Reportages

Een archief van eigen reportages.
Over bliksemjagers en voetbalveteranen,
klaroenblazers van de Last Post en autobestuurders die geen 1000 km per jaar rijden.  
En natuurlijk nog Vele Anderen.

Het boek “Kind zonder winter” heeft zijn voorgeschiedenis. Een hele reeks winterreportages ging eraan vooraf; zie ‘Winterreportages’ (in de header) of zie onder October 2025 .

ARCHIEF

Meer reportages lezen?

Wil je ingelicht worden als er nieuwe
reportages verschijnen?

Vul dan hier je e-mail-adres in:

Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Experimenteel reizen in eigen land (1) : rugzaktoerist op 500 meter van je voordeur

De grenzen met een groot aantal Europese landen gaan weer open vanaf 15 juni. Toch is er bij velen een aarzeling om de grens over te trekken. Wat niet te verwonderen is: het virus zelf heeft zijn valiezen nog niet gepakt.
Tegelijk met die buitenlandse aarzeling is er de voorbije weken heel vaak over "toerisme in eigen land" gesproken. Meer nog: de overheid zwaait met gratis treinritten en met waardebonnen voor de eigen horeca.
In deze reeks lees je hoe je dat Eigen Land kan herontdekken als een nieuw vakantieland. Ik out mij hier als kleine touroperator van het Experimenteel Reizen. Een manier van reizen waarbij je overbekende plaatsen bezoekt, maar dan op een totaal onbekende en onvertrouwde manier.
Om te beginnen werd ik backpacker at home. Ik vertrok naar Brussels Airport om als onbevangen toerist terug te keren naar mijn eigen domicilie.
 

(uit Humo mei 2006) bewerkt en ingekort © Jan Hertoghs

Bij het toeristentrammetje op de Groenplaats. Handen in de zakken, deze lokale toerist kent de omgeving immers als zijn broekzak. © Jan Hertoghs

Bij het toeristentrammetje op de Groenplaats. Handen in de zakken, deze lokale toerist kent de omgeving immers als zijn broekzak. © Jan Hertoghs

“This is Zwijndrecht. Zwindorf! City is ginder!”

Backpacking at Home. De formule leek me eenvoudig: je neemt een rugzak, stopt er een slaapzak, wasgerief en een zakmes in en je begeeft je "naar de luchthaven om vandaar terug naar huis te keren en als zodanig rugzaktoerist te zijn in de eigen woonplaats." (In de volgende aflevering lees je een interview met Joël Henry, de pionier van het Experimenteel Reizen en de inspirator van de Lonely Planet Guide to Experimental Travel.) 
Toerist zijn in eigen stad? Ik dacht aan een fluitje van een cent, maar naarmate het vertrek naderde, sloop de twijfel binnen.
Wat er knaagt, weet ik pas als ik de shuttlebus van Antwerpen naar Zaventem neem. Je gaat naar zo'n luchthaven om een vliegtuigreis te beginnen. Zaventem staat gelijk met Onbekende Verten. Zaventem staat niet gelijk met rechtsomkeert maken naar huis, en op de koop toe nog onderdak moeten zoeken in eigen stad. Een week geleden zag ik er de grap van in, vandaag is het al veel minder. Ik moet een drempel over, ik moet stoute schoenen aantrekken. Op de De Keyserlei staat de Airport shuttle bus. Er zitten twaalf passagiers in. Die staan binnen een paar uur allemaal in een ander land; ik zal hier weer op de De Keyserlei staan. En wàt staat me dan te wachten? Stel dat er niks te beleven is in m'n eigen stad!?

14.O4 aankomst te Zaventem. De outside temperature in Brussels is 18 degrees, en alle buspassagiers haasten zich naar de Departure, ik duik gelijk naar de Arrival en het ondergrondse station van de NMBS. Een ticket kost 6,7 euro en omdat ik me in het Engels tot de bediende richt, zegt hij dat ik moet overstappen in Brussels North en dat daar every 15 minutes een trein naar Antwerpen gaat.
In Brussel-Noord vraagt een Engelse toerist of de klaarstaande trein wel degelijk de trein naar Antwerpen is? Natùùrlijk is ie dat, maar ik hoor mezelf zeggen: "I am also from abroad" en dat ik het dus ook niet zeker weet. Komediant!
We rijden door de natuur van Vilvoorde en langs machtige steden als Duffel (wc-papier!) en Hove (serreteelt!) Ik vind het land België nogal dichtbebouwd, maar om één of andere reden ben ik daarover niet verwonderd.
Tussen Berchem en Antwerpen-Centraal wordt het moeilijk: vanaf hier begint mijn eigen wijk en vlak voor het Centraal Station kon ik tot voor kort nog mijn eigen straathoek zien (de lompe betonblokken van het Kievitplein belemmerden nog niet dat zicht).  Ik weet mijn voordeur op vijfhonderd meter, ik voél mijn huissleutel in mijn broekzak, een flauwte trekt door mijn buik, maar eens het station uit, voel ik me beter. Ik ben over de drempel, let's go!

Op de Meir zet ik een vissershoedje en een zonnebril op. Een geslaagde vermomming is het: niemand zal me herkennen, maar tegelijk is er ook niémand die bij dit grijze weer een zonnebril en een zonnehoedje draagt.
Als toerist moet ik uiteraard stilstaan bij de straatanimatie op de Meir. Eerst zie ik vier breakdancers die op hun hoofden en ellebogen rondtollen, en dan is er honderd meter verder een man in purperen skipak, hij heeft een gifgroen gezicht en een gifgroene pruik en hij moet een standbeeld voorstellen. Van zo'n standbeelden verwacht ik dat ze stijf staan tot ze omvallen of tot ze een muntstuk horen vallen. Dit exemplaar maakt al kushandjes nog voor ie wat geld krijgt. Ik schrijf het op: een stielbederver.
Om een slaapadres te vinden klop ik aan in de Pelgrimsstraat. Daar is Den Heksenketel, een hostel met folkcafé. Ik ben benieuwd of de hostellier er is. Dat is Raf Guetens, veertig jaar geleden heb ik met hem in een schoolbank gezeten. Maar Raf is er niet, de vrouw die open doet, zegt dat ik lucky ben, want dat er nog juist één van de zesentwintig bedden vrij is. En dat het 17 euro is mét slaapzak, of 19 euro mét lakens. Ik moet ook mijn naam en adres geven... nen backpacker ojt Antwaarpe? Welwel, dat hebben ze hier nog niet gehad.
Ze toont me de kamer met de stapelbedden die ik met zeven Chinezen zal delen. Op één bed ligt een gids Let's Go Europe (on a budget). Ik ga in het raam staan en leun over de balustrade, de kathedraal en de cafés zijn vlakbij, de geur van steak en peperroomsaus hangt tegen de gevels, centraler kan zo'n hostel niet liggen.

Als enige inzittende van het toeristentrammetje. Stadsplan in de bovenzak: het beste bewijs dat deze man een toerist is.  ©Jan Hertoghs

Als enige inzittende van het toeristentrammetje. Stadsplan in de bovenzak: het beste bewijs dat deze man een toerist is. ©Jan Hertoghs

Eénpersoonstram
Ik schaf een wegwerpfototoestel aan en op de Groenplaats wil ik in het knalrode toeristentreintje stappen voor een sightseeing. Vijf euro voor veertig minuten Antwerpen, a cheap trill, maar de chauffeur wil mijn geld nog niet aannemen, hij mag die laatste rit van 17 uur alleen maar maken "bij een minimum van zes passagiers. Regel van de baas, "anders is het niet rendabel!" Ik heb dit sukkeltreintje in de voorbije jaren al duizend keren zien staan, het nooit een blik waardig gegund, maar NU wil ik ABSOLUUT die rit rijden. Om vijf voor vijf begin ik zelfs passerende toeristen aan te spreken. (You want to go for a ride? We need five people!) Om vijf uur zegt de chauffeur tegen een gepensioneerde op de zitbank: "'t Is gedon veur vandoag. D'r komt gin kat nimmer." Dat Antwerps begrijp ik en ik kijk hem wanhopig aan, what is your terminus? It's Kattendijkdok, zegt hij, en ik mag tot daar meerijden. En zo bollen we dus de Groenplaats af, drie rijtuigen met één chauffeur en één passagier op de achterste achterbank. Ik zit met mijn armen breeduit, pontificaal, de koning te rijk. En dan, op de Vlasmarkt, zie ik Peter Van den Begin en Stany Crets! Ik twijfel geen twee seconden, ik wuif naar hen als een klein kind, en zij - verbaasd om die zwaaimens in dat lege trammetje-  staan stil, en ze zwaaien even kinderlijk terug. Pas aangekomen en al zo'n highlight, de dag kan niet meer stuk!
Zwindorf!
Tijd voor de formule Till the End of the Line. Stap op een trein, tram of bus. Rij naar de terminus en zie wat er te beleven valt. Ik neem tramlijn drie naar Zwijndrecht, een gemeente die twijfelt tussen dorp en groene suburbia. Onderweg aanschouw ik de heerlijke natuur en de aanpalende industrie van de Linkeroever, op de middenberm zit zelfs een scholekster te pikken tussen de uitlaatgassen. De terminus ligt buiten Zwijndrecht, bij de grens met Melsele. Het is een uitgestrekte park + ride met langszij één polderboerderij waarvoor ze nog niet de tijd hebben gehad om ze af te breken.
Ik rij twee haltes terug naar Zwijndrecht-Dorp tot aan de kerk waar een troep plechtige communicanten naar buiten stommelt. De catechese is voorbij, om te lachen doen ze nog eens voor hoe ze devoot hun handen moeten vouwen. Ik nestel mij op het terras van Café De Toerist en stel een vraag om de locals op stang te jagen. Is this city? Is this Antwerp? - No, no, no! City is ginder. This is Zwijndrecht. Zwindorf! Is a village! En of de mensen van die grootstad dan niet neerkijken op de village? De spreker schudt van nee, een andere terraszitter springt bij: "Dat neerkijken is jàren geleden. I tell you why. Antwerpen heeft 8% gemeentetaksen en Zwijndrecht maar 1% en zo zijn de mensen van de city hier komen wonen, and now they are very friendly for the people from here."
Zwindorf rules!

Voor het stadhuis van Antwerpen. Leunend op aantrekkelijk en bezienswaardig dranghekken.  © Jan Hertoghs

Voor het stadhuis van Antwerpen. Leunend op aantrekkelijk en bezienswaardig dranghekken. © Jan Hertoghs

Café Par Hasard!
Na het eten van een mattentaartje (een streekspecialiteit!) brengt lijn drie me in no time terug naar de stadskern met zijn rumoerige terrassen en inhalige pizzeria-binnenwippers (Buona sera chef! Pizza klaar! Prego chef!) Ik stil mijn honger in 't Lastig Portret waar ik zeven euro betaal voor een salade met warme geitenkaas. Nadien wil ik wat cafés aanlopen, maar niet de cafés die ik al ken. En ook niet de cafés met teveel volk. En ook niet die met te weinig volk. En evenmin die... En dan is ineens de rek eruit. Dit is de dip die alle experimentele reizigers doormaken ("Ineens is er dat gevoel van: wat loop ik hier te doen? waarom zit ik niet gezellig thuis?") Die twijfel hoort erbij volgens de insiders, ik moet doorbijten "en dan komt het plezier vanzelf terug".
Oké, nieuw en zelfverzonnen experiment. Ik ga vanaf nu de eerste straat rechts, dan links, dan weer rechts, en aldus stappend zal ik àlle cafés binnengaan waarvan de beginletter overeenstemt met de beginletter van de straat. In theorie ziet deze formule (Café Par Hasard!) er prachtig uit, maar in de praktijk heb ik in twee uur stappen slechts twee cafédeuren kunnen openstoten. Niet echt een kroegentocht dus, en het is al bijna half twaalf als het lot me naar café 't Kloosterke brengt, in de Kloosterstraat.
Onder de tonen van Only a fool breaks his own heart betreed ik de gelagzaal. Er zijn nog maar twee klanten aanwezig. De ene ziet me aarzelen en spreekt me toe: "Ga zitten maat. Ook in een leeg café kunt ge iets drinken!" Als de dienster dan vraagt wat ik wil drinken, zeg ik "a coffee please" en wijs ik op het papier: Donderdag 1 Pannenkoek Gratis bij Elke Consumatie. Ze trekt ogen, schudt van nee en ik hoor haar tegen de andere klanten zeggen wadenkt dieje wel? toch gin pannekoeken oem halftwelf zeker?! Klant nummer twee zet intussen zijn story verder, een lang toogverhaal over the rise and fall van een lokale taximaatschappij, en een verhaal met maar één refrein: Ik zal 't oe zegge: da was doar klote, effenaf klote, dikkement maajn klote! 
Alles klote dus in 't Kloosterke in de Kloosterstraat. Ik nok af, zonder links of rechts ga ik weer naar Den Heksenketel.
De trekking naar K2
Vanachter de deur klinkt Ierse folk, ik loop de trap op naar het bureau van Raf. Hier sè, de Jan! Alsof hij me vorige week nog gezien heeft, terwijl het veertig jaar geleden is. Raf komt uit de sociale sector, "werkte vroeger met doven en autisten", en de laatste twee jaar is zijn zorgsector "de mensen met een rugzak op hun bult." Raf staat er niet alleen voor, er is een vzw met vrijwilligers om de boel draaiend te houden. Al in het eerste jaar na de opening was Den Heksenketel een succes, "we stonden negende op de wereldranglijst van www.hostelworld.com, dat is op tienduizend hostels worlwide!" De Guinness en de Achouffe gaan volop schuimen  in de glazen, maar om twee uur heb ik genoeg tegen de toog geleund en zoek ik mijn bed op. Morgen moet ik vroeg op voor mijn trekking naar de K2. Ik stommel naar het slaapzaaltje, de Chinezen liggen  al uniform te ronken.
Om zes uur wordt het licht in de kamer, ik heb slécht en slechts vier uur geslapen, en dat heb ik aan die zeven Chinezen te danken. Naast spleetogen blijkt dat volk ook een kleine blaas te hebben, zo dikwijls als die toiletdeur gekraakt heeft vannacht! Ik probeer nog wat slaap te vatten, maar vergeefs, om zeven uur sta ik al met de rugzak op straat.
Anvers s' éveille, en het zijn de allochtonen die overal de cafés en de restaurants met zeepwater schrobben, en met kettinggerammel de terrasstoelen weer op hun plaats zetten.
De formule Expedition to K2 is ook een idee uit de Lonely Planet ("Ontdek een onbekend deel van de stad. Zoek een stadsplan. Doe een voettocht naar het vakje K2 van de plattegrond.) De Antwerpse K2 blijkt op de Jan Van Rijswijcklaan te liggen, zo'n vijfduizend meter van het stadscentrum. De lucht is staalblauw en er staat een strakke koude bries, ideale omstandigheden voor deze trektocht. Via de Groenplaats en de vallei van De Boer Van Tienen bereik ik de Sint Jorispoort. Ik steek de brede en gevaarlijke leien over en dan ontvouwt zich de Mechelsesteenweg. Die ligt over een grote afstand opgebroken, het voetpad is slecht afgebakend met roodwit lint en ligt bezaaid met zand en losse stenen. Er moet nog een team zijn langs gekomen, want ik vind lege verpakkingen van Solo, Butella en Jupiler. Na drieduizend meter bereik ik de Jan Van Rijswijcklaan, het laatste rechte stuk voor de K2. De omgeving wordt beboster, ik zie platanen, rododendrons en taxussen, en uitzonderlijk op deze hoogte, een grote magnolia.
Na de gevaarlijke oversteek van De Singel (een zware verkeersstroom) zie ik de K2 in de verte liggen. De zon staat nu  boven de boomkruinen, en se lucht is hier ook ijler dan op de Groenplaats, dat merk ik aan mijn ademhaling. Ik laat de Beschavingstraat rechts liggen en dan kom ik in de zone van de waarheid. Nog een laatste krachtinspanning en om 8uO5 sta ik boven op de K2. Het uitzicht is helder, ik kan zelfs de oprit naar Brussel zien.
Terwijl ik uitrust, nadert een stip uit de verte. Hij draagt een rooie jak en heeft blond haar. Het is mijn jongste jongen die met de fiets naar school rijdt. Hij is duidelijk verwonderd om zijn vader hier verfomfaaid langs de weg te zien, wat er is, hoe ik daar kom? Ik zeg iets van K2, hij wil het straks pas weten, nu moet hij naar school. Twee minuten later mijn oudste zoon, of ik goed geslapen heb? Te weinig geslapen, zeg ik, maar vier uur. Loser!! Ja, zo ken ik mijn kinderen.

Na de moeilijke trekking sta ik op de top van de K2. De lucht is hier ijl, op 5000 meter boven het stadscentrum  © Jan Hertoghs

Na de moeilijke trekking sta ik op de top van de K2. De lucht is hier ijl, op 5000 meter boven het stadscentrum © Jan Hertoghs



Ik loop een eind terug tot aan de brug over de Ring en boven dat gedaas van het verkeer voel ik me ineens een buitenstaander. Ik ben op een vreemd uur opgestaan, ik ben door straten gestapt waar ik normaal nooit zou wandelen, en ineens ziet die stad die ik zo goed ken, er heel anders uit. Er is een tastbaar gevoel van vervreemding, een reëel dépaysement.  
Extreem vriendelijk
Terug in de Heksenketel pak ik de rest van mijn bagage in. De Chinezen die pas wakker zijn, bekijken me verwonderd: sliep er een bleekgezicht in ons midden? Ze studeren in Metz en spreken goed Frans. Voor een trip van vier dagen reizen ze door Nederland, België en Duitsland. Ik zeg dat ik vanmorgen op de K2 ben geweest. Ze bekijken me zonder uitdrukking. Dat is de tweede hoogste berg ter wereld, zeg ik, jullie kennen toch de Himalaja?! Ze durven amper te knikken. En dan spreek ik van het stadsplan en dan lachen ze, en begrijpen ze het onmidddellijk, ah oui, juste pour l'expérience!
Raf heeft het ontbijt op de lange houten tafel gezet.  Vanuit het café klinkt Alan Stivell, de goeie ouwe folkrocker uit Bretagne. Het liefst ziet Raf 's morgens tien nationaliteiten samen aan de tafel zitten, "en dat je dan al die verhalen hoort". Hij heeft de wereld al in zijn hostel zien passeren: heel Europa, Alaska, China, Korea en Japan. Ik ben de eerste backpacker uit Antwerpen, "en liefst ook de laatste. Ik heb liever vreemd dan eigen volk." En wat het "bruine imago" van Antwerpen betreft: "Van geen enkele gast heb ik al horen zeggen dat het hier precies een extreemrechtse stad is. Wat ik daarentegen àltijd hoor, is dat de mensen hier extreem vriendelijk zijn."

Aan de voorbijganger-fotograaf heb ik gevraagd om alles erop te zetten: Rubens, de kathedraal, mezelf én Het Hellend Vlak van de Groenplaats.  © Jan Hertoghs

Aan de voorbijganger-fotograaf heb ik gevraagd om alles erop te zetten: Rubens, de kathedraal, mezelf én Het Hellend Vlak van de Groenplaats. © Jan Hertoghs

Tram der traagheid
Ik loop weer het centrum in waar de toeristen uit de autocars worden geladen, in lange rijen volgen ze de gids, achter een  vlaggetje of opgestoken paraplu. De zon schijnt in de stralen van Brabo en ik vraag aan een ouder koppel of ze een picture van mij willen nemen. Frans, dieje mengs vroagt veur een fotto te trekke! Nabij het standbeeld van Rubens vraag ik opnieuw een foto aan, en tegen de gelegenheidsfotograaf leg ik uit dat everything erop moet staan, Rubens and the cathedral. Een onmogelijke opdracht eigenlijk, ik zie onze man stap voor stap achteruit wijken tot hij haast in de massa verdwijnt. Ja, vriendelijke mensen hier!
Ik wil opnieuw in het toeristentreintje, en deze keer the real thing. Dat kan om twaalf uur, ik betaal, stap in, en luister ontspannen naar het wachtmuziekje, een James Last-versie van 't Is weer voorbij die mooie zomer. Wat prima past bij deze schitterende dag, met de volle terrassen en iedereen content achter de gevulde fonkelende glazen. Met nog zeven andere passagiers vertrekken we. De chauffeur duwt op play en het cassetje begint aan zijn ronde van de stad, in vier talen nog wel. Eerst rijden we langs de kaaien, en dan over de Grote Markt. Om zich een weg te banen door de toeristen doet onze chauffeur zijn motor in een schril toerental draaien, als verschrikte duiven zetten ze een stap opzij. Of hij dan geen horn heeft, vraagt de Amerikaan in mij.  Jawel, maar die claxon mag hij niet gebruiken in deze verkeersvrije zone, here everything must be quiet from the Polizei. We rijden langs het Steen en ik zie veel passanten omkijken: het treintje ziet er ook uit als een overblijfsel uit de Expo-jaren en met zijn tien per uur rijdt het ook tergend traag temidden van het nerveuze stadsverkeer.
Via het Eilandje (de cassettestem is daar onverstaanbaar door de dokkerende kasseien), het Hessenhuis en de Stadswaag komen we in de Sint Katelijnevest, the street from the typewriters, radios and tv's. Het cassetje moet al in geen tien jaar meer zijn aangepast, want in heel die straat is géén typewriter meer te kopen. Tegelijk heeft het ook iets schoon, die gedateerde uitleg in dat gedateerde trammetje.

Ik ben nu vierentwintig uren van huis, en hoe langer op stap, hoe meer out of place ik me voel. Een andere backpacker-at-home beschreef het zo: "Je bent niet langer een local, maar ook niet echt een stranger. You are either a local stranger or a strange local."

Volgens de theorie zou ik nu weer een trein of bus moeten nemen naar Zaventem om zo naar huis terug te keren, maar die energie heb ik niet meer. Ik stap dan maar op een tram naar de luchthaven van Deurne. In een onhandig maneuver trap ik op de tenen van een mevrouw. Amai seg, da woare die van maij! Vijf keer sorry zeggen is natuurlijk niet genoeg. Tegen haar man zegt ze: en dan stekt 'm nog bekanst mè zaajne rugzak in m'n ooge! Ik versta elke letter, maar ik moet me gedragen als doof en stom. Op de INTERNATIONALE LUCHTHAVEN ANTWERPEN staan 15 reizigers aan de check-in en in de airport shop koop ik mijn Belgian chocolates voor thuis. En dan is het: bye-bye Antwerp! Daar is al de onberispelijke gezagvoerder en een luchthavenbediende van deze wereldstad begroet hem op groot-kosmopolitische wijze: Allez, mannen, een goei vlucht hé!!

Alfabetisch Liften
Na de stad wil ik ook op de buiten een experiment wagen, iets zoals  de Ier Tony Hawks, die door heel Ierland liftte met een koelkast. In mijn verbeelding zie ik me al langs de weg staan met hengelgerief, een duivenkorf, een slee, een kapstok, een gitaar, en een kanariehok. Maar het blijft liften-met-een-gimmick, ik vat een àndere uitdaging aan. En zo bedenk ik het Alfabetische Liften. Wie mij meeneemt, mag mij op gelijk welke bestemming deponeren, maar de eerste letter van die plek moet ook de eerste letter zijn van z'n voornaam. Een Jan kan me dus meenemen naar café Jagersrust, een Nadia heeft de keuze tussen de Noorderlaan en een Nagelstudio. Mijn eindbestemming zal dus ongewis zijn en ik doop deze tocht nu al de No Direction Home Tour.
Mijn uitvalsplek is de weg naar Wommelgem en Ranst, op een ochtend komt daar vanuit Antwerpen een stroom werkverkeer voorbij. Er gaan  vijfendertig minuten en naar schatting vijfhonderd auto's voorbij voor er een Renault Mégane stopt. Waar moet ge zijn? Dat kan ik natuurlijk zo gauw niet zeggen en dus doe ik een veel te lange uitleg over de Lonely Planet Guide en experimenteel reizen en het alfabetisch liften, en dan is er het simpele antwoord. Oké, ik heet Wim en ik neem u mee naar mijn Werk!
Zijn werk is de MPI Zevenbergen, een grote zorginstelling midden in het bos nabij Ranst. Een kwartier geleden stond ik nog in het stinkend ochtendverkeer en nu loop ik tussen de beuken die het zonlicht filteren. Er is ook een Lourdesgrot waar Bernadette al decennia opkijkt naar Maria-in-den-hoge en zo kom ik in Ranst.
Konijn in Kessel
Daar wacht toepasselijk het eethuis Roodkapje: ik had honger als een wolf én ik kwam uit een bos! Bij mijn ontbijt zie ik dat Ranst één van die voorbeeldige gemeenten is waar de fietsende schoolkinderen gele fluo hesjes dragen, met dan nog een dubbele haag van volwassenen in oranje kazuifels. Overbeschermde dutsen, ik krijg er compassie mee. 
Mijn volgende lift richting Emblem heb ik snel beet. De chauffeur heet Olivier en hij stopt bij de Oostmalsesteenweg waar ook een Omlegging is. (Bij het uitstappen vraagt hij wel: "Wat gaat ge doen als een Xavier u meeneemt?!")
Ik maak een bordje met Kessel en een vrouw stopt. Ze heet Karin en ze moet in Kessel aan de Kerk zijn. Van dan af volgen de gunstige wendingen mekaar op. Vlakbij de kerk van Kessel steekt er een konijn over, een Kessels Konijn natuurlijk. Ik ben echt geboren voor dat alfabetisch liften.
Honderd meter verder vind ik 5O eurocent op straat en pas is dat muntstuk opgeraapt of daar stopt al een chauffeur, zonder dat ik m'n duim heb uitgestoken! 't Is een klein mirakel, want de mens heet Michel en rijdt in een Mercedes! Zijn eindbestemming is Berlaar waar Michel mij laat uitstappen op de Markt.
David die naar Herenthout rijdt is een man met een beugelmicrofoontje voor de mond. "U zit met problemen? Ziet u onderaan rechts die symbolekes? Is daar een geel beerke bij?" Hij is helpdesk voor middenstanders met een computernetwerk en onderweg naar de ene klant, krijgt hij telefonische raadsels van de anderen.
In Herenthout zet deze David me af aan de Döner Kebap, maar het had evengoed De Kat, De Kroon of Den Uil kunnen zijn. Cafés met een D zijn hier zat.
Uit Herenthout-Centrum geraak ik moeilijk weg. De uithangborden Broodautomaat en Schuermans Verzekeringsmakelaar Sinds 1978 heb ik nu al veertig keer gelezen en ook de voegen van de bakstenen rijhuizen beginnen mij stilaan goed te kennen. Een bestelwagen rijdt voorbij met op de achterkant een sticker "Ik Stop Vaak!" Maar dan toch niet voor mij.
Uiteindelijk stopt een vrouw omdat ik in een dorp blijk te staan "waar ge nooit ofte nooit een lifter ziet". Als ze me aan het grensbord van Itegem deponeert, moet ik nog rap haar voornaam vragen. Dat is Imelda, zegt ze. Saved by the bell!

Liftend vanuit het centrum van Herenthout. “Ik neem u mee omdat ik hier nog nooit een lifter gezien heb”  © Jan Hertoghs

Liftend vanuit het centrum van Herenthout. “Ik neem u mee omdat ik hier nog nooit een lifter gezien heb” © Jan Hertoghs

Klein Scherpenheuvel
Ik heb ineens genoeg van dat alfabet en ik wil een aanpassing invoeren die dichter aanleunt bij het toerisme in eigen streek. Aan de zeventigers Jeanne en Marcel die naar Wiekevorst rijden, vraag ik om me naar "een plaatselijke bezienswaardigheid" te brengen. Dan brengen wij u naar Klein Scherpenheuvel, zeggen ze. Marcel vertelt de legende van een koopman die uit de handen van struikrovers bleef door in een boom te kruipen, en die man heeft uit dankbaarheid een replica van Scherpenheuvel laten bouwen. En inderdaad, hier is een heuveltje en daarop staat een mini-versie van de basiliek. Er zijn ook brandende kaarsen en er zijn de staties van de kruisweg met proper gebezemde paden. Aanzichtkaarten van één euro zijn te verkrijgen, en voor de minder vrome bezoekers is er Camerabewaking. 
Het is middag en ik wil iets eten in Wiekevorst. Het is nog een dorp waar de verenigingen hun activiteiten aankondigen op grote houten plakkaten: de St-Jansvrienden gaan binnenkort het stuk "Perron-Geluk" opvoeren. De middenstand zelf zoekt geen woordspelingen. Hier heb je Bakkerij 't Pistoleeke, en in Berlaar had je al frituur 't Frituurke. Je moet erop komen.    
Voor een broodje moet ik in Frituur Bambam zijn. Dat is een oude naam voor een middenstandszaak, want Bambam komt uit The Flintstones, een zeer populaire tv-tekenfilmserie van de jaren zestig. Decennia later zijn de wanden van de frituur nog altijd versierd met muurtekeningen uit de serie. De prehistorische Fred Flintstone heeft een groot pak frieten vast. Recht uit het Puntzakken Tijdperk.
Beklimming van de Asberg
Van Wiekevorst naar Westerlo word ik meegenomen door Herman uit Herselt! Hij weet niet zo gauw een bezienswaardigheid, maar dan weet hij ineens toch een berg zijn, de Asberg in Westerlo. Ik tel de stappen tot boven, en schat de berg zo'n twintig meter hoog. Op de top ga ik in het duingras liggen, ook een experimentele reiziger wil wel eens uitrusten. Hoog boven mij knispert het in de grove dennen, het zijn de dennenappels die door de warmte openknippen, de zaadvlimmetjes cirkelen met tientallen naar beneden. Het ruikt hier sterk naar hars, een geur van lang geleden verstoppertje spelen.
Op de picknickbank zijn brute zinnen gekrast. I love m'n schatje.  Ik ben geil meisje als jij geile jongen bent neuk ik gratis (met gsm nummer) Jezus is Cool. Hitler is Cool. White Power. Ja, de Asberg, daar komen wel eens assholen op af. Bij de VVV vraag ik meer uitleg over deze lokale Botrange. Het zou een grafheuvel uit de prehistorie zijn, er zijn al urnen met asse gevonden en als ik de exacte hoogte wil weten, dat is 24 meter boven de zeespiegel.

A kempenhof.jpg

Schenk me deze nacht!
In Westerlo kan ik mee met een man en zijn aanhangwagen. "Ne lifter! Gij zijt een uitstervend ras!" Hij behoort tot een winstmakend ras, hij koopt en verkoopt tweedehands elektro. 't Is ook de eerste die me in de steek laat: "In Meerhout, begot, daar weet ik niks toeristisch zijn." 
Geen vijf minuten later zit ik in de auto van Marie-Louise. Ze heeft "vanzeleven nog nooit een autostopper meegenomen" en ze heeft ook wat spijt over haar leven. "Was ik nu jong, dan zou ik dat ook doen, zo avontuurlijk reizen als gij." Toen zij jong was, heeft ze nooit gereisd. Haar ouders gingen "nooit weg". Marie-Louise kent Balen niet goed, ze woont er nog maar pas, maar ze zal me een "interessante plaats" laten zien waar zij veel kwam toen ze nog alleen was. "'t Is een dancing waar ge elke namiddag kunt dansen en op sommige namiddagen is er ook gratis buffet. Dan kwam ik van mijn werk en dan ging ik daar dansen en eten".
"Het Kempenhof" ligt met zijn grote parking achterin een onopvallende tuinwijk. Ik kan niet anders dan verbaasd zijn, het is een donderdag, half drie in de namiddag, en in de grote taverne tel ik zeker honderdtachtig mannen en vrouwen op de dansvloer en aan de tafeltjes. Gemiddelde leeftijd: 60 tot 75 jaar. Ik zie veel permanents, losse plastrons, gouden zegelringen en gouden halskettinkjes. Vrouwen vegen het zweet van hun hals met een servetje, mannen aan de toog lachen naar mekaar zoals mannen aan de toog dat kunnen.  Alles onder control, Jos? Ja, alles onder control! Een ouderwetse schoonheid komt op naaldhakken voorbij, elke vent gaapt haar na, wat een wijf, mannekes, olala zeg!

In de week is het vooral voor de alleenstaanden en in het weekend is het meer voor de koppels, zegt Gérard die hier al vijf jaar komt. En dat straks de "belegde sandwichen" komen. Gratis en voor niks! En soms treedt hier Willy Sommers op, of Salim Seghers, of Chris Rilly als ik die ken. "Alleen is maar alleen," zegt Gérard, "dan zijt ge toch beter hier dan thuis in uwe zetel!" En dat er af en toe al eens een vrouwke met hem is "meegegaan, maar nooit voor lang". Ik blijf nog lang staan kijken aan de toog. Als de dj zijn drie tragen speelt, loopt de bak helemaal vol met schuifelaars, boezem tegen borstkas en onderteksten van het Hollandse levenslied. Schenk me deze nacht/ Laat me niet alleen/ Hou me in je armen/ Ga niet van me heen! Ik laat de nacht in Het Kempenhof. Buiten schijnt de zon, het stof ritselt over de parking en alleen het suizelen van de dennen is hier te horen. Het is half vier, in de Bert Leysenlaan komen de eerste kinderen van school.   

Leopoldsburg.  Toerist in eigen land maakt V-teken bij een tank uit een ander land.  © Jan Hertoghs

Leopoldsburg. Toerist in eigen land maakt V-teken bij een tank uit een ander land. © Jan Hertoghs

Dylan in Hasselt?!
Niels
stopt voor m'n bordje Leopoldsburg. Ik zeg dat ik het stadje L. alleen maar ken van de militairen, van Marcel Vantilt en van Dominique Deruddere. Dat moet treffen:, Dominique is de nonkel van deze Niels! Om tegemoet te komen aan mijn vraag naar lokaal toerisme, geeft hij een sightseeing van Het Kamp : Zijn Straten waar vroeger 250 soldatencafés waren, Zijn Legersportvelden en ontspanningszalen, Zijn Legertank nabij het station en tenslotte het geboortehuis van Zijn Filmregisseur D.D.
Ik heb genoeg lokaal toerisme gezien en maak me klaar voor het moeilijkste deel van de No Direction Home Tour. Op een wit karton schrijf ik in dikke letters DYLAN, en in zeer kleine letters Bob. Ik steek de spoorweg over, zet mijn rugzak langs de weg naar Beringen en Hasselt en wacht. Het is een ideale plek, de auto's komen constant en in trage rijen voorbij.
Eén chauffeur lacht, een oudere man schudt van neen, Dylan, daar moet hij niet heen. Ik weet niet goed hoe ik me moet houden, hoe ik neutraal moet kijken bij de schapenblikken die nu passeren. Want ja, het is wél lachen hoe ze gàpen naar dat nooit vertoonde bord. Je ziet ze denken, Dylan? Dylan? Treedt die straks op in Hasselt, ofwa? Ik zie ook chauffeurs die vertragen om te stoppen, die het bord lezen en dan toch weer op hun gas duwen, ne zot zeker?! Na een half uur moet ik me al vermannen dat het toch gaat lukken: ja, er gaat een Dylanfan stoppen. Ja, Dylanfans hebben het hart on the road. Ja, Dylanfans hebben zin voor humor. Er rijdt weer een gaper voorbij, de passagier duwt het zijraampje open en schreeuwt Dylààààààn! Ooit zal ik dit relaas persoonlijk vertellen aan Robert Zimmerman, dat staat vast.  
Dan stopt een stoffige Mercedes. Ik trek de deur open, waar moet ge naartoe? Teleurstelling. Hij heeft het bordje niet eens gelezen, maar hij moet wel lachen als hij het ziet. "Vriend, gij hadt evengoed New York op dat karton mogen schrijven, ik stop altijd en voor alleman!"
Rusteloos
Paul
doet "iets met dressuurpaarden" in Hamont, training en jumping en af en toe een verkoop. Naast hem zit de Noorse vriendin van zijn zoon Sven. En die achtentwintigjarige Sven is nu op tournee door Europa, samen met een Ierse singer-songwriter. Paul vraagt aan de vriendin van welke muziek zijn zoon houdt. The Girl from the North Country noemt ze bedachtzaam op: Cobain, Neil Young, Dylan, Jeff Buckley, Leonard Cohen, Steve Earle... "Sven heeft al in alle Europese landen opgetreden. Hij wil van zijn muziek leven, en dus leeft hij vaak op droog brood. 't Is ook een jongen van veel stielen, hij heeft al voor journalist en detective geleerd, hij was al straathoekwerker en vrachtwagenchauffeur, en nu werkt hij bij De Post. Dat rusteloze karakter heeft hij van mij. Ik kom uit een boerenfamilie van acht kinderen, en in 1968 ben ik naar Canada vertrokken. Ik was drieëntwintig en hier in België hield ik het voor gezien. In Montréal kwam ik bij een tandarts die als hobby een farm had, een boerderij met driehonderd koeien. Ik ging voor die mens werken, terwijl ik geen woord Frans sprak en ook geen woord Engels. Maar drie maanden later kocht ik mijn eigen quarter horse en reed ik al de bergen in om die koeibeesten bijeen te drijven. Paul, de Belgische cowboy!" Hij mept op zijn stuur, 't was een avontuur.  
We rijden naar vrienden in Zonhoven, zijn vrouw is daar ook. Hij rijdt het gazon op, komt roepend uit de auto, "kijk wat ik nu langs de baan heb opgeraapt!" De oude boerderij is een zoete inval en op korte tijd zitten we met zijn achten rond de buitentafel. Er komen bier, wijn, porties pizza, en veel verhalen op tafel, het is een feest, maar wat hebben we gevierd die avond? Dat de zon nog zo laat scheen? Dat de vogels floten in alle bomen? Dat Paul en z'n vrienden even oud waren als Dylan? Dat we mekaar gevonden hebben door Dylan? Dat we mekaar gevonden hebben langs de weg? In elk geval, dat niemand mag blijven staan langs de weg.
Om negen uur wordt het donker en sta ik opnieuw te liften. In twee etappes raak ik in Ham, en dan in één rit naar Antwerpen. De chauffeur hoort me mijn dag vertellen, dus gij doet eigenlijk autostop voor uw job! ?

Nawoord (1) tientallen ideeën voor experimentele reizen vind je hier (in meerdere talen) : http://latourex.org/latourex_en.html
Nawoord(2) Taverne-Dancing Kempenhof is in 2010 failliet gegaan en Raf stopte eind 2009 met het hostel en folkcafé Den Heksenketel.

DEEL 2: DE BEDENKER EN PIONIER VAN EXPERIMENTEEL REIZEN

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Café Corona: hoe moet het verder met het volkscafé?

Vanaf 8 juni mogen de cafés weer open. Er zijn wel restricties: tooghangen of aan de toog bestellen kan niet meer en iedereen moet plaatsnemen aan een tafeltje. Dat stelt een probleem voor de volkscafés met een kleine ruimte. Hoe kan je nog een volkscafé zijn zonder tooghangers, en met een handvol aanwezigen die gedwongen tafelarrest krijgen? Vaak hebben die kleine volkscafés ook geen terras om naar uit te wijken.
Twaalf jaar geleden was er een actie "Red het Volkscafé" omdat dat sociale patrimonium toen al bedreigd was: naar analogie van de buurtwinkel moest het buurtcafé ook meer bescherming krijgen.
Lees hier over een leerrijke kroegentocht.

uit Humo  22/1/08 (c) Jan Hertoghs

(Ingescande foto uit Humo: Stephan Vanfleteren/2008)

(Ingescande foto uit Humo: Stephan Vanfleteren/2008)

Red het volkscafé!
Een leerrijke kroegentocht.

Op deze dinsdag blaast een hevige storm over het land. Huisdaken houden hun adem in, takken kruipen over de weg, wolken schieten een ander werelddeel tegemoet, maar geen ontketend natuurelement kan ons nu binnenshuis houden. Vandaag zijn wij immers op pad in het kader van de actie "Red Het Volkscafé". Een kroegentocht dus. Niet voor ons plezier, maar omdat het moét, omdat de plicht ons roépt!
De eerste deur die ik openduw is van Café Bostella in Essen-Hoek. Tien klanten kijken over hun schouder, 't is een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker, maar ik word al gewenkt aan een tafeltje. Daar zit Leo Cautereels (65) uit Zoersel die zich al meer dan dertig jaar met een volkskundige passie in het traditionele café heeft verdiept en die me de komende uren opmerkzaam zal maken op waardevolle details in vloeren, togen, tafels én klandizie. "Spijtig dat het biljart vandaag klaar staat voor de biljartclub. Normaal ligt er een toile cirée over de tafel en ligt het vol met kleine commerce: kaas, vlees, eieren en groenten. We zitten hier vlakbij de Nederlandse grens, hier heeft het smokkelen altijd gefloreerd en dat leeft nu nog voort in die kleinhandel."
In kartonnen dozen op de tafels kan je de handelswaar van vandaag bekijken: verpakte eieren, jonge kaas, hammetjes en bloedpens. Op de koeltoog hangt een gedrukte mededeling: Een Pak Hoeve Boter Van 250gr Kost 1€30. Vraag Aan De Toog.
Er komt een klant binnen die zegt dat het verdoeme een hondenweer is en die handenwrijvend bij de stoof gaat zitten. (Ik zou zeggen: tien punten van de volksjury voor dit tafereel!) Een stille man die een dikke aspunt op zijn cigarillo heeft laten groeien, begeeft zich achter de toog en vult eigenhandig een koffiefilter met heet water uit de ketel. Doe alsof ge thuis zijt, is hier het adagio van de stamgasten.
Aan de muur worden de kaarters gewaarschuwd (Smoel Toe Achter Het Spel) en tegen datzelfde behang is er ook nog het spaarkaske van een bloeiende vereniging met de naam "Nooit Geluk". Voorts heeft de plaatselijke konterfeiter Paul Pauli bovenop de lambrizering tien schilderijen tentoongesteld, allemaal landschappen die in geen enkele huiskamer zullen misstaan en ze kosten: 200 euro Met Lijst en 150 euro Zonder Lijst.
Want zo is bazin Julia : ik kan niks weigeren, zegt ze, " als ze iets willen verkopen, dan zeg ik: breng maar mee! " Julia (77) vertelt dat zij het café in 1968 heeft overgenomen van 'De Zwarte Panter', dat moet een vrouw geweest zijn die altijd in een tijgervel liep en "met van die blote borsten in een visnet". De pastoor preekte tegen dat bandeloze café, "niemand zette daar zogezegd een stap binnen, maar als ge aan de achterdeur ging zien, dan stonden daar een hoop mannenvelo's".
In de jaren zeventig kon Julia amper rond komen van de klandizie en nu ze oud is en er minder van kan genieten, nu draait het café als vanzelf, "dat komt door de wandelaars en de fietsers en door al die gepensioneerden die iets met hun vrije tijd moeten doen". Vroeger kwam men alleen op zondag buiten, "nu gaan de mensen alle dagen de baan op". Ja, die magere jaren! Ze zat toen "met een zieke vent in huis" en de dokterskosten liepen zo op dat ze zelfs haar jukebox verkocht heeft aan een gladde opkoper, "daar heb ik nog alle dagen spijt van".
Ze veegt wat papierafval in de kachel, kijkt naar de vlammen en zag zich als gepensioneerde "achter de stoof zitten met een boek, want ik lees graag boeken. Maar zover is het nooit gekomen. Ik hou dat geen week vol. Ik moet in mijn café kunnen zijn. Café houden is nen drang, dat kunt ge zomaar niet stoppen." Ik vraag hoeveel het is voor de vier consumpties. Dat zal dan vier euro zijn, zegt ze. Zo is dat met: een cafébazin op grootmoeders wijze vraagt nog democratische prijzen.  

stephan volkscafe.jpeg

Godmiljaarde

Het hondenweer is intussen smerig hondenweer en we banen ons een drijfnatte weg naar Boom. In Noeveren parkeren we naast een dikke hoge schoorsteen, de wind fluit er in de rooie barsten, en in de luwte van de oude steenfabriek staat Café De Koophandel. Het café is niet groter dan een grote zakdoek en heeft een gasstoof die met een elleboog in het doorrookte plafond verdwijnt. Ook enkele klanten geven warmte af wegens een verhit dispuut over de match van gisteren, Cercle tegen Club Brugge. Sommige volzinnen eindigen hier nog met godmiljaardezjummenas, een vloek die al dertig jaar geklasseerd is door Monumenten en Landschappen. Leo zegt dat dit "het laatste échte steenbakkerscafé van de Rupelstreek" is en dat het al meer dan honderd jaar in handen is van dezelfde familie.
Mijn aandacht wordt getrokken door een 45-toeren-singeltje aan de muur. Het zwarte vinyl is gehavend alsof een hond het tussen zijn tanden heeft gehad. Cafébazin Maria verduidelijkt: "Door dàt kapotte plaatje is onze jukebox ook kapot gegaan: 't was dat lieke van Yvan Heylen, De Wilde Boerendochter".
De klant die onder die relikwie zit, zegt dat de jukebox nog in leven is, "hij staat hier achter die deur". Het is een oude Rock Ola die kalm staat te glanzen in een koude kamer met tafels, stoelen, tombolaprijzen en een opengeklapte strijkplank. Het decor alleen al is voldoende om hier morgen een opkoper aan de deur te hebben. Barricadeer de deur, Maria!
Pas nu merk ik het bruine touw boven de toog, aan dat lijntje hangen wel honderd roestkleurige enveloppes. Zo ziet dus de plaatselijke tombola eruit "ten gunste van de verenigingen". De prijzen staan uitgestald op een schap, ze zijn "om direct mee te nemen". Met wat geluk ga ik seffens naar huis met een vergiet of een kroketmasjien. Ik koop een envelop en win een blauw lotje. Daarmee kan ik deelnemen aan de trekking van de hoofdprijs "op een latere datum" wanneer ik natuurlijk niét in café De Koophandel zal zijn. De bazin schrijft mijn naam en telefoonnummer op het lotje. Zo zal ik later dit jaar worden opgebeld dat ik een Toyota heb gewonnen. Dat van die auto is om te lachen. De hoofdprijs is een stereoketen.

Ingescande foto uit Humo/ Stephan Vanfleteren 2008

De Scheldenimfen
Van Boom gaat het naar Branst, naar Herberg 't Koningsrek ook wel bekend als de Zates. Het café ligt verscholen bij de Scheldedijk en naast een werf waar grote en kleine vaartuigen onder zeil staan voor de winter. Er brandt één lamp boven de deur, een hel lichtbaken in het vallende duister. Het café-interieur is tijdeloos en van alle seizoenen: de grote potkachel brandt en tegelijk liggen er nog zomerse vliegenmeppers op de oude piano mécanique. Ook aan het  plafond hangt nog zo'n lange kleefrol om vliegen te vangen, gesteld dat ze zich in deze opwarmende wintermaanden toch zouden vertonen. Her en der aan de wanden hangen nautische voorwerpen (roer, spaan, alfabet van seinvlaggen), maar nog meer wordt het interieur bepaald door spreuken waarmee de klant zijn voordeel kan doen als hij weer het leven aanvat buiten de cafédeur. De meeste spreuken zijn stichtend (De Tien Geboden Van Het Leven) of berusten op algemene mensenkennis (Wie zonder zaag ook zagen kan, die is als ik, een zageman!) Alle zegswijzen zeggen hetzelfde: wat niet goed is kan beter worden, waar regen is, volgt zonneschijn. Zelfs een kwaaie dronk krijgt hier nog een gulden randje: "Alcohol is een traag vergif, maar wij hebben tijd!" 
Intussen is Jan Van den Bossche (52) het café komen binnenwaaien. Net zoals zijn kompaan Leo is hij een ongeëvenaarde cafékenner, een wandelende encyclopedie van authentieke cafés in Vlaanderen.
Samen met fotograaf Jan Van Deuren hebben Jan en Leo een boek samengesteld over volkscafés in de provincie Antwerpen (“In Den Zoeten Inval”, 2001).
Tussen de kenners en de fotograaf ontspint zich een opbod aan herbergachtig erfgoed: 't Schuifelbeen in Mater! Bij den Del in Schriek! De Kongoboot in Hoboken! Het ene café had nog een kapper naast de gelagzaal, het andere kon uitpakken met een gracieuze diva tussen het ruwe mansvolk. Of neem Marth van 't Vissershuis in Mol-Millegem, "die bazin gaf bij je eerste consumptie een boterham met kaas en nog een Milky Way erbovenop, mét het papiertje al opengevouwen". Goed volk allemaal, daar zijn we het over eens.
Het cliënteel in "Zates" wordt bediend door Gilliom en Liesbeth, broer en zus die het café hebben overgenomen van hun moeder, de legendarische Leonie, een bazin die hier 93 jaar is geworden. Gilliom zegt dat het café dit jaar honderdzeventig jaar bestaat en dat de harmonie, de duivenbond en de "botenclub" hier hun onderdak hebben. De duivenbond speelt onder de naam "Eerlijk duurt het langst" en de harmonie voert "Heilige Familie" in het vaandel, wat aan Liesbeth de commentaar ontlokt "dat het wel een familie is, maar dat er niet zoveel heiligen meer mee spelen".
In 2000 heeft de harmonie haar honderdjarig bestaan gevierd en toen hebben ze een huldeboek gemaakt waarvan ik gelijk een exemplaar mee naar huis mag nemen. We staan stil bij de plaatjes van de circa vijftig majorettes die als De Scheldenimfen door het weekend gingen, van 1969 tot 1996! Maar omdat hun vestjes, rokjes en maillots al tien jaar op zolder lagen, heeft Liesbeth ze onlangs weggegeven aan een school; in Hongarije of Roemenië, dat wil ze kwijt zijn, maar het was in elk geval "voor een goed werk". En dat ze nu in Oost-Europa paraderen met die nimfennaam op de rug, "dat is geen erg, dat kunnen die mensen toch niet lezen". En de pluimmutsen van de meisjes? "Die waren allang kapot gegeten, door de muizen."
We zeggen niks meer. We zitten in ons hoofd met die meisjes en de zon op hun glimmende stokjes. Een mens denkt maar aan majorettes als ze er niet meer zijn.
Als we afrekenen, zegt Liesbeth "dat ze ons nog gene nievejoar heeft gegeven". En hoewel geen van ons hier stamgast is, krijgt ieder toch een Bon Ter Waarde Van 1.20 € 

De Scheldenimfen, begin jaren ‘70 (uit Een Eeuw Koninklijke Harmonie Heilige Familie van Branst)

De Scheldenimfen, begin jaren ‘70 (uit Een Eeuw Koninklijke Harmonie Heilige Familie van Branst)

Palmen en bekers
De cafétocht begint stilaan mythische proporties aan te nemen: we zijn al zes uur onderweg en we hebben nog maar drie cafés bezocht. Dat is niet te wijten aan de drank, maar wel aan het slechte weer, de files en de onderlinge afstanden waaraan Leo zich "enigszins mispakt heeft".
In Temse rijdt een trein door de regen, een lange rij van natte gele ramen in het donker, en zo gaat het naar Kruibeke. Daar is Café "De Voermansrust" wat door Jan is aangekondigd als "het laatste bastion van ongekunsteld volksleven temidden van de oprukkende protserige fermettes". Zelfs terwijl we uitstappen, rukken de fermettes én de pastoriewoningen nog verder op en we hebben direct compassie met dat kleine café tussen de nieuwbakken bouwstenen. De Voermansrust is niet veel groter dan een huiskamer, met middenin de kachel waarvan de pijp met eindjes ijzerdraad aan het plafond zit. De felle TL-buizen verlichten met gemak het hele interieur én de plastic zegepalmen van een lokale motorcrosser opgehangen aan het plafond. Palmen en bekers dateren nog van de jaren tachtig en op de spiegel achter de toog hangen zelfs voetbalstickers uit de jaren zeventig. Naast de kachel zitten vier kaarters in het gezelschap van een grote hond die staat te kwispelen met zijn lijf half onder de tafel. Dat kwispelstaarten tegen de tafelpoten is hoorbaar, want net als in de Koningsrek is hier geen muziek. Ik ga naar het toilet, niet om te wateren, maar om te zien of er nog een pissijn is, en inderdaad, hier hangt nog een brede goot in aluminium tegen de muur, een urinoir dat vakkundig wordt afgedekt met een golfplaat in eternit. ("Ge kunt tegen uw broek pissen, maar ge zult in elk geval droog staan!")
Terug in het café kan de plaatselijke nieuwsgierigheid niet langer bedwongen worden: waarvandaan de heren wel mogen zijn? Van over het water, zegt Jan. Ha, van Antwerpen, knikken ze, ja, dat ligt inderdaad "over de grote plas". Het klinkt plagerig want ook hier lachen ze graag met de stadsmens. En dan zijn we op de koop toe nog van Humo! Nu draaien de twaalf koppen zich om: " Vandenummo? Dan kennen wij uwen baas! De Guy! De Mortier! Die is hier ooit met een stuk in zijn kloten blijven slapen!" en maar besmuikt lachen, en zien of we dat geloven. En zeker zouden we vrienden en kameraden kunnen worden, maar we moeten naar onze laatste halte, De Tramstatie in Emblem.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Tooggieren

Gelukkig zit er volk aan de toog, zo niet had ik De Tramstatie geklasseerd als heemkundig museum. Cafébaas Peter heeft dan ook jaren geëmailleerde reclameborden en andere café-parafernalia verzameld alvorens hij deze plek ging uitbaten. Ik moet Jan en Leo node wegslaan van de Ami jukebox (met plaatjes van Paul Anka en Jimmy Frey) om hen te vragen hoe hun passie ontstaan is.  
Cautereels: «Toen ik student was in de jaren zestig, had ik mijn hart al verloren aan die cafés waar het interieur in geen jaren meer veranderd was. Ik was er op mijn gemak: je stak je voeten onder tafel, je bestelde een glas en je luisterde naar de verhalen van de stamgasten. Hier en daar publiceerde ik ook artikels dat er wat moest gedaan worden aan het voortbestaan van die cafés en zo heb ik Jan leren kennen in de jaren tachtig. Van den Bossche:”Ik zat toen in een ecologiegroepje en regelmatig organiseerden wij uitstappen die dan eindigden in zo'n volkscafé en zo zag ik met de jaren hoe die ouderwetse locaties begonnen te verdwijnen. Ik was toen ook met industriële archeologie bezig en ik ben toen bij Monumenten en Landschappen gaan horen of er "iets" bestond over ouwe cafés in Vlaanderen. En in hun tijdschrift had inderdaad een stevig gedocumenteerd stuk gestaan waarin ene Maria Verbeeck betoogde dat er een einde moest komen aan de afbraak van dat café-patrimonium; ze verwees in dat stuk ook naar Engeland en Frankrijk waar commissies bestaan om die cafés te beschermen (Onder andere de Campaign for Real Ale die vindt dat de Engelse pubs tot de landelijke "heritage" behoren, jh). Maar als ik dan informeerde of ze in Vlaanderen iets op poten wilden zetten, dan werd daar koel op gereageerd: zo van, cafés, daar kunnen wij ons niet echt mee bezig houden.
En zo is dan ons idee gegroeid om die cafés te inventariseren en de 'beste' samen te brengen in een boek. In onze provincie Antwerpen hebben Leo en ik zo'n driehonderd cafés bezocht. Een schone tournée générale, en allemaal op basis van tips van vrienden of van lokale verenigingen die ik had aangeschreven.3
Cautereels «Uiteindelijk hebben we een selectie gemaakt, een top-32 van de provincie Antwerpen,de stad zelf niet meegerekend, maar van die tweeëndertig cafés zijn er nu nog maar twintig 'in leven'. Het is dus hoog tijd dat er iets gebeurt.”

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

HUMO: Wàt willen jullie eigenlijk bewaren?
Van den Bossche: «Wat niet verloren mag gaan is die plek waar je alle slag mensen kan ontmoeten. Zo is het een misverstand dat volkscafés enkel beklant worden door ouwe venten. In het weekend zie je daar ook jonge gasten: omdat die het ook voor 'authentiek' hebben en niet voor fake bedoeningen.
En ik geef dat toe, ik heb het erg voor die oude interieurs. Die hebben een charme en een ziel voor mij. Er is niks ergers dan te horen dat bazin X gestorven is en dat er een week later al een brocanteur is geweest om de toog en de vloer en de lambrizering uit te breken.
Wijzelf worden soms ook als opkopers gezien! Als wij vol liefde over die ouwe interieurs spreken, dan worden die ouwe cafébazinnen al achterdochtig: of wij misschien ook op hun interieur aan het azen zijn ?!" Cautereels: «Via die opkopers komt zo'n oude toog dan als een dood stuk decor in zo'n plastic taverne te staan. Of als privé-bar in een sjieke villa."
Van den Bossche: «Soms is het ergerlijk hoe zo'n interieur verdwijnt. In Aalter had je een juweeltje van een caféboerderij. Daar heb ik aangedrongen dat de gemeente dat café zou beschermen. Dat ging lukken: Pieter De Crem stond vorig jaar nog met grote foto en fijne beloftes in de kranten, maar wat gebeurt er? Die bazin sterft en binnen de kortste keren hebben die erfgenamen dat interieur laten uitbreken en verkopen, want het gemeentebestuur had alléén het gebouw aangekocht: het interieur waren ze in de akte vergeten!"
Tavernering
Van den Bossche:
«Vlamingen zijn trots op hun biercultuur, maar qua gezellige cafés worden we nu toch voorbijgestoken door Noord-Frankrijk en Nederland. Daar zijn ze nog niet zo plat op hun buik gaan liggen voor de tavernering zoals hier!
In Frankrijk zie je ook dat ze bij de herwaardering van het platteland evengoed aan het dorpscafé als aan de buurtwinkel  denken. De aanwezigheid van zo'n café is daar een norm voor de leefbaarheid. Dat besef is hier nog niet doorgedrongen. De buurtwinkel, daar hebben ze oog voor, maar het buurtcafé, daar blijven ze af wegens niet ernstig. Hier bekijken de instanties een café nog altijd als iets voor lullemannen en zatlappen.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

HUMO: Hoeveel authentieke volkscafés zijn er nog over in Vlaanderen?

Cautereels:”Ik schat zo'n driehonderd. Het hangt natuurlijk af van je criteria. Wat primeert is de authenticiteit van het interieur én de sociabiliteit van de locatie: de uitbater die zijn klanten kent, de schappelijke prijzen, de aanwezigheid van verenigingen, dat zijn allemaal sociale pluspunten. Een klant is daar nog een méns in plaats van een consument. En of er dan een pitjesbak (dobbelspel) en een ijzermandje met hardgekookte eieren aanwezig is, dat is eigenlijk bijzaak.  
Je ziet direct het verschil met de taverne: daar is het ieder voor zich, daar worden de gebruikers van mekaar afgeschermd in zithoekjes en daar rekent de uitbater vooral op zijn menukaart en de couverts die hij kan 'draaien'.
Van den Bossche: «Veel van die moderne tavernes en cafés missen ook een charmant interieur. Wat overheerst is de eenheidsworst. Er zijn brouwerijen waar de uitbater kan kiezen uit drie soorten interieurs. Kiest u maar uit: Onpersoonlijk A, B of C!"
Cautereels: « Terwijl er vroeger zo'n rijke traditie was. Als je ziet welke prachtige togen, tafels en stoelen er gemaakt zijn door onze meubelmakers, dat zijn juweeltjes."
Gevoelige snaar

In een taverne worden klanten uit elkaar gezet in plaats van bij elkaar.

HUMO Er is nu een campagne om het volkscafé te beschermen. Maar waarom dat café en niet de kleine kruidenier of de kleine warme bakker? Die kunnen ook een authentiek interieur hebben en in hun winkel wordt ook gebabbeld.
Van den Bossche:
«Daar valt iets voor te zeggen, want ook die interieurs zijn waardevol. En we mogen ze zeker niet verloren laten gaan zoals dat met de frietkoten gebeurd is. Die koten moesten weg want ze ontsierden zogezegd het straatbeeld of de dorpskom. Onzin natuurlijk, want net die Vlaamse dorpskernen zijn door de gemeentebesturen zélf kapot gemaakt met allerhande blinkende nep-architectuur en pseudo-design.
Enigszins hoopgevend is het fenomeen zondagscafé. In sommige dorpen is het laatste café gesloten, maar op zondag wordt een café geïmproviseerd door buurtbewoners. Zo hebben ze in Wulpen een oude pastorij ingericht en in Glabbeek-Zuurbeemde is het een kleinzoon die het café van zijn grootouders één dag per week nog bemant."
Cautereels: «Daaraan merk je toch dat er een bescheiden heropleving is van de cafés waar je nog een babbel kan doen. In de jaren zestig zijn ze massaal verdwenen. Toen was er die kaalslag door de opkomst van de televisie en de mensen die hun huis niet meer uit kwamen. Maar nu is er toch een terugkeer merkbaar naar het café en zijn gezelligheid."
Van den Bossche «Omdat alles zo onpersoonlijk wordt. Loketten gaan weg bij de banken en de post, klantendiensten worden vervangen door anonieme call centers, in alle zogezegde diensten krijg je alsmaar minder en minder mensen te zien. En ook de tavernes gaan die kant op, ook daar worden mensen uit elkaar gezet in plaats van bij elkaar.
Stel je ons land voor zonder échte cafés! Het mag toch niet zijn dat de lokale filosoof, kunstschilder of schrijver komt te sneven in een taverne. Met zijn kop naast de rekening die op een houten blokje en een nageltje is geprikt!

Nawoord: Of de genoemde cafés volgende week opengaan weet ik niet. Ik heb wel proberen na te gaan of ze nog in leven zijn. Café De Koophandel (Noeveren- Boom), Café De Voermansrust (Kruibeke) en De Tramstatie (Emblem) bestaan nog. In Café Koningsrek (bij Zates - Bornem) was eind januari alvast nog een dansnamiddag. De Bostella (Essen) heeft intussen de oudste uitbaatster. "Julia wordt in oktober 90 jaar. Ze moet wel 3 dagen in de week maar de nierdialyse maar het café blijft open. Desgevallend zorgen de klanten zelf voor de uitbating." (bron: GVA maart 2020) Over Café Bostella is intussen een fotoboek en een documentaire gemaakt door Paul van der Stap  https://vimeo.com/310655790

Jef Van Den Bossche (zoon van Jan VDB in dit artikel) heeft 2 jaar geleden een fotoreeks over volkscafés gemaakt. https://www.jefvandenbossche.com/

(c) Jan Hertoghs

(c) Jan Hertoghs

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Kinderen van de holocaust: de vrouw die honderden kinderen hielp onderduiken

Nu dinsdag 2 juni brengt Canvas de voorlaatste aflevering van de reeks “De kinderen van de holocaust”. Het thema (“Voorbij de stilte”) gaat over het stilzwijgen van de overlevenden na de oorlog.
Elke familie had geleden, en sommige trauma’s waren zo groot dat de overlevenden hun kinderen niet wilden belasten met hun verdriet.
Pas met de toenemende interesse voor de Holocaust vanaf de jaren ‘80, en zeker met de vijftigste verjaardag van het einde van de oorlog beginnen verschillende overlevenden hun verhaal te doen.
Dit is het getuigenis van de Brusselse Andrée Geulen die honderden Joodse kinderen uit Antwerpen en Brussel hielp onderduiken.

(uit Humo juli 1994 )  © Jan Hertoghs

joo kin 1.jpeg

“De razzia’s lieten een gezin geen tijd. Ik heb kinderen helpen onderduiken die door hun ouders over de tuinmuur waren gegooid.”

In de buurt waar jij woont, zegt ze, reed de Gestapo dag in dag uit door de straten. Ze reden rond, ze cirkelden rond als gieren. In hun donkere wagens, in hun sombere lange jassen. Jagend, altijd maar jagend op joden. 
Andrée Geulen
 was vooraan in de twintig, ze had blonde krullen en blauwe ogen, en niet één nazi die ooit haar weg kruiste, heeft zelfs maar het vermoeden gehad dat het kind aan haar zijde een  joods kind kon zijn. 

Vanaf de zomer van 1942 werden uit België 25.257 joden gedeporteerd, waaronder 5.093 kinderen. Daartegenover staat dat zo'n 4OOO joodse kinderen gered werden. In tweederde van de gevallen was dat te danken aan twee jaar volgehouden reddingsoperaties van het clandestiene "Comité ter Verdediging van de Joden" (CVJ). Over die reddingsoperaties van het CVJ schreef de joodse journaliste Viviane Teitelbaum-Hirsch onlangs het boek "Tranen onder het masker" (uitgeverij Coda).
Andrée Geulen of Madame Andrée -zoals haar verzetsnaam luidde- was lid van het CVJ en haalde van begin 1943 tot augustus 1944 honderden joodse kinderen weg uit Antwerpen en Brussel. Als convoyeuse bracht zij die kinderkaravaan naar kloosters, pensionaten, sanitoria, weeshuizen en privéadressen in heel het land. 

Andrée Geulen - ingescande foto uit Humo/ bron: “Tranen onder het masker”

Als ik haar opzoek in haar elegant Brussels appartement, zegt ze vooraf met nadruk dat ze niet graag over haarzelf praat. "Ik zoek die belangstelling niet. Maar omdat er uit die tijd alsmaar minder getuigen nog in leven zijn, komt men vaker bij mij. En natuurlijk heb ik heel wat te vertellen, maar wat mezelf betreft, kan ik alleen maar zeggen: ik heb gewoon gedaan wat ik moest doen."      

Mme Andrée: "In 1942 haalde ik mijn diploma van de normaalschool en begon ik met interims in verschillende Brusselse scholen. Ik zat niet in het verzet, ik hield me niet bepaald met politiek bezig, en als niet-joodse wist ik amper van het bestaan van een joodse gemeenschap af. Antwerpen -zo ontdekte ik later- had zijn joodse wijk, zijn joodse scholen en joods gemeenschapsleven, maar in Brussel had je die zichtbare aanwezigheid niet. Tot ik op sommige scholen kinderen zag verschijnen met een jodenster en één van die kinderen ineens niet meer kwam opdagen. "Hij is opgepakt bij een razzia", wisten collega's te vertellen.
Toen ik vernam hoeveel joodse gezinnen al ondergedoken leefden, ben ik beginnen lesgeven bij joodse kinderen thuis. Via een directrice van een pensionaat waar twaalf joodse kinderen ondergedoken zaten, ben ik dan in contact gekomen met het joodse verzet. Ik kwam als geroepen, ze zochten al geruime tijd naar een vrouw die er niet-joods uitzag. Nu, ik mag wel zeggen dat ik eruitzag als een echte Vlaamse met mijn blond haar en mijn blauwe ogen. Daarenboven sprak ik naast Frans ook Vlaams, omdat mijn ouders -die van Asse en Gent waren- me wel in het Frans hadden grootgebracht maar me ook enkele jaren school hadden laten lopen bij de "zusterkes" van Nieuwpoort-Bad waar mijn ouders een villa hadden."
HUMO: Hoeveel "convoyeuses" waren er bij het CVJ?
Mme Andrée
: "Bij het CVJ waren we met zijn vieren die zeven dagen op zeven in de weer waren, maar daarbuiten waren er nog "deeltijdse" begeleidsters, voornamelijk van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (nu: Kind en Gezin). Ik moest vooral kinderen in Antwerpen gaan ophalen. Antwerpen was uiterst gevaarlijk terrein omdat de joden daar gegroepeerd woonden -in tegenstelling tot Brussel- en omdat hun wijk compleet in de greep van de Gestapo zat. De Gestapo patrouilleerde de hele tijd. Ik zie me nog door de Lange Leemstraat lopen, ik zie die lange zwarte Mercedessen nog naast me door de straat rijden, zo traag dat ze haast geruisloos waren. Stopten ze en ging het portier open, dan zag je al van verre die lugubere leren jassen verschijnen."
HUMO: Waren er toen nog winkels of vrije beroepen in die joodse wijk?
Mme Andrée
: "Nee. Dokters, apothekers, advocaten en andere vrije beroepen hadden vanaf oktober 194O verbod gekregen om nog te werken. De diamant- en andere winkels waren gesloten met verbeurdverklaring van alle joodse bezittingen. De mensen zaten thuis, herstelden voor mekaar nog wat kleren en huisgerief, maar eigenlijk zaten ze tussen vier muren met hun armen over elkaar. Je moet je dat voorstellen. Je hoort de remmen van een auto piepen, en vijf minuten later sleuren de Duitsers je buurman met zijn kinderen de straat op, ineens weg naar nergens. En jij zit thuis en je kan niks doen, tenzij wachten tot ze bij jou op de deur bonken.

uit Het Guldenboek van de Belgische Weerstand

uit Het Guldenboek van de Belgische Weerstand

Daar moet ik aan toevoegen dat de welgestelde joden al merendeels uit Europa gevlucht waren, zij hadden van bij de Duitse inval hun toevlucht gezocht in Zwitserland, Frankrijk, Portugal en de USA. De Belgische joden die nog achtergebleven waren, werden de eerste twee jaren weliswaar minder verontrust dankzij de druk van de Belgische regering op de Duitse bezetter, maar toen de zogezegde oproepingsbevelen om in Duitsland te gaan werken ook bestemd waren voor joodse grootvaders van 9O jaar en joodse baby's van één jaar, begonnen de mensen waar mogelijk onder te duiken.
Aanvankelijk probeerde men met het hele gezin onder te duiken, maar omdat het vinden van onderdak voor gezinnen veel moeilijker was, maakte het CVJ een tak die voor "volwassen" onderduikadressen zorgde en een tak die kinderen hielp onderduiken. Wij hadden twee mensen die constant de kloosters, weeshuizen en kolonies afschuimden op zoek naar plaatsingsmogelijkheden."
Drie keer bellen
"De Duitsers wilden zo'n 2OOO joden per maand op transport zetten, maar ik heb ooit een officiële brief gezien van een Duitse bevelhebber die aan Berlijn meldde dat ze dat getal niet konden halen 'omdat de Belgische bevolking de joden verdedigt en beschermt'. Dat is toch om fier op te zijn! Als er een razzia was, en in Brussel heb ik dat vaak van nabij meegemaakt hoe de Duitsers met camions de straat afzetten, dan heften de joodse ouders hun kinderen over het tuinmuurtje bij hun niet-joodse buren. Werden de ouders aangehouden, dan waren de kinderen tenminste in veiligheid. Joden die in de buurt van een klooster woonden, konden hun kinderen daar ook vaak verstoppen tot de razzia voorbij was." 
HUMO:In het boek van Viviane Teitelbaum is zelfs sprake dat moeders vlak voor hun aanhouding hun baby in een onderkast of een commode stopten. De eerste uren was dat kind stil, en als het van honger begon te schreien, dan hoorden de buren het en kwamen ze het kind vinden.
Mme Andrée
: "Soms was het maar een kwestie van seconden. Ik heb kinderen helpen onderduiken die door hun ouders over de tuinmuur waren gegooid. Zo snel was het moeten gaan. Meestal waren de buren zelf dapper genoeg om dat kind een week of zo te verbergen en ondertussen kwamen wij dat nieuwtje wel via de "tamtam" te weten en haalden we het kind op."
HUMO: In de andere gevallen kwam u op huisbezoek om de ouders voor te bereiden op het vertrek van hun kind.
Mme Andrée:
 "Haast elke dag kreeg ik een lijst met een vijftal adressen waar ik op huisbezoek moest gaan. Elk lijstje moest ik telkens weer van buiten leren, ik mocht nooit enig papiertje op zak hebben. Sommige van die lijstjes kan ik nu vijftig jaar later nog altijd opdreunen omdat ik ze zo in mijn geheugen heb geprent. Op die lijstjes stond ook hoe ik binnen moest geraken. Drie keer bellen of twee keer op het venster kloppen of de sleutel gaan halen bij de dokter die vijf huizen verder woonde, om maar te zeggen hoe bang de mensen waren, zomaar de deur opendoen was er niet meer bij. Als ik bij de mensen kwam, keek ik naar de gezichten van de kinderen. Was het een kind met weinig joodse trekken, dan kon het naar een weeshuis of een andere instelling, dan kon het "gemengd" worden met Belgische kinderen. Had het kind sterk joodse trekken, dan moest het naar een privéadres, waar het een eerder verborgen leven zou moeten leiden. Meestal gaven we die kinderen vanwege hun donker uiterlijk een Italiaanse naam. Als iemand naar ze zou vragen, dan was het een Italiaans mijnwerkerskindje dat een beetje kwam aansterken bij dat gezin."

Het dragen van de Jodenster werd in België verplicht vanaf 27 mei 1942 (Gazet Van Antwerpen 4/6/94 > (bc)

Het dragen van de Jodenster werd in België verplicht vanaf 27 mei 1942 (Gazet Van Antwerpen 4/6/94 > (bc)

HUMO: Hoe vond het CVJ zijn privéadressen?
Mme Andrée
: "Niet bij rijke mensen, maar opvallend veel in werkmansbuurten. Dat heeft ook een organisatorische reden: voor de oorlog bestonden er nog geen crèches, maar in heel wat buurten met sociale woningen had je een soort onthaalmoeders die de allerkleinsten opvingen. Het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn heeft via haar verpleegsters en inspectrices veel van die officieuze 'onthaalmoeders' opgezocht om te polsen of zij dat risico wilden nemen en vele moeders zijn op die vraag daadwerkelijk ingegaan." 
Braaf zijn! Flink zijn!
HUMO: Als u vooraf bij die joodse ouders op bezoek ging, wat moest u ze dan vertellen?
Mme Andrée
: "Dat ze een koffertje moesten maken met alleen maar het strikt noodzakelijke erin, wat ondergoed, wat hemden en broekjes. Maar zeker niets dat op hun afkomst kon wijzen, dus geen foto's van het gezin. Veel ouders wilden weten waar ik hun kinderen heenbracht, maar dat mocht ik onder geen beding zeggen. Zelfs de naam van de gemeente mocht ik niet noemen. Heel wat moeders begonnen dan te huilen en te twijfelen. Want ja, ik sta daar in hun huiskamer, binnen twee dagen kom ik hun kind halen, ze kennen mij niet, ze hebben mij nog nooit gezien en dan mogen ze ook nog niet weten waar ik hun liefste bezit naartoe breng. In het begin verklapten we dat wel, maar dan stonden de zondag daarop vader, moeder en grootmoeder al op de stoep bij dat onderduikadres, dat was veel te riskant."
HUMO: En dan brak de dag aan dat u langskwam om de kinderen mee te nemen. 
Mmme Andrée
: "Gewoonlijk was ik tussen zes en zeven uur bij de mensen thuis, omdat we meestal een lange treinreis voor de boeg hadden en we vaak met een vroege trein moesten vertrekken. De ouders konden hun kinderen zo vroeg niet naar een station brengen omdat de joden vanaf augustus 1941 een uitgaansverbod hadden opgelegd gekregen tussen 8 uur 's avonds en 7 uur 's morgens.
En dan kwam het afscheid. Uit principe hield ik dat altijd zo kort mogelijk, maar het ergste was als ouders vaarwel moesten zeggen tegen kinderen van twee of drie jaar. Wie kinderen heeft, kan enigszins beseffen hoe afschuwelijk het voor die ouders moet geweest zijn. Papa en mama waren op al die jaren misschien nog niet één dag gescheiden geweest van hun kind en nu - van de ene minuut op de andere- gaat dat kind uit hun leven verdwijnen en niets garandeert hen dat ze het nog ooit zullen terugzien. Ik was twintig, ik had zelf gelukkig geen kinderen, want was ik moeder geweest, dan zou ik dat werk geen dag hebben volgehouden. Je komt daar binnen, die ouders hebben van de hele nacht niet geslapen, die moeder staat met rode ogen voor je, die sméékt, die bidt om het kind niet mee te nemen en tegelijk stopt ze het in je armen. Die vertwijfeling, dat dilemma! Zielsveel van je kind houden en het daarom moeten afstaan. En dat was dan nog niet het ergste, want de dag of de week daarop liep je weer door die straat en kwam er ineens een buurvrouw in haar deur staan: "U bent hier gistermorgen geweest, hé. Juist op tijd hoor! 's Middags zijn de Duitsers hier geweest en ze hebben de ouders van die kinderen meegepakt." Dat was ondraaglijk om dat te moeten vernemen! Dat kind weg van thuis, zonder zijn ouders in een vreemd huis, en die papa en die mama op de trein naar het concentratiekamp en geen van beide die iets van mekaars lot wist. Verschrikkelijk! Het was echt een koers tegen de tijd, een koers tussen de Gestapo en ons. De ene keer waren wij rapper, de andere keer waren zij ons voor.
Eén keer was ik bij een gezin met drie kinderen en op het laatste ogenblik besliste die moeder om het jongste zoontje van zes jaar toch niet mee te geven. Neenee, zei ze, hij blijft bij mij! Hem kàn ik niet afgeven! U loopt allebei gevaar, zei ik. Wat mij overkomt, zal ook hem overkomen, zei ze, het is mijn jongste, mijn laatstgeborene, ik kan hem niet afstaan, ik kan niet. Enkele dagen later is de Gestapo bij hen binnengevallen en beide zijn nooit teruggekeerd."   
HUMO: Wat zeggen ouders tegen hun kinderen op het moment van die hartverscheurende scheiding?
Mmme Andrée
: "Hetzelfde wat ouders overal zeggen: "Braaf zijn. Voorzichtig zijn. Flink zijn. Goed eten. "
HUMO: Men zei niet :tot ziens?
Mme Andrée
: "Nee, dat heb ik nooit gehoord."

Andrée Geulen met collega-”convoyeuse” (ingescande foto uit Humo/ bron: “Tranen onder het masker”)

Andrée Geulen met collega-”convoyeuse” (ingescande foto uit Humo/ bron: “Tranen onder het masker”)


Weiss werd "Dewitte"
HUMO: En dan stapte u met de kinderen naar het station. Wat zei u ondertussen tegen hen?
Mme Andrée
: "Tegen de kleinsten die nauwelijks beseften wat er aan de hand was, zei ik dat we op vakantie gingen naar de buiten omdat het in de stad te gevaarlijk was voor kleine kinderen zoals zij. En dat ze binnenkort terug naar huis mochten, terug naar mama en papa. Tegen de oudere kinderen hoefde ik minder te verzinnen. Kinderen van zeven, acht jaar waren zich al uiterst bewust van het levensgevaar dat ze al maanden liepen en dat gaf ze instinctief een soort kalmte en koelbloedigheid die je in normale omstandigheden niet bij kinderen zou verwachten. Ze beseften werkelijk dat het om leven of dood ging. Die kinderen waren vaak flinker dan hun ouders, bij het afscheid weenden ze dikwijls minder dan hun ouders, zo kranig dat ze zich hielden.
Ik ben veel van "mijn" kinderen later nog blijven volgen en dan is het mij opgevallen hoe die kinderen haast alle geslaagd zijn in hogere studies of zakelijke carrières. Die drang om te overleven, die moet zo sterk geweest zijn dat het hen een combattiviteit voor het leven heeft bezorgd."
HUMO: U begon ook meteen hun nieuwe naam in te oefenen.
Mme Andrée
: "Ook dan heb ik vaak versteld gestaan hoe kinderen van vijf jaar al aanvoelden dat ze hun joods zijn moesten verzwijgen. Leg maar eens uit aan een Vlaamse kleuter van vijf dat niemand mag weten dat hij Vlaams is, dat er mensen zijn die hem willen dood doen omdat ie blond haar en blauwe ogen heeft! Ik herinner me een van die kleintjes, ze heette Sarah, maar vanaf nu heet je Jacqueline, zei ik. Maar ik heet Sarah hield ze koppig vol. Neenee, zei ik, in Brussel heet je Sarah, daar is dat een heel gewone naam, maar in Doornik waar we nu naartoe gaan, hebben ze zo'n naam nog nooit gehoord. En je weet toch dat niemand mag weten dat je joods bent, je bent het nichtje uit Brussel dat bang is van de bommen en dat komt logeren. Ze zwijgt en een tijdje later komt er een dame over ons zitten die vraagt: "En, mijn lieve schat, hoe heet jij?" En voor ik iets kan zeggen, draait ze zich naar me om en zegt: "Moet ik nu mijn valse of mijn echte naam zeggen?" Het meisje leeft nog, ik heb haar drie jaar geleden teruggezien op een congres in New York."

Eind jaren dertig werden dit soort strooibriefjes al massaal verspreid op de Antwerpse voetpaden.

Eind jaren dertig werden dit soort strooibriefjes al massaal verspreid op de Antwerpse voetpaden.


HUMO: Hadden die kinderen valse papieren?
Mme Andrée
: "Nee, om de simpele reden dat kinderen tot veertien jaar geen identiteitsbewijs moesten bezitten, wat toch wel een groot geluk is geweest. We verzonnen voor die kinderen niet alleen een andere voornaam, maar ook een "Belgische" familienaam. Katz werd "Lechat", Weiss werd "Dewitte", enzovoort! Toen ik op dat congres in New York was, heb ik meerdere kinderen teruggezien, en bij sommige schoot me hun valse naam nog onmiddellijk te binnen. Zo diep zat dat. Daaraan zie je ook dat het geen spelletje Namen Noemen was geweest, het was diepe ernst geweest."
HUMO: U ging vaak op stap met kinderen die nog nooit in een trein hadden gezeten.
Mme Andrée
: "Wat een geluk was, want dan kon ik hen allerlei zaken wijzen, dan kon ik hun verdriet wat doen vergeten. Als de kinderen van toen mij nu terugzien, vertellen ze allemaal dat ik de hele tijd zong, de hele treinrit door. Iets wat ik mij niet herinner, want ja, je doet zoveel dingen om hun angst en verdriet weg te nemen. Ik herinner me wel dat ik heel veel sprookjes heb voorgelezen, veel van die treinritten duurden vier à vijf uur, het spoorwegverkeer liep mank, er was luchtalarm, vaak moesten we voorrang geven aan militaire treinen.
Meer dan eens geraakte ik 's avonds zelf niet meer terug in Brussel en moest ik de nacht doorbrengen op één of andere bank in een wachtzaal."
Plechtige communie  
HUMO: Voor wie gaf u zich uit bij een controle?
Mme Andrée
: "Zat ik met meerdere kinderen, dan gaf ik me uit voor hun onderwijzeres. Zat ik maar met een of twee kinderen, dan was ik de moeder. Hoeveel mensen mij op tram en trein aangesproken hebben, dat ik zulke mooie en lieve kinderen had, en dat ze sprekend op mij leken! "Die blauwe ogen hééft ie helemaal van u, dat zie je zo!"(lacht)
HUMO: Sommige stadskinderen werden naar het platteland gebracht, een totaal vreemde omgeving voor hen.
Mme Andrée
: "Er waren er die nog nooit een koe gezien hadden! En nu zagen ze ineens ook varkens en kippen en paarden, dat was een paradijs voor ze. Maar om het cru te zeggen, er waren ook boeren die nog nooit een joods kind gezien hadden. Ik herinner mij een boer in de Ardennen die zijn handen in elkaar sloeg en riep:" Mon Dieu, is dàt nu een joods kind? Het lijkt wel op een gewoon kind!" Waardoor ik zo kwaad werd dat ik riep: "En wat had u gewild? Dat het horens had en een staart?" Anderzijds was zijn reactie te begrijpen, buiten Antwerpen en Brussel waren er nauwelijks joden. De mensen kenden de joden alleen uit hun catechismus, als de moordenaars van Jezus.
Ah! Als ik aan de buiten terugdenk, dan zie ik mij stappen met die kinderen, stappen-stappen-stappen. Soms kilometers ver, want er was nauwelijks transport, je kon hoogstens een ritje versieren op een passerende bestelwagen of hooikar. We hadden ook geen schoenen, we liepen op klompen, tot we blaren op de voeten kregen. Dan trokken we die houten schoenen uit en liepen we blootsvoets."
HUMO: Veel kinderen kwamen in een compleet nieuwe omgeving terecht.
Mme Andrée
: "De tijdsdruk liet ons meestal niet veel keus. Kwamen er ergens plaatsen vrij, dan gingen wij gelijk kinderen wegbrengen. Stadskinderen vertrokken naar het platteland, kinderen die altijd in een klein beschermd gezinnetje geleefd hadden kwamen in een grote instelling terecht, Antwerpse Vlaamssprekende kinderen verzeilden in Wallonië en Brusselse Franssprekende kinderen zaten ineens in een Vlaams gezin waar ze geen woord verstonden van wat gezegd werd.
Om van de verandering van godsdienst niet te spreken, want meestal kwamen de kinderen in een katholieke familie of instelling terecht waar ze -om niet op te vallen- ook hun eerste of plechtige communie deden en regelmatig te biechten gingen."

Vijf Joodse meisjes doen hun plechtige communie in een katholiek pensionaat. (Ingescande foto uit Humo/ bron: “Tranen onder het masker”)

Vijf Joodse meisjes doen hun plechtige communie in een katholiek pensionaat. (Ingescande foto uit Humo/ bron: “Tranen onder het masker”)

HUMO: Waren er orthodoxe kinderen bij wie de krullen moesten geknipt worden? 
Mme Andrée
: "Ik heb nooit van die streng orthodoxe joden gezien tijdens de oorlog. De joodse families van toen waren niet veel anders gekleed en gekapt dan de Belgische. De joden die je nu in Antwerpen kan herkennen aan hun traditionele uiterlijk, zijn vaak inwijkelingen uit Oost-Europa die pas na de oorlog hier zijn beland." 
Gekidnapt
HUMO: Bent u nooit aangehouden met kinderen?
Mme Andrée
: "Niet één keer. Er is wel 's een Feldgendarm geweest op een trein die me argwanend bekeek toen ik zei dat ik zes blozende(!) kinderen naar de Ardennen begeleidde om een gezondheidskuur te volgen. En één keer stond ik op de eerste verdieping van een café met een kind in mijn armen toen de Gestapo daar voor de deur stopte. Ik heb het kind nog vlug kunnen verstoppen en ben nog nog net op tijd in het café kunnen gaan zitten. Toen ze in het achterzaaltje twee joden ontdekten, hebben ze iedereen in het café gefouilleerd en verhoord. "Ik kwam hier even telefoneren," zei ik, en terwijl ik dat zei zag ik tot mijn schrik dat er een telefooncel op het plein voor het café stond! Die namiddag heb ik bijna zes uur door Brussel gezworven, straat in, straat uit, winkel in, winkel uit, tram in, tram uit, ik durfde niet naar huis, ik had echt het gevoel dat ik gevolgd werd.
Een onzekerheid die me eigenlijk zelden overviel, want één keer ben ik een baby van zes weken gaan ophalen in een straat waar een razzia volop aan de gang was. Ik zie de Duitsers nog met respect opzijgaan voor mij, blonde vrouw met kinderwagen! Wij zijn zelfs een baby van acht dagen gaan halen uit een materniteit. Een groep Hollandse vrouwen die vanuit Amsterdam wilde vluchten naar Zwitserland, was onderweg gearresteerd door de Gestapo. Een van die vrouwen kreeg haar weeën tijdens haar arrestatie en de Gestapo stuurde ze naar het Sint-Pieterziekenhuis in Brussel. Daar heeft een dokter ons opgebeld, hij heeft de moeder helpen onderduiken, wij hebben het kind uit de kraamafdeling "gekidnapt".

Illustratie uit “Het Guldenboek van de Belgische Weerstand”

Illustratie uit “Het Guldenboek van de Belgische Weerstand”

HUMO: Waar haalde het CVJ het geld voor die vele verplaatsingen?
Mmme Andrée
: "Aan de top van de organisatie stonden mensen die geld schooiden, die financies bij elkaar zochten voor verplaatsingen, voor kleren, en ook voor die 1O fr per dag die we aan het gastgezin of de instelling betaalden. De Belgische regering in Londen heeft bijvoorbeeld royaal bijgedragen. We kregen soms ook steun waar we het niet verwachtten. Ik herinner mij een bezoek aan een politiecommissariaat in Antwerpen waar ik papieren van een paar kinderen moest zien los te krijgen zodat we voor hen rantsoenkaarten en rantsoenzegels konden krijgen. Toen die agent zag dat het om joodse kinderen ging, heeft hij me bruutweg buiten gescholden. Maar ik was nog geen tweehonderd meter op straat of een man hield me staande die zei dat hij in het commissariaat aanwezig was en dat hij alles gehoord had en dat ik naar het nummer op zijn visitekaartje moest bellen als ik hulp nodig had. Met het verzet hebben we lang geaarzeld om erop in te gaan, het kon een valstrik zijn, maar toen we het nummer uiteindelijk draaiden, kwamen we bij de hoofdcommissaris van de gerechtelijke politie van Antwerpen terecht en via hem hebben we stapels rantsoenkaarten en zegels kunnen bemachtigen."
Sleutelschrift    
HUMO: Er zijn op die twee jaar maar weinig verklikkingen en aanhoudingen geweest.
Mme Andrée
: "In verhouding met het aantal geredde kinderen erg weinig. De grootste arrestatie vond plaats in één instelling waar tien kinderen verklikt zijn geworden en samen met hun niet-joodse directeur en directrice naar Duitsland zijn gedeporteerd om nooit meer terug te keren. Onze organisatie -tussen haakjes, het waren allemaal vrouwen, enkel onze boekhouder was een man!- is bijvoorbeeld nooit geïnfiltreerd geweest. We waren uiterst voorzichtig: we zagen mekaar bijna dagelijks en toch wisten we niet waar de anderen woonden, we kenden alleen mekaars voornaam. Als we mekaar berichten stuurden, dan dropten we die in een "neutrale" brievenbus, bij een bevriend antiquair of bij de secretaris van de Franstalige KAJ. Ook de administratie met de namen van de kinderen was voor 1OO% gecodeerd (haalt vijf vergeelde schriftjes uit de kast) Kijk, in schriftje 1 kreeg het kind met zijn echte naam een codenummer, in schriftje 2 schreven we bij dat codenummer hun oude adres, in schriftje 3 schreven we bij hun codenummer hun "nieuwe" naam en geboortedatum, in schriftje 4 gaven we alle onderduikadressen een codenummer en in schriftje 5 kwam de nieuwe naam te staan met de code van het onderduikadres. Het was als een cijferslot met vijf mogelijkheden, met dit verschil dat elk "cijfer", dat elk schriftje in een andere brandkoffer bewaard werd en dan nog geregeld van plaats verwisseld werd.
Wijzelf droegen nooit enig papier bij ons, wij leerden alles van buiten, en als ik dan toch een kleine notitie moest verstoppen, dan propte ik dat papiertje in de hak van mijn schoen.
HUMO: Jullie hebben tot de laatste dagen van augustus 1944 nog kinderen verborgen.
Mme Andrée
: "Ja, in die maand voor de bevrijding hebben we zelfs nog de grootste reddingsactie van heel de oorlog moeten opzetten. De Duitsers beheerden zelf homes waar ze joodse kinderen en bejaarden plaatsten en in de laatste oorlogsweken had het verzet een telegram onderschept waarin Berlijn de opdracht gaf om alle "officiële homes leeg te maken" en naar Duitsland te deporteren. Wij moesten op korte tijd voor 3OO à 4OO kinderen onderdak vinden en toen we die  vooral in katholieke kloosters gevonden hadden, hebben we al onze vriendinnen en klasgenoten van vroeger opgetrommeld. Om dan op 48 uren tijd met die enkele tientallen vrouwen al die honderden kinderen ongezien weg te brengen. Elkeen wist zijn home, stapte met vijf of zes kinderen op de tram en verdween." 
Go-between
HUMO: Hebt u zich tijdens die korte reizen naar het pleeggezin of de pleeginstelling aan sommige kinderen gehecht?
Mme Andrée
: "Oh ja, dat gebeurde vaak. Kinderen die nu vijftigers zijn, en die ik nog altijd graag zie, die voor mij nog altijd dat kindergezichtje uit 1943 gebleven zijn. Ik hield van die kinderen. Ik hield twee keer van ze! Een, omdat het kinderen waren, en twee omdat het vervolgde kinderen waren, je wou absoluut niet dat hen iets overkwam. Er zijn er bij wie ik zo'n beetje de meter ben geworden, die ik geholpen heb als ze hun studies niet konden betalen of als ze liefdesverdriet hadden. Voor al hun problemen kwamen ze bij mij en komen ze nu nog bij mij.
Ik ken een meisje die in haar leven geweldig veel problemen heeft gehad op relationeel gebied, niet de enige trouwens van al die ondergedoken kinderen, en zij zegt mij:" Ik ben als baby bij mijn ouders weggehaald en ik ben nu vijftig jaar ouder, maar ik kan me nog altijd niet aan iemand hechten. Elke keer als ik mij aan iemand hecht, word ik overvallen door de angst dat mij iets overkomt, dat iets of iemand mij van die persoon zal komen wegrukken." 
HUMO: Als u de kinderen ter bestemming bracht, bleef u dan nog lang ter plaatse?
Mmme Andrée
: "Niet langer dan een half uur. Voor de kleinsten was dat erg, die hadden zich aan mij gehecht. Ik was toch degene aan wie hun papa en mama ze had toevertrouwd! En nu ging ik ook weg! Ik moest blijven, huilden ze. "Ik wil dat jij mijn mama wordt!" Gisterenavond heb ik nog telefoon gekregen uit San Francisco en dan voel je nog altijd die erkentelijkheid van die kinderen. Ze hechten zich ook emotioneel aan mij, ik ben degene die hun ouders het laatst gezien heeft. Vaak hebben ze helemaal geen familie meer, iedereen van hun familie is vermoord in de kampen, en ik blijf over als enig contact met het verleden. Ik heb hun ouders nog bezocht terwijl zij ondergedoken waren, ik was de go-between, ik bracht nieuwtjes en brieven over en weer.
Een enkele keer heb ik er ook voor gezorgd dat de ouders hun kind even te zien kregen. Dat was het geval met een vader wiens dochtertje zes maanden was toen ik het kwam halen. Op een dag kreeg ik een briefje van hem: "Kan ik mijn dochtertje alstublieft zien? Morgen wordt ze één jaar." Ik ben dan met het kind in een kinderwagen naar een park in zijn buurt gewandeld, de vader wilde het even in zijn armen houden, maar dat kind wilde hem niet kennen, het weende en wou altijd maar terug in mijn armen. De dag daarop, ik herinner mij de datum alsof het gisteren was, -7 mei 1944, de verjaardag van zijn kindje-, op die dag viel er een bom op het Liedtsplein en de vader is erin gebleven...
Dat meisje woont nu in Engeland, ik heb haar in april nog gezien, u begrijpt dat er tussen ons een heel aparte band is.

(Gazet Van Antwerpen, juni 1994)

(Gazet Van Antwerpen, juni 1994)

Elk van die kinderen heeft zich tijdens dat onderduiken aan iemand gehecht. En aan die iemand die ze na de oorlog misschien niet meer gezien hebben, die intussen misschien al jàren dood is, aan die iemand zullen ze altijd met weemoed blijven terugdenken.
Vaak beginnen ze die personen pas nù op te zoeken, veertig, vijftig jaar na de oorlog. Hun eigen kinderen zijn groot, hun materiële zorgen zijn achter de rug, ze zitten thuis en pas nu beginnen ze na te denken over vroeger, over hun jeugd. En dan willen ze terug naar die plaatsen waar hun leven zo'n dramatische kering heeft genomen. Dit jaar nog heb ik een brief van een vrouw uit New York gekregen. Tussen oude papieren van haar vader had ze "haar" onderduikadres in de buurt van Turnhout gevonden en of ik die mensen kon opzoeken. Een week nadat ik via de hulp van een oude pastoor en veel detectivewerk op de burgerlijke stand achterhaald had dat die "pleegouders" dood waren maar dat twee zonen nog in leven waren, stond ze al in Turnhout! En daar was het feest natuurlijk."
Noodlot
HUMO: Werden de kinderen op de hoogte gebracht als hun ouders gedeporteerd waren?
Mme Andrée
: "Nee, dat werd niet gezegd. De brieven van die kinderen werden meestal onderschept door de directeur van de instelling en aan ons doorgegeven. Wij schreven dan aan de kinderen dat het goed ging met hun ouders... Alle kinderen hebben dus het einde van de oorlog moeten afwachten om te zien of hun ouders terugkeerden. Zo heb ik een vader en een moeder uit Schaarbeek weten opduiken. Hun kind had ik weggehaald; zijzelf hadden twee jaar aan een stuk ondergedoken gezeten bij hun buren in een kelderkamertje. Daar waar ze tijdens een razzia net op tijd hadden kunnen binnenspringen. Twee jaar aan een stuk hadden ze in dat kamertje van twee op twee meter opgesloten gezeten, en op die 72O dagen hadden ze niet één keer dat kamertje verlaten!

Ja, als ouders levend terugkwamen, welk een vreugde voor die kinderen, maar welk een verdriet voor de kinderen die week na week alleen bleven en voor wie niemand opdaagde. Zo kwam er een jongetje naar mij dat me vroeg hoelang het zou duren eer Pasen en Pinksteren op dezelfde dag vielen. Arm kind! Zijn kameraadjes hadden verteld dat ie dan zijn mama en papa zou terugzien...
Voor sommige kinderen brachten al die drama's een grote identiteitscrisis mee. Er waren kinderen die zich niet langer jood wilden noemen. Want jood zijn, dat betekende achtervolgd zijn, niet geliefd zijn, ongelukkig zijn, en dat alles wilden ze niet zijn. Dat ongeluk, dat noodlot van die joodse kinderen! Je herinnert je dat toestel dat neergestort is in Lockerbie (270 mensen kwamen om na een aanslag op een vliegtuig boven het Schotse Lockerbie in 1988,jh). Bij die slachtoffers was één Belg, welnu, die ene Belg was een zoon van een kind dat ik tijdens de oorlog heb helpen onderduiken. Toen ik die vader ging opzoeken, zei hij:" U hebt mijn leven gered. Maar U ziet het. Het noodlot moet ons hebben, het noodlot blijft ons achtervolgen." 

Ze gaat me voor tot bij de deur, vraagt hoe oud mijn jongens zijn en zegt dan heel nadrukkelijk: "Embrassez vos enfants de ma part. Embrassez-les!"

Nawoord: Andrée Geulen is intussen 98.

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Record social distancing op café: 245 uur in quarantaine op een barkruk

Op 8 juni zouden cafés en restaurants weer open mogen mits redelijk strenge voorzorgsmaatregelen. De tafels op restaurant zouden sterk afgeschermd worden, in cafés is het (nog) niet duidelijk hoe de 1,5-meter-maatregel kan gehandhaafd worden.
Dat brengt me bij deze record-barkrukzitter uit Tongerlo die in 1989 meer dan tien dagen "alleen" op een barkruk zat. Niemand mocht hem een hand geven of aanraken. En opdat hij op niemand of op niets zou kunnen leunen werden hij en  zijn barkruk in quarantaine geplaatst tussen vier nadarhekkens.   
Reportage verschenen in Humo 1996 in de reeks "Eéndagshelden" © Jan Hertoghs

"Ik zat op café tussen nadarhekkens. Precies in een gevang !"  

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

In november 1989 bracht de nu 39-jarige Rob Van den Bosch uit Westerlo het Guinnessrecord barkrukzitten op 245 uren. In café 't Klompke in Tongerlo heeft hij dus meer dan tien dagen op een barkruk gezeten met alleen een rugleuning om tegen te steunen, maar verder geen tafel, geen toog, geen schouder om op te leunen. Tot u spreekt een stevig zitvlak.

HUMO: Hoeveel maanden heb je je op die poging voorbereid?
Van den Bosch
: "Drie maanden. Drie maanden dat ik niet meer rookte, geen pinten meer dronk en dat ik veel ging trainen.”
HUMO: Op de barkruk?
Van den Bosch
: "Nee, jongen, lopen hé, elke dag gaan lopen. Want als ge loopt, dan traint ge uw benen en uw rug. Dat zitten zelf, dat kunt ge niet trainen. Want een hard zitvlak, dat hebt ge of dat hebt ge niet. Want ja, als ge door uw gat zit, dan zit ge door uw gat hé. Maar ik had daar geen last van. Ik zat negen dagen en toen zei een van mijn twee doktoors: "Rob, kom eens mee naar achteren." Ik dacht nondedju, heeft die soms slecht nieuws dat ik moet stoppen of zo? "Ik wil uw poep zien," zei hij, en toen zag hij mijn poep en daar was niks aan te zien. Die dokter kon zijn ogen niet geloven. Die dacht dat mijn vlees helemaal open zou liggen en dat ik de pijn aan het verbijten was, maar er was niks te zien aan mijn vel. Medisch heb ik niks gemankeerd, want er zijn er bijvoorbeeld die vroegtijdig moeten stoppen omdat ze dikke voeten krijgen. Ah ja, ge zit altijd met uw benen naar beneden en bij sommigen zwellen die voeten dan op. Ja jongen, neem het van mij aan, ge moet optimaal in conditie zijn, want anders kunt ge het vergeten." 
HUMO: Je gaat dus op een dag op die barkruk zitten en dat is het dan. Of moet je tevoren veel organiseren?
Van den Bosch
: "Manneke! Ge moet sponsors zoeken, ge moet reclame maken, ge moet affiches maken, ge moet die affiches gaan ophangen. Ik heb dat allemaal op mijn eentje gedaan. En sponsors hebt ge nodig, want op mijn eerste zitdag gaf ik al een receptie en de volgende dagen kwamen er maar liefst drie fanfares spelen. Die zult ge later een mosselsouper moeten betalen en dan hebt ge geld vandoen hé."
HUMO: Waarom gaat iemand tien dagen op een barkruk zitten? Waarom precies dàt record en geen ander?
Van den Bosch: "
Dat zal ik rap zeggen. Hier waren vier mensen in Tongerlo die dat record ooit hadden willen breken, wat niet gelukt was, en in '89 wilden ze het opnieuw proberen. Ik vroeg of ik mee mocht doen, neenee dat was te moeilijk en si en la,  en toen dacht ik: nondedju, als ik niet mee mag doen, dan doe ik het alleen! En zo ben ik begonnen."
HUMO: Hoeveel rustpauzes waren toegelaten op een dag?
Van den Bosch
: "Om de drie uur mocht ik een kwartier van die kruk af om mijn benen te strekken."
HUMO: En slapen?
Van den Bosch
: "Ik knikkebolde af en toe wat op die barkruk, vooral in de vroege ochtenduren vielen mijn ogen toe. Maar veel slaap kreeg ik niet, want er zat bijna altijd volk rond mij, en die toeschouwers waren natuurlijk niet gekomen om mij te zien slapen. De eerste dagen zat ik dan ook uren aan een stuk te semmelen. Als dat nuchter volk was, ging dat nog, maar ge hebt van die zattekullen die honderd keren vragen hoe-is-'t? dat is om zot te worden natuurlijk. Zo ongeveer op de vierde dag besliste ik: nu stop ik mijn oren dicht, ik laat ze lullen en ik lul niet terug. Van dan af zette ik mijn kop op nul en ik dacht alleen nog aan mijzelf. Ik dacht: ze kunnen allemaal de pot op. Ik ben met mijn record bezig en ik zàl mijn record halen. Die zattekullen, dat was echt niet om te lachen, want die kwamen ook heel de tijd over dat nadarhek hangen om mij een hand te geven."
HUMO: Je zat binnen in dat café tussen nadarafsluitingen?
Van den Bosch
: "Ah ja, want niemand mocht mij aanraken! Aanraken werd immers beschouwd als 'leunen' en dus moest dat volk weggehouden worden met nadars. Ik zat precies achter tralies, precies in een gevang. En ik zat overal tachtig centimeter vandaan. Van de muur, van de toog, van de tv en van de video. Opdat ik maar niet zou kunnen leunen. En alleman kon mij controleren hé, want ik zat voor het raam van het café. Op elk uur van de dag of de nacht konden voorbijgangers mij zien zitten."

(Gazet Van Antwerpen 13/11/89)

(Gazet Van Antwerpen 13/11/89)

HUMO: Wat heb je zoal op tv bekeken?
Van den Bosch
: "Veel sport en veel avonturenfilms. En verder had ik daar ook telefoon en heb ik puzzels en kruiswoordraadsels ingevuld. En met de kaarten gespeeld, met drie anderen die ook op tachtig centimeter van mij zaten."
HUMO: Werd je op de duur niet suf, misselijk of duizelig?
Van den Bosch: "
Ik werd beter met de dag! En niks genomen hé! Geen pillen! Niks! Ik had twee dokters en die hielden dat allemaal proper in het oog."
HUMO: At je aangepaste voeding?
Van den Bosch
: "Bijlange niet! Ik heb alles gegeten! Biefstuk met friet! Kieken met friet! Al wat ge maar wilt!" 
HUMO: En hoe moest je je wassen?
Van den Bosch
: "Die cafébazin maakte een warm bad klaar tegen zeven-acht uur 's avonds. Als mijn kwartiertje pauze daar was, dan was dat spurten naar boven, broekje en t-shirt uit, raprap wassen en weer naar mijn kruk hé. Tijdens andere kwartiertjes ging ik een luchtje scheppen, een eindje lopen tot aan de abdij van Tongerlo, of een keer goed aan de toog hangen tussen het volk, maar wel met een cola."
HUMO: Hoeveel mensen zijn er op die dagen komen kijken?
Van den Bosch
: "Ik had een gepensioneerde om dat allemaal te tellen en die had na elf dagen 48OO streepjes gezet. Woensdag toen ik halfweg was, is het Tiroler orkest waarvan ik spelend lid ben, hier komen spelen en toen zat het café zo stampvol dat ge niet meer binnen of buiten kon. De fanfares van Zammel en Tongerlo, waarvan ik ook lid ben, zijn hier trouwens ook komen spelen."
HUMO: Hoe heb je je mentaal voorbereid?
Van den Bosch
: "Mentaal voorbereid? Ik zal het u rap zeggen. Om zes uur 's avonds moest ik op die kruk kruipen en om twintig na vijf was ik nog een spandoek aan 't ophangen van één van mijn sponsors. Ik ben dan gewoon naar huis gegaan, ik heb mijn kabas genomen met wat onderbroeken erin, ik ben op die kruk gekropen en ik ben er niet meer afgekomen. Karakter, jongen, da's alles."
HUMo: Was je nadien de held van het dorp?
Van den Bosch
: "Ze verschoten allemaal dat ik het gepresteerd had. Want ik ben hier nogal gekend, ik drink graag een pint, ik zwans graag, ik ben graag onder de vrouwen, en alleman dacht dat ik den haas zou worden, dat ik eronderdoor zou gaan. Maar ik heb het gehaald, en iedereen verschoot dat ik zo sterk was. En dan zijn natuurlijk de gazetten gekomen, en de schepen van sport met zijn beker, en later dat diploma van het Guinness Boek. Ik heb hier ook nog een videoband liggen. Drie uur en drie kwartier video. Allemaal over mijn record."
HUMO: In de krant noemden ze Tongerlo een 'recorddorp'.
Van den Bosch
: "Dat is zo. Op de dorpsfeesten zijn hier al heel wat records gesneuveld: de langste toog, het langste spit, de grootste barbecue, de langste worst, allemaal in Tongerlo."
HUMO: Hangt je Guinness-getuigschrift nog aan de muur?
Van den Bosch: "
Bwah nee!  Ik heb die barkruk zelfs verkocht! Die was versierd, ze hing vol stickers, maar ik heb ze niet bijgehouden. 't Is niet omdat ge één keer iets straf doet, dat ge daar een heel leven op moet teren hé."
HUMO: Hoelang heeft het dorp daar nog over gepraat?
Van den Bosch
: "'t Is zeven jaar geleden, maar daar klappen ze nu nog over. Ik moet maar in een café komen of "Nondedju, Rob, weet ge 't nog van toen?!" En dan begint het weer hé." 
HUMO: Na die recordpoging ben je dus niet in een zwart gat gevallen.
Van den Bosch
: "Integendeel. Er waren genoeg cafébazen die wilden dat ik die poging nog eens overdeed in hun café. Wat wilt ge?! Tien dagen iemand in huis hebben die bijna 5OOO man over de vloer trekt! Maar zolang ik de beste ben, begin ik niet opnieuw. Maar pas op! Als er ene is die mijn record klopt, al is het maar met één minuut, dan begin ik opnieuw. Dan zit ik morgen weer op die kruk."

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Uit onze gevoelige platenkast: de huwelijksfotografen !

Mei is dé huwelijksmaand. Maar corona heeft daar zijn schaduw over gedrapeerd. Enkel de twee getuigen mochten aanwezig zijn op de plechtigheid. Ouders en familieleden moesten volgen op het videoscherm. Sinds vorige week is die regel versoepeld: dertig aanwezigen mogen erbij zijn in het gemeentehuis. Daardoor worden minder trouwerijen afgezegd, zelfs al zijn de kerkviering, of de receptie en het feest nog altijd uitgesloten.
Voor de huwelijksfoto's is het nu een uitgelezen tijd, aldus een krantenartikel: op de historische plekken staan nu minder auto's en minder toeristen die in het beeld lopen.
Aanleiding genoeg voor deze reportage over de huwelijksfotografen.
Uit Humo mei 1995 ingekort en bewerkt ©Jan Hertoghs

Ingescande foto uit Humo/ Herman Selleslags

Ingescande foto uit Humo/ Herman Selleslags

“Voor goeie foto’s moet je een beetje verliefd zijn op de bruid.”

In België zijn naar schatting zo'n 3 à 4000 beroepsfotografen (annex zwartwerkers) : daarvan zal een groot deel dit voorjaar weer de camera's omgorden om met rijst in de haren huwelijksfotografie te verrichten. Humo interviewde vijf fotografen die samen al zo'n tweeduizend huwelijken op de soms erg gevoelige plaat hebben vastgelegd. Zij hebben met de jaren de woorden rozengeur en maneschijn al lichtjes anders leren uitspreken.

9.15: Een kerktoren met een parking. Een man op sloffen haalt een brood. In dit zaterdagdorp in de Zuiderkempen ben ik op weg met fotograaf Karel. Het huis van de bruid is makkelijk te vinden: een bierton-brievenbus met een wit lintje rond de buik en een bestelwagentje met bloemen voor de deur. Ik word voorgesteld als de "assistent voor vandaag" en we maken kennis met bruidje Carine en haar familie. Moeder speldt met nerveuze vingers orchideeën op kragen en revers, de kleedster heft haar stoomstrijkijzer, Carine tilt haar witte jurk op de strijkplank, en dan arriveert al de eerste plezante nonkel die met een effen gezicht in de sofa gaat zitten, ‘k heb tijd, eens zien of er iets op tv is ?!
Vijf minuten later belt Eric de bruidegom die almeteen bedankt wordt, hij heeft het schoon weer meegebracht! En ook nog een heel pak familie natuurlijk waaronder het bruidsmeisje Charlotteke dat al in de schaal met pralines grijpt, maar alleen een droog koekje krijgt, "anders heeft ze seffens een chocobaard". Een tante gaat rond met sherry en fruitsap, de plezante van dienst neemt gretig een glas: "Ge kent mij hé, ik slaag alleen maar vliegen af!"  
Karel vraagt om een familiefoto rond de zetel met de hoogbejaarde vava, hij zal eerst tot drie tellen "en dan roepen jullie allemaal whisky in plaats van cheese."  Zoiets moet hij maar één keer zeggen natuurlijk: Ik mag gene whisky. Mag ekik champagne zeggen!?" En ook: "Als wij whisky zeggen, dan zijn wij subiet allemaal zat!" Ik voel me al danig op mijn gemak: waar een gemeenplaats is, daar ben ik als een kind aan huis.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

HUMO: Is de aankomst van de fotograaf altijd een blijde inkomst?
Jan
: "Ja, ze zijn blij als je binnenkomt. En opgelucht! Ha, de fotograaf is er! Je ziet ze denken: weeral een zorg minder, weeral een punt dat we van ons lijstje kunnen schrappen."
Marc: "Ik kom altijd binnen met een lichte scherts. Om het ijs te breken en om stoom af te laten af. Immers, die mensen hebben meerdere zenuwslopende maanden achter de rug met een hele sleep aan beslissingen: waar gaan we wonen, wat zetten we op onze huwelijkslijst, hoeveel mag het feest kosten, wie mag er komen, enzovoort. Je merkt dat, iedereen loopt op eieren, een verkeerd woord is gauw gezegd, en dan is een beetje humor zeker zo welkom als een eerste glas champagne."
Karel: "De spanningen die er 's morgens zijn, zitten soms ook dieper. Het is merkwaardig hoe vaak men op die ochtend een aantal familiale situaties probeert te officialiseren - zus is er met haar nieuwe verloofde, gescheiden schoonbroer heeft een nieuwe vriendin- of ook, dat men oude vetes probeert bij te leggen. Zo heb ik een bruid haar broer weten uitnodigen die van haar vader het huis niet meer binnen mocht. Die jongen komt aan, die vader schiet in een colère, wijst hem de deur, hij probeerde nog via de achterdeur binnen te komen, maar die vader vloog vechtend bovenarms op zijn zoon, die bruid wéénde, wéénde, ja, da's een triest begin, hé."
Frank: "Of een schoonzus die haar man een enorme wafel tegen zijn oren verkocht toen ze ontdekte dat haar kerel al heel de morgen stiekem zat te drinken in het achterschuurtje. Ook niet mals als start van de dag."
Marc: "Een heel bijzondere onderhuidse spanning is er ook wanneer je een intellectuele familie ziet arriveren in een huis waar het enige boek een telefoonboek is. De ene familie is zeer gereserveerd, de andere heeft ontzettende schrik om de dingen fout te doen. Plus de vele ongemakkelijke stiltes, want waarover moeten die families in godsnaam praten?
Ik heb ook al enkele keren rijk met arm zien trouwen, en dat gaat meestal met minder problemen. Op één keer na dat de rijke bruidegom weigerde om zijn bruid af te halen in haar zeer bescheiden ouderlijk huis. Hij had in zijn kennissenkring een mooier huis-met-tuin gezocht en die ouders van de bruid zijn dus in een vreemd huis gaan zitten om beide families te ontvangen."
HUMO: Is er soms al ruzie tussen de partners?
Marc
: "Dat is zeldzaam, maar er was die keer dat de bruidegom 's morgens amper zijn bruid wilde vastpakken voor de foto en als ik hem vroeg haar te zoenen, drukte hij een kus achter haar oor. Die twee keken mekaar zelfs niet aan, en waren dan ook binnen de twee maanden uit elkaar. Een ander stel heeft het zelfs maar een maand uitgezongen. Hun album ligt hier nog, ze zijn het niet komen halen."
Vera: "Mijn record is 's avonds op een feest komen, de twee families lijnrecht tegenover mekaar zien staan, stoelen door de zaal zien vliegen en diezelfde avond nog vernemen dat het koppel gaat scheiden!"
Marc: "Alles kan op zo'n ochtend. Komt een bruidegom bedeesd binnen met zijn boeketje, ik vraag zachtjes of hij zijn bruid een kus wil geven, je staat daar bovenop met een zware zoomlens en ineens begint die gast dat kind een tong te draaien, (knijpt ogen dicht), dat komt hard aan op een nuchtere maag!"

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

HUMO: Zie je nog veel zwangere bruiden?
Marc
: "Je ziet het de laatste jaren alsmaar minder, maar als de bruid zwanger is, dan zie je het wel meteen. Ze houdt haar boeket opvallend voor haar buik en je weet, die zal ik maar niet "en profil" nemen. ."
Jan: "Plezierig vind ik het wanneer één deel van de familie dat nog een beetje wil wegstoppen, terwijl het andere deel voluit grapjes maakt: "Allez, Wendy, trek je buik in voor de foto!"
HUMO: Zijn er ongelukkigen die zich die dag overslapen?
Marc: "De meesten zijn al ùren wakker, maar één keer hebben we de bruidegom uit zijn nest moeten halen, die was zo zat als honderdduizend man. Ze moesten 'm ook nog naar de kapper slepen en toen hij daar in de zetel zat, kotste ie alles onder."
Jan: "Ik heb een bruid ooit zien wachten op haar jongen, sjieke familie, sjieke villa, sjieke traphal en helemaal bovenaan zat ze te wachten, zittend op de trap, in haar prachtige kleed, benen en knieën nonchalant uit elkaar, ongegeneerd een sigaretje paffend, asbakje een trap lager, prachtig!, een scène uit een film noir, maar ik mocht haar zo niet fotograferen. Niet getreurd, achter hun villa was een bos, daar hing een dikke flard ochtendnevel, héél sprookjesachtig, en daar wilde ze wel poseren. Ik neem een paar foto's, ik laat ze nog een paar stappen achteruitgaan en ineens rààkt ze met haar kleed een boom, een groen uitgeslagen boom, en dat witte kleed krijgt ineens een grote groene streep. Zij nam het sportief op, maar haar moeder was in àlle staten! Zeker nadat ze dat groen met water had willen wegwassen: hoe meer water ze gebruikte, hoe groter die vlek werd! Verschrikkelijk! Dat meisje is zo getrouwd, en heel de dag, overal waar ik stond, hoorde ik die moeder tegen steeds weer nieuwe kennissen zeggen:" 't Is de fotograaf, hij heeft haar tegen een boom gezet" Alsof ik haar ontmaagd had!"

Wit brood op de plank
HUMO: Iedereen bidt en smeekt die dag om zon. Jullie ook?
Jan
: "Voor de familie is slecht weer een ramp, maar ik heb liever een grijze hemel dan een blakende zon omdat de kleuren dan veel dieper, veel natuurlijker zijn. Dat kan je natuurlijk niet zeggen tegen die stralende familie die blij is met zoveel zon, want zij komen U zeggen: " Ge hebt chance hé, zo'n schoon weer!" En ik moet dan antwoorden: "Ja, dat heb ik speciaal voor u meegebracht!" (lacht)
Zeg maar ja tegen het leven

1O.3O: Als de laatste familieleden suitegewijs zijn ingestapt in de gehuurde Mercedessen-met-wit-lintje, scheert de fotograaf door nieuwbouwwijken en over zeshonderd verkeersdrempels naar de dorpskern om de kolonne voor te zijn en de aankomst voor het gemeentehuis niet te missen. In de "trouwzaal" laat de burgemeester iedereen plaatsnemen en de manier waarop hijzelf voluit in de zetel gaat zitten, zegt genoeg: als mijnheer pastoor straks één uur mag volpraten, dan mag hij toch ook wel een half uur zijn zeg hebben, zeker. "Carine en Eric, -'t is allebei met een C zie ik, dat is gemakkelijk- ge zit hier nu wel stil voor mij ..., maar stààt ge er ook bij stil dat ge hier maar één keer in uw leven komt?!... Ik zou maar ja zeggen, want straks moet ge ook JA zeggen, hé". En zo gaat ie op zijn elan verder bij het voorlezen van een aantal artikelen uit het huwelijksrecht ("een paar ouwe wetten uit achttienhonderd en centiemen") waarna hij bruid en bruidegom aanspoort om de gulden middenweg te volgen naar het huwelijksgeluk:" De gulden middenweg, zult ge zeggen, waar is die ergens? Wel, Carine en Eric, 't is vandaag omleiding in de gemeente, overal staan er wegwijzers, de mensen moeten een beetje zoeken, en zo is dat in 't leven ook, die middenweg, die moet ge zoeken."
Dan is het tijd om mekaar het ja-woord te geven, wat door de burgemeester ingeleid wordt als "Dit is een kwis en op alle vragen moet ge "ja" antwoorden. Of om het met de actualiteit te zeggen: het is niet moeilijk, het is gemakkelijk!" Aan de muur blijven Albert en Paola onbewogen.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Marc: Elke burgemeester zal op zo'n heuglijk moment en met zoveel heuglijke kiezers in zijn nabijheid die buitenkans aangrijpen en flink de populaire Charel uithangen. Met alle clichés vandien. Zo worden er nog altijd grapjes gemaakt over de witte bladzijden in het trouwboekje en "over al de kindjes die zeker nog gaan komen".
Er is ook een burgemeester van wie ik de speech woord voor woord van buiten ken. Heb ik te maken met een goedlachse familie, dan ga ik tussen hen in staan en souffleer ik hardop alle zinnen van de burgemeester vóór hij ze uitspreekt (lacht)
HUMO: Zijn er kandidaten die zich plots bedenken en nee zeggen?
Vera
: "Ik heb al meegemaakt dat ze een uur van tevoren het hele huwelijk afzegden omdat er 's morgens een grote ruzie over geld was geweest. Het feestmaal hebben ze naar het nabije rusthuis gebracht."
Marc: "Sommige bruidegommen wachten opzettelijk lang met "ja" zeggen of ze doen alsof ze nee gaan zeggen en zeggen dan: nnnnn...jà!, maar dat is meestal voor een weddenschap. Ik heb wel een meisje geweten dat pas getrouwd was voor de wet en ineens de kerk niet wilde binnenstappen. Ze was Getuige van Jehovah, ze had dat altijd verborgen gehouden voor de buitenwereld en zo ineens, op de stoep van de kerk, kreeg ze het niet over haar hart om binnen te gaan. Je had die suite moeten zien, die stond aan de grond genageld!"
Jan: "Ik heb nog nooit iemand "nee" horen zeggen, maar het merkwaardige is dat het toch in de achterhoofden van de familie speelt, want bij het "ja" voel ik altijd een lichte zucht van opluchting door de rijen gaan. Je zal ook altijd zien dat de moeder op dat moment begint te schreien, wat toch ook een teken is dat er spanning is weggevallen."
Marc: "Wat wij wel merken, is dat zowel de burgemeesters als de pastoors veel pessimistischer zijn in hun preken. Vroeger wilden ze nogal eens leuteren over De Grote Liefde en Het Grote Geluk en nu is het De Grote Liefde met een grote Maar geworden. Zonder het woord echtscheiding uit te spreken, laten ze toch horen dat het tegenwoordig "niet allemaal rozengeur en maneschijn is" en dat veel huwelijken te kampen hebben met ongeluk of tegenslag".
Frank: De zogenaamde "hevige storm voor uw kleine bootje"!
HUMO: Bij het buitengaan van gemeentehuis en/of kerk worden er vaak erehagen gevormd door de collega's van het werk of de vereniging waar bruid of bruidegom deel van uitmaken. Ik heb al erehagen van vrachtwagens, ambulances, scouts, cowboys én Indianen gezien.
Vera
: "Of wielertoeristen die allemaal één wiel omhoog steken."
Marc: "Of rijkswachters met geheven sabel die de bruid in het voorbijgaan een tik op de kont geven. Dat moet zo, schijnt het."
Jan: "Klopt. Met een matrak heb ik ze het nog niet zien doen."
Laat de honden tot mij komen
11.OO: Omdat het maar vijftig meter is tot de kerk, wordt die afstand uiteraard met de auto afgelegd. Voor het portaal heeft al menig vrouwvolk de hand voor de mond geslagen. Amai, zie wat een décolleté, dat kind zal wel kou hebben. - Of juist niet, hé Rita. De huwelijksmis is de klassieke mix van teksten in gecopieerde misboekjes en verzoekplaten uit vervlogen jaren (lees: Suzanne van Herman Van Veen). De aanwezigen - op enkele rondslingerende kleuters na- zitten stil als gebeiteld, maar dàt geldt niet voor de fotograaf. Hij is de geprivilegieerde die in dit stilleven mag rondlopen, neerhurken, binnenwegen nemen via het altaar, ja zelfs, vlak voor bruid en bruidegom gaan staan. Andere familieleden-fotografen komen af en toe met beduidend kleinere toestellen naderbij, maar sluipen toch snel weer weg uit het territorium van de échte Theo Flitser. Dan zijn Eric en Carine ook voor de kerk man en vrouw en krijgen ze bij het buitengaan 75O gram breukrijst over zich heen.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Marc: Bij het binnengaan van de kerk zijn meestal de drie grote vijanden van de fotograaf aanwezig: de ceremoniemeesters, de vidioten en de bruidskindjes. De eerste twee lopen in de buurt van het koppel en dus ook in de weg van ons beeld, de bruidskindjes maken het ons dan weer lastig door meestal het tegenovergestelde te doen van wat we vragen. Sofieke, blijf eens hier! Kevinneke,kijk eens naar de mijnheer! Bruidskindjes mogen ze voor mijn part die dag in een diepvriezer stoppen. Daar zitten ze tenminste stil!"
Jan: "Het ergste vind ik de videomannen en hun belichting. Die hebben nooit genoeg licht, dat moet altijd vollen damp zijn. Die komen naar voren met hun 'toortsen' en boef, 5OO watt op dat altaar. Alsof ze daar een avondmatch aan het spelen zijn! Meestal spreek ik vooraf met hen af om hun lichtkanon af en toe te doven. Lukt dat niet, dan ben ik al in de sacristie gegaan om de stekker uit te trekken. Staan ze naar hun bakje te gapen, "mijn lamp is precies kapot" (lacht). Die tijd is spijtig genoeg voorbij, nu hebben ze allemaal ingebouwde batterijen."
Marc: "Vroeger waren videocamera's ook veel gevoeliger en als zo'n 'vidioot' echt op mijn zenuwen werkte, flashte ik knal! in zijn buis, en dan was die camera een kwartier stekeblind."
HUMO: Hebben pastoors zelf geen hekel aan teveel media-belangstelling?
Frank
: "Eén keer zei de pastoor ineens: "Fotograaf! Ofwel stop jij ermee, ofwel stop ik ermee." Ik mocht van die zageman maar een tiental foto's maken en omdat ik er meer maakte, legde ie de mis stil. Kon ik afnokken en op een stoel plaatsnemen."
Jan: "De meeste fotografen gedragen zich bescheiden in de kerk, maar ik heb toch al kerels gezien die zich nergens wat van aantrokken en die mee achter het altaar gingen staan, vlak naast de priester. Die zouden de kelk zelfs een half meterke opzijschuiven om hùn foto te maken. Eén keer heb ik ook een fotograaf onder het altaar zien liggen. Op zijn buik. Want alleen vandaar kon hij een shot van heel de kerk maken mét het koppel erbij (lacht).
Marc: "Van een kelk gesproken! Met de communie mag het paar achter het altaar komen staan en mee van de kelk met wijn drinken. Eén keer heeft zo'n bruidegom die kelk naar zijn vrienden en familie geheven met de woorden "Schol hé mannen!" Ook een weddenschap natuurlijk."
Vera: "Ik heb eens een familielid op de eerste rij een sigaret weten opsteken! En helemaal niet voor een weddenschap. Die heiden had gewoon zin in een sigaretje en zat daar doodgemoedereerd te paffen. En de pastoor:" Roken moet ge buiten doen, mijnheer."
HUMO: Bruide(gomme)n die flauwvallen, komt dat vaak voor?
Frank
: "Vroeger was die huwelijksmis nog iets overweldigends en dan ging er wel 's iemand van zijn stokje, maar tegenwoordig is men veel minder onder de indruk van dat gebeuren."
Jan: "Ik vind wel dat de bruidegommen er doorgaans slechter uitzien dan de bruiden. Die zien bleek! Die zijn gespannen! Die zweten! Die hebben een kramp op hun gezicht, ja zelfs lichte paniek in hun ogen. Een bruid niet, een bruid geniet veel meer. Een bruidegom geniet niet, een bruidegom lijdt. En dat houdt pas op als hij buiten de kerk is en weer een beetje onder de mensen kan komen."
HUMO: De kerk is ook de plaats waar het stel zijn lievelingsmuziek wil horen. Hoe zit het tegenwoordig met die muzikale omlijsting?
Vera
: "Plaatjes en cassettes beginnen uit de mode te geraken, wij zien een toename van de live muziek: gitaar, harp, een blazerensemble, tot een heel kamerorkest toe."
Jan: "Er zijn ook bekende zangers die live zingen op huwelijken. Zo'n Gunter Neefs bijvoorbeeld zingt liedjes uit zijn repertoire, maar de familie houdt zo'n 'optreden' wel geheim uit schrik voor fans in de kerk." 
Karel: "Qua liedjes heb je echte evergreens. Zoals Miel Cools met zijn "Houden van" en "Er was een tijd" (dat ze elkaar nog niet kenden)."
Marc: "Nog zo'n evergreen is Vader Abraham's "Bedankt, lieve ouders!" Dat spelen ze wanneer de jongen en het meisje op het einde van de mis bloemen gaan afgeven aan hun respectievelijke ouders, dat is het snottermoment bij uitstek, dan worden er nogal zakdoeken getrokken. Eén keer was het mis, de bruid had net haar boeket aan haar ouders gegeven, en toen smeet die bruidegom zijn boeket -bàf- zonder een woord te zeggen in de schoot van zijn moeder. Niet dat die iets tegen zijn moeder had, nee, als "vent" vond hij dat bloemetjes afgeven dikke flauwekul."

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

HUMO: In de kerk is er een highlight dat jullie absoluut niet mogen missen: het schuiven van de de ring aan de vinger.
Marc:
"Daar maken ze tegenwoordig nogal tralala van. Als ze de ringen naar het altaar brengen, dan liggen die niet zomaar op een kussentje of in een juwelendoosje, nee, nu hangen ze aan een strikje rond de nek van pluchen beesten, of op een speelgoedkarretje of miniatuurtreintje dat naar voren wordt getrokken. Of ook: in een mondgeblazen kristallen bol die het paar dan samen stukslaat met één kristallen hamertje!"
Vera: "Een keer zat het in een kistje dat met een riempje rond de hals van een wit hondje zat.  Dat kistje was zo'n piratenkoffertje van de Playmobil! En dat hondje was het schoothondje van de gehuwden. De pastoor had het na de ringenceremonie weggestuurd, zeer tegen de zin van dat koppel, en tegen de communie was het weer komen binnenlopen. Ik sta voor het altaar om de familie te fotograferen en ineens zie ik een drol liggen! Die hond had vooraan in de kerk op de rode loper gescheten! Ik wou nog gebaren, gooi daar een misboekje over, maar te laat, de eerste familieleden hadden het nog met een boogje ontweken, maar de volgenden trapten er glansrijk in, dat rode tapijt werd helemaal bruin. Achteraf zei die bruid dat ze dat "net goed" vond voor die pastoor, hij had het beestje maar niet moeten wegsturen!"
HUMO: Zijn de ringen soms onvindbaar?
Marc
: "Dat gebeurt. Meestal gaat men dan koortsachtig zoeken op de stoep van de kerk en iemand vertrekt ook per ijlbode naar huis, maar als het zoeken te lang duurt, worden er twee ringen "uit het publiek" gevraagd en dan trouwen man en vrouw bijvoorbeeld met de ring van hun oom en tante. In Four weddings and a funeral gebeurt hetzelfde en krijgt de bruidegom zo'n kanjer met een doodskop en de bruid een plastic prul uit de kauwgomautomaat, ik heb zitten gieren als ik dat zag."
Jurk aan de ketting
12.15: Tijd voor het moment suprême, de buitenopnamen in het park. Aan de rand van het dorp is een voetbalveld en tussen de spelers van de plaatselijke F.C. die hun zaterdagse sportzakken uit hun openstaande auto's sjouwen stappen bruid en bruidegom naar de grote vijver van het gemeentepark. Terwijl de fotograaf een bootje entert, verdwijnt Eric eventjes achter een boom "om zijn patatjes af te gieten".
Karel: "Soms moeten ze niet achter een boom om te plassen, maar om te kotsen. Vier keer heb ik dat al meegemaakt. De bruidegom is de avond tevoren flink wezen schitteren met zijn maten en in het park staat ie dan lijkbleek te bibberen. Zijn maag keert, spatjes braaksel op zijn vest, die bruid kwaad, die gast een kop als een schaap, zorg dan maar voor aangename beelden!"
Dan is het een uur lang poseren, met de riemen in het water, met de riemen uit het water, op de steiger, armen om de hals, kusje op de wang, kusje op de mond, steentjes in het water, rennen over het gazon, grassprietje kauwen in de mond, grassprietje kietelen in de neus. Een hele serie poses die het koppel ondergaat met het enthousiasme van opgediende lauwe spruiten. Karel vindt één uur poseren niet te lang, "dit was raprapwerk omdat ze er zo tegenop zagen."
Marc: "Je hebt fotografen die er twee uur over doen. Die pas een foto nemen nadat ze elk plooitje in de jurk glad hebben. Het is nu eenmaal een belangrijk moment voor de fotograaf. De rest van de dag moet je registreren, maar bij die buitenopnamen moet je regisseren. Want dit is het moment dat jij de foto's moet maken die zij van jou verwachten, de foto's die ze in jouw etalage gezien hebben, de stijl waarvoor ze speciaal naar jou zijn gekomen."

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

HUMO: De fotograaf met wie ik was, sprak constant met zijn koppel om ze "in de schwung" te houden. Ik werd moe in zijn plaats.
Marc: "Bij de meeste koppels moet je constant praten. Enerzijds leid je ze af door over hun werk, hun huis, hun huwelijksreis te praten, anderzijds breng je animo door die korte aanwijzingen te geven: hoe ze moeten kijken, zitten, lopen of staan. Stop je met die regie-aanwijzingen, dan vallen ze stil en zakken ze in elkaar als puddingen."
Vera: "Ik heb eens een Romeo gehad, die moest geen aanwijzingen. Die droeg zijn meisje letterlijk en figuurlijk op handen, die kuste haar waar ie haar kussen kon, die viel op zijn knieën voor haar, die nam haar op zijn schoot, dat is zeldzaam, dat je alleen maar moet afdrukken en verder niks."
HUMO: Mensen die mekaar moeten kussen voor een camera, trekken hun gezicht soms in een grimas. Hoe breng je die verkrampte gezichten in een spontane plooi?
Frank
: "Minder spontane mensen kan je ontspannen door ze met de bruidskinderen te laten spelen, of door ze iets in handen te geven, bijvoorbeeld een picknickmand en een fles champagne. Kom, zeg ik dan, "nu gaan we een beetje film spelen". Ze zijn dan met iets bezig, ze voelen zich minder onwennig, minder gegeneerd."
Vera: "Niet moeilijk eigenlijk dat ze onwennig zijn. Ze doen de hele dag alleen maar dingen die ze anders nooit doen. Ze dragen een lang wit kleed, ze rijden in auto's van vijftig jaar oud, ze komen in een kerk waar ze nooit komen, ze staan stil bij een kasteel waar ze nog nooit hebben stilgestaan."
Jan: "Die dag doen ze misschien wel anders dan op andere dagen, maar toch vallen ze ze allemaal op dezelfde clichés. Ik heb bijvoorbeeld vaak voorgesteld om foto's te maken op de werkplek - een advocate met haar trouwkleed in de rechtbank, dat moet toch mooi zijn, -maar zo'n voorstellen hadden maar matig succes. Men wil Het Park en  De Natuur. Alle romantische clichés moeten die dag aanwezig zijn. Het zijn enkelingen die bij iets koelere moderne architectuur willen poseren."
HUMO: Iedereen gaat ook op zoek naar de romantiek van de antiek: oude watermolens, oude begijnhoven, oude kasteelpoorten. Wijst die zucht naar "oud" misschien op een hang naar duurzaamheid, naar dingen die gebléven zijn. Alsof men vooraf al een stempel van duurzaamheid op dat huwelijk wil?
Jan
: "Die hang naar kastelen en watermolens, naar oldtimers en  pitteleers en lange jurken, is een nostalgisch teruggrijpen  naar de waarden en de rituelen van vroeger. Een huwelijksdag is per definitie conservatief. Die dag moet alles letterlijk en figuurlijk bij het oude blijven, zelfs bij koppels die al jaren samenwonen. Weet je dat ik nog nooit een samenwonend stel vanuit hun eigen kot naar kerk of stadhuis heb zien vertrekken. Nee, die dochter gaat braafjes terug naar haar papa en mama, en die jongen komt dat meisje in haar ouderlijk huis halen."

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs


Marc: “Voor sommigen mag het toch hoe gekker, hoe liever zijn. Een collega van mij had een bruid die per se foto's aan zee wilde en ginder stapte ze -voor het oog van honderden zonnekloppers- met haar bruidsjurk én haar sleep van drie meter in de zee! Haar jongen zat op het terras, zij stond tot haar middel in de golven!
Een andere collega had eens een crosser als bruidegom. In een dennenbos zette die jongen zijn madam op zijn machien, vroemvroemmm en kriiiii, heel die bruidsjurk draaide in de ketting en de as. Dat meisje zat zo vast dat ze een lichte takelwagen hebben moeten opbellen. Die garagist wou dat kleed losmaken uit de ketting, dat ging niet, dan maar kleed en achterwiel losmaken, dat ging ook niet. Ze hebben dat meisje op de duur moeten uitkleden en ze hebben die motor mét jurk en al moeten opladen. De bruid zelf zat in een handdoek gedraaid!"

Karel: "Ik sta vaak versteld hoe sommige koppels  er àlles voor over hebben opdat die foto's toch maar anders dan anders zouden zijn. Als ik zou voorstellen: kruip als een Indiaan door het zand, ze zouden het doén!
Ze kijken ook niet op afstanden, vijftig of tachtig kilometer rijden om opnamen te maken in Brussel (de rue des Bouchers!) of in Antwerpen (de Sinksenfoor!), dat is geen uitzondering.”
Marc: "Achteraf horen wij vaak zeggen dat ze die buitenopnamen het plezantste van de dag vonden.Dat komt dan minder door die originele poses, dan wel dat die fotosessie vaak het enige moment is dat ze wat tijd kunnen hebben voor mekaar, dat er geen honderd mensen op hun vingers staan te kijken."
HUMO: Zijn er koppels die geen buitenopnamen wensen?
Karel
: "De écht rijke mensen. Die wonen in zo'n prachtige huizen dat ze kunnen zeggen: oh, trek maar wat foto's in ons interieur en in onze tuin."
Scheve neus
Humo: Jullie kleven de foto's dan in een album. Al dan niet met gebruik van inserts: het paar in een roos of in een kaarsvlam.
Vera
: "Dat is out, en dat heb ik ook nooit willen doen. Maar je hebt nu nog altijd fotografen die het glasraam van de kerk fotograferen en die daarin de hoofden van het koppel monteren."
Frank: "Of twee champagnefluiten met hun hoofden op het glas!"
Marc: "De tijd van die modetrucjes gaat voorbij. De mensen beginnen de foto's op zich te waarderen: een spontaan duo in een goeie kadrering, een goeie belichting en een goeie compositie."
HUMO: Zijn jullie moe na zo'n schoonste dag van het leven?
Jan
: "Ik ben uitgeteld na zo'n dag. Schijnbaar loopt een fotograaf zomaar wat mee, hij drinkt zelfs af en toe een glas, hapt af en toe in een toastje, maar in wezen moet je heel die dag alert zijn, je mag geen moment missen, er mag echt niks verkeerd gaan en dat kruipt in je kleren. Van het lichtjes voorovergebogen staan kreeg ik ook rugpijn en van het fotograferen zelf kreeg ik een scheve neus! Werkelijk waar, mijn neus is met de jaren scheefgegroeid van alsmaar dat toestel tegen die neus te prangen. Een andere fotograaf die ook een scheve neus had, heeft me dat doen opmerken."
Marc: "De nacht tevoren lig ik altijd wakker. Al wat verkeerd kan gaan en ooit al eens verkeerd IS gegaan, draait dan als een film door mijn kop: het toestel blokkeert bij het aansteken van de ringen, de flits ontploft in een gemeentehuis met weinig licht, ik kom te laat in de kerk, het koppel is stroef bij de buitenopnamen... dat maakt dat ik na tien jaar nog altijd met plankenkoorts begin."

Ingescande foto uit Humo/ Herman Selleslags

Ingescande foto uit Humo/ Herman Selleslags

HUMO: Hoeveel foto's neem je op zo'n dag?
Jan: "Zo'n 3OO à 4OO foto's, maar je hebt 'fotografen' die met twee filmpjes van 36 een heel huwelijk doen! Redelijk spectaculair vind ik."
Marc: "Weet je wat erg is?! Zo'n reportage van een amateur die op geen fluit trekt. Dat gebeurt méér dan je denkt. Honderd foto's en tachtig zijn onscherp."
Frank: "Dan staan ze in onze winkel, met spijt dat ze ons niet gevraagd hebben. Maar dat is onherroepelijk, hé. Die dag is definitief voorbij."
Marc: "Eén keer heb ik de foto's van zo'n 'collega' mogen overdoen. Behalve de ceremonie in de kerk en in het gemeentehuis, heb ik alles opnieuw gedaan met iedereen opnieuw in zijn beste kostuum. Dus de ontvangst thuis, het feestbanket en de buitenopnamen."
HUMO: Heeft deze vorm van wittebroodsfotografie nog toekomst?
Marc
: "Er zullen minder kinderen komen, er zullen ook minder huwelijken komen vanwege het samenwonen en anderzijds zullen er nog veel fotografen afstuderen, dus de spoeling zal in de toekomst wel dun worden. Maar als huwelijksfotografie en portretfotografie verdwijnen, dan zal het eerder te wijten zijn aan de opkomst van al die grote ketens met hun dumpingprijzen voor het ontwikkelen van foto's. Dat is een concurrentie waar we misschien niet tegenop kunnen, en waardoor veel fotowinkels misschien hun deuren zullen moeten sluiten. Met als gevolg dat ook de huwelijksreportages van de lokale fotograaf stilletjes gaan uitsterven."
Undercover
HUMO: Conclusie: bestaat er zoiets als een recept van een goeie huwelijksreportage?
Marc
: "Je moet iets van de geest tussen die twee mensen proberen te capteren. Ik laat ze zo bij mekaar zijn dat je op de foto's een intensiteit en een intimiteit ziet die ze normaal niet aan een buitenstaander tonen. En daar zijn ze dankbaar voor als die gevoelens zichtbaar zijn op de foto's. Ik zeg ook altijd: om goeie foto's te nemen, moet je een beetje verliefd zijn op de bruid. Hoe meer ik voor dat meisje voel, des te beter zijn mijn foto's. Ik merk ook dat de meeste jongens zichzelf naar het achterplan schuiven. Als het meisje met haar jurk en haar bloemen d'r maar goed uitkomt, dat vinden zij ook het belangrijkste."

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

HUMO: Beleef je zelf nog plezier aan die dag?

Marc: "Een plezier is dat ik door de jaren heen al die lagen van de bevolking vanop de zijlijn heb mogen observeren. Neem nog maar al die honderden Vlaamse huiskamers die ik gezien heb, van de sjieke villa's vol dure antiek tot woningen waar ik het linnen op de wasdraad moest opzijschuiven om foto's in de living te kunnen maken."
Jan: "Het meeste plezier heb ik beleefd aan een huwelijk dat ik niet mocht fotograferen. De ouders van de bruid hadden een heel sjieke fotograaf besteld, maar bruid en bruidegom wilden mij, en dus heb ik die dag undercover gewerkt. Ik nam foto's met een heel bescheiden toestel, ik gedroeg mij als vriend van het paar die op de pregnante momenten mee op de eerste rij wilde staan, en die spanning van dat stiekem fotograferen heeft gemaakt dat dat geheime album ook een heel mooi album is geworden. Maar... ik ben ondertussen gestopt, na zo'n 300 reportages. Het was geen plezier meer, het was eeuwig en altijd hetzelfde stramien. De ringen die bijna altijd niet pasten en het gegrinnik dat daar ALTIJD op volgde. (heft de ogen ten hemel) Het werd een corvee, een sleur, zeker als ik mensen moest fotograferen die me onsympathiek waren."
Frank: "Ik zet mij daarover. Ik heb al achthonderd reportages gemaakt en zelfs al komen die vaste clichés  achthonderd keren terug en zelfs al zijn de mensen mij soms niet bijzonder sympathiek, dan nog zal ik mijn best doen om er een bijzonder fotoboek van te maken."
Marc: (pathetisch) "Ja! Zelfs al is het meisje zo lelijk als de nacht en de jongen een hark met een loensend oog ... wij maken er werk van! Ik overdrijf nu, maar ik meen het ook. Ik ken andere beroepsfotografen die enigszins neerkijken op dit karwei en die liever een model in een studio fotograferen omdat ze dan technisch perfecte foto's kunnen maken. Wel, ik hoef die perfectie niet zo nodig, en dat geacteerde lachen van zo'n model ook al niet.  
En hoewel ik tegen elk nieuw seizoen opzie zoals tegen het begin van een lang schooljaar, toch zeg ik: geef mij maar die amateurs in altijd dezelfde zwarte auto's en altijd dezelfde witte kleren. Ze gedragen zich misschien onbeholpen en houterig, maar het is tenminste écht, en als fotograaf mag jij die ene bijzondere dag in hun leven van nabij bijwonen, dat is toch ook wàt?! Ik heb op die dag vaak een intens contact met die mensen. Twee mensen die hun hele hebben en houden in mijn handen leggen en zeggen: we geloven in u, maak er iets moois van. Dat is toch knap! Want dat intens contact hebben ze niet met de burgemeester, niet met de pastoor, niet met de traiteur of met de familie, dat contact is er alleen met de fotograaf. Wij volgen ze op de voet, wij kijken ze in de ogen, wij zijn hen het meest nabij."

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De hobo’s (5): een klein foto-album

Deze foto's vormen een apart hoofdstuk in het verhaal dat het een harde wereld was op die treinen.
Het zijn de onbevangen en zorgeloze beelden, van de eerste dagen vooral. Het gebrek aan slaap en de vermoeidheid hebben nog geen kans gekregen. De gevaren zijn nog niet tastbaar of alleszins nog niet aanwezig. Ook de angst voor het onbekende is al grotendeels weggedeemsterd. Terwijl die angst er zeker was. Voor het vertrek heb ik thuis een foto van mezelf gemaakt. Vrouw en kinderen zouden die foto dan later ontdekken bij het ontwikkelen van een vergeten film. "De laatste foto van papa." Nee, ik was vooraf niet helemaal gerust in een goede afloop. Maar alles is goed afgelopen, en deze onbekommerde foto's zijn deel van dat avontuur.
North Bank Fred heeft heel wat vastgelegd in die eerste twee dagen; hij heeft ons in die treinen leren klimmen. hij heeft ons die treinen leren kennen.
En dan zijn er ook de foto’s die ik nam met een ‘kartonnen’ Fuji-wegwerpcamera.
Nog meer foto's zitten binnenin.
Treinen kunnen een diep spoor achterlaten.

North Bank Fred en de fles port om de eerste rit te vieren.  © Jan Hertoghs

North Bank Fred en de fles port om de eerste rit te vieren. © Jan Hertoghs

    -

Jan met bultrug:  een slaapmatje als ruggensteun bij het zitten tegen de ijzerwanden. © North Bank Fred

Jan met bultrug: een slaapmatje als ruggensteun bij het zitten tegen de ijzerwanden. © North Bank Fred

Monter en fris, het eerste uur in de eerste wagon. © North Bank Fred

Monter en fris, het eerste uur in de eerste wagon. © North Bank Fred

North Bank Fred, ontwakend in de gondola, de open wagon waarvan de vloer bezaaid was met roest en ijzerafval.  © Stephan Vanfleteren

North Bank Fred, ontwakend in de gondola, de open wagon waarvan de vloer bezaaid was met roest en ijzerafval. © Stephan Vanfleteren

Een pakwagen is een ruime living room: 3,5 op 14 meter. © North Bank Fred

Een pakwagen is een ruime living room: 3,5 op 14 meter. © North Bank Fred

De tweede ochtend.  Ingeduffeld na een nacht van amper één graad. De open wagon is gesigneerd. Hobo's laten  vaak hun "tag" achter. (Johnnie Go! en Flemish Fleet). © North Bank Fred

De tweede ochtend. Ingeduffeld na een nacht van amper één graad. De open wagon is gesigneerd. Hobo's laten vaak hun "tag" achter. (Johnnie Go! en Flemish Fleet). © North Bank Fred

Uitzicht op de Palouse, glooiende prairie op de grens tussen Oregon, Washington en Idaho. © Jan Hertoghs

Uitzicht op de Palouse, glooiende prairie op de grens tussen Oregon, Washington en Idaho. © Jan Hertoghs

In het rangeerstation. Hongerig. Moe. En al te lang te voet onderweg. © Stephan Vanfleteren

In het rangeerstation. Hongerig. Moe. En al te lang te voet onderweg. © Stephan Vanfleteren

Verstekeling Harold was onderweg van Texas naar Alaska (5000km) om op de zalmschepen te gaan werken.  © Jan Hertoghs

Verstekeling Harold was onderweg van Texas naar Alaska (5000km) om op de zalmschepen te gaan werken. © Jan Hertoghs

F12+696+boxcar+uitzicht+fotojh.jpg
F13+697+boxcar+jan+fotojh%23sv.jpg
F14+648.Steph%2BJan+fotojh%23sv.jpg
Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De hobo’s: zwerven op goederentreinen (4) / de overlevers van de Grote Depressie

hobo gezin jaren 30 depressie .png

Lees hier deel (3) van “De hobo’s”

"Ik was dertien toen ik op een trein naar het westen sprong."

De Huisvuil Express met onszelf en met drieduizend ton afval aan boord arriveert iets voor middernacht in het spooremplacement van Vancouver (Washington). Op dit nachtelijke uur is het daar een hissen en door elkaar jagen van locomotieven, overal staan treinen te wachten om te vertrekken of gerangeerd te worden. Geen drie straten van deze drukke wirwar is Share House, een door Vietnam-veteranen bestuurd opvanghuis én een aanbevolen adres onder treinzwervers. Maar op dit late uur zijn alle bedden benomen en dus wordt het opnieuw een nacht onder de sterren: motel De Grote Beer. 

De volgende morgen schiet de zon over de sporen en op deze onbekommerde ochtend in 1996 zullen we terug in de tijd gaan op zoek naar getuigen die zestig jaar geleden op de treinen hebben gezworven. Toen waren het de jaren dertig, de jaren van de Grote Depressie, volgend op de Wall Street crash van 1929, en toen waren er naar schatting drie miljoen hobo's.
Meest mannen die werk zochten, maar ook hele families, vaders, moeders, kinderen die met hun hebben en houden een uitweg uit de armoede zochten. Mensen kropen met tientallen in de boxcars, reden mee op de treeplanken, hielden zich staande op de buffers, lagen bovenop het dak of met hun buik op de rods (= het  ijzeren onderstel tussen de wielen). Een goederentrein met driehonderd hobo’s was geen zeldzaamheid in die tijd, en in elke plaats waar de trein stopte, liep men de straten in om eten te bedelen.
De hobo jungles  (=kampementen in de buurt van stations) waren transitplaatsen voor al die gelukzoekers: er werd koffie en stew gedeeld, je kwam te weten waar werk was of waar soep werd bedeeld en je was er enigszins beschut tegen hardhandige spoorwegagenten (maar minder tegen stelende medezwervers). In Chicago was er een hele hobohemia-wijk met circa 5O.OOO 'inwoners' en met zelfs een hobo-college waar de ongeschoren studenten zowel les kregen in de geschiedenis van het oude Rome als in overlevingstechnieken op de ijzeren weg.
 Hobo's waren in die jaren geen willekeurige drifters, ze hadden eigen organisaties ontwikkeld zoals de radicaal rooie Industrial Workers of the World (de 'Wobblies'), ze hadden een heel eigen woordenschat, eigen liederen en ook eigen codes. Op huizen en schuren lieten ze in krijt geschreven pictogrammen achter die aanduidden of er in dat huis eten te krijgen was dan wel een slaapplaats, en of de eigenaar gul van inborst was, of "alleen maar vrijgevig na het aanhoren van een triest verhaal". 
Kinderen van dertien
Om getuigen uit die tijd te vinden, gaan we in Vancouver op zoek naar een rusthuis en het gebouw dat iedereen aanwijst, blijkt een vleugel van het plaatselijke legerhospitaal, van verre al herkenbaar aan het gemillimeterde gras en de kaarsrechte barakken. Het zag er niet echt toegankelijk uit, maar dit kan ik zeggen, the US Army hélpt je als je eruitziet alsof je uit een loopgracht komt, want binnen het half uur zitten we in een vergaderzaaltje en heeft een vrouwelijke officier voor ons vijf ouwe rakkers opgetrommeld die met wandelstok, looprek en rolstoel komen aanharken: Dick Lane (81), George S. (82), Ernest Page (78), Ed Sluder (7O) en Raymond Arnauld (88). Zeventigers en tachtigers die nu vertellen hoe jong ze waren toen ze hobo werden.

Ed: "Er was bijna geen eten en mijn vader kwam vaak dronken thuis en dan sloeg hij mijn moeder. Op een dag kon ik het niet meer aanzien en ben ik boven op hem gesprongen en heb ik hem geslagen. Ik schrok zo van mezelf  dat ik ben gaan lopen en op een trein ben gesprongen. Ik was nog maar dértien jaar. Ik had niks mee, alleen mijn kleren en een deken."
Dick: "Wij waren met twaalf kinderen thuis en in de winter is het gruwelijk koud in Minnesota. Daar wil je gewoon weg als het zo koud is. Ik was ook maar dertien jaar toen ik wegging. Ik ben niet weggelopen. Ik ben gewoon vertrokken met een trein naar het westen. Ik kon er op een boerderij erwten plukken. Verdiende 13 cent per dag. En 's nachts sliep ik in de hooischuur."
Ed: "Ik heb ook altijd in schuren, onder bruggen en in boxcars geslapen. En als ik kou kreeg, heb ik gedaan wat andere hobo's deden, wij pikten kleren en dekens van de waslijnen. Eigenlijk was dat geen stelen, als je bijna doodging van de kou. Zelf moest je ook al je kleren aanhouden als je sliep, want anders werden ze ook gejat." 
HUMO: Waren jullie ouders niet ongerust?
Dick
: "Nee. Ze vonden het niet erg, ze hadden nog élf andere kinderen om voor te zorgen. Je liép ook niet weg van huis, nee, je ging gewoon een tijdje weg. Om het je ouders wat makkelijker te maken." 
Ed: "Hadden ze een mond minder die ze eten moesten geven."
Ernest: "Want de mensen hadden echt wel honger, er was gewoon géén eten en géén geld."  
Ed: "En dan kwam je na een paar maanden terug thuis en dan vroegen je vader en je moeder, waar heb je gezeten, en dan zei je waar je geweest was, en dat was het dan." 
HUMO: Hebben jullie gezinnen op de treinen gezien ?
George
: "Ja, met kinderen van 10-12 jaar sprongen ze op de treinen. Ik heb zelfs gezinnen met baby's gezien. De meeste gingen naar Californië. Wat ze nog aan bezittingen hadden, droegen ze mee in een aardappelzak." 

De kinderen van de jaren ‘30. Boven: George, Ernest, Dick, Raymond. Vooraan: Ed.  (Ingescande foto uit Humo  © Stephan Vanfleteren)

De kinderen van de jaren ‘30. Boven: George, Ernest, Dick, Raymond. Vooraan: Ed.
(Ingescande foto uit Humo © Stephan Vanfleteren)

HUMO: Waar geraakten jullie op de trein?
George
: "Meestal bij de watertoren, daar moesten al die stoomlocomotieven stoppen om water te nemen."
Dick: "Wij kropen meestal op de tender achter de locomotief. Daar lag je tussen het vuil van de kolen, maar daar was het ook warm, zo vlak achter de hete adem van de locomotief. Als machinisten wisten dat je achter die berg kolen zat, dan lapten ze ons gemene dingen, ze tankten water aan de watertoren en terwijl het water nog uit de hoos stroomde vertrokken ze. Zodat wij al dat water over ons heen kregen. In de winter was dat vreselijk."
Dick: "Damn, wat was het toch koud toen. Je wenkbrauwen, je voorhoofd, alles leek bevroren. Als je je ogen dicht deed, kwam je scalp eraf!"
George: "De enige die het warm hadden in de winter waren de appelen, dié lagen in verwarmde wagons."
Dick: "Eén keer heb ik het in de winter toch ook warm gehad. Dat was toen ik op een trein met een Indiaanse heb geslapen, dat was nice and warm!"
Ernest: "Je kon het ook lekker warm hebben in de reefers (= de met ijsblokken gekoelde koelwagons). Als die niet met ijs geladen waren, kon je d'r langs boven in kruipen en met die dubbele wand was het warm daarbinnen. Maar het waren gevaarlijke wagons en veel hobo's zijn er van honger en dorst omgekomen! Want als die toegangsklep op het dak dicht viel, kon je er nooit meer uit."
George: "Je kon ook stikken in de tunnels. Eén keer reden we door een tunnel van acht kilometer. In onze wagon zat een vent met astma, en maar hoesten en hoesten. Aan de andere kant van de tunnel was hij dood. De politie is zijn lijk van de trein komen halen."
Ed: "Je leerde alleszins je plan trekken. Je haalde bij de slager wat botten en restjes vlees, een ander schooide wat aardappelen of ajuinen bij een boer, je gooide het allemaal in een emmer met water en zout, je zette alles op het vuur en dan had je de beste hobo stew die er was. Er werd soms ook gezongen en gedanst in de jungle, venten dansten met venten, en iedereen dronk moonshine beer (= clandestien gebrouwen bier). Het was de tijd van de drooglegging. Als je whisky wilde hebben, ging je naar een hotel, je gaf tweeënhalve dollar aan de receptionist en hij zei: aan de vierde weipaal voorbij het erf van boer Smith. En als het donker was, ging je bij die paal graven, en daar in de grond vond je je fles!"
Raymond: "In de stations kwam je kerels tegen met lange jassen met aan de binnenkant wel honderd apotheekflesjes met drank. Soms zat er alcohol in, soms ook thee!"
HUMO: De spoorwegpolitie moet vroeger veel harder geweest zijn.
Ed
: "Ja. Ze hadden grote zaklampen en ze schenen in de boxcars en iedereen die ze zagen, sleurden ze eruit. Ze sloegen je met hun baseballknuppels. Of met hun ploertendoder (=gummiknuppel met loden kop). Ze sloegen op je knieën en op je billen, boy!, dat deed pijn."
George: "Of ze stampten je de trein af, dat was in november in Montana. We lagen met zijn achten in een boxcar te bibberen van de kou en de 'bull' stampte alleman eraf, gewoon, plof in de sneeuw. Je wist dat het kon gebeuren. Als je ging slapen, knoopte je je schoenen met de veters rond je nek. Als ze je dan 's nachts van de trein smeten, had je tenminste je schoenen nog."
Dick: "Schoenen moest je hebben, want mij hebben ze een keer in North Dakota van de trein gegooid. Tweeënhalve dag heb ik moeten stappen eer ik opnieuw aan een station kwam. Om te eten klopte ik aan bij boerderijen en dan mocht ik mee aan tafel. Niemand vond het vreemd dat er een kind van dertien aan de deur stond en dat het om eten vroeg. De mensen hadden er al zovéél gezien."
Yuppie hobo's
Hobo's zijn nu nog een begrip in Amerika. Niet alleen door die magere jaren dertig, maar ook door de decennia daarvoor. Want toen Amerika een snelle ontwikkeling doormaakte, putte haar economie doorlopend uit dat leger van treinmigranten. De hobo's kwamen in de tweede lijn na de pioniers en de landverhuizers. Ze waren nodig om (spoor)wegen aan te leggen, steden uit te bouwen en bij te springen in de grote oogsten van de landbouw.
Die tijden zijn nu omgekeerd. Vroeger was men hobo om werk te vinden, nu wordt men hobo omdat men z'n werk kwijt is.

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

Hoevéél treinzwervers er nog zijn, daarvan bestaan geen cijfers, maar algemeen wordt aangenomen dat er nog zo'n dertig à vijftigduizend trainriders zijn. Slechts vijf à tienduizend daarvan zijn fulltime, het is de kleine groep van (il)legale gastarbeiders die zich van de ene appeloogst naar de andere perzikenpluk verplaatst, met daarnaast de grote groep van tramps die van voedselbonnen leeft en die met de trein tussen drie-vier staten pendelt om méér bonnen te innen. Het zijn gasten als Rollercoaster, een 3O-jarige die we in Vancouver tegenkomen en wiens bestaan helemaal op die liefdadigheid berust.
Van de staat Washington ontvangt Rollercoaster een welfare cheque van 339 dollar plus 65 dollar food stamps. Die voedselbonnen zijn natuurlijk om eten te kopen, grijnst Rollercoaster, maar "ik ken toevallig een circuitje van grote en jonge gezinnen aan wie ik mijn bons verder verkoop en voor elke bon van één dollar krijg ik 65 cent cash en met die cash kan ik bier en sterke drank kopen."  Als zijn centen en bonnen op zijn, gaat hij naar de Voedselbank waar ze gedumpte conserven en andere voedingswaren van de supermarkten uitdelen. Is die opvang dicht, dan haalt Rollercoaster wel brood en soep bij de parochie. En heeft hij kleren nodig, dan gaat hij naar de Sally (=Salvation Army). Zijn die kleren vuil, dan gooit hij ze gewoon weg ("ik kan er in de Sally toch altijd nieuwe krijgen.") Hij kijkt ons lachend aan:" Zeg nu zelf, waarom zou je nog in België blijven?! Kom naar de Gratis Verenigde Staten van Amerika!"" (Slecht nieuws voor Rollercoaster en zijn maats: begin augustus besliste de regering Clinton om het foodstamp-program zowat met de grond gelijk te maken.jh)
Een derde groep 'treinzwervers' is het groeiend aantal trainhoppers & recreation riders, gasten die het voor de kick en het avontuur doen, en die soms een VHF-scanner dragen om de controletoren af te luisteren zodat ze weten waar hun trein staat. De laatste jaren vind je bij die groep zelfs "dokters, ondernemers en reclamemensen", de zogenaamde yuppie hobos. 
Desperado's
In Share House waar we 's middags een stevige maaltijd krijgen, wordt de dienst nog altijd uitgemaakt door hardcore tramps. Het opvanghuis is opgericht door Vietnam-veteranen en zij merken dat treinzwervan met de jaren gevaarlijker is geworden. 
Phil: "Dat men hier veilig kan slapen en verblijven is de laatste  jaren alsmaar belangrijker geworden. Twintig jaar geleden was trainriding nog zo'n beetje de hippiestijl, heel easy going, maar toen had je nog geen train gangs en die zijn er nu wel. En zoals city gangs een stad opdelen, zo zijn er nu ook gangs die de spoorlijnen opdelen. Vijf jaar geleden heeft de politie een bende-oorlog in North Dakota kunnen verhinderen, daar ging het tot een clash komen tussen train gangs van het oosten en van het westen, er was 25O man, gewapend met knuppels, messen en geweren." 
Rekent hij de Freight Train Riders of America (FTRA) ook bij die bendes?
Phil: "Op zich was dat geen slechte organisatie. Zij wilden die grote groep van 'trainriders' een beetje organiseren: plannetjes verspreiden van rangeerstations, juridische hulp geven als iemand last kreeg met de politie, en ook hard optreden tegen dieven die andere 'trainriders' beroofden. Als iemand je bestolen had, dan reisde een FTRA-commando de dader achterna en als ze 'm vonden, dan moest ie voor straf de handen op de rails leggen en dan sloegen ze met een knuppel tot z'n vingers braken. Maar met dat volksgerecht kreeg je een vlaag van onderlinge afrekeningen, mensen werden afgedreigd om hun geld af te geven, zwervers werden zomaar van de trein gegooid om hun bezit in te pikken, en zo heeft de FTRA een heel slechte naam gekregen. Maar je hebt nog altijd bonafide leden, ik zie ze hier ook, en het zijn de meest gehaaide van allemaal; het zijn desperado's die élke trein kunnen pàkken en die zélf nooit te pakken zijn."

Sixpack, “on the run” na 13 jaar gevangenis. © Stephan Vanfleteren

Sixpack, “on the run” na 13 jaar gevangenis. © Stephan Vanfleteren

He's my brother
In de Southern Pacific yard van Portland zullen we vandaag een van onze laatste treinen nemen. De locatie is uniek want naast het roestbruine rangeerstation ligt de felgroene pelouse van een golfterrein en daar slaan executieve Amerikanen en Japanners hun hagelwitte ballen. Pok! Pok! ...wat een perfecte soundtrack als je met je hoofd op je armen in het gras ligt. Tweehonderd meter verderop zitten nog twee zwervers -een blanke en een zwarte- die luid uitmaken wie nu bier moet gaan halen. We halen dan maar zelf een paar kouwe blikken, dé credit card die in deze middens algemeen aanvaard wordt. We zeggen onze namen, zij zeggen dat ze Sixpack en Good Time Charlie heten. Het zijn twee namen voor een film en ook twee koppen voor een film. 
SIXPACK (De Slechte): Heeft van zijn achttiende tot zijn eenendertigste in de gevangenis gezeten. Is nu al sinds een jaar on the run. Gebruikte vroeger heroine, nu amfetamines, hasj en alcohol. Biker en lid van de Bandido's. Sterk en gespierd (" in de gevangenis deed ik elke morgen 4OO push ups ".)
GOOD TIME CHARLIE (De Goeie): Ex-para-commando. Houdt van treinen. Houdt van vogels. Houdt van mensen. Eerder timide. Drinkt. Drinkt veel. Om te vergeten.  Ze heet Renéé zegt hij, mijn dochter, mijn enig kind, ze is zeventien en ze is knap, blond haar, bruine ogen,  I love her, I miss her. Honderd keer zal hij het nog zeggen. Op steeds diezelfde zachte verdrietige toon. I miss her, I miss her so much! En dat hij haar vijf jaar niet meer gezien heeft, en dat hij haar zo graag ziet, en dat hij haar nu niet meer ziet, en tranen in zijn ogen, van het vele drinken en van die vijf jaar verdriet. En Good Time Charlie zegt dat hij elke avond bidt. Jezus, bescherm mijn dochter. Jezus, bescherm mijn dochter. En dat hij op de treinen rijdt omdat hij zoveel vragen heeft. Eerste vraag. Wat Is Liefde? Tweede vraag. Waarom gaan mensen die van mekaar houden toch uit mekaar? Derde vraag...
Sixpack arriveert met een sixpack, haakt een blik los, zet het aan de lippen, boert los door Charlie's monoloog en zegt dat het tijd is om op te stappen, hij heeft een boxcar voor ons. Wij pakken onze bagage. Good Time Charlie komt niet overeind. Sixpack zegt: opschieten. Good Time Charlie zingt zachtjes My brown-eyed girl . Sixpack zegt, we gaan. Maar Charlie gaat niet.
Na een half uur wachten is Charlie nog niet in de wagon. Gonna rescue him, zegt Sixpack. Na een kwartier komen beide aangestapt. De Goeie en de Slechte. De Sixpack van de bandana en de tatouages, dé Sixpack van de gevangenissen en de drugs en de motorbendes, dé Sixpack die Shut up! snauwt als Charlie over zijn dochter begint, dié Sixpack drààgt de bagage van Charlie. Alle vodden, alle zakken, alle plastic rommel van goedzak Charlie die schaapachtig achter hem aan loopt.  The brotherhood of the road is het, en dat is niet de vriendschap van jaren, maar de kameraadschap zolang het duurt. Want morgen zal Sixpack hem misschien uit de wagon schoppen omdat hij dat gezever over die dochter beu is, maar nu is het nog He ain't heavy, he's my brother.

Good Time Charlie. (Ingescande foto uit Humo  © Stephan Vanfleteren)

Good Time Charlie. (Ingescande foto uit Humo © Stephan Vanfleteren)

Sixpack is kwààd omdat het zijn manier is om ongerust te zijn. "Die rotzak lag daar op de spoorwegberm. Met zijn stomme kop op een halve meter van de spoorstaven. Klaar om in spijs gereden te worden, die dwaze kloot was bijna dood! " Charlie schudt heftig van nee, dat hij geen dommekloot is, dat hij gewoon aan het kijken was op welk spoor onze trein kwam. In de pakwagen zal Charlie blijven rondscharrelen, dat hij nog een deken heeft voor Sixpack, hier is het Sixpack, en je bent mijn vriend Sixpack, en Sixpack zit op zijn gat en rookt een sigaret en zegt:"Shut up, Charlie. I am not listening, Charlie." En zo zijn die twee met mekaar in “gesprek' gewikkeld tot ze in slaap vallen, ieder in zijn uithoek van de boxcar. 

En in plaats van vier uur doet deze trein der traagheid er acht uur over om ter bestemming te geraken en dan moeten we nog één keer overstappen. En omdat we de trein naar het zuiden  al klaar zien staan, springen we uit de trager rijdende trein, het is tussen springen en vallen op de scherpe stenen van het ballast, en de rugzakken liggen twintig meter terug, die hadden we eerst gegooid en dan is het rennen naar de nieuwe trein en een lege pakwagen is snel gevonden, en in een andere trein op een ander spoor heb ik gewatteerde kartons zien liggen waarop je heerlijk kan slapen, en ik waag het erop, maar ik geraak er niet, ik moet terug, want ik hoor de remmen loskomen op onze trein, téken dat hij vertrekt, en Stephan roept, ik hoor hem in de donkerte tussen de twee treinen, ik moet nog zeker twintig wagons lopen, dat is driehonderd meter, en vanaf het vertrek van de trein heb je nog één minuut de tijd om erop te springen, daarna rijdt hij te snel, en dan zie ik hoe Stephan zijn arm uit een wagon steekt, sprintje tot daar , deurgrendel vastgrijpen, benen in de lucht zwaaien en met een fijne swing land ik in de rijdende pakwagen, geheel volgens het avonturenboekje. 

Harold de zalmvisser, en het afscheid aan de trein
Eigenlijk heeft het iets macho, dat op de treinen springen en klimmen, dat optrekken aan die ijzeren grepen, die grip te voelen met je leren handschoenen, die ladder te voelen met je hoge stugge schoenen en die ijzeren vloer te voelen onder je ruwe spijkerbroek. En tegelijk is er dat gevoel van kwetsbaar te zijn, je hebt wel greep op die trein, maar één onverhoedse schok van die machine en je ligt onder de wielen. Want het blijft toch maar een beetje mensenvlees, twee ampele handen en twee ampele voeten die je bovenop die stalen reus zet die vijftienhonderd meter lang is en bijna vierduizend ton zwaar.Maar eens je in die boxcar zit en de trein zijn kboem kboem ritme heeft gevonden, is het alsof je thuis zit, en je zou bijna een haardvuur ontsteken in die wagon met alle verhalen die dan beginnen los te komen.
Zoals met Harold die we vandaag tegenkomen. Hij is vijfentwintig, heeft nooit eerder op een vrachttrein gereden, heeft nauwelijks bagage bij zich, een jas en twee dekens, maar hij heeft wel duizenden kilometers achter de rug, want hij komt van Texas en hij is helemaal onderweg naar Alaska, een 'killer trip' van 83OO km. Voor de kust van Alaska gaat hij drie maand op de zalmschepen werken. Harold weet hoegenaamd niks van zalm en zalmvissen, hij heeft gewoon de foto's gezien in een magazine, en die waren fantastisch, en hij is vertrokken om 5OOO dollar per maand te verdienen en zestien uren per dag te werken, en hij heeft de blinkende pagina's nog bij waarop het allemaal staat. En ik zou die zwarte Harold van het gloeiende zuiden wel eens willen zien in het ijskoude tempeesten van de Bering Zee, maar hij zegt dat het best gaat lukken, daar bij de noordpool. 
En zoals hij op een deken ligt te slapen op de harde vloer van de boxcar moét je wel aan het slaaplied Hobo's Lullaby denken:Go to sleep you weary hobo/ Let the town drift slowly by/ Listen to the steel rails humming/ Well, that's the hobo's lullaby//// Do not think about tomorrow/ Let tomorrow come and go/ Tonight you have a nice warm boxcar/ Free from all the ice and snow.

Harold, onderweg van Texas naar Alaska om zalmvisser te worden. © Stephan Vanfleteren

Harold, onderweg van Texas naar Alaska om zalmvisser te worden. © Stephan Vanfleteren

Boxcar blues
Zo leggen we onze laatste tweehonderd kilometer af. Om alles nog één keer diep in ons op te nemen blijven we in de deur staan tot het buiten helemaal donker is. Als afscheid steek ik mijn handschoenhand op naar de roodrinkelende overwegen, naar de donkere dennen die je haast kan aanraken, naar de heldere sneeuw op een berg verweg en naar de sterren in de koude lucht die een trein zien rammelen over een ijzeren weg, en eigenlijk kan ik niet beter afscheid nemen dan met dit vrij vertaalde stuk Jack Kerouac uit The Lonesome Traveler:- Hoe vaak ik nog terugdenk aan het kriepen en piepen van de boxcars en de flatcars en de gondola's, dat hele overweldigende kraken en klikken en klakken van staal over staal op staal, dat schudden en beven van dat hele stalen gedoe, één pakwagen heeft zijn rem nog op, dat schuren en slijpen dat zich in heel dat trage monster voortzet- (...) Onderweg de kleine huizen als het avond wordt, met mensen die nog een glas drinken met de vensters open en kinderen die in hun bed liggen en naar buiten kijken en een ster zien boven de spoorweg en een trein horen fluiten, en oh, ik wou dat ik een kind in een bedje was in zo'n huis, met mijn ouders die beneden nog iets zitten te drinken en met het open raam naar de tuin waar nog tuinstoelen staan en waar de geteerde omheining is en daarboven de sterren en dan die gulden geur van de avond die valt en achterin die tuin een stapel hout en nog wat autobanden en daarachter de rails van die ouwe Southern Pacific en de trein die in een flits van licht en schaduw voorbij komt, toem tboem, die grote klap van de zwarte locomotief, en dan die lange slang van wagons en al die witte cijfers en al wat nog voorbijflitst in die krakende donder die op dat flitsen volgt, en alles de hele wereld gaat voorbij tot aan de laatste wagon waar de ouwe conducteur bij een donker lichtje over papieren gebogen zit en dan het rooie licht op het eind, en alles dat in een bocht verdwijnt en de sterren die meedraaien en meebuigen en heel de wereld die wordt meegezogen in de vlucht van de trein en wow, er komt gewoon geen einde aan dat lange langgerekte janken en fluiten."

Zie ook deel 5: een klein hobo-foto-album

Writer in (boxcar) residence.       © Stephan Vanfleteren

Writer in (boxcar) residence. © Stephan Vanfleteren

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De hobo’s: zwerven op goederentreinen (3) / de Vietnam-veteranen

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

“De maatschappij heeft ons ziek gemaakt met dood en oorlog.
In zo’n maatschappij kunnen wij niet meer leven.”

Om kwart voor zes schiet het licht aan in de slaapzaal van de Union Gospel Mission. Iedereen moet uit de veren ... up you guys!  en binnen de minuut naar de waszaal, meteen de pyama uit, en zoals gisteren staan we hier opnieuw naakt en in een rij voor het loket. Nummer? 134! En dan pas krijg je de krat met je eigen kleren terug. Zogezegd uit voorzorg dat niemand luizen, messen of drugs in de slaapzaal binnenbrengt. Het is de stijl van het prison, een hele nacht alles moeten afgeven tot de laatste draad aan je lijf, dat is een stràf.
Na het ontbijt van zes uur (een kwak havermout, een lepel stroop, twee stukken toast en een beker koffie) is het vanaf kwart na zes al check out time. Doug ziet onze rugzakken, en aan zijn gezicht is te merken dat hij hier ook zou willen vertrekken. Doug woont op honderd kilometer hiervandaan, in de staat Idaho, maar hij kan niet terug naar huis, want in die buurstaat is hij op borgtocht vrijgelaten en hij heeft de voorwaarden geschonden.
Doug zegt dat hij de opzichters van de Born Again-mission al vaak op hun gezicht heeft willen slaan."Proper gebouw, goed eten, brave directeur, maar die opzichters zijn rotzakken. Het zijn tramps die zogezegd hun leven gebeterd hebben, die zogezegd Jezus hebben binnengelaten in hun leven. Maar omdat ze zelf uit de goot komen, willen ze de brutale baas spelen over degenen die nog op straat moeten leven. Daarom is het ook zo stil aan tafel. Iedereen is bang voor ze. Niemand wil ruzie met hen, want ze zouden wel eens je welfare cheques kunnen achterhouden."

We stappen de deur uit, en een andere logé vraagt grijnzend waarom we zo rap weg zijn. Of wij onze bekering dan niet willen afwachten? You fuckin' Born To Run Christians!
Op vijfhonderd meter van de mission is de spoorweg en drie Mexicanen staan een potje koffie te roosteren. bij een stel geblakerde stenen. EnoRobert en George, dat zijn hun 'Mexicaanse' namen voor Mexicanen die legaal in Amerika zijn. We hebben ook papiéren kloppen ze op hun jas, zakken vol papieren! En niemand mag hun alien noemen of wetback (=scheldnaam voor de Mexicanen die de grens met de USA overzwemmen),"want dat zijn we niet, we are born in the USA!"
De drie zijn onderweg naar de appelboomgaarden van Wenatchee waar ze de komende weken kilometers en kilometers bomen gaan uitdunnen. It's The Big Apple lachen ze en het verdient vijf dollar per uur.Ze willen de nacht afwachten om een trein naar Seattle te nemen, "overdag patrouilleren er hier teveel bulls".

Joleen, van huis weggelopen, en onderweg naar Minneapolis; nog 2600 km.  © Stephan Vanfleteren

Joleen, van huis weggelopen, en onderweg naar Minneapolis; nog 2600 km. © Stephan Vanfleteren

Wij willen zolang niet wachten en stappen  richting rangeerstation. Daar zit Joleen, gehurkt onder een donkere brug. Ze is achttien en al drie jaar 'on the road'. Het is haar beste dag niet vandaag. Ze komt van Seattle, ze gaat naar Minneapolis en ze is haar twee vrienden kwijtgespeeld bij het vertrek. Toen zij met haar hond op een rijdende boxcar was geklommen, zag ze de twee anderen niet meer, en ook in Spokane kwamen ze niet opdagen uit een andere wagon.   
Ze neemt haar spoorwegkaart, rekent de kilometers uit tot Minneapolis ("nog 26OO") en denkt dat ze daar in zesendertig uren kan zijn. Maar dan moet ze wel geluk hebben én op de hotshots reizen, de snelle vrachttreinen met expresgoederen die haast nergens stoppen en die stevig gecontroleerd worden door de spoorwegpolitie. 
Zoals ze op haar rugzak zit, ineengedoken onder haar te grote jas en United Parcels-petje, ziet ze er heel jong uit, a runaway kid. Toen ze twaalf was, liep ze een eerste keer weg van thuis: "Mijn moeder was me beu en wilde mij nooit meer zien". Na een paar weken was ze teruggekeerd, maar op haar vijftiende is ze definitief weggelopen. De eerste weken had ze gelift, maar wegens "too many perverts" is ze op de treinen beginnen rijden, doorheen de States. Ze vertelt hoe ze in El Paso in een grote dumpster van een supermarkt was gekropen om te slapen, en hoe ze 's morgens werd van luid geroep en van het gevoel dat ze werd opgetild: "had die man vanuit dat appartement niet keihard naar die bestuurder geroepen, dan had die vuilniswagen mij kapot gemalen." Ze lacht als ze het vertelt.
De eerste goederentrein komt eraan, een hotshot, een expres voor lange afstanden, een lange sleep van platte wagons met opliggers van trucks. Die wil ze hebben en Joleen loopt de berm af, te snel  voor de hond die zich schrap zet, op zijn stijve poten trekt ze hem de berm af, ze loopt naast de trein die vaart mindert, ze heeft haar hond op de arm en met haar andere hand grijpt ze naar een ladder, twee-drie keer grijpt ze ernaast, de trein rijdt te snel. We zijn haar gevolgd, we zien de angst in haar ogen, ze moét die trein hebben, en we pakken de hond over, en dan remt de trein af en kan ze op een ladder klimmen, we geven de hond in haar armen, en ze rijdt weg, verstopt achter de brede wielen van een vrachtwagen, dat goeie kind in haar veel te grote jas.

Wachten op een ‘westbound’ naar Seattle  © Jan Hertoghs

Wachten op een ‘westbound’ naar Seattle © Jan Hertoghs

Tussen het lange buntgras liggen we nu, en de krekels moeten sjirpen van ons, vanwege de halm tussen onze lippen en omdat we hier zo heerlijk in een hinderlaag liggen: de trein zien we vanop één kilometer aankomen en hier moet hij voor rood stoppen, dat is  instappen en wegwezen. Maar als we uiteindelijk een geschikte westbound zien en de berm af rennen, stopt er ineens een jeep op het pad ," Hi, you guys! Zinnens om op die trein te springen? Dan  eerst de papieren graag! Railroad police! "
Naam, adres, lichaamslengte, gewicht en kleur van de ogen worden genoteerd alsook onze goed voorbereide verklaring dat we echt niet wisten dat zulke treinreizen verboden zijn. De agenten knikken en zeggen dat het gevaarlijk is, en dat ze ons geen tweede keer willen zien, want dan arresteren ze ons. Gemaakt teleurgesteld druipen we af, om het een uurtje later weer te proberen, en shit!, de politie staat er opnieuw en die ene agent steekt twee vingers op (tweede keer!), en om niet gearresteerd te worden (met 325 dollar boete!) lopen we snel de andere kant uit.
Dat wordt de nacht afwachten en een omtrekkende beweging van vier kilometer maken langs loodsen en magazijnen, langs lege fabrieksterreinen en grintwegen die doodlopen op omheiningen die ons nog meer omweg doen maken. 

Container-couchette
En dan gaat ineens vlakbij een overweg dicht, de bel rinkelt en de Machtige Koplamp die eraan komt, stopt ook op de overweg, en we zien wagons, we zien lége wagons, en alle voorzichtigheid is weg omdat we hier wég willen, en ik ga voor de locomotief staan zwaaien naar de machinist, of hij naar Seattle rijdt?! Maar hij kijkt ostentatief de andere kant uit, hij weigert een antwoord, en zo rijdt hij weg, en de grote controletoren steekt dan ook nog eens zijn schijnwerpers aan, dat licht valt vlakbij, we moeten opnieuw achteruit. Tot waar we in donker gras kunnen liggen, plat op de buik, met de rugzak op de rug en de handen klaar in de handschoenen, wachtend, wachtend, maar op het spoor komt geen enkele trein meer.
Als we naar een andere berm sluipen, met hoger gras dat ons beter camoufleert,  horen we links van ons zacht fluiten, vier keer na mekaar, dat moet al bijna Winnetou zijn, maar het zijn de Mexicanen van vanmorgen. Hi, brothers zeggen ze en er volgt een hartelijk maar gedempt weerzien in hun schuilplaats, een kuil achter een berg zand.
Daar zitten we nu met zijn vijven nabij de sissende wolken van de stationair draaiende rangeerlocomotieven. De volle maan komt op en in dat licht zitten de silhouetten van de latino's, geknield in het gras, hun hand op hun bagage, klaar om overeind te springen naar de rails. Guy Clark zong het al: like desperados waiting for a train. 
Het is wachten op de koplamp in de nacht, en anderhalf uur later zwenkt hij op onze baan. De trein stopt voor het sein en blokkeert met zijn vijf meter hoge wagons het licht van de controletoren; het is een hotshot, die blijft hier hoogstens drie minuten staan! Alle wagons hebben containers, we klimmen op een forty-eighter, een wagon voor een 48-voet container, maar slechts geladen met een 4O-voeter, aan beide kanten is er een 'kuip, net groot genoeg voor twee verstekelingen We leggen onze slaapzak en hopen dat die container goed vergrendeld zit op  zijn stalen ankers, als dat ding gaat shiften zijn we corned beef.  

De Mexicaanse seizoenarbeiders, onderweg naar de appelboomgaarden. Links boven: de ‘kuip’ van de containerwagon waar plaats is voor twee. (Ingescande foto Humo/ © Stephan Vanfleteren)

De Mexicaanse seizoenarbeiders, onderweg naar de appelboomgaarden. Links boven: de ‘kuip’ van de containerwagon waar plaats is voor twee. (Ingescande foto Humo/ © Stephan Vanfleteren)

De trein suist door het donker en de hele nacht slapen we als een blok. In Wenatchee met zijn appelbomenheuvels nemen de Mexicanen afscheid, "vaya con Dios".
D
e trein met zijn vier loks krijgt er nog drie bij: zevenmaal 3000 PK om de honderd wagons over de Cascade Mountains te trekken. De zon bakt onze containerkuip als een hete oven.
Gelukkig is er de schaduw van de Cascade Tunnel, twaalf kilometer lang en twintig minuten dat we onze handen niet voor onze ogen kunnen zien. Toen de treinen nog op steenkool reden, zijn in deze tunnel hobo's gestikt door de rook. Intussen heeft de tunnel luchtfilters en krijgen de bestuurders een luchtmasker om de dieseluitstoot te verteren. Wij houden een zakdoek voor de mond.
Na de tunnel is het weer zon-bomen, zon-bomen, een geschimmer dat ons uittelt, knock-out liggen we tussen de vier hete muren van de containerbak. Maar dan zien we een vlieger hoog in de lucht, en overeind komend zien we de zee, de Stille Oceaan, en die zee is als een beloning na dagen van vasteland. Er is de bries over het water, de geur van zand en natte rotsen, de wandelaars met honden en waarempel ook een zeehond in de zee, en de trein komt vlakbij het strand,  frisbees zeilen, vlees gaat op de barbecue, een gast zit gitaar te spelen, en zoals overal zijn er de kinderen die naar de treinen kijken, en het is zwaaien en wuiven, vaders heffen hun flesje bier naar ons, en wij fluiten als van oudsher naar de bikinimeisjes die schrikken, wie fluit wie roept daar op die trein, en wat een fijne entree in dit Seattle, de stad van Nirvana en Bill Gates.

De trein nadert Seattle, langs het strand en de Stille Oceaan. © Jan Hertoghs

De trein nadert Seattle, langs het strand en de Stille Oceaan. © Jan Hertoghs

In de goot again
Het is een coole stad, beetje slordig en nonchalant, met oude gebouwen die zoals een zeeman ook slingerend bergaf lopen naar het water. Maar eerst willen we uitblazen in de spoorberm, daar is een hobo-kampement. En in die  plasticzeilen nederzetting heet de 62-jarige Fat Walter ons welkom en hij biedt een bureaustoel zonder leuning aan. Hij verblijft hier in een wegwerpsalon van paletten, omgekeerde verfpotten en gedumpte autozetels. Zijn kampvuur brandt in een ijzeren hutkoffer.
Fat Walter was treinzwerver van 195O tot vorig jaar, maar na een hartaanval heeft hij zich hier 'gevestigd'. In de bewoonde wereld heeft hij ook nog vier kinderen en elf kleinkinderen, die allemaal in een huis wonen, maar ze moeten er niet aan denken van hém in een huis te stoppen, "zo'n ding met een dak dat nooit beweegt".
Verder langs dezelfde spoorweg en onder een duistere snelwegbrug kamperen nog 3 tramps. Kamperen is hier een ander woord voor leunen tegen een hoop zand. Eén van hen is Popeye, een ouwe hobo die ooit zijn been is kwijtgeraakt onder een trein. Hij zou veel verhalen hebben, is ons gezegd, maar Popeye schreeuwt dat we geen stap dichterbij mogen komen. Hij is dronken, komt zwijmelend overeind en   zwaait met een mes. En ook hier, op deze plek die veel weg heeft van een armzalig reservaat, doet het vuurwater nog altijd zijn werk.

Fat Walter, na 45 jaar hobo-zwerven leeft hij sinds een jaar onder een spoorwegbrug. © Stephan Vanfleteren

Fat Walter, na 45 jaar hobo-zwerven leeft hij sinds een jaar onder een spoorwegbrug. © Stephan Vanfleteren

Aan een bushalte stappen we op de bus naar het centrum, we wilden te voet gaan, maar we kùnnen niet meer.  Als loshangend zeil staan we in onze schoenen, ons lijf heeft geen fut meer, een zonneslag heeft ons te pakken, een plaatselijk broeikaseffect van die hete zon in die smalle kuip op de containerwagon. De man op de bus moet ons alleen maar een goedkoop motel wijzen en dan zullen we daar op het veel te kleine bed ploffen tot het middernacht is en de stad bijna uitgestorven is. Ik zal dwaas lopen zoeken naar een hamburger en alleen maar terugkomen met een fles koud bier die ik niet eens aan de mond mag zetten, op straat drinken is verboden. En dan maar terug op dat bed zinken en slapen, alleen maar willen slapen. Het is een doffe hittekater die ons twintig uur in bed zal houden.

Als we de dag daarop die lammigheid met wat koffie wegspoelen en in een winkel annex koffiehuis de kop binnensteken, zegt de uitbater dat hij zo meteen gaat sluiten. Het is een leugen zien we aan de sluitingsuren, hij wil gewoon geen vagebonden on zijn shop. Dat is onze gedaanteverandering, op amper één week tijd. Een stoppelbaard, een groezelige rugzak en een besmuikt karton volstaan om als paria behandeld te worden. En ja hoor, de daklozen en tandelozen van de straat houden niet langer hun bedelhand op, nee, ze steken hun hand omhoog, brother, how ye doing?! 
Die street credibility valt ons wel mee, maar als we 's avonds onderweg zijn naar een onderkomen voor daklozen, en we de weg vragen aan een parkeerwachtster, roept ze gemeen na "van niet te bedelen onderweg!" Ik maak me waad, maar in mijn gezicht blaft ze Shut up! en daarmee is ook deze les geleerd. Zwijgen en afnokken.

's Avonds zitten we op de veranda van het opvanghuis St Martin de Porres. De pezige vijftiger noemt zich Hawkshadow, en is al achtentwintig jaar hobo . Zoals meer treinzwervers is hij Vietnamveteraan, en als ik daarop alleen maar onhandig kan vragen hoé Vietnam was voor hem, herhaalt hij die vraag ijzig traag.  'How was Vietnam?'  En dan wijzend op Stephan "It was like your buddy been blown up in 4O pieces. That was what it was like." 
Ik zwijg, hij blijft me aankijken. "Op tien treinzwervers van boven de 45 hebben er àcht in Vietnam gezeten. Allemaal gasten die hun draai niet meer vinden in deze maatschappij. Ze leven nog wel, maar voor de maatschappij hebben ze zich afgeschreven. Zij beschouwen zich als "vermist". Omdat ze weten dat ze nooit meer kunnen zijn wie ze vroeger waren. They are alive but they are shot down, emotionally shot down... "
Ik vertel over Roy die we tegenkwamen in Klamath Falls. Hij had een zoontje van drie, maar na de zoveelste ruzie met z'n vrouw was hij "op de eerste de beste trein gesprongen". Zo had hij het in Vietnam geleerd, "op tijd je kop intrekken, anders krijg je alle stront over je heen." Twee tours of duty had Roy gedaan en toen hij bij zijn terugkeer op de luchthaven van San Francisco stond, was een tiener naar hem toe gestapt en "dat kind" had op zijn uniform gespuwd en gevraagd hoeveel baby's hij kapot had gemaakt?! En Roy was na Vietnam nooit meer dezelfde geweest, hij was zijn werk verloren, had gevochten, had in San Quentin gezeten en was dan een gezin begonnen waar hij zopas de deur had dichtgeslagen. Volgens Roy waren de Vietnam-veteranen onder de hobo's goed te herkennen: "Kijk in hun ogen. En je zal maar één ding zien, it's DEATH!"
Hawkshadow was achttien toen hij vertrok. Hij heeft voor de intelligence gewerkt: "Ondervragen van gevangenen en zo. Ja we hebben die goons een hard lesje geleerd. Als ze niks wilden zeggen, namen we ze mee in de heli en dan vlogen we ermee tot op driehonderd voet en dan trokken we de deur open. Als ze dan nog niet wilden praten, dan pikten we d'r eentje uit en dan schopten we die de deur uit, dan wilden de anderen ineens wel praten. Je moést dat doen, als je zag wat zij deden, de ballen en de penis van je dooie makker afsnijden en in zijn mond stoppen." 
Hij kijkt naar de donkere spoorwegbrug: "Het kan je ineens overvallen, zo'n flashback, je hoeft maar op een onbekend terrein of in een duisternis ruimte te komen, en op slag ben je weer in Vietnam. Je hebt kerels die -als ze de uitlaat van een auto horen knetteren- zich plat op de grond gooien. Ik krijg het als ik een drilboor in een wegdek hoor, voor mij is het alsof ik dan de inslag van een machinegeweer in een huis hoor, wapp! back in 'Nam!"
Waarom wagen al die Vietnamveteranen zich  in die verlaten en sombere rangeerstations waar wagons verraderlijk komen aangeslopen? Het lijkt alsof ze zich niet aan "de jungle" kunnen onttrekken en ze het gevaar blíjven opzoeken? Je zoekt het gevaar en de dood niet op, zegt Hawkshadow, je wil gewoon voelen dat je nog lééft nadat je zoveel dood hebt gezien. En dat gevoel vind je niet als arbeider in een dooie fabriek of als bediende achter een dooie computer. Dat gevoel vind je alleen op hàrde plaatsen waar je de kick van het overléven voelt. Vandaar dat je zoveel veteranen op de treinen en in de uitgestrekte wouden van de Rocky Mountains vindt. Dat zijn harde plaatsen. En het zijn ook plaatsen waar we ons niks meer moeten aantrekken van de regels van de maatschappij. Dat hebben we nodig,  we moeten kunnen leven volgens onze éigen regels. Die maatschappij heeft ons naar de oorlog gestuurd, die maatschappij heeft onze kop ziek gemaakt met dood en met vernieling, wel, dan moeten wij nadien ergens kunnen leven waar de maatschappij geen greep meer op ons heeft en waar wij de omstandigheden zelf onder controle hebben. "
Eens je op de treinen hebt gezworven, kom je d'r nooit meer uit, zegt hij, it gets into your blood! Hij is ooit een prof sociologie van Harvard tegengekomen. Die had het één weekje willen uithouden op de rails, zijn vrouw en zijn academische vrienden hadden hem voor gek versleten, en uiteindelijk is hij vier maanden gebleven. "Hij had een lange baard, zijn broek was gescheurd, hij dronk met ons, hij at met ons, en af en toe belde hij zijn vrouw, die dan aan de studenten moest zeggen dat zijn cursus weer een maand was uitgesteld."

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

De vuilnisbakkentrein
Uit Seattle weggeraken is ingewikkeld én riskant, want Seattle is een transitplek waar alle spoorgoederen uit Azië bijeenkomen. Hier zijn zeven rangeerstations waar de geladen treinen naar alle hoeken van de VS vertrekken en de 'bulls' haten het dat je voor de wielen loopt van wat klaarstaat om snel naar Chicago, New York en Los Angeles te vertrekken.
Best 's nachts een trein zoeken, was ons gezegd en ook incognito tewerk gaan: dus één verkenner zonder rugzak de yard insturen en als die de juiste trein gevonden heeft, dan snel met zijn tweeën in die trein klimmen. Ik ben nog geen tweehonderd meter in het emplacement of ik zie al de donkere auto van de 'bull' staan die opeens zijn koplampen en schijnwerpers op een vertrekkende trein richt: al dat licht spat uiteen op de wagons, de hele trein wordt uitgelicht om te zien of er geen verstekelingen aan boord zijn.
Wrong side of the tracks! Een remmer raadt ons aan om drie kilometer verder te gaan, "daar is een rood licht waar alle uitgaande treinen moeten stoppen". Met die schijnwerpers van de controletorens is drie kilometer een helse afstand. Het is overal  wegstoppen in de schaduw van gerangeerde treinen, dekking zoeken achter wielen die bijna zo groot zijn als wijzelf, en dan weer gebukt lopen, over duizenden knarsende stenen, en weer hijgend neerhurken, en weer lopen, schuddend onder onze rugzakken.
Na teveel kilometers hebben we nog altijd niet één rood sein gezien en ons vertrouwen in de brakemen en de switchmen is geschokt. Waarom sturen ze ons het bos in? Normaal staan ze aan de kant van de trainriders. Zij zijn onderbetaald en dus helpen ze de blinde passagiers: het is hun weerwraak tegenover de spoormaatschappij die hen uitperst.  
We zijn zo kapot dat we alleen nog maar in een greppel kunnen vallen en blijven liggen, en in het eerste licht van de zon is de eerste jogger daar al, hij daar zal eens hijgen voor zijn conditie, ga toch wég sukkel! 

Om zes uur 's morgens moeten we noodzakelijkerwijs opnieuw de bus nemen, terug naar downtown Seattle, en zo verder naar de randstad Tacoma. Het zicht van zoveel vroeg spitsuurverkeer is al niet opbeurend, en dan begint de ouwe fokker tegenover mij ook nog eens te zeggen dat de slapende vrouw naast hem zijn nieuwe vrouw is, en dat zijn vorig huwelijksleven een ramp was, enzovoort en zo verder. Zes uur 's morgens en ze zijn daar al met hun ongevraagde talkshow! Dat ze Oprah Winfrey bellen, maar dat ze mij gerust laten!
In Tacoma willen we stevig ontbijten, steak en eieren, maar dat wordt haastig schrokken want vanuit het eethuis zien we heel de tijd locomotieven en wagons door de yard schuiven, en àllemaal lijken ze in de goeie richting te gaan.
Er is geen hoge berm om in te schuilen, we moeten ongezien in een  leegstaande boxcar klimmen om vandaaruit de binnenkomende treinen te surveilleren, tot we eentje naar het zuiden zien, en dan zijn we hier weg. Eindelijk weg uit dit Seattle-hol. 
Urenlang kijken we door een kier naar iedere beweging op de spoorbaan tot onze ogen pijn doen en we misselijk worden van de draaierige hitte boven de rails, en broeiwarm is het in de wagon, en alles is stof en droogte, de losse kalk op de vloer  kruipt met iedere beweging op ons vel en in onze kleren. 
Na élf uur wachten  zien we eindelijk één superlange trein die de yard UIT rijdt. Met veel moeite halen we 'm in, gooien onze bagage op een lege boxcar, springen er zelf in en yeehaw, we zijn wég!, eindelijk! Maar na honderd meter remt de trein en rijdt hij achterwaarts terug. Dit was maar om te rangeren, losers!
Tom Petty wist het al: the waiting is the hardest part.

Op de “bok” van de vuilnistrein. © Stephan Vanfleteren

Op de “bok” van de vuilnistrein. © Stephan Vanfleteren

Een uur later is het toch zover. Een trein met wel honderd wagons en dubbel gestapelde containers houdt stil voor het rode licht. De trein stinkt en dat is goed nieuws, want we moeten de 'vuilnisbakkentrein' naar Vancouver (Washington) hébben. Toch twijfelen we nog. Niet omwille van de stank, dan wel omdat de zitplaats er onveilig uitziet. Je zit vooraan op een benepen roostertrapje van de containerbak, en is geen leuning om je vast te houden. Maar we wagen het erop, vier à vijf uur op 'de bok' van zo'n container, dat moet lukken. En eindelijk, na negentien uur wachten zijn we nu toch wég!
De trein volgt de grillige inhammen van de Stille Oceaan met de besneeuwde Mount Rainier in de verte. Hij schuift langs kleine valleien met grasland waarop het nu zachtjes is beginnen regenen, en die geur van nat gras is om diep in te ademen, maar hij is doortrokken van de 3000 ton huisafval achter ons, een sleep van zure melkkartons en verschaalde etensresten. 
Bàng! Een steen knalt tegen de container voor ons, drie jongens die met stenen naar de voorbijschietende trein gooien. Die stenen zijn levensgevaarlijk, er zijn al hobo's doodgegooid door stenen die met de snelheid van de trein hun kop raakten.
Het razen gaat onverminderd door. Onder ons malen de wielen, boven ons worden de sterren ontstoken en in de huizen naast de spoorweg branden lichten in een kinderkamer, twee stapelbedden en Mickey Mouse op een behang.
Onze koppen knikkebollen, we zien ons al slapend van de trein vallen, en met een riem van de rugzak binden we ons vast aan een stang van de kuipwagon. En zo zitten we te dommelen op deze trein, met gekruiste armen en de jaskappen diep over het hoofd getrokken, vermoeide voermannen op deze lange donkere stagecoach.     

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De hobo’s: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (2) / de rammeling voor het slapengaan

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

Lees hier deel (1) van “De hobo’s”

Het opvanghuis waar je alles moet afgeven: “Vannacht slaap je in de pyama van een dooie.”

De avond valt in Klamath Falls. De Burlington Northern Yard is het rangeerstation waar we de trein naar het noordelijke Pasco moeten nemen. Aan de ene kant van het rangeerterrein is de controletoren met zijn volle licht van schijnwerpers, daar kunnen we ons niet verstoppen. Maar er is één berm met rotsen en opgewaaid zand, daar zullen we ons tot middernacht schuilhouden tot de Pasco Babe eraan komt.
Stephan legt zich op het grote stuk uitvouwkarton (vier m²!) dat we al enkele dagen op onze rugzak meezeulen. Het comfort ervan kunnen we - tijdelijk dakloos zijnde- al niet meer missen: zijn isolerende bekleding op koude vloeren! zijn factor windbescherming met de opstaande flap!
Om de winderige kou te verdrijven maak ik een vuurtje tussen twee afgebroken remschoenen. Stookhout zijn takjes tumbleweed, de dorre bosjes struikgewas die je door droge Amerikaanse filmlandschappen ziet rollen. Ik krijg het warm, niet van het vuur, wel van de vruchteloze pogingen om de vlam erin te houden. 

Om middernacht beginnen de rangeerlocomotieven hun werk. De hele avond hebben ze op één plek in de yard werkloos staan ronken en dreunen, nu slepen ze de wagons van het ene spoor naar het andere. Een switchman wijst ons een rij wagons aan die zeker naar Pasco moet. We kruipen in een lege pakwagen en net als we binnengeklommen zijn, krijgt de wagon een geweldige klap die ons haast omver gooit. Dan is het weer stil, maar we blijven gehurkt in het duister van de boxcar zitten, want er zullen nog klappen volgen telkens er nieuwe  wagons worden aangekoppeld. Na half één komen er geen klappen meer en vallen we eerder omver van de slaap, maar we zullen nog anderhalf uur overeind moeten blijven, want regel één is: ga pas slapen als de trein rijdt, dan ben je zeker dat er niemand in je wagon kan breken om je te beroven.
Iets na enen steken twee donkere figuren hun hoofd in de boxcar om te zien of er nog plaats is. We zeggen dat er geen plaats is, en ingeval ze dat niet geloven, staat een knuppelhout naast de deur. Mijn aangevoerde houtpaal vond Stephan te groot: eerder geschikt om een mijngang te stutten.
In afwachting van het vertrek stoppen we een plank en een grote  spoornagel in de richels van de open deuren, zodat ze bij een plotse schok niet kunnen dichtslaan, want dan zitten we als ratten gevangen. Er zitten immers geen handvatten aan de binnenkant van de wagon en het is onbegonnen werk om ze manueel open te duwen: de deuren wegen elk één ton en worden met een vorklift geopend en gesloten. Heavy metal.

De rammeling voor het slapengaan
Om twee uur vertrekt de trein en vouwen we onze slaapzak uit, eindelijk rust! eindelijk slaap! eindelijk indutten op het geklikklak van de wielen en het wiegen van de wagon… Maar terwijl de trein zijn vaart opdrijft, begint onze boxcar als een gek te slingeren en te schommelen. We zijn uit gewoonte al met onze voeten vooruit gaan liggen zodat we bij een noodstop niet met ons hoofd tegen de ijzeren wand smakken, maar ondertussen stampt onze wagon zo dat ik doorlopend met mijn hoofd tegen de zijwand bots, ik overdrijf niet, ik hou een kampeerkussen over mijn kop en terwijl wàk!wàk! gaat die kop keer op keer tegen de wand. Dan gaat het een halve minuut goed, de wagon past weer min of meer op de rails, maar dan bàf!bàf! begint hij óp en néér te springen, werkelijk, we voelen de wielen op de sporen springen en zelf springen we mee, met slaapzak en al, het vlees schudt van je billen en je ingewanden gaan door elkaar als ballen in een bingotrommel.
Je probeert schrap te liggen, je probeert compleet ontspannen te liggen, maar er is niks dat je controle geeft, we zijn gewoon cargo, lading die slecht is vastgemaakt. Ik kijk bedenkelijk naar Stephan, hij kijkt bedenkelijk naar mij, en omdat we tijdens dat fronsen nog altijd liggen te rollen als twee lege  flessen in een autokoffer, schieten we allebei in een geweldige lach. No! Sleep! Til! Brooklyn!
Om vijf uur sta ik op, liggen gaat niet meer, staan lukt nog enigszins met je benen als schokdempers, en vanuit de grote deuropening zie ik hoe hard onze slechte-wielen-wagon als enige  kantelt en schommelt, nog even en hij sleurt de hele trein uit de sporen!
Het is pas om acht uur 's morgens en na zes uur daveren dat onze 'slaaptrein' vaart mindert voor de stadjes Bend en Madras en voor de klim in de Mutton Mountains. In die stille keten waar de trein zijn wagons bocht na bocht gestaag in de hoogte trekt, valt geen ziel te bespeuren. Rotsen wel, die zijn er genoeg. Van die steenbulten waarachter bandieten zitten, en we houden dan ook onze Winchester tegen onze wang om in de minste zwarte hoed een gat te knallen. 
Na de bergen en een brede vallei steekt de spoorweg de machtige Columbia River over, een zee van water die onder de hoge spoorboog stroomt. Ik schat de lengte van de trein op zo’n anderhalve kilometer en dan nog is de rivier breder.Stroomopwaarts de geweldige Rocky Mountains, stroomafwaarts de oneindige Stille Oceaan. Zo stil is het niet, want van over het brede water komt een plotse windstoot in de wagon gestuwd waardoor we bijna door de open deuren naar buiten worden geblazen.
Als we op de andere oever aankomen zijn we niet langer in Oregon, maar in de staat Washington. Zeventien uur zijn we nu al onderweg vanuit Klamath Falls, maar zelfs na die razende rammeling van vannacht voelen we ons nog altijd meer bevoorrechte passagiers dan blinde passagiers. Geen enkele reiziger kan in een vliegtuig, trein of toerbus én slapen én eten én ook nog eens rondwandelen in een ruimte van drie op veertien meter, want zo groot is deze luxe-coupé.
Je kan bij de deuren gaan staan of zitten of liggen, je kan door die twee open deuren naar de film van het landschap kijken, aan de beide kanten is er een reuzenscherm van 2,5 op 4 meter, en intussen ook nog de goeie geuren van dennenhars en prairiegras inhaleren.  En zoals die treinen vaak door onbewoonde gebieden rijden, zie je een visarend in het water slaan, een coyote een zandweg oversteken, en een pelikaan neerstrijken op een meer.
En daar waar in moderne treinen geen venster meer omlaag kan,  kan je hier met heel je lijf gaan buitenhangen. Zoals wanneer de  trein boven een rivierkloof rijdt, en je los door de dwarsliggers honderd meter dieper op de stroming kijkt.
Hét bijzonderste is misschien wel als de trein een andere trein voorrang moet geven en afzwenkt naar een zijspoor om halt te houden. Eén mijl ijzer die plots zo stil is als een muis, één mijl ijzer die nergens meer naartoe lijkt te gaan op die uitgestrekte prairie. Je hoort alleen nog de wind. De wind in het gras en de wind in de wielen.

De Columbia River vanuit de pakwagen © Jan Hertoghs

De Columbia River vanuit de pakwagen © Jan Hertoghs

Pas in de late avond gaan de wielen schril schuren en vertragen. We zien de lichten van een stad, maar welke stad?, en dus schreeuwen we bij de overweg naar de wachtende automobilisten: "Hey, is this Pasco?" Geen antwoord en we zoeken Pasco op de wegwijzers en de seinhuizen, tot we ineens reclame zien voor een motel in Pasco, we zijn er. 
We springen uit de pakwagen en klauteren de bermen op die zo'n spooremplacementen en industriezones altijd omringen en dan is er de bewoonde wereld met een klein café waar we ondanks het late uur nog chicken wings kunnen bestellen.
Hey hey! Waw waw! I can see the road!’ Naast ons is een aangeschoten mens komen staan die met een brede smile naar onze rugzakken kijkt. ‘You guys ARE on the road!’ Zoals in het liedje, zeg ik, ‘On the road again.’ ‘That’s Canned Heat, man!’ en gelijk begint-ie te brommen zoals de ouwe bluesrockers in 1968. Als hij  hoort dat we hobo's zijn, loopt-ie helemaal over. Hij heeft twintig jaar voor The Great Northern Railway gewerkt. Hij was was caboose man,  en dat is een redelijk legendarische job, want de caboose was vroeger de laatste wagon van een vrachttrein, dat rijtuig had een bureau en een kleine uitkijkpost bovenop het dak. Hij was zo'n treintoezichter en bij hem mochten de hobo's altijd binnen om hun handen te  warmen en een sigaretje te roken, "wiet of Marlboro, alle merken! Maar je kent die hobo’s, soms stookten ze in hùn wagon een vuurtje met pallettenhout en soms schoot de houten wand en de hele wagon in brand, puur door de snelheid van de trein. En dan moest ik de machinist doen stoppen om te kunnen blussen."
Hij deed de machinist ook stoppen voor wat anders. "Dan riep ik door de radio dat er ahum-ahum een probleem was,  en dan wist hij wat ik bedoelde, dan stonden er een paar herten in de berm en dan pakten we allebei ons geweer en schoten we vanop de trein die herten dood, voor in de diepvriezer, those were the days, man!’
Hij is ook in Vietnam geweest, zegt hij met dezelfde brede lach.  "Tweeënhalf jaar. Ik was in Saigon, en in Danang, en ik zag (zet pistool tegen zijn hoofd, "bang! bang!") mensen executeren, man! En ik kwam terug en iedereen haatte mij en spuwde mij uit, dat ik een babykiller was.  Ik was opstandig, dus ze  gooiden me van school en toen gooide mijn  moeder me uit het huis, ik had een verrekte Duitse stiefmoeder die elke morgen Guten Morging blafte.
En toen ben ik weggegaan, on the road, met de hippies en de freaks, liften door de States, coast-to-coast. En om te blijven reizen, ben ik ook op die treinen gaan werken., en daarna in Hawaï gaan wonen, maar nu ben ik hier terug in dit verdomde gat omdat mijn vader oud en ziek is en zorg nodig heeft. En nu sta ik even ver als vijfentwintig jaar geleden, ik heb geen vrouw meer, ik heb geen werk meer, ik heb geen huis meer, ik heb zelfs geen auto meer, but my fuckin' German stepmother is still alive! And how I hate her fuckin' Guten fuckin' Morging!
We laten hem dazen en staan weer buiten. Te dralen in de nacht. Vooraf hebben we afgesproken om op deze reis maximum twee keer een motelbed te nemen, we willen geen comfort, we doen het the hard way, maar dan zien we de  de neon van het Starlite Motel, en we zijn zo moe en vorige nacht zo door elkaar gerammeld, dat we het stof van onze kleren kloppen en aanbellen. Het is een goedkoop motel, de bril van het toilet is met tape gehecht en In de kamerspiegel zie ik mezelf, een baard van vier dagen, haar dat stjif overeind staat van het stof en lichte ogen zoals bij een mijnwerker. Ecce hobo.

De “kolenjongens”/ milieu-activisten uit Montana komen in de rijdende boxcar gesprongen. © Stephan Vanfleteren

De “kolenjongens”/ milieu-activisten uit Montana komen in de rijdende boxcar gesprongen. © Stephan Vanfleteren

In het spoor van Woody Guthrie en Jack Kerouac
Als we de volgende middag naar het rangeerterrein van Pasco lopen, hebben we geluk. Er staat een trein te wachten met een riante boxcar waar we doodgemoedereerd kunnen inklimmen. Niet veel later vertrekt de trein en niet-begrijpend zien we hoe drie jonge Mexicanen op het laatste ogenblik bang en gebukt naast de al rijdende trein komen spurten om nog een ladder te vatten.Eerder zagen we hoe vier jonge gasten zich ijlings verstopten in een lading steenkoolgruis, daar moet je helemaal desperaat voor zijn.
Wat we niet gezien hebben is dat de 'bull' (de spooragent) van Pasco die zeven passagiers in de voorbije 24 uur twee keer ontdekt heeft, waardoor ze hun toevlucht moesten nemen tot een last minute vertrek en tot onderduiken tussen het roet ("een bull controleert nooit die smerige kolenwagons").
De vier kolenjongens komen later in onze boxcar zitten. Ze zijn onderweg naar Missoula (Montana) en ze komen terug van een muziekfestival in Seattle.  Het zijn ervaren 'trainriders' en ze zijn op comfort gesteld, want die tweede deur van de boxcar moet open zodat ze "hun horizon kunnen te verruimen" en dus zullen ze bij elke treinstop een "opendeur-aanval" lanceren. Elke keer als de trein rood heeft, springen ze uit de pakwagen, klimmen ze over de koppeling naar de andere kant van de wagon om daar met een balk tegen de kromverroeste deur te stoten. Twee keer trekt de trein zich weer op gang, en moeten ze snel over de koppeling en snel terug in de rijdende trein springen.
Na drie pogingen springt de deur open en hebben we het felbegeerde dubbelpanorama. En nu uitkijken naar een vuilnisbelt, zeggen ze, want ooit hebben ze van een belt een driepersoonssofa in de pakwagen kunnen slepen. Konden ze vanuit een zetel naar het landschap kijken. 
De vier zijn ex-leden van Greenpeace Amerika. Tom, Woody, Twilly en Groovee hebben de organisatie de rug toegekeerd wegens "te lam, te log en te conservatief". Nu zijn ze lid van de "Ruckus Society", een groep van eco-warriors. Die geharde milieu-activisten organiseren zomerkampen waar je getraind wordt in het barricaderen van wegen en het bezetten van hoge bomen in bosgebieden die met kaalslag bedreigd worden. 
De vier milieumusketiers sluiten aan bij een oude traditie in de States: al honderd jaar beschouwen allerlei subversievelingen en dito anarchisten de vrachttreinen als hun  schuiloord wanneer ze overhoop liggen met de wet of met de maatschappij.
 Neem Jack London, de schrijver/goudzoeker/socialist die zijn belevenissen als ‘Tramp Royal’ (in de jaren 1890-1895) onweerstaanbaar beschreef in ‘The Road’. Neem Joe Hill, de Zweedse emigrant die in de jaren 1902-1914 als hobo en vakbondsman rondtrok op de treinen. Neem Woody Guthrie, de man die zijn stem gaf aan de honderdduizenden boxcar-zwervers van de jaren dertig. En neem Jack Kerouac, die in de jaren veertig en vijftig –toen de auto al heel populair was in de States- nog altijd méér van trainriding dan van liften hield.Kerouac was zelf ooit  brakeman bij de Southern Pacific en hij schreef een essay over de The Vanishing American Hobo.
Volgens Twilly bezit de goederentrein nog altijd diezelfde aantrekkingskracht "als enig overgebleven vervoermiddel waar je nog echt vrij bent. Amerikanen hébben iets met de vrijheid van het on-the-road gaan. Voelen ze zich beperkt in hun job, zitten ze gewrongen met zichzelf of met hun relatie, hebben ze problemen met politie of gerecht, dan is er altijd weer die instinctieve reflex om 'on the road' te gaan. Dat is een fascinatie die in ons zit, dat is die oude drang van de frontiermen, van hen die twee eeuwen geleden het Nieuwe Land ontdekten. Wie zich beperkt voelt, gaat op zoek naar ruimte, gaat op zoek naar de open road, gaat op zoek naar plaatsen om een nieuw leven te beginnen. En zo zijn velen op de treinen beginnen zwerven. En sommigen zijn op die manier helemaal onthecht geraakt van de 'normale' maatschappij. Die hebben zich teruggetrokken in die treinen zoals monniken zich terugtrekken in een klooster. "

As the world goes by -met uitzicht op the Palouse © Stephan Vanfleteren

As the world goes by -met uitzicht op the Palouse © Stephan Vanfleteren

Twilly zelf reist al 21 jaar op de rails, maar omdat hij niet constant onderweg is, beschouwen de hard core tramps hem als een toerist. "Zolang ik niet full time voor die vrijheid van de trein kies, heb ik in hun ogen De Weg, de Waarheid en het Leven nog niet gevonden." 
De trein rijdt nu al enkele uren door The Palouse, glooiend prairieland en mijlen van opschietend koren met lange snoeren van telefoonpalen daar waar een weg moet zijn. Het is iconisch Amerika en midden in die icoon stopt de trein. En alles wordt stil, alles is stil omdat hier alleen maar gras groeit. De zon gaat intussen weg en we kijken naar het roodomrande silhouet van een boerderij en niemand kan me vertellen dat op die boerderij een man naar een lange trein kijkt in de avond en in het gloeiende veld.

Wachtzaal van de wanhoop
De overgang naar Spokane (2OO.OOO inwoners) is bruusk. Van het maanverlichte platteland rijden we ineens door het rosse licht van de stad. De graffiti op de oude stapelhuizen, de grillige zigzagbrandtrappen  iemand die vanop een brug keihard schreeuwt :"Tell me how to ride trains!". Het maakt Spokane a bit spooky, een indruk die de volgende dag nog sterker zal worden. Maar op de plaats waar de trein stopt, geurt het gras naar onderhouden tuinen en gaan we in een stille berm liggen slapen.
’s Morgens worden we begroet door een man met een kind op de arm. ‘Hey you guys, you want some breakfast?!’, wat zéker welkom is. Zijn huis staat tweehonderd meter verderop, ‘en hier is de badkamer, hier zijn eieren en toast en meloen, en dit is mijn zoontje Matthew, en ik dacht vanmorgen, wie zijn die zwervers daar, en Jezus zei me dat ik jullie moest helpen, en ik was wel even bang, maar tegelijk wist ik dat Jezus mij altijd en overal zou beschermen. Hij heeft mij al eens  gered, ik reed onlangs bijna in een canyon, en de duivel trok aan mijn stuur maar Hij draaide 18O graden terug en Hij heeft mij gered, en Jezus is op de wereld om ook jou, Stephan, en ook jou, Jan, te redden. 
Thomas Brosnan is een Born Again Christian. Hij gaat nog een uurtje door met zijn monoloog, geeft ons appels en koekjes en twee Nieuwe Testamenten ‘voor onderweg’. Deze gelovige Thomas is zonder twijfel een geschikte kerel, maar De Dienst Voor Toerisme Naar De Hemel zou haar reisagenten toch mogen leren dat er nog zoiets bestaat als gastvrijheid zonder preekstoel. 
Thomas dropt ons in het keurige winkelcentrum van Spokane, maar wij willen naar de skid row waar de missions hun opvanghuizen hebben.

The Zookeeper - Spokane © Stephan Vanfleteren

The Zookeeper - Spokane © Stephan Vanfleteren

Niet ver van het station waar het asfalt barst en de luizenwinkeltjes luizenradio’s en luizenkoelkasten verkopen, ligt Charity House. Vagebonden en drop outs slapen er op afgedankte kerkbanken, rollen morsige sigaretten op het tafelblad en kijken verweesd naar de tv hoog boven hun koppen. Wachtzaal van de Wanhoop, denk ik, want een titel voor een documentaire is op zo'n plaatsen gauw gevonden, maar alras zijn we met de binnen- en buitenlopende gasten in zoveel aandoenlijke en grappige gesprekken gewikkeld dat ik mijn titel moet herzien.
Er is Tony, een Cheyenne-Indiaan die zijn vader hier van de drank komt afhouden. Die vader is onlangs nogal onbeholpen van een goederentrein gesprongen en is nu zijn been kwijt.En er is Jimmy, die beweert dat hij de eigenaar is van een radiostation. Zijn vergunning komt uit een koopjeskrant en koste maar zeventien-en-een-halve dollar en nu loopt hij de hele dag met een gettoblaster, constant draaiend aan de zenderknop, en als hij Kenny Loggins, Tom Petty of John Cougar Mellencamp, hoort, dan zegt hij, "dàt is mijn station, dàt is het!"
Er is ook The Zookeeper, de eerste vrouwelijke tramp die we tegenkomen. Ze heeft zwartberoete vingers met paarse nagellak en neemt ons mee tot om de hoek. Daar zit een klad zuipers bij een caravan, mannen en vrouwen die dronken zijn, het bier gaat in ijskoude flessen naar de lippen, er wordt ruzie gemaakt wiens beurt het is om te betalen, en in dat gedaas en gezwaai met de fles zit één ouwe gehurkt op het voetpad en ik hoor hem heel duidelijk en onverstoorbaar zeggen ‘Sometimes I feel like a motherless child!’ En op dat moment zou een engel moeten verschijnen en zou vioolmuziek alle verkeer moeten stilleggen, maar het gekrakeel van de twintigste eeuw gaat hier gewoon verder.
Binnen in Charity House kletst iedereen maar raak, hangt eindeloos sigaretten te bedelen van mekaar en ook vraagt altijd weer iemand naar Harry’s en Jerry’s die er niet zijn en die er gisteren ook al niet waren, en uiteraard wordt dit asiel gedreven door een Ierse katholiek, een mensensoort die van huis uit naar drankorgels en geschifte zielen heeft leren luisteren. En ja, zegt die aalmoezenier, wij weigeren niemand. Dronkaards, drugsgebruikers, daklozen, ze mogen allemaal binnen in dit huis van de Vader.

De vetzakken en de blijde boodschap
Eén mijl verderop ligt de Union Gospel Mission, eigendom van de Born Again Christians. Een modern gebouw in propere baksteen en met een elektrisch verlicht kruis dat als een vlag uit de gevel steekt. Hier geven we onze rugzak af en schrijven we op een formulier dat we 'trainrider' zijn, genoeg bewijs om opvang te krijgen.
Gelijk is het tijd voor het avondeten. Met de lange rij schuiven we naar het doorgeefluik voor een kwak puree, een gehaktbal met sla en een stuk gebak. Ik zeg ‘dank u’ en de man bekijkt me met een gezicht van: zwijgen en eten, de rest van die flauwekul moeten we hier niet.
In de rij was het al stil, aan de tafels wordt nauwelijks gesproken, luid is alleen het getik van vorken en messen op de plastic borden. Er wordt ook haastig en met gebogen hoofd gegeten, niemand kijkt een ander aan, alsof er schaamte is om hier te moeten verblijven. Ik tel zo’n honderd gasten, oud en jong, naïeve boerenkerels en harde stadsgezichten, verschoten t-shirts en onafscheidelijke camouflagevesten, en tussen al die koppen slechts ééntje die het hoofd rechtop houdt, vrank rondkijkt en zich veerkrachtig door de zaal beweegt. Hij lijkt op James Dean, a rebel without a house.
In minder dan een halfuur tijd is er gegeten en afgeruimd. Een eerste rondgang leert ons alle verbodsborden kennen. Wie betrapt wordt op binnenshuis roken mag negentig dagen niet meer binnen. Wie betrapt wordt op drinken, loopt kans om nooit meer binnen te mogen. Nieuwkomers mogen zich "ten allen tijde" verwachten aan een ademtest en wie alcohol in het bloed heeft, komt er gewoon niet in.
In de ontspanningsruimte is er een tv en zijn er stichtende boeken met titels als If I don't have Jesus, I am still homeless! Er is ook een folder How to get out of prison, waarin uitgelegd wordt dat je best uit de gevangenis kan blijven door er niet in te gaan.
Blijkbaar heeft een donateur ook een stapel puzzels geschonken. Een boom van een vent, combat boots en legervest, zit verwoed The Golden Gate Bridge (12OO pieces) in elkaar te duwen. Puzzelen moet wel het geschikte tijdverdrijf zijn voor al wie zijn leven aan stukken heeft zien vallen.
De meeste gasten hier zijn down and out: werk kwijt, geld kwijt, vrouw kwijt. En dus ook, pas ontslagen uit de gevangenis, pas gestopt met drinken, pas opgehouden met drugs gebruiken.

“Sometimes I feel like a motherless child” - Spokane © Stephan Vanfleteren

“Sometimes I feel like a motherless child” - Spokane © Stephan Vanfleteren

Er wordt geroepen dat het tijd is voor the chapel, het verplichte gospel-uurtje, in zwerverskringen the earbanger (=klap om de oren) genoemd. We betreden een sobere ruimte en nemen met honderd man plaats op de lichtmetalen zitjes voor het spreekgestoelte. Bij de ingang en bij de Amerikaanse vlag staan twee opzichters die straks met porren zullen voorkomen dat iemand knikkebolt. Twee gemeen kijkende vetzakken zijn het die kauwgum kauwend tegen de muur leunen, met een veel te groot horloge om hun pols en veel te dikke zaklamp aan hun broeksriem.
De voorganger vraagt om het hoofd te buigen voor een gebed en dankt God voor de dag ‘die voor sommigen onder ons ongetwijfeld moeilijk is geweest.’ Dan komen twee opgewekte mannen en vrouwen op de verhoging staan, het gospelkoor, blank en rozig als marsepein. Ze kénnen hun rabauwenpubliek want ze treden dagelijks op in missions en gaan weken aan een stuk op tournee langs de armoebarakken van de States.
Uncle Roy, een fidele kerel met bretellen en ruitjeshemd is de singer-songwriter van vanavond en hij begeleidt op de gitaar songs als ‘Victory in Jesus’, ‘I am a fool for Jesus’ en ten slotte ‘Mama’s Bible’, een weemoedig lied over een mama die altijd is blijven bidden voor een weggelopen zoon, en aan de stilte in de zaal is te merken hoe Uncle Roy meer dan zes gevoelige snaren raakt. Ik kijk naar de lange rijen links en rechts van mij, de moede hoofden, de hoofden in handen, de handen vol rimpels, de vingers dik van ooit hard werken. En dan komt de onvermijdelijke ‘man van het woord’, een slijmjurk met een dunne snor die vraagt of iemand van ons ‘al eens verdwaald is?’ Je voelt ‘m als een overzetboot aankomen, dat wordt de parabel van De Verloren Zoon. En dan is het uur om, het koortje zingt nog een suikeren versie van ‘Amazing Grace’, wenst ons nog vriendelijk goeienacht, en dan moeten we weer voorbij de twee opzichters, en hoe frettig ze naar ons kijken. Walt Disney, dit zijn uw schurken.

Daarna is het tijd voor het stortbad. In groepen van dertig de zaal in, naar een loket, aanschuiven, nummer van je bed zeggen, 134, een gele plastic krat krijgen, je uitkleden, je hélemaal uitkleden, al je bezittingen in het krat stoppen, aanschuiven, krat afgeven, en dan een bundel in ontvangst nemen, één handdoek en één pyjama, in het stortbad gaan, met zijn twaalven in het grote stortbad gaan, zeep uit het bakje nemen en je wassen. En terwijl het water stoomt en stroomt, zie ik al dat arme bloot, de slechte voeten en kromme knieën, de aderspatten, de slappe buiken, de magere ribbenkasten, al die schamele kloten die ten slotte uit het bad stappen, zich afdrogen en een pyjama aantrekken. Mijn pyamahemd heeft lichtblauwe strepen, mijn pyamabroek is van een ander blauw met een naam erin genaaid (Oise Rosinsky). M'n buurman grijnst: ‘Yeah, man! Wearing a dead man’s pyjamas!’ En zo voelt het ook.
In het halletje naast het stortbad zitten nog drie mannen te kijken naar een zwart-wit tv met een hoestend beeld. In hun sjofele pyjama’s lijken ze zo weggelopen uit ‘One flew over the cuckoo’s nest’, maar ik zie geen Jack Nicholson die hier drank binnensmokkelt en geen Indiaanse Broeder die hier de waterfontein door het raam keilt om te kunnen ontsnappen. Uiteindelijk heeft iedereen zélf gevraagd om hier te worden opgevangen in de elastieken broeken van de liefdadigheid.   

Nawoord: een groot deel van deze reportage speelt zich af in Spokane (Washington). In het weekend van 1-2 augustus 2026 werden een aantal noordelijke en oostelijke buitenwijken van Spokanze zwaar getroffen door bosbranden. 60.000 mensen werde geëvacueerd. 600 huizen werden in de as gelegd. Het was de zwaarste natuurramp in de staat Washington in 80 jaar.

‍ ‍

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De hobo's: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (1) / de leerschool

In het Fotomuseum FOMU in Antwerpen wordt de foto-expo "Present" van Stephan Vanfleteren hervat.
Op die tentoonstelling is o.a. een reeks foto's te zien van ons hobo-avontuur in 1996.
Volgens Vanfleteren  "nog altijd één van de meest bijzondere reizen in mijn leven". Met zijn foto’s won hij een World Press Photo Award.
In deze reportageserie zijn die foto's bijeengebracht, samen  met nog andere beelden van datzelfde treinavontuur.  

De 4 afleveringen van deze reeks werden gepubliceerd in Humo (juli-aug 1996) onder de titel "On the rail again", ze zijn hier licht ingekort en herwerkt. - (c) Jan Hertoghs
An English version is available on the North Bank Fred website  http://northbankfred.com/humo1.html

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

Al van mijn achttiende wil ik in Amerika op de goederentreinen reizen. Naar het voorbeeld van de hobo's. Ik zag ze voor het eerst in de film "Joe Hill" (1971) en hoe ze in de jaren dertig op die treinen reisden om de armoede te ontvluchten. Ze zaten in de pakwagens, ze verstopten zich soms op het onderstel tussen de wielen, of liepen met gemak  over de daken van die rijdende boxcars.  
Vijfentwintig jaar later is het zover. Eind mei 1996 ben ik in de VS met een jonge fotograaf, Stephan Vanfleteren (27). Hij is me aanbevolen door m'n vriend Roger Van D'Huynslager (ook fotograaf).
Stephan en ik zijn onbekenden voor mekaar. Meer dan een korte kennismaking was er niet, langer dan een half uur hebben we mekaar voor deze reis niet gesproken.
Maar we delen eenzelfde verlangen naar dat wilde onbekende, naar die spoorlijnen die dwars door Amerika gaan.  

Railriding >>> korte filmische impressie van het reizen op de goederentreinen

"Wees brutaal. Zorg voor een knuppel. Laat niemand binnendringen in jullie wagon."

Het vliegtuig van United Airlines tilt ons over de oceaan, wat een wonder van de techniek mag heten, en dan zal de bemanning ook nog eens het licht uitdraaien en op tienduizend meter hoogte een film draaien. Ze hadden duizend andere filmen kunnen kiezen, maar net vandaag spelen ze die ene film (Broken Arrow, 1996) waarvan de hele ontknoping zich op een voortrazende Amerikaanse goederentrein afspeelt. John Travolta is de action man die in die trein een nucleaire tijdbom van terroristen onschadelijk moet maken. En natuurlijk willen ze hem van het dak van de wagon knallen, en natuurlijk valt hij bij het knokken door een openstaande deur naar buiten, en natuurlijk kan hij zich nog net aan een laddertje vastklampen, en natuurlijk zal hij vijf minuten lang met zijn hemd uit zijn broek onderaan de trein balanceren, zijn ballen rakelings naast de moordende wielen. Het is maar film, maar in werkelijkheid zijn wij op weg naar die rammelende, blinde en door de nacht jagende goederentreinen.

Ons vertrekpunt is Eugene, de belangrijkste stad van de noordwestelijke staat Oregon. Op deze late vrijdagavond zijn de straten leeg en in die leegte horen we ineens De Trein. Tussen al die verlaten straten komt hij als geroepen, met zijn lange eenzame fluiten en met dat dindindindin-geklepel van de overwegen waar op dit tijdstip niemand meer achter de slagbomen wacht. Drie straten verder zien we hem, hoe traag hij het station binnendieselt met die felle koplamp voorin en met op de locomotief die tampende klok, alsof de tijd nog bestaat dat er boomstammen en Indianen over de sporen worden gelegd.
Op het perron gaan we vlak bij de trein staan, als om hem te meten, als om in te schatten hoeveel immenser hij is dan wij. Als de machine zich na zijn halte weer op gang trekt, lopen we een eindje mee, we tasten al naar een zijladdertje, we toucheren al een grijpstang, en in gedachten doen we al een sprong in een pakwagen, maar we denken ook: hoe zal dat zijn met een bult van tien kilo bagage op de rug? En van slapen in het motelbed komt niet veel. De hele nacht horen we nog treinen janken door Eugene. En hoe uitdagend dat ze fluiten: kom dan, pak ons dan.

’s Morgens staat North Bank Fred voor de deur. Hij is onze gids voor de komende twee dagen. Fred (48) is geen treinzwerver, hij is bouwvakker, maar hij heeft het treinzwerven al twintig jaar in het bloed.("Ik moét om de twee weken de trein op of ik word onhandelbaar.") En dan springt Fred op de freight tussen Dunsmuir en Klamath Falls , en als hij dan tien uur door de bergen en de dennenbossen heeft gespoord, heeft hij weer rust.Fred bladert door The Oregonian. De krant heeft op pagina twee een hele kolom ingeruimd voor Eén Dode en Eén Zwaargewonde Na Val Van Trein. En dat twee lichamen zijn gevonden tussen Washougal en Stevenson; de sheriff gaat ervan uit dat het zwervers zijn die van de trein zijn gevallen, of geduwd, en dat ze weinig kans op overleven hadden, de trein reed bijna 90 per uur. Het artikel eindigt met de zin dat trainriding strafbaar is; het maximum is één jaar de gevangenis in. 
Fred haalt z'n schouders op en met hem overlopen we onze uitrusting. Hij had gevraagd om versleten kleren mee te brengen, afgedragen jeans en uitgelubberde jassen, we moesten er als zwervers-tussen-de-zwervers uitzien en niet als fuckin’ mountain trekking professionals. De rugzak mocht geen aluminium draagstel hebben wegens te kwetsbaar (‘soms zal je dat ding uit de trein moeten droppen voor je d’r zelf uit springt’) en rugzak en kleren moesten ook donker zijn om niet opgemerkt te worden door de bulls (=de spoorwegpolitie). Zijn ook vereist:  ruige stapschoenen met antislipzolen (om niet van de gladmetalen treinladders te stuiken), leren werkhandschoenen (om een stevige grip te hebben bij het wagonklimmen), een nylon poncho om lijf en uitrusting tegen de regen te beschermen, oordopjes tegen het treinlawaai, en een 1-liter-drinkfles met water omdat het gloeiend heet kan zijn in een wagon die uren stilstaat in de zon.

Hobo in de uitgestrekte doolhof van het rangeerstation.  © Stephan Vanfleteren

Hobo in de uitgestrekte doolhof van het rangeerstation. © Stephan Vanfleteren

Northbank Fred doet ons in een roestbak klimmen
Het is een stevig eind stappen tot het rangeerstation van Eugene. Vanop de weg zien we vier Southern Pacific-treinen staan wachten, de diesellocomotieven ronken, maar welke gaat naar het zuiden? Een onzekerheid die ons parten zal blijven spelen, want in een rangeerstation zijn geen perrons, geen aanwijsborden en uurtabellen, er zijn alleen twintig sporen en daarop staan meerdere treinen. Rijden ze naar het noorden of naar het zuiden? Vertrekken ze binnen een uur, twee uur, of pas morgenvroeg? En er zijn natuurlijk geen voetgangerstunnels om van het ene spoor naar het andere te gaan. Je moet over de koppelingen tussen de wagons van de ene trein naar de andere stappen.
Fred kruipt als eerste op het smalle laddertje boven de buffers en wijst waar we onze twee voeten en onze twee handen schrap moeten zetten als we over de koppelingen stappen ‘Elke seconde kan je eraf vallen als je je niet stevig vasthoudt! Je moet er àltijd op voorbereid zijn dat zo’n trein door elkaar wordt gerammeld als ze er andere wagons tegenaan rangeren’. We steken twee stellen wagons over naar de trein op de derde track. Die lijkt vertrekkensklaar te staan, met zijn kop naar het zuiden. We horen de machinist lucht blazen in de remleidingen, we zien de remschoenen van de wielen komen, er resten nog weinige minuten om een overdekte wagon te vinden. Fred wil geen tijd verliezen en nadat hij nog vlug tegen een wiel heeft gepist, kruipt hij in een open gondola. We volgen hem, stuiken over de rand van deze gedeukte roestbak en verrekt, ik had me mijn eerste reis wel anders voorgesteld dan op die vloer te moeten zitten die bezaaid ligt met keien en wit stof.
Met een schok zet de trein zich in beweging en omdat het nog klaarlichte dag is, gebaart Fred dat we de eerste tien minuten gebukt moeten blijven, zodat geen bull ons kan zien. Eens we de stad uit zijn, steken we de kop boven de rand van de gondola. Ha, de wind in de haren, de zon op het gezicht, de buizerds in de blauwe lucht en bossen brem als feest tussen de rotsen. This is it! Fred haalt een fles goedkope port uit zijn rugzak, we zetten ‘m aan onze mond en overal tuimelen de overwegen dicht en springen signalen op groen en wordt er naar ons gewuifd vanuit de auto’s op de highway.
Mister Wanderlust
Na geen uur rijden schuift de trein in een zijspoor. Niks aan de hand, zegt Fred, hij moet gewoon een andere trein laten voorbijgaan. Maar dan gebeurt er iets dat Fred in twintig jaar nog maar drie keer heeft meegemaakt. Er klinkt een geluid dat op ontkoppelen lijkt, de lucht ontsnapt met een harde plof uit de remleidingen en de drie koplocomotieven rijden weg van de trein. Vijf minuten geleden stonden we nog te dansen in onze gondola en nu staan we stil, fuckin’ full stop!
 Er zit niks anders op dan uit de bak kruipen. Tot ons geluk zitten we niet in the middle of nowhere, vlakbij strekt een meer zich uit in de zon en aan de andere kant is een weg en op die weg is Joe's Truckstop, met een klapdeur en bier en frisdrank in metershoge koelkasten. 
Nog een vierde verstekeling komt uit de trein. Fred herkent hem meteen,‘Tall Man!’ Hijn is het prototype van de oudere hobo-treinzwerver: op het eerste gezicht ziet-ie eruit als een dakloze, verrimpeld gezicht, stoppelbaard, en vettige rouwnagels, maar op broek en schoenen draagt hij onmiskenbaar de roetsporen van de trein. Hij sleept ook geen stoet vuilniszakken met bagage achter zich aan, maar slechts één bundel van slaapzak en regenzeil, met een touw om de schouder. Duidelijk niet de zwerver die in portieken vertoeft, maar de nomade die kwiek kan inpakken en wegwezen.
Tall Man rolt een sigaret met zijn bruinige tabakvingers en naar zijn zeggen is hij één van de beroemdste tramps van de VS. ‘Noem mij om het even welke fuckin’ railroad in de States en ik heb er met mijn fuckin’ gat op gezeten!’

Tall Man, al 21 jaar op de rails. © Stephan Vanfleteren

Tall Man, al 21 jaar op de rails. © Stephan Vanfleteren


Maar denk niet dat hij een schooier is, o nee, Tall Man kan werken voor de kost, hij kan daken repareren en auto’s fixen en vroeger was Tall Man nog officier bij de Air Force.Intelligence officer! Hij maakte geheime foto's in Vietnam en in Nicaragua, en UFO's heeft hij ook gefotografeerd. Wel tien op één rij." Alleen jammer dat er toen net geen film in zijn camera zat!En zo zit-ie voor ons te orakelen, de Mister Wanderlust met de lichte ogen, de Tramp Royal die al eenentwintig jaar op de sporen leeft. Halftien is bedtijd, we kruipen met zijn vieren in een lege boxcar, rollen de slaapzak uit en luisteren naar de stilte van de kikker die kwaakt bij het meer. Na een uur klinkt een licht gesingel door de nacht, iets zingt en suist in de sporen, en dan horen we dat het een snel naderende trein is, om de bocht jankt hij nog een laatste keer met zijn hoorn, dan schiet twee seconden lang een verblindend wit licht door het open gat van de boxcar. Ik denk: hij vliegt recht op ons af, hij ramt onze wagon finaal uit de rij, bàng, de berm af en het meer in, en dan raast een vijfde macht aan lawaai voorbij, de hele boxcar wordt gevuld, geladen, tot de nok volgestouwd met lawaai, kriepend ijzer op ijzer, nog meer fluiten, rammelen en ratelen, tien, twintig, tachtig, negentig wagons die whamm! whamm! voorbijknallen en dan is het voorbij en drijft het lawaai af, als een onweer dat heel dichtbij is geweest. En het is weer stil nu en middernacht en ik ga in de open deur op de rails staan plassen die zo al glimmen in het maanlicht, en wat een fantastisch gevoel om hier te staan wateren onder miljoenen sterren, de aanwaaiende harsgeur van dennenbossen in te ademen en naast het meer het gesloten café te zien waar Coors en Budweiser hun naam in neon blijven schrijven, all night long.
Snelcursus in-een-boxcar-klimmen
Zondagmorgen zeven uur en Tall Man zit op de rails en zet een bakje koffie op oude hobo's wijze. Met het lipje houdt hij een colablik vast dat gevuld is met water en daaronder heeft hij een rode lichtfakkel ontstoken, het soort 'vuurwerk' dat in de alarmkit van treinbestuurders zit. Als de fakkel uitgesist is, is het water heet en giet Tall Man het over in een bekertje oploskoffie. Coffee is ready.
Hij legt ook uit dat hoe je water kan opwarmen in een bruinpapieren boodschappenzak. Eerst vul je de zak met water en dan rol je de bovenkant op tot een handvat. Vervolgens hou je de papieren waterzak ongeveer 12 centimeter boven een houtvuurtje en dan wacht je tot het water heet is. De zak brandt niet want hij is te nat en hij scheurt ook niet, want daarvoor is hij te sterk. Als het water heet is, snij je een sleufje in de bodem en giet je het op je oploskoffie. Ja, deze ouwe hobo heeft het warm water uitgevonden.
Fred is intussen te weten gekomen dat de wagons nog wel eens twee dagen op dat zijspoor kunnen blijven staan en we besluiten de 4O km naar Eugene terug te liften om daar opnieuw de trein te 'pakken'.
Vijf uur hebben we erover gedaan om weer in het rangeerstation van Eugene te raken waar we dan ook nog te horen krijgen dat de eerste trein naar Klamath Falls "pas binnen een uur of zeven vertrekt". Shit happens, zegt Fred en we zoeken een schuilplaats om uit het zicht van de controletoren te zijn. 
Als we onder een spoorwegbrug kruipen, zit er een adder van één meter in het gras en als in een biologieles blijven we wel een minuut naar het doodstille beest staan kijken, en het is...eh echt wel een SLANG, maar Fred zegt dat ie nooit door onze dikke kousen kan bijten.
Fred zal ons nog meer leren. Hij tekent plattegronden van de rangeerstations die we nog zullen tegenkomen en duidt aan waar we de trein best pakken, waar we ons vooraf moeten verstoppen, waar andere hobo's schuilen en een pot koffie stoken, en waar de hoge controletorens met de schijnwerpers zich bevinden.Als het donker wordt, geeft Fred ons een laatste snelcursus in-een-boxcar klimmen. We gaan voor een open pakwagen staan, en daar stap je zomaar niet in, de vloer ervan komt zo hoog als onze borstkas! Fred neemt het hangslot van de deur als een handvat beet, trekt zich op en gooit in één zwaai zijn linkervoet op de vloer van de boxcar en met die steunvoet en nog steeds hangend aan het deurslot trekt hij zijn hele body naar binnen. Die swing hebben we na twee keer oefenen beet, maar als Fred zich in de boxcar slingert mét zijn twaalf-kilo-rugzak-op-de-rug, moeten wij passen met onze houten benen en dunne spieren. ‘Gooi dan maar eerst je spullen in zo'n wagon en hoop dan maar dat je genoeg tijd hebt om jezelf erbij te hijsen,’ zegt ie, "Zo niet verdwijnt jullie bagage zonder jullie.’

Nachtelijk rangeerstation. “De midnight creeps komen tegen 2 km per uur aangeslopen.” © Stephan Vanfleteren

Nachtelijk rangeerstation. “De midnight creeps komen tegen 2 km per uur aangeslopen.” © Stephan Vanfleteren

Voor we ons dieper in het rangeerstation en tussen de tracks begeven, waarschuwt Fred voor de midnight creeps, de wagons die bij het rangeren geheuveld worden en die geluidloos komen aangeslopen, ‘soms met twee of drie kilometer per uur, maar ook dan ben je zo plat als een mus als je onder die vijftig ton terechtkomt!’ en dus moeten we bij het oversteken van elk leeg spoor àltijd naar links en rechts kijken.
Op het zesde spoor staat een trein naar Klamath Falls. Fred kiest opnieuw een gondola die nog vuiler, nog smeriger is dan onze eerste. De vloer is deze keer bezaaid met roest en schroot, met sleutels, vijzen, moeren, scharnieren, kabels, springveren en ijzerslakken. Is Fred soms op zijn kop gevallen?! Integendeel, Fred is zelfs al doende om een gerieflijke slaapplek in te richten tussen dat schroot. Uit een andere trein heeft hij twee vierkante meter dik karton met plastic voering gesleept: het karton gebruikt hij als vloerbekleding bovenop het oud ijzer. De plastic voering zal dienen om onze slaapzakken warm en droog te houden in de koude nacht die komen gaat.
Kort na middernacht vertrekt de trein, een traag geknars door een pak van wissels en zijsporen, en dan zijn we weg.
Fred verstrekt nog oorplugjes en dan kruipen we met onze kleren in de slaapzak. Hoe Fred en Stephan dan kunnen inslapen is mij een raadsel; met die koude nachtlucht die over ons blaast en temidden van dat geraas van tachtig wagons. M'n muts en mijn jaskap heb ik diep over mijn oren getrokken. De hoes van m'n slaapzak leg ik over mijn gezicht, als bescherming tegen het opwaaiende roest en het neerdruppelende condenswater in de tunnels die we passeren. Een oog heb ik vooralsnog niet dichtgedaan.
De temperatuur bij vertrek bedroeg nog tien graden maar in de Cascade Mountains zakt ie tot één graad, met in de spoorberm nog repen sneeuw van de winter. We ontbijten met vodka, een stuk kaas en een brood dat Fred gisterenavond gevonden heeft, het is  aangevreten door muizen.
De trein bereikt Klamath Falls, een houthakkersstad bij een groot meer. Fred wijst een spoorbrug vol graffiti. Eén hanenpoot is van Sidetrack. Zijn kribbel staat voor moord, want Sidetrack was de gevreesde seriemoordenaar die in de voorbije jaren minstens zestien treinzwervers heeft afgemaakt; pas een maand geleden is hij in Californië gearresteerd.

Tag van de seriekiller Sidetrack © Stephan Vanfleteren

Tag van de seriekiller Sidetrack © Stephan Vanfleteren

Een Cherokee Jeep komt aangereden, het is Roger, de spoorwegpolitieman van K-Falls. Fred kent hem, en wil ons uitgebreid aan hem voorstellen, maar Roger reageert koeltjes, vraagt ons paspoort en schrijft alles over in een notitieboekje. Je moet begrijpen, zegt hij, vorige week is er een meisje verkracht in de yard en we zijn nog steeds op zoek naar de dader. En er zijn nog daders voortvluchtig. Vorige maand is er een tramp doodgestoken in Santa Monica (Californië) en de maand daarvoor twéé dood in Texas. En of we de man op deze robotfoto misschien zijn tegengekomen? Ene Charles Black die een tramp meermaals in het lijf heeft gestoken met een buck knife. Wees op jullie hoede, knikt hij.

Onze mentor Fred keert terug naar huis. En we maken kennis met drie vertrekkende treinreizigers. Eén is het type van de jaren-negentig-hippie: omgekeerde pet, twee zilveren vorken als armband rond zijn polsen geplooid, een FM-transistor, en een hondenmormel dat tegen zijn been kwispelt. Het beestje draagt een hemdsmouw als jasje. Z’n hobo-naam is Skillet Fried Southern Rider. Skillet is 34 en zegt dat er niks boven trainriding gaat: ‘Ik heb een jaar door de States gelift, ik heb een jaar in de bergen gewoond, but this is my home, man!’
Skillet zegt dat hij makkelijk drieduizend mijl per maand aflegt, zomer én winter. ‘De winter, man! Vijftien centimer sneeuw! De maan! De sterren! Die trein die voortjakkert door de kou en ik zit op die trein, man, ik zit erop!’
Skillet leeft van food stamps, de bonnen waarmee steuntrekkers voedsel kunnen kopen. Hij reist van staat tot staat om ze op te strijken: zo'n leven kan hij nog làng volhouden!
Skillet zit op de rand van de open wagon als een cowboy op zijn paard. De trein vertrekt met een schok, hij blijft in het zadel:" This is the life, man! You gotta ride 'em! Ride 'em high!"
Dood in de pakwagen
Nog niet vertrokken is een trein naar het noorden. Tom en Bob, een zwarte en een blanke hobo, zitten op het trapje boven de buffer van een citerne.  
Bob zegt dat het treinbestaan de laatste vijf jaar veel en veel harder geworden is: "Dertig jaar geleden hoorde je machinisten nog zeggen dat het geluk bracht als er een hobo aan boord was, maar nu steken ze soms hun vinger op, fuck you!, of ze drijven hun snelheid op als je komt aangelopen. Ze hebben te veel gezien. Oude mannen die zat van de trein rollen en onder de wielen tuimelen, jonge gasten die drugs gebruiken en onderweg geladen wagons openbreken. Ook de hobo's onderling hebben een en ander te vrezen. 'Vroeger zou een hobo zijn laatste sigaret hebben weggegeven aan iemand die niks had, nu moet hij schrik hebben dat ze hem de kop komen inslaan voor die ene sigaret.’
Bob herhaalt nog eens dat we voorzichtig moeten zijn : ‘Vroeger droeg ik geen wapen, nu heb ik altijd een knuppel bij me. Ik neem geen risico’s meer sinds ik op een nacht een kerel met een fles boven mij zag staan. Hij zat samen met mij in de boxcar en hij wou me bewusteloos slaan en al mijn geld jatten. Ik had gelukkig een ijzeren stang onder mijn slaapzak liggen, ik ben opzijgerold en heb hém een klap voor zijn kop verkocht. Wam, de helft van zijn schedel weg. Zo dood als een pier. Bij het eerstvolgende station ben ik zelf naar de politie gestapt. ‘Ik heb iemand doodgeslagen,’ heb ik gezegd. Ze hebben me zes dagen in de nor gestopt en me toen vrijgelaten. Zelfverdediging was het, maar ik droom er nog van. Nu laat ik nooit meer onbekenden in mijn boxcar. Geloof me, jongens, doe hetzelfde: als je in een boxcar zit, laat dan niemand binnen die je niet kent. Een echte zwerver zal dat respecteren en een andere wagon opzoeken. En als ze dat niet doen, dan hou je ze af, dan stamp je de tanden maar uit hun bakkes. Dat klinkt grof, maar dit is een grove wereld, guys. De plek waar hobo’s mekaar tegenkomen heet niet voor niks hobo jungle.’
Ook Fred had het ons gisteren gezegd: ‘Wees bij een eerste contact nooit vriendelijk, want vriendelijkheid wordt gezien als de onzekerheid van de beginneling, en dus een teken van zwakte.’ 
Bob zegt dat we vooral moeten oppassen voor homeguards en streamliners. 'Homeguards' zijn zwervers die in een en dezelfde stad rondhangen, "soms om andere zwervers te kunnen beroven". En 'streamliners' zijn kerels die zonder bagage reizen, "wat ze nodig hebben, pikken ze onderweg wel van gasten zoals jullie ". Voor de rest wenst hij ons een goeie reis: "Geniet ervan, gasten. Nog een paar jaar en dan is de lol eraf en dan zijn er geen hobo's meer. Dan zal er zoveel misdaad en zoveel politie zijn, dat niemand nog op die treinen rijdt."
Rovers en runaways
Roger Bryant
, met de ster op het kraaknette uniformhemd, heeft het scherpe uiterlijk van een sheriff in een ouwe tv-serie. (Denk aan Lassie! en denk zeker ook aan Hobo, de zwerver, een serie over een dappere herdershond die de BRT uitzond in 1966).  Spoorwegpolitieman Roger heeft hier in Klamath Falls de reputatie van tolerant te zijn. Van hem mag iedereen op àlle treinen jumpen. Wat nochtans compleet tegen de wet is. Maar hij stelt wel één voorwaarde: niet in geladen vrachtwagens kruipen en ook niet in de onbemande hulplocomotieven achter de hoofdlocomotief.
Volgens zijn tellingen komen er jaarlijks zo'n 30.000 treinzwervers door Klamath Falls, de meeste in de zomer. De oudste die hij ooit zag, is twee jaar geleden gestorven (‘die rakker was negentig jaar’) en gisteren heeft hij nog een opa van 78 gezien. De jongste was twaalf, een zwarte jongen die weggelopen was van huis, all the way from L.A. en dat is toch nog 1300 km hiervandaan. Wat opvalt  is dat er tegenwoordig meer jongeren en vrouwen zwerven. De vrouwen zijn meestal onderweg met man of vriend. ‘beide hebben ze hun werk verloren, ze zien geen toekomst meer en gaan dan maar ronddolen.’
Vorig jaar pakte hij een moeder met twee kinderen op, elf en twaalf jaar. Een echtscheiding. De man had het hoederecht gekregen en de vrouw was met haar twee kinderen gevlucht op de trein, helemaal van de oostkust naar hier, 4500 km.

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

Roger heeft de meeste problemen met oude zwervers die teveel drinken, op de sporen in slaap vallen en doodgereden worden. Dat drinken is een pest, zegt hij. En verder heeft hij de handen vol met de 15-16-jarigen, de runaways, "die laten zich niks meer vertellen, die gebruiken vaak drugs en zijn dan compleet onhandelbaar." Ook Mexicanen houdt Roger in het oog, "de meeste gaan voor de appeloogst in de staat Washington, maar er zijn ook Mexicaanse criminelen die van stad naar stad rijden om 's nachts in auto's in te breken." 
En of we de FTRA (de Freight Train Riders of America) kennen? Dat zijn kleine train gangs die "zwervers van de treinen gooien om hun bezittingen te stelen." Hij schat ze op een duizendtal in het westen alleen.
En de reizende seriemoordenaar Sidetrack? Die heeft hij wel honderd keer gezien. ‘Hij kwam hier zijn food stamps incasseren. Er moeten tientallen tramps zijn die met hem samen gereisd hebben, zonder dat hij ze heeft vermoord. Maar uiteindelijk had hij op tien jaar tijd toch 19 killings op zijn geweten en zestien van de slachtoffers waren treinzwervers.’
Roger gaat weer naar de sporen. Binnen enkele minuten stopt een freight richting Los Angeles en hij vermoedt dat hij enkele passagiers van de trein zal moeten plukken. Het zijn er vier en het kost hem geen moeite om ze te ontdekken: "Wie op die treinen met  opliggers reist, gaat altijd uit de wind zitten, en dus achter de wielen van de vrachtwagens." Er komt zelfs een backpacker met een mountainbike van de trein, allicht koos hij voor de formule Trein+Fiets.
Roger schrijft hun identiteit op en niemand die het kwalijk neemt: "Blij je te ontmoeten, Roger! We hebben al zoveel over je gehoord, Roger! Steek ons maar in de bak, Roger!"
Dat viertal heeft al aardig aan de fles gezeten en richt zich tot ons. Als ze horen dat we van België komen, worden hun opmerkingen gemelijk: "Hey, die gasten zijn met een vliegtuig naar hier gekomen, die gasten hébben geld, die gasten hebben een papa en een mama met geld, die gasten hebben een huis vol geld!" We willen ons met een grap verweren, en nog één, maar ze blijven over dat geld bezig en zo druipen we af, achterom kijkend of we niet gevolgd worden. Die bange aftocht geeft een slecht gevoel. We zijn te vriendelijke beginnelingen geweest! we hadden grof moeten zijn en brutaal moeten terugblaffen! Maar dat ligt niet in onze aard. We zijn schapen. Brave schapen. Die vràgen om geschoren te worden.  

MORGEN DEEL 2: Wachtzaal van de wanhoop - het barse opvanghuis van de Born Again Christians

Jan, Stephan en North Bank Fred in de open roestwagon © North Bank Fred

Jan, Stephan en North Bank Fred in de open roestwagon © North Bank Fred

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

2020: het jaar van het lange haar (de “hippie-comeback”)

De kappers openen volgende week de deuren, en intussen zijn de wilde haardossen een vertrouwd straatbeeld geworden.
Met die lange haren zijn de ‘hippies’ terug, én ook hun denkbeelden. Een maatschappij die niet verder kan op de oude manier, een economie die in vraag wordt gesteld, en tegelijk een toegenomen aandacht voor de natuur en voor lokale voedselproductie. Dat alles is terug te vinden in dit gesprek met een oude hippie.
“Meelopen met de kiekens die elke dag in de file staan, geen denken aan!”

Humo september 1997 - ingekort en bewerkt - (c) Jan Hertoghs    

Oude hippies duren het langst.
“Mijn haar is niet meer geknipt sinds 1979”

woodstock+hippie.jpg

“Dit is mijn reservaat,” zegt Johan als we vanuit z'n  boerderij naar het uitgestrekte weiland gaan. Daar zijn de koeien, de paarden, de varkens, de kippen, de konijnen, de duiven én de grote blauwe lucht. Meer dan tien jaar geleden is Johan met zijn vrouw en drie kinderen in deze uithoek van Brabant  komen wonen nadat ze de maatschappij de rug hadden toegekeerd. “Wij wilden weg van de consumptiemaatschappij, de geldmaatschappij, de maatschappij waar je elke morgen met die andere kiekens in de file moet staan of moet meelopen om de trein van acht uur te halen.” Johan loopt liever achter zijn Brabantse paard te ploegen of zit stil in zijn atelier aan stripscenario’s te werken. Johan heeft een baard en lang haar. Johan is een hippie.
Johan: "Ik was al een hippie van mijn twaalf jaar. ik weet dat ik op tv de beelden van Woodstock zag (1969). De BRT gaf dat toen in het journaal met een air van “en nu laten we u een zotte bedoening in Amerika zien”- en ik was meteen gegrepen. Ik zag dat feest en al die vrolijke mensen en al die muziek, en ik dacht waw!,  was ik nu maar een paar jaar ouder, dan zou ik daar ook staan! Dat plezier, al die kleuren, al die mensen, dat pakte mij. Dat is zo op je twaalfde, dan sta je heel onbevangen en heel verwonderd tegenover De Grote Wereld en dan kan iets een heel diepe indruk op je maken. 
HUMO: Je had misschien ook oudere broers of zussen die al warm liepen voor de langharige werkschuwe levensstijl?
Johan: 
Integendeel. Mijn twee oudere broers waren de grootste bourgeois die je je kon voorstellen, én dat zijn ze nu nog! De invloed kwam meer vanop het college. Ik liep daar Latijn-Griekse en die kleine afdeling was altijd een buitenbeentje geweest, die acht gasten, dat waren allemaal hippies die zot waren van Jethro Tull, The Beatles, The Stones, Jefferson Airplane, Steppenwolf enzovoort. En die muziek, die rààkte je. Nu in de jaren negentig is er ook wel rock waarvan ik zeg, ja, dat is tof, maar dat raakt me veel minder. Als toen “Abbey Road” of “Let it be” uitkwam, dan kreeg je een klap met de voorhamer. Dan zat je die plaat uren te spelen op je kamer, en dan vond je die goed van de eerste tot de laatste noot. Nu nog trouwens. 
In die tijd kwam ook de film Easy Rider, ik was nog maar dertien jaar, maar ik heb die toen in de cinema gezién. Andere vriendjes gingen naar de nieuwste Walt Disney , maar ik zat in de andere zaal en die film greep mij geweldig aan. Die vrijheid, die ongebondenheid, die weg die daar open ligt...Born to be wild!  ja! Dat was nogal wat anders dan thuis soep eten of op school stof zitten slikken! 
Als oudere scholieren gingen we drie dagen op retraite, en jongen, dan draaiden we drie dagen lang onze muziek, en dan discussieerden we tot een gat in de nacht over het bestaan van God, en over ons sociaal engagement, en al wat we gingen doen om die rotte maatschappij te verbeteren. Het opvallende was dat die dingen zich niet in de jaren zestig, maar in de jaren zeventig afspeelden; dat waren eigenlijk de sixties in België. En ‘s zaterdags gingen we dan naar de jeugdclub, pinten drinken en sigaretjes rollen en op kussens en matrassen liggen en weer maar leuteren hoe we de wereld gingen veranderen. En tussendoor dansen! Je kent dat, dansen zoals een boom met takken, armen in de lucht en maar spoken en zwaaien, Smoke on the Water! 
Dat waren ook de jaren dat de pseudo-progressieve pastoors de jeugd nog probeerden te recupereren met beatmissen, met een  drumstelleke en wat gitaren naast het altaar.
Intussen studeerde ik kunstgeschiedenis in Leuven en ik was volop de student die liever staakte en betoogde dan dat hij naar de les ging. We kwamen op straat tégen minister Vanden Boeynants en zijn beroepsleger, tégen de dertig miljard aan gevechtsvliegtuigen, en op ons kot hadden we allemaal een grote poster van Che Guevara hangen. Ja, toen was het nog makkelijk om radicaal tegen de maatschappij te zijn: elk weekend ging je wat zakgeld halen bij je ouders en dan kon je nadien weer een week de radicale drop out uithangen. 

easy rider.JPG

Back to nature
Nadat ik mijn diploma had gehaald -het ligt hier ergens bij het oud papier, nooit gebruikt!- ben ik getrouwd en zijn we in Leuven gaan wonen. Maar de dingen begonnen te veranderen.  Naar het einde van de jaren zeventig kwamen we als hippies meer en meer alleen te staan. Je merkte dat aan de gesprekken met ex-klasgenoten. Als ik een klasgenoot van vroeger terugzag, begon hij na twee minuten al over zijn pree te zagen, en over zijn huis in aanbouw en en de ruzies met zijn kinderen. Dat waren de gasten die de wereld gingen veranderen van-me-kan-niet-meer! We zagen het ook in Leuven. Op de TD’s (thé dansants) werd geen lol meer gemaakt. Dat grappige, dat onnozele was weg en in de plaats kreeg je van die stomme discomuziek en van die sombere new wavers die zich elke avond stonden te begraven met hun zwarte kleren en hun zwarte zonnebrillen.
We waren toen nog met een paar “overlevers” in Leuven, een paar dinosaurussen die daar nog in hippiekleren rondliepen, maar we zijn daar weggegaan omdat het schelden op ons alsmaar heftiger werd. Vroeger werd je niet aanvaard door de oudere generatie, maar nu begonnen jonge gasten ons ook te bezien als het vuil van de straat. Vuile hippie! Smerige hippie! Onnozele jezus! Dat was graaf wat wij toen allemaal te horen kregen. En ik liep nochtans niet met kralen of haarlinten rond, ik droeg gewoon sandalen en jeans en een t-shirt, maar die baard en dat lang haar, dat wekte de afkeer op.
Dat was echt een haat tegen ons en ons ideeëngoed en toen hebben we ook foert gezegd en onze rug naar de maatschappij gekeerd. Ik spuwde toen op de maatschappij. Als ik toen in het station van Leuven stond en zag hoe de mensen zich ‘s morgens bijna lieten verpletteren tussen de deuren van de trein om er toch maar op te zitten, dan dacht ik, dit is toch geen leven meer?! Dat zijn toch geen mensen meer?! Dat zijn gebrainwashte robotten.
Ik las toen ook over de hippies van de grote Amerikaanse steden die zich langsom meer begonnen terug te trekken op het dunbevolkte platteland en zo is het bij ons ook gegaan. back to nature. En we hebben hier die boerderij en dat stuk land gekocht. We hebben nog naar medestanders gezocht, maar er was niemand meer. Van die algemene hippie-mentaliteit onder de jongeren bleef niks meer over. We stonden helemaal alleen en we zouden helemaal alleen onze weg moeten gaan.
Godvergeten gat
HUMO: Had je geen zin om te gaan liften of zwerven in een minibusje?
Johan: 
Het hippieparadijs Khatmandou is een tijdje onze droom geweest. Nog zo’n droom was om naar Ierland te emigreren en daar in een kleine cottage in een godvergeten gat te gaan wonen. Maar het is niet doorgegaan. We zaten met een pasgeboren baby en we twijfelden eraan of we daar zouden opgenomen worden in zo’n kleine dorpsgemeenschap. Toen we dat een tijd geleden aan de kinderen vertelden, waren ze razend dat we vijftien jaar geleden niet gegaan waren. Zij wilden direct naar Ierland vertrekken. Meteen! Geen probleem! En misschien doen we het nog wel. Misschien binnen vijf jaar of binnen tien jaar. We hebben ook al gedacht om naar Canada te emigreren. Ik had een advertentie gezien: boerderij te koop, 365 hectaren met bossen erbij en met een kreek ... zes miljoen Bfr (150.000 euro)! Godverdorie, dacht ik, als ik nu mijn boerderij en mijn grond aan een een zotte Brusselaar kan verkopen, dan ben ik weg. Maar ik zit hier nog altijd.
Niet dat ik de dromen heb opgegeven. Als de kinderen wat groter zijn, dan ga ik zeker een tijd zwerven met mijn vrouw. We laden wat bagage op een motor en we zijn weg net als in ‘Easy rider’. On the road, en achter ons mag de boel ontploffen!
HUMO: Hoe oud zijn jullie kinderen nu?
Johan: 
Zestien, veertien, en twaalf. Twee meisjes en een jongen, en die jongen zie je niet staan, want die heeft net zo’n lang haar als zijn zussen. De oudste heeft zelfs haar tot op haar knieën, wel een meter twintig lang! Ze moéten dat niet lang dragen van mij, ze mogen het afknippen, maar ze doen het niet. 
HUMO: Uit protest.
Johan
: Nee. Ze zijn gewoon trots op dat lange haar, ze zien het als een teken: wij zijn anders dan de anderen. Op de lagere school hebben ze het daar vaak moeilijk mee gehad. Zij waren de kinderen van die “onnozele Jezus”, zij waren de kinderen van die dorpsidioot. Maar nu ze op een school in de grootstad zitten, worden ze beter aanvaard. Het zijn creatieve kinderen, we hebben ze daartoe ook gestimuleerd. Ze spelen muziek, ze maken zelf muziekinstrumenten, ze interesseren zich voor manden vlechten en potten bakken. Ja, die zitten niet met zo’n computerspel in hun handen. 

hesse+hippie.jpg

HUMO: Wat zijn de boeken die je meest hebben geïnspireerd om voor die levensstijl te kiezen?
Johan: 
In het begin was dat vooral Jack Kerouac met “On the road” en  Hermann Hesse met “Siddhartha” en “Steppenwolf”, maar de meeste inspiratie heb ik bij de hippiefilosoof Allan Watts gevonden, vooral de ideologie van de terugkeer naar de natuur, het in harmonie leven met de natuur. In het Nederlands was er ook een boek van ene Philip Fierens, hij had een aantal Amerikaanse hippiefilosofieën bestudeerd en ze samengebracht in een boek: “ Op Zoek naar het Morgenland”. Goed boek. Heb ik veel aan gehad. Maar als het op de praktische uitwerking aankwam, zo van oké, we gaan op het land wonen, we stappen uit de consumptiemaatschappij, maar hoe planten we nu een aardappel? Dàt heb ik bij de auteur John Seymour gevonden, en in de publicaties van De Kleine Aarde.
HUMO: En intussen ben je boer en leef je van je land.
Johan
: Ja. We bakken zelf ons brood in een houtoven, we eten van onze eigen groenten, we maken confituur van ons fruit, we eten honig van onze bijen, we hebben vlees van onze varkens en onze runderen, eieren van onze kippen...
Hier gaat niks verloren. Als een dier geslacht wordt, looi ik de huid, geven we de ingewanden en de botten aan de hond, en die afgekloven beenderen gaan in de kachel en die asse zit dan vol kalk en die kan ik dan weer gebruiken als meststof voor mijn planten. Ik ben ook zuinig op energie. We verwarmen ons huis met hout, en in plaats van een tractor gebruik ik een Brabants trekpaard. Ik ploeg nog met het paard en met de hand. 
De kinderen vinden het ook geweldig zo’n huis met zoveel dieren. Behalve die ene dag dat mijn dochter thuiskwam: we moeten een opstel maken zei ze met een lang gezicht, een opstel over Mijn Huisdieren, en ik weet niet waar ik eerst moet beginnen, wij hebben zovéél dieren!
HUMO: Voor groenten en vlees moeten jullie niet naar de winkel. Maar als de kinderen schoolgerief nodig hebben, moet er toch geld zijn en dat groeit tot nader order niet aan de bomen.
Johan:
Ja, dat geld moet ergens vandaan komen , alleen al zevenduizend frank per maand voor de busabonnementen van onze kinderen; vandaar dat ik scenario’s schrijf voor een stripuitgeverij. Dat is freelance. Ik wil geen vast werk. Vijftien jaar geleden had ik vast werk kunnen krijgen bij twee uitgeverijen en ik heb het niet aangenomen. Ik wou onder geen beding voor een baas werken. Toen ik zestien was, heb ik vakantiewerk gedaan op een kantoor en de sleur die ik daar zag, het gezeur ‘s middags aan de reftertafel, dat was voor mij genoeg. Ik heb toen gezworen: ik doe nooit ofte nooit  nog vast werk, ik ga nooit ofte nooit nog voor een baas werken.
Hier op die boerderij werk ik natuurlijk niet van negen tot vijf. Ik sta om zes uur ‘s morgens op en ik ga nooit slapen voor midddernacht. Dat zijn dus lange dagen, maar ik amuseer me. En ik moet nooit op vakantie gaan. We nemen wel vakantie op ons eigen land. Er is hier genoeg te zien, torenvalken, uilen, blauwborsten, bunzings, wezels, vossen...
Er is ook zo’n poel waar veel vogels en kleine dieren komen, ik zit daar in de zon, ik luister naar de vogels, ik kijk naar de reiger in de lucht, en als het donker wordt, ontsteek ik een kampvuurtje en leg ik een lap vlees van mijn eigen varkske erop, dàt is pas echt leven.
Als ik daar zit, dan voel ik mij goed. Dan voel ik mij in harmonie met de natuur. Want zo is dat, als je goed zorgt voor de natuur, dan voel je je ook goed in de natuur. Van andere mensen kan ik niet begrijpen hoe zij tegenover de aarde staan. Zij maken de aarde vuil met hun afval, zij putten de aarde uit met hun benzine voor hun auto, en toch noemen zij dat leven?!
Ik begrijp dat niet. Zij vinden mij een rare tiep, maar ik vind hen raar, ik vind de maatschappij raar. Wat is dat voor een maatschappij waar ze je proficiat wensen als je -zoals mijn broers - om de vijf jaar een auto van een half miljoen koopt?! Maar als ik dan een lapje bos voor twintigduizend frank koop, dan zeggen zij dat ik zot ben. Maar wie is er eigenlijk zot?! 

hippie insert (2).png

HUMO: Heb je ooit in een commune gewoond?
Johan: 
Nee, daar ben ik te individualistisch voor. Ik denk niet dat ik met veel mensen onder één dak kan wonen. Het liefst zou ik willen wonen in een soort stamverband zoals de Indianen. Je woont niet onder hetzelfde dak, maar wel in dezelfde omgeving en je werkt met mekaar samen. Om te oogsten, om brood te bakken, om gereedschap te herstellen. Dat is het ideale voor mij.
HUMO: Hippies worden steevast met drugs geassocieerd. Met welke middelen heb jij ervaring?
Johan:
 Met geen enkel. Ik heb zelfs nog nooit een joint gerookt. Ik ben daar altijd verre van gebleven. Maar ik heb in mijn tuin wel wat marihuana staan. Niet voor mij hé, maar voor de biekes en de vlinderkes, die houden van die magnifieke bloemen. En ik rook daar zelf niks van. Ik kweek dat omdat je dat niet mag kweken. En dus doe ik het. Puur omdat het niet mag. Dat is mijn plezier. En als ik wil roken, heb ik mijn eigen tabak. Ginder hangen mijn blaren te drogen.
HUMO: Hoe word je nu op straat bekeken. Word je nu nog uitgescholden?
Johan
: Minder. Maar vorig jaar zat ik op het perron in Brussel en toen kwam er een agent naar mij en die vroeg wat ik daar zat te doen. Godverdomme op mijn trein wachten, heb ik gezegd. Maar op een bank in een station zitten met lang haar en een baard, dat is nog altijd verdacht voor de flikken.
Vorig jaar liep ik in de winter door Brussel, ik droeg een lange jas in namaakbont en een pet op mijn hoofd en ineens stopt er een combi, daar springt een agent uit, die richt zijn stengun op mij, pascontrole! Dat is toch crimineel. Gewoon vanwege dat lang haar en die lange jas!
HUMO: Hoe zie je jezelf op je zeventigste? 
Johan
: Ik zie me nog altijd tussen mijn paarden en mijn koeien lopen. Maar het ploegen zal wel wat trager gaan, denk ik.
HUMO: Ga je nog lang haar en een baard hebben?
Johan: 
Oh ja! Dat bestaat niet dat ik die ooit af doe. Geen halve millimeter gaat eraf. Dat haar is mij te dierbaar. Ik heb het ook al lang. Sinds 1979 is mijn haar nooit meer geknipt. Dat groeit ook niet in altijd langere slierten nee, het kruipt alleen maar meer in kleine krulletjes bijeen.
Ik ben wel benieuwd hoe de wereld eruit gaat zien tegen 2O3O, want zoals het nu gaat, kan het niet verder. De milieuproblemen. De oorlogen. De dodelijke ziektes onder het vee. En dan de mens daar middenin die alleen maar te horen krijgt: verdien geld! consumeer! En zwijg! Dat kunnen ze toch niet blijven pikken. Maar ze pikken het wel en voorlopig verandert er weinig. Ik zie zelfs dat er scholen zijn die reclame maken met het feit dat er bij hen Orde, Tucht en Discipline heerst. Kan je je dat voorstellen?! Als je vroeger die woorden nog maar uitsprak, dan stond iedereen op zijn achterste poten en nu wordt dat gewoon aanvaard, nu staat dat als reclame in een krant! Dan denk ik, godverdomme, waar zijn we mee bezig geweest in die jaren? Het dient gewoon tot niks. Er verandert niks! 
Onlangs was ik op een concert van Joe Cocker, en dat was natuurlijk niet de Joe Cocker van Woodstock, dat was al meer een Las Vegas-figuur, maar toen hij “With a little help from my friends” inzette, kreeg ik toch een krop in de keel en al die goeie herinneringen van vroeger kwamen terug. Maar tegelijk dacht ik, ‘t is voorbij, ‘t is gedaan, ‘t is kapot, ‘t is gerecupereerd door het systeem en er schiet niks meer van over. Niemand praat er zelfs nog over.
En dan denk ik, waar zijn al die friends van toen gebleven, waar zijn al die vrienden die de wereld gingen veranderen? Waar zitten ze nu met hun grote idealen van toen?

Nawoord: Acht jaar later zijn Johan en z’n vrouw naar Canada (British Columbia) geëmigreerd waar ze intussen Canadese staatsburgers zijn. In een afgelegen streek hebben ze hun eigen houten huis gebouwd,
annex grote moestuin en een corrall met enkele paarden. De Rocky Mountains zijn vlakbij net als de bossen en de beren.
Johan heeft z'n haar van 1979 “nog altijd niet laten knippen”.  

Jan 10-17 (2)[2].JPG
Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Rock-’n-roll-model voor alle online huiskamerconcerten: de Slechtste Gitarist van Vlaanderen

Humo  april 1996  -   © Jan Hertoghs

Niet voor gevoelige snaren!

(Ingescande foto uit Humo)

(Ingescande foto uit Humo)

Om als de beste gitarist bekroond te worden, zijn jaren van volharding nodig. Om als slechtste gitarist gelauwerd te worden, volstaat één avond. Eerste en tot nog toe bekendste Slechtste Gitarist van Vlaanderen was Donald Froyen, hij triomfeerde in 1993.
Voor onze reeks "Eéndagshelden" staan we in 1996 voor zijn deur in Genk. Het had natuurlijk gekund dat de slechtste gitarist van Vlaanderen ook in het miserabelste huis van Vlaanderen zou wonen, maar niets daarvan. Een huis netjes in de rij, bakstenen netjes op elkaar, kindertjes proper gewassen in bed, vloeren en vensters kraakhelder gepoetst en de tafel keurig gedekt met pils (maar toch ook met slechte wijn). En alvast deze riff om te beginnen: er zijn natuurlijk nog slechte gitaristen in Vlaanderen, maar de slechtste van allen was hij!
Froyen: "In de krant las ik de oproep (GEZOCHT - SLECHTSTE GITARIST VAN VLAANDEREN) en als voorwaarde om te kunnen deelnemen moest je een bandje opsturen waaruit bleek hoe slecht je wel was. Blijkbaar was die demo van vier minuten overtuigend genoeg, want ik was bij de vijf finalisten.
De finale vond plaats in zaal Villicus in Diepenbeek, die bomvol zat trouwens, er was zo'n 8OO man. Er waren twee onderdelen, een solo van Van Halen naspelen, de solo uit "Eruption", en een eigen compositie spelen. Ik heb twee keer fel lawaai gemaakt in een act die het midden hield tussen Jimi Hendrix, Chuck Berry en Pete Townsend. Met andere woorden: duck walks, op de grond vallen, op de snaren bijten én met fel zwaaiende armen op die snaren slaan. Mijn naaste concurrent was een konijn. Die mens in dat konijn was ook heel slecht, maar ik was nog slechter.
Ter ondersteuning van mijn slechtheid had ik ook een grote schaar onsportieve supporters meegebracht, die à volonté boe hebben geroepen en met bekertjes bier hebben gesmeten." 

titel gitarist.jpeg

HUMO: Kan je gitaar spelen of had je de snaren moedwillig vals gestemd ?
"Neenee, het reglement verbood dat je de snaren ontstemde! Ik wàs gewoon slecht!"
HUMO: Oké, maar kun je akkoorden spelen?
"Natuurlijk niet! Dan zou ik fout bezig zijn."
HUMO: Ernstig: had je nog nooit een gitaar in je handen gehad?
"OK, ernstig. Ja, ik had al een gitaar vastgehad. Ik ben een bassist, en ik heb bij verschillende groepjes gespeeld waaronder het meest bekende Du Pain, Du Vin et Du Boursin, wij speelden grunge, maar wel tien jaar te vroeg. Ik kan dus akkoorden rammen op een basgitaar, maar ik ben GEEN gitarist, ik kan niet soleren en ik kan zeker niks van Hendrix of van Van Halen spelen. Maar wat ik muzikaal niet kan, maak ik goed door mijn podiumervaring. Ik heb al op honderden podia gestaan, en als ik daar sta, dan krijg ik iets over mij om me compleet te laten gaan en om de mensen zo zot te maken als maar mogelijk is.
Ik kan ook met die apparatuur omgaan, ik kan versterkers afregelen, ik kan volume maken, noise maken, maar nog eens, ik ben geen gitarist."
HUMO: Op dat optreden was het persagentschap Reuters aanwezig en zo ben je via de satelliet de wereld rondgegaan.
"Ja, die beelden zijn zelfs in Australië en Japan op tv getoond. Ze vroegen waarom ik gewonnen had en ik heb toen gezegd: "Omdat de anderen beter waren." Een uitspraak die nu toch al een beetje onsterfelijk zou moeten zijn.
Voor mij begon het eigenlijk de maandagmorgen daarop. Ik werd uit mijn bed gebeld door Het Vrije Westen (radioprogramma) en die wilden dat ik 's middags via de telefoon live zou spelen in hun uitzending. Ik viel uit de lucht, ik had zoiets helemaal niet verwacht, en daarna belden er kranten voor interviews, en toen zei mijn vrouw: "Donald, je moet daar iets mee doen!" En ik ben me dan beginnen organiseren, ik heb copies van al die krantenstukken naar concertorganisatoren gestuurd en ik ben die organisatoren ook beginnen opbellen."
HUMO: Je hebt gelobbyd?
"Ja, ik heb me zwaar verkocht en zo heb ik op twee maanden tijd toch voor zo'n 2O.OOO toeschouwers kunnen optreden, onder andere op Zwemdokrock in Lummen en op het Belgian Rhythm and Blues-festival in Peer. Ik heb zelfs naar Herman Schueremans en Pinkpop gebeld, maar die waren spijtig genoeg niet geïnteresseerd. Ondertussen hadden Roy Nathanson (ex-Lounge Lizards) en Anthony Coleman contact met mij opgenomen. Ze hadden me in New York op tv gezien en zij kwamen kort daarop naar de Beursschouwburg en ik was hun support act. Ik kreeg daarvoor ook een echt contract waarin gestipuleerd werd dat ik maximum tien minuten mocht spelen, wat toch chique was, want gewoonlijk staat er in een contract dat een artiest minimum een aantal minuten moét spelen (lacht). Ik heb daar zeven minuten gespeeld en ik kreeg daarvoor zevenduizend frank, dat is duizend frank per minuut, daar kunnen veel beroepsmuzikanten een punt aan zuigen! 
In de weken, maanden, en ook jaren daarop heb ik dan nog opgetreden voor de tv-programma's TILT en Prettig Gestoord, en voor Radio Donna, allemaal zijn ze mij komen vinden. Ik werd zelfs herkend in de supermarkt door families met kinderen! En een student heeft voor zijn eindwerk een videodocumentaire gemaakt, Een Dag Uit Het Leven Van De Slechtste Gitarist." 
HUMO: Kreeg je ook fanmail?
"Nee, dat niet."
HUMO: Je bedoelt: nee, gelukkig niet.
"Ha! Je begint het te léren!"
HUMO: Ben je na al die optredens ook eh...beter geworden?
"God beware me, gelukkig niet. Maar soms had ik wel eens een moeilijk publiek. Ik speelde een keer met de cabaret-band Tony En De Hangmatten in zo'n trendy dancing en die Johnny's en Marina's aldaar stonden met open mond te gapen. Zoiets hadden ze nog nooit in hun biotoop waargenomen en je zag ze hardop peinzen, moeten wij die gast nu op zijn gezicht slaan of niet? Dat waren wel moeilijke optredens, ja.
Ik herinner me ook een optreden in de Democrazy in Gent. Ik kwam met mijn rug naar het publiek gedribbeld, en toen viel ik ineens achterwaarts van het podium, krak op mijn rug, al mijn botten deden pijn, maar ik bleef voortspelen! Nadien kwamen toeschouwers mij zeggen dat ze nog nooit zoiets straf gezien hadden. Terwijl ik eigenlijk was blijven liggen van de pijn!"
HUMO: Speelde je altijd maar zes-zeven minuten?
"Ja, kort en krachtig. Volle petrol en let's kick ass! Er waren een paar optredens waar ik echt in form was, waar ik écht slécht was."  
HUMO: Je probeert die ik-ben-echt-slecht-gimmick wel aan te houden, hé?
"Met jou is het nochtans moeilijk, en ik ben er ook een beetje uit omdat het allemaal een tijdje geleden is, maar in mijn glorieperiode zette ik zo'n interview als dit helemaal naar mijn hand. Ik repeteerde niet want dan zou ik te goed worden. Van die dingen. En dat ik soms aan mezelf twijfelde na een optreden waarin ik drie akkoorden juist had gespeeld. En dat mijn vrouw mij dan moest oppeppen: komaan Donald, één goed optreden is toch niet zo erg, ik weet dat je het niét kunt, ik weet dat je écht slecht bent! (lacht)

Het Laatste Nieuws 1993

Het Laatste Nieuws 1993

“Weet je naar wie ik geweldig opkeek in die dagen? Naar Eddie the Eagle, die Britse zogezegd mislukte schansspringer met zijn houthakkersstijl. Dat was mijn lichtend voorbeeld. Hoe die gast met zijn verbetenheid, zijn valse stijl én zijn nonchalante verschijning de sympathie van iedereen kon winnen. Hij was ook zo'n voorbeeld van niet-kunnen, maar wél durven. Want je moet dat durven om de slechtste te zijn voor een publiek van een paar honderd of paar duizend man. 't Is geen kwestie van schuchter op dat podium kruipen en een beetje plinkeplonke doen. Dat is het niet, hé. De mensen willen geen prutser zien. De mensen willen een slechterik zien die slecht is met verve!  En dat kon ik omdat schrik of plankenkoorts mij vreemd zijn. Als ze mij morgen vragen om een tv-programma te presenteren, dan doe ik dat direct. Wat ik wil zeggen is: ik ben nergens bang voor, ik wil alles doen, alles proberen. Ik ben dertien jaar kroegbaas geweest tot ik het gezeur van de tooghangers zat was. En nu studeer ik en doe ik stage als psychiatrisch verpleger. Toen iedereen dacht, kan die Donald nog wat anders dan cafébaas zijn, dan zei ik bij mezelf: we zullen ze eens laten zien wat ik kan."
HUMO: En dus wou je de slechtste gitarist worden.
"Ja. En als iemand mij nu uitdaagt, wil ik nog altijd bewijzen dat IK nog steeds de allerslechtste ben. (lacht) Ja, ik moet iets kunnen doen wat de anderen niet doen. Ik wil geen alledaags leven. Daarom heb ik ook zo genoten van die twee maanden roem na die wedstrijd. Ik zie me nog altijd naar Moorsele rijden voor mijn eerste optreden. Met mijn gitaar de trein op, uren en uren rijden door onze schone Vlaamse landschappen, ginder aankomen, podium in volledige gereedheid, tien minuten ertegenaan gaan, chaos!chaos!, en daarna met de volgende trein weer naar huis. (zalige glimlach).
HUMO: Hoe zijn die two months of fame dan doodgebloed?
"Na die zomer van '93 met zijn festivals was het wel voorbij. 't Was tof geweest, ik heb veel rondgehangen in VIP-tenten en backstage-area's, maar eigenlijk was het lucht hé.  Het was zoals Xavier Debaere in "Morgen Maandag". Dat was ook een kitsch-cultfiguur en ineens kon die op de toppen van de belangstelling surfen, maar dan valt die golf stil en is het ook gedaan. Ik kreeg naar het einde ook al eens te horen dat mijn act 'voorspelbaar' was geworden. Mja, dat was zware kritiek natuurlijk en toen was de lol er af voor mij."
HUMO: Maar die enkele reis Lourdes die je gewonnen hebt, die pakken ze je niet meer af.
"Ja! Die miraculeuze waardebon heb ik nog altijd!"  
HUMO: Je opvolger in '94 (Michael Dilger) is niet populair geworden.
"Dat verwondert me niks. Toen hij won, smeet iemand met een blikje bier naar zijn nieuwe gitaar en hij zei: "Hé, pas op voor mijn nieuwe gitaar!" Qua foute ingesteldheid kon dat tellen!"

gitarist%2B3.jpg
Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

60 jaar geleden: veel minder auto's en véél moorddadiger verkeer (2)

Ingescande foto uit Humo 2001/ Foto Van Meurs

Ingescande foto uit Humo 2001/ Foto Van Meurs

De ongeluksjaren 1960-1965: het verkeersbloedbad waar niemand over sprak

uit Humo juli 2001 - © Jan Hertoghs

“Gevaarlijk verkeer? Op de snelwegbruggen wuifden ze naar het verkeer!!” 

MEISJE DOOR AUTO GEVAT TE SCHAFFEN - Toen te Schaffen de achtjarige Monique Berinckx de Beringseweg wilde oversteken, werd zij gevat door een personenwagen uit Heusden. Het kind dat enkele palmtakjes aan de buren wilde overbrengen is op slag gedood. 
Het is een bericht uit een krant van maart ’61 en het illustreert treffend de periode 1960-1965. Er zijn dan vier tot vijf keer minder wagens dan nu, maar er vallen meer doden: elk jaar tussen de 1650 à 2100 doden, tegenover het huidige aantal van 1300 à 1500 verkeersdoden per jaar (= periode rond 2000,jh).
Toch besteedt de pers weinig aandacht aan die dodentol op de weg. Zoals in het bovenstaande bericht: een paar lijntjes, een paar takjes van Palmzondag als tragisch detail en de zaak is rond.
Pas tegen het einde van 1964 wordt de veiligheid op de weg een actueel thema. De minister van Verkeer spreekt van een “sociale plaag” en “hekelt de onverschilligheid van de publieke opinie aangaande de vele slachtoffers”.
Maar who cares, het zijn de zorgeloze jaren zestig, de auto is hét voertuig van de vooruitgang, en bij het Esso-tankstation stoppen ze geen benzine maar een tijger in je tank. 

Om na te gaan wat journalisten over ongevallen schrijven, heb ik zo’n duizend ongevallen nagelezen in Gazet Van Antwerpen. In de ernstig ogende krant van toen is er op de eerste plaats veel aandacht voor het grote politieke nieuws uit binnen- en buitenland, pas in tweede rang komt het lichtere nieuws: sport, radio en televisie, film en populaire muziekSlachtoffers van moord en doodslag halen af en toe wel eens de voorpagina (Man slaat vrouw met vaas een schedelbreuk), maar dat kan van verkeersslachtoffers niet gezegd worden. Slechts zeer weinig ongevallen halen pagina één, haast alle ongevallen uit heel het land staan bijeen op de vijfde bladzijde. Soms zijn het er acht, soms zes, soms niet één ongeval per dag.  

Gazet Van Antwerpen 27/8/63

Gazet Van Antwerpen 27/8/63

Ook aan het taalgebruik van de journalisten is te merken dat ze nog onwennig staan tegenover het moderne en tegelijk moordende verkeer. Een Mercedes heet nog een Duitse herenauto, een richtingaanwijzer een pinklichtje, en personenwagens bollen nog over de baan of contra een camion. Auto’s die tegen een boom knallen plooien als een kaartenhuisje in elkaar, motoren die een slachtoffer knellen moeten uitgekapt worden, en de klap van een aanrijding is soms zo hevig dat “Cornelis C. dacht dat één van zijn kinderen uit het bed gevallen was”. Slachtoffers worden ten gronde geslingerd, neergesmakt, of weerzinwekkend verminkt. Eén onfortuinlijke bestuurder rijdt bij mist een melkkar aan “en de berrie van de kar schoot door de voorruit van de wagen en drong door de keel en de nek van de ongelukkige wagenbestuurder om tenslotte in de rugsteun uit te monden”. Wie er ongedeerd vanaf komt, houdt er een heel legioen bewaarengelen op na. Ook de hulpdiensten zijn nog niet klaar voor de prangende situaties op de weg: rijkswachters moeten bij mist -en bij gebrek aan beter- de plaats van een ongeval afzetten met een tramlantaarn en een stallantaarn. Grotere ongevallen en kettingbotsingen krijgen de titels Fantastische Aanrijding, Apokalyptisch Slagveld en Deerniswekkende Wegramp. Een bus waarvan meerdere inzittenden gedood zijn heet een dodenbus of een massadoodskist. Ook de tragische bijzonderheid wordt niet geschuwd. Als de slachtoffers op weg waren naar een feestdis, of erger nog, naar een begrafenis, dan blijft dat niet onvermeld. Beroepschauffeurs die omkomen “hebben de allerlaatste reis van hun leven gemaakt”. En omstaanders zijn altijd hevig ontsteld of erg terneergeslagen. “De talrijke toeschouwers bespraken zachtjes mompelend dit biezonder zware verkeersongeval en zullen deze zondagavond niet licht vergeten.”  
Rechts rijden, a.u.b!
En dàt is wat me verwondert. Er is altijd grote beroering en verslagenheid, hele buurten en dorpen worden in diepe rouw gedompeld, en toch duurt het tot einde 1964 alvorens de wegrampen en de verkeersveiligheid een thema worden van de politiek en de publieke opinie. Nochtans bestond er al sinds 1952 een vzw die zich bezighield met veilig verkeer, ze was opgericht door de organisatie van verzekeringsondernemingen, ze heette Via Secura en ze was de Nationale Vereniging ter Voorkoming Van Ongevallen Op de Weg. Na lang zoeken vond ik enkele oudere jaargangen (1956-1965) van hun ‘voorlichtingsblad’ in de Albert I-bibliotheek in Brussel. Het is een dun hoopje papier dat in een halve schoendoos kan.
Aan de teksten merk je dat er geen beginnen aan was: de taak was té immens, de middelen té beperkt. We bevinden ons letterlijk in de prehistorie van de verkeersveiligheid. 
In juli 1956 legt men de lezers nog uit dat “rechts rijden op de weg één van de belangrijkste verkeersregels is” maar dat deze regel” al te vaak miskend wordt”. Er blijken bestuurders te zijn “die zonder enige reden midden op de rijweg rijden tegen 20 of 25 per uur. Dit is niet alleen hinderend voor het verkeer, maar bovendien ook de aanleiding van veel ongevallen”. 
In 1958 lees je nog artikels als “Hoe moet men inhalen?” of “Hoe slaat men behoorlijk af?” en rond de Sinksendagen van 1960 “als het op onze wegen weer zal krioelen van de wagens” geeft Via Secura via de kranten een aantal tips om “een bloedig weekeind te vermijden” en om “behouden en gelukkig huiswaarts te keren”. Er wordt gevraagd om “goed rechts te rijden”, “niet te overdrijven met de snelheid” en “te vertragen zodra er voor U iets verdachts geschiedt”. Ook voor de passagiers is er een Aparte Aanbeveling: Verstrooit door Uw gesprekken de bestuurder niet en doe hem zeker niet drinken!  

DSC07404C.JPG

Dodende bomen
Via Secura houdt ook de nationale statistieken in de gaten en zo blijkt dat de gevaarlijkste wegen van ons land gelegen zijn “in de nijverheidsstreek van het Bekken van Charleroi en de Beneden-Samber. In dat industriebekken gebeuren zeer veel ongevallen omdat er zich in deze streek een paar tienduizend werklieden naar het werk begeven. Deze massa verplaatst zich op al de uren van de dag en van de nacht vermits zij in ploegen werkt. De fabrieken kunnen in veel gevallen slechts bereikt worden langs een doolhof van kleine slechte landwegen die zich nagenoeg in dezelfde staat bevinden als ten tijde van Leopold I . In die erbarmelijke wirwar moeten zowel werklieden te voet, per fiets, als per motocyclette hun weg zoeken tussen het zware camionverkeer. Wat zeer gevaarlijk is.” 
In 1961 en in alle volgende jaren voert Via Secura ook een verbeten campagne tegen de “dodende bomen” langs onze wegen. Het blijkt immers dat één op de tien verkeersdoden te wijten is aan deze vaste hindernissen. Hoewel er dan nog geen milieubeweging is, is er onmiddellijk verzet van de zogenaamde “vrienden van de bomen”. Via Secura neemt hen niet ernstig : “In onze parken prijken nog bomen genoeg, ze staan daar op hun plaats en het is een lust om daar te verwijlen. (…) Dus staak uw jeremiades, het ten allen prijze willen behouden van bomen langs onze wegen is een anachronisme geworden. Ze zijn ooit geplant om ruiters en voetgangers tegen zon en regen te beschermen; welnu, zij hebben niet langer een reden van bestaan in het tijdperk van de automobiel!”   
In juli ’64 staat de vereniging op de rand van de ondergang. Als er niet gauw geld komt, is er geen organisatie meer voor de wegveiligheid. De vzw laakt de povere steun van de Belgische regering: in 1963 kregen ze een toelage van 638.000 frank, terwijl een gelijkaardige organisatie in Nederland het twintigvoudige kreeg van haar overheid. De noodkreet wordt gehoord, Via Secura krijgt meer werkingsmiddelen en van dan af zal de organisatie met grote borden en grote campagnes gaan uitpakken langs de weg. 
Gegroet, beste auto!
Wie ook heel secuur over de veiligheid van de weggebruikers heeft gewaakt, is de organisatie Touring Wegenhulp die over heel België een paar honderd wegenwachters in dienst had. Ze werden de “engelbewaarders van de weg” genoemd, en vanop hun gele motor-met-zijspan hadden ze één motto. Het was gebaseerd op het franstalige Servir, Saluer, Sourire, en ten noorden van de taalgrens was het  Dienen, Groeten en Glimlachen. En dat hebben de gepensioneerde TW-ers Fons Vanhauwe (64) en Herman Beullens (68) dan ook overvloedig gedaan.
Beullens: «Naar elke auto, bus en camion die ons kruiste moesten wij glimlachen én salueren, handschoen aan de pet! Ge kunt u dat nu niet meer voorstellen dat ge iedereen zoudt groeten, het verkeer raast met tientallen tegelijk voorbij, maar toen reden er op de grote wegen maar een goeie honderd auto’s per uur. Alleen op de A-12 autostrade tussen Antwerpen en Brussel was het drukker, daar moest ik op een uur soms 900 auto’s salueren, ongeveer eentje om de vijf seconden. Meestal groetten we de tegenliggers, maar soms waren er ook auto’s die u voorbijstaken en waarvan de bestuurder naar u keek en naar u neigde, die moest ge ook groeten."
Vanhauwe: «Gelukkig reden we met een motor met een zijspan, ge kondt dat stuur dus makkelijk met één hand vasthouden en terwijl salueren. We reden ook niet hard, meestal zo’n zestig kilometer per uur. Op de duur was dat salueren zo’n reflex geworden dat ik alles groette: zelfs boerenkarren en tractoren. Ik zag iets rijden en ik bracht mijn hand al aan de kepie." 

uit Brochure 25 jaar Touring Wegenhulp 1948-1973

uit Brochure 25 jaar Touring Wegenhulp 1948-1973

Beullens: «Dat groeten is blijven bestaan tot zowat 1963. Toen kregen we een Renault 4PK, en vanuit een auto had dat geen zin meer om te groeten. Maar dan nog was het een vriendelijke tijd, de mensen waren toen kalm en beleefd voor mekaar. De mensen hadden een beter karakter dan nu. Ze verongelukten ook, maar ze verongelukten met een goed karakter. (ziet mijn twijfel) Fons, spreek ik de waarheid of niet?!
Vanhauwe: «Er was meer respect onder de weggebruikers en er was ook meer respect voor het gezag, voor politie en rijkswacht en voor ons, de wegenwachters. Nu is dat respect er niet meer. Ze schelden de wegenwachters en de politiemensen uit, ze spuwen naar arbeiders die aan het wegdek werken.Men zegt dat de mensen worden opgejaagd achter het stuur, maar dat is niet waar, de mensen zijn al opgejaagd nog voor ze in de auto stappen. Stress, stress, en nog een stress." 
Beullens: «Als er vroeger iemand uw geparkeerde wagen aanreed, dan vondt ge in zeventig procent van de gevallen een briefje achter de ruitenwisser met naam en adres van de aanrijder. Nu zal dat nog zo’n twee procent zijn. De rechtschapenheid en de eerlijkheid is weg! Bij elke aanrijding beginnen de bestuurders te liegen tegen de politie om toch maar geld te kunnen trekken van hun verzekering."
Vierbaansweg naar de kust
Humo: Jullie spreken van redelijk weinig verkeer maar ik las dat er met Sinksen 1962 8300 rijkswachters werden ingezet -samen met twee vliegtuigen en een helicopter -  om het verkeer naar de kust en de Ardennen vlot te laten verlopen.
Vanhauwe
: «Dat hoge aantal was vooral paraat op topdagen als Pasen, Sinksen en 15 augustus. Om de drukte te kanaliseren werd de hele snelweg Brussel-kust ‘s morgens enkelrichting naar de kust en ‘s avonds enkelrichting naar Brussel. Ge begrijpt, om zo’n snelweg ineens in één richting te krijgen, moesten er veel opritten afgesloten worden en heel wat verkeer omgeleid worden, vandaar dat men duizenden rijkswachters nodig had. Voor ons waren die topdagen een miserie. Als er dan iemand pech kreeg op het “vierde” baanvak van die enkelrichting en ge zat zelf op het eerste baanvak, dan moest ge uw wagen in de graskant zetten en met uw materiaal te voet tussen die rijen auto’s laveren naar die ene pech-auto.» 
Humo: Moesten de wegenwachters ook ‘s nachts de weg op?
Beullens:
«We werkten in ploegen tussen zes uur ‘s morgens en elf uur ‘s avonds. En omdat we nog geen radio hadden, had iedereen een sector, een “stervorm” van wegen waarin hij constant moest rondrijden. Stond er iemand met pech, dan stopten we. Het materiaal voor de depannage zat in onze sidecar: bouten, slangen, sleutels, riemen en krikken, en een rode vlag om te laten zien dat je langs de baan aan het werken was. Er waren toen nog geen gevarendriehoeken."
Vanhauwe: «Er waren ook geen pechstroken, ge probeerde zoveel mogelijk in de grasberm te gaan staan, maar dan nog moest ge uitkijken voor het aankomend verkeer. Zeker ‘s avonds. Ik heb heel veel op de snelweg Brussel-Oostende gewerkt, wel, tot ongeveer 197O was daar geen verlichting, het was helledonker langs die weg. Ge moest dan maar een petroleumlampke op de grond zetten of uw lichten laten branden als gevarenteken." 
Beullens: «Het aantal keren dat wij in de berm moesten springen omdat we aanvoelden dat een auto ons niet gezien had, kan ik niet meer tellen. En dan gebeurde het nog dat die wagen boef op onze motor reed en boef op die auto waaraan we aan het werken waren."

uit tijdschrift “Touring” - Touring Wegenhulp (eind jaren ‘50)

uit tijdschrift “Touring” - Touring Wegenhulp (eind jaren ‘50)

Verzopen kiekens
Vanhauwe
: «Het was een gevaarlijke job en een eenzame job. Ge stondt er altijd alleen voor, tot laat in de nacht. Ik herinner mij een voorval dat mij toch wel gepàkt heeft. Het was zaterdagavond op de snelweg naar de kust, een witte Vauxhall Viva steekt me voorbij, en twee kilometer verder zie ik hem zes meter dieper liggen, helemaal onderaan het talud. De bestuurder was een jonge gast, hij wist alleen maar te zeggen dat hij van een trouwfeest kwam en dat hij rap over en weer wilde rijden om zijn pépé en mémé naar huis te brengen, “maar nu liggen ze ergens daar beneden”. En ze zullen wel dood zijn, zei hij erbij. Die grootvader stak inderdaad dood onder die wagen, maar die grootmoeder heb ik in een bietenveld moeten gaan zoeken. Het stormde, de wind huilde tegen honderd per uur, en het was effenaf griezelig om met mijn zaklichtje naar een lijk te zoeken in dat akkerslijk. Veertig meter verder heb ik ze dan gevonden, ze zat helemaal onder het bloed, de keel half overgesneden, ze was uit die wagen geslingerd en bloedend tot in dat veld gestrompeld. Om dat van u af te zetten wat ge daar op uw eentje had meegemaakt, daarvoor moest ge een sterk karakter hebben.
Ge moest ook over een ijzeren gezondheid beschikken, want of het nu regende, sneeuwde, hagelde of onweerde, ge moest onverdroten op de baan zijn.
Beullens: «Ik zie mij nog in mijn lange leren jas onder zo’n auto liggen, de rug in het slijk, de regen die tussen de mechaniek in uw mond en in uw ogen gutste, ge blaast het water van uw lippen, en terwijl zit die automobilist droog in zijn auto te wachten tot alles hersteld is." 
Vanhauwe: «Ik verzeker u, als ge drie weken als een verzopen kieken door de regen rijdt en in de regen werkt, dat werkt zwaar op uw moreel, heel zwaar.
We hadden ook altijd wat te doen. Neem de sneeuwval, dan moesten wij zand gaan strooien. Er reden toen alleen maar enkele strooiwagens op de autostrades, dat waren camions met een man op de laadbak en die zwierde met een schop het zand of het zout op de snelweg. Wij moesten zand strooien in de gevaarlijke bochten en op de bruggen, dat zand zat in houten bakken naast de weg." 
Platte kaas
Humo: Jullie werden verondersteld van hulp te bieden bij ongevallen. Maar hoe wisten jullie nu van een ongeval toen je nog geen radio had?
Beullens: «Meestal riep een tegenligger iets door zijn raampje, of hij deed zo met zijn handen, (“botst” twee gebalde vuisten tegen mekaar) en dan reden wij in de richting vanwaar die man gekomen was."  
Vanhauwe: «Wij hadden in onze opleiding EHBO gehad en wij hadden een verbanddoos bij ons, dus wij konden eerste hulp verlenen. Een hoofd verbinden, een gebroken arm of been spalken, dat konden wij. Er waren toen ook hulpposten van het Rode Kruis, huizen van particulieren waar eerste-hulp-materiaal voorhanden was en daar kondt ge dag en nacht gaan aanbellen." 
Beullens: «Het was een tijd van improviseren. Om gekwetsten weg te brengen waren er toen amper ambulances. Meestal deden we dan iemand stoppen, een bestelwagen of een kleine camion en dan legden we die gekwetste op de laadvloer en dan reed die bestuurder daarmee naar het ziekenhuis. Dat was toen zo, de mensen waren bereidwillig."
Vanhauwe: «Als er een ziekenwagen nodig was voor de gekwetsten, dan moesten wij de huizen één voor één aflopen tot we een huis vonden waar ze telefoon hadden en daar konden we dan een dokter of de rijkswacht bellen, en die wisten waar ze beroep konden doen op een ziekenwagen. In die tijd moest ge dikwijls vér lopen eer ge een telefoon had gevonden! De politie of de rijkswacht was ook niet direct ter plekke, die kwam dikwijls nog met de fiets, zo’n velo met het geweer onder de buis!" 

uit tijdschrift “Touring“ - Touring Wegenhulp (eind jaren ‘50)

uit tijdschrift “Touring“ - Touring Wegenhulp (eind jaren ‘50)

Beullens: «In die tijd was er een kruispunt tussen Ruisbroek en Willebroek waar veel ongevallen gebeurden omdat er in de omgeving nogal wat werkvolk onderweg was naar fabrieken allerhande. Op dat kruispunt stond één huis, en die mensen zijn op de duur moeten verhuizen, zo vaak werd er aan de deur gebonkt om een ambulance te bellen. Die mensen hadden géén rust meer en die waren het beu om altijd maar gekwetsten of ongelukken te zien.
Ik kan dat begrijpen, ik weet uit eigen ervaring hoe hard een ongeval u kan raken, zelfs als ge het alleen maar gezién hebt. Ik had in Breendonk een camion met een opligger naast de baan zien staan. In de stang die de aanhangwagen met de vrachtwagen verbond, zat een dikke scheur. "Dat is levensgevaarlijk voor u en voor de andere weggebruikers", zei ik tegen die man, "zet u naast de baan en verwittig uw firma." Oké, dat ging hij doen. Een tijdje later kom ik in de buurt van Aartselaar, een massa volk op de weg, en het eerste wat ik zie, is die vrachtwagen! Hij was dus toch doorgereden! En zijn opligger was losgekomen en weggeslingerd tegen een Citroën camionette van Platte Kaas De Heidebloem, ik zie ze nog zo voor mijEn in die camionette stak een man, dood en verpletterd, bedekt met platte kaas en bloed, ik heb hem er mee moeten uit halen. Ik vond dat zo verschrikkelijk voor die jonge mens, ik had zo’n compassie met hem omdat ik zeker wist dat dat ongeval te voorkomen was geweest. In de weken daarop werd ik bijna elke nacht wakker, zwetend van angst, ik was doodsbang dat hetzelfde mij zou overkomen. Ik heb toen zelfs op het punt gestaan om te stoppen met mijn werk als wegenwachter."   
Brandende vlaswagens
Humo: Welk type ongeval zagen jullie het meest?
Beullens: «Er werd veel frontaal op mekaar gebotst bij het inhalen, dat waren in die tijd de serieuze patatten. En er reden ook veel mensen te pletter tegen de bomen naast de weg. Ik kan ze nog allemaal aanduiden, de plaatsen waar ik een dode bij een boom gevonden heb." 
Vanhauwe: «Er werd toen ook veel geslipt, zeker in het najaar als het nat was en de boeren met hun karren over de kasseien reden, en er overal slijk en platgereden loof lag. Er gebeurden ook veel ongevallen door de drank. De mensen zagen daar geen kwaad in, er waren nog geen campagnes tegen drinken en rijden. En er waren toen ook meer café’s langs de grote banen. En commerce-huizen: van die etablissementen waar de veekoopmannen overdag uren bij elkaar zaten, ja, die mannen dronken geen melk hé! Trouwens, wie dronk er niét in die tijd?! Ik kwam af en toe zelfs politiemannen en rijkswachters tegen die in dronken toestand aan het verbaliseren waren. 
Met vlaswagens gebeurden ook veel ongevallen. De mensen rookten een sigaret, gooiden die brandend uit het raampje, per toeval in zo’n camion met vlas, dat brandende puntje kreeg door de snelheid en de wind dan zo’n aanzuiging dat heel die vrachtwagen op een minuut in brand stond.
Er waren toen ook veel vrachtwagens die hun lading verloren op de weg. Of die hun lading gewoon op de rijweg losten omdat de bouwwerf vlakbij was. Ik heb geweten dat een vertegenwoordiger zich in de mist te pletter reed tegen een hoop bakstenen. Die stapel was in de zijkant van de weg gelost omdat ze daar een huis aan het metselen waren. Dat was allemaal toegelaten, een signalisatie was niet vereist. 
Humo: Er waren vroeger ook meer botsingen met treinen en buurtspoorwegen.
Vanhauwe: «Oh ja! Heel veel! Er liepen toen nog overal ijzeren wegen en er waren dus veel meer overwegen dan nu, maar die waren in hoofdzaak onbewaakt. Dus geen flikkerlicht, geen slagboom, alleen maar een bel." 
Humo: Was overdreven snelheid een oorzaak van ongevallen?
Vanhauwe: «Praktisch iedereen reed traag! Wij zabberden tegen zestig per uur over de baan en wij konden niet zeggen dat wij een hindernis vormden of dat de wagens ons voorbij vlogen. De mensen waren toen veel minder gepresseerd." 
Beullens: «Het was een zeldzaamheid dat iemand 120 per uur reed, en het was nochtans toegelaten op de snelweg. Maar als ge 110- 120 reed, dan begon uw drijfstang te rammelen, en dan hield ge vanzelf uw snelheid in."  

Advertentie in Het Nieuwsblad (1961)

Advertentie in Het Nieuwsblad (1961)

Boem!
Intussen lijkt het erop dat aanrijdingen “uit de oude doos” een collectors item aan het worden zijn. In 2000 wordt bij Taschen Verlag het fotoboek “Car Crashes & other sad stories” van Mell Kirkpatrick gepubliceerd met honderdvijftig bladzijden vol zwartwit ongelukken. Een jaar eerder verscheen bij de Vlaamse uitgeverij De Carbolineum Pers de luxe-uitgave “BOEM! Mooie botsingen uit het Antwerpen van de jaren vijftig”, een verzameling van zestien originele foto’s (30cm x 23cm) in een exclusieve oplage van twintig exemplaren.
Maar naast die bitterzoete nostalgie naar chroom en gebombeerd metaal, wordt nu nu ook technisch-wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de ongevallen van toen en dat is minstens zo spectaculair. In 1998 brengt Channel Four de documentaire “Bloedbad” op het scherm (ook uitgezonden door Panorama in de zomer van ’98) en dat document werpt een heel nieuw licht op de ongevallen uit de fifties, sixties and seventies
Terwijl alle instanties voor verkeersopvoeding al dertig jaar hun campagnes richten op de onveilige weggebruiker en zijn riskante rijgedrag, bleef de auto-industrie zelf buiten schot. Terwijl zij in feite een flinke verantwoordelijkheid droeg door onveilige auto’s te fabriceren. De constructeurs werden  al in de jaren vijftig gewezen op de onveilige mechaniek van hun producten, maar zij wilden niks ondernemen omdat “veiligheid de prijs van de wagens zou opdrijven” en de vrees bestond dat daardoor “de automarkt zou instorten”. 
Aan pers, wetenschappers en garagisten werd het zelfs verboden om over ongevallen te spreken. De auto moést zijn romantische uitstraling behouden. De auto moést die zwierige schoonheid blijven, die stralende blinkende zon die over de wegen dreef, there was a love affair with the car and a love affair with the road.
Dolle kever
"Dit weekend zijn er 29 soldaten omgekomen in Vietnam en 416 Amerikanen omgekomen op onze wegen.“ Het zijn de woorden van president Lyndon Johnson in 1964, maar ook hij kon de algehele auto-opwinding niet temperen. In die beginjaren zestig telde Amerika elk jaar vijftigduizend verkeersdoden. Dat was ieder jaar een groter slagveld dan dertien jaar Vietnam. 
Het is pas als het bloedbad op de wegen blíjft duren dat de constructeurs zich ernstig over de veiligheid van de inzittenden gaan bezinnen.
In recent onderzoek wordt nu pas duidelijk welk een bloedbad al die onveilige auto’s hebben aangericht in die jaren vijftig, zestig en zeventig. Elk merk, elk model, elk onderdeel gaf zijn specifieke kwetsuren bij een aanrijding. Je had wagens waar de stuurstang als een harpoen in de borst schoot. Weer anderen hadden spaken op het stuurwiel die zo messcherp waren dat ze in gezicht, handen en de borst kerfden. Er waren handschoenkastjes die bij een botsing openklapten en die als een guillotine door de hals van kinderen gingen. De contactsleutel stak uit en verbrijzelde de knieschijf. De dunne arm van de achteruitkijkspiegel brak af en spleet de schedel. Kortom, op heel veel plaatsen in de auto lag de dood op de loer. 
Ook hier in België hebben honderden een zwaar ongeval gehad niet zozeer omdat zij gevaarlijk reden of omdat de wegen slecht waren, maar omdat hun wagen een wapen was dat zich soms tegen zijn bestuurder keerde. 
Beullens: «De Volkswagen! Die Kever was een fantastisch autooke in zijn prijsklasse, prima motor, prima mechaniek, maar het heeft pakken doden op het kerkhof gebracht! Omdat het niet baanvast was en makkelijk van de weg slingerde." 
Charles Gysen (garagist) «Die eerste Keverkes waren niet zo baanvast omdat ze een smalle wielbasis hadden en omdat alle gewicht van die auto achter de achteras zat. Dus als een chauffeur zijn bocht wat te kort nam, dan trok het gewicht hem uit de baan."
Vanhauwe: «De Kever schoot ook gemakkelijk in brand! Op dat gebied was het een heel onveilige auto."
Beullens: «Nu steken alle brandstoftanks diep weg onder de achterbrug en de koffer, maar in die tijd zat die 40-litertank van de Kever letterlijk boven uw knieën! Dus dat wagentje botste op een andere wagen of op een hindernis, het slangetje van de toevoer brak af of die tank scheurde open, de benzine spoot naar alle kanten, er ontstond kortsluiting met een lamp of met het contact, en woefff, die auto in brand. (Noot: ook nog andere merken, zoals Fiat, hadden bij sommige modellen de tank vooraan, jh) "
Vanhauwe: «Het ontladingsmechanisme bij de dynamo van de Kever was ook een zwak punt dat veel branden veroorzaakte. Ik heb een camion zijn lading vlas weten verliezen boven op een Keverke. Dat gewicht drukte de motorkap in, er ontstond kortsluiting nabij de dynamo, dat vlas schoot in brand en die bestuurder is levend verkoold. Niemand kon dichterbij komen en ik heb die man horen huilen, huilen tot hij dood was." 

uit “Touring” - tijdschrift Touring Wegenhulp (eind jaren ‘50)

uit “Touring” - tijdschrift Touring Wegenhulp (eind jaren ‘50)

Humo: In alle kranten die ik las, heb ik nergens wat gevonden over die structurele onveiligheid van de auto’s. Nu zou die misdadige nonchalance een schandaal opleveren, maar toen was er blijkbaar geen bekommernis.
Beullens: «Waarschijnlijk viel het niet op omdat élk merk wel zijn zwakke onderdelen had."
Gysen: "De auto’s waren per definitie gevaarlijker omdat ze geen kreukelzones hadden en omdat de carrosserie en de meeste onderdelen niet uit kunststof, maar nog uit metaal vervaardigd waren. Dat maakte dat de aanrijdingen zo'n zware gevolgen hadden, zelfs bij lage snelheden." 
Beullens: "Een bestuurder was ook veel minder beschermd omdat er nog geen veiligheidsgordels (verplicht) waren. En dus kwakte een bestuurder bij elke frontale botsing pal op zijn stuur. Praktisch alle auto’s hadden toen nog een stuurstang uit één stuk en dan stootte die stuurstang soms als een lans in de borst van de bestuurder. De Opel Kapitän was nogal gekend op dat gebied."
Gysen: «Zelfs al stuikte de chauffeur alleen maar op zijn stuurwiel, dan nog gaf dat veel ingedrukte borstkassen."
Beullens: «Het was ook onvoorstelbaar waar de inzittenden en de zetelbanken naartoe vlogen toen er nog geen gordels waren. Het kon zijn dat de mensen op de vloer lagen met de voor- of achterbank bovenop hen. Soms staken de slachtoffers ergens in de buurt van het gaspedaal, soms lagen volwassenen in een hoekje geprangd waar nog geen plaats was voor een kind."  
Gysen: "Het glas van de ruiten brak toen ook nog in scherpe stukjes, dat gaf ook veel kwetsuren. Aan het hoofd maar ook aan handen en polsen." 
Vanhauwe: «Ik heb een Citroën overkop weten gaan omdat hij op de autostrade in een diepe scheur reed waardoor zijn trommelremmen de voorwielen blokkeerden, en whoepp, die auto ging overkop." 
Jan Prenen: (persfotograaf) "De auto’s hadden ook veel slechtere schokbrekers. Als een auto overkop ging, sloeg hij ineens drie of vier keer overkop omdat die klap minder snel geneutraliseerd werd. Ook de banden waren niet veilig, ze konden bijvoorbeeld niet tegen de warmte. Als de zon te hard scheen, moesten de mensen de banden van hun geparkeerde auto met karton of met een doek afdekken of ze zouden ontploffen!
Zelfs die grote solide Amerikaanse bakken, die achtcilinders, hadden hun zwak punt, met name de remmen die ongeschikt waren om zo’n bolides op een deftige manier tot stilstand te brengen."
Vanhauwe: «Er gebeurden ‘s nachts ook nogal wat ongevallen door de faren. Die koplampen stonden zelden of nooit afgesteld, die knikten op en neer als ge over kasseien of over de asfaltnaden van de macadam reedt, en zo gebeurde het dat ge tegenliggers verblindde. De Citroën 2PK was op dat gebied een heel onbetrouwbare auto."
Prenen: «En de ruitenwissers! Dat waren stokjes van niks. Het moest maar een tikje te hard regenen en die sukkels konden het water al niet meer keren."
Vanhauwe: «Wij spreken nu over al die mankementen en al die ongevallen, maar de mensen lagen daar niet wakker van. De mensen vonden al die auto’s en al dat verkeer zelfs interessant. Zie maar eens hoeveel volk er stond te kijken op de bruggen van de autostrades. En zeker op de vakantiedagen of de zondagen, dan stonden de bruggen vol. Op elke brug stonden oude en jonge mensen te kijken. En! Die mensen wuifden naar het verkeer!" 
Beullens: «Het verkeer was toen nog geen ergernis. Het verkeer was nog een belevenis

Ik hou een notaboekje in de hand en ik tel de auto’s. Het is weer België-Holland geweest. Honderden auto’s die terugkomen van het Bosuilstadion schuiven in een trage rij langs ons huis in Deurne. Ik heb de merken onder elkaar geschreven en achter elk merk zet ik  streepjes. Ik tel veel Opel en Volkswagen, en ook veel Ford en Renault. Ik neem me voor om volgende keer alle Hollandse nummerplaten één voor één over te schrijven. Ik ben negen jaar. Er kan niks gebeuren. 

Het Toerismegenoegen - Plaatje uit het album van de Superchocolade Jacques (“Auto’s 1962 van de Gemeenschappelijke Markt”)

Het Toerismegenoegen - Plaatje uit het album van de Superchocolade Jacques (“Auto’s 1962 van de Gemeenschappelijke Markt”)

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

60 jaar geleden: veel minder auto's en véél moorddadiger verkeer (1)

Tijdens de coronacrisis zijn minder wagens onderweg en vallen er minder verkeersdoden. Het verkeersinstituut VIAS schat dat er van midden maart tot midden april 24 doden vielen op de weg. In de drie voorgaande jaren waren dat er gemiddeld 74 in dezelfde periode. Dat is een daling van 67 procent.
Met dezelfde logica zou je verwachten dat in de verkeersluwe jaren zestig ook veel minder verkeersdoden zijn gevallen.
Het absolute tegendeel is waar. Begin jaren zestig vielen elk jaar bijna 2000 verkeersdoden, terwijl er toen zeven keer minder auto's reden dan nu.
(Nu hebben we 600 à 700 verkeersdoden met ca 7miljoen motorvoertuigen.)
Het had met de auto's zelf te maken, met hun alom snijdend koetswerk, met het slordige rijgedrag ook, met de gebrekkige hulpverlening bij ongevallen, en met de politiek en de media. Er waren amper campagnes rond verkeersveiligheid, verkeersslachtoffers kwamen nergens aan het woord, en ook de kranten schreven maar zuinig over zelfs zware ongevallen.
Zo waren die golden sixties, de duizenden verkeersdoden vielen tussen de plooien van de Vooruitgang.  

Uit Humo juli 2001 - bewerkt en ingekort © Jan Hertoghs   

De ongeluksjaren 1960-1965: het verkeersbloedbad waar niemand over sprak

sixt ong 1.jpeg

“De mensen spraken niet over het gevaarlijke verkeer. De mensen in die jaren waren zorgeloos, argeloos en vol vertrouwen.”

Ik ben negen jaar, ik heb de armen voor de borst gekruist en zo stoten we mekaar aan op de speelplaats van de jongensschool. Het spel heet botsingeske. Dat spel is me vertrouwd en de realiteit ook. Ik woon bij een kruispunt waar élke week wel een paar ongevallen gebeuren. Ik ken het geluid van remmen die te laat worden dichtgegooid, de doffe klap, het brekend glas en het dwaze gerinkel van een wieldop die tegen de stoeprand rolt. Ik heb alles al op de kasseien gezien: auto’s op hun dak, uitgerukte schoenen, bebloede boekentassen, en meer dan één stervende mens. En hoe ingetogen de buurvrouw dan een kussen schuift onder dat lamme zieltogende hoofd. Het was bij ons “een kwaaie hoek”, zo werd gezegd. Nu weet ik dat het Kwaaie Jaren waren.

Ik begin in ouwe kranten te bladeren, op zoek naar foto's en artikels van ongevallen uit de periode 1960-1965, dat is de tijd dat de Belgische American Dream aan zijn opmars begon. Die droom wolkt op uit alle bladzijden. Er is reclame voor de nieuwe sigaret Kent die vooral door de Amerikaanse high society en de Amerikaanse wetenschappers wordt gerookt”, er zijn de schoonheidswedstrijden waar missen en prinsessen worden verkozen, en op de televisie rollen naast het Vlaamse “Schipper naast Mathilde” nu ook de Amerikaanse series "Lassie" en "Bonanza" over het scherm. Elvis Presley staat in de toptien en Iedereen Kan Nù Zijn Luxueuze Personenwagen Aanschaffen. Zo staat het in barnumletters gedrukt, en haast elke dag verschijnen er auto-advertenties.
Ik lees de namen van de modellen van toen, Simca 1000, Ford Taunus, Renault Dauphine, Citroën DS, Daf Variomatic, Opel Kapitän, NSU Prinz IV, Vauxhall, Panhard. Zelf hadden wij thuis géén auto, nooit één gehad. Maar ik herken de namen en modellen blindelings: ze stonden in mijn prentjes-album van de Superchocolade Jacquesons boek der wijsheid dat alleen maar verkrijgbaar was in het verre Eupen.

Advertentie in Het Nieuwsblad 1961

Advertentie in Het Nieuwsblad 1961

In die kranten van toen zie ik heel weinig foto’s van ongevallen, meer nog, er zijn zelfs weinig berichten van ongevallen. Er is wel één berichtje dat ik lees en herlees. Tijdens de maand november 1960 waren er in ons land 16.874 ongevallen. Met 116 doden ter plaatse, 1.274 zwaargewonden en 5.739 lichtgewonden. Dat is verschrikkelijk veel.
Bij het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS) hebben ze de volledige cijfers voor 1960. Er waren toen circa 950.000 auto’s, vrachtwagens en autobussen. In 1960 veroorzaakten die motorvoertuigen niet minder dan 175.000 ongevallen.
Daarbij stierven 1097 slachtoffers ter plaatse en 570 stierven na een periode van 30 dagen, totaal 1667 doden. Dat zijn er 270 méér dan in 1999. Met vijf keer minder auto's! 
(Ter vergelijking met nu: in 2019 waren er 620 verkeersdoden in België met circa 7 miljoen motorvoertuigen, jh)


Om het nog duidelijker te maken: in het jaar 1999 had je 92 ongevallen met lichamelijke letsels op 10.000 voertuigen. In 1960 zijn dat 689 ongevallen met letsels op 10.000, meer dan het zevenvoudige! 
Vijf jaar later, in 1965 gaat het rampscenario gewoon door. Er zijn dan 1,6 miljoen voertuigen, 244.000 ongevallen en 2299 doden (na 30 dagen). En toch is die verkeerscatastrofe blijkbaar niemand opgevallen. In de kranten is ze amper terug te vinden, er zijn zelfs dagen dat niet één ongeval de krant heeft gehaald.
Maar iemand moet die stoet van verhakkelde wagens, die stroom van aanrijdingen toch gezien hebben?! Ik vraag het aan een van de allereerste ambulanciers van dit land.
Pie-pon, pie-pon
Er waren vroeger geen ambulances, zegt hij. Het is nauwelijks voor te stellen, maar garagist Charles Gysen (68) heeft de tijd zonder zwaailichten nog beleefd. Meer nog, naar eigen zeggen zijn de allereerste ambulances vanuit zijn garage in Arendonk op de Belgische wegen gebracht. Het verhaal begint op een middag in de kantine van een ministerie.
“Ik had een familielid in het parlement, en op een dag was ik er op bezoek, en ‘s middags zat ik met die ambtenaren in de kantine en ineens komt iemand zeggen: “Mannen, het is zover, we krijgen een ambulantiedienst in België!”  En zo hoor ik ze ineens  palaveren over geldgebrek en dat ze niet weten waar ze die ambulances moeten gaan kopen. Ik was maar een toevallige bezoeker en dan nog een snotneus die pas uit het leger kwam, maar ik vertelde die mannen dat ik als tankmechanieker veel ambulances had zien staan bij het leger. Ik zei dat ze amper gebruikt werden, en dat ik met mijn vader die ambulances wel kon opknappen voor burgerlijk gebruik “als het nodig mocht zijn”.
En werkelijk waar, die ambtenaren zijn naar het Ministerie van Landsverdediging gegaan, hebben daar dertig ambulances in bruikleen gekregen, en hebben die naar onze garage in Arendonk gebracht opdat wij ze een revisie zouden geven. Telkens zo'n ziekenwagen klaar was, reden wij die naar hun bestemming. Naar Brussel, Binche, Oostende, Charleroi, over heel België hebben wij ambulances verspreid. 
Vanaf 1 juli 1954 zijn we zelf ook met één van die legerambulances beginnen rijden, dat was de allereerste ambulance van de Kempen: een Renault Gaulette, zo’n gesloten camionette met alleen twee raampjes in de achterdeuren. Ze was helemaal in die khakikleur van het leger maar ze had al wel een oranje zwaailicht en dat insigne van het Rode Kruis. We hadden ook een sirene, in feite twee luchthoornen die om beurten toeterden, pie-pon, pie-pon, pie-pon. In die tijd kwamen de mensen nog op straat gelopen als ze die sirene hoorden. 

uit weekblad  “Ons Land” (eind jaren ‘50)

uit weekblad “Ons Land” (eind jaren ‘50)

In de laadruimte stonden twee brancards uit zeildoek. Ze zaten met schroeven vast in de vloer en op die brancards hadden wij een deken liggen om de gekwetste toe te dekken. Op dat canvas van die brancard legden wij ook altijd een toile cirée. Dat was tegen het bloed, want bloedvlekken in zeildoek, dat krijgt ge d’r heel slecht uit. In het begin zat mijn vader aan het stuur, die gekwetste lag op de brancard en ik zat op de andere brancard om die gekwetste wat te kalmeren. Later hebben ze voor mij een zetel bij die brancards gezet. 
Er waren alleen die brancards, er was verder geen gerief, geen verband, nikske. Na een tijd zijn we zelf wat verband en ontsmettingsmiddel gaan kopen bij de apotheker, dat was op kosten van de Kommissie van Openbare Onderstand (het latere OCMW,jh), die stond in voor de ‘uitrusting’ van de ambulance
Zelfs begin jaren zestig was die uitrusting nog primitief. Vandaar dat we onderweg dikwijls gingen aanbellen bij de plaatselijke dokter, hij kon dan meerijden en in de ambulance al wat eerste zorgen toedienen. 
Niet meer kennelijk
Eveneens op kosten van de Kommissie hadden we een annonce gezet in het plaatselijk reclameblaadje, “Als er een ongeval gebeurt op straat of bij u thuis, verwittig ons dan!” en daarbij stond dan het telefoonnummer van onze garage. (Het is pas begin 1960 dat men in  Luik en Antwerpen begonnen is met het centrale oproepnummer 900, jh) 
Wij waren vierentwintig uren op vierentwintig paraat. En nooit in die vierenveertig jaar heeft die ambulance één uur alleen gestaan in de garage. Altijd was er iemand van ons in huis.
Een oproep ging toen meestal zo. Iemand telefoneerde of kwam aan de deur kloppen dat er raprap een ambulance moest komen, want dat er een ongeluk was gebeurd, en dan trokken mijn vader en ik onze garage-overall uit, we wasten grondig onze handen, we trokken onze witte stofjas met het rode kruisje aan, en we reden de ambulance buiten. Dat duurde zo’n vier tot vijf minuten om weg te zijn. 
Ik weet niet hoeveel tijd later wij op die plek van dat ongeval kwamen. Niemand hield dat bij, ge reedt zo rap als ge kondt, maar ja, er waren van die afgelegen plekken tegen de Hollandse grens dat wij toch wel een half uur nodig hadden om daar te geraken.
Wij bedienden niet alleen Arendonk, maar ook Ravels, Weelde, Poppel, Retie en Postel, daar zijn plaatsen bij die twintig tot vijfentwintig kilometer van de garage lagen.
Die bakken reden ook niet hard, maximum 80-90 km per uur. Het waren van die hoge camionettes met een smalle wielbasis, als het waaide begonnen die te wiegelen, ge moest dan geen te scherpe bochten nemen of ge waaide van de baan. 
Mijn eerste rit vergeet ik nooit. Het was op de weg naar Retie, halfvijf ‘s morgens, twee vissers waren tegen mekaar gebotst met hun brommer, die hadden mekaar gekruist op het smalle zandpaadje naast de steenweg, hun rieten visbakken hadden mekaar geraakt, de ene was in de gracht gevlogen en de andere was op de steenweg gevallen, boenk onder een camion. Die mens was op slag dood, dat lijk was tussen de wielen gedraaid, en een eind verderop verhakkeld in de wegkant gevallen. Die brommer is nog één kilometer gekneld op die camion blijven steken, ze hebben die chauffeur moeten tegenhouden, hij had niks gezien en niks gevoeld!
Het was nog maar vijf uur ‘s morgens maar op de plaats van dat ongeluk stond bijna zestig man te kijken, het was een Sinksendag, en de mensen hadden verlof. Die dode mens was niet meer kennelijk, die was helemaal gebroken en kapot, ik heb er een deken over gelegd, en ik heb dat stoffelijk overschot in de wagen gedragen, ja, toen heb ik acht dagen niet kunnen eten.
Draagstoel
Samen met de ambulance hadden de mensen meestal ook de rijkswacht en de dichtstbijzijnde doktoor gebeld. Wij hadden hier een jonge dokterdie was er altijd rap bij met zijn Keverke, ze noemden hem “den doktoor van de accidenten”. Als het erg was, verwittigden de omstaanders ook de pastoor. Die kwam ook al met zijn Volkswagentje aangereden, en als de gekwetste stervende was, moesten wij wachten tot die pastoor zijn zalf (= de zalving met het Heilig Oliesel,jh) gegeven had.   
In de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig hebben wij niet de minste opleiding of EHBO gekregen. Ge moest dat maar op eigen initiatief leren. Gelukkig was ik toen bevriend met een paar dokters; van hen heb ik geleerd hoe ik een verband moest leggen en hoe ik een wonde proper moest maken.
Tijdens de rit begonnen wij dan al met een eerste verzorging van die gekwetste, dat was niet simpel, soms werd ge gehinderd door een familielid dat mee in de ambulance zat, maar het meest werd ge natuurlijk gehinderd door de slechte staat van de weg. Er lagen hier bijna overal van die hotsbots-kasseien, en daar moest ge dan traag rijden, en zeker de putten vermijden, want anders vloog die patiënt een meter van de brancard. 
Ook de omstaanders hielpen toen zo goed als ze konden. Nu laten de mensen een gekwetste liggen, want de hulpdiensten zijn er direct en iedereen is bang iets verkeerd te doen. Toen kwamen ze met een stoel toegelopen uit het dichtstbijzijnde huis, ze zetten die gekwetste daarop en ze droegen hem met een paar man naar binnen. Als iemand zo gekwetst was dat hij niet meer overeind kon zitten, dan legden ze hem tegen de kant van de gracht of ze droegen hem in huis met een ‘houten brancard’, een brede plank die op de rug van een stoel werd gelegd. 

Een vertrouwd beeld in de vorige eeuw: het autokerkhof. (Het Nieuwsblad 1964)

Een vertrouwd beeld in de vorige eeuw: het autokerkhof. (Het Nieuwsblad 1964)

Bloed en tuinslang
De auto-ongelukken zijn zowat in 1960 beginnen toenemen. Het was na de Tentoonstelling (= de wereldtentoonstelling in Brussel, de Expo ’58,jh), er was hoogconjunctuur in België en elk jaar kwamen er meer auto’s op de baan. Ook jonge gasten begonnen met auto’s te rijden. Dat hadden we nooit eerder gezien. Jonge mannen reden met een velo of in het beste geval met een brommer of een moto. Maar dat waren dus kinderen van rijke ouders, die kwamen ineens de baan op met hun Keverkes en die reden soms nogal wild. Hun auto moest immers getoond worden aan de kameraden en de verloofde, ze gingen er ook mee op café, ja, daar moesten wel ongelukken van komen.
Er werd toen ook veel meer dronken gereden dan nu. Ook voetgangers waren meer dan eens dronken. De mensen kwamen zat uit het café, vielen soms op de steenweg en werden daar in het donker overreden. 
De auto’s begonnen ook op te duiken waar ge het niet verwachtte. Het was kermis en wielerkoers en ineens had die koers ook een sliert volgwagens. Het zoontje van mijn nicht is zo, geheel onbedacht, tegen een volgwagen gelopen, ‘t kindje was vijf jaar, ik heb het zelf in de ambulance gedragen, het is in mijn armen gestorven.
Ik heb veel mensen zien sterven in mijn ambulance. Dan duwde ik hun oogleden dicht, ik stopte een windel onder hun kin dat hun mond niet stijf opengesperd bleef staan, ik trok er een laken over en ik zette de sirene af. Als ge met een dode over de baan rijdt, doet ge dat best in alle stilte.
Ik heb lelijke dingen gezien. Een jonge camionchauffeur die in de week voor hij ging trouwen werd aangereden door een autobus die een andere bus ontweek. Die jongen had betonijzer geladen en dat ijzer is door die schok los door zijn stuurcabine en los door zijn buik gegaan. Zijn onderlichaam zat nog op de stoel, zijn bovenlichaam stak boven het stuurwiel. Ik heb van vier uur ‘s morgens tot half acht ‘s avonds bezig geweest om dat lijk eruit te krijgen.
Na zo’n rit lag de ambulance vol bloed. Dan reed ik ermee tot op het erf en dan spoot ik het bloed eruit met een tuinslang.  
Ik was met de jaren wel gehard geworden, en als kind had ik al veel gezien tijdens de oorlog. Fransen en Duitsers die mekaar afmaakten met hun bajonet. Engelsen en Amerikanen die uit vliegtuigen waren gesprongen, sommigen hingen met hun parachute nog in een boom, die kon vader nog levend wegbrengen met de Witte Brigade, maar bij anderen was het valscherm niet opengegaan, die waren diep in de grond gestuikt, op slag dood, en die lichamen moest ik uitspitten met mijn grootvader. Ik was toen twaalf jaar.
Het waren ook niet allemaal lijken en gekwetsten, ik heb ook veel borelingen gezien. Op weg naar het moederhuis heb ik op al die jaren bijna twintig kinnekes gepakt in mijn ambulance. Dat is te danken aan mijn nicht in Rotterdam, die werkte in een kraamkliniek en die had mij geleerd hoe ik zo’n bevalling moest aanpakken. 

Gazet Van Antwerpen 1961

Gazet Van Antwerpen 1961

Opgepast: bord !
Vroeger kochten de mensen een nieuwe auto en met die nieuwe auto leerden ze dan rijden. Een rijbewijs was er nog niet, de rijlessen van de garagist of van een familielid, dat was de rijschool. Ik heb veel mensen uit Arendonk en omstreken leren rijden en ik heb dat deftig aangeleerd. In het leger behaalde ik immers àlle brevetten: voor personenwagens, jeeps, tractoren, bussen en camions.
Ik gaf ook theorie. Als we tijdens de rijles een verkeersbord zagen, dan liet ik de leerling stoppen, en dan vroeg ik “Ziet ge dat verkeersteken? En weet ge wat dat betekent?” De meeste mensen hadden toen ook een zakagenda waarin alle verkeersborden afgebeeld stonden en ik raadde hen aan om dat goed van buiten te leren. 
Snijbranders en takelwagens
Het mocht sneeuwen, ijzelen of stormen, wij reden altijd. Als het sneeuwde reden we met kettingen of met spijkerbanden. Ge had dat ook nodig want de wegen waren veel primitiever dan nu: kasseiwegen die met de jaren bol waren gaan staan met langs de ene kant een rij bomen en langs de andere kant een aarden karrespoor. Reedt ge teveel naar de ene kant, dan zat ge op een boom. Schooft ge teveel naar de andere kant, dan was het slippen in dat slijk van het karrenspoor.
Er brandde ook alleen maar licht in de hoofdstraten van de gemeente, voor de rest was het overal pikkedonker. Er waren ook geen middenstrepen of reflectoren of witte zijstrepen, ik denk dat er alleen maar witte verf was aangebracht op de schors van bomen die in een gevaarlijke bocht stonden.
De wegen waren ook nog niet rechtgetrokken, ze kronkelden met heel veel bochten door de velden, en nergens maar dan ook nergens waren er vangrails. (De eerste vangrails in België werden pas eind 1964 geplaatst en dan nog “ten experimentelen titel”,jh)  Ook middenbermen bestonden nog niet. Ja, op de autostrades hadt ge een middenberm, daar stond een haag als tussenschot!
Ook een gevaar voor de automobilisten was het loslopende vee. Er waren toen nog veel meer boerderijen en dus ook meer koeien en paarden die uit de wei braken, daar zijn toen veel accidenten mee gebeurd. Dat beest kon na zo’n aanrijding meestal niet meer overeind, één of twee poten gebroken, we moesten dan de slachter roepen om het af te maken. Als ze zo’n beest afmaakten, keek ik weg, daar kon ik niet goed tegen.
Er waren ook meer grachten naast de wegen. En dus auto’s die in de gracht raakten, of erger, tegen een duiker botsten. Er is hier één duiker bij Brug 5, ik kan niet tellen hoeveel doden ik daar heb uitgehaald. En nu hebben ze hydraulische scharen waarmee ze een wrak kunnen openknippen en van die pompen waarmee ze een hoop schroot uit mekaar kunnen duwen, maar toen hadden we alleen maar onze takelwagen. Het is dikwijls gebeurd dat ik op de plaats van het ongeval kwam, en dat ik mijn vader moest opbellen dat hij met de takel moest komen om de gekwetsten uit de auto te bevrijden. Als er twee auto’s frontaal op mekaar gebotst waren, dan moesten we één auto met een ketting aan een boom binden, en de andere auto met de takelwagen lostrekken eer we bij de gekwetsten konden komen. Dikwijls moesten er dan ook nog snijbranders aan te pas komen om nog meer metalen onderdelen los te snijden en de mensen los te maken.
Dolle koe
Bij zo’n zware ongevallen kwam de rijkswacht altijd ter plaatse om de baan volledig af te sluiten. Overdag staken ze hun hand in de hoogte, in de nacht hadden ze zo’n pillicht-met-rood-en-groen, dan schoven ze dat rode kapje over die lamp en dan zwaaiden ze daarmee om de bestuurders te doen stoppen.
De rijkswacht was soms ook nodig om de nieuwsgierigen op een afstand te houden. Ik herinner mij een jongen die de dag voor zijn huwelijk met zijn Kever frontaal op een camion reed, die auto was compleet onder die vrachtwagen geschoven, niks was er nog van te zien tenzij het achterstuk met de motor. Het was een dag van de kermis en daar stond zeker vijftienhonderd man op dat ongeval te kijken. De rijkswacht heeft de mensen toen teruggedrongen, ik heb dat wrak vanonder die camion getrokken, en naar mijn garage gebracht, en daar in de werkplaats heb ik dat platgevouwen lijk uit dat wrak gehaald. De rijkswacht kon die mensenmassa amper de baas, ze bleven bij mijn poort staan dringen om toch maar iets te kunnen zien. 
Ja, vriend, en zo zijn er vierenveertig jaar voorbijgegaan. Twee jaar geleden zijn we ermee gestopt. Het was niet meer vol te houden, mijn vrouw heeft zich letterlijk een breuk gewerkt door al het sleuren en heffen van die gekwetste mensen en ik vond het zelf ook niet meer te doen, zo’n heel jaar stand-by zijn voor een vergoeding van niks. Maar wij allemaal, mijn vader en ik, mijn vrouw, de zus van mijn vrouw, mijn dochter en mijn zoon, wij hebben het jaren met hart en ziel gedaan. Dat is zo, een mens in miserie moet ge zo rap mogelijk gaan helpen." 

sixt ongeval 3.jpeg

Dat ik deze reportage maak, komt deels door het boek Car Crashes & other sad stories van de Amerikaan Mell Kirkpatrick. Hij fotografeerde in het Californië van 1947-1955 de letterlijke boulevard of broken dreams, de nachtelijke wegen vol ongelukken. Het is een huiveringwekkend boek met bladzijden vol verkeersongevallen: messcherpe zwartwit-foto’s van tientallen zwaargewonden en doden, vaak jonge mensen die tussen krakend glas en opengescheurd metaal het einde van hun leven hebben gevonden. Ik herken veel op die beelden: de snelheidsmeter in zijn stilstand, het hoofd verkrampt op het stuur, het bloed langs wangen en oren in de nek gesijpeld.
In de tijd dat Amerika opbloeide en dat zijn middenklasse een rooskleurig uitzicht had op een wagen, een goed loon, een vijfdagenweek en veel vrije tijd, liet Kirkpatrick de letterlijk bloedstollende keerzijde zien. A dream not come true.
Negen maanden Gazet Van Antwerpen liggen ingebonden voor mij. Het zijn negen lukraak gekozen maanden uit de periode 1960-1965 en op alle bladzijden tref ik die ondertoon van Comfortabele Vooruitgang.
Zeker waren er heftige internationale spanningen, de onafhankelijkheid van Congo en de opstand in Stanleystad, de oorlog in Algerije en de crisis in Cuba, maar in eigen land heerste (afgezien van de Vlaamse Marsen op Brussel) een relatieve rust en een groot geloof in de toekomst. Fabiola en Boudewijn waren getrouwd, de roerige staking tegen de eenheidswet was achter de rug, Rik Van Looy was wereldkampioen op de weg, en in heel het land werden nieuwe wegen gebouwd, en in Antwerpen een nieuwe haven. Over die wegen en die haven schrijft men, over de verkeersslachtoffers of over de opgeofferde polderdorpen schrijft men bijna niet.
Het geloof in de vooruitgang is zo groot dat de bouwers van de nieuwe supersonische Concorde kunnen uitpakken met de mondiale slogan: Oceanen worden Vijvers! 
Tegelijk met die Grote Vooruitgang is het ook nog een periode van Grote Onschuld. Een dolle koe was nog een koe die het op een lopen zette nabij het slachthuis. Een "autodiefstal" bleek eigenlijk een dronken vader te zijn die z'n zoon van dertien aan het stuur had gezet. En een echtscheiding ging niet door “omdat vrouwlief haar man met fijne frikadellen Zwan vertroetelde.” 

Citroën advertentie / Gazet Van Antwerpen 1961

Citroën advertentie / Gazet Van Antwerpen 1961

In deze zorgeloze tijd was Jan Prenen (67) vaste fotograaf bij Gazet Van Antwerpen. 
«In de zomer hadden ze me nodig als sportfotograaf, ik heb 16 keren de Ronde Van Frankrijk “gereden”, maar in de winter werd ik meestal ingezet voor de gebroken armen en benen. Dat was de term, zo werd erover gesproken. Als er een ongeval gebeurde, werden we meestal gebeld door lezers uit de buurt maar ook door de hulpdiensten. Mensen van de politie en de rijkswacht hadden ons naamkaartje en in ruil voor tips van ongevallen en moordzaken kregen zij dan een gratis abonnement op de krant. Begrafenisondernemers hoorden ook bij de tipgevers. Als zij gebeld werden om bij een ongeval een lijk te gaan halen, dan wisten ze dat het een zwaar ongeval was en dan belden ze gelijk naar ons. Er waren ook ambulanciers bij de tipgevers; ik heb zelfs een ambulancier/fotograaf gekend! Die nam éérst een foto en legde dan pas het slachtoffer in zijn ziekenwagen. Die tiep dweilde met zijn foto’s de verschillende redacties af. Wij vonden het een morbide figuur zoals hij triomfantelijk de lokalen binnenstapte met weer eens bloederige opnamen.
Vals gebit
«Als het buiten de stad was, gingen we met de wagen van de redactie, maar binnen de stad gingen wij met de tram. Nu moet je als verslaggever direct ter plaatse zijn omdat de weg binnen de kortste keren weer vrij moet zijn voor het drukke verkeer, maar toen had je de tijd. Neem dat je ‘s nachts werd opgebeld, dan reed je eerst met de fiets naar de redactielokalen in de Nationalestraat en daar stond dan een van de redactiewagens klaar om naar het ongeval te vertrekken. Als er doden waren, moest je je zeker niet haasten, want dan moest de technische dienst van het parket ter plaatse komen en dat onderzoek kon wel vier of vijf uren in beslag nemen. 
Om ter plaatse te gaan moest het een schoon ongeval zijn. Dus of met zware stoffelijke schade, of met redelijk spectaculaire omstandigheden: een auto tegen een tram of een auto overkop op een groot kruispunt. Het mocht ook niet te ver zijn. Beveren (13 km) of Wuustwezel (21 km), dat was al ver in die tijd, daar gingen we pas naartoe als er doden mee gemoeid waren. 
Op de foto moest je de situatie van het ongeval kunnen zien. Dus geen detailopnamen, maar de twee auto’s frontaal op elkaar of de wagen rond een boom gedraaid. Zodat de lezer onmiddellijk de reactie zou krijgen van: amai, hoe zijn ze daar levend uit geraakt?! Of: het is niet te verwonderen dat er daar doden zijn gevallen!
Wat de slachtoffers betrof, waren we kies; al wat de familieleden zou kunnen schokken, werd niet gefotografeerd. Dus weinig of geen bloed, en een dode alleen maar als hij onder een doek lag.  
Humo: Hoe bracht je de overreden voetgangers en fietsers in beeld, want zij vormden in die tijd 49% (!) van de dodelijke slachtoffers?
Prenen: "Dan maakten we een sfeerfoto van de stille getuigen. De auto en de verhakkelde fiets. De auto en het poppenwagentje van het kind dat de baan was overgestoken.
Ik herinner me één foto van mijn collega Ovide Maes waar veel om te doen was geweest. Een arbeider die een camion had helpen maneuvreren was tegen een loskade verpletterd geworden. En Ovide had een foto genomen van die hand van die dode zoals ze uitstak tussen de muur en van zijn vals gebit dat op de grond was gevallen. Ovide wilde daarmee het drama illustreren: de man die wil helpen en die ongewild het slachtoffer wordt; daar sprak de bewogenheid uit van de fotograaf. Maar hij is toen op de hoofdredactie moeten komen. Men vond dat veel te gewaagd. 
Humo: Zo’n suggestief beeld zou nu ook schokkend overkomen. Nam het parket dat ter plaatse kwam op zijn beurt ook nog eens foto's, of vroeg men jullie hulp?
Prenen: "Zij namen foto’s van de doden en van de mogelijke oorzaken van het ongeval. Maar zij hadden zo’n verouderd materiaal dat ze blij waren als ze een persfotograaf zagen. Wij hadden immers moderne camera’s en daar maakten ze gebruik van, bij moordzaken bijvoorbeeld. Een boer had zijn liefdesrivaal de kop ingeslagen met een schop en er moest een foto van die schedel zijn. Die ambtenaar van het parket kon maar scherpstellen tot op drie meter en omdat ik close-ups kon maken tot op 1,2 meter, vroegen ze mij om die foto."

sixt ongeval 2.jpeg

«Wij werden ook heel dikwijls alleen uitgestuurd. Gebroken armen en benen was zogezegd niks voor de journalisten, zij vonden dat beneden hun waardigheid. De journalisten gingen alleen maar mee naar de grote rampen met meerdere doden. Wij deden dus dubbel werk: wij namen een foto én wij schreven alles op: naam, leeftijd, beroep en volledig adres van de doden en de gekwetsten. Ik zie me nog bij de rijkswacht staan pennen om die slachtoffers hun paske over te schrijven. En dan kwamen wij op de redactie en dan moesten wij aan de journalist haarfijn vertellen wat er gebeurd was en hij maakte daar dan een berichtje van." 
Humo: Ik heb hier een ongeval uit GVA van 2 juni ’60 over een bromfietser die sterft na een aanrijding met een auto en de laatste zin is: “Dit ongeval bracht heel wat beroering teweeg temeer daar de echtgenote van het slachtoffer onlangs het leven verloor na gestoken te zijn geweest door een insect”. Dat intrigerende detail is dus het werk van de fotograaf.
Prenen: «Zonder twijfel. En je verwondert je misschien dat er géén foto bij dat artikel staat, maar dat gebeurde vaak dat alleen het stukje van de journalist erin kwam en dat de foto wegviel “omdat ze niet genoeg plaats hadden”. En natuurlijk was je dan gefrustreerd, alleen je verhaal was gebruikt en de foto niet, je was simpelweg de loopjongen van de journalist geweest."
Leedverwerking
Humo: Bij sommige ongevallen staan ook “pasfoto’s” van het slachtoffer. Die lijken recht van een identiteitskaart te komen.
Prenen: "Ja, de rijkswacht gaf die identiteitspapieren aan ons zodat wij dat pasfotootje konden fotograferen. De redactie droeg ons ook op om trouwfoto’s - of als het kinderen betrof- communiefoto’s van die slachtoffers bij de familie te gaan opvragen. Dikwijls waren we dat “vergeten” omdat dat zo’n triestig werk was, maar dan stuurde de journalist ons terug naar die familie. Zij beschouwden dat werkelijk als onze taak. Zij gingen ervan uit dat wij immuun waren voor miserie en verdriet omdat wij haast alle dagen moorden, rampen of ongevallen zagen. (schudt het hoofd) Ik keek daar geweldig tegenop. Ik was een gevoelige jongen, ik vond dat het meest verschrikkelijke, meest verscheurende aspect van mijn beroep. Want of de familie gooide je buiten, of ze liet je binnen, maar dan zat je daar tussen dat immense verdriet, twee kinderen waren dood en dan moest jij daar in een familiealbum beginnen bladeren “voor de gazet”. Ik kon zomaar niet weggaan, ik kreeg dat niet over mijn hart en vaak zat ik daar een uur of nog langer bij die mensen. “
Humo: De fotoreporter als “slachtofferhulp”.
Prenen: "Dat was het hartverscheurende. Dat die mensen dat allicht zagen als een vorm van troost en medeleven, terwijl wij alleen maar geïnteresseerd waren in die foto en dan zo gauw mogelijk daar weg. Ons medeleven ter plaatse was dus beperkt, maar in dat korte artikel probeerden we toch wel iets van dat verdriet te verwerken. Dan schreven we dat “de twee zoontjes van het slachtoffer deze zondag hun plechtige communie deden” of “dat hij de vader was van acht kinderen en bekend stond als een goede werkman” of “dat de verongelukte priester de zieleherder was van een bloeiende parochie”. Zie je, in die zin probeerden wij die verslagenheid dan toch te verwoorden. Wij zagen dat als de humane taak van de krant.  Wij schreven bijvoorbeeld ook dat het slachtoffer “onmiddellijk werd opgeraapt door de toegesnelde garagehouder vlakbij” of dat de “gekwetste door de aanrijder zelve naar het gasthuis was gebracht”. Dat soort hulp en medeleven lieten we nooit onvermeld. En ik denk dat het voor de familie én voor de lezers een vorm van leedverwerking was als ze konden lezen dat het slachtoffer niet aan zijn lot was overgelaten." 

Ingescande foto uit Het Nieuwsblad 1960

Ingescande foto uit Het Nieuwsblad 1960

Bloedgeur
Humo: Nu worden verkeersongevallen veel meer politiek vertaald. Er zijn de ouders van de verongelukte kinderen, er zijn scholen die petities houden voor een veilige omgeving, er zijn werkgroepen Langzaam Verkeer, kortom, rond de verkeersslachtoffers is een heel politiek en sociaal kader ontstaan.
Prenen: "Toen was er alleen maar de zuivere hulp ter plekke, het medeleven, de compassie. Bij ongevallen was het bijvoorbeeld heel normaal dat andere bestuurders spontaan stopten om een gekwetste weg te brengen. Nu zouden ze dat absoluut niet meer willen, hun achterbank vol bloed !, maar toen dachten de mensen: och, ik laat het wel kuisen op kosten van de verzekering. 
Humo: Heb je zelf iets ‘overgehouden’ aan al die ongevallen?
Prenen: "Ik ben een kind van de oorlog, ik heb de vliegende bommen op de stad weten vallen, en ik heb dus veel miserie gezien. Maar dat heeft me minder gedaan dan bij zo’n verhakkelde wagen staan. Nu nog ruik ik al dat bloed, dat vele zinloze bloed dat ik uit wrakken van auto’s, trams, treinen en bussen heb weten sijpelen. Die bloedgeur, dat is een geur die ik nooit meer kwijt zal geraken. En van een oorlog kan ik enigszins begrijpen dat er slachtoffers zijn, want daar worden wapens gebruikt. Maar van het verkeer, van verplaatsingen op de weg zouden toch geen slachtoffers mogen vallen. Elke dode in het verkeer is een dode teveel. Dat dacht ik toen en dat denk ik nu nog." 
Humo: Toch dringt het pas tegen 1965 door dat er een “bloedbad aan de gang is op onze wegen”. Ook in jullie krant lees ik pas in december ’64 een editoriaal over “het huiveringwekkende cijfer aan verkeersdoden” en of de regering zinnens is “om liever klinieken te bouwen dan ongevallen te voorkomen”. 
Prenen: "Ik denk dat men in die jaren absoluut niet besefte dat er zoveel ongevallen gebeurden. De mensen spraken niet over ongevallen of over het gevaarlijke verkeer, de mensen in die zestiger jaren waren zorgeloos, argeloos en vol vertrouwen. De auto’s werden beter, de wegen werden beter, dus waarover zou je je zorgen maken?!
De mensen moesten ook niet elke dag de weg op, want de meeste mensen werkten in hun buurt. Nu moeten de mensen elke dag de weg op, nu is men zich meer bewust van de verkeersproblemen maar toen niet.
Er werd ook niet te snel gereden, er was nog niet die misdadige drang om zich waar te maken achter dat stomme stuurwiel. De enige prestatiedwang was dat je een grote auto moest hebben, met veel cilinders, veel chroom, en veel snufjes, dàt was belangrijk. En die auto moest glimmen, die moest de buren de ogen uitsteken; sommige mensen waren langer bezig met het wassen dan met het besturen van hun auto.”

Ik vraag hem waarom die ongevallencijfers dan toch zo hoog waren terwijl er zo kalm gereden werd? En waarom zo weinig bericht is over zoveel ongevallen? Die ravage op de wegen moet toch een nieuw fenomeen zijn geweest: waarom werd het dan niet opgepikt door de kranten? Hij zegt dat het hem spijt dat hij geen antwoord heeft op al zulke vragen.
Ik lees weer een zwik kranten door, en kan niet anders dan me verbazen over de “onschuld” van die tijd. Hoe vlijtig men bijvoorbeeld bericht over wat nu tot de allerkleinste criminaliteit behoort. Elke dag wordt nog geschreven hoeveel fietsen er zijn gestolen, tegen welke huisgevel, en ten nadele van welke eigenaar. Een dief kreeg toen ook nog één maand cel en 1000 frank boete voor de diefstal van een fiets!
En terwijl er op de wegen grote deuken in de auto’s en grote krassen op de ziel worden gemaakt, is de minste beschadiging van een geparkeerd(!) auto-onderdeel al voldoende voor een berichtje in de krant. Er is sprake van “autoschuimers die twee nieuwe faren hebben losgevezen” en van vandalen die “drie antennes hebben geknakt in dezelfde straat”. Ook de heer Pieter S. uit de Antwerpse Osystraat komt op pagina vier: “Onbekenden hebben dinsdagnacht één van de linkerwieldoppen van zijn wagen gestolen”.     

Zie deel (2): dolle kevers en moordende stuurstangen

Foto ca. 1963  uit “Trots op mijn auto” (brochure/ foto-album bij de expo in Huis Van Alijn - Gent 2011)

Foto ca. 1963 uit “Trots op mijn auto” (brochure/ foto-album bij de expo in Huis Van Alijn - Gent 2011)

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

<w> 75 jaar Buchenwald: de dodenmars in sneeuw en ijs

Op 6 mei 1945 werd de Belgische krijgsgevangene Charles Brusselairs bevrijd. Hij had een maand eerder al vrij kunnen zijn bij de bevrijding van het concentratiekamp Buchenwald, maar nog voor de Russen er waren, begonnen de SS met gedwongen evacuaties. Duizenden krijgsgevangenen werden op de trein gezet, de zogenaamde ‘dodentreinen’. Gedurende een maand zwierven de krijgsgevangenen nog tussen leven en dood in die open kolenwagons.

Uit Humo januari 1992 - © Jan Hertoghs

bruslair 1.jpeg

 "Ik heb gras gegeten. Blaren van de bomen. Steenkoolgruis."

In 1992 zond VTM de serie "De Laatste Getuigen" uit.
In de persmap lees ik: "Charles Brusselairs verbleef in verschillende kampen, waaronder Buchenwald. Bij de evacuatie van Buchenwald in april 1945 reisde hij twintig dagen zonder eten of drinken op de zogenaamde dodentrein."
Als ik hem contacteer, zegt hij: "Het waren geen twintig maar àchtentwintig dagen. Maar allez, op een dag kijken we niet hé!"
Nu in 1992 is dit een grap, maar het was natuurlijk om te huilen.

Charles Brusselairs (° Antwerpen, 1925) is 17 jaar als een kameraad van de zwemclub hem vraagt om "mee te doen met het verzet". Charles is meteen akoord, thuis is iedereen anti-Duits sinds de oorlog van 14-18, dus waarom niet.
In parochiezaaltjes leert de zogezegde "turngroep" marcheren en krijgen ze 'wapenonderricht' met een luchtkarabijn. 's Nachts rijdt Charles door de straten van Wilrijk en Antwerpen om anti-Duitse vlugschriften in de brievenbussen te stoppen. Spannend!
Zijn ouders weten van niets en hij is zo fier dat hij op zijn visitekaartjes niet langer Charles maar het Amerikaanse Charley laat drukken. Op zondag 27 juni 1943 wordt de hele groep aangehouden. 23 van de 30 aangehouden scholieren worden naar Duitse kampen gestuurd. Slechts acht van hen keren terug.
"Voor mijn ouders was mijn aanhouding een complete verrassing. Ze hebben mij ook niet meer kunnen zien. Vanuit de gevangenis in Antwerpen (Begijnenstraat) heb ik twee briefjes naar huis kunnen schrijven. Dat was het laatste wat ze van mij vernomen hebben voor ik weggevoerd werd.
Eerst zat ik in Esterwegen, daarna in Gross-Strelitz. Wij moesten als dwangarbeiders werken in een obussenfabriek, twaalf uur per dag aan de werkbank."

SAM_6569.jpg

De lange mars
Humo: Je was maar achttien en al een jaar van huis. Had je geen heimwee?
"Eens in die fabriek dacht ik niet meer aan thuis. Het is ook een kwestie van zelfbehoud, je laat dat heimwee niet meer toe in je gedachten. Die kwelling wil je niet. Je vecht ook tegen misplaatste wrok ten opzichte van de vrienden en kameraden die nog thuis zijn. Die eerste maanden zit je nog te mokken hé: de Jef zit nu zeker met Anneke in de cinema en ik zit hier... Je uitgangspunt is dan: niet meer denken aan wat geweest is, alleen maar standhouden tot we bevrijd worden.
Eind 1944 vingen we geruchten op dat de Russen op komst waren en op 22 januari 1945 waren ze ineens vlakbij. We konden de kanonnen van het Rode Leger horen in de fabriek. Haha, dachten we, morgen zijn de Russen hier en overmorgen zijn we thuis!
Maar nog diezelfde avond werden we in het gelid gejaagd en uit het kamp gedreven, de baan op gejaagd. Tien dagen zou die evacuatiemars duren.
Het was eind januari, het vroor, de sneeuw lag 30 cm dik, en wij sjokten daardoor, 400 dompelaars alleen gekleed in broek en hemd en met een deken om de onze schouders. Een trui, jas, sjaal of schoenen hadden we niet. In de fabriek droegen we houten plankjes die we met riempjes om de voeten bonden, en op die sneeuw koekte alles onder dat hout, we sloegen onze voeten om, die riempjes knapten af, zodat ieder op de duur op zijn kousen of blote voeten liep. En toch had niemand bevroren voeten, allicht omdat wij nooit stil mochten staan.
Zelfs om te plassen mocht je niet stoppen. Dan moest je al stappende je gulp openmaken, en wateren, ik heb mannen gezien die in de grachtkant kropen om snel hun broek af te steken, die werden zonder pardon doodgeschoten. Ook wie achterop geraakte, werd koudweg afgemaakt.
Je mocht alleen stoppen op bevel. Bijvoorbeeld als er jachtvliegers kwamen, dat waren Russen die onze kolonnes beschoten. Het enige verweer was om je in een ijskoude gracht te laten glijden.
En het sneeuwde en sneeuwde maar. Wij liepen met onze kop afgewend van de wind en wij keken alleen maar naar onze voeten en de voeten voor ons. Je liep maar en je liep maar en je had zo'n medelijden met jezelf. Je denkt wel honderd keer: nu zouden ze mij thuis moeten kunnen zien! Wat zou ons ma schreeuwen!
Er werd ook nauwelijks gesproken. Hier en daar een groepje dat mompelend de rozenkrans opzegde, maar voor de rest hoorde je alleen maar het stappen van een paar honderd voeten.
Met de kameraden bleven we zo goed mogelijk samen. Iemand die niet meer kon, pakte je tussen twee man en je sleurde hem voort. Je mocht je niet laten afzakken, want wie niet kon volgen, werd doodgeschoten.
Dode paarden  
De eerste twee nachten hebben we in een schuur geslapen. Tijdens die tweede nacht waren er mannen die zich hoog hadden weggestoken in dat donker van de hanenbalken. Omdat ze 's morgens niet op het appel waren, schenen de Duitsers met een zaklamp onder die pannen en ze schoten al wie daarboven zat gewoon af. Zoals op de foor.
Op de avond van de derde dag sliepen we in varkensstallen. Het was er aartsdonker, maar toch zijn we op onze knieën door die varkensmest beginnen kruipen om te zien of er niks eetbaars lag. Ik heb toen aan de parabel van de Verloren Zoon moeten denken, die moest ook tussen schillen en afval naar eten zoeken. Maar wij hadden niet eens schillen!
Op de derde dag is er nog iets gebeurd. Op een bepaald ogenblik schortte er vooraan in de groep iets aan het tempo. Er ging een aarzeling door de rijen, de bewakers haastten zich naar voren, de kolonne week open en ineens zagen we het bebloede kadaver van een dood paard liggen, en daarrond wel 70-80 Russische medegevangenen die met hun handen stukken vlees uit dat paard probeerden te scheuren. Het leek alsof ze rond dat paard dansten, want ze werden voortdurend uiteengeslagen door SS-ers, dan deinsden ze weer enkele meters terug, maar altijd opnieuw gingen ze weer klauwen in dat vlees terwijl er met kolven en knuppels op hun hoofden en ruggen werd geklopt.
Eén nacht, sommige kameraden beweren dat het meerdere nachten waren, hebben we buiten geslapen. Dan dreven de bewakers ons in een wei en moesten we zonder enige beschutting op de sneeuw gaan liggen. Elke dag sneeuwde het. Van die natte vlokken die onze dekens zwaar als lood deden wegen. Soms begon het te vriezen en dan droegen we net een ijskap op onze schouders, dan kon je dat deken rechtzetten op de grond.
Eén van de volgende dagen verzeilden we tussen een grotere groep, een dodenkolonne uit Auschwitz. Die joden, ik wou dat ik ze kon tekenen; op blote voeten of met lappen errond gewikkeld. Dat kleine boordje van dat strepenpak hoog opgezet als was het een kraag, en die schouders opgetrokken tot over hun oren.  Als je geen spieren of vet meer hebt, dan kan je je gebeente verbazend hoog 'opsteken'.
Tussen die sukkelaars marcheerde ook een groep Engelse krijgsgevangenen en in hun spoor vond ik een wikkeltje van Cadbury-chocolade. Ik wist niet wat ik zag! Het was maar een papiertje maar het leek mij of iemand een doos chocola had laten vallen, zo'n indruk maakte dat op mij.
Eén SS-er bij die Auschwitz-kolonne zal ik nooit vergeten. Scherp, hoekig gezicht, une belle gueule de SS zoals ze zeggen, en zijn handen diep weggestopt in een jak van konijnenpels. Dat was de wandelende executeur. Viel er een gevangene uit de rij, sukkelde er iemand in de gracht, dan haalde hij zijn revolver uit zijn zak en schoot die ongelukkige in de nek. Pang! Tussen twee stappen in. Onverstoorbaar. Zonder te roepen of te brullen of zijn pas in te houden. Gewoon pang. En was zijn revolver leeg, dan laadde hij 'm opnieuw, aldoor stappend. Niet één SS-er schaamde zich om te doden. Je zou zeggen, ze doen het op een stille weg in de velden, nee, ze knalden evengoed mensen af terwijl we door een dorpsstraat gingen. Iedereen mocht het zien.
Vreemd in mijn herinnering is dat ik daar niet bij ben. Ik ben een toeschouwer aan de kant. Ik zie de anderen in de sneeuw, ik zie die bleke kaken en scheve monden van de kou, maar ik ben er niet bij. Ik weet zelfs niet meer hoe koud ik het had. Dat schijnt typisch te zijn voor overlevenden. Je distancieert jezelf, je zet psychisch een stap opzij: ik was daar niet, ik heb het alleen maar gezien.
Eén ding heb ik er manifest aan overgehouden: sneeuwpret, dat bestaat niet meer voor mij. Als het gesneeuwd heeft, behoor ik niet tot die mensen die dan "een flinke wandeling" gaan maken.

Wij waren blij dat wij in Buchenwald waren

Na tien dagen marcheren werden we in Neisse op een trein gezet. Twee dagen en twee nachten hebben we in open kolenbakken gestaan, zonder eten en zonder drinken. Toen de trein dan eindelijk stilstond en het licht begon te worden, hoorden wij in de verte voetstappen-voetstappen. Dat waren die tienduizenden van Buchenwald die naar het ochtendappèl gingen. En ineens gingen alle schijnwerpers aan en baadde dat kamp in een zee van licht. En toen hoorden we muziek, mooie muziek. Dat was het orkest van Buchenwald. Ik weet nog dat wij content waren. Als je dagen door ijs en sneeuw en natte kou hebt gedoold, dan ben je content als je érgens bent. Zelfs als dat Buchenwald is. Want je kon daar slapen, er waren daar barakken en britsen, je kon daar op gezette tijden eten, dus ja, wij waren blij dat wij in Buchenwald waren.  
Wij werden bij het uitstappen geteld: van de 400 bleven nog 275 over."
"Intussen kwamen de Russen dichter. En eerst werden de joden op transport gezet. 3000 zijn vertrokken met de eerste trein. Toen wij hoorden dat onze barak ook op transport zou moeten, werden er dure eden gezworen: "De eerste SS-er die hier zijn kop binnensteekt, sla ik de hersens in." Ik had daar mijn twijfels over. Ik zorgde in elk geval dat ik klaar was voor het vertrek. Mijn deken droeg ik ingesnoerd als een bandelier over mijn schouder, dag én nacht. Mijn lepel zat in een knoopsgat en mijn gamel hing met een ijzerdraad aan mijn broekskoord.
Op 8 april viel de SS onze barakken binnen, om 4 uur 's morgens. We werden gewoon naar buiten geklopt. Zij waren met twee en wij met 400 en toch durfde niemand een vinger uitsteken.
Louis De Roek, een jongen uit Boom, was zo bang dat hij los door het raamkozijn sprong. In de film is zo'n raam van suikerglas en fruitkistjeshout, maar hier was het echt hout en echt glas.
Ik kreeg een verschrikkelijke nekslag van een houten zweepstok, maar gelukkig heeft mijn dekenrol het ergste opgevangen.
Vierentwintig uur voor de Amerikanen het kamp Buchenwald bevrijd hebben, zijn wij in looppas naar Weimar gejaagd en op een trein gestampt. Voor een reis die 28 dagen en 28 nachten zou duren. Honderd wagons met in totaal 5000 gevangenen. In die open kolenwagons konden we net over de rand kijken, met onze voeten stonden we in een laag kolen en gruis."
"Wij konden niét zitten, wij konden amper staan. We hingen en leunden tegen mekaar. Vooraan in elke wagon had de SS twee meter afgebakend. In dat SS-gebied zaten twee bewakers onder een afdakje van planken en zeildoek.
's Nachts sliep één van beide bewakers en moésten wij verplicht gaan zitten. Ook al was er geen plaats. Dat was elke avond opnieuw een gevecht. Je zat op de voeten en tegen de knieën van de man achter je, en jij knelde jouw knieën in de ruggengraat van de man voor je. Slapen was zo goed als onmogelijk. De grootste kwelling was gaan pissen of je gevoeg doen. Dan kreeg je van die bewaker een conservenblik dat droop van stront en pis en dan moest je op die schommelende trein maar mikken. Had je diarree, dan spoot alles op de knieën en koppen van wie dichtbij zat. Vaak liet je alles dan maar in je broek lopen, je wou niet riskeren dat je je 'plaatsje' kwijt was. Wie toch ging staan, moest nadien 'vechten' om zijn plek. Maar sommigen waren zelfs te zwak om hun hand te heffen, laat staan zich weren voor hun plekje.      
Er zijn gevangenen gestikt omdat ze zo zwak waren, omdat ze platgedrukt werden tussen de anderen. Soms kwam de SS tussen, met gebrul of met het machinegeweer, rrrr-ààààtttt- een kogel of tien in dat gewriemel, drie of vier die dood bleven, en wie gewond was, lieten ze doodbloeden.

Bron- Onetz.de).png

De aardappelmoordenaars
Op één stopplaats, in het station Zihle (ex-Tsjecho-Slowakije) zijn meer dan 700 mensen van ons transport gestorven. Eén grote ellende was het. Op een dag gooide een Tsjech een brood in onze richting. Pang. Doodgeschoten.
Onze trein werd ook herhaaldelijk vanuit de lucht bestookt. Eén Amerikaanse jager scheerde over en zijn kogels kwamen niet alleen in de locomotief maar ook in de wagons terecht. Terwijl wij in Zihle stilstonden, stierven de mensen als vliegen. Van uitputting, van ziekte, van het vechten om eten of van de bombardementen. Al die 700 lijken lagen nog langs de rails toen we wegreden.
Die trein zeulde maar van hier naar daar, op die 28 dagen hebben wij geen 600 km gedaan. We stonden vaker stil dan dat we reden. Als we stopten, bakenden de Duitsers vijftig meter af aan weerszijden van de trein: daar mochten wij vrij 'circuleren'. In de berm of onder de trein je gevoeg doen, of een vuurtje maken waarop je de rauwe patatten kon roosteren die ze uitdeelden. Wie geen patat in handen kreeg, ging die bij anderen stelen. Er werden mensen vermoord om één patat."
Eén keer had ik twee aardappelen in mijn zak, maar ook tien Russen op mijn lijf. Mijn kameraden hebben mij moeten verlossen, die kerels zouden mij doodgeslagen hebben.
Joske Van Raemdonck had ooit een zak graan en een kruik rooie bieten in azijn ontdekt. De Russen vlogen gelijk op hem af, die zak werd stukgescheurd en iedereen dook als varkens op dat graan. Joske werd toen zo razend dat hij die kruik bijna stuksloeg op die Russische schedels.
Aan Joske heb ik mijn leven te danken, en ik ben zeker niet de enige. Joske was een kameraad uit de duizend, die zou gemoord en gestolen hebben om ons groepje te beschermen. Als je de moed liet zakken, vloekte en tierde hij zolang tot het over was."

Mensenlongen
"Wij aten het loof van pisbloemen dat ze normaal alleen voor de konijnen snijden.  En wij aten gras. Er waren jongens die op handen en voeten graasden zoals de koeien. Ik heb bast van berkenbomen gepeld en gegeten. Het was lente, de bomen hadden freelgroene blaadjes, die stroopten wij met onze vingers van de twijgen. Wij hebben ook kolengruis gegeten, want dat stopte zogezegd de diarree. Vandaar dat er gevochten werd om stukken houtskool uit het vuur.
Water was er nauwelijks. Er waren jongens die hun urine dronken. Uit die vieze vuile latrine-emmer! Als het regende zaten wij met onze mond open om te drinken. Tot iemand het idee had om een deken boven ons hoofd te houden en nadien het regenwater uit te wringen in een gamel. Dat water zag zwart van het kolengruis in dat deken, en de luizen dreven op dat wateroppervlak. Ik heb het ook gedronken: vettig water met de smaak van kolen. Een smaak die ik nu nog altijd op mijn tong proef.
Op een bepaald moment roken wij dat er gekookt werd, dat er vléés gekookt werd. Wij gingen af op de geur en zagen nog net hoe een SS-er een grote ketel omver schopte. Uit dat kokende water vielen twee stukken vlees, iemand zei dat het mensenlongen waren. De SS-ers stonden ermee te lachen: "Die fressen einander auf!" Later zagen we lijken liggen waarvan de borstkas opengesneden was, en om te eten hadden ze daar het hart, de lever en de longen uitgehaald. De organen, want vlees zat er niet meer aan natuurlijk."

bruslair 2.jpeg

Die patat was voor mij
"Wij waren allemaal ondervoed. De één stierf na de ander. Toen we vochten om die zak graan, heeft een Rus mij met zijn mes gestoken. Welnu, daar kwam geen druppel bloed uit. Dat was een snee, een vinger diep, het vlees stond open als twee lippen en toch geen druppel bloed. Wij waren er allemaal verschrikkelijk aan toe.
Op een dag hebben we gedroogde erwten gekregen, één lepel per man. Ik zal u zeggen, mijnheer, ik heb mannen gezien die diarree hadden waardoor ze die erwten terug uitscheten (met verstikte stem), wel, ze plukten die erwten uit hun stront en staken ze in hun mond. Van de honger. Van de honger!"
"Denken kun je dan al niet meer. Er zit alleen nog wat kracht in je lijf dat om eten schreeuwt. Dat is alles. Toen ik weer thuis was en van die trein vertelde, vroeg mijn ma: "En hebt ge veel aan mij gedacht?" Nee, zei ik, en toen was ze geaffronteerd: zélfs niet aan uw moeder gedacht!
Ach, hoe kan een levende zich dat voorstellen?! Elke dag konden wij dood zijn.  Als het donker werd, kropen wij met vier vrienden onder één deken. Wij trokken die lap over ons, wij gaven mekaar een kus zoals man en vrouw voor het slapengaan, en wij zegden: "Allez, misschien tot morgen."
Elke morgen was er iemand die niet meer wakker werd. Tegenover mij in de wagon zat Jos Verholen, een slager, en ooit een struise kerel. Jos had één aardappel in zijn hand, hij brengt hem naar zijn mond en tegelijk valt zijn hoofd scheef. De Jos is dood en die patat steekt nog in zijn mond. Naast hem zit Marcel Cromheecke, die neemt die patat en eet hem op. En ik, mijnheer, ik was jaloers op die Marcel. Want Jos was mijn vriend en die patat was eigenlijk voor mij.
"De SS-ers keken toe hoe wij crepeerden. Zij hadden hun dikke knapzakken met proviand. Frans Smolders uit Schoten is ooit op zo'n knapzak afgestapt. Als een robot, als gebiologeerd stapte hij op dat eten af. Wij riepen: de Frans is zot geworden! Want toen hij twee stappen met die knapzak was weggelopen, draaide de bewaker zijn machinegeweer en mikte hij Frans met één schot omver. Met zijn drieën, ik was erbij, hebben we Frans onder de trein mogen leggen.   
Op onze wagon zat Door Mols, een technicus van de RTT. Die had nog wat velletjes papier en die schreef elke dag een brief naar zijn vrouw. En altijd ging het erover wat ze zouden eten als hij weer thuis was. Ik heb hier een copie, het gaat over macaroni met hesp in eiwit gedompeld, dan in paneermeel gerold en in frietvet gebakken, "dat moet lekker zijn hé schattebout!"
Iedereen zat te fantaseren over eten. Wat ze met Kerstmis aten, of de menu van hun trouwfeest of hun Plechtige Communie, altijd maar dat eten, dat eten.  
Hoe langer de reis duurde, hoe minder Door kon schrijven. "Mijn liefste zoeteke, als de toestand niet verandert, is dit de laatste maal dat ik je schrijf. Ik kan niet meer. Wij eten gras nu, maar ik niet veel. Sommigen eten de hele dag gras, gelijk de koeien. Ik herken mijzelve niet meer. Zo schraal zo gerimpeld zie ik eruit." Door is  tenslotte overleden, amper 34 jaar oud. (gaat met een snik de kamer uit)  Excuseert u mij, soms is het te moeilijk. Die brieven hebben we na onze bevrijding aan zijn vrouw kunnen geven."
Demain! Maman!
"Op 6 mei 1945 kwamen we in het zopas bevrijde Theresienstadt. Er hingen toch al enkele vlaggen uit en de mensen gooiden koeken en brood en suiker in onze wagons. Wij konden niet meer overeind. Alleen hetgeen op onze buik viel, konden wij in onze mond steken. De SS-ers waren in de war, die zijn van de trein gesprongen en weggerend. Iemand van die bewoners trok de grendel van de trein en riep: la guerre finie.  En omdat we het toch maar zouden begrijpen, riep hij: demain! maman! mademoiselle! Paris! cognac! Maar er was niemand in de wagon die juichte. We konden niet meer. Overal werden lijken uit de wagons gehaald. Van de 5000 gevangenen op de trein waren er nog 900 in leven, en van die 900 is de helft in de volgende dagen bezweken aan vlektyfus en andere ziektes.
Ik woog nog 37 kilo. Als ik met mijn duim en middelvinger een ring maakte, kon ik die zonder moeite over mijn arm schuiven. Van mijn schouder tot mijn hand, dat waren puur knoken. Mijn benen waren staken waarop ik niet meer kon staan. Ik had tyfus en ik heb weken op het randje van de dood geleefd.
Na Theresienstadt heb ik nog een jaar in een sanatorium in Frankrijk doorgebracht. En dan was het naar huis, naar Antwerpen! Dat moest een feest zijn natuurlijk, maar al vlug bleek dat ze niet op mijn verhalen en miserie zaten te wachten. Want jaja, gij hebt miserie gekend, maar ik moest beseffen dat iederéén miserie had gekend. Ik zal nooit vergeten hoe iemand mij verwelkomde met de woorden: "Gij hebt chance gehad dat gij in Duitsland zat! Want dat is hier wat geweest met die vliegende bommen!"

Nawoord: Charles Brusselairs stierf op 22 maart 2000. Hij was 75.

medium.jpg

 




Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Yo de dobbermannen! Bekende Vissers (BV’s) over hun watersport

Vanaf 4 mei zijn individuele sporten weer toegelaten, zoals tennis, golf, kajakken, paardrijden, én ook: hengelen.
Het is mogelijk niet de eerste sport die u wil beoefenen, maar ik kan ze alleen maar aanbevelen.
Hengelen wordt vaak gezien als banale visvangst, maar hengelen is veel meer. Hengelen is contemplatief. Hengelen is meditatief.
Terwijl het oog zich concentreert op de dobber kan de geest rustig afdrijven. Naar de geluiden in de natuur. Naar een denken over de wijdere wereld.
Het is old skool mindfulness, al van in de tijd dat een rieten bak achterop een brommer past!  

Om de lezer met enige pre-fishing van dienst te zijn, komen hier zes Bekende Vissers (BV’s) aan het woord. Ze spreken Nederlands en visserslatijn.

Humo mei 2002 (ingekort en bewerkt) - © Jan Hertoghs

Stille waters, groene botten: Jan Eelen, Lucas Van den Eynde, Bob Peeters, Mark Uytterhoeven, Alex Czerniatynski, Herman Van Molle

Bronnen zeggen ons dat er in Vlaanderen en Wallonië nog zo’n vierhonderdduizend vissers zijn, maar zeg mij, ziet u ze nog in het straatbeeld?! Nee, vrienden, want ze bewegen zich in het schemerdonker, ze beoefenen hun sport in stilte omdat hun tijdverdrijf door velen beschouwd wordt als dom, saai en/of onnozel. Om aan deze toestand een kordaat einde te maken hebben we zes Bekende Vissers verzocht om zich te outen. 

Jan Eelen en Lucas Van den Eynde. (Ingescande foto uit Humo)

Jan Eelen en Lucas Van den Eynde. (Ingescande foto uit Humo)

Jan Eelen (regisseur van o.a. In de Gloria, Vaneigens) en Lucas Van den Eynde (acteur van o.a. In de Gloria alsook zanger in Jukebox 2000) zijn beide al jaren verknocht aan de hengelsport.
Lucas: «De opwinding als je dobber onder water schiet, is toch heel bijzonder. Die hengel buigt, die lijn spant, je ziet die vis zich roeren onder het water, je weet nog niet wàt het is maar aan de kolken zie je al dat het geen kleintje zal zijn, en dan dat moment dat je die kop boven water haalt, dat is fantastisch!"
Jan: «Zeker met een karper, die spartelt fel tegen, die slaat met staart en lijf, je hebt ‘m bijna en je moet ‘m weer vijf meter laten gaan, de mens die vecht met een spartelende vis, dat is zo’n oud beeld, ik vind dat heel schoon." 
Lucas: «Ook heel die sfeer van vroeg opstaan, en met je gerief door een stil dorp fietsen, en dan aankomen bij dat water dat nog rustig is en waarop de nevel drijft, dat hééft toch iets."
Jan: «Uitsmijten vind ik ook geweldig, dat zwiepen van die lijn en hoe dat lood en aas dan dertig meter verder met een plons in het water verdwijnen."
Lucas: «Het ergste is natuurlijk als de haak bij het weer inhalen achter een tak of een steen blijft haken. Bij mijn vader gebeurde dat dikwijls en dan kon ik mijn broek en schoenen uittrekken en met mijn onderbroek in water van tien graden stappen om dat tuig los te maken."
Jan: «Dat is zo, je wil dat niet kwijt. Zo’n hengelgerief heeft een eigen charme. Ik heb al plezier als ik dat gerief aan het inpakken ben. De avond tevoren kijk je alles na, je herstelt een lijntje, je probeert een nieuw dobbertje in een emmer water, je kneedt wat lokaas. In dat bezig zijn zit al die kleine vreugde van ‘t gaat iets bijzonders worden morgen."

Bompa Karper! De schrik van de vijver in Kessel-Lo.

Jan: «Ik fantaseer tijdens het vissen ook veel over wat er onderwater gebeurt. Ik zie dan echt families van vissen voorbij mijn haak zwemmen, vaders, moeders, kinderen, zo’n heel verkeer van vissen, en sommigen zijn loom en tam, maar ginder komen er drie aan die nog niet gegeten hebben, en ze gaan toehappen, maar ineens komt een vierde aangezwommen, pas op mannen, van die patat moet ge afblijven! (lacht) Dat onderwater-fantaseren, dat doe ik graag."
Lucas: «En binnensmonds praten tegen die vis! Komaan vriend, bijt maar ‘s goed door, ja trek ‘m maar naar beneden, ja, ja! “
Humo: Maak je je soms kwaad op de vis?
Lucas: «Vissers maken zich doorgaans alleen maar kwaad op plezierboten die te dicht bij hun lijn varen, (roept) maar allez, is da kanaal nie groot genoeg? Da ge ier moet kome veiren! Oe is da na meugelek?! Vandaar is natuurlijk wel dat beeld ontstaan van de nurkse visser, de in zichzelf gekeerde vent van laat-mij-gerust! En ergens klopt dat beeld ook. Neem de toevallige voorbijganger. Je hoort zijn stappen naderen op de dijk... ai, ze houden halt, en dan die eeuwige vraag, bijten ze? Dan denk ik in mijn binnenste: wandel toch verder, maat!”
Humo: Wat was de eerste hengelervaring waarbij je dacht, dit is iets voor mij?
Jan: «Ik heb als kind in North Carolina (VS) gewoond, dat huis lag bij een meer, en in dat huis lag visgerief en van zo gauw ik die hengel in het water smeet, had dat spel me beet en ben ik nooit meer gestopt. Een paar jaar later verhuisden we naar Kessel-Lo en daar kocht ik me gelijk een abonnement voor de gemeentelijke vijver. Om zes uur mocht je beginnen en om vijf uur ‘s morgens reed ik er al heen om een goed plekje te zoeken. Dan zat ik daar klaar met mijn hengel, en paf om klokke zes, smeet ik in. Die vijver van Kessel-Lo had iets magisch. Ergens in dat water zwom Bompa Karper, een heel ouwe karper die niét te vangen was en die ieders lijn aan stukken trok. Als je dan zwaar beet had, dan was er elke keer die vrees, oh nee, ‘t zal dien duvel toch niet zijn!" 
Lucas: «Ik had al stekelbaarsjes en salamanders gevangen in de beek, maar het echte hengelen is bij mij begonnen toen ik de eerste keer ging vissen met mijn vader. Ik vind vissen een echt vader-zoon-avontuur, het samen iets meemaken aan het water. Als ik daaraan terugdenk, zie ik altijd die striptekeningen van Piet Fluwijn & Bolleke."
Jan: «De Avonturen van Een Vader en Een Zoon!"
Humo: Toen werd er nog gehengeld in de strips. Lambik ging vroeger ook vaak vissen.
Jan: «Hengelen heeft die stempel “van vroeger” behouden. Ik zie weinig jonge hengelaars aan de waterkant. Vaak is het toch de ouwe man met al zijn pottekes en dozekes, en daarnaast onder de grote paraplu, de madam die zit te breien met de thermos naast de klapstoel.”(Recent onderzoek geeft aan dat het felle karperhengelen een nieuw en jong publiek heeft aangetrokken,jh)"

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Humo: Zijn jullie materiaalfreaks?  
Lucas: « Nee, maar ik vind het wél een plezier om door een hengelwinkel te lopen. Al dat nieuwe, al dat glanzende, al die kleuren door elkaar, dat is schoon. Of neem zo’n molen van een werphengel, dat klik-klik-klik, dat is toch een lekker geluid.”
Jan: «Je mag wat gerief hebben maar het moet simpel blijven. Ik heb ooit karpermannen gezien in Frankrijk, die hadden hun lijnen uit en die kropen daarna in hun tentje om alles op het beeldscherm te volgen, ze zagen hun aas, ze zagen of er grote of kleine karpers op afkwamen, dat is geen hengelen meer.”
Humo: Voeren jullie lokaas?
Lucas: « Ik doe het niet meer; de vis moet zo maar naar mijn aas komen. Ik heb een afkeer van lokaas gekregen op vroegere visprijskampen. Vijftig vissers op anderhalve meter van elkaar, het fluitsignaal gaat, die hengels gaan in het water, en bwaaf dan vliegen de bollen, klotten en hompen je om de oren, gigantische hoeveelheden lokaas, die vis wordt bedolven onder de chapelure en de duivenstront."
De onbedorvenheid van de jonge ochtend           
En zo gaat het al gauw over hoe we zelf vissen, en dat karpers zo’n vechters zijn. En dat de louw (“zeg niet te gauw, het is weer een louw”) ook een vechtjas is, maar eens zijn bek boven water, is hij zo mak als een sardien in een dozeke. En de brasem, een stevige knaap, maar hij smeert je schepnet vol slijm! En paling, als die bijt zit er precies elektriciteit op je draad.  En snoek, die is te vangen in een patattenzak met brood erin! En terwijl we ons  verliezen in het ophalen van vis en herinneringen, haalt Eelen zijn twaalfdelige Bibliotheek voor de Sportvisser uit de kast, stijfkartonnen boekjes uit de jaren zestig met titels als Vang Ruisvoorn! Vang Karper! Vang Brasem!, en voor de beginners: Vang aan! Met teksten die vràgen om plechtig voorgedragen te worden: Onze bekoring is de stilte van een zomerdag, de wijdheid van de blauwe lucht, het wuiven van het riet, het klotsen van de golfjes tegen de oude boot, het roepen van een verre vogel, de onbedorvenheid van de jonge ochtend, het wonder van de dobber, het geduld dat vroeg of laat wordt beloond, dat alles maakt dat men zich gelukkig prijst een hengelaar te zijn! We lachen met dat hoogdravende, maar we weten dat het wààr is. 
Het verslavende lijntje
Jan: «Mijn moeder heeft dat vissen van mij nooit begrepen. Ik was een hyperactief kind, ik kon nooit stilzitten, maar om te vissen kan ik ùren zitten zonder te bewegen! Ik begrijp nog steeds niet hoe dat komt, want ik heb dat nog. Een half uur op het strand liggen kan ik niet, maar zes uur staan vissen kan ik makkelijk. Je staat daar met die lijn, de zon brandt op je kop en je blote schouders…”
Lucas: «… je zou je eigenlijk moeten insmeren, maar je denkt nog één keer ingooien en dan heb ik ‘m, en je gooit weer in, en je wacht weer op een beet, en intussen sta je daar te verbranden. En na anderhalf uur heb je hem nog niet, en dan roept je vriendin om te komen eten. Allez! Hij is juist aan ‘t bijten! Efkes! Nog vijf minuutjes!"  
Humo: Dat niet kunnen stoppen is het beste bewijs hoe obsessief en bijna-verslavend hengelen is. Met lezen kan je soms ook niet stoppen, maar dat is anders, dat boek loopt niet weg. Met vissen is het: nù moet het gebeuren, want die vis komt nooit meer terug.
Lucas: «Je kan gewoon niet weg van die hengel. Als gastje van twaalf had ik dat heel erg. Ik kon niet stoppen, ik wou niet stoppen. Een lijn die kapotging, dat was een ramp. Dan was het lopen naar de winkel om een nieuwe lijn, het zweet in je botten, en gauw terug naar die stek, want daar waren intussen natuurlijk honderd vissen langs gezwommen die allemaal goesting hadden om te bijten!"
Jan: «Ik vis ook altijd tot het allerlaatste ogenblik. Zelfs al ben ik mijn gerief aan het inpakken, dan nog zal ik één lijntje in het water laten liggen; er moest er maar eens eentje bijten (luide bijval en herkenning)! 
Humo: Of je besluit “ik tel tot honderd en als ik dan geen beet heb gehad, dan ben ik weg”. Maar het wordt niks bij honderd en dan zeg je: ik tel tot vijftig en als ik dan geen…
Lucas: «Jà! En op de duur is het zo donker dat je je dobber niet meer kan zien."
Jan: «Stoppen is zo moeilijk omdat het elk moment kan gebeuren. Zoals bij voetballen. Elke seconde kan er een goal vallen, elke seconde kan er een vis aan je haak hangen." 
Lucas: «Ik viste als kind soms zo’n lange dagen dat ik -wanneer ik in bed kroop en mijn ogen sloot- nog die dobber voor mijn ogen zag, zo hévig was dat bij mij. En nu is dat verminderd, maar om het even waar ik op reis ga, ik heb nog altijd een hengel bij me.”

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Viskes gebakken    
Jan: «Het moet oeroud zijn, dat instinct om te jagen, om iets te vangen. Hoewel. Ik zal nooit van mijn leven met een geweer in een bos gaan om een hert dood te schieten. Dat wil ik niet, maar iets jagen in het water, dat wil ik wel. Ook al omdat ik die vis nadien levend kan terugzetten in dat water. Zo’n dood hert, dat blijft dood, dat zet je niet terug in dat bos."
Lucas: «Ik zet ook alle vissen terug. Of het zou een forel uit een Zuid-Frans riviertje moeten zijn, die durf ik opeten! Ik herinner me nog de eerste keer dat ik een forel at die ik zelf gevangen had, ik was de koning te rijk. Maar eigenlijk eet ik nooit wat ik gevangen heb. Een dooie vis vind ik zelfs moeilijk om te zien. Of een stervende, nog erger! Zo’n vis die je niet snel genoeg onthaakt, en die een meter verder ligt te kantelen en dood te gaan, dat is niet om aan te zien.
Wat ik ook niet kàn zien zijn documentaires over vissersboten, dat ze honderden vissen en krabben op dat ijzeren dek storten, en dat ze zo brutaal aan hun einde komen. Sommige zijn ook te klein of niet geschikt voor consumptie, en dat ligt daar allemaal dood te gaan op dat dek, ik kan dat niet zien."
Humo: Vissen kunnen taai zijn. Mijn broer en ik hebben -veertien jaar zijnde- eens een karper van drie kg op de fiets meegenomen. Hij zat in een ijzeren leefnet en onder de snelbinder(!) en hij lééfde nog na vijf km fietsen.
Jan: «Ik deed dat vroeger ook, zo’n brasem of voorn mee naar huis nemen. Een vriend van mij had thuis een vijver en daar zetten we de vis dan in. Zo’n rietvoorn met zijn gouden schubben en rooie vinnen, dat is echt een schoon viske. Aan zee nam ik ook visjes mee. Op de pier kon je vroeger met een kruisnet vissen, als je dat optakelde, zat er al eens een krab of een pladijsje in. Dat nam je dan mee in je plastic emmertje, en op het appartement vulde je de lavabo met zeewater om die vis of die krab nog een tijd te kunnen bezig zien. Ik kon daar lang naar kijken.
Ik vis nu nog graag aan zee. In Spanje heb je van die rotskust met kleine strandjes, ik koop wat calamares bij de visboer, ik hang het aan m’n lancée, en ik loop een paar kilometer zalig op mijn eentje te vissen. De golven op de rotsen, die geur van zeewater op steen, dat is fantastisch. En af en toe kom ik wat draad en lood tegen, en dan denk ik, tiens hier is nog iemand geweest!"

Ingescande montage-foto uit Humo

Ingescande montage-foto uit Humo

Bob Peeters: foreldenker
Roda JC-voetballer Bob Peeters zag ik hengelen in het tv-programma Stadion. Hij zat bij een visput, hing wormen aan de haak, en strooide moppen in het rond. Over een visser die méér ving als hij met zijn blote pietje in het water ging staan
«Ik ga al vanaf mijn twee jaar vissen met mijn vader en ik heb heel goeie herinneringen aan die uitstappen naar de Oosterschelde. Om vijf uur vertrokken we bij ons in Wommelgem, de grens over, stoppen bij het eerste gazettenwinkeltje om wormen te kopen, ze zaten in een gazet verpakt, en hup de boot op om te vissen. Soms visten we vanop de oever op pladijs en zo hebben we iets bijzonder meegemaakt. We gingen ermee stoppen omdat het die dag niks werd, de maat van mijn vader spoelt zijn lijn terug, hé d’r hangt iets aan, een pladijs, nee, veel zwaarder, en toen zag ik het, er hing een zeehond aan! Met die pladijs in zijn bek! En gelijk daarna brak die lijn, en zag je nog juist hoe hij die vis omhoog gooide en binnen speelde. Schitterend jong! Maar tegen wie vertel je zoiets ongelooflijk? Schrijf dat maar in uw artikel, zoiets maken we nooit meer mee in ons leven! 
Ik ben met Roda JC ook één keer naar Suriname gereisd en toen zijn we gaan vissen op piranha’s! Dat was simpel, een bamboestok, een draad eraan met een aasvisje en ze bijten. Ik was de enige die de piranha’s zelf van de draad pakte, geen prutsviskes zoals in de film hé, zo’n gusten! Je pakt ze bij een vin en dan laten ze los, en zo heb ik ook die vlijmscherpe tanden gezien, scheermesjes die constant klappertanden.
Ik kan ook wachten, ik kan uren stilzitten, ik geniet daar ook van. Terwijl ik die dobber geen seconde uit het oog verlies, denk ik aan alles en nog wat, ik laat het allemaal de vrije loop, de gedachten komen aangewaaid en drijven weer weg, en ik heb me daar altijd goéd bij gevoeld. Zet mij bij het water met een hengel, en ik ontspan me helemaal.
Mijn ouders hebben een verblijfje op een camping in Luxemburg, met een meer erbij en daar heb ik op de forel leren gaan. Ik heb die vis echt geobserveerd. De plekjes waar hij zich schuilhoudt, zijn bewegingen, zijn gedragspatroon, àlles! (Glimlacht) ik weet nu hoe een forel dénkt. En hoe ik hem kan verschalken. 
Eigenlijk ga ik alleen maar vissen met mijn vader. Sinds ik in Holland voetbal zie ik mijn ouders minder, en dan is zo’n dagje vissen prima. Je lacht en je zwanst, je haalt herinneringen op aan vroeger, jeugdmatchen die je gespeeld hebt, hoe het was om in de auto ernaartoe te rijden, en dat is voor mij het fijne aan hengelen: aan het water kan ik de band met mijn vader veel dichter aanhalen dan wanneer ik een hele dag thuis op de koffie zou zitten."

Ingescande montage-foto uit Humo

Ingescande montage-foto uit Humo

Alex Czerniatynski: een monster van 35 kg
De vroegere oe-ah-Czernia!-topvoetballer van Anderlecht en Antwerp is nu jeugdtrainer bij nog een ex-club, KV Mechelen. Czernia is al langer visser dan voetballer.
«Ik was negen toen ik een eerste keer ging vissen met mijn peter. Hij had me een kleine werphengel gegeven om op forel te vissen, de vis beet goed die ene dag en ik had de microbe gelijk te pakken. Ik ben toen ook op m’n eentje beginnen vissen, en alsmaar vroeger in de ochtend. Dan zette ik mijn wekker om twee uur, en dan lag ik om één uur ‘s nachts al met open ogen, niet meer kunnen slapen van de opwinding. Om bij het water te komen moest ik bijna een half uur fietsen waarvan tien minuten door een pikkedonker bos. Dat was toen in Charleroi, daar zijn later erge dingen gebeurd, en mijn moeder heeft me al dikwijls gezegd, jij was vroeger zot, een kind alleen in een donker bos! 
Van nature ben ik nerveus, en ik moet kunnen hengelen om die spanning uit mijn lijf te krijgen. Toen ik profvoetballer was, zorgde ik ervoor dat ik minstens één dag per week ging vissen om die spanning na een wedstrijd kwijt te raken.
Het liefste ga ik op zee. Met een vriend ga ik elk jaar zo’n tien dagen vissen in Quimper (Bretagne). Dag én nacht. We beginnen om twee uur in de morgen, we nemen pauze in de namiddag tussen twee en vijf, en daarna gaan we weer op de boot tot diep in de nacht. Zo heb ik voor de eerste keer ook kongeraal opgehaald. Ik ben 1m85 en die vis was 1m 80! Dat is geen vis meer, dat is een slang. Een boa constricteur, een monster van 35 kilo! Mijn vriend had me verwittigd, stop je hand niet in die bek, want je ziet ze nooit meer terug! Hij stak eens de steel van een schop naar binnen en hij kreeg ze niet meer los, dat was als een pitbull. En véchten als je ze aan de lijn hebt! Ik heb dat graag, ik wil dat gevecht aangaan tussen man en vis
Mijn droom is om een keer naar Californië te gaan voor big game fishing.  Zo’n blauwe of zwarte marlijn (zwaardvis) uit het water halen, dat moet fantastisch zijn, ik heb het op Eurosport gezien, als die vis aan de haak zit, dan springt hij gelijk een dolfijn door de lucht.
Wat ik niet wil, is aan een put zitten voor een prijskamp. Er zijn teveel mensen, en er liggen zoveel bouletten lokaas in het water dat je over het water kan gààn! De oom van mijn vrouw is zo’n prijskampvisser en hij heeft een geheim recept van een heel goed lokaas. De avond voor de prijskamp bereidt hij zijn recept en trekt hij zich terug in zijn kelder! En! Hij doet de deur op slot! In zijn eigen huis! Gewoon uit schrik dat één van zijn zonen het te weten komt, want zij doen ook mee aan die prijskamp. 
Ik ken veel voetballers die vissen: Gilbert Bodart, Georges Grün, Vital Borkelmans, Lorenzo Staelens, Mike Verstraeten, allemaal vissers."

Ingescande foto uit Humo

Ingescande foto uit Humo

Mark Uytterhoeven: bijna de dochter van een hengelaar aan de haak
De supporter van KV Mechelen (Malinwa) is zwaar uit zijn lood. Zijn club is midscheeps geraakt, de licentie is geweigerd, in plaats van een rush naar eerste, dreigt de afgrond van derde klasse. Alweer een reden om op de lotte en de karper te spelen.
“Beginnen met hengelen was niet moeilijk, ik woonde op 150 meter van een betalende visvijver, de Montreal. Er was wel een draad rond, maar draad dient alleen maar opdat kleine jongetjes eronder zouden kruipen, en op de zeer steile oever visten wij dan, de bamboestok in de ene hand, en de andere hand rond een boompje geslagen om niet in het water te vallen. We vingen karper, paling en zonnebaars. Die karpers kregen veel oud brood toegeworpen van de omwonende gezinnen, die waren niet in het minst achterdochtig naar een korstje, en wij visten die vetgemeste kleppers dan uit het water, dat was geen hengelen meer, dat was beenhouwerij.
“Het verwondert mij toch dat onze jongen zo ineens tot de vissport komt”,
 zei mijn vader wel eens gemaakt ernstig tegen mijn moeder, dat was plagen, want zij had vroeger nog verkering gehad met een visser. Overigens! De vader van mijn eerste lief was ook een sportvisser.
De grootste vis die ik ooit heb gevangen was een snoek van 62,5 cm. Ik was toen zeventien en volgens mijn maatje werd ik zo melkwit als de buik van die snoek. Ik was ook echt geschrokken. Zoals die vis vocht en sprongen boven water maakte, dat had ik nooit meegemaakt.
Ik heb het wel niet voor zeehengelen. Onze beminde Herman Vanspringel is bijvoorbeeld een verwoed zeevisser, maar zes haken aan één lijn, en als je ophaalt, hangt er een kerstboom vissen aan de draad, dat is niks voor mij. Het moet een tikje subtieler: een  vliegje aan de lijn, wat forel en vlagzalm in de buurt, daar hou ik meer van. Zjef Vanuytsel heeft me ooit nog de knepen van het vliegvissen bijgebracht.
Humo: Fredje Deburggraeve en Chris Van den Durpel zijn ook hengelaars.  
Frank Vandenbroucke 
is het ook. Hij had bijvoorbeeld De Ronde van de Middellandse Zee gewonnen, ik interview hem, en van zodra dat gesprek gedaan was, ging het niet meer over de koers maar over De Karper. Vandenbroucke is een carpiste, een echte karpermaniakToen hij zijn villa bouwde in Ploegsteert, heeft hij ook een visvijver laten graven bij dat huis. “Carpisten” zijn een ras apart. Die kunnen drie dagen stilzitten bij een lijn om de vierde dag een vis te vangen. Dat is niet aan mij besteed. Ik ben te rusteloos. Ik wil kunnen gaan en die vis opsporen in het water. Dat heet het lezen van het water, dat je naar de kringen kijkt en de opstijgende luchtbelletjes om te zien welke vis er zit.
Dé beloning om te blijven hengelen, ook als je ouder wordt, is nog altijd dat ene moment wanneer je in die nylonlijn ineens een trilling van leven voelt. Dat bijten van die vis, dat blijft nog steeds magnifiek."

Ingescande foto uit Humo/ © Stephan Peleman 2002

Ingescande foto uit Humo/ © Stephan Peleman 2002

Herman Van Molle: het ondeelbare geluk van de Einzelgänger
Hij toont een breekbaar boekje over snoeken en baarzen, de zinnen met potlood onderlijnd, die heeft hij ooit als scholier overgeschreven voor een spreekbeurt. Toen al was hij de enige hengelaar in zijn klas en nu nog is hij zowat de enige Bekende Visser in Vlaanderen. Hengelen wordt beschouwd als een hobby van de werkmens, zegt Van Molle, vandaar dat zo weinigen zich ermee willen vereenzelvigen.
«Op een zondag is mijn vader zomaar beginnen palingvissen. Op de Molenbeek in Lede en later op het Donkmeer van Berlare. Zondag na zondag zaten we daar en nooit vingen we wat. Het was zo erg dat ik bad tot God: alstublieft God, maak dat wij toch één visje vangen. En mijn gebed werd verhoord, zij het nog enkele zondagen làter: het was een palinkje zo dun als een potlood, maar het was een VIS, en van dan af was ik verkocht, en ben ik ook algauw op mijn eentje gaan vissen. 
Ik wil overal vissen behalve aan zee of bij een groot meer. Dat is te onoverzichtelijk, daar weet ik de vis niet te vinden. Er is ook nog een andere reden: ik ben geen goeie zwemmer, ik heb eigenlijk schrik van het water.
Ik kan me wel met élke vis amuseren. Neem de brasem, die noemen ze de dweil onder de vissen omdat hij zogezegd sloom is en makkelijk te verschalken, maar ik heb in Denemarken brasems gehad die zich haaks op de stroom zetten, dan ben je algauw een kwartier bezig om die “dweil” op te halen. Ik kan me ook amuseren met kleine bliekjes (=blankvoorn), tàk, tàk, tàk, dat is snel aanslaan, dat is een zuivere oefening in reactiesnelheid.
De schoonheid van het hengelen zit ook in dat bijten van de vis. Dat tikje van de dobber, dat kunstaas dat ineens wég wordt getrokken, dat plotse contact met die vis, dat moet ik voélen. Ik heb ooit in ijs gevist, en met het nylonlijntje aan mijn wijsvinger geknoopt kon ik de vis voelen bijten in mijn vinger!"
Humo: Ben je een panvisser? Eet je je vis op?
Baars bijvoorbeeld, dat is zeer lekkere vis, die zal ik klaar maken als hij groot genoeg is, maar 98% van mijn vissen zet ik terug. Ik zal ze ook zomin mogelijk kwetsen, aan mijn haak knijp ik alle weerhaken plat."  
Humo: Een buitenstaander zal zeggen: als je dan toch alles terug zet, waarom kan je dan niet gewoon bij het water zitten en die vis met rust laten?
«De vraag is terecht, maar ik kan het niet. Het water is er nog altijd om te hengelen, vraag me niet waarom, jachtinstinct zeker?"

In Zweden kijkt niemand neer op hengelen.  

  Humo: Je zei dat je watervrees hebt. Ik hoorde dat je ooit bijna verdronk bij het hengelen.
«Dat was in Zweden. Ik droeg zo’n waadpak tot onder mijn oksels, ik viel en omdat ik het niet dichtgedaan had, stroomde het water langs boven erin, dat pak werd topzwaar, ik ben in een uiterste krachtinspanning nog overeind kunnen krabbelen, maar de onderstroom had me bijna meegesleurd. 
Zweden is een hengelland. Vanwege het vele water, maar ook omdat iedereen het doet. Niemand die erop neerkijkt. Daar moet men zich niet outen, hier wel. Ik word er in ons land ook op aangekeken, Herman-IQ-Van-Molle is een visser, toe maar! In België heeft hengelen een pejoratieve klank, iets dat alleen maar goed is voor de gewone man, voor de arbeider met zijn vrouw en zijn paraplu.
Hoogstens is er begrip voor vliegvissen in de Ardennen of zalmvissen in Ierland, daar valt intellectueel nog wat voor te zeggen. Niet toevallig zijn dat ook de dure, gesofisticeerde, meer snobistische zijtakken van de hengelsport die men accepteert. Maar dat gewone hengelen dat jij en ik doen, dat wordt nog altijd bij de volkse en dus domme sporten gecatalogeerd. 
Het haakje Johan
Terwijl het toch een sport is met magische momenten. Mijn Zweedse buurman zag op een hengelbeurs kunstaas met voornamen erin gegraveerd, en hij had het spinnertje met opschrift JOHAN gekocht voor zijn kleinzoon die Johan heet. Bon, die kleine wil daar op een dag toch ‘ns met dat spinnertje vissen, hij krijgt een grote snoek aan die haak, maar ineens clàc, lijn kapot, snoek weg, en Johan ontroostbaar vanwege het verlies van snoek én dierbaar spinnertje. Ter afleiding gaan ze een paar kilometer verderop vissen, en daar krijgt die Johan toch weer diezelfde snoek aan de lijn met datzelfde Johan-haakje nog in de bek! Dat is toch ongelooflijk! Zo’n snoek-met-haak gaat gewoonlijk twee dagen achter een steen zitten mokken, en deze bijt twee uur later twee kilometer verder in dezelfde haak van hetzelfde jongetje! Mijn buurman heeft er foto’s van, je ziet dat stralende kindergezicht, en je weet, dat ventje is voor zijn leven verkocht, die wil niks anders meer dan hengelen.
Ander verhaal. Ik sta op een steigertje in Zweden. Naast mij is een vader doende met zijn zoon, zij vissen niks, ik haal de ene voorn na de andere op. De vader komt schuchter bij mij staan, waaraan het zou kunnen liggen, zij niks en ik altijd prijs? 't Was een Finse familie, ik bekijk hun lijn, en hola, zij visten met een haak voor een haai, ik knoop een kleiner haakje aan die lijn, en tsjak, dat jongetje heeft gelijk beet, twee, drie vissen na mekaar. Die man heeft me thuis geïnviteerd, een glas erbij en blijven eten, en hij zei letterlijk dat ik hem “de gelukkigste dag van zijn leven had bezorgd.” Zijn kind kon vissen! Zijn taak op deze wereld was volbracht! Dat is toch fascinerend dat je mensen zo’n groot plezier kan doen met zoiets eenvoudig!”
Stille waters
Mijn filosofie omtrent mijn manier van hengelen heb ik de laatste jaren wel omgegooid. Vroeger racete ik naar een plas, ik gooide mijn hengels uit en ik moest vis hebben. Als ik niks ving, dan was dat een ramp, dan was ik kwaad, dan was mijn dag naar de vaantjes, dan was ik zelfs beschààmd dat het niks was geworden. Nu beleef ik het anders. Ik rij op mijn gemakje naar een viswater, ik loop langs de kant, ik lees het water om de vis te zoeken en vang ik na twee uur nog niks, dan is dat niet erg. Ik moet niet meer zo nodig wat vangen, ik ben bij het water geweest, ik heb gezien waar de vis zit, alles oké. Maar vroeger had ik het erg, mijn oud-lieven kunnen dat getuigen. Ik koerste duizend kilometer en terwijl de auto nog uitgepakt werd, stond ik al met mijn hengel aan de kant.
Ik beleef het nu ook helemaal alleen, ik vraag niemand meer om mee te gaan, en ik vertel het zelfs aan niemand als ik wat gevangen heb. Vroeger zou ik een snoek van tien kilo drie kilometer door het gras gesleept hebben om ‘m aan iemand te tonen en om een foto te laten maken. Maar dat is gedaan, want het valt toch altijd tegen. Ofwel val je op een leek die iets mummelt over "inderdaad, een grote vis", ofwel sta je bij een visser die bromt dat hij ooit een nog straffere snoek heeft gevangen.
Dus ik laat geen foto’s meer maken of iemand deelachtig zijn. Ik ben immers tot de slotsom gekomen dat al die gevoelens bij dat hengelen, het plezier, de opwinding, de fierheid, dat je die met niemand kan delen zonder dat ze aan glans verliezen. Dat Ondeelbare Geheim Dat Hengelen Is, ik hou het voor mezelf.
Humo: Ga je blijven hengelen? Totterdood?
«Ik zal je een pràchtig verhaal vertellen! In Zweden hebben ze een man gevonden, dood langs een rivier, met zijn hengel naast hem, en in zijn schepnet een waarlijk gigantische forel. Doodsoorzaak was een hartaanval, die man was allicht zo gegrepen door de grootte van die vis en door het moeizame binnenhalen ervan, dat zijn hart het begaf. Welnu, zo te sterven, dat wens ik mijzelf toe." 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (2)

Lees hier deel 1 van Quarantaine in oorlogstijd

"Boven mij zongen de Duitsers en ze stampten met hun botten op de vloer."

Jaan Cox (rechts boven) met ouders en familie.

Jaan Cox (rechts boven) met ouders en familie.

In oktober 1942 voerde de Duitse bezetter de verplichte tewerkstelling in. Tussen november 1942 en de zomer van 1944 werden ruim 189.000 jonge Belgen naar Duitsland gevoerd.
In heel het land verborgen vele duizenden onderduikers zich in uiteenlopende schuilplaatsen om aan die verplichting te ontsnappen.

Adriaan "Jaan" Cox (84) uit Kaulille (bij Bocholt) zat zes maand ondergedoken in een zandput in de bossen. «Wij waren thuis met tien kinderen, zes jongens en vier meisjes en vader was arbeider in de poeierfabriek, daar maakten ze schietkruit voor jachtwapens en zo. Wij waren al arm voor de oorlog begon. Ons huis stond niet in het dorp maar in de armenbeemd, zo noemden ze die afgelegen plek tussen de hei en de moerassen.
In 1944 begonnen de Duitsers jongens op te eisen die in 1924 geboren waren. Ik werkte toen in een fabriekske van goedkope handtassen en valiezen en mijn baas raadde mij aan van onder te duiken, dan was ik "weg" en zogezegd niet in staat om een oproepingsbevel in ontvangst te nemen. Ik ben toen een schuilplaats beginnen graven zoals ik dat gezien had bij de Bosrussen, zo noemden we de Russen die ondergedoken zaten in de Limburgse bossen. Dat waren krijgsgevangenen die door de Duitsers tewerkgesteld waren in de koolmijnen maar die gevlucht waren.
In Bocholt hebben er meerdere Bosrussen gezeten, ze kwamen van de mijnen van Waterschei en Winterslag. 't Was hier heel katholiek en de mensen waren bang van de kommunisten, maar omdat het sukkelaars waren, zijn ze hier goed beschermd geweest. Geen mens heeft ze verraden.(Er zouden in Limburg 2500 Russische krijgsgevangenen ondergedoken hebben gezeten.jh)
Ik was bevriend met drie Russen. Waaronder Iwan, die noemden wij Sjeanmarieken, dat was een heetloperke, een echte vrouwenzot. Hij liep op gekregen klompen die veel te groot waren, 't was meer struikelen dan stappen en dan zei hij: Iwan klompen nicht verstehen!
Nogal wat Russen hadden hun schuilplaats in een groot bosgebied dichtbij Bocholt. Eén plek wist ik zijn, maar dat was puur voor ingewijden. Eerst een bospaadje volgen tot aan dié boom en van aan die boom tien stappen opzij en dan stampen op de grond en ineens ging er in de hei een luik open! Zo goed verstopt dat die waren! Met vijf man zaten ze daarin, en dan heb ik dat goed afgekeken en precies nagemaakt wat ik gezien had.   

In het moeras
Mijn eerste kuil heb ik in de dijk van een afgetakt kanaal gegraven. Dat was op vijfhonderd meter van ons huis en in heel die omtrek was er niks, alleen maar hei, moerassen en beemden met hier en daar een koeienwei.
In die talud groef ik een gat, twee meter op twee meter, en het zand stortte ik met een emmer in het kanaal. Ah ja, geen spoor van dat graven mocht te zien zijn, en dat is toch acht kubieke meter zand die ik kwijt moest zien te raken!
Tegen het plafond, op de vloer en tegen de zijwanden plaatste ik dunne boomstammen die ik omgezaagd had. De dunne takken van die boompjes moest ge dan tussen die stammekes vlechten, zo kreegt ge een stevige wandconstructie én een goeie isolatie. Ik heb er ook nog inpakpapier tegenaan geplakt, dat was mijn behang, dat voorkwam dat er teveel zand naar binnen ritselde. Ventilatie had ik via een kachelpijp. Die stak uit de grond en  die had ik gecamoufleerd met een grote bos hei, ja, hei was er genoeg! Als verlichting had ik een carbuurlamp en om te slapen had ik stro met een soldatendeken erover. Maar muggen! Niet te doen! Dat kwam natuurlijk door dat kanaal en die moerassen. 
Waar ik gegraven had, plantte ik alle zoden en struiken terug op hun plaats en in de talud kwam dan mijn ingang, juist breed genoeg voor één man en afgedekt met een houten deksel. Op dat deksel had ik met nagels en kiekendraad plaggen hei vastgemaakt, dat bleef daarop liggen als ik dat deksel opende. 't Was een camouflage die ik om de paar dagen moest verversen, anders was dat te zien dat die hei verdroogd was op die ene plek.
Ik heb mijn hol helemaal alleen gemaakt, dàgen heeft dat geduurd eer die schuilplaats af was. Mijn ouders wisten dat ik met 'iets' bezig was, maar ik heb nooit gezegd waar ik zat. Dat was compleet afgelegen tussen die moerassen. Er is daar ooit nog een kind van vijf bijna verdronken. Dat zakte altijd dieper weg, ik had het horen schreeuwen en ik heb het er nog uit kunnen halen. Dat was voor de oorlog.
Overdag ging ik vaak naar huis, maar dan moest ik wel eerst zien of er een deken buiten hing, of alles veilig was. En ging ik terug naar m'n hol om te slapen, dan nam ik elke keer een andere weg. Zodat er geen spoor zou ontstaan dat me kon verraden; ook dat had ik geleerd van de Russen. 
Gegijzeld
In de loop van 1944 waren er meer en meer razzia's en ook meer voortvluchtigen en op de duur sliep ik daar met twee broers én nog een gezochte. Alles bijeen heb ik daar zo'n vier maanden gezeten. Toen landden de geallieerden in Frankrijk en gingen de Duitsers zich zelf ingraven bij het kanaal en moesten we onze plek verlaten.
De dag na de bevrijding door de Engelsen was mijn broer-pater op bezoek en die wilde natuurlijk mijn schuilplaats zien. Wij liepen naar die dijk en ineens werd er geschoten. Vanuit dat open deksel! D'r zaten godverdomme nòg Duitsers in, mogelijk deserteurs die niet  wisten waar te blijven, en die hadden allicht bij toeval mijn ingang ontdekt. Verdomme, de kogels ketsten tegen de weipalen! En wij lopen natuurlijk. Mijn broer had zo'n lang priesterkleed, hij pakte die soutane op en hij spurtte nog rapper dan ik!
En voila, toen was de oorlog gedaan en ik ben nooit gepakt geweest en mijn Russische kameraden ook niet."

Donkere kamer
Het is nog moeilijk na te gaan welke schuilplaatsen zoal gebruikt zijn door werkweigeraars. Uit getuigenissen die we verzamelden, uit heemkundige verslagen en in de beperkte literatuur over de werkweigeraars (o.a. "Hier gaat alles zijnen gewonen gang" van Frank Seberechts) komt een uiteenlopend en vindingrijk 'arsenaal' aan het licht. Naast de vaak voorkomende boerenschuren, hooizolders en achterkamers verstopten de onderduikers zich in koeienstallen, kerktorens, serres en dodenhuisjes op het kerkhof. Nog specifieker zijn "de donkere kamer van een fotograaf", "de oven van een steenfabriek" en "ik zat weggestopt onder de vloer van een schoenmakerij". In Bikschote zaten Henri V. en zijn broers ontelbare nachten in een "gereinigde mestput van de stal". Een Kempense onderduiker zat in een put onder "een grote houtmijt" en Gustaaf V. uit Wondelgem kon zich vijf dagen per week verstoppen in een huis waarvan de bewoners alleen in het weekend aanwezig waren. Hij durfde evenwel geen kachel aansteken in dat koude lege huis en dus had hij "weken aan één stuk onder de beddendekens gelegen".

Het pension “Zomerlust” in Bredene waar Raymond verstopt zat in een ruimte achter een borstelhok.

Het pension “Zomerlust” in Bredene waar Raymond verstopt zat in een ruimte achter een borstelhok.

Borstelkot    
Raymond (85) uit Bredene maakte eerst een zwerftocht van vele kilometers door Wallonië (waar hij zich in de bossen verstopte bij het verzet) om dan uiteindelijk naar de kust terug te keren en "op pension" te gaan.    
"Mijn nonkel-timmerman had een familiepension in Bredene dat leeg stond. Ah ja, er was geen toerisme meer, want het strand en de duinen waren helemaal afgezet met bunkers, zwaar geschut, versperringen en mijnen, en in het achterland stonden de Rommel-Asperges, grote houten staken die de landing van zweefvliegtuigen moesten verhinderen. Dus al die kamers van dat pension stonden leeg en de laatste logeerkamer van de gang heeft hij dan omgebouwd. Van het voorste deel van die kamer maakte hij een borstelkot, dat stond vol gerief om schoon te maken, en daarachter had hij een sas met een schuifdeur gemaakt en zo kwam ik in mijn kamertje.
Er was juist genoeg plaats voor een smal bed. Qua beweging kon ik alleen naast die matras stappen, en toch heb ik daar vijf maanden gezeten. Ik kon naar beneden om bij mijn nonkel en tante te gaan eten, maar het veiligste was toch op dat kamertje te blijven.
Dat waren lange lange dagen! En mijn enige gezelschap was een radio. Daarop kon ik de Engelse post ontvangen, dat waren toen vooral de oorlogsberichten en de big band muziek van Joe Loss, Glenn Miller, Victor Silvester en al die anderen. Ik hield ook een dagboek bij en mijn nonkel zorgde elke dag voor een krant. Daarin las ik àlle artikels en ik loste ook elke dag het kruiswoordraadsel en de rebus op. Nonkel had in Holland ook nog een cursus "Engels leren" besteld en ook die cursus heb ik helemaal ingestudeerd.
Ik had dus genoeg om te lezen, maar ge zijt jong, dan wilt ge uw tijd niet passeren in zo'n stil kamertje. Ik lag dan maar vanop mijn bed naar het plafond te staren. Uit het raam kijken had geen zin, want ik keek uit op een blinde muur. Van dat lange liggen in bed werd ik stijf en suf en dan deed ik strek- en plooioefeningen in dat gangpad naast mijn bed.
't Was zo klein, in feite zat ik gevangen als in een cel. En elke dag vroeg ik mij af: hoelang gaat die stomme oorlog nog duren, hoelang ga ik hier nog opgesloten zitten? Maar dan dacht ik weer aan mijn vader en mijn nonkel. Dat waren oudstrijders, die hebben beide aan de Ijzer gevochten in '14-'18, die hebben vier jaar in de modder van de loopgrachten gezeten. Mijn vader zat zelfs in de Dodengang (een levensgevaarlijk complex van loopgraven dat op enkele tientallen meters van de Duitse linies gelegen was,jh) Vergeleken met hen zat ik in de luxe, maar mijn miserie was dat ik zo alleen zat en geen kameraden zag, dat was erg. Ik heb dikwijls in mijn eentje zitten fluiten, om toch iets vrolijk te doen. 
Dat de bevrijding eraan kwam, kon ik horen aan de ontploffingen buiten. Het waren de terugtrekkende Duitsers die bij hun aftocht alles opbliezen zodat de geallieerden er geen gebruik van konden maken. Plots stond mijn nonkel in de deur: "In Oostende hangt de Belgische vlag al aan de kerktoren!" En ik naar buiten! Eindelijk weer lucht, eindelijk weer vrije vogel. En ik heb een Belgische vlag gepakt en terwijl de Duitsers nog aan 't weglopen waren, ben ik ermee op de kerktoren van Bredene geklommen!"
In memoriam
Raymond is nog een vitale verteller. Maar ze worden zeldzaam, de werkweigeraars die nog kunnen vertellen. Al bij één van m'n eerste telefoons kreeg ik het te horen: "Die voortvluchtigen! Dat zijn mannen van achter in de tachtig. Daar zijn er al massa's van vertrokken!" De dood was inderdaad niet weg te denken. Eén contactpersoon hàd iemand voor mij, "een hele goeie, maar de mens is gisteren begraven". Eén man klonk nog helder, maar ook dat was schijn: "Ik ben totaal verlamd geweest, meneer. Ik weet niks meer, ik kan u niet helpen." Het meest schrijnende was een telefoontje naar Brugge. Een vriendelijke vrouwenstem zei dat ze haar man zou roepen, "maar dat het wel éventjes kon duren". Een halve minuut later kwam er een veel te jonge mannenstem aan de hoorn. Het was de thuisverpleger: "Mevrouw is een beetje in de war. Haar man is twee maand geleden gestorven". En zo gaat de stille maaier verder langs zijn anonieme slagveld.   

Georges (piccolo) en z’n vader die conciërge was in het casino. Georges zat in de luchtkokers verstopt, vlakbij zingende en feestende Duitsers.

Georges (piccolo) en z’n vader die conciërge was in het casino. Georges zat in de luchtkokers verstopt, vlakbij zingende en feestende Duitsers.

Van alle geïnterviewden is Georges Rombout (86) degene die slechts kort ondergedoken zat, maar één van zijn schuilplaatsen is ongetwijfeld één van de meest bizarre in België. Georges verstopte zich in het casino van Knokke.
«Wij waren met twee zonen en vader en grootvader waren jachtwachter in de duinen van Knokke. Toen het casino in 1930 openging, heeft de grote baas van die jachtvelden mijn vader daar als conciërge aangesteld.
In mijn jeugd moest ik helpen: de zalen en gangen opkuisen, de stoelen weer op hun plaats zetten en nog van die karweien. Toen ik vijftien was, twee jaar voor de oorlog, moest ik ook piccolo zijn. Zo in een rood kostuumtje met een rond potje op de kop. Dan stond ik bij de  trap programmaatjes uit te delen, of sigaretten te verkopen, of ik bracht telegrammen rond bij al dat druk zakenvolk.
Maurice Chevalier, Marlene Dietrich en Louis Armstrong traden toen op, maar ik was een speelvogel in de duinen, ik interesseerde mij nul voor al die vedetten. Ik liep niet graag rond in dat nauwe piccolo-pakje, maar piccolo zijn was wel prima voor het drinkgeld! De mannen met de meeste centen waren de Engelsen. Sommigen kwamen naar hier gevlogen met hun eigen vliegtuigske! Die landden op het vliegplein van Knokke, trokken hun smoking aan, stapten met hun vrouwvolk in een taxi en kwamen hier grote sier maken. Menslievegod, ik zie ze nog altijd binnenkomen met hun fijne Players-sigaretten in die prachtige glimmende doosjes! Elitevolk was dat, van Cambridge en Oxford! En fooien dat wij kregen! Onze broekzakken zaten vol muntstukken. Er is een weekend geweest dat we driehonderd frank verdienden. Een fortuin voor die tijd! Soms was de avond nog niet om en rolde het geld al uit onze volle broekzakken! We stopten het dan maar in de bloempotten van de palmiers. Jongens toch, wat een tijd!
Sommige van die Engelsmannen hebben we tijdens de oorlog nog teruggezien! Ons vliegplein dat in handen was van de Duitsers, was natuurlijk een doelwit van de Britse jachtpiloten. En ik zàg dat sommige van die piloten de plek herkenden. Want als ze na een aanval terugkeerden naar Engeland, dan wiebelden ze met hun vleugels naar de mensen op het land. De gewone werkmensen in Knokke begrepen dat niet, (trots) maar ik wist, die mannen zeggen ons goeiendag vanuit de lucht!
In de konijnenpijp
In het voorjaar van 1944 kreeg ik mijn oproepingsbevel. Mijn vader die in de ondergrond zat, zei dat ik het niet te ver moest zoeken. Ik moest thuisblijven, en als er gevaar dreigde, moest ik mij verstoppen in het casino. Ik kende dat casino door en door. Als kind speelden wij daar al katje-duuk (=verstoppertje) in die gangen. Ik zie ons zelfs nog in de lange gordijnen van het podium hangen. Dan waren wij natuurlijk Tarzan, en dan zwierden wij van het ene tienmetergordijn naar het andere tot de rails door ons gewicht naar beneden kletsten, dan was het gedaan natuurlijk.
Van vader moest ik de weg leren kennen in de ventilatiekokers van het casino, "want een konijn in nood springt ook in een pijp!" Ge hoorde dat goed dat hij vroeger nog jachtwachter was geweest.
Die kokers van die ventilatie waren verbonden met de ventilatoren van de speelzaal en de grote balzaal, daar waar de variéte-avonden werden gehouden. Om in die kokers te geraken moest ge in de kelder  een rooster losschroeven en zo kwam je in die pijpen die in  gewapend plaaster waren gemaakt. Ge kondt er juist in, kruipen op uw knieën en ellebogen. In de bochten was het smal, zeker voor een knaap van een meter negentig als ik. Wie claustrofobie had, die werd zot, zo benauwd was het.
Kraft durch Freude
Ik moest daarin kruipen als het feest was voor de Duitsers, meestal was dat het wekelijkse optreden van Kraft Durch Freude. Dat was een schitterende revue van zangers, clowns, acrobaten en andere artiesten en die deden een tournee langs de Duitse troepen om het moreel wat op te krikken. Op woensdag was het altijd in Knokke en dan zat er zeker duizend man in de zaal, ze werden aangevoerd met camions en auto's. En op de eerste rij stonden de fauteuils voor de officieren, de mannen met een monocle in hun oog.
Toen ik nog geen gevaar liep, stond ik daarnaar te kijken vanuit de coulissen en één keer - op 21 juli- hebben we de Duitsers een surprise bezorgd. Mijn broer en ik hadden onze kat in een duivenmand gestopt, mét een Belgische strik om haar hals, en midden in de voorstelling lieten we haar los: zij stapte parmantig over dat podium en vader nam ze in de schijnwerper. Die Duitsers, jong, die vonden dat pràchtig, oh! en ah! en ze begonnen zelfs te applaudisseren. Want ja, die soldaten van de Wehrmacht, dat waren ook maar vaders en zonen, die waren niet contrarie. 't Zijn de nazi's en de Gestapo, die waren te verachten. Enfin, onze kat verdwijnt en ineens horen we buiten drie schoten. Niet van de Duitsers, maar van de zwarten die ook op die revue aanwezig waren. Zij hebben onze kat doodgeschoten. 't Beestje heeft nog twee dagen geleefd, maar is dan gestorven. Voor het vaderland zullen we maar zeggen (lacht).
Enfin, met mijn oproeping werd ik voortvluchtig en kon ik niet meer vanuit de coulissen toekijken, ik moest mij in die kokers verbergen. Niet uit schrik voor de soldaten, maar uit schrik voor de zwarte Knokkenaren die mij niet mochten zien, want die wisten maar al te goed dat ik eigenlijk in Duitsland moest zijn. Zat ik daar in die koker en dan hoorde ik natuurlijk die Duitse fanfares, (bonkt op de tafel) denn wir fahren! denn wir fahren gegen Engeland, en met hun botten maar stampen op de vloer! Boven mijn kop! Op het einde was er altijd een speech van één of andere generaal en dan was het natuurlijk Sieg Heil, Sieg Heil!
Was het feest ten einde en was de kust weer veilig, dan blies mijn vader op een fluitje en dan mocht ik uit mijn pijp komen.

Het casino van Knokke onder de houten namaakbunker. Ook de lopen van het afweergeschut waren in hout.

Het casino van Knokke onder de houten namaakbunker. Ook de lopen van het afweergeschut waren in hout.

Eén keer ben ik onvoorzichtig geweest. De Duitsers waren begonnen met de bouw van de Atlantikwall, dus met het aanbrengen van nog meer mijnen, versperringen en geschut om de kust te vrijwaren voor een landing en ze hebben het casino toen in een houten kap gestoken. Precies of het was een bunker en er staken ook grote lopen van kanonnen uit, maar ook die lopen waren van hout. De afval van dat hout hebben we nog goed in de stoof kunnen gebruiken. Enfin, de bouw van die houten namaakbunker was begonnen, maar ik was niet weg te slaan van dat dak, ik wilde maar altijd de bommenwerpers zien die naar Duitsland vlogen. Hoor ik ineens stappen op de trap en komen er vier Duitsers op dat dak. Mét een luchtafweerkanon! Aiaiai, Georges wat nu?! Ik duik direct in zo'n koker van de ventilatie, maar die pijp liep dood, ik kon niet weg! En tot 's morgens heb ik daar moeten zitten. Pas dan rinkelde hun veldtelefoon en moesten ze sofort vertrekken. Mô mensch, die nacht heeft mijn hart nogal geklopt!
Het was dus niet meer veilig in het casino. En dan zijn wij met ons gezin in een villaatje gaan wonen in het achterland. Mijn vader ging nog elke avond naar het casino om te werken. Ik zat in een kleerkast die vol kleren hing en in die achterwand had ik een gat gezaagd en via dat gat én een opening in de muur kwam ik in een vide terecht waarin ik niet te ontdekken was.
Maar op een dag hebben ze mijn moeder erin geluisd. De Duitsers waren in burger en ze waren poeslief, ze hadden zogezegd papieren bij dat ik vrijgesteld was, ik zou niet naar Duitsland moeten. En mijn moeder blij roepen naar boven, naar die kleerkast: Georges, ik heb goed nieuws! En ik: moeder, ik ben eraan! Ze stonden al in de traphal met het pistool op mij gericht. En zij schreien natuurlijk, en dan ben ik via een klein wc-raampje naar buiten gedoken, een sprong gelijk een panter! Maar in de haag zat een zwarte, ene Piet Porey, handlanger van de Gestapo in Brugge. En zo ben ik toch gepakt."
Rien ne va plus
«Ik ben met één van de laatste konvooien naar een Duits werkkamp gevoerd. Het was al augustus 1944 en België is bevrijd in september. In Schaarbeek stond het perron vol. Allemaal weggevoerden die in wagons van een stoomtrein werden gestampt. Ik zat gelukkig in een beestenwagon, daar was toch wat ruimte en af en toe kondt ge lucht scheppen bij een roosterke in de wand. De mannen die in de reisrijtuigen zaten, die hadden het benauwd! Die zaten op mekaars knieën, overvol zat die trein!
In Luik vertraagde de trein, telefoonpalen over de rails! Omgezaagd door het verzet. Aussteigen! en wij moesten zelf die palen wegdragen. Verschillende jongens zijn daar weggelopen, maar ze schoten ze neer gelijk konijnen."
Na drie dagen belandt het konvooi in Dresden en vandaar in een werkkamp in Zittau waar ze onderdelen voor de vliegende bommen V1 moeten maken. Intussen rukt het Russische leger op, de fabriek moet ontmanteld, en ze moeten alle materiaal op binnenschepen laden. «Wij mochten 's nachts niet aan dek, maar ik deed dat toch, en ineens zagen mijn kameraden en ik allemaal dode schapen voorbij drijven. 't Werd morgen en toen zagen we dat dat allemaal bleke mensenlijken waren, velen afschuwelijk verbrand! Wij wisten toen nog van niets, maar dat was de vreselijkheid van Dresden, ge weet wel, dat fosforbombardement dat alles verwoest heeft.

Georges (midden) na de bevrijding uit het werkkamp in Duitsland.

Georges (midden) na de bevrijding uit het werkkamp in Duitsland.

De gestreepte mannen
Uiteindelijk kwamen we met ons transport aan in Lippstadt en Lippstadt was de hel. Had ik daar langer dan twee maanden moeten blijven, dan had ik het niet overleefd. Ze houwden daar een berg uit, en in die holte moest een grote werkplaats komen voor de produktie van de nieuwe Messerschmitt, de ME 262, een jager met straalmotoren. 
Wij vielen onder een streng regime, maar dat was zacht in vergelijking met de behandeling van de echte dwangarbeiders, de Nacht-und-Nebel-mannen in hun gestreepte kleren. Dat waren vooral Russen, politieke activisten en verzetslieden die in hun land 'verdwenen' waren en die hier gedoemd waren om te sterven. Zij moesten in die bergwanden houwen en zware drilboren bedienen terwijl ze nog maar vel over been waren. Viel er één dood, hij werd in de kipwagon gezwierd en buiten in een massagraf gegooid. Die Duitse ploegbazen werden betaald per uitgehouwen meter en die dreven die sukkelaars maar op. En of er nu tien of twintig dooien vielen, dat kon hen niet schelen.
Wij hadden nog eten, zij hadden zo goed als niks. Ik weet dat wij 's morgens de schillen van patatten achterlieten en zij aten dat op!
Op een dag spreekt er éne me aan: Camerade! La guerre, ça dure! Où est-ce-qu'ils sont? - In Aken, zei ik. Ja, ze zaten daar gestremd door de slag om de Ardennen, het ging niet zo best vooruit. Maar dat zei ik allemaal niet. Ik zei Du courage! ils vont venir! Binnen een maand of twee staan ze hier; ça ne va plus, schudde hij, en hij viel achter zijn schup en bleef daar dood liggen. Dat waren geen mensen meer, dat waren wandelende skeletten.
Op 16 april 1945 - na bijna negen maanden werkkamp- zijn we bevrijd door de Amerikanen. Wij de trein op naar België, en in het station van Luik krijgen we warme chocolademelk met zoet krentenbrood (verzaligd) oh, wij waren in de hemel, wij konden niet stoppen met eten! En ineens zie ik een bekend gezicht, Piet Porey, de man die me gearresteerd had bij m'n sprong uit dat wc-raampje! Maar! Hij liep nu rond met een Belgisch driekleurtje op zijn jas! En ik spring op hem af, "jongens, hier zit een Gestapo!" en ik gooi 'm omver, ik ga op hem zitten en ik knijp zijn keel toe. Mijn kameraad Louis haalde al zijn Duitse bajonet boven, hij ging hem "doodsteken" en als de militaire politie niet met de matrak tussenbeide was gekomen, dan was ie dood geweest. Die Piet is later veroordeeld tot twintig jaar cel. En toch straf hé, hoe die daar ineens kon opduiken in Luik!"
Hij zegt dat de wereld klein is. En dat het toeval een rol kan spelen in een mensenbestaan. En dat hij nog tot zijn achtenzestigste in het casino heeft gewerkt.
We drinken koffie met de ramen open en zo is het volle zomer, en zelfs doordeweeks ook nog eens volop vredestijd.

Nawoord: Georges Rombout overleed in 2013. Hij was 89.

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (1)

De strijd tegen het coronavirus wordt een oorlog genoemd. Met zoveel mogelijk binnen blijven en contact schuwen met de vijand.
In de echte oorlog van '40-'45 waren er de jonge Belgische werkweigeraars die zich voor de vijand diep moesten wegsteken in zolders, kippenhokken, holen in het bos  en andere (krappe) schuilplaatsen.
Dit is hun relaas.   

uit Humo okt. 2009 / bewerkt en ingekort/ © Jan Hertoghs 

"Ik leefde in een hol. Ik was zo schichtig als opgejaagd wild."

rené en louis.JPG



De foto van twee werkweigeraars die tot hun ellebogen in een put staan. Ik zag het beeld in een fotoboek over de Kempense gemeente Sint-Jozef Rijkevorsel. Het onderschrift luidt: Gedurende bijna twee jaar (1943-1944) leefden René en Louis Vervloet in de grond. Meermaals had het broederpaar het gezelschap van Jefke Vaes. De zuurstoftoevoer geschiedde via een buisje dat uitkwam in een struik in de tuin. Meer staat er niet gedrukt en meer is er ook niet nodig om de nieuwsgierigheid te wekken. Vijfenzestig jaar later is dit de zoektocht naar de werkweigeraars en de merkwaardige schuilplaatsen waar ze zaten ondergedoken.

Anna Vervloet (79) is de zus van René en Louis. Ze woont nog altijd in Sint-Jozef Rijkevorsel. Thuis waren ze met tien, zes jongens en vier meisjes. Zij is de jongste en "de enige die het nog kan navertellen, de anderen zijn allemaal dood." 
«Ze zijn met de opeisingen begonnen in '42, ik was toen twaalf jaar. Ik weet dat nog goed want in '42 heb ik mijn plechtige communie gedaan en toen hebben we wit brood gegeten. Onze Louis die 23 was, hebben ze direct opgeschept. Hij heeft malchance gehad in de oorlog. Hij was soldaat in '40 en na de capitulatie heeft hij nog acht maanden als krijgsgevangene in een kamp gezeten. Van dat kamp was hij nog maar anderhalf jaar thuis en toen kwamen ze al aan de deur om hem op te eisen. Twee Feldgendarmen en een 'gendarm' van Rijkevorsel, een collaborateur, een 'zwarte' gelijk als ze zeggen. Onze Louis was niet op tijd in de bossen kunnen vluchten, hij zat op zijn kamer onder het bed. Die Duitsers wilden niet te hard zoeken, die hadden ook zonen, die stonden zelfs op het punt om weer weg te gaan, maar die lelijke zwarte zocht verder en ineens hoorden we hem roepen: komt er maar onderuit, Louis! En onze Louis: ik kom niet, schiet mij maar dood. En ja, toen begon ons moe te schreeuwen: Louis, dat moogt ge ons niet aandoen, en dan is hij toch aangehouden en mee gemoeten naar Duitsland.
Vandaar stuurde hij een brief dat hij alleen op verlof kon komen als vader of moeder zwaar ziek of stervende zou zijn. En dan heeft de dokter in een telegram gesteld dat moeder zeer zwaar ziek was en dat Louis' overkomst dringend gewenst was. Ons moe was toen zesenvijftig, ze leek een oud menske, ze was ook heel mager, ze kon dus spelen dat ze ziek was, en zo is zij wekenlang te bed gebleven voor het geval de Duitsers kwamen controleren. Op een dag stond Louis hier, heel ongerust natuurlijk, maar wij zegden, het is maar komedie van ons moe.
Na drie dagen verlof moest hij weer naar Duitsland, maar vader had toen al de put klaar waarin hij zich kon verstoppen. Onze René die twee jaar jonger was ging ook mee in die put, want stel dat ze Louis kwamen zoeken en dat ze René in zijn plaats wilden meenemen, dat mocht niet gebeuren!
Met zijn broers had vader die put gegraven in de moestuin, dat stuk tuin was niet te zien vanop straat. 't Was een put van twee meter op twee meter en diep genoeg, ge kondt er bijna recht in staan. Als plafond waren er stutplanken met daarop een laag van dertig à veertig centimeter aarde. Dat was veel zand en dat was ook de bedoeling: ge moest daarover kunnen lopen zonder iets gewaar te worden. Bovenop die plek had hij aardbeien en knoesels (stekelbessen) staan. Dat woekert, dat ziet er wild uit, en tussen de wortels van die struiken zaten de dunne stoofbuiskes verstopt die ventilatie gaven in die put. 
Op één plaats was een klein valluik. Dat het klein was, ziet ge op de foto: ze kunnen juist met twee in die opening staan. Eruit of erin, dat moest één voor één.
Als onze René en Louis in de kuil waren, dan schupte hij die opening weer dicht en dan rijfde hij dat proper zodat er geen sporen te zien waren. Onze va was fabrieksarbeider, die hof was zijn genoegen: hij rijfde daar elke dag, en toen de mannen daaronder zaten, dan rijfde hij nog meer om elk mogelijk spoor uit te wissen.
Het venster van Jefke
Overdag waren de jongens meestal in huis en 's avonds kropen ze in dat gat. Om te slapen hadden ze stro en ze hadden ook licht, een stallantaarn die op petrol werkte.
Vader drukte hen altijd op het hart: "Mannen, maakt geen gerucht daar beneden en doet onder geen beding dat luik zelf open. Zelfs als ge boven vanalles hoort gebeuren, ge verroert geen vin, ge wacht tot ik u kom halen."
De Feldgendarmen zijn na een tijdje naar Louis komen zoeken. En wij zegden: Louis is hier niet. Hij is vertrokken naar Duitsland en als gij zegt dat hij daar niet is, dan weten wij ook niet waar hij is. Dat was wel een spanning om dat te zeggen, want eigenlijk stak hij onder hun voeten.
Eén keer zijn de Duitsers ook tussen die aardbeien gestapt, vlak boven hun kop, maar er was geen holle klank te horen, dus ze hebben niks gemerkt.
Ons systeem zou nooit gewerkt hebben zonder Jefke Vaes en zijn familie. Die woonden dichter bij de grote baan en zij hielden overdag alle verkeer in het oog, want er konden Duitsers of zwarten op komst zijn. Als hun achterraam open stond, dan was alles veilig, en dan mochten ons mannen in huis zijn. Maar ging dat raam dicht, dan was er onraad en dan moesten ze zo rap mogelijk de put in. Jefke was zelf ook werkweigeraar, dus als hij Duitsers zag naderen, dan wou hij mee de put in. Maar hij mocht alleen komen als bij ons het voorste gevelraam open stond. Was dat niet het geval, dan was er bij ons ook onraad en dan moest hij zich elders verstoppen.
Die put was een groot geheim tussen die twee families. In heel de straat wist niemand van die plek.
Als de jongens overdag in huis waren, dan moesten ze van de vensters wegblijven zodat niemand hen ook maar een moment zou opmerken. Eigenlijk waren wij maar gerust als het nacht was en ze in hun put zaten. Overdag waren wij niks gerust. Dan waren we constant naar dat raam van Jefke aan het spieden om te zien of dat nog wel op 'veilig' stond. 
Als kind van twaalf ging ik toen nog naar school maar ik heb mij nooit versproken over die schuilplek. Als ze mij zegden, Anna, geen woord daarover, dan sprak ik geen woord."
Dan is de bevrijding gekomen, "met veel miserie, want hier is nog een maand hard gevochten bij het Kempische Kanaal." En dat René tot zijn tweeënzestigste geleefd heeft, en Louis al op zijn vijfenveertigste dood was ("verzwakt als hij was door het krijgsgevangenschap"). En dat Jefke Vaes nog rapper dood was, die heeft na de oorlog nog maar twee jaar geleefd.

Trouwens, dat onderduiken was niet het érgste van die oorlog. Veel erger is het lot van haar oudste zus Marie. Die was in 1940 met haar man en de kinderen naar Noord-Frankrijk gevlucht, maar ze kwamen niet terug. Pas maanden later had er iets in de krant gestaan: de twee jongsten, Jeanneke en Martha, veertien en vier jaar oud, waren nog in leven. Ze waren van hun ouders gescheiden geraakt tijdens een bombardement en "ze waren op te halen op het Belgisch consulaat in Parijs". Via het Rode Kruis zijn de kinderen dan naar België gekomen en in het grote gezin Vervloet opgenomen. Van Marie en haar man én van de veertienjarige zoon Frans ontbrak ieder spoor en in 2009 is dat nog altijd zo. Het is een verschrikking, zegt Anna. Haar familie heeft in Frankrijk een massa kerkhoven bezocht, ze hebben zelfs helderzienden geraadpleegd, maar zonder resultaat. En zo zijn Jeanneke en Martha opgegroeid zonder dat er ooit nog een teken van leven is geweest van hun broer en hun ouders. Het houdt Anna nog altijd bezig: "Ik kijk al jarenlang naar alle tv-programma's over de oorlog en elke keer hoop ik een glimp van hen op te vangen. Zelfs al gaat het over de deportatie van de joden, ik zal kijken! Dat is zo als ge iemand vermist, dan blijft ge heel uw leven op de uitkijk".   


werbestelle.jpeg

De verplichte tewerkstelling
Duitsland is al vroeg begonnen met de verplichte tewerkstelling. Al na de inval in Polen (1939) werden honderdduizenden Poolse werkkrachten weggevoerd. In België is het stelsel ingevoerd in oktober 1942. Alle mannen van 18 tot 50 jaar konden verplicht worden om arbeid te gaan verrichten in Duitsland. Wie een oproeping kreeg en zich niet aanmeldde om te vertrekken, werd als voortvluchtig beschouwd en zijn ravitailleringszegels werden ingetrokken zodat de familie minder te eten had. Er kon ook beslag gelegd worden op een deel van de inboedel.
Vrijstellingen werden alleen gegeven aan mijnwerkers, houthakkers, schippers, geestelijken, studenten, vaste leerkrachten, gemeente-ambtenaren, rijkswacht, politie, en meestal ook aan boeren en arbeiders in de voedingsindustrie
Desondanks zijn tussen november 1942 en juli 1944 ruim 189.000 jonge Belgen verplicht naar Duitsland vertrokken. Vele tienduizenden zijn aan de tewerkstelling ontkomen door valse doktersattesten of andere administratieve 'oplossingen' die een vrijstelling opleverden. Het aantal onderduikers werd begin 1943 al op 14.000 geschat, maar latere cijfers ontbreken.
In het kiekenkot
Mon Heremans
(89) uit Brecht steekt een zelfgerolde sigaret op. Ze zal uitdoven, maar ze blijft tussen zijn vingers, mee bewegend met zijn grote gebaren en beschrijvingen. Mon heeft op verschillende plekken ondergedoken gezeten.
«Onder de oorlog werkte ik bij mijn vader, die had toen een handel in kleinvee en pluimvee. Eerst hebben ze hém opgeëist, hij moest in de hei gaan spitten om daar gronden te ontginnen. Na twee dagen is hij al gaan lopen, en zo had ik een vader die voortvluchtig was, maar af en toe nog thuis was.
Op een morgen stopte er een dievenkarreke voor ons huis met twee Feldgendarmen erin. Ik hoorde onze va naar de zolder roefelen. Ist uw Vater te Hause? Nicht te Hause, zei ik. Ja, toen kwamen ze binnen natuurlijk. Maar ze hebben hem niet gevonden. Als ze weg waren, zei ik: va, waar zat gij potverdekke weggestoken? Hij zat op de zolderkamer, in een vide tussen het plafond en het pannendak, daarvoor moest ge heel lenig zijn om u daarin weg te moffelen. Later is dat ook mijn plaatske geworden als mijn oproepingsbevel is gekomen. Ik was toen tweeëntwintig.
Om de razzia's in ons huis te ontwijken, heb ik dikwijls in de schuur van een boer geslapen. Die presenteerde dat zelf: als ge u wilt verstoppen, komt bij ons! Tussen de bussels stro had die zelfs een matras gelegd!
Voor het geval ik toch thuis was en er ineens onraad dreigde,  mocht ik mij ook verbergen bij de buren, in hun bietengroeve. Dat is een langwerpige stapel bieten die bewaard worden onder een laag aarde en een deksel van stro. Ik 'dook' dan in die bieten en vantussen die knollen trok ik het stro over mij heen zodat ze me niet konden zien.
Ze waren altijd koleirig als ze mij of mijn vader niet aantroffen. Eén keer trok zo'n Feldgendarm zijn revolver naar ons fokske omdat die zo tegen hem aan 't blaffen was. En mijn moeder smeekte, dat gaat ge toch niet doen? Nein, hij had Kompassion, hij zou het dan toch maar niet doen.
Mijn beste schuilplaats is ontstaan door een verschrikkelijk bombardement. Begin juni 1942 was hier een "Vliegend Fort" (B-17 Flying Fortress) van de Amerikanen op een huis gevallen. Dat was toen het grootste bombardementsvliegtuig dat er was, en dat viel boenk op dat huis dat gelijk in brand schoot. Ik kwam daar toegelopen en ik heb nog één kindje horen schreeuwen in die vlammen. Dat is erg (krijgt de tranen)... een kind horen schreeuwen en ge kunt er niet aan, ge kunt niet helpen! Vijf van de zeven mensen die daar woonden, waren dood. Toen die ruïne meer dan een jaar leeg stond, ben ik met drie kameraden-werkweigeraars in dat kiekenkot van dat huis gaan logeren.
't Was een groot kot, er hadden vroeger wel vijftig kiekens in gezeten en nu zaten wij daar met z'n drieën. Wij lagen op dat verhoogske van balken waar de kippen op stok gingen, en we hadden de vloer bedekt met stro. Daar is ook wel eens bier gedronken, en ook wel eens teveel bier. Dat we goe petat in dat stro lagen.
Alleen onze ouders kenden die schuilplaats en ge mocht er niet aan denken dat de zwarten u daar ontdekten. Dan vloogt ge naar Breendonk of een ander kamp van de moffen! Maar ge zijt jong en voor niks bang! Voor ons was dat onderduiken eigenlijk een avontuur. Maar dan wel een avontuur waar we niet om gevraagd hadden!"


Het tonnenvlot over het Albertkanaal in Zolder.

Het tonnenvlot over het Albertkanaal in Zolder.


Als vrouw verkleed
Het opsporen van de voortvluchtige werkweigeraars was de taak van de Feldgendarmen die vaak werden bijgestaan door plaatselijke collaborateurs ("de zwarten"). Ook de Duitse Werbestelle die instond voor de contracten van de tewerkgestelden had een eigen Zivilfahndungsdienst die onderduikers ging opsporen. De Fahnders waren zowel Duitse ambtenaren als "zwarten". 
Pol Alenis (85) was zo'n jonge onderduiker. Hij woonde in een dorp dat deels pro-Belgisch deels Duitsgezind was en "waar op de duur niemand nog te betrouwen was". Dat maakte dat hij zich "als opgejaagd wild" in de bossen moest verstoppen. Achttien jaar zijn en in dat beroerde bestaan van onderduiker gedwongen worden: zelfs nù nog weet hij hoe onzeker en hoe kwetsbaar hij zich toen voelde.
«Wij woonden in Viversel, een klein dorp nabij Zolder dat in twee was verdeeld: de betere huizen rond de kerk en de arme huizen aan de overkant van het Albertkanaal. Wij woonden in één van die afgelegen huizekes aan de overkant en tijdens de oorlog kwamen we nog meer alleen te liggen omdat de kanaalbrug opgeblazen was en onze huizen alleen maar bereikbaar waren met een tonnenvlot. We waren thuis met zes kinderen, twee jongens en vier meisjes. Moeder stierf toen ik dertien was, en van dan af stond mijn vader er alleen voor, hij werkte in de koolmijn. 
Toen de opeisingen begonnen was ik achttien jaar. Het bevel kwam van het Arbeidsambt in het voorjaar van 1943. Ik wilde niet voor den Duits gaan werken, geen denken aan. En ik wilde ook niet weg uit ons dorp. Toch zeker niet naar dat verre onbekende Duitsland waar sprake was van kampen en dwangarbeid en vervolging van de joden, wat zou ik in zo'n land gaan doen?!
Normaal zou ik vanuit het station in Hasselt moeten vertrekken met de speciale Arbeitszug bestemming Berlijn-Brandenburg, maar de avond tevoren ben ik thuis weggegaan. Met het vlot en zo door het dorpscentrum. Ik droeg vrouwenkleren, een lange rok en sportkousen van mijn zus en een sjaaltje om mijn hoofd. Zo'n schrik had ik om herkend te worden, want in het dorp waren meerdere Duitsgezinden. Ik ben dan naar mijn nonkel gestapt die in Zolder-Heikant woonde. Daar heb ik me drie weken kunnen verstoppen, maar toen zegden ze op de radio dat mensen die onderdak verleenden aan werkweigeraars met de dood konden gestraft worden. Dat gezin werd bang, ik moest daar weg en zo ben ik in het huis van een getrouwde zus beland. Maar omdat de stemming op de radio zich alsmaar dreigender tegen de onderdakverleners keerde, ben ik weer naar Viversel gegaan.

(Bron: SOMA)

(Bron: SOMA)

Kogels en granaten
Voor de inval van de Duitsers had het Belgische leger zich ingegraven in het bos achter ons huis, dat was een verdedigingspunt geweest bij het strategisch belangrijke Albertkanaal. Maar ja, met de inval waren die soldaten halsoverkop vertrokken. Hun schuttersputjes waren daar nog en daar ben ik ingekropen nadat ik ze wat dieper had uitgegraven.  Thuis ben ik dan een busselke stro gaan halen, dat was mijn 'matras' en mijn 'deken' was zo'n dunne lap die ze over het brooddeeg leggen om het te doen rijzen. Als camouflage trok ik enkele takken over dat gat.
‘t Was een vreemd terrein. Er waren nog loopgraven en er lagen nog kogels, handgranaten en brisantbommen. 't Was zo'n plek waar ge altijd ongerust waart, want ja, wie steekt er zich nu weg daar waar àlles aan de oorlog doet denken?!
Of ik zo'n handgranaat zou genomen hebben om mij te verdedigen bij een razzia? Nee, dat durfde ik niet! Ik durfde geen enkel wapen dragen want dan zouden ze in mij een verzetsman zien, en dan zou ik zeker met de dood bestraft zijn! Pas na de oorlog heb ik die granaten gebruikt, je deed ze ontploffen in de beek en je kon de kilo's witvis en karper zomaar opscheppen! 
Ik had me natuurlijk nooit eerder 's nachts in een bos verborgen gehouden, dus ik was zeker bang, maar de angst voor de Pruisen en hun strafkampen deden mij alle andere schrik vergeten.
Overdag waagde ik mij soms uit die put, maar ik was zo schichtig als een beest. Bij elke stap die ik zette, vroeg ik me af of iemand me kon zien. Zag ik een boer die naar zijn veld ging, of kinderen die in de buurt kwamen spelen, dan dook ik al achter een boom. Ik was als de dood dat iemand me zou opmerken.
Een paar dagen nadat ik in die schuttersput zat, zijn drie Duitsers bij ons binnengevallen. Het was rond elf uur 's avonds, ik lag diep in mijn hol, ik heb het niet gehoord, want anders was ik zeker gaan lopen. Mijn vader en broer waren nog op en die moesten zeggen waar ik was. Nach Deutschland, zegden die, maar ja dat werd niet geloofd, en dan klommen ze de trap op naar de hooizolder en daar staken ze met hun bajonet in dat hooi en in het stro.
Vlaamse "Gestapo"
Na die razzia hoorde ik dat ze met speurhonden zouden terugkomen en dan ben ik bij een boer in Viversel ingetrokken. Ik kon daar werken voor de kost en ik mocht slapen op de hooizolder. Maar dan ziet ge wat de oorlog met u doet. Ik kénde die boer en toch was ik niet gerust. Is hij echt anti-Duits of doet hij maar alsof? Misschien laat hij me binnen om mij in de val te lokken? En zo was ik maar aan het piekeren. Die onzekerheid is nu meer dan vijfenzestig jaar geleden, en nóg weet ik hoe die mij gekweld heeft. Want ja, ge zijt maar achttien jaar, ge zijt amper uw kindertijd ontgroeid, en de ene dag kent ge nog iedereen in uw dorp en kunt ge iedereen vertrouwen, en dan is het oorlog en ineens staat ge in een wereld van verraad en verklikking. Ge kondt niemand meer betrouwen! Want de mensen hadden honger. En als ze voortvluchtigen aangaven, konden ze van de Duitsers geld en rantsoenzegels krijgen.  
Toen ik een paar weken bij die boer Miel Put was, kreeg ik voor het eerst rust. Ik herinner me zelfs dat ik gelukkig was. Ik had eten, ik had ruimte, ik mocht met paard en kar het veld in, ik had afwisseling met het verzorgen van de beesten, en ik kon slapen op de hooizolder, dat was zelfs slapen zonder bang wakker te worden. Maar die rust bleef niet duren.
Miel had een neef uit Brussel die voor de Gestapo werkte en die kwam op een dag bedelen om graan en melk en patatten voor zijn gezin. En Miel was een mens met een goed hart, hij wilde zijn zwart familielid niet tekort doen. Maar, zei hij, ik heb hier ook een werkweigeraar op de boerderij en als gij of uw trawanten ook maar één vinger naar die jongen uitsteekt, dan steek ik u met de riek op de schuurdeur (hij kan niet verder spreken van ontroering)... En zo was ik patatten aan het rapen samen met die Vlaamse Gestapo, en zijn kepi én zijn revolver lagen in het gras! Ik kon amper werken. Ik dacht, het is met mij gedaan! Want als hij mij aangaf, dan kon hij heel wat meer verdienen dan wat melk en graan. Ja, het was gedaan met mijn rust en het werd nog erger.
Op een dag was ik getuige van een luchtgevecht. Ik was aan het hooien en boven mijn hoofd zag ik een Engels vliegtuig geraakt worden door een Duitse jager. Die Engelsman moest springen met z'n parachute en Miel Put is hem gaan zoeken, heeft hem verstopt en heeft hem op weg gezet zodat hij kon ontsnappen.
Ik heb niet gewacht. De Duitsers zijn die piloot immers komen zoeken, en ik heb me dan samen met een andere werkweigeraar in een andere hooischuur kunnen verstoppen. De zoon van die boerenfamilie  was ook een voortvluchtige en die mensen hadden op hun hooizolder met bussels stro een 'iglo' gebouwd onder een berg hooi: als wij een pijp in dat hooi groeven, dan kwamen wij in die iglo. Maar ook die plek was niet veilig. Ik kon me daar alleen maar vertonen als de kinderen sliepen of naar school waren. Die mochten ons niet zien, want stel dat ze in de klas vertelden: thuis slapen mannen die naar Duitsland moeten!
Ik was toen al bijna drie maanden voortvluchtig en ik heb dan beslist om niet langer in huizen of schuren te blijven. Te dicht bij de mensen, ik betrouwde dat niet meer.  
Zo ben ik uitgeweken naar het bos om daar mijn eerste schuilplaats te graven. Dat bos lag achter ons huis, een soort wildernis met dennen en heide en houtwallen, maar ik kende dat goed omdat ik daar als kind gespeeld had. Nu groeien de kinderen op in de huiskamer. Wij groeiden op in de natuur, wij waren een bende wilden in vergelijking met de jeugd van vandaag.

Pol Alenis (r.) met z’n broer.

Pol Alenis (r.) met z’n broer.

Mijn eerste kuil lag letterlijk op tien-vijftien meter van ons huis. Boven de put legde ik takken in een schuin afdak, en ik dekte dat af met zand en graszoden. Die kuil was net groot genoeg om in te liggen. Ik heb dikwijls gedacht dat ik in een graf lag, zo tussen de wormen en de wortels. Deze keer was ik wel beter uitgerust, ik had twee dekens in plaats van één.
Ik vind het bijzonder dat u die herinneringen van onderduikers levendig wil houden, maar er is een groot verschil tussen het vertellen van die ontberingen en het aan den lijve meemaken. Die kou en die honger van elke dag, ik weet niet hoe ik die moet beschrijven. En dan heb ik het nog niet over de vrees om ontdekt te worden. Elke Duitser die door dat struikgewas zou stappen, zou die zavel en die graszoden zien, en zelfs als hij ze niet zou zien, dan zou hij het knikken van mijn knieën wel gehoord hebben (lacht)!
En ja, 's nachts zou ik daar eigenlijk op mijn gemak moeten zijn, er was mijlenver niemand op de baan, en toch was ik niet gerust. Ge kunt ook niet gerust zijn als ge versteven zijt van de kou. En dan begon ik weer te prakkezeren. Wàt als ze me vinden? Hoélang hou ik het nog vol in deze kou? Hoé kom ik de dagen door als ik geen eten heb? Ik kon de slaap heel vaak niet vatten en dan begon ik 's nachts maar door dat bos te dolen. Uren liep ik doelloos rond en tegen de morgen kwam ik dan bij een hooiopper, ik zette mij op mijn hurken om even te rusten en ja, dan viel ik als een blok in slaap, puur van de uitputting. 
Uren en dagen heb ik door dat bos gestapt. Nu zouden ze denken, hij is een wandelaar, maar toen wandelde er niemand in de bossen, dat werd niet gedaan. Ik was daar ook niet om de natuur of de vogels te bewonderen. Ik was opgejaagd wild, maar dan wel veel trager (lachje)

Holbewoner
«De zomer ben ik nog redelijk doorgekomen. Ik had braambessen en hazelnoten om te eten, en wortelen en rauwe erwten die ik 's nachts in de velden ging plukken. Een aantal keren legde mijn familie ook stukjes roggebrood met siroop aan de rand van het bos, of een kannetje aangelengde melk met daarin geweekt graan. Aardappelen durfde ik niet uit het veld halen omdat die akkers veelal bewaakt werden tegen aardappeldieven. Ik hield het dan maar bij rapen en bieten, of bij korenaren, op die graantjes kondt ge een tijdlang blijven kauwen. Om te drinken had ik de beek, die stroomde door het bos en in die tijd was dat water nog helder en goed drinkbaar. Ik zag daarin graskarpers zwemmen, en d'r waren er dikke bij. Ik had ze met de hand kunnen scheppen, maar wat dan? Een vuurtje maken om ze te bakken was onmogelijk, dat zou me verraden, maar rauwe karper eten, dat leek mij ook niet al te best. 
Dat ik geen vuur kon maken en geen warmte had, was vooral erg in de herfst en in de winter. Maar ook in de zomer konden de nachten kil en vochtig zijn omdat uw lichaam in de aarde zit. Ik kroop dan 's morgens uit mijn hol, kou tot op het bot en mijn kleren helemaal doorweekt van de natte grond. Dan wandelde ik maar rond tot mijn kleren zowat droog waren. Regende het, ja, dan liep ik dag en nacht doorweekt in het rond. Zo'n vochtige kou kruipt ook niet in uw kleren, die kruipt in uw lichaam, die kruipt in uw botten en uw beenderen en die draagt ge voor altijd met u mee.
Alles heeft zich afgespeeld binnen een vierkante kilometer achter ons huis. Vier van mijn tien schuilholen heb ik zelfs binnen vijftig meter van ons huis gegraven. Ik mag wel zeggen dat ik daar elke boom en elke struik kende, en dan zeker ook hun wortels, want die zaten vaak in de weg als ik een put wilde graven. Ik moest regelmatig een nieuwe kuil hebben want ik vreesde de speurhonden. Als ge steeds dezelfde weg volgt naar uw schuilplaats, dan blijft die geur hangen en dat wilde ik vermijden. 
En u zult denken, hij hield dat vol omdat hij op de duur gesterkt was in dat harde leven. Maar dat is niet zo. Mijn ervaring is dat ge nooit kunt wennen aan doorlopende kou, honger en angst. Dat went nooit! En het gebeurde dikwijls dat ik dacht, ik stop ermee! Maar dan zag ik mezelf aangehouden worden en op transport gezet, en dan beet ik maar door. (schudt het hoofd) Hoe ik al die uren en dagen ben doorgekomen, ik weet het nog altijd niet.
Ik kreeg ook alsmaar meer argwaan en achterdocht. In het begin wisten ze thuis nog ongeveer waar ik zat, maar op de duur zei ik het niet meer. Ook in mijn familiekring begonnen er Duitsgezinden te komen, ik betrouwde mijn eigen familie niet meer. Alleen op de wereld, zo voelde ik mij op de duur.
Ik begon hardop met mezelf te spreken. En zingen heb ik ook veel gedaan. Vooral kerkgezangen dan. Daar hebben menige vos en haas naar zitten luisteren!


Pol Alenis (links) met zus en broer. Hij droeg haar vrouwenkleren om op straat niet gecontroleerd te worden.

Pol Alenis (links) met zus en broer. Hij droeg haar vrouwenkleren om op straat niet gecontroleerd te worden.

Lange, lange dagen
Ik wist op de duur niet meer van dag noch uur. Kerstmis 1943, Nieuwjaar 1944, dat is aan mij gepasseerd zonder dat ik het wist. Ik wist ook niet welke kant de oorlog uitging, waren de Duitsers aan de winnende hand of kregen ze op hun kop? Ik zat daar maar en zeker in die donkere dagen van de herfst en de winter was ik zo verlaten als wat. Er was geen beweging, geen dagelijks bestaan te zien. En ge zoudt léven willen zien, een boer op zijn veld of een mijnwerker die naar de mijn fietste, maar nee, ik zag alleen maar bomen en struikgewas en een beek.
Zo niks omhanden hebben, ik kan dat moeilijk beschrijven, maar dat maakt u suf en moe. Ge kunt u niet wassen want ge hebt geen zeep. Ge kunt u niet omkleden want ge loopt altijd in dezelfde klompen en kleren. Ge kunt uw bed niet opdekken want ge hebt geen bed. Ge kunt niet eten want ge hebt geen eten. Ge kunt niet praten, want er is niemand. Het enige wat ge hebt, is uw eigen, en die persoon moet ge dan nog voortdurend wegstoppen. Ge hebt niks anders om aan te denken dan dat ge uzelf moet verbergen. En zo ging de tijd heel traag vooruit. De uren leken wel dagen te duren en de dagen leken soms weken. Er kwam geen einde aan.  
Naar huis gaan durfde ik niet. Ik was heel de tijd dichtbij ons huis, maar ik durfde er geen stap binnen te zetten. Later heb ik gehoord dat mijn vader een hooimijt had klaar gemaakt om me te verbergen, het zou warm en comfortabel zijn geweest, maar ik heb het nooit geweten omdat ik geen contact meer zocht met thuis, omdat ik zo bang en geïsoleerd zat in mijn bos.
Uiteindelijk zijn ze vier keer aan de deur geweest om mij te zoeken. Gelukkig hadden we hier een goeie veldwachter, die verwittigde mijn familie als er een razzia op til was. En dan riep iemand van de familie in dat bos, Pol, ze zijn op komst, en dan zette ik het op een lopen tot ik niet meer kon.   
Juweel van werkweigeraar
En dan kwam de winter. Een koude winter. Soms kon ik de vorst niet verdragen en ben ik toch hier en daar in een hooimijt gekropen, maar meestal was ik aangewezen op mijn kuil. Ik kan me ook niet herinneren dat iemand dikkere kleren is komen brengen. In mijn herinnering liep ik altijd in dezelfde dunne kleren rond."
Pol Alenis blijft er bescheiden onder, hij wil "zijn geval niet erger maken dan het was", maar via het KMI weet ik dat hij wekenlang bittere koude heeft geleden. In oktober 1943 was de gemiddelde temperatuur overdag 11,7 graden, november viel al terug op 4,7 graden, en in december en februari zat de thermometer dichtbij het vriespunt met 1,7 en 0,9 graden. Dat waren de gemiddelde dagtemperaturen, de nachttemperaturen moeten vanaf november vaak onder het vriespunt hebben gelegen. De temperaturen  zijn afkomstig van Ukkel, in het zanderige Limburg zullen ze nog lager hebben gelegen.
«Ik heb zes maanden ondergedoken gezeten in dat bos, tussen augustus 1943 en februari 1944. In die maand kreeg mijn vader een brief van het Arbeidsambt. Als ik me aangaf en in de mijn ging werken, dan zou ik niet gearresteerd worden. Ik zag het als een valstrik om mij erin te luizen, maar toen kwam er thuis een Letzte Warnung! en ben ik me toch maar gaan aanmelden. Wat ik niet wist, was dat een neef van mij op die dienst werkte, hij was Duitsgezind, en hij had aan mijn zus een gunst beloofd: àls ik in de mijn ging werken, dan zou er mij niets gebeuren. En zo heb ik mijn bosbestaan opgegeven en ben ik in Beringen-Mijn gaan werken."
Acht maand later volgt de bevrijding. Alenis neemt dienst als beroepsmilitair in het Belgische leger en komt terecht in Duitsland ("ik heb de Pruisen nog vijfentwintig jaar in hun schoon ogen moeten zien.") Wat hem nu nog dwars zit is dat hij bij de Belgische staat niet op erkentelijkheid moet rekenen.
«Ik ben nog altijd niet erkend als werkweigeraar. Mijn eerste aanvraag dateert al van zestig jaar geleden, ook nadien heb ik nog meerdere aanvragen gedaan, en nog is die bijkomende uitkering niet in orde. Omdat ze nog één document missen. Als troost hebben ze mij al wel het Juweel van Werkweigeraar gestuurd. Dat ereteken heb ik dan nog zelf moeten betalen."

Nawoord: Pol Alenis stierf in 2013. Hij werd 89.

DEEL 2: VERSTOPT IN HET CASINO VAN KNOKKE 

 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Hoe een bezoek aan de supermarkt zes dagen kon duren

Er kan in deze tijd wel eens een wachtrij zijn aan de supermarkt waardoor het bezoek langer duurt dan normaal, maar dat is niets vergeleken met wat het Waalse koppel Albert en Marie overkwam in 2001 nadat ze boodschappen wilden doen.   

(uit Humo augustus 2001) © Jan Hertoghs

“Was er nog maar een échte grenspost, dan was dit nooit gebeurd!"

© gie Knaeps

© gie Knaeps

Het "avontuur" van de twee zeventigers raakte in de Waalse pers via een alarmerend bericht. Nog steeds geen teken van leven van twee vermiste zeventigjarigen uit Wandre (Luik) - Sinds maandag 4 juni is men zonder nieuws van Albert Boveroux, 79 jaar en zijn echtgenote, Marie Schellings, 75 jaar. Het echtpaar heeft zijn woning rond halftien maandagmorgen verlaten met hun auto, een donkerrode Peugeot 106 nummerplaat 76U06 en heeft sindsdien niet meer van zich laten horen. Volgens de familie wees niets in hun huis erop dat ze zinnens waren om meerdere dagen op reis te gaan. Voor inlichtingen omtrent het vermiste echtpaar kan u terecht bij de politie van Wandre of van Luik.”
Op maandag 4 juni verdwenen ze. Op zaterdagavond 9 juni werden ze teruggevonden in het Duitse Sinsheim, op meerdere honderden kilometers van hun huis. Ze waren verloren gereden. Het verhaal van een onwaarschijnlijke zwerftocht.

Marie: «Het is zijn schuld natuurlijk. Ik heb hem dikwijls genoeg gezegd, gesméékt om rechtsomkeer te maken maar mijnheer wilde niet, mijnheer bleef maar doorrijden. Zo koppig dat hij was! ‘t Was niet te begrijpen. ‘t Was erg. Ik weet niet wat hij had, maar terugrijden, dat ging niet. En in het begin wilde hij nog antwoorden dat hij de weg wist, maar op de duur sprak hij niet meer tegen mij. ‘t Is waar, hé Albert?!”
Albert: «(knipoog) Ge zaagde ook heel de tijd aan mijn kop. Daarom heb ik niks meer gezegd!”
Humo: Beginnen we bij het begin. Jullie gingen naar de supermarkt.
Marie: «We gingen boodschappen doen en ik denk dat jij toen gezegd hebt om nadien naar de watervallen van Coo te rijden. (Er ontspint zich meteen een discussie: naar Coo? naar Chaudfontaine zal je bedoelen!)  
Dochter Marthe: "Let u maar niet op dat gekibbel. Het is nog altijd een raadsel waar ze heen gingen en waar ze verloren zijn gereden. Mama houdt het erop dat ze verloren zijn gereden ten gevolge van enkele wegomleggingen. Ik geloof mama. Ze herinnert zich de concrete gebeurtenissen nog het beste, alleen heeft ze moeite om zich te herinneren waar iets gebeurd is en op welke van de zes dagen, dat gooit ze nogal door elkaar. Papa herinnert zich het minst, die haalt zijn schouders op: ‘t is voorbij, zegt hij."
Humo: Maakten jullie wel eens meer uitstapjes met de wagen?
Marie: «Oh ja, we reden af en toe naar Luik. Of we gingen iets eten in de buurt. In Visé, in Esneux, of in Remouchamps." 
Humo: En waren jullie dan al eerder verloren gereden?
Marthe: «Het was inderdaad al enkele keren gebeurd dat ze verloren zijn gereden. Maar ja, dan hebben ze misschien maar twee uur aan het zoeken geweest eer ze de weg naar huis weer vonden. Want zo koppig is papa dan: hij vraagt nooit de weg, hij zal wel rijden tot hij het vindt." 
Humo: Waren jullie al eerder in het buitenland geweest?
Marie: «We zijn een keer naar Oostenrijk geweest, naar Tirol. Maar dat was niet met onze wagen, dat was met een Belgische groep en met een autocar. Verder zijn we nooit geweest. En Duitsland ligt niet ver van Luik, maar we waren er toch nog nooit geweest. Nog nooit! Weet u wat het probleem is, monsieur! Er is geen grens meer. Er is geen douane meer, er is geen slagboom meer, niks! De ene minuut zit ge in België en de volgende minuut zit ge in Duitsland. Zonder dat ge het weet!  Vroeger was het beter! Vroeger werd een mens ten minste nog tegengehouden aan de grens! Was dat maar gebeurd, dan was ons dit nooit overkomen!"
Humo: Waaraan merkte u dat u in Duitsland was?
Marie: «Ik zag die opschriften op die blauwe borden. Ik zag Dortmund staan en zo. Ik zeg, Albert, we zijn in Duitsland! En weet u wat hij zei, dan rijden we maar naar Dortmund. Hij vond het nog om te lachen ook! Ik zeg: rij terug, we zijn fout, we zijn verdwaald, maar hij wou niet terug hé. Ik weet niet wat hem bezielde." 
Marthe: «Ze zegt dat hij erom lachte, maar hij was ook in paniek, daar ben ik zeker van. En in zijn paniek is hij halsstarrig blijven vasthouden aan dat idéé fixe, als ik maar lang genoeg rij, dan kom ik op de duur wel op een weg die ik ken en dan zijn we gered." 
Marie: «En zo zijn we verder en verder in Duitsland gereden. En zag hij een bord met een grote stad erop, dan zei hij, on y va! Francfort? On y va!"
Meneer spaghetti
Humo: Zijn jullie dan nooit gestopt om de weg te vragen?
Marie: «Slechts een paar keren. Onder andere in een restaurant, bij een drogist en in een tankstation. Maar! Wij vroegen telkens la chemin pour la Belgique, wij spraken geen Duits hé en de mensen begrepen ons niet. Albert is hier en daar ook water gaan vragen en dat begrepen ze wel. Van één mevrouw heeft hij vier flessen van één liter gekregen, daarmee zijn we bijna de hele week toegekomen."
Humo: Jullie zijn allicht toch gestopt om te eten?
Marie: «Maar één keer. En we hadden spaghetti besteld, maar ik kon amper een hap door mijn keel krijgen. Ik dacht heel de tijd, oh, als ze ons Belgisch geld maar aannemen, ik was zo nerveus dat ik het eten niet binnen kreeg. En toen moesten we betalen en inderdaad, ze namen ons geld niet aan. Maar gelukkig was daar juist een meneer die naar het toilet ging en die hoorde wat er gaande was en die meneer was zo vriendelijk om wat geld te wisselen zodat we die spaghetti konden betalen. Maar voor de rest hebben we van heel die week niks gegeten. Albert is tién kilo afgevallen! En ik vier kilo, en ik was al zo mager!" 
Humo: Hoeveel geld hadden jullie bij je?
Marthe: «Dat weten ze niet meer. Maar ze weten nog wel dat ze twee keer vol getankt hebben, dus ik schat zo’n drie- of vierduizend frank." 
Albert: «Daar had ik die Duitsers wel liggen. Ik tankte eerst en dan zei ik dat ik alleen maar Belgisch geld had. Dan moésten ze het wel aannemen." 
Telefoon!
Humo: Hebben jullie er nooit aan gedacht om te telefoneren. Jullie moeten toch beseft hebben dat jullie familie zich verschrikkelijk ongerust maakte.
Marie: «Maar natuurlijk wilde ik telefoneren! Maar ik had mijn telefoonboekje niet bij me en zonder dat boekje kan ik die nummers niet onthouden. Maar ik had ook geen Duits geld bij me, dus ik kon niet telefoneren!"
Marthe: «Ik denk ook niet dat mijn moeder weet dat ze 0032 moet draaien om naar België te bellen."
Marie: «Eén keer zijn we in een postkantoor binnengestapt en die mevrouw was heel vriendelijk, die verstond een woordje Frans en zij vroeg het adres van onze dochter en zij heeft dan dat nummer proberen te bellen. Dat moet één van de eerste dagen zijn geweest, want ik kon toen nog stappen aan de arm van Albert. Later geraakte ik niet meer uit de auto, mijn benen en mijn voeten waren helemaal opgezwollen door het vele zitten. Ik kon niet meer staan."
Humo: En is dat telefoontje gelukt?!
Marie: « Ja, maar er was niemand thuis. Erg hé, die mevrouw belde en er was niemand!"
Marthe: «Je kan geloven dat wij niet veel thuis waren. We waren de hele tijd naar jullie aan het zoeken. We zijn langs alle supermarkten, café’s en restaurants gereden tot in de wijde omgeving om een foto te laten zien van jullie beide, maar niemand had jullie gezien. En we zijn ook langs alle rivieren gereden, en bij elke bocht dachten we, zouden ze hier misschien in het water zijn gereden? Nooit hebben we aan Duitsland gedacht. De garagepoort stond nog open, jullie hadden géén schoteltje melk voor de poes klaargezet, dus alles wees erop dat jullie maar voor korte tijd weg waren."

© gie Knaeps

© gie Knaeps

Polizei
Humo: Lag er een landkaart in de auto?
Marie: «Maar natuurlijk lag er een landkaart! Maar ik kan geen landkaart lezen, ik heb dat nooit gedaan. Albert wel, Albert is vroeger vrachtwagenchauffeur geweest, maar hij had zijn bril niet bij zich! Hij heeft die bril alleen maar nodig om te lezen en niet om auto te rijden, en voilà, zo komt het dat hij ook niet op die kaart kon kijken. Op de parkings van de tankstations hingen ook landkaarten, maar nergens zagen we België staan."  
Marthe: «In het handschoenkastje hebben we een briefje gevonden waarop iemand de weg naar Luik heeft geschreven. Er staat op: A61- Köln-Venlo-Antwerpen, maar ik weet niet of ze dat geprobeerd hebben."  
Marie: «Soms zijn we langs de snelweg gestopt. Dan stonden we daar op de pechstrook en dan hoopten we dat er iemand zou stoppen om ons te helpen, maar er stopte niemand. Zelfs de politie reed gewoon voorbij. Waren ze gestopt, dan had ik Eupen gezegd. Want Eupen, dat is hetzelfde in het Duits en in het Frans."
Georges (schoonzoon): "Op de Duitse snelwegen staan wegwijzers met het opschrift POLIZEI . Blijkbaar hebben ze d'r niet aan gedacht om die pijlen te volgen en hulp te vragen."
Turk
Humo: Hebben jullie al die nachten in de auto geslapen?
Marie: «We stopten op parkings naast de snelweg. Het stond er dikwijls vol vrachtwagens en wij daartussen. Hij heeft geslapen. Ik kon amper slapen. Van de ongerustheid en van de kou. Ik had alleen maar mijn regenmanteltje om me te verwarmen, we hadden geen deken of niks in de auto."
Albert: «Het was koud ‘s nachts. Ik heb af en toe de motor aangezet om de verwarming te laten draaien."
Humo: Wat zegden jullie tegen mekaar voor het slapengaan? Want je lag niet in je bed thuis, je zat in je auto en in een vreemd land. 
Marie: «Er werd niks gezegd. Hij zat daar maar met zijn armen over elkaar. En ik probeerde mijn ogen te sluiten, maar het ging niet. Ik dacht aan thuis, ik dacht aan de kat, ik dacht aan de kinderen en hoe ongerust ze wel zouden zijn. En dat ik ons huis niet meer terug zou zien. En dat ik de kinderen en de kleinkinderen niet meer terug zou zien! Oh, ik zat daar maar te denken en te denken, en te bidden, en te wenen. Ik heb veel geweend ‘s nachts."
Humo: Konden jullie je 's morgens wassen langs de snelweg? Want zo'n Raststättest heeft lavabo’s en douches.
Marie: «We hebben ons nergens kunnen wassen. We hadden niks bij. Geen zeep, geen washandje, geen handdoek, geen ondergoed. En trouwens, van zogauw het licht werd, vertrok Albert. En ik maar smeken om terug te rijden en hij maar verder rijden. Want ja, ik kan niet rijden hé, hij is de chauffeur. (schudt het hoofd). Niemand van ons wist nog waar we naartoe gingen."

“Ik keek altijd maar of ik geen Belgische nummerplaten zag.”

Humo: Reed uw man snel?
Marie: «Oh oui! Il filait, il filait tout le temps!"
Albert: « Op de snelweg waren er soms toch vrachtwagens die claxonneerden omdat ik te traag reed, dus zo rap zal ik wel niet gereden hebben."  
Humo: Zagen jullie geen Belgische personenwagens of vrachtwagens, om aan die chauffeurs de weg te vragen?
Marie: «Ik heb voortdurend gekeken of ik geen Belgische nummerplaten zag op de parkings waar wij stonden, maar ik heb er geen gezien. Het was nog juni hé, het was nog geen grote vakantie. Hadden we onderweg een Belgische auto gezien, dan waren we hem zeker blijven volgen!"
Georges: «En dan maar hopen dat hij naar huis reed en niet naar Berlijn, zeker?!" 
Marie: «Er is onderweg wel iemand gestopt toen we een lekke band hadden. Albert lag al half onder de wagen om het reservewiel los te maken en toen is die meneer gestopt. Het was een Turkse meneer, een heel vriendelijke meneer, hij sprak zelfs Frans."
Marthe: «En heb je aan hem dan niet de weg gevraagd? Nee?!"
Georges: "Stel dat ze die lekke band al de eerste dag hebben gehad, dan hebben ze vijf dagen rondgebold op die reserveband. Een chance dat die het gehouden heeft."
Running on empty
Humo: Wanneer hebben jullie een eerste teken van leven gekregen?
Marthe: «Maandagmorgen zijn ze vertrokken en in de nacht van zaterdag op zondag kregen we om kwart na twee telefoon van de politie in Eupen. Die man was heel vriendelijk, die zei dat ze teruggevonden waren, en dat ze het goed stelden, en dat ze geen kou hadden, en dat ze te eten hadden, maar dat was allemaal niet waar. Dat heeft ie maar gezegd om ons gerust te stellen. Wij hebben dan wat kleren en wat ondergoed ingepakt en om drie uur ‘s nachts zijn we vertrokken." 
Georges: «Rond acht uur ‘s morgens waren we in Sinsheim. Dat ligt tussen Hockenheim en Heilbronn, zo’n dikke vierhonderd kilometer van Luik." 
Humo: Hoe had de politie hen aangetroffen in Sinsheim?
Georges: «In het midden van de snelweg naar Stuttgart. Ze waren stilgevallen op het middelste baanvak, ze hadden geen druppel benzine meer. De politie is erbij gekomen en heeft hen tot op de pechstrook getrokken en dan is een depannage gekomen om hen te takelen. Stel je voor,die heeft hen op het plateau getrokken terwijl zij nog in de wagen zaten. En zo zijn ze naar de parking van een Raststätte gebracht."
Marthe: «Ze wilden niet uit de auto komen, heeft de politie ons gezegd. De politie had gevraagd, Hotel?, en ze hadden nee geschud. En dan hadden ze gevraagd, Hospital?, maar ze hadden ook nee geschud. Ze bleven in hun wagen zitten met de knopjes naar beneden gedrukt."  
Georges: «Zo hebben we hen ook gevonden naast dat Shell-station. De depanneur had de wagen naast een hangar gemikt en zij zaten er nog in. En niemand had hen iets te drinken of te eten gebracht. Geen water, geen kopje koffie, niks. Ja, ze hadden een deken gekregen van de depanneur, zo’n khakivod die naar de diesel stonk." 
Marie: «Mja, we zijn niet zo goed ontvangen geweest in Duitsland. Les Allemands étaient des vrais Allemands."
Georges: «Ze zijn daar alleen gelaten tussen tussen drie en acht. Ze zaten daar maar. Te wachten en apathisch voor zich uit te staren.De eerste die we zagen, was die depanneur. Die kwam af met zijn rekening. Ik heb betaald, en hij heeft geen woord gezegd van wat er gebeurd was. Zelfs geen goeiedag kregen we. Ik ben dan maar de benzinetank gaan volgooien, en werkelijk, er zat geen druppel meer in, ik heb de auto naar de pomp moeten duwen, zo droog stond ie. En zelfs terwijl ik daar liep te duwen, is niemand me komen helpen, c’est joli hein!"
Droom
Georges: «Ik ben dan in de Peugeot overgestapt, en met de twee auto’s zijn we gezamenlijk naar België gereden. Naar de kliniek van Herstal." 
Marthe: «Ze waren allebei in shocktoestand en ze vertoonden uitdrogingsverschijnselen. Mama is zes dagen in de kliniek gebleven; bij papa heeft het tien dagen geduurd. Mama was er op het eerste gezicht nochtans erger aan toe. Haar voeten en benen waren zo gezwollen dat ze niet meer uit de auto kon. We moesten haar dragen en toen we haar oppakten begon ze te wenen. Ze kon het niet geloven, zei ze."  
Marie: «Ik dacht dat ik droomde. Ik had al zo dikwijls gedroomd van mijn kinderen en voilà, nu droomde ik weer van mijn dochter en dat ze naast de auto stond en naar mij wuifde. Maar ze blééf maar aan dat raampje staan, ja, dat was wel een straffe droom. En toen tikte ze op het raampje, oh nee, heb ik gedacht, het is geen droom, het is echt, het is écht mijn dochter, we zijn geréd! Dat moment, dat vergeet ik nooit van mijn leven."
Humo: Zijn jullie nog zinnens om uitstapjes te maken?
Marie: «Oh nee, het is gedaan. We hebben de auto verkocht. La voiture, c’est fini!"
Humo: Toch straf dat mensen in deze tijd van telecommunicatie, bewakingscamera’s en allerhande controles toch zes dagen compleet van de aardbol kunnen verdwijnen. 
Marthe: «Wij hadden hen al opgegeven. Zeker nadat dat opsporingsbericht in de krant had gestaan en niemand gereageerd had, toen dachten we het ergste. Dat ze onderweg overvallen waren en vermoord en dat iemand de wagen in een rivier had gedumpt. Want dat is toch wel straf, ze zagen er zeker hulpeloos uit maar ze zijn onderweg niet overvallen of bestolen." 
Georges: «En! Ze hebben zelf ook niet één ongeval gehad of veroorzaakt; aan de auto was geen deukje te zien. En iedereen zegt wel dat ze in de war en in paniek waren, maar hij is nergens een spookrijder geweest en hij heeft onderweg blijkbaar alle verkeerslichten en alle snelheden gerespecteerd, want anders hadden ze hem wel doen stoppen; toch zeker in Duitsland. Ze moeten wel in grote cirkels hebben gereden. Want ze zijn met een volle bak vertrokken, en ze ze hebben onderweg twee keer vol getankt, dat maakt zo’n 120 liter, daarmee doe je op de snelweg toch zo’n tweeduizend kilometer, maar we hebben ze gevonden op 400 km van hier."
Marthe: « Ik ben blij dat ze maar een paar keer hebben kunnen tanken met hun geld. Met meer centen waren ze allicht nog langer van huis geweest. En wie weet tot waar zouden ze dan gereden zijn?!"
Marie: «(lacht) Misschien wel tot in Tirol!" 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

   

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

Een leven zonder gsm en zonder vaste telefoon (2)

Lees hier deel 1 van Een leven zonder gsm en zonder vaste telefoon

"De gsm is de elektronische enkelband die je zelf hebt gekocht."

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

Een miljardencijfer uit het recente jaarverslag van het BIPT (Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie) : de circa 9 miljoen gsm-bezitters in België hebben in het voorbije jaar gedurende 9,37 miljard minuten met hun gsm gebeld. Een hallucinant cijfer. Zeker als het BIPT het aldus vertaalt: “"Anno 2005 telefoneren de Belgen op één dag zoveel als tijdens een heel jaar in 1980".
Het land is van naam veranderd: Babbelgië.
Tijd dus om iemand te spreken die in 2005 twéé keer heeft gebeld en in 2006 nog géén enkele keer!

(Humo okt. 2006) - (c) Jan Hertoghs

Naam en leeftijd: Theo Vanderhallen, 80 jaar
Woonplaats: Opgrimbie
Vorige beroepen: boerenknecht, gemeentewerkman, hovenier
Zijn woning is zo'n huis waar bewaarappelen hun plaats krijgen op oude kranten. Het is er stil, er tikt geen klok, alles is er van een andere tijd. Het Heilig Hartbeeld met de plaasteren vinger op de bloedende wonde, de Jozef en Maria onder een stolp, en aan de muur de officiële oorkonde dat zijn moeder dertien kinderen op de wereld heeft gezet. Dat is de huiskamer van Theo, de jonkman.
"Helemaal vanuit Antwerpen naar hier omdat ik geen telefoon heb? Maar wat een grote reis! En wat zal ik zeggen? Ik heb geen telefoon nodig. Hier vlakbij woont de zoon van mijn broer en die heeft telefoon, dus ik kan 'm gebruiken, maar ik heb die amper nodig. Dit jaar heb ik nog niet gebeld en in 2005 heb ik ook maar twee keer gebeld. En op vijfhonderd meter van hier staat een telefooncel, maar die betrouw ik niet. Er kan iemand achter uw rug staan en u stillekes afluisteren. Of ze kunnen een zenderke in die kabien zetten en dan horen ze alles wat ge zegt. Nee, in die kabien kom ik niet!
De eerste telefoon in het dorp, dat was bij de bakker en dat moet in de jaren vijftig zijn geweest. Dat was nog zo'n houten bakske naast de winkeldeur, met zo'n hendeltje waaraan ge moest draaien, en iedereen kon daar komen telefoneren.

“Mannen die vanuit de auto bellen: dat is om hun vrouw te bedriegen.”


Nu is de gsm in de mode, maar dat is niks voor mij. Ik ben een man alleen, ik heb thuis geen vrouw zitten aan wie ik per telefoon moet vragen welke hesp ik moet meebrengen! Ja, het is ver gekomen  als man en vrouw thuis al niet meer de boodschappen kunnen afspreken. Ik zie nu ook mennekes van zeven-acht jaar met een gsm lopen, dan moet daar toch wel weelde bij die ouders zijn, dat ze zoiets kunnen betalen. Ik zie ook chauffeurs bellen vanachter het stuur, en volgens mij zijn dat mannen die hun vrouw bedriegen en naar een andere vrouw bellen. Ze weten dat de vent niet thuis is, en tegen die vrouw zeggen ze dan: ik ben onderweg, ik kom seffens af!

Ik heb geen auto nodig, ik doe al mijn boodschappen met de fiets.  Elke dag ga ik ook familie en kennissen bezoeken, elke dag doe ik mijn toer, en ja, als ge al die bekenden regelmatig ziet, dan hebt ge geen telefoon nodig. Mijn twee neven die 78 en 66 jaar zijn, die hebben ook geen telefoon. Een dokter bellen is ook niet nodig, want ik ben bijna nooit krank. En als ik de griep voel komen, dan drink ik een borrel en ik ben er vanaf.
Ik ben niet zo modern aangelegd, maar mijn vader was dat wel. Die kocht in 1933 al een radio, een échte Majestic! Met die radio waren wij het centrum van dit buurtschap. Als er iets erg gebeurde, dan liep de woonkamer vol! 1934, de val van koning Albert! 1935: het ongeluk van koningin Astrid! Dan stond alleman hier rond de radio, dat was nogal een begapenis!
Ik ben een man alleen, maar ik heb twee vrouwen, dat zijn penvriendinnen. De ene is vijftig en de andere is veertig. Ik schrijf al bijna twintig jaar met die vrouwen, en soms sturen ze een schone foto op. Nu zijn we zeventig jaar later, nu zijn er computers, en nu zijn er mannen die zelfs een vrouw vinden met de computer! Ik ken zo iemand, na twee jaar liet die vrouw hem zitten. En ja, dan zit ge daar. Uw computer staat er nog, maar uw vrouw is weg!"

Abonnee van het café
Oude jonkmannen zonder telefoon, zo moeten er in dit land nog duizenden zijn. Zeker als ze naar de tachtig gaan en dus zijn opgegroeid in de jaren dertig en veertig, tijden van mager en karig bestaan. En wat ze toen niet hadden, dat gaan ze nu niet meer in huis halen. Dat hoor ik toch van G., inwoner van Kotem en vast abonnee van het plaatselijk café: "Ik heb die telefoon voor niks nodig. Mijn enige lijn is hier aan de toog! Hier voer ik mijn gesprekken. Hier komen de mensen die ik ken. Dat zijn ook de mensen die mij helpen als het nodig is. Die boodschappen doen, die voor mij de was doen, of die mij naar het gemeentehuis brengen als er papieren moeten zijn. Ge hebt mensen nodig. Ge hebt geen telefoon nodig. Bellen met mijn familie? Godmiljaar, die wil ik niet spreken, want ze zitten toch maar op mijn dood en op mijn centen te wachten.
En nu vraagt gij nog of ik ooit een gsm zal kopen. Gij gaat me toch niet vertellen dat er mensen van tachtig zijn met een gsm?! Dat bestaat niet. Dat kan niet. Dat is onmogelijk!
Gsm, tv, gazet, ik moet er allemaal niks van hebben. Het enige wat ik nog kan hebben, zijn boeken over aardrijkskunde of geschiedenis. Ik lees nu over de Russische revolutie. Zo leer ik nog iets. Wat kan ik nu leren met zo'n gsm? Zegt gij dat eens! "
De 83-jarige Hugo is milder voor mens en maatschappij. Hij heeft praktisch heel zijn familie in het dorp Kotem wonen, dus waarom een telefoonabonnement aanvragen en geld betalen, als iedereen vlakbij woont. "Maar natuurlijk zie ik dat de mensen nu naar mekaar bellen, ook als ze maar honderd meter van mekaar wonen. Hoe dat zo gekomen is, weet ik niet. De mensen verdienen geld en dat geld moet uitgegeven worden, zeker?!
Weet ge hoe ze vroeger een taxi belden als ik zat was? Buiten aan het café stond mijn paard met de kar, ze legden me achterop de kar, ze kletsten op die paardenbil en dat beest bracht mij vanzelf tot aan mijn deur. Een schone service!"

Celspotters
In datzelfde Kotem kom ik ook de enige telefooncel tegen waarop nog die oude sticker kleeft: Deze telefoon kan uw leven redden. Die campagne dateert nog van een eind in de vorige eeuw, want nu gebruikt haast niemand nog de cel om een noodsituatie te signaleren. Zo kwamen er in het jaar 2000 meer dan 11.700 noodoproepen binnen op de Dienst 100 in Leuven: slechts acht oproepen kwamen uit een telefooncel.
En hoe vaak trok ik geen cel open waar het spinrag op de deuren zat? Het was natuurlijk september, en er zijn veel spinnen dit jaar, maar toch, de cijfers liegen er niet om. In 1997 werd er vanuit een telefooncel nog gemiddeld een half uur per dag gebeld. In 2003 is dat nog tien minuten, in 2004 nog acht, in 2005 nog zes, en dit jaar nog amper viér minuten. En die vier minuten zijn een gemiddelde. Met aan de "top" de plaatsen waar vaak gebeld wordt zoals stations, luchthavens en ziekenhuizen, en "onderaan" de straatcellen waar in een héél jaar soms geen woord meer gezegd wordt.
Binnenstappen in een (landelijke) cel is nu zo uitzonderlijk geworden dat de omwonenden het mérken. Een beetje crimineel is dus gewaarschuwd: wie nu nog losgeld eist vanuit een cel, die is gezién. 
De man die nabij de cel van Kotem woont, registreert zelfs geen volwassen bezoekers meer: "Ik zie alleen nog kinderen die af en toe de hoorn afhaken en 'hallo' roepen. Ik verschiet ervan dat ze dat nog kennen, iets met een hoorn en een draad!"   
In Bevel-Heikant vindt de aanpalende gepensioneerde dat hij uitstekend geplaatst is om de gebruikers te identificeren: "Ik werk bijna een heel jaar in mijnen hof, en daar tussen de salaad en de savooien kan ik het kot goed zien, en het voorbije jaar heb ik bijna niemand gezien. Eén keer een chauffeur van een vreemde camion, en één keer ne mens op ne koersvelo." De man zegt dat er wel meer mensen willen bellen: "Ik zie ze vaak naar de cel gaan en naar geld tasten in hun zak, maar als ze dan zien dat ze alleen met plastic kunnen bellen, dan zijn ze weg." Het is een opmerking die ik vaak hoor, dat mensen meer zouden bellen als er nog muntgleuven zouden zijn. Maar Belgacom heeft in héél België niet één muntentelefoon meer staan vanwege de vele kaskraken.
Het kleine dorp Gestel heeft allicht de meest merkwaardige cel. Zij verwittigde ooit zélf de overburen toen er gebeld wordt.
De overbuurvrouw: "Gelijk na het avondeten gaat bij ons ineens de telefoon. Ik neem op, ik zeg hallo, en ik hoor een mannenstem die ik niet ken én een vrouwenstem die ik niet ken. Wat dat was, weet ik niet, maar ineens kon ik dat gesprek volgen, in dat kotje hierover. In dat kotje had ik dus beeld, en hier thuis had ik de klank! En die man belde niet naar zijn vrouw, die belde naar zijn aanhoudster. En het is lelijk dat ik het zeg, maar ik heb heel dat gesprek afgeluisterd! Wel tien minuten of zo. En nadien hebben wij die vent nog dikwijls weten parkeren, dat ik tegen mijn man zegde, daar is 'm weer, hij gaat weer met dat vrouwke konkelfoezen. Maar als we dan oppakten, hoorden we de gewone fluittoon, het is bij die ene keer gebleven."

Ik wilde die telefoon onder een auto smijten, dan was ik ervan af

Naam, leeftijd: Christiana, 69 jaar
Woonplaats: Melle
Vorige beroepen: bobijnster, stikster, bejaardenhelpster
In haar huiskamer hebben de stoelen rood fluweel. En het fruit ligt op een schaal van groen glas en op de kast staat een schotel in Delfts blauw. Het leven moet wat kleur hebben, het is zo al zwaar genoeg.
"Ik heb telefoon gehad van 1965 tot 2003, maar toen ben ik een periode heel ziek geweest, maar dan écht heel ziek, ik was al bij Sinte-Pieter! Dus ge verstaat dat ik van ver ben moeten terugkomen! En na die zware ziekte moest ik het rustig aan doen van de dokter, en toen heb ik de telefoon weggedaan. 
De mensen zullen zeggen, géén telefoon, wat een ongemak! Maar integendeel, dat is een groot gemak, ik was het direct gewoon. Vroeger was ik geen moment gerust. Ik maakte eten, de telefoon ging. Ik verzorgde mijn demente man, de telefoon ging. Nooit was ik eens gerust. Zeker niet met vier kinders die altijd iets aan de hand hebben, een auto of een moto waaraan iets mankeert, een lief waarmee iets misloopt.
Tegelijk had ik ook de miserie dat mijn nummer soms verkeerdelijk door camionneurs werd gedraaid. Midden in de nacht was het dan, 'patron, ik sta hier in panne in Frankrijk'. Dat ik op de duur dacht dat ze het expres deden. Ik heb ook een nachtelijke beller gehad die mij echt heeft zitten koeillonneren. 't Was een geldkwestie waar iemand van mijn familie mee te maken had, en die persoon werkte dat uit op mij. Ik zeg het u, meneer, als ge ruzie of jaloezie hebt in de familie, dan is zo'n telefoon een hel. Ik heb dikwijls op het punt gestaan om hem op de steenweg onder een auto te smijten, dan was ik ervan af.
Nu is hij weg en ik voel mij daar goed bij. Weet ge wat het ook is. De kinderen en de kleinkinderen komen meer op bezoek. Toen ik nog telefoon had, sloegen ze een bezoek soms over en dan belden ze mij en dan waren ze ervan af.
En ja, hier is het nu stil in huis. Stilte, meneer, dat zijn vitaminen voor de mens, dat kunt ge niet geloven." 

De cel van Berkenbos (Balen) - © Stephan Vanfleteren

De cel van Berkenbos (Balen) - © Stephan Vanfleteren

Cel Berkenbos
De Telefooncellenroute heeft me intussen al langs een resem dorpen en gehuchten gebracht. Ik heb de cellen gezien van Elingen, Beert, Merendree, Poesele, Ginderbuiten Genebos, Stotert, Melkouwen en nog Vele Anderen, maar hoewel ze haast altijd op een centrale plaats staan, ben ik nog nergens één gebruiker tegengekomen. Ik zie ook locaties waar omzeggens geen toeloop mogelijk is. Zoals in het afgelegen gehucht Hemelshoek van de gemeente Berlaar waar men omwille van die schielijke naam dan ook maar een begraafplaats heeft ingeplant. Hier staat dus een cel, terwijl er niet één huis in de directe omtrek is en er van de bewoners op de dodenakker ook weinig telefonie te verwachten is. Ook de aanwezigen op uitvaarten zie ik niet zo gauw bellen als alle familieleden en kennissen toch al in de buurt zijn.
In de wijk Berkenbos van Balen tref ik dan weer een cel die midden in een bos lijkt te staan. Bij nader toezien schemert er ook een kleine tuinwijk tussen het geboomte, maar cel 14614 staat wel degelijk in een decor van heizand, braamstruiken en dennenbomen. De cel wordt alleen nog bezocht door deugnieten, zegt een omwonende. Eén deugniet had zich in de cel opgesloten, hij moest met een dikke stok proberen uit te breken, en buiten stonden drie andere deugnieten die hem tegenhielden en "die hem zot maakten door tegen de deuren en het glas te stampen". Of een telefooncel daarvoor dient tegenwoordig?!

Vital heeft een deurbel
Naam, leeftijd: Vital Haghebaert,
54 jaar
Woonplaats: Bredene
Vorige beroepen: onderstationschef, stadsbediende, politieagent
Haghebaert kwam bij de gemeenteraadsverkiezingen op onder de eigen lijst V.I.T.A.L. (= Vrijheid-Intimiteit-Thuis-Arbeid-Liefde) en hij is zonder twijfel de enige verkiezingskandidaat in België die niét over een telefoon beschikt. Hij doet open op sloffen en in regenjas, met de kap strak rond het voorhoofd gesloten. Hij spreekt traag en mét klem op el/ke a/par/te let/ter/greep. De man lacht ook veel en gemakkelijk, maar binnenkomen in zijn huis, dat wenst hij niet. En zo ontspint zich op de drempel het volgende vraaggesprek.
Humo: Wanneer heb je laatst nog een telefoon gebruikt?
Vital: «Eind september. Ik belde naar de VRT. Zij hadden een brief gestuurd. Of ik wilde deelnemen aan de verkiezingsshow. En ze vroegen of ik terug wilde bellen. En ik heb terug gebeld. En ik heb "nee" gezegd. Dus dit jaar heb ik al één keer gebeld."
Humo: Proficiat!
Vital: « Dank u (grote glimlach)!
Humo: Is hier dan een cel in de buurt?
Vital: « Ja. Op tweehonderd meter van hier. Maar ik heb niet in die cel gebeld. Ik bel in de bibliotheek. Daar gaat het nog met munten. Of in het zwembad. Daar is het ook met munten. Er zijn te weinig openbare cellen met munten."
Humo: Wanneer heb je de voorlaatste keer gebeld.
Vital: « Dat was twee jaar geleden. Dat was om mijn uitslag van de Vlaamse parlementsverkiezingen te kennen (zijn lijst haalde toen 1332 stemmen in Vlaanderen,jh). Ik heb toen de Vlaamse Infolijn gebeld."
Humo: Een O8OO-nummer, een gratis telefoontje dus.
Vital: « Inderdaad! (danige binnenpret) 
Humo: Hoe hou je contact met kennissen of vrienden als je geen telefoon hebt?
Vital: « Ik kende vroeger redelijk wat mensen omdat ik in een schaakclub, een bridgeclub en een scrabbelclub was. Maar nu ben ik in geen enkele club meer. De meeste mensen zie ik wanneer ik ga fietsen in Bredene. En anders moeten ze mij maar schrijven als ze mij willen bereiken."
Humo: Krijg je veel brieven?
Vital: «Nee (lacht)!
Humo: Kan ik je programma lezen?
Vital: « Eén ogenblik. (Hij draait de deur in het slot en laat me op straat staan. Na een minuut maakt hij weer open en krijg ik een copie). Dit heb ik op twintig exemplaren laten copiëren. Het is met de hand geschreven. Want ik heb geen typmachine. Ik heb ook geen telefoon. En ook geen koelkast. Maar ik heb wel! Elektrische verwarming. Televisie. Een grill. Een broodrooster. Een strijkijzer. En een deurbel! (hilariteit)"
VITAL haalde 79 stemmen in Bredene. 

Met de opkomst van de gsm, worden elke dag drie telefooncellen weggehaald in België. Belgacom wil echter niet zeggen wat een cel per jaar moet opbrengen om niét afgebroken te worden.  
Dat er wel degelijk een 'sneuvelquotum' is, komen we te weten van  enkele gemeentes waar in 2006 en 2005 cellen zijn weggenomen. Zo liet Belgacom aan de gemeente Rijkevorsel (10.600 inwoners) weten dat ze vijf cellen op haar grondgebied wilde weghalen. Hoewel de cellen allemaal binnen het dorp lagen, bedroeg de gezamenlijke jààromzet (in 2004) slechts 98 euro. De beste cel had 48 euro "gedraaid", de anderen haalden een omzet tussen 18 en 9 euro per jaar. In Rijkevorsel staat nu nog één cel. Ook de gemeente Gingelom kreeg begin 2006 een bericht van Belgacom: ze wilde vijf cellen  verwijderen in de deelgemeentes Niel, Mielen, Buvingen, Boekhout en Muizen. Niel haalde nog 52 euro per jaar maar de cel in de Kruisstraat van Muizen kon slechts een omzet van 5 euro per jaar voorleggen.  

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

De rinkelende doodskist
Naam: Wessel di Wesselli
Leeftijd: 68
Woonplaats:
Antwerpen
Beroep: kunstenaar, universeel uitvinder
Wessel di Wesselli is géén onbekende voor de Humolezers uit de jaren tachtig. Zij zullen hem nog herinneren als de bevlogen Da Vinci van de Lage Landen die via Humo honderdduizend Bfr uitloofde aan eenieder die kon bewijzen dat zijn perpetuum mobile niét functioneerde.
Intussen zijn er 22 jaar voorbij, Wessel di Wesselli werkt nog steeds aan zijn perpetuum, maar telefoon én deurbel zijn uitvindingen die niet langer aan hem besteed zijn. Na twee dagen vergeefs op zijn bel duwen, meldt de buurvrouw roepend uit het raam "dat die mens met zijnen baard bijna altijd op de baan is" en dat ik ook voor niks zal komen als hij wél thuis is, "want dan zet hij den ellentriek van zijn bel af". Uiteindelijk vinden we mekaar toch en zo zit hij voor mij: de man met de lange gabardine en het brandend vuur in zijn antracieten ogen.
"Dat ik bij mij thuis de deurbel af zet, komt omdat ik niet graag gestoord word. De mensen moeten maar een brief schrijven als ze mij willen bereiken. Brieven schrijven is goed voor de mens. Een brief komt in een huis binnen zonder de bestemmeling te storen en die bestemmeling heeft dan ook nog het voordeel dat hij je gedachten kan bewaren.
Een telefoon is nadelig voor de bestemmeling. Hij komt met veel stoornis in je huis, en door zijn vluchtigheid laat hij niet de minste neerslag na. En nu zijn er de e-mails die je ook kan bewaren, maar door e-mail verliezen wij de belangrijke én de onmisbare figuur van de postbode die voor de briefwisseling én voor sociaal dienstbetoon zorgt.
Maar laat mij terugkomen op de nadelen van de telefoon. Dat toestel is een dictator. Je bent aan het eten, je bent aan het lezen, en zijn onbeleefd gerinkel dwingt je om iedere activiteit te staken. Zelfs mooie gesprekken onder mensen heb ik al weten afgebroken worden door telefoon en gsm. En de vaste telefoon is dan nog minst nadelig, die stoort slechts op één plaats in huis, maar de gsm stoort op àlle plaatsen waar je je bevindt. Het stond toch in de krant van die dode die in zijn kist lag, en tijdens de uitvaartdienst ging zijn gsm rinkelen. Dus zelfs in de dood was hem geen rust gegund!
Babbelonië
«De technologie zou een verlengstuk moeten zijn van de mens, maar we zien het omgekeerde. De mens is een afhankelijk verlengstuk geworden van de technologie en dat brengt hem van de wijs. Omdat hij overvloedig met die gsm communiceert, vergeet hij dat er meditatie en stilte nodig is. En hij vergeet eveneens dat die miljoenen gsm's tonnen vervuiling meebrengen, alsook gevaarlijke stralingen van dat toestel zelf én van de gsm-masten. Hetzelfde zie je met de automobiel die ik de foute-mobiel noem. Die zorgt voor communicatie, die brengt mensen bij elkaar, en dat is zo makkelijk en comfortabel dat de mens niet meer zonder die wagen kan. En omdat hij nu een verlengstuk van die wagen is, vergeet hij dat die foute-mobiel de aarde verbrandt en vernietigt. En hij vergeet dat er ook nog stille vervoermiddelen zijn. 
Ik doe de meeste van mijn verplaatsingen met de fiets. Die handelswijze noem ik de velosofie: ik denk, dus ik fiets.
Maar die traagheid staat haaks op onze maatschappij die doordrongen is van de haast. Men wil snelheid in het wegverkeer én in het maatschappelijk verkeer: men wil snel kunnen rijden en de ander snel kunnen bellen. Maar wat is het resultaat? Een chaos in het verkeer en een Babbelonië in onze gesprekken. Haast is dus overbodig. Haast zorgt voor ongevallen op de weg en voor botsingen en misverstanden in onze communicatie (waardoor we opnieuw en opnieuw moeten bellen!)
En mensen zeggen dat ze die gsm en die telefoon niet meer kunnen missen. Maar dat is onzin. Je kan dat best wel gewoon worden. Trouwens, in hoeveel gezinnen ontstaat er geen ruzie en onenigheid door de hoge gsm-rekeningen?! Er zijn nu al mensen die schulden hebben door de gsm, met andere woorden: schulden omdat ze zoveel gecommuniceerd hebben.
Het lijkt wel op een verslaving. Die ontstaan is uit de angst van alleen te zijn. Dat altijd maar opnieuw willen bellen om te horen dat er iemand is. Het is een opvallend gegeven. Enerzijds isoleert de mens zich meer en meer. Hij rijdt vaak alleen in zijn voertuig, hij praat niet meer in de tram of in de trein, hij loopt zijn buren met een haastig knikje voorbij, en daar tegenover staat dat hij niet zonder die gsm kan. Er is dus angst voor de communicatie met vreemden, en daarom valt hij terug op dat apparaatje waarmee hij kan spreken met de mensen die hij goed kent.
Dus in plaats van met een brede kring van mensen te praten, vallen we terug op dat kleine kringetje. En in plaats van rechtstreeks en van gezicht tot gezicht met mekaar te communiceren, vallen we terug op dat hulpstuk, op die prothese. Erger nog, we zijn zelfs gaan denken dat die gsm-prothese het enige ware communicatiemedium is.
Nog zo'n waanidee is dat je bereikbaar moét zijn. Maar waarom moét dat? Welk heil is daarmee verbonden dat iedereen je steeds en overal weet te vinden? Het doet mij denken aan de elektronische enkelband. Met dat verschil dat je deze enkelband zelf gekocht hebt."

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

Havenroute
Een apart belgebied is de Antwerpse haven. Op papier hebben we een lijst van achtentwintig cellen, een "telefoongids" die tien jaar geleden gemaakt is door de havenaalmoezeniers. Zij veronderstellen dat de meeste cellen er nog staan omdat zeelui toch regelmatige gebruikers zijn.
De haven is een doolhof van moeilijk te vinden kaainummers en afgesloten security gates en we hebben moeite om de cellen te lokaliseren: cabines van die omvang zie je niet meteen staan tussen die torens van opeengestapelde containers. De cel aan de Petroleumbrug is de bijzonderste. Ze staat naast een permanent opgehaalde ijzerbrug, de weg gaat er niet verder, er loopt een spoorbundel tot voor de deur, er groeit gras tussen de kasseien, en achter de cabine strekt zich een ruwe watervlakte uit met gastanks en rokende chemiebuizen, en overal is er geschraap en geschuur, van metaal op metaal, van lichters en ankers en baggerboten.
De telefooncel op de Scheldelaan en nabij het dorp Lillo is de grappigste. Naast het zwaar suizende wegverkeer hangt een bord met die ouderwetse zwarte hoorn, de aanduiding dat er een cel vlakbij is, en die is er ook, maar als je de deur openduwt, is er geen telefoontoestel. Er is alleen nog het toepasselijke Belgacom-opschrift "Zoekt u iets of iemand?"  
Ook de cel die zich op het eiland bevindt tussen de enorme Zandvlietsluis en de al even immense Berendrechtsluis is niet meteen te vinden. Het aluminium bezemkastje steekt amper af in dit landschap van zeeschepen die flatgebouwen met containers op hun dek dragen. Als ik de hoorn neem, komt er geen kik meer. De wereld is hier veraf, dat hoor ik van de wind tussen de klapdeuren.
Aan kaai 408 is een douanebureau en de cel naast de gevel "doet het nog goed" volgens de beambte. Veel Aziaten en Oost-Europeanen die bij het magere licht de kleine lettertjes van hun telecard staan te lezen. Ik zou ze graag zien bellen hier, tussen de rafels goederenspoor en bij die ene sparrenboom die ooit van een Skandinavisch schip is gevallen en toch wortel heeft geschoten.   
Ook vinden we nog een cel aan de voet van torenhoge graansilo's, een luciferdoos, altijd in de schaduw, altijd onder stof. En dan komt dé verrassing op de lààtste locatie die we bezoeken, kaai 314, twéé cellen naast mekaar en in één daarvan staat Een Mens! De eerste beller die ik zie in dagen làng langs cellen rijden. Hij belt aan de voet van een hoog zwart schip uit Panama, de zon kaatst overal op de boegen en de rompen van schepen, en de meeuwen schreeuwen zoals het hoort. Martin komt uit het Poolse Sopot, en is eerste officier op een schip "hier 5OO meter vandaan". Zijn schip met de twintig bemanningsleden vaart tussen Europa en China, Antwerpen is altijd een stopplaats. Hij had zojuist vrouw en kinderen aan de lijn, hij is al bijna zes maanden van huis, maar binnen enkele dagen gaat hij dan toch thuis zijn. En hij heeft een gsm, maar daarmee kost Polen één dollar per minuut, en in deze cel kost het maar een halve dollar per minuut, so I can talk longer.  Ik wens hem nog een goede reis, en zeg ook goeiedag in het Pools en ineens komen de woorden dzjengkoejew, potsjonk, en pomiedori uit een oud geheugen terug, en ach, het zijn maar woorden om daarginds Dank U, Trein en Tomaten te zeggen, maar hij lacht van oor tot oor omdat iemand vijf seconden zijn taal spreekt, hier in dit Belgische land. En dan gaan onze wegen uit elkaar. En niets is wat er overblijft, dan een haven en een zwijgende cel aan een waterkant.

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

Meer lezen