeert onafgebroken verder, hevig briesend door zijn zwarte wijd opengesperde neusgaten. Het is een schoon beest, dat paard van ons.
Buiten Ghyvelde zien we de weg klimmen, een brug over de snelweg! We rijden misschien zeven per uur en nu krijgen we ook nog een col buiten categorie voor de voeten! Terwijl we traag vorderen, steekt een chauffeur ons voorbij, vuist omhoog voor zijn spiegel, komaan! géven! alles géven! We raken hijgend de brug op, genieten geen seconde van het vergezicht op Duinkerke, maar storten ons gelijk in de afdaling. Dat is lachen-gieren om plots zo hard te gaan, maar onderaan de helling is het al gedaan: met die korte-beentjes-trappers is het onmogelijk om in de afzink snelheid te maken. De zware gocart bolt nog twintig meter uit en dan is het weer aan de twee hamsters om in de tredmolen te stappen. In het voorbijrijden van een camping krijgen we nog goeie raad nageroepen: "Hang een carotte voor zijn snuit, dan raakt ge rapper vooruit!!"   

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

In Uxem is de schatting dat we twintig kilometer hebben gedaan, op drié uur rijden... Bij het café trekken we de handrem op en snoeren die vast met een snelbinder zodat de kar niet kan wegrollen. Het is lastig overeind komen, de benen zijn stram, hoofd en ogen doen pijn van het geraas van de wind. In de Bar Tabac krijgen we een bol soep met brood, die soep komt uit de eigen diepvriezer, speciaal voor "les chevaliers de La Panne". Het is zo'n café waar ze een knijptang komen halen om hun mobylette te herstellen en waar de facteur de post bestelt en elke klant de hand schudt,  Messieurs!  
Na Uxem beginnen we voor het eerst zijwind te krijgen. In de zadeltas zit een nylon poncho tegen de regen en die spannen we rond het lijf van het paard zodat de wind zijdelings in dat 'zeil' kan blazen en we toch enige aandrijving kunnen opwekken. De constructie is afgekeken van de poolexpedities van Dixie Dansercoer!
Onze knol zit driekwart onder zeil, de wind geeft van jetje, maar onze zeilsnelheid is bedroevend traag. Dat is makkelijk vast te stellen via onze mobiele snelheidsmeter: een kever die ons moeiteloos kan bijhouden in de kant van de weg.
Na een bocht pakken we meer wind en net als we denken dat we snelheid maken, schuift het zeil van het paard, rolt onder zijn voorwiel, kruipt in zijn as, en...  einde experiment.

We zetten het poncho-zeil in. De techniek  is afgekeken van poolreiziger Dixie Dansercoer.  © Jan Hertoghs

We zetten het poncho-zeil in. De techniek is afgekeken van poolreiziger Dixie Dansercoer. © Jan Hertoghs

Langzaam verkeer
Het landschap dat zich intussen -ook langzaam- ontplooit is een beloning. Naar alle kanten strekken de korenvelden zich uit en de zon schijnt op de rijpe aren en de wuivende halmen. Op een grote nieuwbouw houden drie dakwerkers zich met moeite staande door de wind, maar toch zwaaien ze met hun vrije hand, allez-y les gars!
We zien stevige panlatten liggen, we vragen of we d'r enkele mogen hebben, jaja, pak maar mee, en die grote elastieken mogen we ook gebruiken.
We sjorren boven elk achterwiel een lat vast, we spannen de poncho ertussen en nu hebben we een fameus rugzeil. Nog tweehonderd meter tot over he kanaal en dan moeten we die felle zuidwester pal in ons gat hebben!   

't Is een fantastische weg langs het Canal de la Basse Colme. Links het water, rechts de verweerde palen met de telefoondraden en daartussen een vlekkeloze asfaltweg. Als we flink trappen en het 'dode punt' van die kar (= 9O kilogram én twee inzittenden) kunnen overwinnen, dan zeilen we vooruit. Met de voeten weg van de pedalen halen we toch zo'n 12 à 15 per uur.
Er wordt nu nog meer gewuifd en geglimlacht bij die combinatie paardenspan & zeilboot, c'est sympa. Tegelijk wordt er ook snel auto gereden. En omdat ons achterzeil ons gezicht én gehoor belemmert, merken we dat achteropkomende verkeer niet altijd op. We zien het wel als ze ons met een nijdige zwaai voorbijsteken. Twaalf per uur rijden op een weg waar 90 is toegelaten en intussen een rijvak innemen, het wordt niet altijd in dank afgenomen.

Ons paard voelt zich hier nochtans thuis tussen de velden en de weiden en de boerenhuizen. Het draaft en draaft en voelt zich bevrijd. Verlost van die enge zeedijk, verlost van die rotkinderen en hun kleverige crème glace in zijn nek!    

Ons paard vlakbij de paardenmolen in Hondschoote. Wederzijds gehinnik van herkenning!     © Jan Hertoghs

Ons paard vlakbij de paardenmolen in Hondschoote. Wederzijds gehinnik van herkenning! © Jan Hertoghs

Paardenmolen
Rond de hoge hoekige kerk van Hondschoote staat de zomerkermis opgesteld die vanavond open gaat. Alles staat hier nog met de zeildoeken omlaag en vanzelfsprekend parkeren we ons paard bij de paardenmolen. Net op dat moment breekt de carillon los in een tuimelend klokkenspel en dat is een schone entree in dit oude stadje.
We drinken koffie op een caféterras, halen chocoladebroodjes bij Au Bon Pain de France en zien met genoegen hoe een papa met kind op de arm naar ons paard staat te kijken. Het kind mag het paard aaien, braaf paard, braaf. En nu we het vanop een afstand zien staan tegen dat donkerrode zeil van die afgedekte paardenmolen, ja, dat doet ons iets. De aanhankelijkheid tussen mens en polyester dier, het is iets bijzonder.
We vertrekken langs kramen en lunaparken, de rups draait al en alle opgeschoten jongens roepen ons na. Voor vijf seconden zijn wij de attractie en niet de meiden op de rollercoaster.
Voorbij Hondschoote hebben we de wind flink in de zeilen en komen we vooruit zonder te trappen. Maar tien per uur is ons te traag. Dat zeil moet bol staan! Dat zeil moet bijna scheuren! En die kar moet zo voortjakkeren dat we ons krampachtig aan stangen en ijzer moeten vasthouden. Het moet hard gaan! Keihard! En die banden moeten van pure vitesse gaan ronken op het asfalt! Dat denken we terwijl we stapvoets vorderen. 

Te voet gesteld
Iets na vijven steken we opnieuw de grens over met België. In Houtem loeien de koeien rond de robuuste kerktoren en vandaar is het nog veertien kilometer naar De Panne. Daar zijn we dus in een goed uurtje, maar dan loopt de weg iets meer naar het noordwesten en zo krijgen we zijwind in plaats van rugwind. Die ommezwaai treft ons in het meest effen deel van de Westhoek, de uitgestrekte platte polders van De Moeren, waar de harde wind zuiver spel heeft op zo'n buizenkar met een zeil achterop. Erger nog, bij elke vijfhonderd meter die we trappen, kruipt die zijwind één graadje meer richting tegenwind. En dat graadje blaast in ons nadeel, dat remt en stremt ons alsmaar meer en trappen is nu alleen nog hijgen geworden. De man van Arizona had ons verwittigd, met hoogtij zal het nog harder waaien. (Later zal blijken dat op dat tijdstip in De Panne windsnelheden zijn gemeten van 72 km per uur,jh)
Normale verstandige mensen zouden die zeilconstructie allang hebben afgebroken, maar omdat we het zo ingenieus in elkaar hebben gesjord met stokken, ijzerdraad, en dikke windels textieltape willen we het zomaar niet ontmantelen. Trouwens, binnen één kilometer gaat de weg weer meer noordoost, dàn gaan we opnieuw kunnen profiteren!

Hoge en lage bomen vangen véél wind. Ons rugzeil vangt nog geen honderdste van 1 Beaufort. © Jan Hertoghs

Hoge en lage bomen vangen véél wind. Ons rugzeil vangt nog geen honderdste van 1 Beaufort. © Jan Hertoghs

Die koppigheid met dat zeil maakt zelfs dat we uit het zadel moeten. En wat blijkt? Te voet die kar duwen gaat sneller dan zitten en trappen! Naast die kar stappen is zelfs een ontspanning, want alles onder de romp - de liezen, de knieën en de kuiten- doet pijn van dat eeuwige zitten en dat amechtige trappen.
Het is prachtig weer nu. De zon schijnt, de wolkenschepen zeilen voorbij zeilen (zij wel!) en het ruisende riet buigt bijna met de toppen tot op het water. Dan is de rugwind er even terug, maar na hooguit 500 meter zwenkt ie weer tegen ons en worden we toch gedwongen om het zeil te strijken. De twee kale panlatten blijven staan als masten zonder canvas.  
De weg die we op een oude fietskaart hebben uitgestippeld wordt dan ook nog eens veldweg en later een karrenspoor, we moeten de kar strompelend doorheen slijk en hoog gras duwen.
45.000 x tik!

De laatste twee-drie kilometer naar De Panne gaan over asfalt, maar het zijn de laatste loodjes en die wegen onnoemelijk zwaar. Met een allerlaatste krachtinspanning overwinnen we de brug over de snelweg en dan is de fut eruit. We passeren Plopsaland, met kabouter Plop op de rotonde, maar er komt geen grap meer over onze lippen. De vermoeidheid heeft het overgenomen en flauwe woordspelingen als "wij gebruiken De Panne-latten" of "wij rijden De Panne van het dak" komen niet meer in ons op. 't Is op.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Alleen in de laatste kilometer gaat ons paard weer galopperen. Het ruikt zijn stal, lees: we zijn nu in de luwte van de huizen. Het is tien voor zeven als we in Arizona aankomen, drie uur later dan voorzien. Uitbater Filip ziet ons over de stangen hangen en grijnst: "Precies goed getrapt vandaag?!" En dat we deze voormiddag nog geen half uur weg waren of hij kreeg al telefoon: "Filip! Hier bij Adinkerke zijn twee volwassenen met kar en paard van u onderweg. Die rijden naar Frankrijk. Dat is niet normaal. Die gaan zeker die kar stelen!" Maar hij had vertrouwen in ons en had zich niet ongerust gemaakt.
Als we vertellen tot waar we in Frankrijk zijn geweest, schudt hij zijn hoofd. Zijn familie verhuurt hier al vijfenveertig jaar, "maar nog nooit is iemand zo zot geweest om zo ver te rijden." En als hij hoort van het zeil opzetten bij Hondschoote was hij d'r zelf graag bij geweest, "dàt had ik willen zien! daarvan had ik een foto willen maken!"
Hij wist ook van de slag in het pedaal en excuseert zich, "had ik geweten dat jullie zo ver gingen, dan had ik 'm vooraf vervangen."

Eindbilan. Volgens de stafkaart hebben we 45 kilometer gereden, dat zijn dus 45.OOO 'tikken' met een slingerende pedaal. Vijfenveertig km afleggen op vijf uur, dat is een gemiddelde van 9 km per uur. Wat niet slecht is omdat we op tweederde van het traject tegenwind of hinderlijke zijwind hadden. En voor wie toch nog de schouders ophaalt. Zet je fietszadel in de allerlaagste stand, zorg dat je knieën zowat je ellebogen raken en doe dan 45.000 meter in de kleinste versnelling. En bij minstens 4 Beaufort. Allez-y!

Sidecar van de gocart: een foto-addendum

Meer zuur in de spieren dan wind in de zeilen, het was een memorabele dagtrip.
Hieronder nog meer foto’s. De meeste van Stephan Peleman
. Dit is zijn website.

add go 2.jpeg
add go 3.jpeg
add go 4.jpeg
add go 7.jpeg
add go 9.jpeg
gocar 7.jpeg
Ingescand uit Humo juli 2007

Ingescand uit Humo juli 2007



Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

<w> Experimenteel reizen in eigen land (3): in volle zomer liften met een slee

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Lees ook deel 1: rugzaktoerist in eigen stad

Lees ook deel 2: de pionier en bedenker van de maffe reisformules

"Ge vergist u van seizoen, peis ik.”

Het is dertien juli. De zon schijnt. Het gaat warm worden vandaag en ik sleur met een slee langs de weg. Mijn inspiratie is een Ier die met een kleine koelkast door Ierland liftte. Ik zal met de slee enkele Vlaamse bergoorden opzoeken. 
(uit Humo 7/8/2007 “Buitengewone dagtrips”) c Jan Hertoghs

Ik bezin voor ik begin. Over dat liften maak ik me geen zorgen, dat doe ik al eeuwen met plezier. Het experiment zit deze keer in het meedragen van een ongewoon attribuut. Vanwege de zomer koos ik voor een slee. Maar hoé zullen de chauffeurs reageren?! Er zijn al zo weinig lifters langs de weg, gaat die slee hen dan niet afschrikken?  
Ik test alvast het gewicht van de slee, want ik zal ze hoe dan ook moeten dràgen. Ze weegt 4,4 kg en ik kan ze in mijn linker- of in mijn rechterhand dragen. Andere opties zijn er niet, ik zal ze zeker niet achter me aan slepen over een voetpad of een pechstrook, ik zal niét pretenderen dat er sneeuw ligt. Vrienden en kennissen die van het plan horen, en die me tot alles in staat zien, vragen of ik voor de volledigheid ook een dikke jas ga aantrekken en een muts? Zelf zullen ze nooit aan zo'n sledetocht beginnen, maar ik zou wel dikke kleren moeten aantrekken en straks ook nog moon boots moeten dragen! Als ik daar als een halvezool ga staan, in winterkleren, dan geraak ik nergens.
Ik heb ook gemengde gevoelens over de voorbijgangers onderweg. Zullen spot en hoon mijn deel zijn, of krijg ik bijval bij deze zotte expeditie, ik kan het echt niet inschatten.
Ik put dan maar enige moed uit Het Belang Van Limburg van 22 juni 2007. Daarin staat het verhaal van de kunstenaar Bert Crabbé die voor het project Walking the House "een manshoge aluminium kast op haar poten voortsleurde" van zijn huis in Leuven naar een 50 km verder gelegen kunstgalerij. In de kast - die omschreven werd als "bijzonder luidruchtig"- vervoerde hij slaapzak, tekengerief en mondvoorraad voor de tocht die een week zou duren. Na aankomst gewaagde hij van "vele positieve reacties" en zelfs "mensen die kwamen vragen of ze konden helpen." Als het met zo'n schril schurende kast goed afloopt, dan moet het met een stille slee ook wel lukken.
Ik heb intussen een parcours voor ogen: met de slee wil ik naar Vlaamse bergoorden, al zeker naar Heist-op-den-Berg en naar Scherpenheuvel.  

(Ingescand uit Humo 2007)

(Ingescand uit Humo 2007)

Inpakken en wegwezen
Ik stap in de trein die me van Antwerpen naar Mortsel (Oude God) moet brengen. Uit eerlijke gêne heb ik de slee in bruin papier gewikkeld, ik ben een gewone reiziger met een groot pak. En alsof het toeval dat gezien heeft, komt tegenover mij iemand zitten met een haast even groot pak op zijn knieën. Een vader met een nieuwe speelgoedtrein (Choochoo Toys) voor z’n zoontje. Het lijkt een beetje kerstmis, het lijkt al een beetje winter.  
Van het station is het maar een kort eind tot de Liersesteenweg. Ik ben nerveus, ik heb plankenkoorts. Want hoe sta ik hier? Op mijn zomerse baskets, in mijn witste broek en in een strandachtig T-shirt: 100% in contrast met die slee. Het bruine papier eraf scheuren is een moeilijk moment: ik probeer niet naar de voorbijgangers te kijken, en merde, wat steekt die lichtgrenen slee fel af tegen dat zwarte asfalt. Ik voel me bekeken, ik ben werkelijk verlegen. En lap, de eerste vrouw die voorbijkomt, kijkt al meewarig. Het begint al!
Ik maak een bordje met de letters LIER erop. Dat geeft een houvast. Deze weirdo is niet op de dool. Deze weirdo heeft een doel!
Uit een kantoor komt een bediende in proper kostuum, hij houdt zijn pas in: "Allez, jong! Met een slee? En het wordt juist zo'n goed weer vandaag!" Het is goedbedoeld, dat hoor ik, en tegelijk stopt ook de eerste auto, ik sta hier nog maar vijf minuten. De jonge bestuurder heeft ooit gelift op een zondagmorgen-na-de-discotheek, en niemand nam hem mee, en hij is de hele weg naar huis moeten stàppen en van dan af heeft hij zich voorgenomen: ik neem iedereen méé.
Dood in de sneeuw
Vlakbij Lier kan ik uitstappen. Een postbode kijkt op: "Uw slee mee?! En het sneeuwt nog niet!" Geen twee minuten later zit ik al in het gezelschap van een jongeman met in z'n auto kentekens van de anarchisten en de krakersbeweging. Hij heet Roeland, doet nachtwerk en houdt van punk, oy, ska en psychobilly. In Heist-op-den-Berg is zijn stamkroeg, gelegen "aan de BERGstraat", of ik mee iets ga drinken?
We staan aan de "voet" van de Heistse berg, en dat is toch een steile bult hier midden in de gemeente, met oplopende flanken van plantsoenen en fonteinen. Roeland  wijst de straat "Bergop", waar sommige auto's niet op geraken "als het gesneeuwd heeft". Hij moest die weg elke dag nemen naar school, ze lag "bovenop de berg", en dat kon wel eens in zijn benen bijten om acht uur 's morgens.
We stappen De Oude Ketel binnen, er is muziek van Neil Young, en tegen een wand hangt een snowboard. Met daarop een foto van een jongeman tussen vele handtekeningen, Miss you very much! Ik zal je nooit vergeten! May the snow fall where you want it to. Het is een aandenken aan Jürgen, een fervente wintersporter en een gast waarmee Roeland nog in de klas heeft gezeten. Jürgen was amper zesentwintig toen hij in Frankrijk verongelukte.  Het gebeurde niet op dat snowboard, "maar al rodelend met een slee". Zo heeft hij zijn nek gebroken. Het treft me meer dan ik kan zeggen. Dat ik hier kom, nabij een jongen die 's winters is omgekomen,
Vrijgezellenspel
Roeland zegt dat ik ook eens aan de achterkant van de berg moet gaan kijken, daar beweren sommigen dat het "nog steiler is", en daar is ook café De Afgrond. Op de kasseiweg naar de top, zijn stratenmakers aan het werk: "Ha makker! Gij gaat al trainen tegen de winter, zeker!" Ik knik en zie al van ver "De Afgrond". 't Is  gesloten, maar als het open is, kan je er 80 soorten bieren drinken. Bij de Dienst voor Toerisme staat aangegeven hoe hoog "de berg" van Heist wel is: 48 meter boven de zeespiegel.
Op deze hoogte komen genoeg straten bijeen, het verkeer is traag, dus ideaal om verder te liften. Eén bestuurder duwt zijn raampje omlaag: "Gaat het sneeuwen, peist ge?" Ook een vrouw met boodschappen knikt naar de slee: "Die gaat ge vandaag niet kunnen gebruiken, jongen!" Het is geen hoon of spot, het is allemaal sympathie.
Na vijf minuten zit ik alweer in de auto. Met een vrouw die vroeger nog café heeft gehouden in Begijnendijk; ze denkt dat ik onderweg ben "voor een zotte opdracht van een vrijgezellenavond". In haar café kwam ooit een jonge Limburger. Hij werd van dorp naar dorp gevoerd door zijn kameraden en overal moest hij opdrachten doen. In Begijnendijk moest hij een kruiwagen gaan zoeken en "taxi spelen": elke caféklant mocht mits betaling in de kruiwagen voor een hobbelige taxirit van honderd meter.
Ook op de weg naar Aarschot stopt iemand binnen de vijf minuten. Hij rijdt maar tot Begijnendijk, maar al keuvelend bedenkt hij zich, hij gaat "een goed werk doen" en mij ineens afzetten op de rechte baan naar Scherpenheuvel. Geen woord over de slee.

Ingescande foto uit Humo/ Stephan Peleman 2007

Ingescande foto uit Humo/ Stephan Peleman 2007

Scherpenheuvel
Binnen de twee minuten heb ik een lift naar Scherpenheuvel. Met deze man heb ik het algauw over de winter, en ook over mijn eerste slee. Van thuis kreeg ik er geen, en dus maakte ik er zelf één door twee plankjes onder een ouwe stoel te nagelen, en hoe teleurgesteld ik was toen die 'slee' voor geen meter wilde glijden. Die plankjes misten allicht wat buiging, legt hij uit, "en ze misten ook een ijzeren beslag". Dat ijzerlaagje drukt de sneeuw hard bijeen tot een smal spoor van ijs en in dat ijsgeultje gaat dat ijzer en de slee dan sneller glijden.
Onze slede-kenner is lid van de vrijwillige brandweer van Scherpenheuvel, en hij doet ook "ongevallen en bevrijdingen uit een wrak". Eén keer was dat nodig voor een jonge gast. Zijn lief had het afgemaakt, hij had haar afgezet aan het jeugdhuis en was daarna volle gas de basiliek ingereden, vlam binnen door die glazen deur, alle banken opzij en die gast dood. En dat hij hier in de Aldi moet zijn.
Het is nog maar één kilometer stappen, maar ook zweten met die slee, en dus hef ik mijn bordje en de derde auto stopt al. Na alle kleinere auto's is dit de Dikke Slee waarop ik letterlijk en figuurlijk zat te wachten: een grote Mercedes met leren zetels. Maar waarom ik een slee bij me heb, dat moet deze bestuurder "allemaal niet weten; zeg mij gewoon waar gij moet zijn en ik zet u daar af!" Het is een oud gezegde: toon mij uw slee, en ik zal u zeggen wie gij zijt.           
Garmisch-PartenkirchenScherpenheuvel ligt op 61 meter boven de zeespiegel, het zal hier dus wel eens sneeuwen, maar zichtkaarten van Scherpenheuvel in de sneeuw zijn niét te vinden. Als ik een broodje ga eten, klinkt het aan de eerste tafel: "Dieje komt van de noordpool, da ziedezo!"
Broodje verorberd, en terug de weg op, er zijn al opmerkingen aan het volgende caféterras, mannen, zie nu, daar komt precies iets aan! Mijn verlegenheid van vanmorgen is weg, ik stap gewoon op hen af zodat ze mij van dichtbij kunnen bekijken. Of ik soms onderweg ben voor een ruiltocht. "Zijt gij begonnen met een ei, en zit gij nu al aan een slee?!"  
Van Scherpenheuvel gaat het naar Zichem. Een ouder koppel op de fiets zwaait al van ver "nee" met de vinger, dat ik mis ben, dat ik "te vroeg ben voor de winter". Ik had reacties verwacht, maar nooit dat 6O% van de voorbijgangers een opmerking zou maken. Ik voorzie nu al dat het omgekeerde ook geweldig moet zijn: in putje winter met een strandstoel langs de weg staan ("Gij moet naar Benidorm, zeker!?") Het liften gaat als een fluitje van een cent. Je moet al een bobslee voor vier personen torsen om in dit land niet te worden meegenomen. De volgende chauffeur rijdt naar Zoerle-Parwijs, een gemeente die mij al vele jaren als Garmisch-Partenkirchen in de oren klinkt. En waar ik mag uitstappen in de wijk Stippelberg. Ik ben licht euforisch, de springschans moet vlakbij zijn. 

Hert met snelbinders
Een man laat zijn hond uit. En zegt lijzig: "Ik peis dat gij u van seizoen vergist." En waar ik heen moet met dat "spel"? Hij weet het zelf wel: "Ik peis dat gij naar Geel moet."
Meteen daarna stopt een auto. De chauffeur ziet de slee pas als ik ze op de achterbank leg. Het maakt niet uit, "zolang ze maar niet met een kalashnikov langs de baan staan, neem ik iedereen mee."

De polyester fauna in de voortuin van ‘t Stalleke (Bron: websiteTombolahal ‘t Stalleke)

De polyester fauna in de voortuin van ‘t Stalleke (Bron: websiteTombolahal ‘t Stalleke)

Hij doet nachtwerk, speelt overdag al eens poppenkast in de scholen en is nu op zoek naar attributen. Hij stopt bij de Kempische Tombolahal 't Stalleke in Westerlo. Hier is alles te koop binnen het gamma huisdecoratie, geschenken en tombolaprijzen. Op het voorerf staan zeven macho's in polyester: spierbundels met een zonnebril op én een kalasjnikov voor de borst. De uitbater zegt dat er voor àlles een koper is: "Het zotste eerst! Ik heb hier een klant die gek is van paarden. Aan hem heb ik twee paarden in polyester verkocht. Die beesten zijn groter dan gij en ik, en die staan nu op zijn slaapkamer, aan elke kant van het bed één paard. "
Ik raak moeilijk weg van de parking voor het Stalleke, het is de eerste plek waar ik een half uur moet liften. Best mogelijk dat het assortiment in de voortuin mij parten speelt. Want welke uitzinnige polyester figuren staan hier allemaal?! Een Amerikaanse politieman die zijn pistool trekt, twee rottweilers, een varken, een schaap, een koe en een groot hert dat met snelbinders vast zit aan een paal met de Belgische vlag. Het kan de passerende bestuurders beïnvloeden: in deze nep-omgeving kom ik misschien iets te authentiek over met mijn houten slee.

In de volgende auto kan ik niet instappen zonder ongelukken. Eerst trek ik enige bedrading los en bij het sluiten van de deur komt het handvat mee. ("Ja, breekt mijnen auto maar af!") Het is een wagen waar de mousse uit de zetels puilt en aan het stuur zit een jonge rosharige uit Braveheart. Hij heeft twintig jaar geleden véél gelift. "Ik sta in Parijs en ik moet naar Lyon. Stopt er een BMW. Die rijdt geen 100, geen 200, die rijdt twee-hon-derd-ze-ven-tig kilometer per uur. De camions onderweg, die staan stil! Ik zat precies naar ne film te kijken, dat landschap schóót voorbij. Man man, dat was geen auto, dat was een vliegtuig. En dat dashboard was geen dashboard, dat was zoals een cockpit. En het straffe was ook, die chauffeur, dat wàs ne piloot!
En dan het terugkomen! Stopte er een mobilhome met een Ollandse familie erin: ga maar achterin, vriend! Kwam ik tussen hun twee dochters te zitten, twee keiferme grieten, met van dat lang haar. En op die lange rit vielen die in slaap, ieder op een schouder van mij. Joenge-joenge! Dat zal ik niet rap vergeten!"
Een man van uitroeptekens. Hij neemt me mee tot Herentals!

CoolClips.com

CoolClips.com

Daar staat anderhalve kilometer file op de ring, dat schiet niet op, ik steek ze voorbij. Liften is zelfs niet nodig. Vanop een parking gebaart iemand dat hij me komt oppikken. De man rijdt tot Vorselaar en hij denkt erover om ook een slee te kopen. Zijn jongste wordt vier jaar en hij hoopt dat kind deze winter op de sneeuw te kunnen zetten. "Als 't nog winters worden hé. Als het nog gaat sneeuwen de komende jaren, want dat is maar de vraag."
Aan het kruispunt bij Vorselaar plant ik mijn slee in de berm en tegelijk passeert een lange witte koelvrachtwagen. Met de grote  letters "20.000 m³ Winterklimaat In De Benelux". Aan het toeval tijdens het liften ben ik gewend, maar dat het met twintig ton tegelijk komt, dat is nieuw.
En daar is ook al mijn lift naar Lille. De bestuurder zegt dat hij al jàren deze zelfde weg doet, tussen zijn woonplaats en zijn werk, de duurtijd ervan is "exàct twintig minuten". Enzovoort, enzovoort. Na compleet te zijn onderricht over zijn woon-werkverkeer maakt hij een korte droge samenvatting van mijn verplaatsing: "En gij zijt dus onderweg met een slee? Tja, 't is eens wat anders, zeker?!"
Uitstappen en twee minuten later weer instappen, het wordt een gewoonte. De man rijdt tot een paar dorpen voorbij Wechelderzande en dus vraag ik om één kilometer buiten Wechel te stoppen: op de Michelin heb ik een wegje naar Zoersel gezien. Hij kijkt bedenkelijk, "voor u zal 't symbolisch zijn, want het heet daar de Bruulbergen, maar ik verwittig u! Ge gaat daar niét weg geraken. Er komt daar geen enkele auto. Geen enkele!"
Ik ben een verwittigd man en dit is een fantastische plek. Ik kijk  op bonte koeien die traag grazen onder de drijvende wolken en de ruisende canada's. Op de hoofdweg passeert regelmatig verkeer maar in mijn richting komt niets of niemand. Het wordt een Twin-Peaks-plek als ineens een tiep achter mij verschijnt, zonder dat ik hem uit het bos heb zien komen. Een magere man met een sigaret, een khakipet en een verrekijker. Hij wordt opgepikt door een vamp in een zwarte BMW cabrio en hoe ze samenzweerderig lachen! Ik kijk ze lang na, en ik ben dermate verdiept in het forensisch bedenken van  wie ze waren, dat ik de tweede auto (in twaalf minuten!) blindweg laat passeren. Sukkel dat ik ben.   
Fixkes
Tien minuten later, de derde auto: er zitten vier personen in, alle plaatsen bezet. Na een half uur, de vierde auto. De bestuurder stopt! Maar alleen om zich te verontschuldigen: hij moet maar 200 meter verder zijn. In de vijfde auto zit een ouder koppel. Ze hebben plààts, maar ze rijden glimlachend voorbij. En dan is het zeker twintig minuten stil, geen auto meer te zien.
En dat is nu het échte liften. Dat er geen auto komt. Dat je wacht en dat je kan wachten. Omdat je wéét, ooit geraak ik hier wel weg. En ook heb je nu de tijd om grote belangstelling op te brengen voor spinnen, kevers, mieren, hommels, vlinders, zwaluwen, kwikstaarten én menselijke zweefvliegers. Ook de zen-achtige roep van de tjiftjaf (tjif-tjaf! tjif-tjaf!) draagt bij tot de innerlijke rust.
Na een uur draait de zesde auto het baantje in, en hij stopt! Met aan het stuur een knap en lief meisje in roodwit T-shirt en halflang blond haar. En zelf heeft ze nooit gelift en ook nooit eerder een lifter meegenomen. En nu merk ik pas hoe verlaten deze weg wel is. Op die vier kilometer tot de grens van Zoersel is er maar één huis, en de zijwegen zijn bospaden met houten slagbomen ervoor. En dat is toch wel dapper dat ze me hier zo meeneemt, een vreemde met zijn zonevreemde slee. En dan is er Damien Rice op de radio en ook nog De Fixkes, en ik kan daar sentimenteel van worden, het meisje, de muziek, de zomer, de geur van drogend gras door het open raam en twee mensen die straks weer mijlenverre onbekenden zullen zijn.   

c+klein+ch+1.jpg


In Zoersel schrijf ik mijn laatste bestemming: KlEIN ZWITSERLAND. Twee minuten later stopt een man die zijn raampje opendraait: " Ge zijt toch zeker dat ge naar Kléin Zwitserland moet, want Gróót Zwitserland, daar rij ik niet naartoe!" En zo laat hij me verderop uitstappen bij Eetcafé Klein Zwitserland in Westmalle. Ik zet me buiten op het terras en het panorama doet zeer laaglandelijk aan: met grasland, prikkeldraad en een voetbalveld in de verte. Ook de menukaart is niet bepaald Helvetisch: ribbekes, stoofvlees, lasagna, vidé en Oostends vispannetje. Ik kan zelfs het lokale dialect verstaan van de twee vrouwen op het terras die moppen vertellen over domme blondjes. ("Zeg, waarom hebt gij gordijnen hangen aan uw computer? Ah ja, hoe kan ik anders mijne Windows afsluiten?!)
Ook het interieur is volledig verstoken van alpenhoorns en koeienbellen, maar aan de muur hangen de foto's van de vroegere uitbaters, en dat het café genoemd is naar "de omringende glooiende bossen die in de volksmond Klein Zwitserland werden genoemd".
Aan het tafeltje naast me komt een koppel zitten, en wat later een radde veertiger die in zijn gsm zegt: "Ik hoop dat jullie ginder schoon weer hebben; hier gaat het sneeuwen, want hier staat een sléé op het terras!"
Het is vrachtwagenchauffeur Guy ("dé deejay van Klein Zwitserland") die mij zeker zou meenemen als hij me zo langs de weg zag staan: "Uit pure nieuwsgierigheid! Om te weten of er bij u nen hoek af is. " En dan staat de tafel al gauw vol bier en als na anderhalf uur àlle lokale gevoeligheden tussen Oost- en Westmalle de revue zijn gepasseerd, dan wordt het tijd om op te stappen.En dat is het laatste wat ik achter mij hoor zeggen als ik in de bus naar Antwerpen stap: Hoé? D'r ligt toch gene sneeuw?!!
En dan pas voel ik het. Mijn hals is verbrand. 

DEEL 4: TWEE MAN EN EEN PAARDENKOP: MET DE GOCART DE GRENS OVER

Experimentele Sledereiziger volop trainend voor de uitdaging van de zomer. ( © Raf Hertoghs)

Experimentele Sledereiziger volop trainend voor de uitdaging van de zomer. ( © Raf Hertoghs)





Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Experimenteel reizen in eigen land (2): de pionier van de maffe reisformules

heist ski.jpg

Joël Henry: "Jullie Belgen zijn ervoor in de wieg gelegd om surrealistisch op reis te gaan."

Lees deel 1: Rugzaktoerist op 500 meter van de voordeur

Binnenkort weerklinkt weer de lokroep der zomervakantie, en als u traditioneel vasthoudt aan uw stekje in de Provence, uw balkonzicht van de Belgische kust of uw jaarlijkse wollensokkentocht langs menige alpiene berghut, dan is het onderstaande niet voor u weggelegd. Als u daarentegen altijd de drang hebt gevoeld om een low budget trekking te doen in Ledeberg, te gaan vogelen in Meeuwen, of op appelbomen te spotten in Peer, dan bent u het type van de potentiële experimentele reiziger.
En België is daarvoor een uitgelezen land. Ons land telt immers tal van interessante dorpen en gemeentes die alleen al door hun naam een grote aantrekkingskracht uitoefenen op de experimentele reiziger. Dat leidt ons tot deze zeven kant-en-klare reisformules.
(Humo mei 2006) -bewerkt en ingekort c Jan Hertoghs

Animal Travel: vergeet Planckendael, in de plaats bezoekt u Bever, De Haan, Herten, Mol, Meeuwen, Muizen, Veulen en Wulpen en daar mag u alle dieren voederen!
Short Trips: daar kunnen we kort over zijn, bezoek On, Lo en My
International Travel: deze 'tour du monde' brengt u langs Landen, Bazel, Belgrade, Bombaye, Carlsbourg, Nazareth en Buitenland (bij Bornem)
Hungry Holiday: wat valt er te bikken in De Panne, De Pinte, Essen, Thon, Bouillon, Ham, Haringe, Wortel, Peer en Appels
Reizen Raymond: bezoek de nederzettingen die voorkomen in het liedje Je veux l'amour, zijnde: Aalst, Peutie, Zwevezele en Genoelselderen
Krimi Tours: verricht uw eigen forensisch onderzoek en breng dus zeker vingerafdrukken mee van Bende, Heks, Kluizen, Knokke, Schoten, Spy en Bande
Comedy Trip: wat valt er nog te lachen in Leut, Jeuk, Odeur, Reet, Silly, Zottegem en Maffe

B exper joel 1.png

Ha, al die onbetreden paden van het experimenteel reizen! En wie op dat gebied al enige bagage heeft, is Joël Henry (51). Hij is een Franse freelance journalist en één van de belangrijkste samenstellers van The Lonely Planet Guide to Experimental Travel, zeg maar de bijbel van het E.R. (Zie ook zijn website met nog meer ideeën : http://latourex.org/latourex_en.html )
Henry woont in Straatsburg.
Humo: De trein reeds langs Luxemburg en dat is voor jou letterlijk een blinde stad. Je kent ze alleen van de geluiden.
Henry
: "Ja, ik heb Luxemburg bezocht als ‘blindeman’, aan de hand van mijn vrouw. Ik droeg van die  vleeskleurige oogpleisters, maar om er niet compleet ridicuul uit te zien, had ik ook een zonnebril opgezet. En zo zijn we met de bus naar het station gereden en zo heb ik blind op de trein gezeten tot in Luxemburg. Daar hebben we blind door de stad gelopen, blind gedineerd, gelogeerd en in dezelfde 'duisternis' ben ik ook terug gereden. Ik herinner me dus geen enkel beeld van die reis, alleen maar geluiden, zoals de verschillende gsm-beltonen op de trein."
Humo: Dat is toch wel extreem als reis.
Henry:
«Zolang mijn vrouw Maïa dichtbij was, ging het. Maar één keer moest ze geld uit de muur halen, en stond ik heel alleen op de stoep, vlakbij het verkeer en alle auto's leken als gek op me af te komen, dat was nogal beangstigend. Niets  was nog vanzelfsprekend tijdens die 24 uur: je weg zoeken in het restaurant, plaats nemen op een stoel, een glas naar de mond brengen, met een vork in je bord tasten, dat waren allemaal handelingen die ik precies voor de eerste keer deed. Het rare was ook dat mijn maaltijd me niet smaakte omdat ik ze niet kon proeven met mijn ogen. Ja, Luxemburg was een heel bevreemdend zintuiglijk avontuur."
Humo: In het museum kreeg je wel vermindering als visueel gehandicapte.
Henry:
« Ja, reductie op het eerste gezicht (lacht), ik had er niet eens om gevraagd."
Humo: Dat "blindemanstoerisme" is maar één van de vele ideeën in die Lonely Planetgids. Heb je dat buitenissige toerisme meegekregen van je ouders? Hadden zij net zo'n wilde vakantieplannen als jij?
Henry
: « Mijn ouders kwamen uit een streek nabij de Landes en alle vakanties gingen we met het gezin daarheen om een oud huis te renoveren dat ooit een vakantiehuis moest worden. Echt reizen hebben we dus weinig gedaan. Maar mijn moeder had wel van die bevliegingen: kom, dit weekend gaan we de toerist uithangen in onze eigen stad! Ik vond dat stom, ik wilde liever gaan zwemmen met mijn kameraden, maar zij sleurde ons door Straatsburg, musea bezoeken, kathedraal beklimmen, de hele rimram (grimas).
De echte spirit van dat experimentele reizen is er gekomen in de jaren zestig en zeventig, je had toen die hele magie rond het reizen en het onderweg zijn. Als je niet door Europa ging liften met een veel te zware rugzak, of niet in een VW-busje naar India en Nepal kachelde, dan was je een dikke loser, dan was je niet mee. Ik heb in die jaren duizenden kilometers door Frankrijk gezworven met de auto van mijn ouders, ik hield van dat doelloos rondreizen. Meer nog, je moést doelloos rondreizen in die jaren, want dan kwam je los van de Burgerlijke Maatschappij met zijn Regels en zijn Vastgeroeste Levensstijl (grijnst).
Les Banalistes
Humo: Is toen je geesteskind Latourex (Le Laboratoire de Tourisme Expérimentale) ontstaan?
Henry
: « De basis is toen gelegd, maar Latourex is pas in juni 1990 ontstaan. Ik zat met twee vrienden op restaurant en we hadden het erover hoe we in de zomer weer zouden meelopen in die toeristenkudde van elk jaar. En toen kregen we het idee: we vragen aan honderd mensen in Straatsburg om naar eenzelfde stad X te gaan en daar een "toeristische studie" te maken! Die stad is dan Zürich geworden, niemand die er koud of warm van werd, ideaal dus voor een studieweekend! We hadden ook strenge aanbevelingen voor de deelnemers: reis liefst alleen, volg de raad van de reisgidsen, trap in elke tourist trap en stuur een literair rapport op via een ansichtkaart." 
Humo: Hoeveel "onderzoekers" zijn daarop afgekomen?
Henry
: «Zeven, maar dat wisten we niet van mekaar. Ik heb zeker vier uur door Zürich rondgelopen dat ik dacht, merde, ik ben hier de enige pipo (lacht). Maar bon, die zeven non-conformisten kwamen bijeen voor de evaluatie en die hadden allen echt plezier gehad. En zo bleek dat die zotte benadering van die zogezegd "banale stad" toch veel charmes had.
De belangrijkste bevinding was: waarom gaan we nog elk jaar naar de Provence als om het even welke plek zoveel plezier en avontuur kan verschaffen?! In theorie is een Slovaakse industriestad dan evenveel waard als Siena in Toscane, om het nu even grof uit te drukken (lacht)."

B exper planet 2.jpeg

Humo: Jullie hebben iets met randgemeentes, industriezones en andere plekken die iedere normale mens mijdt. Wat is jullie fascinatie voor die saaie omgevingen?
Henry
: «Het is niet dat wij gefascineerd zijn door banaliteit,  maar als je experimenteel reist, kom je wel vaker op banale plekken uit. De Parijse dichter Jean-Pierre Le Goff is een crack op dat terrein. Hij maakt deel uit van les Banalistes, dat is een avantgardebeweging die zich opwerpt als verdediger van Het Banale, en één keer per jaar hebben ze een "congres" op de stopplaats Les Fades langs de spoorlijn Montluçon - Clermont-Ferrand. Dat is een onooglijk stukje perron en het enige wat daar gebeurt, is wachten op de andere congresdeelnemers, c'est tout! De eerste zeven jaar waren ze maar met twee, het laatste jaar waren ze met een goeie honderd plus een hoop tv-camera's erbij, want ja, een congres op een boerenperron, dàt prikkelt de nieuwsgierigheid van de media!  Le Goff komt elk jaar met hetzelfde idee af, dat vind ik nogal eentonig, ik verzin liever nieuwe dingen.
Wat ik al in  veel steden gedaan heb, is de A-Z. Je neemt een stadsplattegrond, je kijkt waar de eerste straat is (met een A) en de laatste straat (met een Z), je trekt een lijn tussen beide en dan probeer je die lijn zo trouw mogelijk te volgen. In Barcelona was dat echt extreem, de A-straat lag bij een gated community met schitterende residenties en de Z-straat bevond zich in een rauwe cité, een sociale vergeetput waar nooit een toerist voorbij kwam en waar jeugd rondhing die het woord gastvrijheid niet meteen in hun vocabulaire had staan. Zeker vijftig van die gasten stonden daar in de portieken, en mijn vrouw en ik liepen daar rond, toeristenkalveren met een fototoestel rond de nek en een breed stadsplan in de handen, dat was lichtjes gespannen. Rome was de ideale mix: zowel doordeweekse wijken als het toeristische centrum. Nu, die A-Z is ook niet zaligmakend. In München was ze ronduit onnozel: daar begin je in de Aarener Strasse maar daar zie je twee straten verder al de Zypressenweg liggen!
Tussen haakjes, in Brussel heb ik ook een goeie route bedacht. Een voetreis via alle straten die met het Verenigd Europa in verband staan: de Belgiëlaan, Spanjestraat, Zwedenstraat, Denemarkenstraat, enzovoort. En héél opvallend, in heel Brussel is er géén Duitslandstraat!  Jullie hebben daarentegen wel een Ruslandstraat, een Bosniëstraat, een Serviëstraat en zelfs een Montenegrostraat, maar voor Duitsland is er niets."
Het Venetië van het niks
”Ik heb met mijn gezin ook een A-Z door Frankrijk gedaan, van Aast naar Zuytpeene. Dat is een mooie lijn op de landkaart, want ze gaat helemaal van het zuiden naar het noorden, zo'n duizend kilometer ver. Om die lijn zo dicht mogelijk te volgen, hebben we hoofdzakelijk kleine secundaire wegen genomen. En om de kinderen voor te bereiden hadden we gezegd dat we via die A-Z op plekjes zouden komen waar we anders nooit zouden komen en dat het dus een echte ontdekkingsreis ging worden. Dat is ook zo. Op een klassieke vakantie weet je naar welke streek of stad je gaat, je hebt het vakantiehuis of het hotel al gezien, je weet wat de bezienswaardigheden zijn, dus je bouwt bepaalde verwachtingen op. Met dit soort reizen kan je geen verwachtingen opbouwen, alles wat je tegenkomt is een verrassing en een ontdekking. Bon, dat was de uitleg vooraf. Onderweg vonden de kinderen het maar niks: wat een flauwekul, tien dagen op reis en geen enkele dag naar het strand! (lacht) Nu ze een flink ouder zijn, blijkt dat toch een reis te zijn die ze zich sterk herinneren. Omdat ze zo afweek van andere vakanties."

Deze experimentele fietstoerist wil honderd kilometer afleggen “zonder handen” en elke 100 meter neemt hij een selfie. Ook bij de experimentele reizigers zijn er risicogroepen.  ( Jan Hertoghs)

Deze experimentele fietstoerist wil honderd kilometer afleggen “zonder handen” en elke 100 meter neemt hij een selfie. Ook bij de experimentele reizigers zijn er risicogroepen. ( Jan Hertoghs)

Humo: Bij ons is zo'n abstracte lijn al een populair tv-item geweest. Reporter Martin Heylen reisde voor Man Bijt hond diagonaal door Vlaanderen en later diagonaal door de Verenigde Staten.   
Henry: «Het verwondert me niet dat zo'n idee populair is in België. Jullie zijn surrealisten, jullie hebben dus de aanleg om zo te gaan experimenteren. Wat je ook op het platteland kan doen, is dorpen bezoeken die dezelfde naam hebben als een internationale stad. Er is in Frankrijk een Londres, een Florence, een Barcelone, een Lagos, en zelfs meerdere Montréals. Er is ook een Venetië (Venise) in de regio Franche-Comté. Dat dorp telt maar een goeie driehonderd inwoners, maar een vriend van ons is daar wel met zijn vrouw op huwelijksreis geweest. Ik herinner me niet precies of ze in een pensionnetje hebben kunnen logeren, maar hij heeft me wel verteld dat ze op het dorpsplein geprobeerd hebben om de duiven te voeren (er waren er bijna geen!) en dat hij op zoek is gegaan naar kanalen in de buurt, maar dat ze enkel een paar beekjes hadden gevonden. Gelukkig was er wel een bar-tabac waar ze ansichtkaarten konden kopen met de naam Venise erop.
Nog een idee voor het platteland. Je maakt een zin met namen van dorpen erin en die zin ga je dan afreizen. (Bijvoorbeeld: "Zij Menen het, zij Werken iedere dag met zijn Tienen en altijd maar Houthalen. Wat een Lot!).”

Het Slovaakse koppel dat in huwelijkspak op reis ging (uit “Lonely Planet Guido to Experimental Travel/ Ludo en Sacha Lambrich)

Het Slovaakse koppel dat in huwelijkspak op reis ging (uit “Lonely Planet Guido to Experimental Travel/ Ludo en Sacha Lambrich)

Liften met een koelkast

Humo: Over huwelijksreizen gesproken. In je boek staat het verhaal van een Slovaaks koppel dat al liftend op huwelijksreis vertrok. Een maand onderweg. Met een bordje Just Married en in feestkledij: zij in een witsatijnen bruidsjurk en hij in een deftig zwart kostuum!
Henry
: «Blijkbaar wérkte die aparte outfit. Ze moesten minder lang wachten én de mensen die hen meenamen, waren mensen die zelf met plezier door het leven gingen. Dat zijn dus zeker prettige wittebroodsweken geweest. (Bij een koppel Italiaanse kunstenaars dat in 2008 hetzelfde probeerde, liep het verhaal slecht af. De vrouw werd vermoord teruggevonden in Turkije, jh)

Qua liften kan je enorm experimenteren: op je kartonnen bord schrijf je bijvoorbeeld Peking of Buenos Aires, zelfs al steek je je duim op in een dorp in een België. Gewoon maar om te zien wie daarop afkomt."
Humo: Ik vond een knipsel over een Fransman die in kostuum en met een jerrycan liftte. Haast iedereen nam hem mee, maar hij was geen chauffeur met een lege benzinetank, die jerrycan was een plastic reiskoffer en zo liftte die gast door Europa. Bijna iedereen kon erom lachen, slechts enkele hulpvaardigen waren boos vanwege zijn 'bedrog'.
Henry
: «Ach wat, bedrog! Hij pakt toch niemand zijn geld af, hij zet ze gewoon op een verkeerd been. C'est super! A propos, in Ierland was er een komiek die een weddenschap had afgesloten: voor 100 pond wilde hij proberen om in één maand rond heel Ierland te liften met een koelkast. Het was geen grote kast, het was zo'n minibar die je in hotelkamers ziet, maar toch! Dat ding hinderde bij het in- en uitstappen, maar die gast is erin gelukt en had nadien hopen amusante anekdotes over zijn frigo-reis (Tony Hawks "Round Ireland with a fridge", 1998)

De Franse lifter met zijn “hulpkit” om snel opgepikt te worden.Zijn bijnaam: Don Jerry Can (Actuel  juni 1983)

De Franse lifter met zijn “hulpkit” om snel opgepikt te worden.Zijn bijnaam: Don Jerry Can (Actuel juni 1983)

De bron van de E 40
Humo: Meestal is experimenteel reizen heel eenvoudig, zonder veel rekwisieten. Zoals het Aérotourisme: ga 24 uur rondhangen in de luchthaven.
Henry
: «Dat heb ik zelf ook gedaan, want in een luchthaven zie je de hele wereld passeren. Ik vond het best aangenaam om daar zonder koffers of bestemming rond te lopen, je bent relaxt, je zit niet heel de tijd te friemelen of je je ticket en je paspoort wel goed hebt weggestopt, je kan dus rustig alles observeren zonder de gebruikelijke stress. De moeilijkste uren zijn tussen drie en zes uur 's nachts, dan valt al die beweging stil, dan is zo'n grote luchthaven compleet leeg, en dan moet je iéts vinden om je bezig te houden. Een jongere 'collega' uit Londen is in die lege uren dan maar beginnen rondkarren met de bagagetrolleys, harde aanloop nemen, erop springen en zien hoever je rolt." Humo: In het boek staan ook legio tips qua bizarre vervoermiddelen (koets, draagstoel, roeiboot), maar nergens zie ik de tractor vermeld.
Henry
: «Ken jij mensen die met een tractor op reis zijn gegaan?”
Humo: In België is de fotograaf Michiel Hendryckx met een ezel en daarna met een oude landbouwtractor tot in Griekenland gereisd (zie boek: "Twee ezels"). En nu is er de Nederlandse Manon Ossevoort die al maanden geleden vertrokken is voor een langzame tocht naar de zuidpool. Op dit ogenblik reist ze door Kenia.
Henry: «Dat is wel een bijzondere expeditie. En dan nog over zo'n grote afstand. Eind negentiende eeuw had je van die excentrieke Engelsen die het begrip ontdekkingsreiziger wilden parafraseren. Door op allerlei manieren het Kanaal over te steken: peddelend in een kast, een ton of een grote wastobbe. Dat waren jonge rijkelui die het geld hadden voor een luxeboot, maar ze schepten plezier in dat soort primitieve expedities.
Ik heb ook een boek gelezen over drie mannen die met een simpel vaartuigje en als expeditieleden verkleed op zoek gingen naar de bron van de Theems. Een bron die iedereen al wist liggen, het was een persiflage op de zoektocht naar de bronnen van de Nijl."
Humo: Bij ons gingen de "Neveneffecten" op zoek naar de bron van de E-4O. Ze klauterden over hoge bermen en spitse vangrails en ze moesten geravitailleerd worden vanuit een basiskamp dat verdacht veel weg had van een tankstation.
Henry
: « C'est vachement bien! Nogmaals, jullie Belgen lijken ervoor in de wieg gelegd om surrealistisch op reis te gaan."  


Vakantie in de kelder
Humo: In het boek is sprake van Domestic Travel. Dat doet me denken aan een gezin uit Luxemburg .
..
Henry: « Toch niet dat gezin dat tijdens de vakantie in zijn kelder...?!
Humo: Je raadt mijn gedachten! Het gaat inderdaad over die familie die aan de buren niet wilde tonen dat er geen geld was voor vakantie. Ze hadden de auto verborgen, de rolluiken neergelaten en zo wilden ze in 1992 twee weken in hun kelder doorbrengen.
Henry
: « C'est extraordinaire, c'est fascinant, In de kranten zijn die mensen compleet belachelijk gemaakt, dat je wel idioot moet zijn om in de kelder te kruipen uit schrik voor de buren, enzovoort. Mij fascineert hoe zij op dat bizarre idee zijn gekomen en hoe zij dat onderduiken georganiseerd hebben met hun kinderen van 7 en 9. Hoe zijn die rond de tafel gaan zitten? En wat voor afspraken hebben die allemaal niet moeten maken? Wat gaan we vooraf zeggen aan de familie en de buren? Gaan we tijdens ons "verblijf" de telefoon gebruiken, ja of nee? En hoe doen we dat met het sturen van ansichtkaarten? Al die vragen die ze moesten oplossen, dat was niks voor simpele idioten!"
«En die kinderen! Wat voor spelletjes hebben die gedaan? Hebben die heel de tijd tv gekeken? Hebben die voor het kelderraampje staan hunkeren naar de tuin en de zon? Als je van experimenteel toerisme spreekt, is dat wel de top! Na tien dagen zijn ze door de mand gevallen. Een voorbijrijdende politiepatrouille had een lichtstraal in die kelder gezien, ze meende dat er dieven waren en zo zijn ze aangetroffen. Een straffe story, ik wou dat ik er een film of een theaterstuk over kon maken!"
Eiffeltoren? Mijn gat!
Humo: Experimenteel reizen bestaat ook op literair terrein: enthousiaste lezers die in de voetsporen van James Joyce of Goethe willen stappen.
Henry
: «Dat is niet zo experimenteel omdat er op dat terrein al echte reisgidsen bestaan. Net zoals voor de 'muziektoeristen' die de geboortestad van hun zanger of groep willen bezoeken. Iets experimenteler wordt het wanneer je alle plaatsen zou bezoeken die in het repertoire van één groep of zanger voorkomen.
Of denk aan die ouwe zendstations van vroeger. Je herinnert je die jaren-50-radio's met die naald die je langs tientallen exotische namen kon schuiven: Luxemburg! Londen! Hilversum! Reykjavik! Moskou! Beromünster! Dat zijn tientallen plaatsen die geschikt zijn voor radio-toerisme.  En ja, dat gaat geld en tijd kosten. Maar ik ga mezelf niet censureren omdat iets niet haalbaar is qua tijd of geld. Ik lanceer dat als een interessante reisroute en ergens in de wereld zal ooit wel iemand geïnteresseerd zijn. Experimenteel reizen is eindeloos. Je kan in alles een reisroute ontdekken."
Humo: Er is zelfs "Counter Tourism": experimenteel reizen voor toeristen van zeer klassieke bestemmingen. Met onder andere: de Eiffeltoren fotograferen met je rug naar het monument. Of wereldsteden verkennen op een ontiegelijk vroeg uur.
Henry
: «Dat is een belangrijke factor, dat bewust invoeren van een lichte vervreemding. Dat je bijvoorbeeld de Eiffeltoren fotografeert terwijl je met je rug naar de constructie staat. Of dat je alleen de toeristen fotografeert die naar omhoog kijken en niét de toren zelf. Je kan ook in contre saison gaan reizen en een bekende badplaats bezoeken in putje winter. Of nog troostelozer: bezoek eens een druk wintersportoord in hartje zomer. Die lege parkings! Die gaten in de bossen! Die kabelbanen zonder zitjes, heel vreemd, heel desolaat."

“Contra-toerisme” in Pisa: klassieke trekpleisters op een andere manier fotograferen. Jan Hertoghs

“Contra-toerisme” in Pisa: klassieke trekpleisters op een andere manier fotograferen. Jan Hertoghs

De lange mars door de instellingen
Humo: Gespecialiseerde reisbureaus die toeristen naar oorlogszones brengen, is dat ook experimenteel reizen?
Henry:
«'t Is zeker experimenteel om een oorlog eens van dichtbij te gaan bekijken. Maar in mijn ogen getuigt het van slechte smaak dat je doden en gewonden en stukgeschoten huizen als een attractie beschouwt, ik zou het nooit doen. Het uitgangspunt is ook compleet anders: die toeristen willen een kick en een sensatie beleven die ze in hun dagelijkse leven niet kunnen vinden, terwijl wij er juist voor pleiten om je dagelijkse bestaan dieper te gaan exploreren." 
Humo: Eén van je exploraties van het dagelijkse bestaan is het bezoeken van grote administratieve gebouwen. In je reisverslag spreek je van lange gangen, ongedwongen kantinebezoek en sightseeing van attractieve kantooreilanden.  
Henry
: «Daarvoor heb ik een groot en lelijk complex bezocht waar alle administraties van Straatsburg en de omliggende gemeentes samen zitten en waar zesduizend(!) mensen werken. Ik ben die mastodont langs de bezoekersingang binnengegaan en ik heb uren door die negen verdiepingen rondgezworven. Het was wel niet zo'n onbekend terrein voor mij: hier en daar werkte iemand die ik kende, dus al gauw stond ik koffie te slurpen bij allerlei copiemachines en 's middags kreeg ik zelfs een lunch: een heerlijk zalmrolletje met venkel, een karafje witte wijn en een fijne chocolademousse voor de democratische prijs van 3,19 euro! Getrakteerd door een sympathieke bediende die voor mij betaalde met zijn badge! Ze vonden het allemaal een goed idee, echt, iedereen ging erin mee. 's Namiddags was ik al zo euforisch over mijn verblijf dat ik npg dieper wilde gaan. Aan een hogere ambtenaar heb ik gevraagd of ik haar plaats gedurende een uur mocht innemen zodat ik nadien kon zeggen: ik was daar op reis, en ik was al zo bevriend met de plaatselijke bevolking dat de lokale chef mij aan zijn bureau liet zitten! Spijtig genoeg heeft ze nee gezegd. Ze zei "dat er geen werk was die namiddag" (schiet in een lach).
Wat loop ik hier eigenlijk te doen?
Humo: Welke ingesteldheid moet je hebben om een experimentele reiziger te zijn?
Henr
y: «Zelf ben ik altijd een speelvogel geweest. Ik heb in alles een spel gezocht, of ik nu naar school ging of later een boekhandel opendeed, altijd was ik met zotte plannen bezig. Wat mij telkens veel plezier bezorgt, is dat idee dat je een pionier bent, dat je allicht de eerste toerist bent om die éne plek op die vreemde manier te bezoeken. Dat is toch ook humoristisch, dat je vanzelf denkt, ik ben een pionier, terwijl iedereen zal denken: ja, maar op welk onnozel terrein (lacht)!" 

Experimenteel liften. Joël Henry duimt in  Straatsburg met “Peking”  als bestemming: ““Benieuwd wie mij gaat meenemen!” (Badische Zeitung 28/6/13)

Experimenteel liften. Joël Henry duimt in Straatsburg met “Peking” als bestemming: ““Benieuwd wie mij gaat meenemen!” (Badische Zeitung 28/6/13)

Humo: Als je een nieuw experiment uitprobeert, twijfel je dan nooit vooraf? Is er dan nooit enige drempelvrees?
Henry
: «Toch wel. Elke keer zelfs. Maar nu minder dan vroeger. Eén van de eerste dingen die ik deed, was op weekend gaan in de saaie randgemeentes van Straatsburg. Dan loop je daar tussen die woonblokken en het wordt avond en je vindt in de verste verte niks om te slapen; dan overvalt je dat gevoel van: wat loop ik hier te doen? waarom doe ik dat eigenlijk? waarom zit ik niet gezellig thuis in plaats van in deze kale miserie? Maar dat hoort erbij, die twijfel. Het is een drempel, een grens die je over moet, en dan zal je zien dat het plezier vanzelf terugkomt."
Humo: Het doet denken aan de filosofie van het liften. Je hebt mensen die het na één halve dag al voor bekeken houden en die zo nooit meer willen reizen. En bij anderen is het liefde op het eerste gezicht. Ik was vroeger nergens gelukkiger dan langs de kant van de weg. In zo'n stukje niemandsland wat staan wachten, wat surplacen, landschap bekijken, stenen smijten naar de vangrail en onnozele weddingschappen afsluiten ("binnen vijf minuten stopt er een rooie Toyota!") Er was ook altijd die belofte van verrassing: je wist niet wie jou ging meenemen of wat je die dag nog ging meemaken.
Henry
: «Dat is perfect te vergelijken! Met experimenteel reizen arriveer je ook heel vaak in zo'n vaag niemandsland. Oké, dat dorp heeft een bizarre naam, dat was je vertrekpunt, maar eigenlijk sta je ergens waar op het eerste zicht niks te zien is, en toch moet je daar surplacen, toch moet je daar iets van maken. En dat vraagt enige creativiteit en humor om zo'n 'lege' plek toch allure te geven. Meestal ga je die omgeving dan scherper en aandachtiger observeren, en zo doe je altijd wel ontdekkingen, en zo kom je effectief tot de vaststelling dat élke plek zijn bezienswaardigheden heeft. Als je tot die ingesteldheid kan komen, dat is geen succes voor die ene dag, dat is een verworvenheid voor de rest van je leven."


DEEL 3: IN VOLLE ZOMER LIFTEN MET EEN WINTERSLEE

Meer lezen