Reportages
Een archief van eigen reportages.
Over bliksemjagers en voetbalveteranen,
klaroenblazers van de Last Post en autobestuurders die geen 1000 km per jaar rijden.
En natuurlijk nog Vele Anderen.
Het boek “Kind zonder winter” heeft zijn voorgeschiedenis. Een hele reeks winterreportages ging eraan vooraf; zie ‘Winterreportages’ (in de header) of zie onder October 2025 .
ARCHIEF
- January 2026
- November 2025
-
October 2025
- Oct 30, 2025 “Kind zonder winter” - eerdere winterreportages
-
May 2025
- May 16, 2025 R Antwerp FC: het einde van Tribune 2
- February 2025
-
October 2024
- Oct 20, 2024 Hoe Herman Selleslags België zag veranderen
- Oct 19, 2024 Afscheid van Herman Selleslags
-
July 2023
- Jul 5, 2023 De kermisfotografen van de Kempen
-
May 2023
- May 26, 2023 Memoires van een Ijsboerke
- May 26, 2023 Kaasfabriek Kempico : kroniek van een aangekondigde dood
- January 2023
- September 2022
- June 2022
- May 2022
- February 2022
-
September 2021
- Sep 22, 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (4): tijd willen winnen in de non-stopmaatschappij (24/24)
- Sep 22, 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt ? (3): het 'kopen' van andermans tijd (met o.a. de hondenuitlater en de ‘loopjongen’ voor je kleren)
- Sep 22, 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (2): meer vrije tijd en toch meer opgejaagd
- Sep 22, 2021 Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (1): het Vlaamse gezin en zijn dagelijkse 'rit tegen de tijd'
- Sep 8, 2021 11 september (2): Mohammed Atta, de student stedenbouw die architect van de aanslagen werd
- Sep 8, 2021 80 Vlaamse bakkers en “hun” 11 september
-
August 2021
- Aug 30, 2021 Katrina (2): de boswachters als redders van New Orleans
- Aug 30, 2021 Orkaan “Ida” - 16 jaar na de ravage van orkaan Katrina
- Aug 24, 2021 20 jaar 'Zomerbeelden' op de VRT !
-
July 2021
- Jul 22, 2021 Tien jaar na Utøya (3): de ontreddering van de redders en de hulpverleners
- Jul 22, 2021 Tien jaar na Utøya (2): de onderzoeksjournalist en de psychologe van de overlevenden
- Jul 22, 2021 Tien jaar na de tragedie in Utøya (1): het relaas van de overlevenden
- Jul 16, 2021 Zomeroverstromingen: het nieuwe normaal?
- Jul 12, 2021 Na het EK Voetbal : het EK Minigolf in België
- June 2021
-
May 2021
- May 1, 2021 Interview met de allereerste Mol (1999)
- April 2021
-
March 2021
- Mar 27, 2021 Vogelspotten (2): blij met een levende mus
- Mar 27, 2021 Vogelspotten (1): een vroege-vogel-wandeling en de eerste Belg die vogelzang op vinyl zette
- Mar 23, 2021 De laatste dagen van Doel: kroniek van een aangekondigde dood
- Mar 7, 2021 Altijd wind mee: fietsenmakers over de demarrage van de elektrische fiets
-
February 2021
- Feb 23, 2021 Diefstal per brief: Bpost wil de postzegel in Belgische frank doen verdwijnen
- Feb 9, 2021 <w> De marathonwinter van 1962-1963 (2) : de bevroren zee
- Feb 9, 2021 <w> De marathonwinter van '62 -'63: de koudste winter sinds 1833
- Feb 2, 2021 <w> De achtenveertig uur durende “blizzard” over zuidoost-België (1 februari 1953)
- Feb 1, 2021 De overstromingsramp van 1953 (2) : de Belgische redders vanuit de lucht
- January 2021
-
December 2020
- Dec 27, 2020 Op kerststallentocht in de Kempen: een autocar van goede wil
- Dec 18, 2020 De Grote Glühweinroute (revisited)
- Dec 11, 2020 <w> Het kerstbomenbos: hoe de Nordmann de Ardennen inpalmt
- Dec 8, 2020 <w> De winter in Lapland (2): Onze Man valt van de hondenslee
- Dec 8, 2020 <w> De winter in Lapland (1): de Belgische die de jaarlijkse ijstijd en rendieren trotseert
- Dec 4, 2020 Sint en Piet in het echt: uit koets gevallen, van baard beroofd en andere waargebeurde feiten
- Dec 4, 2020 Sint en Piet gaan hard méé met hun tijd: van schimmel tot bulldozer en parachute
-
November 2020
- Nov 26, 2020 Op huisbezoek met Sint en Piet (2) : in Antwerpen
- Nov 26, 2020 Op huisbezoek met Sint en Piet (1): in de Kempen
- Nov 19, 2020 Van deur tot deur (4): de verkopers van stofzuigers en gebakken lucht
- Nov 19, 2020 Van deur tot deur (zonder corona) (3): de getuige van Jehova en de huis-aan-huis-winkelier
- Nov 17, 2020 Van deur tot deur (zonder corona) (2): Hans de Booij (zanger-boekenverkoper) en een Franciscaanse bedelbroeder
- Nov 17, 2020 Van deur tot deur (zonder corona) (1) Martin Heylen en de Appelleurders
- Nov 10, 2020 Jodelen: de nieuwe superverspreider van corona
- Nov 1, 2020 Trump: staat de verongelijkte kiezer nog altijd aan zijn kant?
- Nov 1, 2020 De sprookjes van Trump
-
October 2020
- Oct 23, 2020 De derby Antwerp-Beerschot: rood-witte honden versus mauve-witte ratten
- Oct 16, 2020 De laatste "westerners" en cowboydorpen van België (3): Texas City in Tremelo
- Oct 15, 2020 De laatste “westerners” en cowboydorpen van België (2): van Antwerpse indianen en Kempense outlaws
- Oct 14, 2020 De laatste “westerners” en cowboydorpen van België (1) : begraaf mijn hart bij de baan naar Wuustwezel
- September 2020
-
August 2020
- Aug 31, 2020 Het nieuwe schooljaar: leerkrachten vertellen hoe ze een klas aanpakken in het éérste lesuur
- Aug 27, 2020 De pottenkijkers (2): voetbal kijken ondanks gesloten deuren / de dakfans en andere voetbalburen
- Aug 26, 2020 De pottenkijkers (1): toch voetbal kijken in stadions met gesloten deuren
- Aug 14, 2020 De hittegolf en een coup de foudre: op stap met een bliksemjager
- Aug 7, 2020 Beiroet en de honden van de (puin)hoop
- Aug 5, 2020 De ramp van Beiroet en de ramp van Tessenderlo (1942): als tonnen ammoniumnitraat exploderen
- Aug 1, 2020 De machtige duivenvlucht uit Barcelona: vertrokken in volle corona
-
July 2020
- Jul 31, 2020 De stille bekerfinale tijdens corona en de roodwitte roots van Luk Perceval
- Jul 30, 2020 De alziende corona-camera: de burgemeester met het fotografische geheugen
- Jul 26, 2020 Zomer van verveling: 13-jarige rijdt 800 km met oma's auto
- Jul 9, 2020 Voetnoten langs de weg: achter de schermen van de zelfgeknutselde wegwijzers
- Jul 3, 2020 Zomer zonder Werchter (3): the day after
- Jul 3, 2020 Zomer zonder Werchter (2): de pionier van de mobiele toiletten
- Jul 2, 2020 Zomer zonder Werchter (1): twee trouwe soldaten van de frontstage
-
June 2020
- Jun 29, 2020 Toerisme in eigen land (1): koninklijke familie bezoekt Bokrijk
- Jun 21, 2020 De stille overwegen (3): ontsnapt aan de klap
- Jun 20, 2020 De stille overwegen (2): koeien op het spoor
- Jun 19, 2020 Lege treinen en stille overwegen (1): de laatste onbewaakte spoorovergangen
- Jun 12, 2020 Experimenteel reizen in eigen land (4): met een gocart de grens over
- Jun 11, 2020 <w> Experimenteel reizen in eigen land (3): in volle zomer liften met een slee
- Jun 10, 2020 Experimenteel reizen in eigen land (2): de pionier van de maffe reisformules
- Jun 9, 2020 Experimenteel reizen in eigen land (1) : rugzaktoerist op 500 meter van je voordeur
- Jun 5, 2020 Café Corona: hoe moet het verder met het volkscafé?
- Jun 1, 2020 Kinderen van de holocaust: de vrouw die honderden kinderen hielp onderduiken
-
May 2020
- May 28, 2020 Record social distancing op café: 245 uur in quarantaine op een barkruk
- May 27, 2020 Uit onze gevoelige platenkast: de huwelijksfotografen !
- May 23, 2020 De hobo’s (5): een klein foto-album
- May 22, 2020 De hobo’s: zwerven op goederentreinen (4) / de overlevers van de Grote Depressie
- May 21, 2020 De hobo’s: zwerven op goederentreinen (3) / de Vietnam-veteranen
- May 20, 2020 De hobo’s: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (2) / de rammeling voor het slapengaan
- May 19, 2020 De hobo's: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (1) / de leerschool
- May 13, 2020 2020: het jaar van het lange haar (de “hippie-comeback”)
- May 9, 2020 Rock-’n-roll-model voor alle online huiskamerconcerten: de Slechtste Gitarist van Vlaanderen
- May 7, 2020 60 jaar geleden: veel minder auto's en véél moorddadiger verkeer (2)
- May 7, 2020 60 jaar geleden: veel minder auto's en véél moorddadiger verkeer (1)
- May 3, 2020 <w> 75 jaar Buchenwald: de dodenmars in sneeuw en ijs
-
April 2020
- Apr 28, 2020 Yo de dobbermannen! Bekende Vissers (BV’s) over hun watersport
- Apr 24, 2020 Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (2)
- Apr 24, 2020 Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (1)
- Apr 21, 2020 Hoe een bezoek aan de supermarkt zes dagen kon duren
- Apr 17, 2020 Een leven zonder gsm en zonder vaste telefoon (2)
- Apr 17, 2020 Een leven zonder gsm en zonder vaste telefoon (1)
- Apr 16, 2020 Arendonk? Gitarendonk! De revival van het mini-festival
- Apr 15, 2020 De man die 29 jaar in quarantaine leefde
- Apr 7, 2020 Verhalen uit het containerpark (2)
- Apr 7, 2020 Verhalen uit het containerpark (1)
- Apr 2, 2020 De voetbalveteranen (3): de zwarte panter van SK Waanrode
- Apr 1, 2020 De voetbalveteranen (2): de oldtimers van KFC Herenthout
- Apr 1, 2020 De voetbalveteranen (1) : de éminence grise van KFC Putte
-
March 2020
- Mar 29, 2020 De pionier-tv-verkopers (jaren ‘50 en ‘60)
- Mar 24, 2020 De eenzaamheid van de Last-Post-klaroenblazer
- Mar 21, 2020 De zeldenrijders (2)
- Mar 17, 2020 De zeldenrijders (1) chauffeurs met 1000 km per jaar
Meer reportages lezen?
Wil je ingelicht worden als er nieuwe
reportages verschijnen?
Vul dan hier je e-mail-adres in:
Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (4): tijd willen winnen in de non-stopmaatschappij (24/24)
© Jan Hertoghs
“De 24/24-maatschappij put de mensen uit.En de planeet aarde. “
Humo jan. 2001 - ingekort © Jan Hertoghs
Karlheinz Geissler is professor in de economische pedagogie en één van de vooraanstaande tijdvorsers in Duitsland. Geissler is gekend vanwege zijn kritiek op de non-stop-maatschappij die altijd sneller wil gaan en altijd meer tijd wil winnen. “Tomaten moeten sneller groeien, wijn moet sneller op de fles, brood moet vlugger rijzen, en het vee moet sneller slachtrijp zijn.” En dat is nu de tijdsziekte. Dat we later en langzaam doodgaan van voedsel dat snel gekweekt is, snel getransporteerd is, en snel in de mond is gestopt.
Humo: Als er nu een debat is over tijd, vrije tijd, tijdsdruk en werktijdverkorting, dan wordt dat gevoerd door sociologen, vakbonden, werkgevers en politici. Maar vroeger behoorde de tijd niet aan academici of politici. De tijd behoorde aan God.
Geissler: « Tot voor vijfhonderd jaar, tot de periode van de renaissance behoorde alles aan God: de mensen, de natuur, de hele schepping, en dus ook de tijd. Want God besliste over het weer, over het zaaien en het oogsten, over de seizoenen én over leven en dood. De mensen leefden toen ook nog met het ritme van de jaargetijden omdat het overgrote deel van de bevolking uit boeren bestond. De breuk met de natuur is er gekomen sinds de invoering van het slaguurwerk op de torens van kerken en stadhuizen. Dat uurwerk had geen ritme meer, geen winter of zomer meer, dat uurwerk deelde de tijd in volgens een mechanische maat en zo zijn we stilaan losgekomen van het ritme van de natuur.
De volgende stap was de Industriële Revolutie. Toen kreeg je naast het mechanische uurwerk ook het mechanische ritme van de (stoom)machine. Een baas wist welke productie de machine op één uur kon halen en de arbeider moest dat ritme maar zien te volgen. Sinds de stoommachine -en met de stoomboten en de stoomtreinen- is er ineens een versnelling van de maatschappij ingetreden. Tot dan toe leefden we nog in het tijdperk van het paard en de postkoets en was er nooit enige versnelling geweest. Het Romeinse leger van Julius Caesar en de troepen van Napoleon gingen nog even snel vooruit.
© Jan Hertoghs
Humo: Nu leven we in het elektronische tijdperk. Wil dat zeggen dat ons bestaan is afgestemd op de computer en internet?
Geissler: « Er zijn nog niet-geïndustrialiseerde landen en regio’s waar men volgens de seizoenen leeft, maar in onze geïndustrialiseerde landen zitten we in het elektronische tijdperk en zitten we aan het plafond qua versnelling. In het tijdperk van telegraaf en telex ging informatie snel om de aardbol, maar via internet gaan onze data de wereld rond tegen de snelheid van het licht, sneller kan niet. Internet haalt niet alleen de snelheid van het licht, het schakelt ook licht en duisternis uit. Met internet is het altijd ‘licht’. Er is geen dag of nacht meer, er is geen werkdag of zondag meer, al die grenzen zijn weggeveegd.
Dat het oude tijdperk wordt afgesloten, merk je ook in het straatbeeld. Vroeger had je overal uurwerken, op kerken, stadhuizen, belangrijke pleinen, in stations en als uithangbord van horlogewinkels. Nu verdwijnen die uurwerken stelselmatig uit het openbare leven. In spoorwegstations zie je ze nog weel, maar in luchthavens zijn ze bijna weg.
De tijd verliest zijn waarde als oriënteringsmiddel. En één van de grote oorzaken ligt bij de gsm. Dat mobiele toestel maakt dat we loskomen van de tijd. Want als we te laat zijn, dan is dat geen erg meer, dan bellen we even om te zeggen dat we in aantocht zijn. We hebben geen tijdstippen meer nodig. Het tijdperk van het stipt zijn is voorbij. Stipt zijn is alleen nog voor mensen die absoluut in dat ene vliegtuig wil zitten dat naar beneden gaat storten. (lacht). Nee, ernstig, stipt zijn is alleen nog voor ouwe lui.
Humo: Zelfs hier in het punktuelle Deutschland?
Geissler: «Jaja! Kijk maar naar het uitgaansleven. Een disco opent zijn deuren om halfnegen maar wie om halfnegen arriveert, is een sul, is een mens die zijn wereld niet kent. Je moet tegenwoordig lààt komen om op tijd te komen. Tenzij met de koopjesperiode. Wie dan op tijd komt, is in feite te laat (lacht)
© Jan Hertoghs
Vierbaansleven
Geissler: « Als je mee wil zijn met je tijd, dan bind je je niet meer aan stiptheid, maar aan gelijktijdigheid, het tegelijk doen van verschillende zaken. Zoals tv kijken én de krant lezen. Of aan het strand zitten, een hap eten, de kinderen in het oog houden, op de laptop werken en tussendoor wat telefoontjes doen. Omdat snelheid niet steeds haalbaar is, omdat mensen mekaar verdringen in het verkeer en de rijen van de supermarkt, moet je voor jezelf een vierbaansweg aanleggen van je activiteiten. Dàt is het nieuwe leefpatroon. Dan ben je nog mee met het kapitalisme, want dan win je tijd en tijd is geld. Je moet ook maar eens bij de bagageband in de luchthaven gaan staan. Nergens wordt er zoveel met de gsm gebeld. Vanaf het ogenblik dat iemand stil staat en één minuut moet wachten, wordt er iets anders gedaan.
Je merkt die gelijktijdigheid ook in de horloges. Een horloge gaf vroeger alleen de uren, de minuten en soms de datum aan. Nu wordt het horloge een kit. Met een ingebouwde hoogtemeter, temperatuurmeter, gsm, aansluiting op internet en afstandsbediening van de video. Alles-in-één, multifunctioneel en super-gelijktijdig!
Humo: Terwijl we met vier dingen tegelijk bezig zijn, zijn we ook met de toekomst bezig. U schrijft dat we ons volledig laten opslorpen door de toekomst. De boeken die we straks nog moeten lezen, de reizen die we straks nog zullen ondernemen, de aandelen die straks zullen opbrengen.
Geissler: « Ja, terwijl we één ding doen, denken we al aan de de dingen die we daarna gaan doen. Men aanvaardt een job vanuit de gedachte: “Deze job zal ik kunnen gebruiken als springplank naar een andere job.” Zie je: de toekomst is al gestuurd en vastgelegd. Het onverwachte van de toekomst krijgt geen kans meer. Alles is toegedekt met planning, investering, en hoop op rendement. Maar wat voor een leven heb je dan als je alles naar later verschuift?!
Humo: De Amerikaanse auteur Thoreau heeft het daarover in zijn boek “Walden” (1854). Hij schrijft: “Wat is dat voor een leven als je het beste en grootste deel besteedt aan geld verdienen en het kleinste deel aan het genieten van een twijfelachtige vrijheid.”
Geissler: « Ja. We zijn zo met de voorbereiding en de organisatie van het leven bezig dat we aan het leven zelf niet meer toekomen. We studeren, we plannen, we nemen hypotheken, we hebben polissen voor wanneer het leven fout gaat, maar wat doen we in het leven zelf? Vaak alleen maar ons geld uitgeven aan georganiseerde reizen, georganiseerde pretparken, en gerganiseerde shopping centra. En zo stap je van de georganiseerde werktijd in de georganiseerde consumptietijd. En door al dat geplande werk en vermaak krijgen veel mensen het gevoel dat ze geleefd worden. Ze voelen zich niet meer meester over hun tijd én ze voelen zich niet meer meester over hun leven. Vaak rest er dan maar één ding: verzaken aan die consumptie, want als je minder consumeert, krijg je vanzelf meer tijd vrij. >
© Jan Hertoghs
Humo: Je moet tot de middenklasse behoren om aan consumptie te kunnen verzaken. Voor wie amper de eindjes aan elkaar knoopt, is die boodschap niet bestemd. Is er geen andere manier om weer meester te worden van je tijd?
Geissler: « Ja. Je kan vaste rituelen aanbrengen in je tijd. Als je elke keer na je arbeid op je gemakje de krant leest en nadien op je gemakje een bad neemt, dan breng je een ritme aan en dan moet je die vrije uren niet meer gaan plannen. Als je al die keuzes weglaat van ‘wat zal ik nu gaan doen’ dan krijg je veel tijd. En dan krijg je minder stress, want er is niks zo stresserend als voortdurend over je tijd te moeten beslissen. Als de vier leden van een gezin afspreken om elke avond om zeven uur samen te eten, dan hoeft niemand die tijdsindelingen van die vier gezinsleden nog te coördineren.
Routine en rituelen kunnen dus heel rustgevend werken.
Kijk naar de openingsuren van de kleinhandel. Vroeger waren die uren wettelijk dezelfde voor alle winkels, nu is het bijna zover dat elke winkelier de ‘vrijheid’ heeft om zijn openingsuren en -dagen te bepalen. Met het gevolg dat je bij de ene om elf uur binnen kan en bij de andere voor een gesloten deur staat. Wat frustrerend is en wat maakt dat je -om geen “tijd te verliezen” - lijstjes moet houden met de uren van de bank, de fietsenmaker, en de boekenwinkel. Tja, routine en traditie klinken ouderwets, maar zijn niet zomaar te verwerpen.
Humo: Vroeger lag alles vast - de uren van de fabriek, de uren van de winkels- maar nu heb je bedrijven waar je dag en nacht kan werken, tankstations waar je dag en nacht kan tanken, banken waar je dag en nacht geld uit de muur kan halen, winkels waar je 24 uur op 24 kan inkopen doen. Het is de 24-uren-maatschappij, de “non-stop-maatschappij” en ze gaat steeds verder.
Geissler: « En ook de seizoenen vallen weg: er zijn nu het hele jaar door asperges en aardbeien, ook dat is non-stop. En kijk naar de kerstartikelen, die beginnen ze al in september te verkopen. Er is zelfs één winkel die ze het hele jaar verkoopt. Kijk ook naar de televisie. Vroeger had je nog een dagsluiting, een Sendeschluss. Maar die tijd is voorbij. De tv stopt niet meer in de nacht.
Humo: De Amerikaanse socioloog Melbin had het over “the night as frontier”. De nacht die we zijn gaan veroveren, koloniseren en ontginnen.
Geissler: « Ja, de nacht die lag daar maar, die diende alleen om te slapen, maar vanaf de uitvinding van het elektrische licht kon de nacht niet meer onontgonnen blijven liggen. Zoals de spoorwegen Europa en Amerika hebben ontsloten, zo heeft het elektrische licht de nacht ontsloten voor de economie. Eerst met nachtarbeid en nu hoe langer hoe meer met nachtconsumptie. Voetbalwedstrijden verschoven van de namiddag naar de latere avond; bij het skiën heb je nu ook Nachtfahren en pistes die ‘s avonds verlicht zijn. Of neem al die Olympische Spelen en Wereldbekers voetbal die bij ons in het diepst van de nacht op het scherm komen! Niemand die dat nog vreemd vindt. Of kijk naar al die managers en politici die ‘s nachts doorwerken en die hun nachtrust vervangen door korte hazenslaapjes. Ze gaan er vaak prat op dat ze de nacht hebben ‘veroverd’. >
© Jan Hertoghs
Geissler: « Vroeger was het “alles op zijn tijd”, maar nu is het “alles op elk moment én onmiddellijk”. Neem de Mc Donald’s. Je wordt onmiddellijk bediend, je kan àlles krijgen, - een ontbijt zowel om tien uur ‘s morgens als om tien uur ‘s avonds-, en je kan er op elk moment binnenstappen want in de VS hebben veel van die Mc Donalds al geen sluitingsuur meer. Er komen ook meer café’s en snackbars waar je rechtstaande kan eten en drinken en dan is de volgende fase om stappend of rijdend te eten en te drinken. Je ziet het aan de nieuwe automodellen, ze hebben bekerhouders en een tafelblad.
Alles moet snel gaan. Tomaten en sla moeten sneller groeien, wijn moet sneller op de fles, brood moet met verbeteraars vlugger rijzen, varkens moeten sneller vlees hebben, de kippen moeten sneller leggen en sneller slachtrijp zijn. De natuur moet maar groeien zoals de bank en de globale economie het verlangt, en niet zoals de boer het al eeuwen gedacht had. BSE? Dat is een tijdsziekte! Omdat die runderen snel aan gewicht moesten winnen kregen ze dat veevoer met beendermeel erin. Men neemt zich niet eens de tijd meer om de neveneffecten daarvan te onderzoeken, nee, het moet vooruit en dus geeft men die dieren soortgenoten te eten. En nu gaan de mensen langzaam dood van iets dat snel gekweekt is, snel getransporteerd is, snel in de keuken bereid is en snel in de mond is gestopt. Het hoort allemaal bij elkaar: hektische mensen, snel gekweekte dieren en fast food eten.
Humo: Volgens u put die non-stop-maatschappij de grondstoffen uit.
Geissler: « Met die ontginning van de nacht, met die 24uren-economie zijn we de aarde aan het uitputten. Miljoenen jaren heeft het geduurd voor we die voorraad aan gas, steenkool en olie hebben opgebouwd en nu worden die energiebronnen er in een recordtempo doorgejaagd. Want we hebben die energie nodig voor de vrachtwagens die dag en nacht het wegtransport verzorgen, we hebben ze nodig om winkels te verwarmen die 24 uren open zijn, we hebben ze nodig om het internet continu van stroom te voorzien. >
© Jan Hertoghs
Tijdinfarct
De non-stop-maatschappij put ook de mensen uit. Er zijn twee foltermethodes waarbij de mens compleet gek wordt. Eén is door een constante aanwezigheid van licht, en twee is door een voortdurend tekort aan slaap. Dat slaaptekort en die alomtegenwoordigheid van het licht zijn we nu aan het invoeren met die non-stop-maatschappij. (Volgens Amerikaanse studies zorgt slaaptekort en de daaruit voortkomende ongevallen jaarlijks voor 25.000 doden en 56 miljard dollar materiële schade,jh).
Humo: Volgens de Nederlandse professor Knulst (deel 2) kunnen we dat nieuwe tempo wel aan, en dan zeker de jongere generatie.
Geissler: « Ik weet niet over welke bijzondere geestesgesteldheid de Nederlanders beschikken, maar volgens onderzoek voelt zestig procent van de Duitsers zich dag in dag uit “geplaagd” door een niet weg te cijferen tijdsdruk. En niet alleen bij de drukke tweeverdieners, ook bij scholieren en ouderen komt het veelvuldig voor, dat knagende gevoel van ik moet nog dit, en ik moet nog dat. En ik neem aan dat jongeren zich aan die druk kunnen gewennen, maar de vraag is of we aan alles moeten wennen. De vraag is of er geen grens is waarbij eerst het individu en mogelijk het hele systeem een tijdinfarct krijgt omdat we het niet meer kunnen behappen, omdat we werkelijk teveel willen doen in de dag en de nacht die ons gegeven is.
En je werk zal je tot op zekere hoogte kunnen plannen en schematiseren, maar het contact met je kinderen of je partner, dat kan je toch niet in minuten vastleggen?! Zo van: nu heb ik tien minuten en die ga ik aan mijn vrouw besteden?! Maar het gaat in die richting. Je hebt mensen die geen partner en geen kinderen willen omdat dat teveel onvoorspelbare en onberekenbare tijd meebrengt. Hier in München heeft nog amper 15 % van de huishoudens kinderen. Maar er zijn wel vijfmaal zoveel auto’s als kinderen. En dan hoor je de mensen klagen dat deze maatschappij zo eenzaam is. Maar snelheid maakt eenzaam. Vrienden maak je toch als je d’r tijd voor maakt en niet als je aan mensen voorbij raast!
Van de aanleg van een snelweg worden de milieukosten berekend, maar niemand denkt eraan om de kost te berekenen van zo’n maatschappij waar kinderen hebben als ‘tijdverlies’ wordt beschouwd en waar gezinnen nog weinig tijd vinden om die het gezinsleven gezamelijk door te brengen
In een maatschappij die sneller draait is ook geen plaats meer voor de traagsten. Tweederde van alle mensen die hier in München op straat worden doodgereden zijn ouder dan vijfenzestig. Ze gaan dood omdat ze te traag zijn. Omdat de voetgangerslichten niet op oude maar op jonge mensen zijn afgesteld. Dat zijn toch allemaal kosten van die snellere maatschappij?! >
© Jan Hertoghs
Humo: Hoe extreem kan die non-stop-maatschappij evolueren? Scholen kunnen toch niet dag en nacht doorgaan?
Geissler: « Scholen niet, maar het leren wel! Dat is toch het motto van deze tijd: permanente educatie, je hele leven leren, je hele leven bijblijven. Dat is toch non stop?! Het is alsof we levenslang hebben gekregen. Levenslang leren en bijblijven.
Humo: Wie geeft ons die straf?
Geissler: « Wijzelf veroordelen ons daartoe. Want door bij te blijven willen we jong blijven. Door te doen alsof we nog in onze studietijd leven, verdringen we dat wij ouder worden. Wij negeren dat er een einde aan het leven komt. Wij negeren dat er een dood aan dat leven komt. Tegenwoordig is er een reuzetoeloop van ouderen aan de universiteit, mensen van zeventig-tachtig jaar die nog komen studeren en die zich op internet gooien.
Humo: Ik vind dat dapper.
Geissler: « Ik vind dat tragisch. Eigenlijk moeten die mensen niet meer leren, eigenlijk zouden wij van hen moeten leren! Alle levenservaring die zij hebben opgedaan, dat is toch een schat aan wijsheid, waarom wordt dié niet aangesproken?!
Humo: Wat denkt u van het fenomeen “onthaasting”?
Geissler: « Ik vind het een vreselijk woord (in het Duits: Entschleunigung!, jh) en een ontoereikende term. Omdat het in die tweedeling valt van “haasten” of “niet haasten”, en dat is te mager. Men betrekt onthaasting ook teveel op het privé-leven terwijl de maatschappij zélf ook mag ‘onthaasten’. Voor mij mag het autoverkeer bijvoorbeeld langzamer omdat het zoveel doden en milieukosten meebrengt. Maar er zijn terreinen waar niet onthaast moet worden, en waar het gerust rapper mag gaan! Zoals het bevorderen van biologische landbouw of de verbetering van het openbaar vervoer, dat kan niet snel genoeg gaan!
Humo: Als voorbeelden van onthaasting worden vaak mensen genomen die compleet gekapt hebben met hun drukke leven en nu een eenvoudig bestaan leiden in een landelijke omgeving. In de jaren zestig en zeventig bestonden ze ook; ze heetten toen “Aussteiger” of “drop-outs”.
Geissler: « Ja, die mensen stappen uit de tredmolen maar aan de molen zelf verandert niks. En de media voeren dat graag op. Het is de oude droom, dat oude verlangen dat er ergens een onbewoond eiland is waar je vrij bent van alle drukte en alle zorgen. Maar het is geen oplossing, het verandert niks fundamenteel aan deze maatschappij. Want het is alleen maar een vlucht die men portretteert. >
© Jan Hertoghs
Humo: Eén van uw oplossingen is dat we onze tijd moeten diversifiëren. Dat we moeten ophouden met het opdelen van de tijd in traag zijn versus snel zijn.
Geissler: « Ja. De overheersende gedachte in deze maatschappij is dat je goed bent als je snel bent. Maar dat is een bekrompen idee. Iemand die snel een dak of een auto repareert, maakt ook snel fouten. Naast snelheid zijn er nog andere manieren om je tijd produktief te gebruiken. Neem dat iemand een nieuw produkt uitvindt maar dat produkt te snel op de markt brengt, dan kan het een flop worden. Je moet dus kunnen wachten op het geschikte moment. Je moet dus een gevoel voor timing hebben en niet alleen voor snelheid. Je moet ook pauzes kunnen maken. Pauzes zijn nodig om krachten te verzamelen.
Humo: Reculer pour mieux sauter.
Geissler: « Dat is het. Ik heb een vriend die alpinist is en die boven de achtduizend meter klimt. Elk stuk van die beklimming gebeurt in een ander ritme en overal zijn er pauzes nodig, want anders haalt hij het niet. En daar moeten mensen zich bewust van worden. Ze moeten niet behept zijn met dat idee van schnell, schnell, en met alles vlug klaar te zijn. We zijn zo behept met het idee dat we tijd moet winnen, we hebben zo’n angst om tijd te verliezen, dat we onzeker door het leven gaan. We durven geen gaten meer laten vallen in onze tijd. We kunnen niet meer stilstaan bij het leven. We dùrven niet meer stilstaan bij het leven.
Alles heeft zijn tijd. Elk werk, elk deel van de dag heeft zijn ritme. In een land heb je snelwegen maar ook kronkelwegen. Je hebt mensen die heel rechtlijnig en heel snel leven, zack zack, maar je hebt mensen die van hun fantasie en creativiteit leven, en die nooit de kortste en de snelste weg nemen om tot een resultaat te komen.
Tijdwinst, en dan?!
Humo: Hier in het Westen kunnen we geen tijd meer verliezen. Er bestaat niks ergers dan een afspraak waarbij de andere niet komt opdagen. Wij zijn dan zo pisnijdig dat de rest van de dag verknald is, maar in Afrika gaan ze op zo’n moment naar een theehuis om met anderen te praten.
Geissler: « Dat is de hele kwestie: wat is gewonnen tijd en wat is verloren tijd? Ik kan me te voet naar het volgende dorp begeven, dat is één uur wandelen door het woud. Maar ik kan ook de auto nemen, dat is tien minuten rijden door het woud! Wie heeft er dan tijd gewonnen?! Ik weet wel dat dat een romantische visie is, maar ik geef het als tegengewicht. Wij zijn allemaal rationele mensen, wij hebben de tijd niet vastgekoppeld aan flaneren of filosoferen, wij hebben de tijd vastgekoppeld aan nut, aan werken en aan geld verdienen. Time is money. En als we dan eens een uur verliezen door een gemiste afspraak, dan is het meteen alsof we geld verloren hebben. En dat steekt ons geweldig tegen.
Die koppeling van tijd en geld heeft een zware invloed op ons leven. Elk uur van de dag willen we nuttig besteden. Tijd krijgt de dwanggedachte “ik moet iets doen”, en dat idee is zo overheersend dat ook de vrije tijd erdoor wordt aangetast. Ook in de vrije tijd willen we steeds “iets doen” anders is het alsof we tijd verloren hebben, alsof we die tijd niet tot ons profijt hebben aangewend. A propos, wat doe je met de tijd die je wint?
Humo: Eh?
Geissler: « Zie je, dat staat vaak niet eens ter discussie. Tijd moet gewonnen worden. Punt. Zoals geld moet gewonnen worden. Wat we dan met die gewonnen tijd doen is vaak: nog meer werken en nog meer onze tijd indelen. En iedereen zit in die stroom en iedereen zwemt mee met die stroom.
En wat beschouwen we als tijdwinst?! Die kleine “overwinninkjes van elke dag”. Dat we één seconde sneller weg zijn bij het groene licht. Dat we nog net in de trein kunnen springen voor de deur dicht gaat. Dat we als eerste kunnen aanschuiven bij een supermarkt-kassa die net opengaat. Maar wat voor zin hebben al die opgetelde minuten en seconden. Wat doen we met die winst? Naar waar haasten we ons eigenlijk? Overal lees je dat de mens in de westerse wereld door angst en onzekerheid geplaagd wordt, het schijnt de ziekte van de eeuw te zijn. En dat geloof ik. Want we gaan sneller, maar we worden alsmaar onzekerder. Omdat we gewoon niet weten waar we ons naartoe haasten. >
© Jan Hertoghs
Alles is begonnen op het moment dat het uurwerk zijn intrede deed. Vanaf het ogenblik dat we de tijd in uren en minuten konden meten, hebben we gedacht dat we meester waren van de tijd. Dat we de tijd in handen hadden als een grondstof, als iets dat we konden bezitten en dat we in geld konden omzetten. Maar dat meesterschap is een valse gedachte. Tijd is een net dat we spannen en waarin we spin én vlieg zijn tegelijk! Als we alles in uren en minuten plannen, als we de tijd gaan managen en budgetteren, dan zijn wij geen meester van de tijd, maar gevangene van de tijd.
Humo: Je hebt mensen die zich uit die rationele greep willen onthechten en die cursussen volgen om terug “hun tijd te kunnen nemen”. Om terug te leren genieten van hun leven.
Geissler: « Het kapitalisme levert ons de tijdsdruk maar ze zal ons ook de uitlaatklep en de tegenbeweging leveren vanaf het moment dat er geld mee te verdienen is! Je hebt hier in Duitsland al zogenaamde “Do Nothing Weekends” en dan vliegt men met de deelnemers naar Ierland om de mensen te leren dat ze hun tijd niet altijd nuttig moéten besteden. Beetje meditatie, beetje zen, beetje relax en yoga, maar het is toch absurd. Je werkt hard, je verdient veel geld, je merkt dat je niet meer in staat bent om te luieren en te genieten, en dan ga je een smak geld betalen om opnieuw te leren van “niks te doen”! En die lui denken voortdurend dat ze te weinig tijd hebben, maar de essentie is dat ze teveel te doen hebben.
De essentie is: dat ze de tijd teveel als een tegenstander zien tegen wie ze moeten lopen en rennen. Kijk naar de grote rush op de kloosters! Die zitten tegenwoordig vol managers. Waarom? Omdat een klooster ritme heeft, en rituelen, en vaste uren van gebed en van etenstijd. En dat zijn die managers verleerd. Jaren hebben ze tijd gekoppeld aan geld, en als die rat race hen alleen maar uitputting en geen voldoening heeft gebracht, dan willen ze zich terugtrekken in zo’n klooster. Want in zo’n klooster leren ze tijd los te koppelen van geld. Daar vinden ze weer tijd die alleen maar met stilte te maken heeft. Of met bezinning. Of met de natuur. Daar leren ze opnieuw pauzes maken, daar leren ze hun stappen in te houden, daar leren ze weer stil te zitten en stil te staan.
Met ritme in het leven moet ik vaak aan de Engelse schrijver Charles Dickens denken die beschrijft hoe een man best achter zijn afgewaaide hoed kan hollen; dat vraagt een zekere techniek om nu eens harder dan weer zachter te hollen om ‘m dan op het juiste moment te pakken te krijgen. En je hoed is dan je leven. En als je te hard holt, dan loop je je leven voorbij. En dan hou je halt en kijk je achterom, en dan denk je: ik heb gelopen en gehold, maar waar is mijn leven nu naartoe gevlogen?!
Hoe zijn we in tijdnood geraakt ? (3): het 'kopen' van andermans tijd (met o.a. de hondenuitlater en de ‘loopjongen’ voor je kleren)
Onlangs las ik dat de uitlaters van honden overbevraagd waren. Tijdens corona hebben nog eens extra 10.000 Belgen een huisdier aangeschaft. Vaak een hond, als gezelschap bij het vele thuiszitten en thuiswerken. Met de versoepelingen wordt het moeilijk voor de honden. Ineens is het baasje weg. En dus gaan ze blaffen of in de zetels bijten. En dus worden de honden-uitlaters meer en meer ingeschakeld.
Twintig jaar geleden werd nog gelachen met het uitlaten van andermans hond. En dat een fietser ons warm eten zou brengen in een rugzak, dat zagen we helemaal niet aankomen.
Ingescand uit Humo/ Kamagurka
"Het is maatschappelijk weer toegestaan om het jezelf wat makkelijker te maken. Hoe kan IK het naar mijn zin hebben. "
(Humo jan 2001) © Jan Hertoghs
Met tijd is het als met geld. Als je er een tekort van hebt, dan wil je d’r niks van verliezen, dan ga je ermee woekeren, dan ga je elke minuut in twee bijten. In Amerikaanse studies lees je dat het gebrek aan tijd de ziekte van deze tijd is. Dat de mens lijdt aan hurry sickness, dat hij een niet te overbruggen tijdtekort heeft en dat er zo’n sprake is van tijdnood dat men over time famine (tijdhongersnood) durft te spreken.
Het is een vreemde paradox: we hebben nog nooit zoveel geld en zoveel vrije tijd gehad en toch haast een flink deel van deze maatschappij zich te pletter. Nooit eerder in de geschiedenis zijn er ook zoveel boeken, artikels en voordrachten over de Tijd geweest als nu. Het moet dus zijn dat we op de drempel van een nieuw tijd-perk staan.
In Parijs, Londen en de grote Amerikaanse steden bestaan ze al langer, in België zijn ze nog schaars, maar in Nederland steken ze al flinker de kop op: de comfortdiensten die een aantal huiselijke zorgen van je overnemen en je drukke bestaan een stuk makkelijker maken. Geen tijd om de hond uit te laten, wij gaan er wel mee rennen in het bos! Geen tijd om naar de kapper te gaan, wij sturen wel een barbier naar het bedrijf en je wordt geknipt in de middagpauze! Geen tijd om thuis op de loodgieter te wachten, wij zorgen wel voor een 60-plusser die in jouw plaats op de vakman wacht!
“Uniek in Europa” is SwinxX, een bedrijf in Houten (bij Utrecht) dat twee jaar bestaat en bijna dertig van die comfortdiensten coördineert. Directeur van deze "tijdleenbank" is John Van Silfhout. Hij legt uit wat het is om te werken zonder rompslomp aan je hoofd. Don’t worry! Work happy!
Humo: Terwijl de werknemer achter zijn bureau zit, krijgt zijn auto een car wash. Maar hoe werkt het om een kapper, een schoenmaker en een kleermaker op kantoor te hebben?
Van Silfhout: « De schoenmaker komt niet op kantoor. Je brengt je schoenen naar een verzamelpunt in het bedrijf en dan worden ze binnen enkele dagen hersteld en teruggebracht. De kapper komt dan weer wel op kantoor en zijn agenda kan je raadplegen op een website. Je ziet dan dat hij op donderdag in je bedrijf is en dan stip je het moment aan dat je wil langs komen. Een kleermaker komt natuurlijk niet zo vaak langs als een kapper, maar als er vraag is naar maatpakken, dan komt hij.
Humo: Vind je dat niet gek dat een kleermaker op kantoor een bediende staat op te meten?
Van Silfhout: « Waarom zou ik? Het is toch leuk dat die man langskomt en dat je zelf niet op pad moet gaan om een goeie kleermaker te vinden. Want dat zoeken kost je makkelijk een halve dag en als je dan een vakman vindt, moet je weer een afspraak maken en ben je gelijk weer een halve dag kwijt. Hier worden je maten genomen en de stof gekozen, en kan je gelijk weer lékker aan het werk. Het is tijdwinst en tegelijk pure verwennerij als je zo’n gepersonaliseerde service kan krijgen zonder dat je één verplaatsing moet doen.
Humo: Jullie hebben ook een professionele masseuse, ideaal om de stijve nek of de pijnlijke rug te behandelen.
Van Silfhout: «Of gewoon om je energie te geven bij het begin van de dag. Meestal gebeuren die massages in een aparte ruimte, maar als je niet weg kan van je werkplek zal ze die massages ook aan je bureau doen. Je ziet: werken en ontspannen kunnen wel eens goed samengaan!
Humo: In een Amerikaanse documentaire zag ik een klusjesman een schilderij ophangen in een huis. Man en vrouw waren op het werk en hadden tijd noch zin in die klus.
Van Silfhout: « Dat kan bij ons ook. En schilderijtje ophangen of de deurbel repareren; meestal laat men wel enkele klusjes bij elkaar komen. En als de mensen tijdens die klus niet thuis kunnen of willen zijn, dan hebben wij de manus-van-alles-service. Dat zijn geselecteerde senioren - betrouwbare zestigplussers met een bewijs van goed gedrag- die op je huis passen terwijl de loodgieter je boiler herstelt of terwijl er een bankstel of boodschappen geleverd worden.
© Jan Hertoghs
Humo: De honden-uitlaat-service “Walk the dog” kost 150 gulden voor een “tien-ritten-kaart”: tien uitjes dat je hond wordt meegenomen “voor een uur lekker lang rennen in het bos!” Wie zijn die mensen die achter die hond willen hollen ?
Van Silfhout: « Dat zijn deels senioren of dames en heren die van hondengezelschap houden en die vanuit die liefhebberij een bedrijfje hebben opgericht. Over heel Nederland kunnen we intussen al op zestien regionale honden-uitlaat-services rekenen.
Humo: Dat moet toch een geweldige organisatie vragen om al die mensen te dirigeren naar de juiste locaties én de afgesproken tijdstippen.
Van Silfhout: « Die organisatie lukt omdat we het in grote mate geautomatiseerd hebben. Vroeger zaten we met een bloc note bij de telefoon om alles te noteren, nu kijkt de klant zelf op internet als hij een dienst nodig heeft. En als de leverancier niet beschikbaar is, dan piept de computer om te zeggen dat je naar een andere datum of tijdstip moet uitwijken. Eens de afspraak per computer gemaakt is, wordt er door de leverancier altijd teruggebeld of gemaild om de service te bevestigen.
De terugkeer van het huispersoneel
Humo: Wie zijn jullie klanten?
Van Silfhout: « Zo’n zestig bedrijven en dat varieert van grote IT-bedrijven zoals IBM met honderden werknemers tot kleine start ups met drie werknemers. Die grote doen het om hun mensen aan zich te binden en die startende bedrijfjes gebruiken het om hun ‘pioniers’ iets extra aan te bieden. In beide gevallen komt het erop neer dat de baas een uitkomst biedt als zijn werknemer een keer in tijdnood zit. Daar waar je het normaal gezien zelf maar moet zien op te lossen, zegt de baas nu: ik ben iemand die begaan is met het werk én met de vrije tijd van mijn werknemers. En dat wordt geapprecieerd.
Humo: Wat zijn de nieuwste services die erbij gekomen zijn?
Van Silfhout: « De chauffeur-service. Als u en ik besluiten om de avond gezellig borrelend door te brengen en het wordt laat en we hebben teveel op, dan zou je normaal een taxi bellen, maar omdat je dan de volgende dag met die klus zit om je auto weer op te halen, komt er nu een chauffeur die je in je eigen wagen naar huis voert. Dat is een dienst die door studenten is opgezet. Verder hebben we nog de boodschappenservice: als je voor elf uur je boodschappen bestelt, worden die voor vijf uur op het werk geleverd (of later thuisbezorgd). En er is ook een interieur-adviseur op komst.
Humo: In feite leeft u het leven van anderen door al die huiselijke besognes voor uw rekening te nemen. Horen sleur en beslommeringen dan niet bij het leven?! Het leven kan toch niet puur fun zijn?! En je bestaan kan je toch niet uitbesteden aan een ander ?!
Van Silfhout: « Het is zeker niet zo dat mensen hun hele leven moeten outsourcen bij ons. Het gaat erom dat mensen hun tijd en leven zelf kunnen inrichten en wij bieden alleen maar een uitkomst als je het te druk hebt. Of als je geen zin hebt. Mensen besteden ook niet al hun boodschappen uit, nee, ze besteden alleen maar die boodschappen uit die ze niet leuk vinden.
Humo: In wezen is het de terugkeer van het huispersoneel, van de meiden en de knechten, met dit verschil dat ze nu niet aan één huis gebonden zijn.
Van Silfhout: « Het is maatschappelijk opnieuw toegestaan om het jezelf wat makkelijker te maken, het màg weer om rijk te zijn en om daarvan te profiteren. De sociale en maatschappelijke druk om ook rekening te houden met de minder fortuinlijken valt weg; er is een stuk collectiviteit en solidariteit verdwenen. Men denkt veel meer “hoe kan IK het naar mijn zin hebben?” dan “wat zullen de anderen daarvan denken?” Die anderen, die moeten het ook maar zien te maken. In de jaren zeventig en tachtig had je dit systeem nooit kunnen verkopen, nu is er geen enkel probleem.
© Jan Hertoghs
Humo: De mobiele masseuse zit in het pakket, maar hebben jullie ook psychologen in dienst?
Van Silfhout: « We hebben een specialist die burn-out opvang doet van mensen die hun job spuugzat zijn. Die werkt al een tijdje mee en die haalt goeie resultaten. We hebben ook een vertrouwenspersoon die jonge managers bijstaat. Want in veel van die nieuwe economie-bedrijfjes zitten jonge twintigers - late pubers zeg maar- die moeten gehoorzamen aan jonge managers van dertig jaar. Dat geeft wel eens problemen omdat die jonge chefs de wijsheid en de ervaring missen van het leiding geven. Vandaar die vertrouwenspersoon die hen kan bijstaan.
Humo: Jullie halen de kappers op de kantoren, maar is het niet beter om de mensen wat meer autonomie te geven over hun tijd zodat ze zelf naar hun buurtkapper kunnen gaan?
Van Silfhout: « Het zal niet of kapper-op-kantoor of meer vrije tijd thuis worden, het zal én én worden. Dat de kapper op kantoor komt en dat de werknemer zelf beslist op welke tijdstippen hij thuis of op zijn werk wil zijn: zaterdagmorgen zal hij willen werken maar woensdag zal hij met de kinderen naar de zoo willen gaan. Ik voorzie een enorme vrijheid op dat gebied: dat mensen hun werkomstandigheden gaan inrichten naar hun eigen behoeften en niet naar de behoeften van de baas. Het is toch waanzin dat mensen anderhalf uur in de file staan om nadien anderhalf uur e-mails te beantwoorden. Dat kan je toch beter thuis doen om nadien op je gemakje naar je werk te rijden?! Dan zijn we op die manier een hoop filerijders kwijt. Maar zover is het nog niet omdat werkgevers nog teveel willen dat hun werknemers om negen uur onder hun ogen verschijnen. Maar het verandert. Nu al heb je sollicitanten die meteen zeggen dat ze op maandagvoormiddag, woensdagnamiddag en vrijdag thuis willen werken.
Humo: Is die nieuwe ‘vrijheid’ geen luxe die alleen is weggelegd voor werknemers die al in de goedbetaalde sectoren werken?
Van Silfhout: « In bedrijven waar mensen aan de lopende band staan zal er inderdaad niet vlug aan uurroosters getornd worden, maar ook daar zie ik dat werkgevers begaan zijn met de vrije tijd van hun werknemers, want ook zij doen een beroep op ons om voorstellen te ontwerpen.
Humo: Straks moeten bedrijven nog tegen mekaar gaan opbieden om personeel te lokken of in dienst te houden. Elk bedrijf gaat dan zwaaien met zijn premies, maaltijdcheques, voetbalabonnementen én comfortdiensten.
Van Silfhout: « Maar dat doen ze toch al?! Je hebt toch bedrijven die radio- en tv-commercials maken om te zeggen hoe leuk werken het bij hen is. Vroeger was werk een noodzakelijk kwaad en je geluk lag in je vrije tijd. Nu is die grens aan het vervagen: vrije tijd kan leuk zijn, maar werk kan ook leuk zijn. Ik denk dat nu meer mensen de mogelijkheid hebben om een werk te doen wat ze leuk vinden. En als daar al eens wat meer tijd in kruipt, als dat al eens ten koste van een stuk van je avond of van je weekend gaat, dan vindt men dat minder erg. Omdat men er meer plezier aan beleeft. Dat geldt niet voor de grootste groep werknemers, maar ik zie het toch overal groeien.
Wat wij doen, is dat we dat werken ook leuker maken. Kijk hoe wij begonnen zijn. Mensen hadden het druk en dus boden we een service aan om die tijdnood op te lossen. Maar al vlug pakten bedrijven ermee uit dat ze van onze diensten gebruik maakten waardoor die bedrijven een extra quality kregen. Zo van: hier wordt niet alleen over werk nagedacht maar ook over de inrichting van dat werk in je leven. En die bekommernis zet zich overal door en dat vind ik een heel interessant maatschappelijk fenomeen om van nabij mee te maken.” >
© Jan Hertoghs
De kleren maken de koper
Zo heeft ook de 29-jarige Carla Beijsens haar werk gevonden. Beijsens is sinds een jaar personal shopper van vrouwen- en mannenkleding. Als mensen geen tijd en/of geen zin hebben om de klerenwinkels af te lopen, dan doet Carla Beijsens dat voor hen.
Beijsens: « Ik kreeg het idee voor mijn bedrijfje van een vriendin die liep te klagen dat het zo moeilijk was om kleren te kopen, en dat het winkelen an sich niet leuk meer was. Of het nu een zaterdag, een koopzondag, of een koopavond is, altijd is het druk, altijd zitten de wegen vol, en ook in de winkels moet je wachten tot iemand je helpt, wachten tot je in het pashokje mag, wachten tot je betalen kan aan de kassa, wachten op een bestelling als ze je maat niet meer hebben, en dat was haar een gruwel geworden. Als ik wat rondkeek, zag ik dat iedereen hetzelfde probleem had: mensen hebben te weinig tijden winkelen is in vele gevallen een stresserende bezigheid geworden. Zowel in de stad als in de grote shopping centra.
Humo: Bestond personal shopping al niet langer in het buitenland?
Beijsens: « Toen ik al bezig was, hoorde ik dat de grote warenhuizen van Londen, Parijs en New York al langer van die ‘personal shoppers” hebben. Met dat verschil dat die shoppers meestal voor één warenhuis werken terwijl ik zowel in de warenhuizen, de confectieketens als in de particuliere kledingzaken mijn kleren ga zoeken.
Humo: Hoe komen klanten in contact met jou?
Beijsens: « Meestal via internet en dat heb ik ook het liefst. Als mensen me telefoneren en een brochure vragen, zeg ik dat alles op internet te vinden is. Dat is mijn filter, klanten die geen internet hebben, zijn allicht mijn klanten niet. Dat klinkt cru, maar ik ga ervan uit dat als ze niet mee zijn met die nieuwe communicatie, ze ook niet klaar zijn voor deze new economy. Eens ze zich op mijn website gemeld hebben, bel ik ze op en maak ik een afspraak voor een intake-gesprek: dan kunnen we praten over hun smaak en hun kleedverleden.
Humo: Als klanten bellen of mailen wat ze nodig hebben, hoe snel breng je dat dan?
Beijsens: « In het weekend ga ik erachter aan en in de week daarop zal ik het ‘s avonds thuis leveren zodat de klant het kan passen.
Humo: Zijn je klanten alleen vrouwen?
Beijsens: « Nee, het zijn zowel mannen als vrouwen, zowel alleenstaanden als samenwonenden, zowel mensen mét als mensen zonder kinderen en hun leeftijd varieert van 25 tot 60 jaar. Eén ding hebben ze wel gemeen: ze hebben weinig tijd en/of weinig zin om te winkelen. Bij de mannen is het meer geen zin hebben en bij de vrouwen is het meer geen tijd hebben. Kijk, mijn klanten willen er wel goed uitzien, maar tegelijk vinden ze die aanschaf zoiets futiels dat ze er niet veel tijd in willen stoppen. Hun idee is: rot maar op met alle drukte, ik laat Carla gaan, en ik kan terwijl lekker wat anders doen.
Ik heb intussen zo’n vijfenzestig vaste klanten en mijn cliënteel situeert zich tussen de bovenste laag van de middenklasse en de onderste laag van de elite. De grote massa koopt niet bij mij, en de miljonairs ook niet; die vinden het leuker om een keer in Londen, Parijs of New York te gaan shoppen.
Humo: Heb je al in België geprospecteerd?
Beijsens: « Nee, maar ik denk dat ik vooral klanten rond Brussel zou vinden. Daar zitten toch het Europese Parlement en de meeste van de grote multinationals, ik denk dat ik daar wel een potentieel zou hebben van mensen die al een stuk van de wereld hebben gezien en die dus ontvankelijker zijn voor een nieuwe service als deze. >
Ingescand uit Humo/ ill Wim Schamp
Humo: Verlies jij veel tijd als je van de ene winkel naar de andere rusht?
Beijsens: « Ik begeef me in de volle drukte van het weekend met alle problemen vandien: wachten tot iemand me helpt, wachten aan de kassa en wachten op een bestelling als de maat niet voorhanden is. Om niet nog meer tijd te verliezen bereid ik me goed voor: ik stel een route op zodat ik zoveel mogelijk winkels kan doen in zo min mogelijk tijd. Winkelen is geen fun voor mij, het is mijn beroep en het is keihard sjouwen met zakken die vele kilo’s wegen.
Humo: Laat je je per uur of per kledingstuk betalen?
Beijsens: « Nee, de klanten nemen een abonnement van vijftig gulden per maand (25 euro), en voor elke maand dat hun abonnement loopt, mogen ze me zoveel oproepen als ze willen. Met dat abonnement zijn ze ook niet verplicht om iets te nemen, als ze de gekozen kleren niet goed vinden, breng ik alles terug en ga ik nog een keer.
Humo: Dan kan het zijn dat je voor eenzelfde broekpak tien keer terug moet omdat het niet goed is?
Beijsens: « Als dat moet, dan moet het. De klant is koning. Hij moet tevreden zijn.
Humo: Als klanten alleen maar een jeans bestellen die ze in feite overal kunnen kopen, doe je dat dan?
Beijsens: « Geen probleem! Jeans, t-shirts, ondergoed, handtassen, sjaaltjes, mutsen, ik koop àlles.
Humo: Maar jou laten lopen voor één stuk… Denk je dan niet: dat hadden ze zelf wel kunnen doen?!
Beijsens: « Als dat één keer gebeurt, is dat niet erg, maar als ik merk dat mensen mij alleen maar zien als een slaafje of een loopjongen, dan haak ik af. Anderzijds heb ik veel klanten waarmee ik een goeie relatie heb en die mogen me ook veel vragen: “Nou Carla, ik kwam daarstraks voorbij de etalage van X gelopen, en ik zag daar een mooi bloesje hangen, maar ik had geen tijd, kan jij dat voor me gaan halen?” Nou, prima hoor, geen enkel probleem.
Humo: Zij zijn er voorbij gelopen! En jij moet het gaan halen! Dan moet je toch een onderdanig karakter hebben om al die willen en grillen van klanten in te lossen?
Beijsens: « Het is dienstverlening en dus sta je de volle honderd procent in dienst van de klant. Je moet er echt van kunnen uitgaan dat die klant zich nauwelijks om je harde zoektocht bekommert. Die klant ziet al je hindernissen niet, die ziet alleen maar of jij wel de juiste stukken hebt meegebracht.
Humo: Ga je zover dat je d’r andere boodschappen bij doet? Als mensen vragen om zeep, parfum of een cadeautje voor de kinderen, breng je dat dan ook mee?
Beijsens: « Jazeker! Als de klant dat wil, dan doe ik het. De bekommernissen van mijn klanten gaan trouwens alsmaar verder. Ze willen niet enkel weten wat ze aan moeten, ze willen ook weten hoe ze er best uit kunnen zien. In het zakenleven, in hun privé-leven of als ze naar een feest gaan. Ik krijg steeds meer vragen wat hun complete look betreft en in de nabije toekomst ga ik daarom samenwerken met een beauty consulente, een styliste en een experte in haarkapsels. Met die drie medewerkers kunnen klanten dan een volledige restyling bekomen. >
© Jan Hertoghs
Humo: Moeten de klanten je vooraf betalen?
Beijsens: « Ja, we spreken een budget af en dan krijg ik het geld. En meestal kom ik toe met dat budget, soms heb ik nog geld over. Het is een kwestie van vertrouwen. Zij moeten erop vertrouwen dat ik dat geld effectief heb uitgegeven, maar ik heb hun vertrouwen ook nodig want soms geef ik voor een paar duizend gulden kledij af en dan hebben ze vierentwintig uren om dat te passen, en dan moet ik ook hopen dat ze die kledij niet echt gaan gebruiken of per ongeluk beschadigen. Want zij moeten dat kledingstuk nadien misschien niet hebben, maar ik moet er wel mee naar die winkel om hùn geld terug te krijgen.
Humo: Vinden winkeliers het niet vreemd dat je kleren komt ‘kopen’ voor een ander en dat je die kleren soms enkele dagen later terugbrengt en het geld terugvraagt?
Beijsens: « De kleinere zaken staan soms nog argwanend, maar de grote ketens vinden het al heel gewoon. Ik ben ook niet de enige, ik begin meer en meer concurrentie te krijgen
Humo: In wezen zijn al die comfortdiensten het antwoord op een gigantisch luxeprobleem. Mensen hebben geen tijd of zin om te winkelen omdat de wegen vol auto’s en de winkels vol klanten zijn. Maar die drukte is er natuurlijk omdat we het geld hébben om al die auto’s te kopen en langs al die winkels te gaan.
Beijsens: «Het is inderdaad een luxeprobleem dat voortvloeit uit deze welvarende consumptiemaatschappij. En ik weet ook wel dat er mensen zijn die het moeilijk hebben met diensten zoals die van mij. Mijn moeder heeft me al een paar keren gezegd: “Winkelen?! Dat doe je toch zelf!” Maar ja, we leven nu eenmaal in een land met een hard draaiende economie en daar moet je eerder positief gebruik van maken dan negatief tegenaan kijken. Trouwens, als zo’n personal shopper je niet zint, dan bestel je maar kleren via postorder of e-mail, dat kan ook, en dat is toch ook het mooie aan deze tijd: dat elke mens zoveel keuzes heeft.
Humo: Sommige mensen vinden dit een harde tijd waarin je hard moet presteren.
Beijsens: « Het is een tijd van hard werken. Vroeger werd een bediende met rust gelaten op kantoor en had hij zelfs de tijd voor lange lunches en koffiepauzes. Die tijd is voorbij, want iedereen kan je nu per telefoon, fax of e-mail bereiken en er wordt constant beroep op je gedaan. Mensen willen een snel antwoord van je, mensen willen een snelle beslissing van je. Alles draait om snelle communicatie tegenwoordig. En we leven in een snelle samenleving. Wie niet snel is, komt niet vooruit. Wat ik vandaag niet doe, dat doet een ander in mijn plaats. Mensen zeggen me: vorig jaar had ik ook het idee om personal shopper te worden, en nu ben jij ermee begonnen! Dan denk ik: so what? Dan had je toen maar moeten beslissen om ermee te beginnen. Nu ben je te laat. Zie je, zo is deze tijd.
Het is ook wel een egoïstische tijd. Iedereen blijft heel dicht bij zichzelf, iedereen denkt heel veel vanuit zichzelf. En waarom ook niet? Het is verdomme wel joùw leven! En als de tijd die je bemeten is erg schaars is, waarom zou je hem dan niet aangenaam besteden door onder andere beroep te doen op die comfortdiensten?! Het mooie aan deze tijd is dat mensen in staat zijn om keuzes te maken. Zo van : ga ik vervelende dingen doen of ga ik leuke dingen doen? En als ze de vervelende dingen uit de weg willen gaan, dan is er een alternatief. En dat is toch mooi dat je op die manier je leven en je tijd kan inrichten.
Deel 4: tijd willen winnen in de 24/24-maatschappij
Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (2): meer vrije tijd en toch meer opgejaagd
Ingescand uit Humo/ ill. Wim Schamp
“De 'vrije' mens krijgt van de vrije markt duizenden keuzes voor zijn ontspanning.
Kiezen is dan tijdrovend en vermoeiend."
Humo dec 2000 - ingekort © Jan Hertoghs
Zelfs na gedane dagtaak en uitblazend in de tv-zetel, knaagt het nog in ons binnenste. Straks is er het weekend en dan moeten we aan een 10-mijl deelnemen, rond de hoofdstad fietsen, een treintrambus nemen, een open bedrijf visiteren, een open monument consumeren, een bloesemroute rijden; geen seizoen of er is wat te doen tegenwoordig. Als er al vrije tijd is, dan is er nu ook een vrijetijdsindustrie en de producten uit die nijverheid staan in onze kelders, zolders en garages. De pingpongtafels, de mountainbikes, de tennisraketten, de ski’s, de snowboards, de surfplanken, de digitale camera’s, allemaal hebben we ze gekocht om de vrije tijd zo nuttig mogelijk te besteden. Alleen al de aankoop en het onderhoud ervan kosten uren en uren tijd, en dan hebben we ze nog niet ééns gebruikt. En intussen stapelt het zich maar op: de boeken die we nog moeten lezen, de cd’s die we nog moeten beluisteren, en de videofilms die we nog moeten bekijken. Vrije tijd, zei u?
Prof. dr. Wim Knulst is hoogleraar Vrijetijdwetenschappen aan de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg heeft een heldere kijk op de tijd wanneer we niet werken.
Humo: We leven langer, werken korter, hebben meer vrije tijd en toch hebben we het gevoel van opgejaagd te zijn.
Knulst: «Die “we” mag je niet veralgemenen. Die “we” zijn vooral de werkenden tussen 25 en 50 jaar. Dat zijn de mensen die in het spitsuur van hun leven zitten: een groep die niet groter is dan 30% van de bevolking. Naast die groep heb je nog een veel grotere groep van onder andere gepensioneerden, werklozen en andere thuisblijvers die veel tijd en géén gejaagd leven hebben. Maar zij komen niet aan bod in dit debat.
Als mensen zeggen dat ze het “druk hebben” wordt dat soms in de mond genomen omdat het zo “hoort”. Zeggen dat je zeeën van tijd hebt en zeggen dat je niks omhanden hebt, dat hoort niet in deze actieve samenleving.
Gejaagd zijn is ook geen durend gevoel, het blijkt aan bepaalde periodes van het jaar gebonden. Er zijn weken in het jaar - zoals van november tot half december - dat het overal druk is en dat niemand vakantie neemt. En je hebt weken dat iedereen met vakantie schijnt te zijn en dat het maatschappelijk leven zo goed als stilligt. Allicht komt dat door de vakantiespreiding: de zomervakantie van de werknemers loopt van juni tot september en als je dan nog eens vakantie kan nemen met pasen, kerst, herfst, en krokus, dan is het niet te verwonderen dat het echte werken daardoor in kortere periodes wordt samengedrukt.
Mensen zeggen ook dat ze het druk hebben en toch blijken ze ‘s avonds nog vele uren voor de televisie te zitten (een Vlaming kijkt gemiddeld bijna drie uur televisie per dag,jh). Ook die uren tv-kijken blijken samen te gaan met een “gejaagd leven”.
Humo: Maar dat patroon van vlug opstaan, snel of half ontbijten, kinderen naar de crèche en de school brengen, naar je werk reppen, kinderen ophalen, boodschappen doen, en ‘s avonds nog wat sporten en tussendoor een film opnemen “die je niet mag missen”. Dat patroon is toch reëel én gejaagd van karakter?
Knulst: « Gejaagd zijn, gestresseerd zijn of het druk hebben zijn subjectieve begrippen. We hebben dat onderzocht met een tijdsbudget-onderzoek. Daaruit bleek dat mensen met een gelijk aantal werkuren per dag zich niet even gejaagd voelden. Het gejaagde gevoel was er vooral bij werknemers die tijdens die werkuren een versnipperde taak hadden met véél verschillende werkzaamheden.
Die versnippering speelt ons ook parten in de vrije tijd. Mensen hebben steeds meer eindjes vrije tijd, couponnetjes vrije tijd. In de jaren vijftig werd er gegeten op een vast uur en nadien werd er gelezen, naar de radio geluisterd of naar die ene tv-zender gekeken. De avond vormde een tamelijk onafgebroken geheel dat je doorbracht met één activiteit. Nu komen we thuis en wat zich aandient is een versnipperde avond: er is de film, de fitness of de sportclub, en daartussen zitten couponnetjes tijd die we met televisie opvullen. De tv is dan wel het bindmiddel tussen al die activiteiten, maar toch brengt die versnippering dat knagende gevoel dat de avond als snel zand uit de handen is geglipt en dat we d’r méér van hadden kunnen maken.
© Jan Hertoghs
Humo: Alle voorstellingen, concerten en evenementen die je als een “must” moét gezien hebben, is dat ook geen aanslag op onze vrije tijd? Dat gevoel van tijd te weinig te hebben om alles te zien.
Knulst: «Dat alles zich nu aan ons opdringt, is ook niet altijd zo geweest. De vrije tijd verliep vroeger volgens bepaalde tradities. Je hoorde bij een beroepsgroep, je was arbeider of bediende of huismoeder, en elke groep had zijn verenigingen meestal verzuild naar religie en/of politieke overtuiging: de harmonie van de socialistische arbeiders, de vereniging van de katholieke huisvrouwen, enzovoort. En elke groep had zijn vorm van vrijetijdsbesteding. De bedienden en intellectuelen hoorden te lezen. De arbeiders hoorden te voetballen of te turnen. En de huismoeders hoorden naar kookavonden te gaan. Elke zuil wist ook te vertellen wat goed was voor zijn leden, men filterde het aanbod, en de ene vereniging werd niet ‘lastig’ gevallen met de vrijetijdsbesteding van de andere. Tegenwoordig zijn die filters weg en nu komt àlles als in een vloedgolf op elk individu af. Het nieuwe boek van Harry Potter, de verzamel-cd van The Beatles, het concert van Elton John, allemaal vechten ze via de media om de aandacht van de consument.
Humo: Tegelijk is er ook die druk van het bij blijven. Dat je mee moet zijn met wat er allemaal verschijnt en te beleven is.
Knulst: « Daar speelt zeker de druk van de reclame dat je “alles eens geprobeerd moet hebben”. In de jaren vijftig sloot je je aan bij een voetbalclub, je speelde een half jaar op je gympies en als het een beetje lukte, dan kocht je (tweedehands) voetbalschoenen. Lukte het niet op die tijd, dan stapte je op en dan had je toch geen kosten gemaakt. Nu koopt men een volledige uitrusting en men begint te voetballen. Of het wintert en sneeuwt, en men stapt de latten op om te langlaufen. Want de reclame spiegelt het zo voor dat iedereen alles aankan.
Er is geen gezaghebbende voorspraak meer. Er is niemand die nog zegt van “zou je dat wel doen?” Er zijn ook geen beginnelingen of gevorderden meer. Er zijn alleen nog passanten die zich een uitrusting en een vrijetijdsbesteding ‘aanschaffen’ zonder er lang bij na te denken. En als het niet meevalt, dan stappen ze over naar wat anders. Dat iedereen voor alles in aanmerking denkt te komen, maakt ook dat er grote groepen opduiken op plaatsen waar vroeger slechts enkelingen bezig waren. Kijk maar naar de toeloop in de wintersportoorden!
In deze tijd moet je ook op een flinke bagage aan uitstapjes en vakanties kunnen bogen. Zelfs als volwassene kan je het niet maken als je zegt dat je nog nooit in een pretpark bent geweest. In niks mag je nog een beginner zijn. Wie durft nog zeggen: wij zijn nog nooit in Toscane of Zuid-Frankrijk geweest, hoe is dat eigenlijk om daar op vakantie te gaan? Eigenlijk worden we doorlopend getaxeerd of we wel alles gezien hebben en overal geweest zijn. Een mens moet tegenwoordig kunnen meepraten over een jetlag of hij telt niet meer mee.
© Jan Hertoghs
Zon-dag? Zeedag!
Je ‘bestemming’ moet ook geconsacreerd zijn door de media. Als je zomaar naar een museum of kasteel bent geweest, kijkt niemand daarvan op en heb je in feite niks te vertellen. Maar als je naar de Open Monumentendag bent geweest - wat ook het bezoeken van een museum en een kasteel is maar dan met duizenden op dezelfde dag- dan kan je weer wél meepraten. Dan hoor je d’r wel bij. De georganiseerde hype is een grote rol gaan spelen in onze vrijetijdsbesteding.
Humo: Een complexe samenleving! We klagen dat het druk is, maar we gaan liefst naar die evenementen waar toeloop en drukte is.
Knulst: «Het wijst er maar op dat we niet van die unieke mensen zijn zoals de existentialistische goeroes dat graag hadden gezien. In de jaren zestig was het bon ton om je te bevrijden van het juk van de traditie maar wat blijkt: mensen die iets op eigen houtje doen blijken meer identieke dingen te ondernemen dan mensen die iets volgens de traditie doen. Statistici van de stad Amsterdam zagen bijvoorbeeld dat er een grotere verscheidenheid aan voornamen was in de tijd dat men zijn kind naar peter en meter noemde dan in de huidige tijd. Nu zijn er modes, nu zijn er periodes met Engelse, Amerikaanse of Skandinavische namen. Dus mensen die zelf mogen kiezen zijn gevoeliger voor trends en gaan dan toch meer van hetzelfde doen. Let wel, ze voelen zich vrij in die keuze, maar statistisch gezien doen ze veel van hetzelfde.
Mensen hebben het idee dat ze helemaal autonoom zijn en toch lopen ze in hetzelfde spoor. Neem het weekend. Als de zon schijnt, dan krijgt iedereen ‘autonoom’ het idee van naar de kust te rijden, met alle files en drukte vandien. Dertig jaar terug had je dat nog niet. Men deed wat de eigen groep deed en dan kon het best zijn dat je op een zonnige dag in een sporthall zat en op een regendag een wandeling maakte. Omdat je vereniging het nu eenmaal zo voor je geprogrammeerd had. Op die manier had je ook weinig druktes in dezelfde recreatie-oorden, al die groepen liepen mekaar niet voor de voeten.
Humo: Het wezen van de moderne vrije tijd is dat hij gevuld én actief moet zijn. Ook bij kinderen zie je dat: ze volgen naast de gewone school ook nog eens balletschool, circusschool en keepersschool. Tot er weer stemmen opgaan dat ouders hun kinderen overprogrammeren.
Knulst: « Zeker zijn er ouders die dat zo programmeren, maar de scholen hebben ook meegedaan. Sinds de jaren zeventig is er immers dat idee dat de school ook leuk moest zijn, dat de school méér moest bieden dan alleen maar onderwijs en hup, toen kreeg je heel die vlaag aan naschoolse activiteiten. Waaraan kinderen moesten deelnemen uiteraard.
Wat de ouders betreft, zij gaan die vrije tijd vaak stevig invullen vanuit een schuldgevoel: dat je geen goede ouder bent als je te weinig tijd besteedt aan je kind, dan kan het met dat kind misschien wel slecht aflopen. En wij willen toch vooal een goed kind krijgen! Maar als ouders dan veel aandacht geven aan hun kind, dan krijgen ze te horen dat teveel aandacht ook niet goed is….
Humo: Wat op zijn beurt ook weer tijd vergt, die onzekerheid over de opvoeding.
Knulst: « Ouders zitten voortdurend met die vraag van “doen we het wel goed?” Dat is niet altijd zo geweest. In de tijd dat men zijn leven leidde zoals de ouders en de grootouders het gewend waren, had men die gedachte niet. Maar de na-oorlogse generatie ging het heel anders doen dan die (voor)ouders. Die generatie wilde zich niks meer laten voorschotelen, die wilde niet meer gebonden zijn aan tradities, aan kerk of gebod en die zocht in het leven zijn eigen weg, zijn eigen scenario. In smaakvol wonen. In weet hebben van politiek en cultuur. In gezond koken. In milieubewust leven. In een goeie relatie hebben. In verantwoord opvoeden van de kinderen. Terwijl al dat zelf uitzoeken hoe het nu moet, tijd kost uiteraard. Maar dat is een rekening die zelden gemaakt wordt.
We leven sinds de jaren zestig in het zogeheten “tijdperk van het individu, van de autonome mens en van de kritische consument”. Maar precies die zogenaamde ‘individualisering’ van de samenleving maakt de vrije tijd ook zo drukbezet. Demografisch is dat goed na te gaan. In 1962 woonden er honderd Nederlanders in 26 huishoudens: dat waren de grote gezinnen van toen. Nu wonen er honderd Nederlanders in 41 huishoudens. Dat betekent dat de huiselijke karweien door minder mensen gedeeld worden en dat gaat ten koste van de vrije tijd.
Veel mensen denken: ik heb zo’n drukke baan, dus voor mij geen partner en geen kinderen, ik wil vrij en ongebonden zijn! Maar elk van die ‘vrije’ eenlingen moet wel alleen naar de supermarkt, alleen naar de glasbak, en alleen naar het postkantoor. Er zijn geen huisgenoten die hem dat werk uit handen kunnen nemen. Dus ook dat gaat ten koste van je tijd. >
© Jan Hertoghs
Humo: Dat die vrijgevochten mens uiteindelijk gevangen wordt in zijn vrije tijd is wel een opvallende paradox.
Knulst: « Oh, maar er zijn nog gevolgen van die zogenaamde ‘individualisering’. Vroeger was er een algemeen aanvaarde disciplinering in het openbaar, je gedroeg je aan tafel, je was beleefd op straat, je liet mensen uitpraten, je las een boek helemaal en dan pas gaf je je mening. Dat zijn niet de overwegingen van een fatsoensrakker, ik wil alleen maar aantonen dat zo’n disciplinering een rustgevende invloed had.
Sinds de opkomst van de televisie met zijn afstandsbediening en vele kanalen, sinds de opkomst van de computer en zijn eindeloos aanbod op dat scherm valt die disciplinering ons zwaar. Een boek wordt vaak niet meer uitgelezen, een tv-programma vaak niet meer uitgekeken, want altijd zit je met die vraag of er elders geen leùker programma aan de gang is. Zo gaat dat in het tijdperk van de zappende mens: wat je niet helemaal leuk vindt, dat zap je weg. En dat brengt mee dat er een groot stuk ongeduld in deze samenleving is gegroeid.
We aanvaarden het tempo van anderen niet meer. Kijk maar naar het verkeer en al die gejaagde mensen in hun auto. Ze weten dat ze met hùn voertuig veel sneller kunnen en als ze die snelheidsambitie niet kunnen halen -wegens file of wegens wegomleiding- dan geraken mensen vaak over hun toeren. Want ze willen hun eigen ambitie, hun eigen tempo volgen en niet het tempo van anderen.
De zoek-het-zelf-maar-uit-economie
We zitten in een cultuur van het zelf doen, het zelf uitzoeken, de zelfbediening, en juist dat veroorzaakt een verlies aan vrije tijd. De Amerikaanse onderzoeker De Grazia wees er in de jaren vijftig al op dat er vrije tijd weglekt door het wegvallen van een aantal verzorgingsdiensten. Tot ver in de jaren zeventig kwam de bakker, de slager, de melkboer, (in Vlaanderen ook nog eens de soephandelaar en de brouwer,jh) aan huis en nu moeten we zelf naar de winkel om onszelf te bedienen.
Als consumenten worden wij ook opgescheept met steeds meer eindbewerkingen bij het produkt dat we kopen. Bij een auto moet ik de opties kiezen, bij een bad moet ik de kranen bestellen, en bij een gsm moet ik uitpluizen welk tarief best bij mijn situatie past. Dat heet dan dat je à la carte mag kiezen, maar dat brengt een hoop rompslomp en verlies van vrije tijd mee. Neem Ikea. Je koopt een pakket en dan ‘mag’ je zelf uitzoeken hoe je het in elkaar ‘moet’ schroeven. Dat extra-werk durven ze dan nog voorschotelen als de vrijheid van de consument!
Humo: Idem dito met pay-tv. Daarmee kunnen we binnenkort onze “eigen” tv-avond samenstellen, maar ook die vrijheid zal een hoop zoeken en programmeren meebrengen.
Knulst: « Zo is het. En voor de grote bedrijven is die “vrijheid van de consument” een prima zaak. Zij leveren één standaardpakket voor Amerika, Azië en Europa en laat de consument het verder maar uitzoeken! Kijk naar de software van de computer, die is zo gemaakt dat het voor Amerikanen en Aziaten en Europeanen bruikbaar is en nadien wordt het aan de consument overgelaten om zijn weg te zoeken in al die tools, options en windows.
Tevoren had je dat dichte woud van opties niet. De leverancier hielp je bij je keuze. De elektro-handelaar, de bankier, de meubelverkoper, ze vroegen naar je situatie en zegden wat het beste voor je was. Bij de televisie stelden de NOS of de BRT je tv-avond samen en Brussel of Hilversum bepaalden je radioprogramma. Dat heet nu voorbijgestreefd en paternalistisch, maar het maakte wel dat mensen er geen tijd in moesten stoppen omdat de keuze al was gemaakt. Toen luisterde je naar een station dat bij je smaak paste. Nu heet het dat je je eigen dj moet zijn, nu moet je zelf een CD volschrijven met muziek naar jouw smaak. En dat kost tijd.
En wij WILLEN het ook allemaal zelf uitzoeken. Want wij zijn autonome, kritische en zelfbewuste consumenten, zo wordt ons althans voorgespiegeld. Maar hebben wij ooit om deze situatie gevraagd?! Hebben wij gevraagd dat je voor een internet-aansluiting een schijfje krijgt en dat je het verder maar zelf moet installeren?!
De consument leeft in een consumptiemaatschappij waar hij omringd is door steeds meer goederen en diensten. En uiteraard vraagt hij naar advies zoals we die vroeger van de gespecialiseerde handelaar kregen. Maar wat krijg je als antwoord. Dat alle advies en informatie te vinden is op internet. En dat is één grote zelfbediening waar oneindig meer staat uitgestald dan wat je wilde hebben. In plaats van advies geeft men ons nog meer opties waarin we weer onze weg moeten zoeken. En die tijdsberoving hebben we maar te aanvaarden. >
© Jan Hertoghs
Humo: Kunnen we het over “rust” hebben? Dat is een taboe in deze tijd. Rust lijkt voor rusthuizen of voor slome middenstanders die ‘s zondags hun winkel niet open willen doen.
Knulst: «Rust, zegt u? Als je het rustig wil aanpakken, dan moet je dat onthaasting noemen.
Dat fenomeen komt natuurlijk niet toevallig opduiken, het komt op een moment dat er haast geen tijd meer is die zorgeloos verloren kan gaan. Het adagio van nu is dat tijd besteed moet worden. Lang geleden ging men met de kippen op stok en was de avond van geen tel. Toen kwam de gloeilamp en van dan af kon men ‘s avonds nog rustig lezen of breien of andere nuttige dingen doen. Maar voor de rest stond de dag vast. Je werkte van 9 tot 5 en dan kon je tot sluitingstijd je boodschappen doen. Eens de winkels dicht waren, waren de mensen thuis en was de dag zo goed als ten einde. Men had ook niet dat knagende gevoel van er gaat iets van tijd verloren, want er was niets meer omhanden. Ja, je kon naar de radio luisteren en tot middernacht opblijven, maar eens het Wilhelmus op Hilversum -of de Brabançonne op de BRT- had geklonken, was het toch wel echt gedaan met je dag.
Totdat de nachtradio en de nachttelevisie verschenen, én het 24-uurse internet! Die hebben tot gevolg dat elk moment van de dag én de nacht nuttig besteed kan worden. Met internet kan je je activiteiten op elk moment hernemen, je kan je werk mobiel mee naar huis nemen en iedereen kan je bereiken, en dus is de dag nooit gedaan. Tenzij voor arbeiders, die laten alle werk op de fabriek, maar dat is wel een groep die steeds kleiner wordt.
Omdat je bijvoorbeeld je werk mee naar huis kan nemen, is de scheiding tussen arbeid en vrije tijd steeds diffuser geworden. Daardoor wordt er een enorm beroep gedaan op onze disciplinering. Het wordt aan ons overgelaten om arbeid en vrije tijd zelf af te bakenen. Die disciplinering wordt echter tegengewerkt door de animerende druk van onze omgeving. Je wordt door je omgeving aangezet om overal aan mee te doen of op zijn minst alles eens te proberen, en om zo komt het dat we én joggen én aerobiccen én squashen, terwijl we zouden moeten kiezen: dit doe ik wel en dit doe ik niet. Maar er is die druk, er is die opdracht om zoveel mogelijk gezien én meegemaakt te hebben.
Het is een idee dat uit de jaren zestig stamt. Toen stond voorop dat je je als mens maar kon verwezenlijken als je zoveel mogelijk van je leven maakte, als je zoveel mogelijk ervaringen had. En het gaat er hier niet om of dat idee goed of fout is, maar het brengt wel een hoop zorgen mee en het kost een hoop tijd.
Humo: Wat nog op de weekends weegt is de weekendstress. Mensen laten de klusjes van een hele week samenkomen in het weekend en dan blijkt dat lijstje niet uitvoerbaar te zijn omdat ze aan de kinderen ook nog een uitstapje beloofd hebben.
Knulst: « Een halve eeuw terug lag een weekend vast met boodschappen, kerkgang en bezoek aan de familie. Dat er op zondag mogelijk nog gordijnen dienden gewassen te worden, was zelfs ondenkbaar. Maar van dat weekend dat rustig voorbij kabbelde zijn we geëvolueerd naar een weekend waarvan je “iets moet zien te maken”. In een weekend moet je iets speciaals doen. Maar als het dan zover is, blijken er zich allerlei karweien te hebben opgestapeld die dat ‘speciale’ in de weg staan. En elk weekend blijft dat scenario zich herhalen. Omdat men zijn tijd niet kan budgetteren. Tijd budgetteren blijkt voor veel mensen moeilijker dan geld budgetteren. Met duizend gulden of duizend frank weten ze hoever ze kunnen springen. Maar van een weekend denken ze vaak dat het langer duurt dan twee dagen. >
© Jan Hertoghs
Humo: In datzelfde weekend lijken die actieve mensen -aldus de onderzoeken- steeds minder tijd te hebben voor familiebezoek. Familie is “out”.
Knulst: «U bedoelt het zondagse tijd passeren bij ouders of schoonouders? Ja, dat gewoon bij mekaar zitten zonder programma, dat is aan het tanen. Nu moet er met de familie gewandeld of gefeest worden, er hoort liefst enige activiteit bij.
Humo: Is dat niet ingrijpend dat we die band met de familie aan het verliezen zijn?
Knulst: « Misschien voelen weinigen het als ingrijpend aan omdat het over de jaren heel geleidelijk is weggesijpeld. Maar ik denk niet dat er een weg terug is. Zoals men zich minder gelegen laat aan de kerk en de traditionele verenigingen, zo onttrekt men zich ook aan de traditionele band met de familie. Voor mensen die in de jaren vijftig geleefd hebben was zo’n familiebezoek nog wel eens attractief; je had altijd wel die leuke nonkel die een kunstje kon - rokende sigaret in zijn neusgat of zijn oren- of dat nichtje dat zo mooi piano spelen kon. Maar dat kan niet meer concurreren met wat je nu allemaal kan beleven in een weekend. En mensen lopen nog wel langs bij de familie, maar geen hele namiddag en avond meer; men belt nu aan tegen aperitief en etenstijd.
Humo: Dan is men langs geweest en heeft men ineens gegeten ook. Dan heeft men dàt al aan tijd uitgespaard.
Knulst: « Wat je ziet, is dat er nu meer tijd gaat naar de vrienden. Met vrienden voel je je meer verwant en weet je over méér te praten dan met je familie. En dus ga je die opzoeken en vooral die oudere familie wat links laten liggen omdat je anders bij elk onderwerp een aanloop moet nemen om het allemaal uit te leggen.
Humo: Leg aan je oma maar eens uit dat je nu dag en nacht met 100 jongelui in een internet-tempel kan zitten.
Knulst: « Tja, en zo krijg je jongeren die steeds meer met leeftijdgenoten omgaan omdat die dezelfde smaak hebben qua muziek en kleren. Terwijl de verschillende generaties in het verleden meer met elkaar in contact kwamen en jongeren zich allicht ook beter konden inleven in het lot van ouderen.
Humo: Eigenlijk heb ik totnutoe alleen maar mogen horen dat het vroeger rustiger was. Omdat er een bakker aan de deur kwam, omdat een groot gezin de huistaken beter kon verdelen en omdat een traditioneel verenigingsleven je vrije tijd wist te bepalen. En je had ook geen last van dat internet en die tijdrovende zoek-het-zelf-maar-uit-economie.
Knulst: « Zo mag u het niet bekijken. Er bestaat niet zoiets als een natuurlijke mens met een natuurlijk ritme die nu uit zijn paradijs verdrongen is omwille van deze enerverende tijd. Die ideale mens heeft nooit bestaan en die drukke tijd is er ook niet in vijf jaar gekomen, die is binnen gesijpeld over een tijdspanne van vijftig jaar.
Humo: Maar met die nieuwe welvaart is er toch wel veel verloren gegaan aan onbekommerde tijd. Als kind kon je vroeger op straat voetballen en alle notie van tijd verliezen in dat eindeloze spel. Kinderen van nu worden van jongsaf in de tredmolen van efficiëntie en programmatie opgenomen: met muziekschool op uur A, tekenschool op uur B, en tv-programma op uur C. Dat is toch een verlies.
Knulst: « Dat kan een verlies zijn in de ogen van een afstandelijke beschouwer, maar niet voor de kinderen die dat leven leiden. Zij weten niet anders, zij hebben nooit anders gekend, en zij vinden de tijd van nu wél leuk. Daar twijfel ik niet aan. En tegenover dat verlies van toen staat de winst dat kinderen nu veel meer kunnen kiezen in functie van hun persoonlijke aanleg. Vroeger waren de keuzes in je vrije tijd véél beperkter. Wat moesten de kinderen doen die niét van muziek of lezen of voetballen hielden?! Niets, want er was niets anders. En dan zegt men dat de mensen van toen met minder tevreden waren, tja, er was ook niet méér! >
© Jan Hertoghs
Humo: U denkt dat deze en komende generaties best wel zullen wennen aan deze drukke tijd?
Knulst: « Ik denk het wel. Maar het vraagt wennen en aanpassen. Tevoren lag alles veel meer vast: tussen negen en vijf was je de werknemer die zijn werk deed en thuis was je vader die de klussen opknapte en had je een vrouw die de kinderen opvoedde. Nu zijn we én opvoeder én partner én werknemer tegelijk en nu gaat het erom te leren hoe we die rollen tegen elkaar moeten uitspelen. Op een vergadering kan je al eens zeggen, ik kan slechts tot vijf uur blijven want dan moet ik de kinderen ophalen. Maar ook tegen je partner kan je zeggen, ik kan straks de kinderen niet ophalen, want ik heb een belangrijke vergadering. En door die verplichtingen tegen elkaar uit te spelen, slagen we erin om wat extra vrijheid te creëren. Op die manier zijn we onze weg en ons evenwicht aan het zoeken in deze tijd.
Humo: Maar leven we nu in een vrijere tijd of een meer gebonden tijd?
Knulst: « We leven in elk geval in een maatschappij die heel veel van ons vergt omdat er zoveel gepland en geregeld moet worden. Financieel zijn we er beter op geworden, maar de besteding van dat geld moeten we bijvoorbeeld helemaal zelf regelen. Vijftig jaar geleden werd een groot deel van ons geld uit onze handen genomen: de bakker, de melkboer, de slager, de brouwer, zelfs de gasopmeter kwamen wekelijks hun geld halen. Je wist waar je aan toe was, je had een vorm van sociale controle op je budget. Nu moeten we én geld én tijd helemaal zélf beheren, en dat kost inspanning.
Humo: Maar moeten we ons weekend en onze vrije tijd dan volledig gaan plannen? Dat gaat toch in tegen dat beginsel “vrije” tijd.
Knulst: « Ik zeg niet dat je een uurschema voor je weekend moet aanleggen, maar je moet wel je prioriteiten stellen. Tijd is kiezen of delen. Ofwel kies je voor één ding en dan ben je daar intensief mee bezig, ofwel kies je voor alles en dat moet je zowel je tijd als jezelf in stukjes delen. Dan ga je weer voor meer klussen én meer tijd voor de kinderen én meer boeken lezen en dan kom je uiteraard weer onder tijdsdruk te staan.
Humo: En de mensen die niet kunnen plannen? Stevenen die af op een time bankruptcy? Zo noemt men het in Amerika wanneer mensen compleet overstuur raken van al wat ze willen doen en al wat ze niet kunnen doen.
Knulst: « Ik wil daar nuchter in blijven. Ik denk dat er weinig mensen zijn die eronderdoor gaan. En men verwijst wel naar toegenomen stress en dergelijke, maar mijn bedenking is dat dat vroeger ook bestond zonder dat er een naam voor was. Nu moeten mensen hun eindjes tijd aan elkaar zien te knopen, maar de ‘stress’ van gezinnen voor de oorlog om de financiële eindjes aan elkaar te knopen, dat was pas hard. De zorg van “er komt een vijfde kind en we hebben maar geld om drie kinderen eten te geven” weegt volgens mij niet op tegen de vraag van hoe je je tijd zo goed mogelijk indeelt. Met dit verschil weliswaar dat de mensen toen hun arme bestaan met de buurt konden delen, en dat de welvarende mens van nu zijn drukke bestaan vaak op zijn eentje moet dragen.
Humo: Bij de Amerikaanse auteur James Rifkin las ik: “Deze samenleving is chronisch vermoeid en de wereld staat aan de rand van de uitputting.”
Knulst: « Dat is vreselijk overdreven. Ik denk dat de mens flexibel genoeg is om deze enerverende samenleving aan te kunnen. Laten we wel wezen: de gemiddelde werknemer is nog nooit zo gezond geweest als nu.
Humo: In teksten over onthaasting lees je toch dingen als: de mens kan niet genieten van zijn vrije tijd en wordt dus zelf ongenietbaar.
Knulst: « Ach, de mensen kunnen best wél genieten in hun vrije tijd! En als ik ook eens mag overdrijven: voor sommige werknemers in dit land is het werk alleen nog maar een pauze tussen hun vakanties.
Humo: Maar wie klaagt er dan over tijdsdruk?
Knulst: « Het is zo dat er in deze economie hard moet gewerkt worden: meer werk moet door minder mensen gedaan worden en bedrijfsleiders eisen ook een hogere bekwaamheid van hun personeel. En toch vind ik dat verhaal van “druk, druk, druk” een wat scheefgetrokken verhaal. Zeker als het in de media of op voordrachten wordt aangekaart als de nieuwe welvaartsziekte, in de stijl van “hebben we het eigenlijk wel zo goed?” Dat kaarten ze zo aan, omdat ze weten dat zo’n verhaal van “overvloed hebben en toch niet kunnen genieten” er altijd wel ingaat als zoete koek.
Humo: Is het tijdsprobleem dan een luxeprobleem?
Knulst: « Het is in elk geval geen wereldprobleem. Zuiver genomen is het alleen maar een paradoxale situatie waar we onszelf naartoe hebben gemaneuvreerd. Omwille van een aantal idealistische stromingen in de jaren zestig die voorhielden dat we “vrije” en “autonome” mensen moesten worden, zijn we in een situatie beland waar die bevrijding eerder als een last dan een lust wordt ervaren. Dàt is de paradox van deze tijd. Dat we de illusie van vrijheid hadden, maar dat we nu pas gaan inzien hoe gebonden we daardoor zijn geworden. Want de markt is ook vrij, zij brengt ons duizenden keuzen en alternatieven, en daar staan we dan: mogelijkheden te over, maar -zoals gezegd- tijd tekort om het op ons eentje allemaal uit te zoeken.
Deel 3: tijd winnen door een ander in te huren om de hond uit te laten
Hoe zijn we in tijdnood geraakt? (1): het Vlaamse gezin en zijn dagelijkse 'rit tegen de tijd'
September is druk. De vakantie zit erop, de school is opnieuw begonnen, ouders worstelen weer feller met het evenwicht tussen werk en privé, en tegelijk is er elk weekend veel te doen. Want na een lange corona-stilte zijn er de versoepelingen en die brengen volgens sommigen een 'tsunami' aan vrijetijdsactiviteiten teweeg. Vandaar het gevoel van een tekort aan tijd.
Maar ook twintig jaar geleden kampte men al met tijdsdruk en tijdsschaarste.
Daarover gaat deze reeks: hoe we onze tijd zijn "kwijt" geraakt.
Humo dec. 2000 - jan. 2001 / serie toen onder de titel "Waar is de tijd?" - herwerkt en ingekort © Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo/ ill. Wim Schamp
"In de gezinnen is het nu zoals in de bedrijfswereld: alles is just-in-time geregeld."
Een gemiddelde Amerikaan slijt zes jaar van zijn leven in de file en staat zes maanden voor een rood licht. Ook spendeert hij twee volledige jaren aan het tevergeefs telefonisch willen bereiken van andere Amerikanen. C’est la vie zou de gemiddelde Italiaan zeggen en die spendeert twee jaar van zijn leven aan het zoeken naar een parkeerplaats.
Hoe de gemiddelde Vlaming omgaat met tijd en tekort aan tijd, dat hebben de VUB-professoren in de sociologie Mark Elchardus en Ignace Glorieux onderzocht.
Humo: In deze serie zoeken we naar de wortels van onze tijdsdruk en tijdschaarste. Waar liggen die wortels ergens?
Elchardus: «Vroeger lag alles veel vaster dan nu. Winkels sloten op vaste uren, gezinnen aten op vaste uren, bedrijven begonnen op vaste uren, die ordening lag heel vast. En nog belangrijker, we hadden de bufferfunctie van de huisvrouw! Zij was altijd thuis, zij was altijd beschikbaar, zij smeerde ‘s morgens de boterhammen, zij ving ‘s middags de kinderen op en zij regelde het eten als vader ‘s avonds toevallig wat later thuiskwam. Vanaf de jaren ‘70 zijn die twee zekerheden weg gaan vallen. Uren van bedrijven zijn flexibeler geworden, en de vrouw is haar plaats gaan innemen in het arbeidsproces waardoor die tijdsbuffer van de huismoeder wegviel.
In de gezinnen is het -net als in het bedrijfsleven- allemaal just in time geworden. Vroeger had een bedrijf zijn magazijn met onderdelen en als men iets nodig had, dan haalde men dat uit het magazijn. In de gezinnen is het net zo. De moeder was de voorraad met tijd, ze was altijd aanwezig, ieder kon er naar believen uit putten en het gezinsbedrijf liep op wieltjes. Dan begonnen de bedrijven hun magazijnen te liquideren omdat het te duur werd om voorraad “zomaar” te stockeren. En de moeder ging het huis uit omdat het voor veel gezinnen “te duur” werd om één potentiële arbeidskracht thuis te houden; én veel vrouwen wilden zich ook ontplooien in een arbeid buitenshuis.
Het gevolg is dat zowel bedrijven als huisgezinnen kwetsbaarder zijn geworden qua tijd. Als de vrachtwagens - die nu de rollende stocks zijn - niet just in time kunnen leveren, dan loopt het tijdschema van de hele fabriek in de war. En als de moeder bij noodsituaties -zoals een kind dat ziek wordt- niet meer kan inspringen, dan loopt in het gezin ook alles in de soep.
Glorieux: «Je zou in de keukens van de Vlaamse gezinnen moeten kunnen kijken: al de briefjes en post-its die daar hangen van wat er in de dag en in de week allemaal moet gebeuren. En je zou ze ook moeten zien opstaan en ontbijten. Hét gesprek van de ochtend zijn de afspraken; vader en moeder die alle momenten van de dag overlopen om te bepalen waar één van de ouders just-in-time aanwezig moet zijn. En het minste wat dat tijdschema kan verstoren, - te laat gedaan op het werk, te laat thuis met de auto- brengt stress en drukte en nervositeit te weeg.
Humo: Op vijftig jaar is de arbeidstijd nochtans alleen maar afgenomen, en toch hebben we het nu drukker.
Glorieux: « Eind de jaren vijftig hadden de meeste gezinnen één kostwinner, dat was de vader, en die werkte gemiddeld zesenvijftig uren per week: arbeiders zo’n 58,5 uren per week en bedienden 54 uren per week. Nu werkt de samenwonende of getrouwde man gemiddeld zo’n 42 uren per week. Mannen zijn dus op dertig jaar gemiddeld 12 à 16,5 uren minder gaan werken. Als het niet nog minder is! Want in dat gemiddelde van die 42 uren zitten ook zelfstandigen die sowieso langere werkweken maken. De man is dus gemiddeld veertien uur minder op zijn werk, maar de vrouw is nu gemiddeld 23,5 uur afwezig voor hààr job. En daar zit natuurlijk de knoop als we spreken van tijdsdruk: er wordt binnen de gezinnen meer tijd aan loonarbeid besteed. Tel het maar bij elkaar. De 42 uren van de man en de 23,5 uren van de vrouw, dat maakt meer dan 65 uren tegenover die 56 uren van de jaren vijftig.
Humo: En de meeste tijdsdruk komt allicht op de vrouw terecht?
Glorieux: « Ja. Eens zij thuis is, zal iedereen weer op haar vrije tijd beroep doen. Zij blijft die bufferfunctie ten dele behouden ook al gaat ze parttime of fulltime werken.
Elchardus: « Bij tijdsdruk verwijst men haast automatisch naar arbeid, en arbeid structureert inderdaad de tijdsindeling van onze dag, maar een heel groot deel van de tijdschaarste ontstaat volgens mij in de vrije tijd. In de vrije tijd ontstaan dwingende gedachten zoals het idee dat je “aan sport moet doen” of dat je “naar de fitness moet gaan omdat je op het werk al zoveel stil zit”. In de vrije tijd botst alles, want op elk moment is er de vraag: ga ik nog wat werken (want ik heb wat werk mee naar huis genomen), ga ik met mijn kinderen bezig zijn, ga ik op tv naar die film kijken, ga ik dat boek lezen dat ik al zolang moet gelezen hebben, ga ik naar de vereniging waarvan ik de twee laatste vergaderingen gemist heb, of misschien zou ik nog beter wat saxofoon oefenen, of ik zou nog eens bij de buren moeten langs lopen, of ik zou die vrienden nog eens moeten uitnodigen die we al een half jaar niet gezien hebben, dat zijn volgens mij de tegengestelde ambities die de mensen het meeste stress geven en die hen opzadelen met dat gevoel dat ze onvoldoende tijd hebben.
© Jan Hertoghs
Humo: Werk geeft dus minder tijdsdruk dan vrije tijd. Dat is bijna niet aan te nemen als je naar de stresserende job van bandarbeiders, caissières of vrachtwagenchauffeurs ziet.
Elchardus: «In die beroepen zit inderdaad veel tijdsdruk omdat ze tegen de klok moeten werken en nogal onderhevig zijn aan flexibiliteit: de ene dag moeten ze vroeger komen dan de andere en die uurroosters worden soms maar op het laatste ogenblik meegedeeld, wat nog voor extra-stress en nervositeit kan zorgen.
Glorieux: « Het zijn ook de beroepen waar je je tijd niet zelf mag indelen. Het is inderdaad stresserend als je doorlopend te horen krijgt: dit moet binnen tien minuten af zijn of je moet zien dat je dààr om twaalf uur bent. Maar het is wel zo dat de groep van werknemers die in dergelijke patronen werkt, met de jaren lichtjes afneemt.
Elchardus: «Het gaat er ook niet om dat we de tijdsdruk in die beroepen willen ontkennen, maar het gaat ‘m om het totaalbeeld. Als je de mensen hoort praten, dan is werken het domein van de dwang en de noodzaak (“ik moet gaan werken”) en de vrije tijd is dan -zoals de term het suggereert - het domein van de vrijheid. Maar dat is een compleet achterhaalde visie. Het aantal jobs dat strak georganiseerd is neemt af en het aantal jobs waarin mensen de vrijheid krijgen om zich te ontplooien en waarin mensen een gevoel van eigenwaarde kunnen opdoen, dat neemt toe.
Dus op het vlak van de arbeid zie je meer vrijheid komen, maar op het vlak van de vrije tijd zie je meer dwang en werken komen. Mensen worden zwoegers en zweters in hun vrije tijd, ze zijn behept met produktivisme, het zijn Stakhanovisten die een boek gaan zitten lezen omdat dat hun plan was: “ dit weekend wil ik dit boek uitlezen!” En dan klopt er toch iets niet meer. Dat men qua arbeid soepele uren en werkvoorwaarden krijgt en dat men zich in de vrije tijd een alsmaar strakker schema gaat opleggen.
Er zit toch iets fout in onze cultuur als de mensen nog wel voldoening aan hun werk kunnen beleven omdat de verwachtingen daar nog op een normaal niveau liggen, en dat ze bijna gedoemd zijn om als een mislukkeling door hun weekend te dolen omdat de verwachtingen daar zo ongelimiteerd zijn dat niemand ze kan halen. Als ik onderzoek doe, kom ik geregeld mensen tegen die zeggen: ik zou zot zijn dat ik thuis wil zitten, ik zit liever op mijn werk. Want werk is werk, ik weet duidelijk wat mijn taak is, en als ik thuis ben, dan moet ik op elke moment kiezen tussen tien of twintig bezigheden die allemaal even dringend op mij liggen te wachten.
Als onze maatschappij een probleem van tijd heeft, - en dat heeft ze in die zin dat veel mensen zich geleefd voelen, zich gehaast en gestresseerd voelen-, dan ligt de sleutel in de vrije tijd. In debatten omtrent onthaasting verwijst men bijna altijd naar het werk, maar ik denk dat we ons moeten onthaasten in onze vrije tijd. Misschien moet ik niet al die boeken proberen te lezen? Misschien moet ik niet altijd met mijn kinderen bezig zijn? Misschien moet ik niet al mijn tijd in dat huis stoppen opdat het er zou uitzien zoals in de boekjes.
© Jan Hertoghs
De intellectueel heeft het druk
Elchardus: « Anderzijds… al die mensen die het zo druk hebben en die meer tijd aan hun kinderen en hun partner en cultuur willen besteden, die besteden de helft van hun vrije tijd aan tv kijken! Naast werk en school is televisie onze voornaamste tijdsindeler. Men haast zich bij andere bezigheden om rustig voor de tv te kunnen zitten.
Humo: Als we minder uren werken en als de tijdsnood vooral in de vrije tijd opduikt, mogen we dan zeggen dat het tijdsprobleem een luxeprobleem is?
Glorieux: « Dat zou ik niet zeggen. Dat just-in-time-principe weegt toch op de samenleving. Op zich zijn het allemaal kleine zorgen - dat in de file staan, dat wachten op een overvolle tram, dat moeilijk vinden van naschoolse opvang, dat haastig vervoeren van de kinderen naar de school en de sportclub, - maar de som van al die kleine zorgen hebben onze tijdsordening wel tot een maatschappelijk probleem gemaakt.
Elchardus: « Anderzijds moet ik zeggen dat veel van die interesse voor tijdsdruk en tijdschaarste voortkomt uit de kleine groep van de hooggeschoolde klasse. Omdat er nu een flexibiliteit van de hooggeschoolde bestaat, omdat de intellectuelen het ineens druk hebben, wordt erover gepraat. Want het zijn de intellectuelen die het nieuws in de kranten en de televisiejournaals bepalen. Het is hun perceptie van de maatschappij die het haalt op andere percepties. Het zijn hun zorgen die ze projecteren op de hele maatschappij. En veel mensen zullen dat idee van gejaagdheid en stress herkennen, maar er zijn zeker ook grote groepen die zich daarin niet herkennen.
Humo: Wat is die “flexibiliteit van de hooggeschoolde”?
Elchardus: « Dat is het werkpatroon van werknemers in hooggeschoolde (en goedbetaalde beroepen die hun tijd zelf mogen inrichten naargelang de behoeften van het werk. Dat klinkt heel mooi, maar dat brengt vaak onvoorspelbare werkdagen mee en werktijden van zestig uren per week omdat die werknemers zich zo uitleven in die job dat ze er helemaal door opgeslorpt worden.
De groep van werknemers die in dat ‘vrije’ stramien zit, neemt trouwens toe. Uit een in 1995 gehouden onderzoek bij universitair gediplomeerden bleek dat 31% van de vrouwen en 54% van de mannen bij de aanvang van hun dagtaak niet op twee uur na kon voorspellen wanneer hun werkdag zou eindigen. Je begrijpt dat het in die gezinnen wel ‘s mis kan lopen met de just-in-time.
© Jan Hertoghs
De klauw van het bedrijf
Elchardus: « Die flexibilisering van de arbeid zwengelt op zijn beurt weer andere flexibilisering aan. Want die werknemer met zijn zestig uren wil bijvoorbeeld dat winkels en supermarkten nog laat open zijn. En als zo’n warenhuis daarmee instemt, dan brengt dat mee dat het personeel van dat warenhuis zijn uren ook zal moeten aanpassen.
Nog een gevolg van die flexibilisering van de hooggeschoolde zal de groei zijn van allerlei persoonlijke dienstverlening. Want omdat die werknemer een goed loon heeft en omdat niet alle winkels lang openblijven, zal hij beroep doen op diensten die wél soepel voor hem klaar staan.
Humo: Zien jullie een toekomst voor de zogenaamde comfortdiensten: bedrijfjes die het op zich nemen om je boodschappen te doen, je kleren te kopen en je hond uit te laten?
Elchardus: «Dat kleren kopen en de hond uitlaten zal marginaal blijven, denk ik. Maar op het vlak van dringende huishoudelijke taken zoals wasgoed binnenbrengen op je bedrijf of je boodschappen op kantoor laten brengen zie ik die diensten zeker toenemen. Persoonlijk zou ik dolgelukkig zijn indien ik mijn boodschappen kon uitbesteden; ik word er halfzot van als ik een uur in een grootwarenhuis moet rondlopen. En wat haast overal een knelpunt is, is kinderoppas. Elk initiatief dat daaraan tegemoetkomt, zie ik succes hebben.
Glorieux: « Het systeem van de onthaalmoeder is in wezen ook al een comfortdienst. Omdat je het thuis zijn voor de kleine kinderen uitbesteedt aan een ander.
Werknemer wordt topsporter
Humo: Klopt het dat we slechts tien procent van ons leven werken en dat we met die loonarbeid negentig procent van ons leven kunnen betalen?
Elchardus: « Als je slapen erbij rekent, dan neemt bezoldigde arbeid inderdaad tien procent van ons leven in. Anderzijds is die tien procent wel dé grote tijdsindeler in ons leven en in onze maatschappij. Dertig procent van ons leven liggen we te slapen, maar dat heeft bijlange niet hetzelfde effect op onze maatschappij als die tien procent arbeidstijd. Want die tien procent bepaalt zowat dertig jaar hoe je je dagelijks leven indeelt, en ze bepaalt dan nog eens dertig jaar met welk pensioen je moet rondkomen."
Elchardus: « Wij gaan vanaf 2001 ook onderzoek doen naar de grote tijdscycli in het leven. Dat jongeren langer studeren en thuis blijven en dat jonge gezinnen later met kinderen beginnen. Dat willen we in kaart brengen. Vroeger was het simpel: je studeerde, werkte, trouwde, kreeg kinderen, en je behield dezelfde baan tot je op pensioen ging. Nu lopen al die fases door elkaar, nu werkt en studeert men tegelijk en nu krijgen moeders nog kinderen als ze bijna veertig zijn. Glorieux: « Ook van de gepensioneerden willen we heel wat te weten komen. Neem de mensen op brugpensioen. Dat zijn vaak ouderen die tot hun vijfenvijftigste voor hun thuisblijvende kinderen hebben gezorgd en die direct daarna voor hun ouders van tachtig jaar moeten beginnen zorgen!
Elchardus: « Veel is veranderd in die levenscycli. Vroeger werden de mensen zeventig jaar en hun arbeidstijd werd uitgesmeerd tussen 18 en 65 jaar. Nu worden we tachtig, negentig of honderd jaar, we hebben een veel langer leven voor de boeg, en toch worden onze arbeidsjaren samengeperst tussen de leeftijd van 25 à 55 jaar. Dat is geen werken meer, dat is topsport. >
Humo: Er zijn de topsporters die door het leven hollen, en er zijn de anderen. Volgens jullie leven we in een maatschappij met twee snelheden.
Elchardus: « Je hebt effectief een groep van mensen voor wie een goed leven een snel leven is. Mensen die stressbestendig zijn, mensen die van een snel ritme houden, mensen die sneller praten, sneller to the point komen, sneller rijden en sneller communiceren met gsm en internet. En je hebt mensen die door opleiding, beroep, leeftijd of zelfgekozen levenswijze trager door het leven gaan.
Glorieux: « En soms botsen de tempo’s van die twee groepen. Gisteren was er in het journaal een item over Oxford Street waar op het voetpad een aparte strook is afgebakend voor de gehaaste voetgangers, zijnde de drukke zakenman of de bediende die naar zijn werk ijlt en die niet wil opgehouden worden door slenterende shoppers. Weet je waar ze ook twee snelheden mogen invoeren? In de tankstations! Daar mogen ze een snelpomp zetten, want als ik gehaast ben, dan kan ik me soms toch ergeren aan mensen die traagjes hun portefeuille nemen, trààgjes hun code intikken en TRAAGJES die dop eraf draaien!Elchardus: « Weet je waar al drié snelheden zijn? In de Delhaize! Daar is de gewone kassa, de snelkassa en de kassa waar je zelf kan scannen. En aan die scan-kassa zie je de gehaaste jonge mensen die nu niet langer ‘gehinderd’ worden door de gepensioneerden want die bejaarden zijn te bang om zo’n scanner te gebruiken. (sakkert) Ja, die oudere mensen. Heel de week hebben ze tijd om te gaan winkelen en dan komen ze nog op zaterdag hun boodschappen doen!
Humo: Straks ga je de gepensioneerden nog verplichten om in de daluren te winkelen.
Elchardus: « Ach, ik weet ook wel dat die mensen élke dag willen komen omdat de supermarkt voor hen een vorm van sociaal contact is, maar je merkt toch dat die twee snelheden er zijn en dat er effectief onverdraagzaamheid ontstaat van de snelle tegenover de trage groep.
Glorieux: « Kijk naar de spoorwegen, ze maken de trein zo goed als gratis voor zestigplussers en daar krijg je nu ook wrijvingen tussen die trage groep gepensioneerden en de snellere pendelaars! (Bij de NMBS kwamen klachten binnen dat de treinen “enkele minuten per uur” vertraging leden door al die zestigplussers die trager in- en uitstappen. De maatschappij gaat nu een campagne opzetten waarin ze “de senioren vragen om de spitsuren te mijden”jh)
Humo: Waarom zijn we zo gefixeerd op snelheid en tijd besparen? De HST verbinding onder Antwerpen-Centraal levert in wezen maar luttele minuten tijdsbesparing op, maar het kost wel zeven jaar tijd en vijftien miljard Belgische frank om dat “wonder” te verwezenlijken!
Elchardus: « De obsessie met snelheid is in elk geval een diepgeworteld cultureel gegeven. We hebben snelheid al eeuwen als een vorm van vooruitgang gezien. En nu is het die HST, maar ooit was het de postkoets. En als iemand een auto koopt, moét hij rapper zijn dan de vorige. Kijk in de autofolders en wat zie je: optrekken van nul naar honderd kilometer in x seconden! Terwijl een mens zich afvraagt waar je nog honderd kilometer per uur kan rijden in het huidige verkeer!
Glorieux: « Mensen vallen nog altijd voor snelheid. Voor elk nieuw computertype dat op de markt komt, is er belangstelling omdat hij sneller is dan zijn voorgangers."
Humo: Traag zijn of zeeën van tijd hebben is uit den boze.
Elchardus: « Ja. Absoluut niémand van al die mensen die het “druk-druk” hebben zal bijvoorbeeld ooit willen ruilen met de zeeën van tijd van een werkloze. Liever heeft men tijd te weinig dan tijd teveel. Tijd teveel hebben is een belangrijk probleem van werklozen. Dat blijkt uit alle studies die we gemaakt hebben. Omdat ze geen werk hebben, omdat ze niks hebben dat hun tijd structureert in arbeidstijd en vrije tijd, worden hun dagen eindeloos en verliezen ze alle fut om nog ergens aan te beginnen. Er is niks zo verschrikkelijk als tijd hebben die gedood moet worden. >
© Jan Hertoghs
Humo: Er is e-mail, gsm, microgolfoven, en diepvriesvoeding, men heeft alles om het leven makkelijker, simpeler en sneller te laten verlopen, en nog blijft men tijd te kort hebben. Dat is een merkwaardige paradox terug te vinden bij de Zweedse economist Staffan Linder.
Elchardus: « Ja, Linder heeft die paradox omstandig uitgelegd in “The Harried Leisure Class” (vrij vertaald: “Het gekwelde herenleven”, een boek uit 1970,jh) En zijn stelling is: veel van die zogezegde tijdbesparende toestellen kosten meer tijd dan dat ze tijd besparen. Als je een wasmachine koopt, dan gaat dat sneller dan met de hand wassen, maar je moet eerst het geld verdienen om ze te kopen, je moet een hogere waterrekening en milieuheffing betalen, je moet nieuwe wasprodukten kopen, enzovoort.
Humo: Wat je aan tijd bespaart in het wassen, moet je investeren in werken en geld verdienen.
Elchardus: « Ja. En Linder is dan nog één belangrijke factor vergeten: naarmate die toestellen er zijn gekomen, zijn ook onze normen fel verhoogd. Wij willen veel properder kleren dan vroeger, dus zullen we blijven geld uitgeven aan betere wasmachines en betere wasprodukten. Ook op het gebied van voeding zijn onze eisen hoger gaan liggen. Wij willen variatie in de voedingsmiddelen - Oosters, Afrikaans, Spaans, Italiaans- maar we willen ook afwisselen in de bereidingswijze, wij willen aan de slag met kookpot, wok, fondue, gourmet en dies meer. En dan gaan we kookmagazines kopen, en kookboeken raadplegen, en in krantenbijlagen lezen welke wijnen we bij welke schotels moeten kiezen, en zo gaat dat door, en zo blijven we bezig.
Humo: En zo vliegt de tijd heen. Vandaar het alternatief: als je minder consumeert, dan hou je vanzelf tijd over.
Elchardus: « Tja, wie geen auto koopt, moet er niet voor gaan werken en staat er ook niet mee in de file. Dat is het principe, maar de realiteit is anders. Kijk, met de jaren zijn onze bedrijven steeds meer materiële goederen gaan produceren op steeds minder tijd, en heel wat producten zijn daardoor goedkoper geworden. Als je dus met weinig comfort tevreden bent, dan moet je daar nog amper voor gaan werken en geld verdienen. Een Brits historicus heeft dat berekend en volgens hem kunnen we anno 2000 met een paar minuten te werken per dag het comfortniveau van 185O halen.
Humo: Dat is niet slecht.
Elchardus: « Jaja, maar je moet dan ook de levensstandaard en de levensverwachting van 1850 aanvaarden hé, toen leefden de mensen hooguit tot hun veertig jaar. Maar zoals je ziet: onze samenleving heeft niet voor dat model van minder werken en meer vrije tijd gekozen. Onze samenleving heeft altijd radicaal voor meer geld en meer welvaart gekozen. En minder arbeid wordt alleen maar aanvaard als het niet ten koste gaat van die materiële welstand. >
© Jan Hertoghs
Méér geld!
Glorieux: « We hebben de vraag naar meer inkomen of meer vrije tijd gesteld aan alle loontrekkenden in ons tijdsbudget-onderzoek. Wil u per jaar 13.140 frank netto meer verdienen of wil u vijf dagen extra vakantie / één keer per maand een halve dag vrij / 75 minuten per week minder werken / 20 minuten per dag minder werken. En 49% van de ondervraagden (in 1999) koos voor het geld. En heel opvallend: er kiezen nu méér mensen voor het geld dan elf jaar geleden! In ’88 koos 37% voor het geld en nu kiest 49% voor het geld. En de loontrekkenden van ’88 zaten toen nog in de nadagen van de crisis!
Elchardus: « Men zit nu ver van de crisis, men heeft nu beduidend méér geld dan in ’88 en toch kiest men voor nog meer geld en niet voor meer vrije tijd!
Humo: Dat relativeert toch sterk dat probleem van de tijdsdruk waar iedereen zogezegd mee kampt. Omwille van het geld en het comfort wil men zelfs meer tijdsdruk incasseren.
Glorieux: « Het was voor ons ook een opvallende vaststelling. Uit die tabellen bleek dat slechts tien procent van de loontrekkenden voor een maandelijkse, wekelijkse of dagelijkse werktijdverkorting koos. Je zou nochtans zeggen dat zo’n verkorting van de werktijd een remedie is voor die dagelijkse drukte waarover men klaagt. Maar weinigen zijn ervoor gewonnen. Wat ook opvallend is: 49% koos voor meer inkomen, 10 % koos voor minder werkuren, en 39% van de ondervraagden kiest voor meer vakantie. Wat hetzelfde is als wensen dat je werk in nog minder werkdagen wordt samengeperst!
Humo: Als de Vlaming zo naar de loonzak neigtt, dan zal hij allicht ook niet gewonnen zijn voor het idee van “ minder consumeren = meer vrije tijd”.
Elchardus: « Op zich is dat principe van minder consumeren en meer tijd hebben juist, en mensen kunnen volgens mij best met minder tevreden en gelukkig zijn, maar de mensen die daarvoor pleiten, zien te gemakkelijk de materiële ongelijkheid in deze samenleving over het hoofd. Kijk, die argumenten om te onthaasten en om minder te consumeren, komen vooral uit de groene hoek, maar dat zijn vaak mensen uit de hogere middenklasse. Die kunnen natuurlijk over minder consumptie spreken terwijl ze tegen een kastje leunen waarin een dure geluidsketen staat (lacht). De mensen staan onder sociale druk om te consumeren hé. Kijk in de boekskes. Altijd is er een mooier huis, een mooiere keuken, een mooiere auto. En dus moeten ze een beter loon hebben om dat nieuwe ideaalbeeld te bereiken.
Elchardus: « Zo is dat. In een ongelijke samenleving wordt het consumptiepeil van de mindere inkomens aangezwengeld door het consumptiepeil van de hogere inkomens. De minderbegoeden kijken altijd reikhalzend uit naar de volgende consumptiedrempel die ze kunnen nemen. En die beweging kan pas stoppen als er meer gelijkheid komt tussen de inkomens. >
Ingescand uit Humo/ Kamagurka
Humo: Een rem zetten op je activiteiten in de vrije tijd zou een flink deel van je tijdsschaarste kunnen oplossen.
Elchardus: «Als je in je vrije tijd geen duizend-en-één activiteiten aanvangt, maar tevreden bent met enkele activiteiten, dan ga je gelukkiger zijn. Dat is geen economisch model, dat is levenskunst. Maar ja, de vrije tijd heeft een geweldige vaart genomen. In de eerste Amerikaanse onderzoeken naar tijdsbesteding uit de jaren dertig was een sigaretje roken toen nog een activiteit in de vrije tijd. Dat was een ontspanning naast de arbeid net zoals “een ritje maken met de wagen” of “radiomuziek beluisteren”. Intussen zijn dat secundaire activiteiten geworden. Rijden, roken en radio luisteren vallen niet meer op als vorm van ontspanning, als activiteit in de vrije tijd. Dat is “achtergrond” geworden bij het snellere leven van elke dag.
Humo: Van mensen die het druk hebben wordt gezegd dat ze geen tijd meer hebben voor “de anderen”, geen tijd voor de buren, voor familie, voor een praatje op straat.
Glorieux: « Iedereen zegt dat, maar ook dat blijkt niet uit ons tijdsonderzoek. Vlamingen brengen gemiddeld tién uur per week door bij familie, ze gaan 7,5 uur per week op visite en naar recepties, en ze besteden gemiddeld anderhalf uur per week aan sociale babbels via de telefoon.
Humo: Leert jullie tijdsbudget-onderzoek ook iets over het onthaasten in de Vlaamse gezinnen?
Glorieux: « De enigen die onthaasten zijn de mannen in het gezin. Op het gebied van huishoudelijk werk doen ze nog minder dan elf jaar geleden!
Deel 2: het krappe weekend en de versnipperde vrije tijd
11 september (2): Mohammed Atta, de student stedenbouw die architect van de aanslagen werd
Bron: Volkskrant 27/09/01
Het FBI en de Amerikaanse bladen aanzien hem niet alleen als de piloot van de eerste Boeing die zich op de Twin Towers stortte, voor hen is Mohammed Atta de ringleader, de terreurkapitein die rond zich een 18-koppige “kamikaze-crew” wist te verzamelen met slechts één doel voor ogen: een moordende slag toebrengen aan het Amerika “dat zijn heidense schaduw steeds verder over de moslimwereld wierp”. Zijn eigen vader noemt de 33-jarige Mohammed een rechtschapen kind, een doorbrave jongen die hij dikwijls door elkaar geschud heeft “om wat flinker te worden”. Een zoon ook die nooit zo’n aanslag kon beramen noch uitvoeren, “Mohammed had schrik om te vliegen”.
Humo oktober 2001
Mohammed al-Amir al-Sayed Awad Atta werd op één september 1968 geboren. Met een vader die advocaat was in Cairo, is hij een kind van de middenklasse dat uitstekend zijn best doet op school en dat zijn vakanties doorbrengt met lezen en schaken "én niet met revolvers spelen”. De ouders zijn niet overdreven religieus, ze laten zich niet in met politiek en hoewel ze heel het westen “pro-Israël” vinden, zetten ze hun drie kinderen wel aan om in Duitsland of Zwitserland te gaan studeren en zodoende hun weg te maken. Mohammed is op zijn 23ste student architectuur in Cairo en om de stap naar Europa voor te bereiden, volgt hij lessen Duits in het Goethe-Institut en cursussen Engels aan de American University in Cairo.
In 1992 vertrekt de 24-jarige Atta naar Hamburg waar hij wordt toegelaten tot het derde jaar Stadtplanung (= Stedenbouwkunde) van de Technische Universität. Hij huurt een eenvoudige kamer in een studentenblok en maakt een voorbeeldige indruk op professor Dittmar Machule: “Mohammed sprak goed Duits toen hij hier aankwam. Hij had niks radicaals, ik heb ‘m nooit een anti-zionistische, anti-Amerikaanse of anti-vrouwelijke opmerking horen maken. Voor mij was hij een intelligente en toegewijde student, iemand die helder kon tekenen en die zich ook helder kon uitdrukken in zijn teksten, hij leek me aangeboren voor het vak. In dat opzicht kan ik er absoluut niet bij dat deze student stedenbouwkunde een stad in haar kern heeft verwoest.”
Eind ’92 gaat Atta in op een werkaanbieding bij het bureau Plankontor waar hij stadsplannen uittekent. Ook daar geen kwaad woord over zijn werk aan de tekenplank noch over zijn omgang met de collega's ; het enige wat in het grootstedelijke bureau opvalt is zijn weigering om ook maar een druppel alcohol te drinken en zijn “openlijk gelovig zijn”, maar er is op de duur niemand meer die nog omkijkt als hij in een rustig hoekje van het kantoor neerknielt voor het traditionele gebed.
Disney World
Voor het FBI is daar zijn leven als sleeper begonnen. De terrorist die uiterlijk een gewoon leven leidt maar die zich innerlijk voorbereidt op een uiterst ongewone daad. “Het opvallende is hun discrete verbetenheid. Al die jaren hebben ze alle tijd om na te denken en om uit die extreme kring te stappen, ze hebben een intelligentie en een opleiding die hen in staat stelt om een mooie carrière te maken en een gesetteld leven te leiden, en toch is er niks dat hen van hun fatale streven kan afhouden.”
In 1995 komt hij in aanmerking voor een beurs van de Carl Duisburg Gesellschaft en met die toelage reist hij naar Cairo om zich gedurende enkele maanden te verdiepen in de renovatie van een oud stadsdeel. Aan studiegenoten en aan zijn vader laat hij meer dan eens horen dat de renovatie té westers is en dat men van de oude wijk en de moskee een “Disney-World voor toeristen” heeft willen maken. Voor hem is het heiligschennis “zoals het westerse denken zijn stempel kan drukken op de islamwereld”.
Tot begin ’97 werkt Atta nog voor Plankontor maar dan verdwijnt hij voor bijna anderhalf jaar uit Hamburg . Als hij midden ‘98 terugkeert, merken zijn studiegenoten een kentering in zijn gedrag. Atta is “religieuzer” geworden, hij draagt een lange baard en hij duldt minder discussie wanneer het over de koran gaat: “De koran heeft maar één waarheid; wij moeten niet interpreteren zoals jullie met de bijbel doen.” Ook laat hij steeds vaker zijn verbittering blijken over het vredesproces in het Midden-Oosten en over de vernedering van Irak tijdens en na de Golfoorlog.
In ’99 haalt Atta zijn diploma stedenbouwkunde met grote onderscheiding. Zijn thesis is een grondig gedocumenteerd werkstuk over de renovatie van de Syrische stad Aleppo. Op de uitreiking doet zich -aldus Libération- wel een tekenend incident voor: Mohammed weigert de uitgestoken hand van één van de vrouwelijke professoren die hem wil gelukwensen. Eerder wilde hij ook al de samenwerking stopzetten met een vrouwelijke assistente die zijn Duitse thesis hielp corrigeren.
Van zijn studentenkamer is Atta intussen verhuisd naar een sobere flat die hij met enkele Arabische vrienden deelt. De buren merken op dat “er soms tot twintig mensen bij elkaar komen, zo te horen om er te bidden”. Ook op de universiteit vraagt Atta (die als post-graduaat-student staat ingeschreven) de toelating om “met een islam-werkgroep” een kleine gebedsruimte te mogen inrichten. Dat wordt zonder problemen toegestaan omdat Atta helemaal niet tot de radicale Ausländer van de universiteit wordt gerekend. Die godsvrucht is volgens het FBI wel de perfecte dekmantel geweest, zij beschouwen de ‘gebedscel’ in Hamburg als een basis waar de vroegste plannen voor de attack on America zijn gesmeed. Immers, in dezelfde periode wonen en studeren ook Marwan al-Shehhi en Siad Dscharrah in Hamburg. De eerste zat in het vliegtuig dat tegen de zuidertoren crashte, de tweede stortte neer in de staat Pennsylvania met het vliegtuig dat mogelijk op weg was naar het Witte Huis.
Bron: DM 29/9/01
Broodje noodlanding
Eind ’99 melden zowel Atta, al-Shehhi en Dscharrah zich bij de Duitse politie omdat ze hun paspoort verloren zijn. Allicht hadden ze nieuwe paspoorten nodig omdat hun vorige reisbewijzen nogal wat stempels droegen van landen die in Amerika ‘verdacht’ waren. Uit voorzorg scheren ze ook hun baarden af en in mei 2000 krijgen ze ongehinderd een visum voor de VS; ze geven zich uit als jonggediplomeerden die zich willen vervolmaken in de States. In de VS worden de studies echter algauw terzijde geschoven, Atta en al-Shehhi beginnen een maand later al aan hun vliegopleiding in één van de vele vliegscholen van de staat Florida. Ze schrijven zich in bij Huffman Aviation in Venice waar één vlieguur 55 dollar kost en waar de sfeer hangt van jongens-en-lol-hebben, een bacon-cheeseburger heet er een Emergency Descent (= noodlanding).
De directeur van de school vindt zijn Arabische studenten sportief-sympathiek (“ze komen zelfs met de fiets naar de les”) en wat meer is, ze vliegen uren en uren met de eenmotorige vliegtuigen en betalen met gemak de oplopende rekening. Voor Atta kostte het halen van zijn brevet 18.700 dollar.
De Britse Anne Greaves (56) had het niet met het tweetal. “ Voor mij was het de vervulling van een droom om dat vliegbrevet te halen, maar zij hadden niet die verrukking die je bij echte kandidaat-piloten vindt. Ze waren koel en heel rationeel aan het vliegen. In plaats van plezier en jongensachtige verbazing hing er een donkere ernst over die gasten. Het was alsof ze dat vliegen alleen maar onder de knie moesten krijgen en verder niets.” Omdat zowel Atta als al-Shehhi uiterst verzorgd gekleed gingen en al-Shehhi ook altijd in de nabijheid van Atta was, werd op de vliegschool verteld dat Atta “een Arabische prins” was, en al-Shehhi was dan “zijn schaduw, zijn persoonlijke bodyguard”.
Eind december 2000 kloppen al-Shehhi en Atta aan in een een vliegschool nabij Miami waar je tegen betaling in een full motion flight simulator van een Boeing 727 kan plaatsnemen. Het ding heeft iets van een uitgebouwd game in een lunapark, het wordt hydraulisch aangestuurd, het snokt en maakt ploffen en luchtzakken waar je de kriebels van krijgt, maar het is geen speeltje, het gebruik kost 10.000 frank per uur. Het wordt ook aangewend bij de echte opleiding van kandidaat-piloten, want het bevat al de realistische druktoetsen en digitale aanduidingen die eigen zijn aan de stuurinrichting van een groot straalvliegtuig. Instructeur Henry George maakt hen vertrouwd met de virtuele cockpit en met de basismaneuvers van het toestel maar hij is wel enigszins verwonderd dat ze “amper aandacht hebben voor het opstijgen en landen” maar zeer geconcentreerd zijn als hij uitlegt hoe ze moeten zwenken, dalen en van koers veranderen. De man zelf is er nu het hart van in, “te denken dat mijn kennis en ervaring is aangewend om die verschrikking uit te voeren.”
De laatste maanden van Atta -tussen januari en september 2001- blijven voor de speurders nog een mysterieus kluwen. Zowat overal in de Verenigde Staten wordt hij opgemerkt, met gehuurde wagens moet hij duizenden kilometers hebben afgelegd. In Oklahoma bezoekt hij gedurende enkele dagen een vliegschool. In Florida vraagt hij alle mogelijke inlichtingen in verband met de aankoop van een sproeivliegtuig (wat het FBI later doet vermoeden dat er “ plannen waren om biologische wapens te sproeien”,jh). Ook in Las Vegas staat zijn naam op de lijst van een motel en tot in Spanje zouden er sporen zijn van bezoeken die hij aflegt bij “radicale medestanders”.
Op al die verplaatsingen reist en betaalt Atta onder eigen naam zonder dat iemand hem een strobreed in de weg legt. In Broward County (Florida) loopt hij wel een bekeuring op omdat hij zonder rijbewijs achter het stuur van een huurwagen zit. Hij wordt door de politierechtbank bij verstek veroordeeld, wat inhoudt dat hij bij een volgende bekeuring automatisch mag gearresteerd worden, maar die bekeuring komt er niet meer.
Final boarding
Op 28 augustus reserveert Mohammed Atta bij American Airlines een one way ticket Boston-Los Angeles in business class. Datum 11 september. Vertrek: 7u59. De zaterdagavond voor de aanslag wordt hij een laatste keer gezien in een seafood bar in Hollywood (Florida) waar hij samen met al-Shehhi in de drank zou gevlogen zijn. De principiële alcoholweigeraars zouden volgens meerdere kranten rum en vodka gedronken hebben, Atta “zelfs vijf glazen wodka orange” en na een opmerking over hun vertier zou hij gezegd hebben “Ik kan alles betalen. Ik ben piloot van American Airlines!”
Voor de vader van Mohammed Atta is dit getuigenis trouwens hét bewijs dat zijn zoon onmogelijk de “terreurpiloot” kàn geweest zijn: “Mohammed dronk nooit! Het moet iemand anders geweest zijn. Ik denk dat de Mossad mijn zoon ontvoerd heeft en dat ze met zijn papieren dit smerige spel hebben gespeeld!”
Mohammed Atta passeert de check-in-controle in de kleine luchthaven van Portland, Maine
Het FBI is nochtans formeel. De twee mannen die op 11 september om 5u5O ‘s morgens op de beveiligingscamera van Portland Jetport zijn gefilmd, zijn wel degelijk Mohammed Atta en Abd al-Asis al-Umari. Dat ze Portland als vertrekpunt kiezen, de luchthaven ligt in de landelijke staat Maine, is vreemd te noemen voor terroristen die graag verdwijnen in de massa. Portland met zijn 64.00O inwoners heeft slechts een kleine luchthaven en op het vliegtuig naar Boston hebben de twee kapers slechts zes medepassagiers die niks verdachts hebben opgemerkt. Tenzij dat "twee oosters uitziende mannen ieder apart gingen zitten en verder geen woord hebben gezegd”. In Boston ging het kleine aantal passagiers dan op in het grote gewoel van Logan Airport, een luchthaven die mogelijk is uitgekozen omdat ze niet zo’n beste reputatie qua beveiliging had. Samen met vier andere kapers neemt Atta plaats op de vlucht 011 van American Airlines met bestemming Los Angeles. In zijn business class zetel zit hij vlakbij de cockpit. Bij de gate roept men kort voor achten de laatste passagiers naar het vliegtuig, final boarding! final boarding!
Vijf van de 92 inzittenden zijn op dat moment zeker dat dit hun finale reis wordt en dat ze die ochtend gaan sterven.
Korte tijd daarop neemt Mohammed Atta het commando van de Boeing 767 over. Met zijn opgedane kennis verandert hij het toestel van koers en om 8u45 slingert hij de 280 ton staal en kerosine met een snelheid van tweehonderd meter per seconde tegen de WTC-toren. Bij de aanslagen van 11 september komen 2763 mensen om het leven.
De stapels beton van de twee torens die tegen de grond worden gesmakt zijn aldus Le Nouvel Observateur “genoeg om een vierbaanssnelweg aan te leggen van de aarde naar de maan”.
Bronnen: Associated Press, Der Spiegel, De Volkskrant, Le Nouvel Observateur, Libération, The New York Times, Time.
80 Vlaamse bakkers en “hun” 11 september
Fotograaf gie Knaeps had het voorgesteld. Of ik wilde meegaan met een gezelschap Vlaamse bakkers naar Amerika, een 4-daagse trip en 48 uur in Las Vegas. Ik heb niks met die gokstad, maar het idee van de kleine bakker op stap in het grote Amerika, trok me wel aan. De meeste van hen waren ook nooit eerder in de States geweest, dus het zou wel een avontuur worden. .
We arriveerden op 10 september. De volgende ochtend stond de tv in de hotelkamer naast de mijne ineens heel hard. Zes uur nog maar! Ik vloekte op die Amerikanen die zo zot waren om zo vroeg op te staan.
Dit is het verslag van een vreemde reis. We waren niet In New York en toch leken de aanslagen dichtbij omdat we in het land waren dat werd aangevallen.
Dit is ook het relaas van een reis met een veeg voorteken. Nimmer ben ik zo ongerust vertrokken als toen. De taxichauffeur die me thuis ophaalde, sprak me bij het openen van de voordeur aan met Meneer Kerkhofs. Zo had ie mijn naam aan de telefoon verstaan. Nooit eerder had ik zo'n bang voorgevoel bij het begin van een reis.
Humo september 2001 - licht herwerkt en aangevuld met persoonlijke notities © Jan Hertoghs
© gie Knaeps
“Amerika? Nooit meer! Volgend jaar ga ik wel naar het Silver Lake in Mol.”
In 2001 moest het “iets speciaals" worden had Luc Gevers uit Mol zich voorgenomen. Elke bakker die klant bij hem was, (hij is grootleverancier van bakkerijgrondstoffen) kon een vierdaagse reis naar de beurs Baking Expo 2001 in Las Vegas “verdienen” als hij in het jaar tevoren maar genoeg producten afnam van de firma. En zo kwam het dat tachtig bakkers uit Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant in Zaventem incheckten voor een reis die voor velen hun eerste reis naar Amerika was.
De bakkers hebben lol bij het vertrek in Zaventem. Bij de douane hebben ze alleen maar aandelen van Lernout en Hauspie aan te geven, dus niks, en bij het invullen van de visumpapieren is hun beroep warme bakker (hoe warm, dat moet ge aan mijn vrouw vragen!) Als we in Atlanta met de shuttle van de ene terminal naar de andere rijden is dat precies het treintje van Bobbejaanland, want ja het zijn bakkers die met veel van hun gedachten nog thuis zijn. Zo probeert zeker driekwart onder hen Onze Belgische Tijd aan te houden op zijn horloge of gsm, in feite zijt ge dan nog een bitske in België, hé.
Las Vegas is met zijn 1,4 miljoen inwoners, zijn 30 miljoen bezoekers per jaar en zijn 12 grootste hotels ter wereld een enigszins overweldigende stad, en ook ons hotel Circus Circus is geweldig groot, wij zijn precies mieren met een valieske. Met Jef en Jozef (beide van direct-na-den-oorlog) lopen we de nacht in. De warmte van de woestijn valt op onze nek en dus gaan we naar hotel-casino Sahara voor ne fata morgana en een pintje. Nadien bezoeken we nog wat ‘kleinere’ casino’s waar we telkens staan te kijken van de kilometers jackpotten die overal staan opgesteld, het rinkelt en rammelt aan alle kanten, alsof ze de Makro vol kassa’s hebben gezet. In casino Stardust zien we een kerel 6000 dollar winnen op een slot machine, hij roept op zijn moeder die ergens van tussen de myriaden geldkasten komt aangelopen, I have won, mama, I have won! We bekijken de gelukzalige mens en zijn moeder langdurig en gaan dan verder langs de baccarat, blackjack en roulettetafels met Jef als onze gids. Jef kent iets van casino’s: toen zijn vrouwke nog leefde, vorig jaar gestorven van de kanker, gingen al hun vakanties op aan casinobezoeken. Vandaar dat de dollarbriefkes stillekesaan warm worden in zijn broek, en terug in ons hotel zet Jef zich gelijk aan de roulette. Hij schuift een paar jetons op de dertien, het numerooke van m’n vrouwke toen ze nog leefde. Brave goeie Jef, we laten hem achter aan de tafel, het is halfdrie, halftwaalf Belze tijd.
De groep bakkers uit de Antwerpse Kempen, Limburg en Vlaams-Brabant voor de entree van hun hotel. “Zoveel jackpotten in die casino’s. Precies de Makro vol rinkelende kassa’s.” © gie Knaeps
Gelijk den Innovation
En dan begint de dinsdag van de verbijstering. Als de eerste twee vliegtuigen in het WTC crashen, liggen de meeste Belgen nog op bed, het is in Las Vegas zes uur als het in New York negen uur is, en zelf heb ik ook de luide tv's gehoord, maar zonder enig vermoeden van grote rampspoed. Dat hoor ik pas bij het opstaan en het ontbijt. Amerikaanse hotelgasten zeggen dat er twee vliegtuigen op de Twin Towers zijn ingevlogen. En dat de terroristen nog negen(!) andere vliegtuigen in de lucht hebben om belangrijke doelwitten te treffen in heel Amerika.
Overal in het hotel hangen tv-schermen en alle tv’s staan nu op CNN. America Under Attack. In beeld schuiven de vliegtuigen in het World Trade Center, de wolkenkrabbers braken dikke wolken rook en dan storten ze met een tussentijd en met grijs gedruis in elkaar, een Niagara van stof en glas en oh my God!, mannen rennen in das en wit kantoorhemd over de beplaasterde straten, twee vrouwen liggen gebukt onder een geparkeerde auto en in de bottomline van het beeld ijlen de laatste berichten van rechts naar links, alle tunnels en bruggen van New York dicht, alle binnenlandse vluchten aan de grond, president Bush en zijn staf naar onbekende bestemming overgebracht, rampenplan uit Koude Oorlog weer bovengehaald.
Zowat alle Belgen staan voor de tv-schermen, ze zien nu ook het Pentagon branden en iedereen is het er stilletjes over eens dat daar nen oorlog van kan komen, zeker nu Bush hier den baas is.
De nieuwslezer spreekt van 6,7 miljoen pendelaars die elke morgen naar het hart van New York pendelen. Het staat er in kleine witte lettertjes : er werken 50.000 mensen in het WTC en de torens worden dagelijks bezocht door 100.000 toeristen.. Een massagraf, het wordt me kil om de maag.
Dan tuimelen er kleine zwarte mensen langs de grijze skyscraper, de vijf seconden dat ze nog in leven zijn alvorens ze op straat te pletter vallen, ze willen niet levend verbranden. We houden onze adem in, ‘t is gelijk den Innovation in Brussel, och mensen toch!
We horen vertellen van geliefden en familieleden die nog telefoontjes en berichtjes hebben gekregen van de passagiers die gingen sterven. I love you Susan. I love you, goodbye. Ik kan die passagiers zien zitten. Hoe ze nog naar buiten kijken. Dat doe je immers als je onder je raampje een grote stad ziet liggen.
Het woord oorlog valt nu zonder ophouden, we are in a state of war. Vanuit onze hotelkamer zien we onder ons de grote hoofdspoorweg door de stad en net nu schuift er een lange trein voorbij, geladen met tanks, pantserwagens en trucks. We kijken met ongeloof. Dat kan toch niet dat we nu al de voorbereiding van een oorlog zien?!
Heel Amerika en een groot stuk van de wereld is op dit ogenblik met verstomming geslagen, it is one of the worst days in American history, maar hier in deze luna-wereld rinkelen en ratelen de jackpots harder dan het neerstortend puin. Osama bin Laden zegt hun niets, het is de éénarmige bandiet die ze geen moment kunnen lossen. Aan de toog van de hotelbar zijn schermen waar je elektronisch kan pokeren. De spelers zitten voorovergebogen, amper opkijkend naar één meter hoger, waar de tv-schermen hangen en waar New York in brand staat. Ook Jef zit nog aan de roulette waar hij om halfdrie heeft plaatsgenomen. Van de vaak en de drank zit hij scheef tegen de tafel. Hij is om zeven uur even van zijn kruk gekomen om te ontbijten, hij heeft gehoord dat er iets erg gebeurd is en dat de vliegvelden toe zijn, maar och, zolang ze ‘t casino maar niet sluiten, zal ‘t wel meevallen zeker?!
Jean-Marie Paff
Vijf minuten geleden stortten er nog mensen langs de wand van de Twin Towers, nu zweven er twee vrouwen en een zwarte man langs het dak van het casino. Het is de trapeze-act van Hotel Circus Circus, een dagelijkse vertoning, stipt om tien na tien. En dan wint Jef ineens, nummerke 31, kom hier, juffra van de kassa dat ik u ne kus geef! Hoe heette gij?! Schatzi?! Wel, schatteke, ik koom uit Belgium, da kende gij toch wel?! Belgium van den Eddy Merckx en van de Jean-Marie Paff!
Bakker Jef en croupier “Schatzi”: “De vliegvelden zijn dicht; als het casino maar open blijft!” © gie Knaeps
De groep bakkers heeft intussen vernomen dat de Baking Expo voor vandaag is afgelast. Sommigen gaan wat verweesd op zoek naar het zwembad, anderen gaan met de taxi op sightseeing langs de bekendste casino-hotels. Ik ga met een groepje naar het MGM Grand, daar treedt een Elvis-imitator op. You've lost that loving feeling o-ho that loving feeling, hij wist zich het zweet van zijn borsthaar met een lichtblauw sjaaltje en gooit het in het lachende publiek. De cocktail waitresses hebben uitbundige boezems en fluwelen décolletés, er pinkelen sterren aan het zwarte plafond, en in dit zotte decor van Vegas lijkt de attack op Amerika alleen maar een film, een disaster movie die de meeste omstaanders intussen al teveel keren gezien hebben.
Het casino-hotel heeft ook een leeuwenkooi temidden van de jackpots, je kan je laten fotograferen met de welpen en een bordje zegt dat de leeuwen uitsluitend vetvrij vlees krijgen. Oorlog kent geen grenzen, en absurditeit al evenmin.
Op televisie spreken ze van de zwaarste tragedie sinds Pearl Harbour (1941) en in de late namiddag lijkt de ramp toch door te dringen. We komen meer en meer hotels tegen waar de attracties als gevolg van de Nationale Crisis zijn gesloten, de rollercoasters liggen stil, de grote shopping malls hebben hun deuren gesloten en de meeste shows voor vanavond zijn afgelast. Op de grote elektronische billboards langs de Strip (= Las Vegas Boulevard) zien duizenden voorbijgangers hoe de reclames voor frisdranken plaats maken voor de grote letters God Bless America en voor grote elektronische Amerikaanse vlaggen. Ze flikkeren zachtjes halfstok.
Op de tv-schermen in de casino's blijven de Twin Towers instorten en kruipen mensen op handen en knieën door het stof. In een groot lunapark is er de attractie "Brave Firefighters" waar je met een echt blusapparaat een brand op het videoscherm te lijf gaat. Het spel staat in het casino New York New York. Veel tragischer kan een toeval niet zijn.
‘s Avonds komt de groep bijeen voor een diner in datzelfde New York New York. De sfeer is opgeruimd, iedereen heeft zijn ongeruste familie kunnen inlichten dat Las Vegas niet in de achtertuin van New York ligt. Aan tafel en bij het dessert -we zitten tenslotte onder bakkers- steek ik wat op over de globalisering van de fruitvlaai en de roomtaart. Maanzaad, beste lezers, komt uit Turkije, sesamzaad uit Guatemala. De aardbeien zijn nog Belgisch maar de krieken arriveren in blik uit de USA, de pruimen uit Turkije en de rozijnen uit Australië en Zuid-Afrika. De communielammetjes en de kerstmannen met rendierslee, kortom de plastieken rommel op al uw taarten is made in China. En ook de mandarinekes op de vlaaien komen uit China, ze worden daar nog met de hand gepeld! Dat zegt Luc die 8000 bakkerij-artikelen verdeelt.
Na het dessert wordt er gegokt. Niet op de slot machines maar op de datum van terugkeer naar huis. De optimisten denken dat we vrijdagmiddag zullen aankomen, amper twee uur later dan voorzien, de ‘realisten’ denken dat het dinsdag wordt, een vertraging van 4 dagen.
© gie Knaeps
Dansen op het graf
Nadat de tafeldienster naar aloude Vlaamse gewoonte de woordjes godverdoeme en miljaardenondedju is bijgebracht, maken we een avondwandeling langs de Strip waar iedereen zich afvraagt hoeveel lichtjes hier nu eigenlijk branden en dat ze allemaal wel eens de ellentriekrekening van die casinomannen zouden willen zien. Jef staat in bewondering voor een namaak- Parijs, hij vindt het heel, heel schoon, bovenmenselijk schoon eigenlijk. Anderen zijn minder in vervoering, (‘t is Disneyland, ‘t is décor), maar iedereen is het erover eens dat alleen den Amerikaan zoiets kan, ge moet het maar doen, zeg ik altijd!
En zo slenteren we door de hete nacht tot bakker Pol dorst krijgt, en dus stappen we Caesar`s Palace binnen, een van de bekendste casino`s van Vegas, helemaal in nep-Romeinse stijl. We gaan aan boord van Cleopatra`s Barge , een Romeinse galei die met lange roeispanen in een indoor-vijver ligt, je kan er dansen op rockmuziek. De vrouwen wiegen hun lange haar, de mannen steken hun witte mouwen in de lucht. Dansen als duizenden mensenlevens in puin liggen, dansen als duizenden gezinnen zijn verwoest. Ik heb mijn twijfels. Terwijl er àltijd gedanst is. Ook op de dagen dat er duizenden doden vielen in het verkeer, ook op de dagen dat er tienduizenden kinderen van honger stierven in de Derde Wereld.
Terug in het hotel kan ik niet slapen, alleen maar tv kijken. Om drie uur `s nachts is het zes uur in New York, de zon komt op boven de skyline van de stad (a skyline that is changed forever) en dan zegt de anchorman met onvaste stem, it`s gonna be a beautiful day in the city, just like yesterday…
The day after
Woensdag 12 september - Tot vier uur ben ik opgebleven om in de lobby de eerste kranten te halen. Verderop draaien de roulettes en de fruitwielen nog steeds nonstop, maar op de voorpagina`s heersen verwoesting en ontreddering: Amerika is in zijn hart geraakt en in zijn militair en economisch centrum getroffen, our country will never be the same.
Het land is in de hoogste staat van alarm. Militaire verloven zijn ingetrokken, vliegtuigschepen zijn onderweg naar New York "om de stad te verdedigen en om als hospitaalschip te fungeren". Voorts wordt iedereen verzocht om weg te blijven van de luchthavens in het land. Het is de eerste keer in de Amerikaanse geschiedenis dat alle luchtverkeer gesloten is, en dat is een absolute schok voor de Amerikanen, normaal gaan er per dag 35.000-40.000 vluchten door de lucht. Het luchtverkeer leek ook redelijk veilig, het was meer dan tien jaar geleden dat nog een Amerikaans vliegtuig gekaapt is, nu zijn het er vier tegelijk.
President Bush houdt een toespraak op televisie. Over de ‘nieuwe vijand die vanuit het donker op onschuldige mensen aast”, een vijand die ze na een lange strijd zullen overwinnen ‘in een gigantisch gevecht van Goed tegen Kwaad”. Het is koude oorlogstaal, en hoe macaber het ook mag klinken, het lijkt alsof sommige conservatieven onderhuids tevreden zijn: eindelijk hebben we weer een vijand om te verslaan, eindelijk hebben we weer een reden om als natie hand in hand te staan. Ook de progressieve senator voor New York Hilary Clinton spreekt harde taal: je bent voor of je bent tegen Amerika, een andere weg is er niet!
Bij de bakkers zijn door die oorlogstaal heel wat paniekerige telefoontjes van het thuisfront binnengelopen. Mark heeft zijn dochtertje Stephanie (5) gerustgesteld met de boodschap dat Las Vegas even ver ligt van New York als Westmalle van Gran Canaria en gij weet toch nog hoe ver dat van elkaar is, hé?! Zijn vrouw Caroline krijgt intussen geen hap ontbijt binnen, ze kijkt haast onafgebroken naar de tafel van organisator Luc. Die zou al tegen enkele ingewijden verklaard hebben “dat we hier nog minstens drie-vier dagen gaan vast zitten, als ‘t niet meer is!”, vandaar dat zijn body language angstvallig in de gaten wordt gehouden. Ondertussen arriveert ook het bericht dat we al op den teevee zijn, mannen! Blijkt dat VTM in zijn journaal gezegd heeft dat tachtig Vlaamse bakkers ‘vast zitten in hun hotel in Las Vegas’ Ja mannekes, ze gaan met spandoeken naar Zaventem komen! Ze gaan ons schreeuwend om de nek vliegen terwijl wij alleen maar vastgezeten hebben aan den toog van het casino!
Gazet Van Antwerpen 17/9/01
Koude bakkers
Vandaag opent de Baking Expo dan toch zijn deuren en iedereen gaat ernaartoe. De Belgische bakkers gruwelen van het kitscherige kleurgebruik op de Amerikaanse taarten, dat is toch niet om op te eten! Met iets van bewondering blijven ze wel staan bij een robot die rozen in crème au beurre kan draaien, als ge dat zelf doet, dan kruipt daar veel tijd in. De verkoper is blij met de belangstelling en meldt trots dat zo’n automaat 540 rozen per uur kan maken. Maar jongen toch, zo'n massa, wie heeft dat nu nodig?!
Voor elke handeling in de bakkerij – van appelen schillen tot pizzadeeg beleggen- hebben ze nu een machine. Ik leer met de minuut meer over het bakkersbestaan, vooral dat ik nooit meer mag denken dat een bakker “na vijftien jaar binnen is”. Binnen?! zegt Jef, binnen zijt ge alleen nog als ge de deur dichttrekt. Het poen scheppen, dat was in de gouden jaren zestig tot tachtig, en die zijn voorbij. Nu is het dag en nacht werken, bijna nooit op reis kunnen gaan en zware leningen aangaan om technisch te kunnen blijven volgen. En al die bakkers dan die tegenwoordig hun winkel aankleden met marmer en automatische schuifdeuren?! Dat is geen rijkdom, zegt Hubert, dat zijn mensen die zo weinig uren thuis zijn dat ze hun winkel dan maar “als een schone living gaan inrichten”.
Hoe dan ook, het einde van de warme bakker komt eraan, volgens Danny. De bakker bakt niet meer, hij krijgt van de industriële broodfabriek alle broodwaren lichtjes voorgebakken en gekoeld geleverd, hij moet ze maar tien minuten afbakken en hij kan ze vers en warm in de toonbank leggen. “Daarmee gaan de grote industriële bakkerijen én de supermarkten de kleine warme bakkers op de knieën krijgen.”
De taxichauffeur die ons oppikt, bakt geen warme of zoete broodjes. Ik zeg u, het wordt oorlog, a fuckin’ cold blooded war. We zeggen hem dat we liefst geen oorlog wensen, Europa heeft al teveel oorlogsmiserie gehad. Doen jullie niet mee? Okay, ga dan maar uit de weg! Laat ons het maar aflappen! It’s us against them! Die klootzakken van kapers wisten niet wat ze deden, they woke up The Sleeping Giant!
Voorpagina van de Las Vegas Weekly (13/9/01)
Het is woensdagavond, burgemeester Giuliani van New York heeft zesduizend body bags besteld en de Belgische groep houdt crisisvergadering onder de palmbomen van het zwembad. Griet, onze reisleidster-met-lange-ij zoals ze zelf zegt, heeft de voorbije twee dagen in een telefoontoestel gelogeerd en zal de groep nu gaan vertellen of we morgenvroeg (donderdagmorgen) uit Vegas weg kunnen zoals gepland. Ze begint met goedenavond allemaal voor de mensen die nog vinden dat dit een goeden avond is, en dat één ding vast staat, namelijk dat we morgen niét wegkunnen. “Als alles normaal verloopt, en ik zeg wel ALS, dan zullen er zondag dertig mensen kunnen vertrekken en maandag vijftig”. Drie dagen erbij, vier dagen erbij, het is veel, maar het wordt geaccepteerd, we zijn nog bij de gelukkigen, voor ‘t zelfde geld zaten we in die vliegers en lagen we tegen de korst.
Anderzijds gaat dit extra-verblijf geld kosten - 9000 of 12.000 fr (220 à 300 euro) per kamer naargelang je tot zondag of tot maandag blijft- en het is geld dat door geen enkele reisverzekering wordt gedekt ”omdat terrorisme als een geval van heirkracht wordt beschouwd”.
Griet raadt aan om de kamers met meerderen te delen, en zo deel ik nu een kamer met Gerry Roy, bakker te Boorsem (sinds 1897!) We zijn allebei slechte slapers en geharde nachtelijke nieuwskijkers, dus dat treft.
Op televisie zie ik voor het eerst in zesendertig uren een beeld uit het buitenland. Een Britse correspondente van Fox TV houdt een Britse krant naar de camera die zegt dat in New York ook honderden Britten zijn omgekomen. Het buitenland ligt hier letterlijk buiten het land, je komt er zo goed als niks over te weten. Voor president Bush is het trouwens een uitgemaakte zaak: “We have the support of all the world leaders, of all the governments in the free world!”
Tearjerker
Donderdag 13 september - Dit is de ochtend dat een bewogen en lipbijtende Bush zijn “oorlogsverklaring” aflegt door te zeggen dat we het uitbreken hebben meegemaakt van the first war of the 21st century. Het klinkt alsof het al in de geschiedenisboeken gedrukt staat.
En dit moet ik toch ook schrijven. Er zijn op televisie zoveel ontroerende verhalen van rescue workers, van overlevenden, of van familieleden die een geliefde verloren hebben, maar ze verschijnen aan zo’n tempo op het scherm dat alle verdriet hopeloos op elkaar gestapeld wordt en dat alle emotie eruit verdwijnt. Soms hebben de journalisten de tijd genomen om een portretje te maken bij de mensen thuis, maar in die interviews wordt dan weer zo schaamteloos naar emoties gehengeld, zo doortrapt naar tranen gezocht dat ik zelf makkelijk mijn tranen kan bedwingen. Ik ben nochtans een softe meehuiler met tranen op tv, maar dit is tearjerkers united, ik word er niet goed van.
Om tien uur vergaderen de Belgen bij het zwembad van het hotel. Rond de blauwe pool blaken de palmbomen, een enkele zwemmer drijft lui door de zon, en Griet deelt nu definitief mee dat er pas op zondag en maandag vertrokken wordt. In mijn hoofd welt het refrein En we gaan nog niet naar huis, wat in zulke omstandigheden wel eens wordt aangeheven, maar de gezichten staan iets te strak gespannen voor deze ironie.
Reisleidster Griet deelt de bakkersgroep mee dat er pas zondag en maandag wordt vertrokken. © gie Knaeps
Going home
Wij moeten noodgedwongen pleisteren in het hotel, tegelijk zijn er duizenden die uit Las Vegas proberen weg te geraken met àlle middelen, de vliegtuigen in heel de VS staan nog steeds aan de grond. Met de trein is het zeker niet te proberen. Vanmorgen is een Amtrak-passagierstrein bij de grens met Utah tegen een goederentrein gecrasht en alle spoorverkeer naar het oosten is opgeschort.
Ook auto’s huren is zo goed als uitgesloten, de grote verhuurfirma’s zijn uitverkocht, en sommige kleinere verhuurders vragen nu al woekerprijzen. Een gevolg is dat aan taxichauffeurs gevraagd wordt om lange afstanden te maken, ze krijgen bestemmingen als San Diego en Seattle, plaatsen die op honderden mijlen afstand van Vegas gelegen zijn en waarvoor 1200-1300 $ moet betaald worden. “Gisteren wilde iemand naar New Jersey rijden," vertelt een plaatselijke taxichauffeur, "dat is een rit van 4000 km, de man had er 2000 dollar voor over, dat is tienmaal de prijs van het vliegtuigticket, maar mijn baas weigerde, hij vond het te weinig”.
Onze taxichauffeur heeft vanmorgen ook twee zakenlui naar de Nissan-cardealer gebracht, ze wilden weg, en ze hebben gewoon een nieuwe Nissan gekocht. Er zijn zelfs grote bedrijven die dure SUV's kopen voor hun gestrande kaderleden, people are desperate to get home. En hoe is het met de Greyhound-bussen? Aan dat busstation is het stampede, zegt hij, ‘t is aanschuiven voor bussen die wel stoppen, maar die allemaal stampvol blijken te zitten.
De lange rij wachtenden aan het Greyhound-busstation in Las Vegas. Twaalf uur wachten op een ticket en alle bussen zitten al stampvol als ze aankomen. Bron: Las Vegas Sun
Aan het Greyhound-station brandt de zon met achtendertig graden. De motoren van de bussen draaien zonder ophouden, de wind is even bloedheet als het asfalt. Het gebouw zelf is omsingeld door een lange rij van wachtenden, naar schatting zo’n honderdvijftig passagiers. Binnen staan, liggen en zitten er nog eens tweehonderd. George, een zestiger met een gedistingeerde handbagage was op weg van Los Angeles naar Atlanta toen zijn vliegtuig dinsdag gedwongen werd om in Las Vegas te landen. Hij heeft gisteren twaalf uur staan wachten op een busticket en toen de bus dan eindelijk kwam, waren er maar vijf plaatsen voor de honderdvijftig wachtenden. Na een nachtje slapen staat hij hier voor zijn tweede poging.
In dezelfde hitte staan Lane en Susan te wachten op een biljet naar Portland, Oregon. Ze hebben een vliegtuigticket, maar Susan wil onder geen beding nog in een vliegtuig, no way, ik wacht nog liever drie dagen in de hitte.
Aan de overzijde van de busterminal heeft een man een ouwe Chevrolet geparkeerd met op de voorruit in grote witte letters, Get Back Home – 1000 $. Een kwartier later is de wagen al verkocht.
De vorige taxichauffeur dacht nog dat Amerika de tragedie enigszins aan zichzelf te danken had “door zijn volgzame houding tegenover Israel en de joodse lobby", maar chauffeur Brian heeft lak aan politiek. Just nuke ‘em, zegt hij, de atoombom erop en we praten er niet meer over. Dat er dan toch onschuldigen vallen in Afghanistan? "Okay, dan zullen we daar in die zandhopen eerst wat strooibriefjes gooien, dat ze als de bliksem hun land moeten verlaten want dat er binnen een paar dagen geen land meer gaat zijn! Gewoon met de botte laars erin, dat helpt. Zoals in Hirosjima, dat hielp toch ook?! Je kan niet blijven praten en onderhandelen. Stel dat de Amerikanen met Hitler waren blijven onderhandelen, waar hadden jullie dan gestaan in Europa?!"
De vlaggen wapperen ook elektronisch halfstok. © gie Knaeps
What a wonderful world!
Vrijdag 14 september Op televisie vraagt Mohamed Ali (aka Cassius Clay) om ‘niet alle moslims over één kam te scheren’. In Texas is een moskee beschoten, in Chicago hebben driehonderd woedende betogers een mars op een moskee gehouden. De tv-stations zijn intussen aan een reeks count your blessings begonnen, met name overlevenden die als bij toeval aan de dood zijn ontsnapt. Een wekker die te laat afliep, een metro die vertraging had, een vlucht die gemist werd, al die kleine tournures hebben sommigen het leven gered. Zo was de Australische topzwemmer Ian Thorpe als toerist onderweg naar het WTC maar omdat hij zijn camera vergeten was en teruggelopen was naar zijn hotel, is hij niet bij de slachtoffers. En dan is er nog de firma die een jonge bediende op maandag ontsloeg en haar botweg vertelde dat ze dinsdag al niet meer naar kantoor moest komen. Een kantoor in het World Trade Center.
In Washington begint intussen de Nationale Gebedsdienst met alle regeringsleden en dignitarissen, deze vrijdag is uitgeroepen tot dag van rouw en ingetogenheid. America cries, America weeps, zo heet het, maar dat is alvast niet doorgedrongen tot in het casino van ons hotel. Daar wordt op hetzelfde ogenblik als de gebedsdienst een jackpot-tornooi gehouden, het is een gekrijs en geroep op de tonen van Twist and Shout, er wordt met volle vuist op de toetsen getimmerd, highest score wins. Dat Amerika een land van contrasten is, is nu te zachtjes uitgedrukt. Amerika is een groot land maar ook een klein kind.
Op de boulevards beginnen meer Stars en Stripes te verschijnen. Als vlag halfstok, als vaantje op de limousine, als strikje op het revers, en als sticker op de auto. De gigantische elektronische billboards langs de Strip wisselen intussen het God Bless America af met One Nation Under God. En met Get Your Tickets For The Righteous Brothers.
De reclames voor optredens en frisdranken worden vervangen door vaderlandslievende leuzes. © gie Knaeps
Wij zijn verbaasd over dat godsvruchtige patriotisme en tegelijk over de democratische cultuur in dit land. In de Bellagio, één van de sjiekste hotel-casino’s van Las Vegas, lopen ze op hetzelfde marmer: de blanke en de zwarte, de fijne lui en de lieden met een werkmansloon, de glitter-décolleté en de jeans met bouwvakkers-bilspleet, ik zie het in Knokke nog niet gebeuren.
Casinobezoekers arriveren met de taxi, aan de draaideur wordt gegroet en gelachen en gekust en weer is het nauwelijks voor te stellen dat in New York de oorlog is ingeslagen. De pianist tilt zijn zwaluwstaart op, zet zich aan de glimmende vleugel en daar gaat al het eerste muzakje, het is Louis Armstrong … and I think to myself what a wonderful world!! Het zou blinde beroepsmisvorming kunnen zijn.
De kakkerlakken-theorie
In de bus naar het hotel is het weer raak, weer zo’n tiep die vanop de laatste bank declameert dat “we” gaan winnen, en dat de motherfuckers nog voor Kerstmis onder de grond zullen steken. Niet dat het hem op één goedkeurende blik van de andere passagiers komt te staan, ik merk ook bij de Amerikanen veel voorbehoud over het beginnen van een oorlog. De laatste twee dagen heb ik aan dit stuk zitten schrijven in de universiteit en in die middens heb ik nog niet één Amerikaans vaantje opgemerkt. De meeste studenten hebben vooral schrik voor een herinvoering van de dienstplicht en voor een nieuwe sfeer van achterdocht en koude oorlog in dit land.
De president heeft het niet over die ouwe kouwe oorlog. Hij heeft het op alle zenders over a new kind of war. Dat hier een loze Golfoorlog en een verloren Vietnamoorlog is geweest, dat komt op geen enkele omroep ter sprake. Wel dat de megawinkelketen Wal-Mart op drie dagen tijd zo’n 500.000 Amerikaanse vlaggen heeft verkocht.
Zaterdag 15 september - Dit weekend zijn - voor het eerst sinds D-day 1944 - haast alle football- en baseballwedstrijden afgelast. Deels uit piëteit deels omdat men aanslagen vreest in de grote stadions. We krijgen beelden te zien van een training in Los Angeles die begonnen wordt met een gebed van de trainer. De potige spelers knielen op het speelveld, nemen hun pet af en houden mekaars hand vast. De coach: "Oh Lord, zegen deze spelers waarop de club altijd heeft gerekend en waarop het land nu ook wil rekenen. Jongens, bereid jullie voor op de dienstplicht, be prepared!"
Op Fox News is er een interview met een generaal van de landmacht. Wat het terrorisme betreft, is er volgens hem sprake van de kakkerlakkentheorie (cockroach-theory): zelfs al dood je d’r een, dan nog weet je dat vele anderen verborgen blijven. Om "ons land naar de overwinning te leiden” wil de generaal dat de Amerikanen een mind switch maken, “we zijn niet alleen burgers, we are all soldiers!’ En als zich nog eens zo’n kaping voordoet, dan moeten alle passagiers als één man die lafaards aanvallen. Wat de generaal doet besluiten dat de Amerikanen ‘ontegensprekelijk harder zullen moeten worden”. Het is dezelfde ochtend dat ook de taal van de president nog harder is geworden. In een radio-interview zegt hij: we will smoke them out of their holes, we will make them run.
Voorpagina van het magazine People.
De smoor van New York
De bakkers worstelen intussen met het thuisfront. Sommigen hadden al twee dagen geleden weer in hun winkel moeten staan, daar hangt nu een briefje Gesloten wegens omstandigheden. Die omstandigheden zullen ze natuurlijk omstandig moeten uitleggen zo gauw ze terug zijn. Gerry ziet het al gebeuren: "In zo’n dorp moet je dat allemaal honderden keren opnieuw vertellen; ik ga zelfs klanten krijgen die bij mij nooit over de vloer komen, maar die nu twee pistoleekes komen halen om mijn verhaal te horen.” En dat de klanten zo goedgelovig zijn : “Als ik zeg dat wij daar vastzaten omdat in het hotel alle ramen en deuren met planken waren afgeklopt, dan gelooft 80% van de klanten dat. Als ik zeg dat wij tot in Las Vegas die smoor van New York zagen hangen, dan zijn ze daar ook mee weg!”
Gerry zit wel hard te piekeren over zijn broodronde (honderd klanten!) die zijn zus noodgedwongen moet overnemen. Bellen is veel te duur. Faxen heeft hij nooit gedaan. Ik zeg dat ik het op een fax zal zetten en vanuit de hotellobby zal versturen. Dat moet lukken. Hij heeft heel die ronde in zijn hoofd, hij weet wie er wit of grijs brood, gewone pistolets of tijgerkes moet hebben, en wie er gewoonlijk een vlaai bestelt voor zondag. Liggend op zijn bed volgt hij in gedachten zijn ronde en zo dicteert hij mij. Ik rijd nu mee langs een wit huis met een schuin dak, een huis met een brievenbus in de vorm van een ton, soms een naam "bij Maria", bij "Eddy", hij kent al die bewoners en hun woningen, maar hij kent geen huisnummers. En zo vertrekt er en vanuit een continent in Derde-Wereldoorlog-crisis een fax naar de Limburgse Maaskant met een lange bestelling groot wit gesneden, rozijnenbrood en kruimelkesvlaai. Veel kleiner kan de wereld niet zijn.
Voor Johan en zijn vrouw is het een moeilijk weekend. Ze missen het 40 jaar huwelijksjubileum van de (schoon)ouders, het trouwfeest van hun naaste buurman én ook… Lommel-SK Lokeren. Hij is helemaal aangedaan. Ik heb zojuist onze twee kinderen van 15 en 18 opgebeld die alleen thuis zijn. Tedju jong, ik hoorde die stem van de jongste en mijn keel zat dicht, ik kon niks meer zeggen, mijn gemoed schoot vol.
‘s Avonds flaneren we met een tiental bakkers door downtown Vegas, langs casino’s als Golden Nugget en Horseshoe. Er schuifelen opvallend veel pasgetrouwde paartjes tussen de roulettetafels. Ze laten zich fotograferen bij goudklompen, Ierse klavertjes, en retro slot machines, kortom bij alles wat antiek is en wat maar enigszins geluk kan brengen. De croupier zegt dat er inderdaad véél huwelijken geweest zijn in de wedding chapels van Vegas, “ vooral jonge militairen die nog snel willen trouwen voor ze worden opgeroepen voor de oorlog.”
Pijl en boog
Zondag 16 september Reisleidster Griet - die de laatste dagen "amper haar bed heeft gezien" - weet intussen te melden dat de eerste groep die vanmorgen uit het hotel vertrokken is, ook effectief op weg is naar België. Dat zorgt voor applaus. De groep had wel urenlang moeten aanschuiven bij de check-in en ze had heel wat kalmeerpillekes mogen uitdelen. Er wordt nu volop gefantaseerd over de terugkeer naar België, ik zal blij zijn als ik mijn voordeur zie, ik ga de klink kussen, en ik! Ik ga in Zaventem de grond kussen just gelijk de paus! Het is bijna 100% gemeend. Griet zegt nog maar eens dat we “geen wapens” mogen dragen als we morgen bij de check-in staan, “dus geen Zwitserse messen, scharen of nagelknipperkes." Ook paraplu's, flesopeners en briefopeners blijken nu wapens te zijn. "Als ze die vinden in de handbagage of in de koffer, dan worden ze in beslag genomen." Griet heeft zelf gezien hoe een busje haarlak en twee wandelstokken in Las Vegas moesten achterblijven. Peter jankt, amai, ik heb zjust een pijl en boog voor mijn klein mannen gekocht.
Er wordt nog wat naverteld over de twee voorbije dagen die hoe dan ook aangenaam zijn verlopen, nu hebben we toch een schoon verlof van vijf in plaats van twee dagen gehad. Het grootste deel van de groep heeft uitstappen gemaakt naar een zijtakske van de Grand Canyon en naar Death Valley. Er is met gehuurde Harley’s naar de Hooverdam gereden en er is met cabrio's over de Strip gecruiset. Eén koppel heeft zelfs 1300 dollar (61.000 fr) gewonnen op de jackpot, kortom, niks dan geluk bij ongeluk. Tenzij dan die ene brave bakker die aan een taxichauffeur 100 dollar heeft gegeven in de overtuiging dat het een briefke van 10 dollar was, nondedoeme jong, die groen briefkes trekken allemaal opeen.
Ook Jef heeft gisteren een werkelijk formidabele schonen avond beleefd met een optreden van Paul Anka. Al de liekes van de botsautookes, al de jeugdherinneringen van vroeger waren teruggekomen, en dat voor zestig dollar, twee consommaties inbegrepen.
© gie Knaeps
Nooit meer Amerika
Maandag 17 september Kwart voor drie opgestaan, laatste keer tv gekeken. NBC meldt dat Bush een “officieus” gesprek heeft gehad met senator Hilary Clinton. Op de vraag of hij raketten ging afvuren op mogelijke schuilplaatsen van Bin Laden zou hij gezegd hebben: “Ik ga geen miljoenenraket afschieten op een tien-dollar-tent die naast het stomme achterste van een kameel staat opgesteld.”
In de hall weet Griet intussen te melden dat de “groep van zondag veilig en wel in België is aangekomen”. Op de bus naar het vliegveld heerst dan ook lichte uitgelatenheid, vooruit chauffeurke, full speed naar Belgium! De gevreesde check-in neemt twee uren in beslag: meer dan de helft van alle passagiers moet de koffer volledig uitladen, maar o wonder, Peter mag zijn souvenir-pijl-en-boog behouden.
Op het vliegtuig naar Atlanta zit ik naast een gepensioneerde legerofficier die enkele jaren voor de NATO in België heeft gewerkt. Ik vraag hem welke oorlog ons te wachten staat en hij denkt dat Bush binnen twee weken een straffe militaire operatie zal uitvoeren om het publiek te paaien maar dat het nadien een stille oorlog wordt op afgelegen plaatsen. Een “vuile oorlog” ook, “het zullen kleine moordcommando’s zijn die liquidaties gaan uitvoeren”.
En dan is het dinsdagmorgen als we in Zaventem aankomen, het zijn met de reis inbegrepen geen vier maar acht dagen Las Vegas geworden, de bagage wordt van de band genomen, de bakkers geven organisator Luc een hand (Lucske, volgend jaar gene Las Vegas hé, twee dagen Silver Lake in Mol zijn ook goed!) en dan is het avontuur voorbij. Voor velen is het ineens ook “nooit meer naar Amerika”, nee, jongen, laat mij maar in mijn huizeke tussen de mastenbossen, daar is het stil en kan ik de eekhoornkes zien, ik wil voorlopig nergens meer naartoe.
Het is halfnegen. Belgische tijd.
Deel 2: Mohammed Atta, de stedenbouwkundige die architect van de aanslagen werd
Aan de toog in de bar van Hotel Circus Circus. Boven de hoofden van de klanten branden de Twin Towers. © gie Knaeps
Katrina (2): de boswachters als redders van New Orleans
© Jerome de Perlinghi
Waveland, Mississippi. Het kustplaatsje (7000 inwoners) blijkt met zijn naam het onheil van de zee te hebben afgeroepen: negentig procent van de huizen is geheel of gedeeltelijk verwoest en van de 100 vermiste inwoners zijn er 50 geborgen. Waveland is officieus uitgeroepen tot Ground Zero van de orkaan Katrina. De burgemeester zelf spreekt over een "tsunami" nadat golven van tien tot vijftien meter hoog de huizen hebben overspoeld.
Op vier kilometer van Waveland staan tientallen auto's dwaas langs de weg geparkeerd. Ze staan schuin omhoog tegen het talud, steken met de achterwielen in de gracht of hebben zich met een deuk tussen de bomen geparkeerd. Alle koetswerken en ramen zien grijs, de wagens zijn door de vloedgolven meegesleurd en hier gestrand nadat de zee zich terugtrok. Nog een hoge berm is de spoorbaan waar de Amtrak van Los Angeles naar Orlando (Florida) passeert: daar liggen de restanten van vier huizen op de rails alsof ze uit een helicopter zijn gedropt en uit elkaar zijn gespat.
Een kleine honderd meter verder zit het gezin Vezzoso in klapstoelen voor een kampeertent. "Wat vind je van onze airco?" openen ze de conversatie nu hun huis is weggewaaid en ze in de buitenlucht de nacht doorbrengen. Ze wijzen op de spoorweg en het eerste puntdak, "dat is onze zolder!" En dat er vreemde dingen zijn gebeurd, zie naar de kristallen vaas en de glazen kandelaars die ze hebben teruggevonden, "ons huis is kapot en toch zijn die delicate stukken glaswerk gespaard gebleven!" Of kijk naar het dak van de buren: "Dat is niet hùn dak! Hun dak ligt in het bos; het dak dat er nu op ligt, dat is van een andere straat komen aanwaaien, tweehonderd meter ver!"
De spoorlijn nabij Waveland. De orkaanwind heeft huizen opgetild en op het spoor gesmakt. © Jerome de Perlinghi
Jeannis Vezzoso gaat kijken of haar zoon "al iets gevonden heeft op zolder", we lopen mee naar de rails, in het duister onder de spanten probeert hij nog iets van waarde uit de kapotte planken te sleuren. Het eerste dat hij vindt is een babypop-die-pipi-kan-doen en waarlijk, twee weken na de storm drupt het plasje op de spoorstaven, maar die pop "is niet van ons". Wel vindt hij het Mardi-Graskostuum van zijn pa ("toch 2000 dollar waard") en een stuk van de keukenmuur ("jullie kruidenrek hangt er nog aan"). Jeannis vraagt of hij geen witte doos ziet, dat is het belangrijkste stuk, daarin zit een kerststal uit het Heilig Land, de figuren zijn uit olijfhout gesneden, you know, zoals in de Hof van Olijven! Ik moet me inprenten dat dit waar gebeurt, dat ik 8000 km tot hier ben gevlogen en dat ik nu op een mijlenlange Amerikaanse spoorweg sta waar iemand in de gloeiende zon naar zijn kerststal zoekt onder het weggewaaide dak van zijn huis. Tien minuten later een schreeuw, I've found it! Jeannis is niet meer in staat de doos open te maken, ze valt snikkend voorover op het dak.
Het was the mother of all storms zegt haar man en hij vraagt zich af wat FEMA (het federaal agentschap voor noodhulp,jh) voor hen kan doen nu ze dakloos zijn: "Als we ze bellen, krijgen we de bezettoon of begint er een bandje te lopen dat ons naar hun website verwijst, maar niemand heeft hier stroom in huis!"
Twee straten verder past een man zijn ijzeren tuinhek opnieuw in de scharnieren, maar zijn huis zelf reikt amper één meter hoog. Alleen de fundamenten nog. En plots is het tastbaar hoe al die huizen hier op hun einde hebben staan wachten. Met gesloten deuren, met planken voor de ramen, en met binnenin dat hele stilleven aan bezittingen waarvoor jaren is gewerkt en gespaard en afbetaald: van de zetels en de tv tot de koelkast en de keuken, dat hele bestaan en op een halve dag kwam er een einde aan. Eerst striemde de zee alle luiken en deuren stuk en dan zoog de orkaanwind als een stofzuiger de meubels naar buiten. Gone with the wind. (Volgens Newsweek had Katrina de energie "van een atoombom van 10 megaton die elke twintig minuten explodeerde",jh).
Geen adreswijziging. De bewoner is vast van plan om zijn huis vanop de grond weer op te bouwen. © Jerome de Perlinghi
Schietijzer
Slapen zou vanavond geen probleem mogen zijn want via via hebben we een logeeradres in de buurt van Waveland. De wegbeschrijving is veelzeggend: afrit 24 nemen op de Interstate ("let op, bord is weggewaaid") en dan de eerste weg rechts ("straatbord is weggevlogen") en "daar waar je een omheining ziet met een poort die aan stukken is, dààr is het!" En voor het geval we twijfelen, "op de oprit staat een beschadigde Yukon SUV en een Honda SUV met een boom op de voorruit." De bewoners J. en M. (we mogen alleen hun initialen noemen) kunnen niet verwittigd worden, dus die kunnen "misschien een beetje achterdochtig zijn tegenover vreemdelingen als jullie."
Die laatste waarschuwing is niet overbodig. Om te beginnen staan er zéven blaffende honden bij de oprit waardoor we het huis stapvoets rijdend moeten naderen. En net als we bij de garage zijn en een vrouw roepend vraagt wie we zijn, horen we achter ons een zware pick up: J. komt thuis! En hij duwt zijn vrouw zowat naar binnen, "wie zijn die gasten die jij zomaar binnen laat! En ik had je toch gezégd, altijd de revolver dragen!" Om erger te voorkomen, laat ik snel de mails zien waaruit blijkt dat ik al in België contact had met een vriend van hen. Die heeft hen willen bereiken in verband met onze komst, maar omdat de telefoon nog altijd out is, is dat niet gelukt. J. verontschuldigt zich: "Sorry dat ik zo bot was, maar ons leven is niet meer hetzelfde. Iedereen kan hier nu proberen in te breken, want niemand kan nog de politie bellen. We zijn dus op zelfverdediging aangewezen, them days of the Wild West are back again!"
J. heeft zijn revolver intussen losjes om de schouder hangen, iets waar we verder "niet op moeten letten", maar zo'n Smith & Wesson .38 blijft wel een schietijzer natuurlijk, zelfs al praten we nu over koffie en donuts. J. en M. hebben in Bay St Louis hun woonhuis verloren, maar hier in de bossen is J. een houten huis aan het bouwen dat door geen enkele orkaan kapot te krijgen is. Zijn recept: een binnenbepleistering met thermoplastische hardschuim op basis van polyurethaan. En of ik dat zo op willen schijven want J. is schrijnwerker en hij wil straks van die onverwoestbare huizen gaan bouwen in heel Mississippi, "én in België" stoot hij ons aan.
We drinken koffie in de poort van het timmeratelier, Lightnin' Hopkins schraapt door de avondlucht en zo neemt ook J. de gitaar bij de hals. De dag na de storm moest hij de blues kwijt en heeft hij een song geschreven, Hey, hey Katrina, you were comin' after us, but we survived. En om elf uur 's avonds klopt er een klein hart in de ruwe bast van J. En hij vertelt over hun kinderen die nu elders logeren en die hij in geen dagen gezien heeft. En over zijn vriend Charles die de storm heeft overleefd "liggend in een boot die aan de trekhaak van een auto hing". En over de eerste dagen na de storm, dat hij twee keer dacht dat er een vogelverschrikker in de bomen hing en dat het elke keer een huisvader bleek te zijn die zich aan een touw had geknoopt, "en als je dan zelf met een huis zit, dat schuin op zijn fundamenten staat en dat stinkt naar rot en schimmel, dan gaat zo'n hangende man niet snel uit je gedachten". Hij moet op zijn lip bijten. M. legt een arm om zijn schouder en ook in deze avond sjirpen de krekels alsof er niets gebeurd is.
's Nachts is er van nachtrust weinig sprake in onze tent naast hun huis. Niet dat we hard liggen op de bodem, maar het zijn de honden die zeshonderd keren geblaft hebben naar elke rat, muis en egel. Eén brutale hond steekt om vier uur ook zijn kop dóór de rits, en maar blaffen alsof wij dieven zijn, stom beest! af! Het blaffen is zo hevig dat J. met een grote zaklamp aan het raam verschijnt, twee keer gaat hij zelfs met een geweer over het erf om te checken of er geen plunderaars zijn.
The Ice Man van Bay St Louis. . Hij brengt zakken ijs langs de bewoners die zonder stroom zitten en dus zonder koelkast. (c) Jan Hertoghs
Vandaag is het zondag én elf september. Om half acht nemen we afscheid van M. en rijden we naar de shopping plaza op de grens van Waveland en Bay St Louis. De supermarkten zelf zijn voor onbepaalde tijd gesloten, de hamburger- en pizzahutten hebben halfopen keukens waar het glas onder de voeten knarst en het frituurvet op de muren is gespat. Op de parking is een groot opvangcentrum van FEMA . Er is een gaarkeuken en een Rode Kruispost, er is een tent voor "toekomstige huisbemiddeling" met lange wachtrijen, en verder is er een slagveld van paletten en kartonnen dozen waar de overlevenden gratis voedsel, kleren, speelgoed, boeken en zelfs video's kunnen meenemen. Twee meisjes van tien en twaalf passen mekaar witte sandaaltjes aan, "can we have these, mama? - Sure you can! The price is allright."
Ik tel negen families die met hun ampele bezittingen al elf dagen op het asfalt kamperen, ze wonen onder een blauw zeil en ze vragen zich af "wanneer FEMA voor grotere tenten of noodtrailers gaat zorgen". Zoals ze hier naast de highway hun flapperend kampement hebben opgeslagen doen ze denken aan de migrant camps in The Grapes of Wrath, ook die ontheemden van de jaren dertig waren huis en werk verloren.
Op het andere eind van de plaza is een bevoorradingspost voor hulpverleners. Daar gaat J. grote zakken koelijs ophalen. Al vanaf Dag Twee is hij als vrijwilliger met een ijsronde begonnen en nu levert hij aan tientallen huishoudens per dag, "ze zijn mij The Ice Man gaan noemen". We rijden een ronde mee, J. claxonneert huis voor huis en moeders komen aangelopen om de zakken naar binnen te dragen. Het leveren gaat in hoog tempo, J. slooft zich uit, en met een reden: "Terwijl ik anderen help, denk ik niet aan mijn eigen problemen. Ons huis staat hier drie straten verder te beschimmelen, en ik kan het gewoon niet aanzien, ik krijg het amper over mijn hart om daar vijf minuten binnen te zijn." Onze wegen scheiden zich, we wuiven, hij steekt zijn vingers in een V.
Aan de grote stenen kerk van Our Lady of the Gulf (in Bay St Louis) begint de zondagmis in openlucht omdat de zee door alle beuken is gespoeld en de kerkbanken en het altaar op één hoop heeft geveegd. De stormvloed is ook met grote kracht onder de vloer gedrongen en heeft het zware plankier opgestuwd tot het barstte. De pastoor heft het eerste lied aan, "Here I am, Lord", en dat wordt gezongen met een ontroerende overtuiging. Dat men er nog is, dat men nog in leven is. Honderd meter achter de kerkgangers is de lichtblauwe oceaan, ze rolt met zachte plofjes tegen het verhakkelde strand.
Vanuit heel de VS komen kleren, speelgoed en meubels naar het rampgebied. De hulpgoederen worden doelloos gestockeerd op de parking van een winkelcentrum. © Jerome de Perlinghi
We nemen de snelweg naar Louisiana en New Orleans en passeren Slidell, het stadje waar honderdduizend vissen uit de zee werden teruggevonden in wijken die zes kilometer van de kust lagen. Ook hier kamperen nog families op winkelparkings, sommige "wonen" in de drive-in vakken van een car wash om zo gespaard te blijven van de onbarmhartige zon.
Via highway 11 rijden we kilometers langs de bayou, langs waterplassen met zompig riet en moerassen met verschaalde bomen. Een enkel straatdorp is er nog, maar geen mens is er te zien. Er is alleen de stilte van een gescheurde golfplaat die kriept in de wind. We zien een wonderlijk klein kasteel dat nog overeind staat, het is wit en rond als in een Disney-tekenfilm, met kantelen, een ophaalbrug en een vrolijke wimpel in de top. Maar alles eromheen is een kaartenhuis, de huizen zijn ingestort, scheef geblazen, of van het land in het water geduwd.
Langs het noordoosten rijden we de stad in. De wijken zijn troosteloos verlaten, de straten uitgestorven, une ville morte. Bij honderden huizen staan auto's geparkeerd, maar er is niemand meer om ermee te rijden. De enige menselijke aanwezigheid langs de straten zijn patrouilles van het leger en de National Guard, aan een checkpoint houden ze ons tegen, maar met de perskaart mogen we dieper de stad in. Dat is letterlijk te nemen, want driehonderd meter verder kunnen we niet vérder, de invalsweg verdrinkt in het water.
New Orleans. Zicht vanop de Interstate naar de ondergelopen wijken. Jan Hertoghs
Uit de waterweg komt een bootje gevaren dat op de middenberm aanlegt. De man en vrouw hebben drie honden aan boord, ze werken voor de organisatie Pets in Peril en in opdracht van de eigenaars halen ze honden en katten uit de geëvacueerde huizen. In drie dagen hebben ze vijftig dieren teruggevonden, maar er "blijven er nog een paar tienduizend achter in de stad. Sommige zitten opgesloten in huizen of hokken, anderen lopen verwilderd rond over straat. De katten zijn de beste overlevers, die brengen we naar een droge plek en die redden zich wel. Honden blijven bij het huis op hun baasje wachten, die zijn veel kwetsbaarder omdat ze zo afhankelijk zijn. De honden die we vinden zijn vel over been en hebben last van uitdroging." De organisatie heeft een "verpleegster van mensen" bij zich om medische verzorging toe te dienen. Eén van de vrijwilligers wijst naar een Duitse scheper, "zwaar getraumatiseerd, dat merk je aan de afhangende schoft en de loslatende vacht". De 'dierenredders' worden gedoogd door leger en politie, maar naar de letter is het streng verboden om dieren weg te halen uit de overstroomde wijken.
Zelfmoord
Via een omweg geraken we op de Interstate die met bruggen boven het centrum gaat. Aan de grote tweesprong tussen het Business District en de weg naar Baton Rouge, is op de vijf rijstroken geen personenwagen te zien. Daar waar elke dag tienduizenden auto's voorbij komen, zijn alleen nog legervoertuigen te zien en hun inzittenden hebben één duidelijke opdracht gekregen: neem zoveel plaatjes voor thuis als mogelijk. Een zwarte politieman stapt uit zonder camera en aan de vangrail gaat hij kijken hoe het met zijn buurtschap Gentilly gesteld is. Die staat nog helemaal onder water, er ronken zelfs nog bootjes rond op zoek naar lijken. Ben Green (39) wijst op de daken waar de roofingtegels weggerukt zijn, "dat is van de rooftoppers, de mensen die op hun dak zijn moeten kruipen, en die tegels hebben losgescheurd om meer grip te hebben op het dak." Hij zegt dat dit deel van de wijk arm was: "Hier konden velen zich niet uit de voeten maken omdat ze geen auto hadden (ca. 50.000 gezinnen in N.O. heeft geen auto,jh ) en als ze een auto hadden, dan hadden ze niet de veertig dollar voor benzine om ver genoeg van New Orleans te geraken" Zijn moeder had een auto en hij is haar zondag gaan smeken om te vertrekken, "het was pas toen ik begon te huilen, dat ze de ernst inzag en dat ze achter het stuur is gekropen. Ik had er hartzeer van, ze is vijfenzeventig, man, ze had in geen jaren achter dat stuur gezeten!" Hij is dag en nacht blijven doorwerken op het politiebureau, eerst kwam de storm, toen braken de dijken, en dan viel alle communicatie uit. "Dat is erg als je je gezin niet kan bellen om te vragen of ze safe zijn. Zo zijn ook die zelfmoorden kunnen gebeuren. Je had agenten en brandweerlui die in hun wijk als redders werden ingezet en die in hun eigen huis vrouw en kinderen verdronken vonden. Zo zijn er twee collega’s die uit pure wanhoop het dienstwapen tegen de kop hebben gezet."
En ja, die plunderaars, "dat was beschamend dat er zoveel zwarten bij waren. Maar dat de mensen hier in de wijk ook beroofd zijn van hun job als trucker en caissière, daarover heb ik op Fox en CNN helemaal niks gehoord!"
Charles, Vietnamveteraan: “Ik zag moeders zwemmen met een baby onder hun arm. It was wild.” Ingescand uit Humo/ © Jerome de Perlinghi
We zetten de weg verder over enkele snelwegbruggen waar mensen vier dagen op hulp hebben zitten wachten. De snelweg zelf is opgeruimd, maar langs de afritten ligt nog een sliert kleren en lege waterflesjes. Een afrit bij de Superdome steekt nog geheel onder water, het is geen water maar een pisgele vloeistof, in een krant omschreven als "a toxic gumbo van miljoenen liters olie, benzine, rioolwater, gier, krengen, antivries en schoonmaakdetergenten". Drie soldaten scheuren met hun quads door het opspattende nat, het machinegeweer op de rug.
Onder een snelwegbrug en licht weggedoken achter het stuur van zijn pick up truck zit Charles Daniels (63), één van de blijvers, één van de verstekelingen in New Orleans. De man met de stoppelbaard en de doorlopen ogen is blij dat hij "eindelijk nog eens kan praten met iemand".
"Welcome to my hometown! Ik woon hier al vanaf mijn vijf jaar! En ik heb een appartementje een paar straten verderop, vlakbij the French Quarter, maar nu leef ik hier in mijn truck tot het water wat is weggetrokken: dan kan ik mijn appartement leeghalen en mijn gezin gaan zoeken. Zie je dit insigne? Ik ben een paratrooper, ik heb in Vietnam gezeten. Ik ben een van die zwarten met een missie, ik ben bij het leger gegaan om mijn volk en mijn land te dienen! En Vietnam heb ik overleefd en nu heb ik Katrina overleefd. Het was nochtans erg in New Orleans. Anderhalve dag heb ik met een boot rondgevaren om mensen van het dak en de zolder te halen. Man, that was rough! Je zag mensen op hun dak staan zwaaien met een t-shirt aan een borstelsteel. Je zag bejaarden van tachtig die met een ladder op hun dak waren geklommen, iets wat ze in geen dertig jaar gedaan hadden, puur uit lijfsbehoud!
En ze hebben het over de plunderaars, en ja, ik heb ze uit Brownie's Store zien buitenkomen met pakken sigaretten en drank en maar cheeren en yellen - maar ik zag ook andere dingen. Ik zag blanken, zwarten en Vietnamezen mekaar helpen, iets wat ik in geen jàren meer gezien had! Een Vietnamees reed met een opligger door de straten om mensen op te pikken en naar een droge plaats te voeren, ik stond bovenop de opligger om ze uit het water te trekken, boy, op de duur hadden we misschien wel honderd man achterop! It was wild, man! Ik heb moeders naar ons zien zwemmen met een baby onder de arm, met één hand zwemmen en met de andere hand proberen hun kindje boven water te houden! We hebben ook een hert zien zwemmen, en twintig minuten later dreef het dood en toen hebben we dat kadaver uit het water gehaald en omdat het warm was, durfden we het nog opeten. Die Vietnamees heeft zijn mes erin gezet om het te villen, we hebben hout gezocht en een vuur gemaakt en alle vlees is eerlijk verdeeld. "
Een gepantserde amfibiewagen van de Oregon National Guard komt door het water gespat. Ze hebben grote zonnebrillen en machinegeweren en steken hun hand op.
Charles: "Alle buurten zijn intussen geëvacueerd en nu zit ik hier alleen. En als ik 's avonds in mijn truck zit, alleen onder de donkere snelweg, dan denk ik wel 's aan die andere Amerikanen die met hun warme sloffen voor tv zitten met een pizza binnen handbereik, maar ik wil niet klagen, ik heb hiervoor gekozen, ik had allang weg kunnen zijn.
Mijn drie kinderen en zeven kleinkinderen zullen niet ongerust zijn over mij, ze weten dat ik een survivor ben, maar ik ben ongerust over hén, ik weet niet eens naar waar ze geëvacueerd zijn. Ik weet niet eens waar mijn vrouw is, omdat ik mensen aan het redden was. Waar zijn m’n vrouw en kinderen? In Texas? Oklahoma? Arkansas? I don't know! En dus blijf ik maar hier, op een dag zullen ze hier wel terug staan!
De eerste twaalf dagen hebben de soldaten me gerust gelaten: als Vietnamveteraan heb ik een streepje voor, ze gaven me eten en water, dus zo hield ik het wel uit. Maar gisteren kwam er een jong agentje met zijn geweer op mij af: morgen om twee uur moet je hier weg zijn, BEGREPEN! Ik zei hem dat ik iedereen gerust liet en dat hij mij ook maar gerust moest laten, maar hij wilde "GEEN commentaar "! De snotneus! Vijftien jaar voor hij met zijn gepamperde babyvel op de wereld kwam, liep ik te zweten in de jungle met twintig kilo bepakking op mijn nek, en nu komt die bleekschijter mij vertellen wat ik moet doen. Waarom behandelt hij mij als a piece of shit? (Tranen van woede) Ja, ik heb geweend en de soldaten hebben het gezien, een paratrooper die huilde. En ik huilde omdat ik in mijn leven al genoeg miserie heb meegemaakt, in mijn gezin, maar ook in het leger en in Vietnam.
Maar nog eens, ik ga niet klagen, God zorgt ervoor dat ik nog in leven ben en daar ben ik dankbaar om. Met de bijbel zijn we uit de slavernij gekomen en deze ellende zullen we ook overleven met het boek van God. En met de blues! Je mag nooit of nooit opgeven, you have to keep on goin'!"
En dan ziet hij in de goot een quarter liggen, en een dime, en het is alsof een speciaal muntfonds uit de hemel is gevallen, op twee meter slijk vinden we meer dan vier dollar in geldstukjes. Hey man, the Lord is sending us money from everywhere!
© Jerome de Perlinghi
Lelijk wijf
In flinke delen van de binnenstad heeft het water de straten al verlaten, maar daarom zijn de bewoners nog niet terug. We rijden kilometers door buurten die alleen nog bedekt zijn door een vale smurrie van takken, blaren en steengruis, met op één plaats ook een boot die nu droog op de stoep ligt, het touw nog rond een verlichtingspaal. Overal lijkt het alsof de bevolking verdampt is/ zopas waren de inwoners nog in leven en nu zijn ze weg. De vuilnisbakken staan klaar voor de ophaling, bloembakken bloeien verder op de vensterbanken en aan een voordeur hangen ballonnen alsof een verjaardag nog aan de gang is.
Wat wel op ellende wijst, zijn de bruine randen op de gevels die aangeven waar het hoogwater in werkelijkheid heeft gestaan, en de huisdieren die nu godverlaten door de straten dolen. Een schichtige kat zo mager als een ellepijp, een teef met gezwollen tepels, de halsketting slepend achter zich aan, en tal van honden die hun poten op het tuinhek leggen en waarvan de ribben door de vacht steken. Eén hond slobbert van het vuile piswater, als we stoppen loopt ie bang weg, de kop gebukt, de oren plat, de lip trillend om de tanden. En omdat duizenden eigenaars nooit zullen terug komen, is er sprake van de dieren af te maken "want het zijn ziekte-overbrengers, ze zijn met bedorven voedsel, giftig water en mogelijk lijken in contact geweest."
De toeristische binnenstad van New Orleans is nog toegankelijk én aantrekkelijk maar de enigen die op Canal Street logeren zijn de tv-stations, een witte kilometer van mobilhomes, satellietwagens en opnamestudio's. Op de statige St Charles Avenue met zijn lommerrijke bomen is een winkel afgetimmerd met een bord: Plunderaars, waag u niet binnen! Ik slaap hier met een grote hond, een lelijk wijf, twee geweren en een klauwhamer! "
En dan, tien kilometer ten westen van de stad, zijn we plots uit het pad van de storm. Vier dagen en vierhonderdtachtig kilometer hebben we langs ontwrichte bomen en huizen gereden, en hier is het voorbij. Geen winkel die nog dicht is, geen verkeerslicht dat niet werkt. Het tankstation is open, de benzinepompen werken, de toiletten spoelen door, de lavabo's hebben water, en we verwonderen ons over de klanten die deze luxe zo vanzelfsprekend vinden.
Wat logies betreft, kunnen we tachtig kilometer buiten New Orleans nog steeds geen motel vinden. Eén baliebediende zegt dat "we nog vier uur zullen moeten rijden om iéts te vinden". Overal verblijven geëvacueerden. We draaien een nummer dat J. ons gaf en daar is logeren "no problem" en zo vinden we in Baton Rouge het huis van Bart en Beth, een huis met zwembad, bed én ontbijt. Wat een ongehoord comfort.
De bos- en jachtwachters die met hun boten honderden inwoners van de daken haalden. Zelf zijn ze hun huis kwijt. Ingescand uit Humo/ © Jerome de Perlinghi
De boswachter-redders en hun bootvluchtelingen
Een goeie tien uur later staan we aan de deur van captain Brian Clark van het Louisiana Department of Wildlife and Fisheries. In de media zijn de "bos- en jachtwachters" nauwelijks aan bod gekomen, maar zij waren de éérste "overheid" die in actie schoot en alleen al in New Orleans hebben ze tienduizend mensen uit hun huizen gered. Clark was supervisor van de reddingsacties.
«Voor de storm toesloeg, hadden wij op hoger gelegen plaatsen in en rond de stad een contingent van een paar honderd vaartuigen klaar liggen. We hadden sloepen, platbodems en air boats (met grote propeller achteraan,jh). Die boten zijn geschikt voor de plassen en moerassen van de bayou, water van zestig -zeventig centimeter diep, maar ineens moesten we daarmee op stormachtig water dat drie tot vijf meter diep was! En je vaart niet tussen takken en blaren, je vaart in een stad, tussen lantaarnpalen en verkeerslichten!
Wij zaten in 9th Ward (een van de armste zwarte wijken die zwaar overstroomd was,jh) en daar was het een overrompeling, je voer naar een huis en in een oogwenk was je boot vol. Overal zag je mensen uit vensters hangen en op daken staan. En ze riepen en schreeuwden, ze zwaaiden met lakens en met zaklampen, je wist niet waar eerst naartoe. En soms had een dak slechts één gezin, maar op een rusthuis stonden ze met tientallen en op een high school met vijfhonderd op het dak!
En niet alle daken zaten nog aan een huis vast, we hebben ook mensen gered van een drijvend dak. Sommigen hadden zo al uren, sommigen de hele nacht rond gedreven, op een dak waarvan ze vreesden dat het elk moment in duigen kon vallen. Op één dak lag zelfs iemand met een meervoudige beenbreuk.
's Nachts hebben we ook doorgewerkt, maar voorzichtiger. We werkten dan met schijnwerpers zodat we niet onverhoeds tegen stroomdraden zouden botsen, want aanvankelijk zat daar nog stroom op! En ook overdag zijn we traagjes blijven varen, in dat water dreven immers planken en daken en auto's en vrachtwagens rond! Meer naar het noorden waar het water ook in begraafplaatsen was gedrongen dreven zelfs lijkkisten rond. <Humo> Mensen spraken ook van alligators in het water.
«Onzin. Geen van mijn mannen heeft er één gezien in de stad. Maar herten en slangen waren er wél!
<Humo> Waren er ‘dakzitters’ die wilden blijven?
« Ja. Ze zegden: laat mij maar, het water zal wel zakken en dan kom ik op eigen houtje naar beneden. Dat was de eerste dag, toen waren de mensen nog "relaxt" zal ik maar zeggen. Maar de volgende dag riepen ze dat ze ook weg wilden omdat ze geen eten en geen drinken hadden. Het was ook gloeiend heet op die daken, het moet zeker 40 - 45 graden zijn geweest in de blakende zon.
<Humo> Was je niet verwonderd om nog zoveel mensen aan te treffen?
«Sure! Toen we een uur bezig waren, had ik zoiets van, hey, is hier nu echt niémand die aan evacueren heeft gedacht!? Maar ja, ze hadden allemaal hun reden. Geen auto, geen geld, geen bussen van de stad, of ook: got no place to go. Velen hadden ook de vorige orkaan (Ivan) in gedachten. Toen was er ook een evacuatiebevel en toen hadden mensen er vijftien uur over gedaan om honderd km te rijden. Onderweg waren er enorme opstoppingen geweest, auto's waren zonder brandstof gevallen, motoren én mensen waren heet aangelopen, er is gevochten, en dat hebben velen nu willen vermijden...
© Jerome de Perlinghi
<Humo> De dijkdoorbraken zorgden ook voor gevaarlijke stromingen in het water.
« Ja, in Ninth Ward en in het nabije St Bernard Parish zit je dicht bij de dijken en Lake Pontchartrain, en al die bressen zorgden voor gevaarlijke kolken en stromingen in het water wat het werk nog moeilijker maakte. En dan waren er de heli's die rond cirkelden om mensen op te pikken, die zorgden ook voor zware golven. Ze hebben zelfs enkele van onze boten doen kapseizen met vluchtelingen en al. Zelf zagen we een helicopter in het water crashen, die was ergens met zijn winch blijven haperen, en die bemanning hebben we ook moeten redden. Het was een pandemonium. Je had gaslekken, je had huizen die stonden te branden temidden van vier meter water! Die panden fikten als een oven want dat gas bleef dat vuur maar voeden!
<Humo> Had je de indruk dat de situatie uit de hand liep en dat je machteloos stond.
« Definitely! Maandag dacht ik: dit wordt met het uur erger. Dinsdag dacht ik: dit krijgen we nooit onder controle. En woensdag dacht ik: als we niet oppassen, gaan we er zelf aan! Het grootste probleem was de drop off. De mensen die we oppikten brachten we naar de St Claude Bridge in de overtuiging dat daar bussen en ambulances zouden komen om de mensen naar opvangcentra te brengen. Maar er kwam niks. De mensen zaten gewoon vast op die snelweg, op die vangrails en op dat asfalt. En hoe meer mensen we afzetten, hoe luider het geschreeuw werd naar water en eten. Maar wij hadden niks om uit te delen.
Het was niet om aan te zien, zieken, gehandicapten, mensen die dringend medicatie nodig hadden, lagen zomaar op de grond. En zo is de ergernis toegenomen. Dat de politie niks deed. Dat de staat niks deed. Dat de regering niks deed. En dat ze nog nooit iets gedaan hadden voor de armen en voor de zwarten. En ja, dan keren ze zich al snel tegen jou, want jij bent de dichtstbijzijnde die een uniform draagt.
Sommige mensen wilden ook terùg in de boot. Ze hadden gedacht dat hun verwanten op de brug waren, maar als daar niemand was, dan wilden ze terug naar hun buurt varen om hen te zoeken, om te zien of ze niet verdronken waren. It was hopeless, just a big mess!
<Humo> Klopt het dat er op reddingsteams geschoten is?
« Dat klopt. Het begon ermee dat al die mensen die al zesendertig uur zonder eten en drinken zaten onze trucks wilden gijzelen. Wij hadden een pont bij St Claude Bridge waar vrachtwagens kwamen om brandstof en nieuwe boten te brengen, die trucks werden omsingeld door vijfhonderd mensen die allemaal in de laadbak wilden springen, get us out of here! Ze sloegen op de ruiten, ze sprongen op de motorkap, ze zwaaiden met handguns naar de chauffeur en de andere redders, het was onhoudbaar. We zijn op de loop moeten gaan in onze boten en toen is er ook geschoten, op één van de rubberboten en op een helicopter. Die woensdag hebben we onze save & rescue op die plek stopgezet. De bedoeling was om elders een nieuw brughoofd op te zetten, maar ook die operatie heeft enkele uren stilgelegen omdat er in die wijk geschoten werd. It was bad! Toen we weer aan het werk gingen, zijn we de mensen gaan fouilleren voor ze in de boot stapten.
<Humo> Er werkte ook geen radio of gsm. Jullie waren aan het redden en jullie wisten niet of jullie eigen gezin oké was.
« Onze gezinnen waren geëvacueerd, maar we wisten absoluut niet tot waar de storm had toegeslagen, en dat knaagt in je hoofd. Je kan niet goed werken als je heel de tijd aan je familie denkt. Kwam daarbij dat ik constant in mijn district (St Bernard Parish) aan het varen was. Ik heb tientallen mensen gered die ik persoonlijk kende, ik zag mijn eigen huis onder water staan, ik zag het huis van mijn ouders onder water staan, de huizen van ooms en tantes, van vrienden en kennissen, en heel die buurt zo verzopen te zien, dat kruipt niet in je kouwe kleren. En hier zit ik nu, ik ben een huis, twee boten, een auto en een weekendbungalow kwijt. Wat ik nog bezit, is mijn gezin, mijn uniform en mijn job (brede grijns). Sure I laugh! Toen ik de vijfde keer voorbij mijn huis vaarde, heb ik ook gelachen. Why should you cry? Ik ben absoluut niet de enige die alles kwijt is. Van de honderd en tien brandweerlui in St Bernard Parish zijn er honderd hun huis kwijt! Je moet blij zijn dat je gezin nog in leven is en voor de rest... you turn the page and move on!"
De ark van Riley
Op de terugweg van New Orleans maken we nog één tussenstop in Waveland. We stappen uit bij een scheefgezakt huis met een dringend bericht op de muur: Hulp nodig! We zoeken de urne van onze overleden moeder! Twee puinstapels verder zit Riley Moore (68). Met zijn half gebit eet hij brood met worst, en of wij iets willen drinken bij dit hete weer? Een uitnodiging die we al bij meer daklozen hebben ervaren, hun huis is wég, maar daarom is de southern hospitality nog niet verdwenen. Riley wijst op de kippen die op het ingestorte dak en tussen de kapotte deurlijsten staan, "they have taken over the house! Ik slaap nu buiten in een tent." Riley en zijn vrouw hebben de storm 'uitgezeten': " Een vloed van acht meter heeft het huis gekraakt maar onze ouwe cederboom heeft als anker gediend en zo is het huis niet weggedreven. Anyway, een huis dat in het water dobbert, that's scary, de schilderijen tuimelen van de muur en de glazen vallen uit de kast! We zijn dan naar de zolder verhuisd en toen daar ook water kwam, heb ik een gat in het dak gehakt."
Samen met zijn vrouw tilde hij drie honden, een kat, vijftien konijnen en vijfendertig kippen op het dak. Riley en zijn vrouw bungelden met hun benen door het gat en hielden zich vast aan de randen: "De beesten waren zot van angst, die drukten zich plat en met hun klauwen tegen het dak. Ik was ook geweldig bang van de wind, ik dacht dat het met mij gedaan was!" De honden, de kat en de konijnen hebben het overleefd, maar vijftien kippen waaiden weg en verdronken. Op de zolder had hij ook zes puppies op een drijvende matras gezet, maar het water kwam zo hoog dat ze tegen de zoldering smakten en verdronken. Hij zet het blik cola zonder te drinken aan zijn mond: "Het verwondert me nog altijd dat ik nog leef. Ik kijk naar mijn kapot huis, en ik besef, die planken en nagels, dat had goed mijn doodskist kunnen zijn."
© Jerome de Perlinghi
Orkaan “Ida” - 16 jaar na de ravage van orkaan Katrina
Op 29 augustus 2005 kwam orkaan Katrina aan land. Ze maakte 1833 slachtoffers en meer dan een miljoen mensen werden dakloos in de staten Mississippi en Louisiana.
Exact 16 jaar later treft de orkaan "Ida" hetzelfde zuiden van de Verenigde Staten. Voorlopig is geen sprake van dijkdoorbraken, maar toch zouden al meer dan 2000 mensen hun overstroomde huis hebben moeten verlaten. Ook is er grote windschade en dan vooral aan het stroomnetwerk: zowat één miljoen mensen zitten zonder stroom. Intussen heeft een uitloper van orkaan Ida (op 1500 km van Louisiana) voor historisch zware regenval en overstromingen gezorgd in New Jersey en New York. Een eerste balans spreekt van 45 doden.
In New York viel op 5 uur tijd 177 mm regen. Ter vergelijking: de zwaarste neerslag in juli in Wallonië was 204 mm … op 24 uur.
De zomer van 2021 is onweerlegbaar de zomer dat het klimaat terugslaat.
Dit zijn getuigenissen van overlevenden van Katrina.
Bij het nalezen van dit stuk moest ik vaak denken aan de overstromingen in Wallonië.
De ravage in de VS was vele malen groter, maar je ziet dezelfde benarde toestanden bovenop de daken, dezelfde onthutsing over de kracht van het water, dezelfde solidariteit vanuit heel het land.
En ook: wie verrast wordt door verwoestend hoogwater, wie zijn hebben en houden verliest aan het slijk, die heeft wel degelijk hetzelfde litteken voor het leven.
Humo september 2005 -licht ingekort - © Jan Hertoghs
© Jerome de Perlinghi
"Het huis van de buren drééf op de golven en ramde ons huis!"
Het vliegtuig landt in Mobile, Alabama, en de vrouw van de autoverhuur raadt ons aan om hier proviand in te slaan, "want ginder is er niks". We kopen gedroogd pemmicanvlees, appelen en een flinke voorraad water, en tanken extra in een jerrycan. Dan de snelweg op naar Mississippi en Louisiana, twee staten die anderhalve week geleden zwaar geteisterd werden door de orkaan Katrina. Langs de Interstate zijn almeteen geknakte bomen en aan flarden gewaaide billboards te zien, maar die eerste kilometers zeggen niets over de ravage die ons nog vijf dagen te wachten staat.
Op de autoradio is sprake van 450.000 langdurig daklozen "en hoe de regering die opvang denkt te zullen betalen?" De vraag blijft een open vraag, de hitte waait door het raam naar binnen, het warme asfalt kleeft hoorbaar onder de wielen. Pascagoula (26.000 inwoners) is het eerste stadje op onze weg, maar het is geen stadje meer, het is een sluikstort met straten. Hier is de zee een paar uur lang in de huizen gespoeld en hele interieurs staan te drogen in de buitenlucht: voortuintjes vol kasten en deuren, voetpaden vol zetels en vies geworden vasttapijt. Het zijn geen dure interieurs, het is meubilair dat vroeger al van armoede doortrokken was. De hekkens rond de huizen zijn wasrekken nu waar broeken, hemden en ondergoed in de broeierige avond hangen te drogen. Het stadje heeft niet alleen onder het zeewater maar ook onder de orkaanwind geleden; in alle bermen liggen stapels stukgezaagde bomen. Van de kleine baptistenkerk is de witte spits losgerukt, met één rand hangt ze nog krampachtig aan de dakgoot. Honderd meter verder is het dak van een bedrijf ingezakt. Op de dichtgespijkerde ramen staat te lezen: We Shoot Looters (Wij schieten plunderaars neer). Eén straat verder heeft iemand het nog bondiger geformuleerd: You loot. We shoot!
Een Humvee van het Amerikaanse leger patrouilleert door de hoofdstraat en dat is het beeld dat we de komende dagen zullen blijven zien, tientallen en tientallen gewapende patrouilles, niet alleen van beroepssoldaten, maar ook van reservisten, state troopers, sheriffs en marshalls. Het is een leger van handhavers dat vanuit heel de VS naar de Golfkust is gestuurd "om orde en rust te herstellen".
Die maatregel houdt ook in dat in Pascagoula alle handelszaken om 17 u verplicht de deuren moeten sluiten. Langs Highway 9O brandt er dus licht in alle supermarkten, tankstations en hamburgerzaken, maar nergens kan je nog binnen. De lege parkings en de verlichte winkels zijn er voor de politie, zo worden eventuele indringers gelijk opgemerkt.
Om negen uur vinden we dan toch één eethuis dat open is. De uitbater houdt de deur voor ons open, uit beleefdheid én omdat de deur nog maar één hengsel heeft. We zijn intussen ook twee uur naar een motelkamer aan het zoeken, maar overal hangt een No Vacancy! Geen kamer meer vrij. In Ocean Springs is de Holiday Inn zelfs tot februari 2006 volgeboekt voor de hulpverleners en ambtenaren van FEMA (het federaal agentschap voor de rampenbestrijding).
Na bijna drie uur logies zoeken, zit er niets anders op dan in de auto te slapen. Omdat alle kleine landwegen nu stikdonker zijn er ook nog geknapte stroomkabels over de weg hangen, moeten we een parkeerplaats naast de highway kiezen. Van slapen komt er niet veel. De lucht in de auto is dik en benauwd, ik moet letterlijk naar adem happen, en de hele nacht razen er luidruchtige hulpkonvooien voorbij. Ze slepen vorkliften en generatoren aan en hoogtewerkers om de stroomkabels te herstellen.
Een geteisterd landhuis in Long Beach bij Gulfport. © Jerome de Perlinghi
Kort voor zonsopgang laten we onze persdocumenten zien aan het checkpoint in de binnenstad van Gulfport (Mississippi), een stad met 70.000 inwoners waar de avondklok geldt. Als we de hoofdstraat inrijden komt de zon op, boven de zee en boven Puinstad. Er zijn gaten geslagen in de straten, overal liggen winkelgevels om, grote palmbomen zijn met de kruin tot tegen het voetpad geplooid en op elke meter asfalt kraakt het glas onder de wielen. Op een dichtgetimmerd pand staat in rode spuitbus, We will survive!, wat wanhopig klinkt in dit stadscentrum waar geen levende ziel te zien is. Een hond steekt de spoorweg over die geen spoorweg meer is, de dwarsliggers zijn uit de stenen ballast gesleurd en de spoorstaven zijn kromgetrokken door het ziedende zeewater. Op de havenkade zijn opliggers van vrachtwagens in het rond gestrooid alsof het blikken dozen zijn. Op één plaats heeft de zee drie opliggers opgetild en tegen de gevel van een hotel gesmakt.
Op het strand staat met grote zandletters GOD, HELP US! Wat alvast wil zeggen dat de reddingshelicopters hier lang op zich hebben laten wachten. En bij elke stap is het weer versteld staan van de anomalieën die zo'n orkaan teweegbrengt. Zo staat er een grasmachine midden op het strand en hangen er twee stofzuigers in een boom, hun slangen wiegelend in de wind. Aan de rand van de zee staat een reiger naast een printer en een gele matras. Dan komen drie legerheli's laag over, hun zware schroeven malen dreunend door de lucht en nu kan je alleen nog aan Apocalypse Now denken, zeker als de reiger opvliegt en in een boom gaat zitten, een boom die doorweven is met witte snoeren en honderden lampjes van de kerst. Het is absurd, het is surrealistisch, het is een vorm van desastreuze kunst waar alleen de natuur toe in staat is en waarbij de mens alleen maar kan toekijken. Disaster art.
De eerste plunderaars
Waar ooit de betere huizen van Gulfport stonden, staat Ralph Duncan (55) in het puin van zijn huis te poken. Het huis stond er van 1935 en nu is het weg. Duncan rode out the storm. Hij kon dus weg met de auto, maar hij wilde niet weg, hij wilde de kamp zien tussen het huis dat zeventig jaar oud was en die storm die amper vijf dagen oud was. De winnaar bleek de orkaan van Categorie 5 te zijn: "Het was amper dag toen er al een grote boom op het dak viel, één tak schoot dwars door het gebinte waardoor het ineens binnen regende in de slaapkamer. En ik maar proberen om dat gat met ouwe kleren af te stoppen, wist ik veel welke watermàssa me nog te wachten stond! Toen het water kwam, ben ik naar de eerste verdieping gelopen en toen het daar ook kwam, ben ik op bed gaan liggen. Door het venster heb ik de orkaan gezien, dat waren draaikolken van zee, wind, stenen en hout die over de wijk raasden, nooit meegemaakt! En dat water bleef maar stijgen, ik dreef op het laatste zo'n dertig centimeter onder het plafond. Toen het dan eindelijk zakte, is mijn huis in stukken uit elkaar gevallen. Ik was op tijd weg, ik ben niet mee bedolven geweest.
's Namiddags nam de wind af en kwamen de eerste plunderaars, zwarten from the other side of the tracks. Ik zei, maak dat jullie hier weg komen. Maar de grootste kwam op me af: You can tell me nothing, mister! Dat kan ik wel, zei ik en ik trok m'n revolver uit mijn zak en ik richtte op zijn gezicht, OF WIL JE SOMS EEN GAT IN DIE STOMME KOP VAN JE?! Ja, toen dropen ze wél af! En een uur later kwam de politie hierlangs en die hebben mij gerust gesteld. Als jij ze wil doodschieten, Ralph, voor ons niet gelaten. Wij weten van niks. Wij hebben niks gehoord of gezien."
Omdat de zolders vaak als laatste zijn neergekwakt, zien we veel oudere spullen aan de puinoppervlakte liggen. Bijna nergens CD's, maar wel veel oud vinyl, langspeelplaten die door het water gegolfd zijn, en familiefoto's, en kratjes met strips en veel, héél veel kerstversiering. Kransen met rooie linten erin en spaarsokken met de kerstman erop. Dat komt nu aan het licht, dat tienduizenden zoldermusea van Kerst en Jeugdsentiment hun unieke collecties zijn verloren.
Kersttafereel in september. Het is de inhoud van tienduizenden verwoeste zolders die overal kerstdecoratie heeft verspreid , zoals hier in Gulfport. © Jerome de Perlinghi
Een eindje verderop zit Pat Rake (54) op een trapje in baksteen, de drie treden zijn alles wat rest van haar honderd jaar oude huis: "Wij zijn niet gebleven, maar toen we maandagnamiddag terugkwamen om de schade te zien, zag ik bij de spooroverweg één van mijn felroze schoenen liggen. "Dat is mijn schoen," riep ik tegen mijn man, "hoe komt die hier? Tweehonderd meter van ons huis?!" En toen zei mijn man, baby, als dàt je schoen is, dan is ons huis wég! En ons huis wàs weg! En dat die schoen daar bij de rails lag, dat was een teken van God. Hij wou ons al voorbereiden op de verschrikking die ons te wachten stond. In en om het puin waren plunderaars bezig, en ik heb ze moeten wegjagen. Eerst wilden ze niet weg, ik moest bewijzen dat het mijn property was. Ja, die zwarten... het verwonderde me niks dat ze plunderden. Als we hier in de tuinstoel zaten, dan liepen ze altijd voorbij met zo'n blik van: hier zouden we wel 's lekker willen inbreken!"
Een truck van de elektriciteitsmaatschappij rijdt traag voorbij, de chauffeur doet al veertig jaar dienst in de stormachtige regio tussen Florida en Louisiana, maar nooit eerder heeft hij zo'n verwoesting gezien. Twee straten verder laadt een jonge vrouw kartonnen dozen in de auto. Als de koffer en de achterbank vol is, trekt ze de slepende voordeur achter zich dicht: " Ik was niet bang tijdens de storm. Ik ben nu véél banger! Want ik heb vernomen dat mijn verzekeringsmaatschappij de ramp onder "overstroming" wil klasseren en niet onder "orkaan". Dat is een smerige truc om niet te moeten uitkeren. Nu zullen we nog een proces moeten inspannen om toch wat geld te zien, terwijl we daarvoor niet eens de centen hebben!"
Zwaardvis in huis
Om vanavond niet opnieuw voor een volzet motel te staan, gaan we al om twaalf uur inchecken in de Holiday Inn van Gulfport. Dat blijkt onmogelijk: het hotel is tot september 2006 volgeboekt, vooral door aannemers en hun bouwvakkers. We rijden verder langs de kust, onderweg worden er generatoren verkocht onder het motto Power to the People.
Biloxi is een havenstad met 55.OOO inwoners en zeventig procent zwarten en wat gelijk opvalt, is dat je in deze armere stad veel minder leger- en politiepatrouilles ziet. In de rijke wijken van Gulfport zijn er constant heli's in de lucht en komen er voortdurend zwaailichten voorbij; in Biloxi hebben we hooguit enkele politiewagens gezien. En wat ook een stramien lijkt te zijn: de veiligheid op straat, de aanpak van het plunderen is snel en fors door de regering in handen genomen; maar de voedselbedeling, de opvang van daklozen, de niet acute medische verzorging, dat wordt aan de kerken en de liefdadigheid overgelaten. Een dokter zegt zelfs dat het Rode Kruis hier na tien dagen nog altijd niet te zien is, "naar verluidt zijn ze nog altijd de toestand aan het inschatten."
Die humanitaire rol wordt nu overgenomen door Het Leger des Heils dat een grote hulppost heeft opgezet in het Yankee Stadium, een stadion dat lang buiten dienst zal zijn omdat één van de lichtmasten dwars door de tribunes is gestort. Op het middaguur worden hier warme pizza's verstrekt, en er is ook bedeling van conserven, luiers, frisdranken en zakken ijs (die de rol van koelkasten moeten overnemen). Om de hulppost van stoom te voorzien draait een stapel generatoren op hoge toeren. Temidden van dat geraas en die vettige warme lucht houdt een kleine medische staf (vijf dokters en zeven verpleegsters uit Ohio) consultatie aan een klaptafeltje. Alle werken ze in de privé en voor tien dagen hebben ze zich als vrijwilliger aangesloten bij het Heilsleger.
Biloxi. © Jan Hertoghs
Kevin Anderson (45) is de psycholoog van het team: "We zijn hier nog maar twee dagen en van de honderd patiënten die ik sprak, hebben achtennegentig zich in een levensbedreigende situatie bevonden. Sommigen omdat het water hen letterlijk tot aan de lippen kwam, anderen omdat ze op matrassen en sofa's uit hun huizen dreven. Nogal wat patiënten spraken ook over de angst van plots grote vissen te zien in huis, één meisje had zelfs een zwaardvis gezien.
Wat wel opvalt, is hoe dapper en opgewekt de meeste mensen hier zijn, ook al zijn ze alles verloren. Intussen weet ik dat de meesten hier tot de Southern Baptist kerkgemeenschap behoren en dat verklaart veel. Zo'n gemeenschap zorgt immers voor een draagvlak dat het makkelijker maakt om zware schokken te verwerken. Ze hebben me ook verteld dat ze zelfs op het dak of ronddrijvend in het water, zijn blijven bidden en zingen tot God, en dat Hij hen de kracht gaf om te blijven leven.
Bij één man heb ik wel duidelijke voortekenen van posttraumatische stress gezien. Die was met zijn vrouw en zijn drie kinderen op de zolder moeten kruipen en toen het water daar ook kwam, waren ze op het dak gekropen met een opblaasboot. Hij had zijn vrouw en zijn kinderen in die boot gezet, en het touw van die boot had hij rond zich en rond die schoorsteen geslagen. En zo hebben ze zes uur lang doodsangsten uitgestaan, want bij elke golf was dat bootje bijna gekanteld, en die man had vreselijke schuldgevoelens opgelopen. Heel dat gezin was gelukkig nog in leven, maar tien dagen later zat die man nog steeds met zijn hoofd in zijn handen: waarom heb ik mijn gezin niet geëvacueerd? Waarom ben ik zo stom geweest!? Ik heb met hun leven gespeeld! Door mijn stomme schuld heb ik ze bijna vermoord! Ik had ze allemaal kapot kunnen maken!"
Ons huis drijft weg!
In een wijk van Biloxi die dichter bij de zee ligt, treffen we Deborah Lee Emery (54) met vriendin Barbara. Ze zoeken tussen het puin naar persoonlijke spullen, maar de schadeberg is groot: in hun tuin is een enorme stapel wrakhout én een compleet huis van de buren aangespoeld.
Deborah: "Ik ben tijdens de storm gebléven, samen met mijn twintigjarige stiefzoon Kevin. Ik dacht dat het huis zo'n orkaan wel kon hebben, het is honderd jaar oud en het had Camille in 1969 overleefd (de tot dan toe hevigste orkaan uit de Amerikaanse geschiedenis,jh). Ik was ook niet de enige blijver in de wijk, je had hier zowel dertigers als tachtigers die niks zagen in een evacuatie. Maandag om halfzeven is het begonnen, ineens hoorde ik gorgelgeluiden in het toilet en op dat moment moet hier een vloedgolf van negen à tien meter hoog op de dijk zijn geslagen. In geen honderd jaar heeft hier water gestaan, maar nu stond het ineens in de living, ik heb rap wat boeken in een mand gegooid, en de kat zat met één sprong op de wasmachine in de keuken. Toen klonk vreselijk gebonk op de muren en tot mijn grote schrik kwamen er golven met wrakhout tegen het huis gespoeld. Op dat moment was er al zoveel water in de keuken dat mijn dubbele koelkast kapseisde en op het water ging drijven! Dat vond ik érg, want dat was de allereerste koelkast in mijn leven die ik niéuw gekocht had!! En hop, daar ging ook de wasmachine drijven, ik kon de kat nog net vastgrabbelen en met Kevin ben ik dan op de zolder gevlucht, in pyama en op blote voeten. En wat ik daar door het raam zag, dat kon niet! Het huis van de overburen kwam naar ons gedreven, en met elke golf werd het tegen de muren van ons huis geramd. (imiteert een jankend,n kreunend geluid) Zo hevig ging ons huis tekeer! Het kraakte aan alle kanten! Het was net of een onzichtbare hand aan alle hoeken van dat huis sleurde, eerst kwamen er spleten in het behang en toen kwam er daglicht door die spleten naar binnen! Er was geen houden aan, het huis werd letterlijk uit zijn verband gerukt. En toen is een zijgevel weggevallen, en voor mijn ogen tuimelde mijn kast met garderobe in het water, en direct daarna schoot ook mijn bed in de zee.
Deborah (r.) en vriendin Barbara: “Het huis kraakte en scheurde. Door de barsten in de muur kwam daglicht binnen.” © Jerome de Perlinghi
Kevin en ik zijn dan op de zolder gekropen, en normaal zie je vandaar de grote eik, en ik riep dat de grote eik voor ons huis wég was! Maar die eik was niet weg. Ons huis, dàt dreef weg! En het dobberde en schudde en bij elke golf van de zee zwaaiden zijn muren over en weer. Geen tien minuten later schoot het dak weg boven ons hoofd, de muren vielen om en wij dreven ineens met de zoldervloer op het zeewater. Het is toén dat ik de storm gehoord heb. Een gejank!! Als van duizend motoren die in een veel te kleine versnelling staan: zo'n hoog ie-ie-ie-ie dat maar niet ophield. Grote planken die op de zee dreven, werden door de wind uit de golven gezwiept en door de lucht geslingerd, en dat was mijn grote schrik: als zoiets tegen mijn kop vliegt, dan ben ik dood! Toen dreef onze zolder naast een nog niet ingestort huis en daar zijn we in de dakgoot gestapt. Ik wilde naar de nok kruipen om houvast te zoeken bij de schoorsteen, maar dat schuine dak was te glibberig voor onze voeten en toen hebben we met onze blote handen die roofingtegels van dat gebinte gesleurd, en zo zijn we toch hogerop kunnen klimmen. (Barbara komt roepend aangelopen, ik heb je horloge teruggevonden! En het tikt nog! Deborah legt het beslijkte uurwerk om haar pols, "die doe ik nooit meer weg, this is my Katrina watch!")
Ik zat langs de ene kant van de schouw en Kevin aan de andere kant en we hebben naar mekaar geroepen, maar we konden mekaar niet verstaan, zo'n geraas was dat. We konden ook niet op die nok gaan zitten vanwege de windstoten, we moeten uit de wind gaan hangen op de schuine kant van het dak. Je had mij moeten zien, met één arm hing ik rond de schoorsteen en met één been lag ik over de nok, zo heb ik het twee en een half uur moeten uithouden. Ik kreeg soms krampen en dan moest ik mij wel boven de nok oprichten, maar dat was vreselijk, de wind blies zo hard in mijn gezicht dat ik niet kon ademen! Onder dat huis was intussen een boot aangespoeld en die kwam klem te zitten tussen een boom en dat huis, en élke seconde wilde ik mij van dat dak laten glijden in die boot, maar elke seconde dacht ik, nee, nee, niet doen, want als je ernaast glijdt, dan zit je in de zee. Vanop ons dak zagen we toen ook hoe een ander huis op drift sloeg en die twee mensen sloegen een raam stuk en kropen vanuit hun wegdrijvend huis in een boom! En die zijn daar blijven zitten, vlak boven het tien meter hoge water. (Deborah! Ik heb je Navajo-Indiaans jasje gevonden! Echt waar?! O, mijn broche zit er nog op! Mijn echte Navajo-broche!) Waar was ik gebleven? Ja, na twee en een half uur is de wind dan toch wat geluwd en heeft mijn Mexicaanse buurman Mario Sapet me met een ladder van het dak gehaald. In het huis van Mario zaten we met negen buren, allemaal door hem gered en allemaal onderkoeld en blauw van de kou. En zelfs na die twee en een half uur storm heeft het nog eens vier uur geduurd voor de orkaan helemaal voorbij was."
Ze zegt dat de storm haar verbijsterd heeft, dat een mens niks is tegen de natuur, en dat het belachelijk was om thuis te blijven en "dat monster" te trotseren. Ze zegt dat ze geen crying person is, maar toen ze gisteren op de tv het verhaal hoorde vertellen van een jongen van twaalf die zijn broertje en zijn grootouders gered had door ze op een bed en matras vast te binden, "ja, toen kwam het ineens allemaal terug en schoten de tranen in mijn ogen. Negen dagen na de storm was dat, en het was de eerste keer dat ik huilde..." Er komen opnieuw tranen nu, ze veegt ze heftig weg, en wordt giftig op de verzekeringen die alles aanwenden om toch maar niet te moeten betalen, "heel ons leven betalen we ons blauw aan die dikke nekken en nu we iets kunnen krijgen, houden ze de boot af. Ik zweer het u! Als Bush er niet in slaagt om zijn rijke zakenvriendjes van de insurance business tot inkeer te brengen, dan dreigt er hier een opstand. Zeker weten! We laten niet op onze kop zitten!"
Van sommige huizen rest alleen nog het bordes. Ingescand uit Humo/ © Jerome de Perlinghi
De kilometerteller zegt dat we gisteren en vandaag al tweehonderd kilometer langs straten met puin en wrakhout hebben gereden. We rijden opnieuw naar Gulfport en naar het beachfront waar de neoklassieke antebellum mansions staan, de rijke landhuizen die nog dateren van voor de Civil War (1861-1865). Tien dagen geleden stonden ze nog op dikke gazons en tussen eeuwenoude eiken, maar door het zoute water is het gras droog stro geworden en alle bladgroen is van de bomen gerukt of bruin verschroeid door de ruwe wrijving van de stormwind. Eén enorm landhuis is nu een poppenhuis: de volledige voorgevel is weg, maar de zetels en tafels staan nog op de verdieping, de twee lusters tinkelen in de lichte zeebries. Bob komt ook een foto nemen. Hij is sheriff in Michigan en toen hij de tv-beelden zag is hij in één ruk naar Gulfport gereden (= ca. 2000 km) om hulp te bieden aan de collega's. Op elf september 2001 had hij hetzelfde gedaan, werk neergelegd, de auto in en naar Ground Zero gereden. Bob stelt me voor aan John Miller, local police officer in Gulfport en getuige van de spontane hulp die op gang kwam: "Binnen de twee dagen stonden hier -zonder toedoen van de autoriteiten- honderden politiemannen, sheriffs, brandweermannen, boswachters en verpleegkundigen van spoedgevallen. Sommigen kwamen zelfs helemaal uit New York en Québec."
John zelf is al tien dagen ononderbroken in de weer met search & rescue, zijn ogen zijn klein en dik van het gebrek aan slaap. Hij denkt dat de politie nog een jaar lang bodies gaat vinden, in Biloxi zelf zullen het er honderden zijn: "De media zeggen dat er niks meer in de huizen ligt, maar ze vergeten dat de zee veel lichamen heeft meegesleurd, dus dat dodencijfer gaat nog lang kunnen oplopen. Zo gaan sommigen aanspoelen op onbewoonde eilanden voor de kust en in geen maanden gevonden worden. Of neem de daklozen. Tussen Pascagoula en Pass Christian leefden drie à vierhonderd daklozen bij de boardwalk. Een klein deel is geëvacueerd, maar een groot deel hebben we sindsdien nergens meer gezien. Gaan ze aanspoelen? Zijn ze opgevreten door roofvissen? Niemand die het weet. "
John heeft ook onverwachte wildlife gezien na de storm: "In het oostelijk deel van de stad heeft een dag lang een everzwijn rondgelopen, het joeg op voorbijgangers en we hebben het moeten afmaken. “
Omdat er door het gebrek aan stroom en zuiver drinkwater amper eethuizen open zijn, mogen we van John mee aanschuiven in de lagere school die als kantine dient voor de politiemensen. We nemen een bord en gaan tussen de uniformen staan met allemaal een dikke blaffer op zak. Na de shrimp gumbo rijden we opnieuw naar Biloxi. We hebben weer geen motel voor de avond gevonden, en we meten nu rekenen op de goodwill van de medische ploeg van het Yankee Stadium om ons te slapen te leggen in hun onderkomen, een Baptist Church in de buurt van Gulfport. Daar is het al flink donker als we aankomen, maar we zijn welkom voor de nacht. Een douche nemen kan ook nog: daarvoor hoeven we alleen maar een warmwaterzak met slangetje en sproeiknop aan een hoog hek te hangen. De vloer van onze douche is een plastic krat van de fruitveiling. Samen met de medics zoeken we ons veldbed op in het kerkgebouw, het zijn smalle berries op dunne poten die her en der naast de bidbanken staan. De Heer is ons genadig, maar dat harde snurken in Zijn Aanwezigheid was er teveel aan.
Textielbobijnen zijn door de bomen geschoten en hebben alles gedrapeerd. © Jerome de Perlinghi
Huckleberry Finn
De volgende morgen volgen we de Scenic Route 9O van Gulfport naar Long Beach en Pass Christian. Wat hier aan de kust heeft plaatsgevonden, is an eve of destruction. Er moeten hier restaurants, picknickparken en historische mansions gestaan hebben, maar daarvan blijven slechts betonnen hoekpijlers over. In de tuinen van de villa's en residenties is ook een massa slib aangespoeld, én cargo uit de haven. Rollen papier van één ton liggen tussen de bomen geslingerd. Paletten karton zijn in het zeewater dik en bruin opengebarsten. En geen enkele opligger staat nog op de havenwerf, alle liggen ze hier op hun rug en met de zwarte banden in de lucht. Gigantische bobijnen met textiel zijn als schietspoelen door het geboomte geschoten, overal groene, witte, blauwe en oranje stofrepen achterlatend. Een paar bomen hebben paarse stola's tussen de takken hangen, het doet denken aan de ouwe bijbelse prenten van Golgotha.
De insecten zijn het enige leven in deze door dood en ontij geteisterde kuststrook. Grote gele vlinders fladderen over het puin, dikke libellen nemen behoedzaam plaats op ontschorste palmbomen, en tientallen lovebugs komen kriskras aangewaaid, het zijn zwarte insecten, mannetjes en wijfjes die in de lucht copuleren dat het een lust is, achterlijfje tegen achterlijfje, zo buitelen ze overal tegen alles aan. Het desolate van dit verwoeste landschap wordt nog aangescherpt door een onwezenlijk en onheilspellende geluid dat van overal en nergens lijkt te komen. Het is een geknisper in de verte dat overgaat in geknetter, dat aanzwelt tot een snerpend gejank als van een cirkelzaag en dat op zijn hoogste pijntoon even abrupt stopt als het ontstaan is. Een CBS-correspondent die toevallig langs rijdt, brengt uitkomst: "Het zijn cicaden en ze kunnen tot honderd decibel lawaai maken! Wat je hoort is het geluid waarmee ze de vrouwtjes aantrekken, you know, for the boum-boum!!" Als hij hoort dat we van Europa zijn, is zijn eerste reactie: " Jullie gaan de oorzaak van deze orkaan toch niet bij de global warming zoeken, hé?! Want zo ken ik de Europeanen intussen wel! No way dat dit met het klimaat te maken heeft!""
De CBS-man is hier vorig jaar op vakantie geweest, prachtige kuststrook, het ene antebellum huis naast het andere, allemaal een miljoen dollar waard, en zo drie kilometer aan een stuk! Hij wijst ook op de honderden eeuwenoude live oaks die nog overeind staan, "ze zijn wel takken verloren, maar ze hebben de orkaan doorstaan omdat ze zo moeilijk te ontwortelen zijn." De bomen hebben grote toeristische waarde voor de Deep South, hun dikke grillige takken met de lange sluiers van Spanish moss, zijn terug te vinden op decennia van prentkaarten en kalenders, "iedereen kent ze van de Amerikaanse griezelfilms en van de verhalen van Huckleberry Finn ". De eiken zijn nu compleet kaal, hun "baarden" afgerukt door de storm.
FotograafJerome en de ravage in Biloxi. © Jan Hertoghs
We staan nog op de kaart!
Via Pass Christian waar het rijke deel van het stadje intussen is afgegrendeld met hoge rollen scheermes-prikkeldraad rijden we naar Bay St Louis. Het is zaterdag en er is grote drukte op de weg van pick-ups en auto's met een aanhangwagen. Blijkbaar hebben veel evacuees op dit weekend gewacht om naar hun vernielde huis terug te keren: het vorige weekend waren veel straten nog versperd door bomen en puin, die blokkades zijn nu door legerbulldozers opgeruimd.
In de lagere school van Bay St Louis is een opvangcentrum ingericht en het is er een komen en gaan van volunteers uit heel de VS. Aan de overkant van de school leeft een gezin letterlijk op straat, bij hun huis dat half is ingestort. De ouders zitten aan een klaptafel bij het hek, de twee baby's slapen in een houten box op de stoep en de tent in de tuin is de slaapkamer. Kleerkasten zijn er niet, de kleren zitten in plastic zakken en leunen tegen de muur van het huis.
Bay St. Louis (8000 inwoners) heeft het oog van de orkaan over zich heen gekregen en een groot deel van de vierduizend huizen is geheel of gedeeltelijk verwoest. In de hoofdstraat spreek ik een oudere local aan, of hij me kan vertellen hoe het dorp er vroeger uitzag. Hij kijkt me in de ogen, neemt mijn hand in zijn twee handen en zegt geheel ontroerd "Sir! Welcome to Bay St Louis!" en dat dit de mooiste plek op de wereldbol is, "alleen is het nu een beetje disorganized". En ik weet meteen en heel zeker dat ik geen betere gids kon treffen dan Harold V. Carver, winkeleigenaar en zevenenzeventig jaar. Harold zegt dat zijn voorouders al tweehonderd jaar in het plaatsje wonen en dat hij in 195O de winkel van zijn vader heeft overgenomen, een winkel die al honderd jaar in onze familie is! Kijk, daar op de hoek is ie de zaak en ze is genoemd naar mijn vader: Jerome's (Voor Al Uw Sportkledij en Schoenen). Ik zeg dat de fotograaf ook Jerome heet en hij schudt glimlachend zijn hoofd, dat kàn toch niet waar zijn, zo'n toeval, en dan nog helemaal vanuit België?! En dan is ie plots ernstig, of ik weet dat er in Bay St Louis en in het aanpalende Waveland honderd mensen zijn omgekomen? En dat er vijfentwintig bij zijn die hij goed kent. Daarstraks heeft zijn zoon die politieagent is nog drie lijken geborgen, en Harold kende elkéén van hen.
Harold V. Carver: “Hier zijn honderd mensen omgekomen. Een kwart van hen kende ik persoonlijk.” Ingescand uit Humo/ © Jerome de Perlinghi
Omdat de elektriciteit na twaalf dagen nog niet hersteld is, kan ik de winkel alleen maar zien in het schijnsel van een grote batterijlamp. Ik zie een etablissement van degelijk landelijk fatsoen met op de brede winkeltoog een massief bronzen kassa die rinkelt tot in het achterhuis. Harold schijnt eerst op het portret van zijn goeie vader en dan op de zwartwitfoto van John Kennedy, "our president! The best we've ever had!" Op de winkelvloer ligt ook de koperen spits en het kruis van de methodistenkerk, Harold heeft het na de storm van de straat geraapt, het was driehonderd meter ver gevlogen. De kerk zelf is al honderdvijfentwintig jaar oud, en in geen enkele eerdere orkaan was ze dat ornament verloren! En ook de twee kerken in de hoofdstraat zijn hun punttorens verloren, vijf meter hoog zijn ze, en ze liggen zomaar op de stoep.
Dan trekt hij de deur dicht voor wat hij dagelijks meerdere keren doet, a walk on Main Street. Als mensen naar hem zwaaien, en dat zijn er veel, dan zwaait ie terug en steekt twee vingers op, van Victory, en van We Shall Overcome! Want dat dorp van hem, dat is misschien kapot, maar het staat nog altijd op de kaart en dus kan het ook weer opgebouwd worden. Aan het monument voor Al Diegenen Die Hebben Deelgenomen Aan Wereldoorlog II kent hij wel 1200 van de 1500 namen achter het glas, "het zijn de vaders, de broers en de ooms van allemaal jongens waarmee ik in de klas heb gezeten. Zo is Bay St Louis nu eenmaal, iedereen kent iedereen."
De hoofdstraat loopt uit op het strand en op de dijk staat hij lang en hoofdschuddend te kijken naar de brug van de autoweg en de spoorweg die zich normaal twee kilometer uitstrekken tussen beide kanten van de zilverblauwe baai. De orkaan heeft zowel de asfaltweg als de rails kapot gekregen, er staan alleen nog kale brugpijlers in de zee. De spoorweg van de L&N (Louisville & Nashville) was nochtans oud en stevig, die lag er al van in 1870.
En of ik ginder dat zaaltje zie? Dat was het "A & G Movie Theatre", een cinema vlakbij de zee. Op zijn zestiende was hij daar projecteur, en als het binnen te heet werd, dan zette hij de ramen open en dan kwam er zo'n koele bries van de zee: boy, I can still feel that breeze, you were in heaven there! En hij knijpt zijn ogen verzaligd dicht en klopt op zijn hart, "hier zitten ze, all those sweet memories!" En natuurlijk is het interieur van zijn stamkroeg door alle ramen naar buiten gevlogen, "maar je moet 's zien hoe mooi de zon nu valt on the old town, dat blijft nog altijd de zon, zelfs al schijnt ze dan op puin".
Ik vraag of hij niet diep gekwetst was, de dag dat hij Main Street helemaal onder puin zag liggen? "Ja, die dag na de storm was ik depressief en heb ik veel geweend. En zie, m'n tranen zijn er weer. (Hoofdschuddend). Ik moet ze tegenhouden. Niet de tranen moeten terugkomen. Ons stadje moet terugkomen. En ons stadje zàl terugkomen. Wil je dat opschrijven voor iedereen in België? Wij zijn niet dood. We're here to stay!"
Twee weken na de ramp stond het voorlopige dodental op 792. Tegelijk worden nog tienduizenden vermist en zijn 9OO.OOO mensen nog niet naar hun huis kunnen terugkeren. 6OO.OOO leerlingen kunnen voorlopig niet naar school. 400.000 gezinnen blijven verstoken van zuiver leidingwater. 200.OOO huishoudens zitten nog altijd zonder stroom.
20 jaar 'Zomerbeelden' op de VRT !
Het is een zeer ongewone zomer, die van 2021. Met wolkbreuken, overstromingen, en aanhoudend buienweer.
Het klimaat verandert, maar tegelijk is er één constante en dat zijn de Zomerbeelden op de VRT. Die worden al twintig jaar uitgezonden.
En dat voor dagelijks 30.000 kijkers. Een feestelijke hommage is hier op zijn plaats.
Met in de hoofdrol: alpenweides, Noordzeestranden en een spin in de linkerbovenhoek.
Humo juli 2016 - herwerkt en licht ingekort © Jan Hertoghs
Zomerbeelden en een illustratie van het aloude gezegde: als het in Salzburg regent, dan druppelt het op de webcam.
Het zinneloze zeilen der zetelliften
Elke voormiddag loopt op Canvas (en vaak op Eén) de uitzending ‘Zomerbeelden’. Het zogezegde non-programma. Het zagemeel. Het goedkope vulsel van de zendtijd. Niets is minder waar. Na ruim zeven uur kijken mag ik formeel verklaren: ‘Zomerbeelden’ is zen.
-
M'n eerste kijkdag is een zondagmorgen in juli. Op zo'n landerige zondagochtend is nog niemand actief: de wandelaars ontbreken nog op de bergpaden, de parasols zijn nog toegevouwen, de vlaggen hangen nog slap aan de paal, en op vele plaatsen regent het. In de binnenstad van Salzburg lekt de regen letterlijk van de lens. Stadsbeelden zie je niet vaak in ‘Zomerbeelden’. Het klassieke decor is een bergdorp met schuine daken rond de kerktoren. De webcam zwenkt traag over dat dorp, van links naar rechts, en daarna van rechts naar links. Het is het filmen van een ansichtkaart. Er is amper beweging. Het enige wat verroert, is de windzak van de kabelbaan.
Ook bergtoppen scoren hoog in de beelden. Maar vandaag zitten de Grossglockner en de Wildkogel in de wolken. Vijftien seconden lang is alleen grijs te zien. Ooit ontstond ophef over de minuut stilte van Leonard Nolens op de radio. Iedereen sprak erover. Hier gaat het beeldscherm vijftien seconden op grijs, een veel gewaagder experiment in het medialandschap, en niemand maalt erom.
Een gewaagd kijkexperiment: het scherm gaat 15 seconden op grijs. Van een gedurfd medialandschap gesproken!
Wat me meteen fascineert, zijn die zetelliften in de regen en hoe ze nutteloze rondjes draaien bij dat slechte weer, er is niemand die in- of uitstapt. Het is zeilen in het ijle. Eergisteren was er de staatsgreep in Turkije, de dag voordien de terreurtragedie in Nice, maar hier blijft alles verder draaien. C’est la vie.
Mechelen komt aan de beurt. Met eveneens een grijze zondag en de grauwe Sint-Romboutstoren. En dan volgt een verrassing, de zeedijk van Zeebrugge. Met de gesluierde zon, de verlaten promenade, de oudere villa’s op de duinen en de helwitte strandcabines is dit een schilderij van Edward Hopper. Een cadeau.
Zondagochtend in Zeebrugge: een Hopperiaanse impressie.
In Sankt Anton am Arlberg komt de zon boven de bergkam. Ze schijnt pal in de lens. Een cameraman filmt nooit pal in de zon. Dat doet alleen de webcam, en zo krijgen we een psychedelische waaier aan prisma’s en halo’s.
Intussen is een kwartier voorbij en dan herbegint de beeldencarrousel: alle vijfendertig locaties komen opnieuw aan de beurt. In Zeebrugge zit een spin in de linkerbovenhoek. Het insect lijkt heel groot op de lens, zo groot als een zwarte weduwe.
De spin in het web(camerabeeld) van Zeebrugge.
De regen houdt aan in de Alpen. De doornatte speeltuin bij de Zauchensee is pijnlijk leeg. Maar bij alle mistroostige regenbeelden blijft een fagot vrolijk verder spelen. De boodschap is: na regen komt sowieso zonneschijn. Ik hoor een piano van Satie, een strijkje van Schubert, en er zwelt ook wat van Dvorak en Haydn. Bij die rustige ‘Zomerbeelden’ past de klassieke muziek van Klara Continuo als gegoten. Een bariton die brommend aanzet bij de Sint-Romboutstoren. Religieuze koorzang tussen donkere bergwanden, ze zijn voor mekaar gemaakt. Soms klinkt het niet, maar botst het toch. Bij heel ingetogen muziek – mijn gedachten gingen al uit naar een afgestorvene- zag ik de zeedijk van De Haan, met zijn blote bovenlijven, zijn veel te grote buggy’s en zijn honden aan ellenlange leibanden. Niet niet elke soundtrack is voorbereid op de bruuske caleidoscoop van onze kust.
Om 11 uur 48 is De Haan op z’n mooist. Hagelwitte zeilscheepjes verschijnen aan de blauwe einder, een witte vlieger tuimelt boven het strand, en in de azuurblauwe zee komen witte golfkopjes. Het is bijna poëzie. Helaas is De Haan de enige badplaats die zijn beelden driemaal na elkaar herhaalt. Alsof we blind zijn, alsof we niet van de eerste keer gezien hebben dat De Haan aan zee ligt en niet aan de Boomsesteenweg.
In Oostenrijk is het intussen harder gaan regenen. De druppels biggelen van de lens. Obertauern verschijnt in beeld. Een lege hoofdstraat en één auto, de koplampen brandend op het natte wegdek. Mistroostiger kan een dorp niet zijn op zondagvoormiddag. Ik zie ook bergpaden in de regen, en ruwhouten weide-afsluitingen die donker geworden zijn van de neerslag. Ik weet wat zich afspeelt in duizenden vakantiewoningen. Vrouw zwijgt. Man aan raam: waar blijft die opklaring? Sikkeneurigheid im Zillertal.
In je zetel en niet op vakantie denk je anders over die regen. Druppels op een lens hebben de schoonheid van grote weerloze tranen. Kijk hoelang het duurt voor zo’n druppel verzadigd is en door de zwaartekracht naar beneden vloeit, dat zie je in de zomers van ‘Zomerbeelden’.
Karakteristieke regendruppels in slowmotion. De bergweide en het biggelende tranendal.
Het is een oefening in rustig kijken. Geen wonder dat in onze rusthuizen vaak naar ‘Zomerbeelden’ wordt gekeken. Ik heb het aan de VRT-persdienst gevraagd: of veel kijkers dagelijks afstemmen op die traagdraaiende molen met prentkaarten? En wat bleek: er kijken dagelijks gemiddeld 30.633 Vlamingen “gedurende minstens een kwartier” naar de beelden. Dertigduizend, dat is natuurlijk geen kijkcijferkanon, maar toch een zéér indrukwekkend getal. Dat is het aantal Vlaamse kijkers voor VPRO's "Zomergasten", meer nog, dat is zowat de voltallige bevolking van Aarschot en zijn deelgemeentes die élke dag vijftien minuten naar zetelliften en beschaduwde bosranden kijkt.
Niet dat de ‘Zomerbeelden’ zomaar beelden zijn. Ze bevatten een schat aan informatie over de plaatsen die te zien zijn. Hun hoogteligging, temperatuur, windrichting, windsnelheid, luchtvochtigheid, weersverwachting voor drie dagen, toeristische evenementen én een landkaart met een bolletje dat aangeeft waar Mauterndorf ligt. Ik heb veel opgestoken. Onder andere dat Salzburg op 444 meter boven de zeespiegel ligt, en Zeebrugge toch ook al op 3 meter.
Met die cams kom je op plaatsen waar je nog nooit was. Eben im Pongau, Klippitz, Finkenberg, Penkenjoch: heerlijk om die namen hardop uit te spreken.
Van Tomorrowland zegt men dat het een overweldigende caleidoscoop is, een kanonschot van beelden op je netvlies. ‘Zomerbeelden’ is vergelijkbaar: na de visvijvers van Zonhoven volgt het barokke Salzburg en direct daarna de Gempemolen in Sint-Joris-Winge. Wat toch een geniale montage is, die jump cut van grootstedelijke grandeur naar het pannendak van één watermolen.
De webcam van die Brabantse Gempemolen is werkelijk de traagste van allemaal. Mechelen zwenkt heel snel, daar willen ze in vijftien seconden de hele stad laten zien. Bij de Gempemolen is er tijd genoeg: een volle kwartminuut voor één molen annex brasserie. Bij die molen loopt een man met een hond. Het beestje kijkt om. Zijn baas maakt dat armgebaar: loop door, hond, loop niet voor mijn voeten! Ondertussen speelt de piano van Klara als bij de stomme films van de jaren 20. Ik zie Chaplin, ik zie de grote bullebak met de woeste knevel die de arme vagebond weeral onder zijn zitvlak stampt. Die vrije gedachtenassociaties, die dank ik aan de ‘Zomerbeelden’.
Zomerbeelden (en Winterbeelden) vormen de langst lopende reeks van de VRT. Ze worden al vijftien jaar lang uitgezonden. FC De Kampioenen liep eenentwintig jaar, maar telde slechts 273 afleveringen. De Zomer- en Winterbeelden telden op die vijftien jaar 5475 afleveringen, want dagelijks is er een uitzending. Met drie uur per dag maakt dat meer dan 16.000 uur toeristisch stilleven dat naar de Vlaamse huiskamer is gestraald.
In de beelden zitten weinig Belgische webcams. Driekwart van de locaties ligt in Oostenrijk, de andere cams staan in Zwitserland, Duitsland, Italië en Nederland. Oostenrijk is in deze oververtegenwoordigd omdat het moederbedrijf Feratel in Tirol gelegen is.
Na de regen op zondag volgt de zon op maandag. Zon in Zonhoven. Zon in Mechelen. En ook zon in het klassieke regengat Salzburg. Al dat zonnige weer gaat gauw vervelen, niks saaier dan blauwe lucht. De enige druppels situeren zich in kasteel Alden Biesen. Door de zon ontstaat daar zoveel condens op de lens dat van Alden Biesen niks meer te zien is.
Het kasteel van Alden Biesen. Prachtig historisch gebouw, helaas volledig aan het oog onttrokken door condens.
In De Haan (9 uur 48) rent een kind tussen de strandcabines, gevolgd door de oma in haar dichtgeknoopte jas. Zij stapt zwaar door dat mulle zand, het kind holt opgewekt voor haar uit. Het is Jacques Tati. Dezelfde lichtheid van kinderen en dezelfde stroeve onbeholpenheid van volwassenen, een aandoenlijke sequentie tussen de gestreepte parasols.
Zondag was het nog Klara, maandag is Radio 1 ineens de soundtrack bij de beelden. Ik heb niet veel op met Radio 1: te veel informatief gedaas, te veel karakterloze muziek. En dus: tv-geluid af en Klara erbij via de pc. Zo zitten we weer tussen de strijkstok en de hobo. Dat wat past bij fonteinen, geraniumbalkons en ongerepte bergtoppen.
Ook op deze maandagvoormiddag kom je veertien keer langs vijfendertig dezelfde locaties en dat schept gewenning, én verveling. Voor het eerst heb ik de neiging om de opgenomen beelden door te spoelen. Ik dwing mezelf tot rust. Ik moet langer stilstaan en dieper nadenken over elk bos en elk dorp dat ik zie; in elk ervan schuilt een streekroman. Maar ík ga hem niet schrijven. Ik verlang stilaan naar enig drama. Dat zo'n roerloos bos stilletjes begint te branden. Of dat die sneeuwplek als een lawine naar beneden komt.
Kalm nu. Rustig nu. De beelden zijn wat ze zijn. Ik moet mezelf herpakken. Ik zal vanaf nu de beelden ruiken, de bergen ruiken. Het drogend hooi en de droge middagwarmte in de schaduw van een houten hut. Het gemaaide gras en de zerpe koeienstront naast de koelte van een bergbeek.
Ook goed voor de concentratie is wanneer je meer op de dieren gaat letten. Bij de zetellift in Mauterndorf liggen negen koeien te herkauwen, hun kont naar de ijzeren zitjes gekeerd. Een kwartier later lopen ze plots 40 meter hoger, en nog een kwartier later staan ze midden op een wandelweg! Er gebeurt iets. Wandelaars met een trui om de lenden staan lang en nadrukkelijk naar de koeien te kijken. Ook dat is vakantie: de tijd nemen en een veestapel aanschouwen.
Ook dat is vakantie: toeristen die de tijd nemen om een veestapel van dichtbij te aanschouwen.
Dat de dynamische VRT al vijftien jaar deze statische beelden blijft uitzenden, roept natuurlijk vragen op. Zoals: ziet de openbare omroep het als haar taak om “behang-tv” uit te zenden? Lees hier hoe onze omroep de Zomerbeelden omschrijft: “De VRT beschouwt deze weerbeelden als een service aan de kijker en als een venster op mooie toeristische bestemmingen. Weerbeelden én radio vormen een aangename achtergrondcombinatie die door heel wat kijkers gesmaakt wordt. Voor hen bieden deze weerbeelden structuur aan hun dag en daarmee zijn deze beelden een vaste waarde geworden in het ochtendschema van Eén en Canvas”. Anders gezegd: neem de Zomerbeelden weg en duizenden Vlamingen lopen als verloren door hun veel te lange voormiddag.
Het Oostenrijkse bergdorpje Werfenweng is intussen mijn favoriete webcam. Zondag was alles daar nog potdicht en grijs, maandag zijn er koeien en wandelaars. Eén bergstapper neemt een foto tussen vier koeien en terwijl hij wegstapt, heft één koe haar staart en pletst de stront als dunne spinazie op de bergweg. Zeldzaam beeld. Waar zie je nog kakkende koeien?
In dit Werfenweng valt m’n oog op de helper van de kabelbaan. Handen in de zakken, de benen gespreid, en een grijsvilten tirolerhoedje. Hij helpt ouderen een handje als ze uit de kabelcabines stappen en hij ijsbeert ongeduldig als niemand uitstapt. Hoe kijkt hij naar de wereld vanop 1.835 meter boven de zeespiegel? Hoe gaan zijn gedachten naast dat perpetuum mobile van kabels, cabines en schuifraampjes? Heeft hij excursieve gedachten aan Spanje en Italië? Voelt hij zich gekluisterd aan andermans vakantie?
Onze “Helmut”, handlanger van de kabelbaan. Zijn loopbaan is de lopende band van deze lokale kabelbaan. Maar waar zijn z’n gedachten?
Met het warme weer van maandag, dinsdag en woensdag zie ik nu veel meer insecten. Kleine motjes in Sankt Anton en een vrij grote spin in het Duitse Oberstdorf. Die zit live en voor de ogen van duizenden kijkers een vlieg te peuzelen. Bij de volgende passage in Oberstdorf is de spin weg, maar twee verse vliegjes hangen te trillen in haar onzichtbare web. We spreken hier over een letterlijke web-cam. Maar wie heeft er oog voor?! Welke natuurcineast ként deze bijzondere waarnemingen die Zomerbeelden dagelijks en achteloos presenteert? Kent Richard Attenborough deze goedkope beeldenbiotoop?
In Werfenweng landt een dikke vlieg op de lens. Nietsvermoedend zwenkt ze mee, een bromvlieg reist over het landschap. Pure fly-on-the-wall.
Een grote bromvlieg (rechtsonder) landt op de lens. Zo dadelijk zal deze zwarte geleedpotige zich Messerschmittgewijs op de nietsvermoedende wandelaars storten.
De Zwitserse fotograaf Kurt Caviezel is zowat de enige die het belang ervan ziet. Hij tuurt dagenlang naar webcams op zijn computerscherm, enkel en alleen om screenshots te kunnen nemen van plots opduikende insecten en vogels. Hij monitort 15.000 webcams en noemt die donkere insecten de ‘schoonheidsvlekken’ van het wereldwijde web.
Bij de zetellift van Werfenweng is de handlanger met het tirolerhoedje er weer. Ik begin hem te kennen. Ik noem hem Helmut. Vandaag is het warm en Helmut draagt een licht ruitjeshemd. Hij richt zich tot de man met de mountainbike. Hij richt zich tot een blonde vrouw. Soms is hij niet in beeld te zien. Dat betreur ik. Hij is mijn cliffhanger. Ik ben benieuwd of hij er in het volgende kwartier nog zal zijn.
Woensdag 20 juli is wéér een zonnige dag. Vier dagen zijn intussen voorbij en ik heb bijna acht uur ‘Zomerbeelden’ gezien. Het wordt ineens te veel. Ik heb geen zin meer in dorpen en daken en bergtoppen, de zen is weg, en ook Helmut laat zich niet meer zien.
Ik houd de beelden voor bekeken.
In de Gempemolen murmelt een fagot. In Werfenweng wacht een spin.
NAWOORD
De dag dat het stuk in Humo verscheen, stond ik in zelf in de Zomerbeelden. Door strategisch post te vatten op het terras van de Gempemolen! Product placement op de VRT . En in prime time van de voormiddag: 10u31 !
Tien jaar na Utøya (3): de ontreddering van de redders en de hulpverleners
Ingescand uit Humo / Bjorn Sigurdson - NTB Scanpix)
“Eéntje sprong acht meter hoog van de rotsen om in mijn boot te geraken.”
Op 22 juli 2011 werd het Noorse eiland Utøya een steen in het water. Met rimpels die nog altijd uitdijen. Naar omwonenden, naar hulpverleners, naar kinderen uit de omgeving. Wie naar het eiland voer om mensen te redden, deed dat met gevaar op eigen leven en kwam niet ongeschonden terug.
Ook een redder kan ontredderd zijn.
Ingrid Sønstebø is de kommunepsykolog van de gemeente Ringerike die ondermeer het eiland Utøya en het dorp Hole omvat. Sinds 2011 heeft ze zo'n tachtig inwoners op consultatie die bij de hulpverlening betrokken waren of die in de buurt waren als vakantieganger.
Humo: Veel inwoners van Hole moeten elke dag voorbij aan dat eiland dat geen eiland meer is, maar een rauwe open wonde.
«Heel Noorwegen is geraakt door deze tragedie, maar er is nog altijd de fysieke afstand dat het niet aan je voordeur is gebeurd. Voor de mensen van Hole en Ringerike was het op hun doorstep, ze zien dat eiland dagelijks, ze moeten er voorbij naar hun werk of naar de school van hun kinderen, en dus worden ze elke dag aan die gruwelfeiten herinnerd. Voor sommigen is het te zwaar, er zijn er die een complete omweg maken om er niet voorbij te moeten rijden.
En dan zijn er de vaste gasten van de zomerhuisjes op de Utvika-camping vlakbij Utøya. Hoe gaan zij zich voelen nu er zoveel in hun achterhoofd zit. It's not a nice place anymore. It's a place of terror. Vakantiegasten hebben me verteld dat ze eerst dachten dat er een zwemwedstrijd aan de gang was: zie die jonge gasten eens slagen maken, en dat in zo'n regenweer! En terwijl hoorden ze ook 'vuurwerk', wat zijn ze daar toch aan het doen op dat kamp?! Toen de ernst doordrong, was dat een klap, want daar stonden ze in hun voortuintje, met uitzicht op een eiland waar een massamoord aan de gang was.
Die vakantiegangers in hun reddende bootjes, dat zijn mannen en vrouwen die het ene ogenblik nog bij de barbecue stonden, en die tien minuten later betrokken raakten in een bloedbad. Zij gaan nu door het ergste, want zij hebben voor hun leven gevreesd omdat er op hen geschoten is, én zij hebben dan ook nog eens schuldgevoelens over degenen die ze niet konden redden. Dat vreselijke dilemma aan die waterkant, je kan er maar acht of tien inzittenden meenemen, en hoe moet je kiezen tussen kinderen die staan te smeken om mee te mogen?! Allicht hebben ze gekozen voor wie gewond was, maar als je dan tien minuten later terug keert, en je ziet die niet-gewonden daar dood op de rotsen liggen, that's hard to live with.
Er zijn er ook die een boot hadden en die 'm niet gebruikt hebben, ze waren te bang. Maar er zijn er ook die niet eens aan hun boot gedàcht hebben! Terwijl hij vlakbij aan de steiger lag en terwijl ze andere boten bezig zagen! Zo hard waren sommigen van slag, en nu hebben ze natuurlijk schuldgevoelens: wààrom heb ik niet geholpen?!
En nog iets, je had brandweerlui, dokters en ambulanciers die ook in boten naar de overkant wilden, maar ze mochten niet van de politie omdat het té gevaarlijk was, er zouden bommen in het water liggen. Ook dat wisten die toevallige redders: ik ga ergens naartoe waar het niet eens safe lijkt voor de 'professionals', ze wisten dus dat ze hun leven riskeerden en dat maakte hun angst alleen maar groter.
Die redders hadden vaak ook kinderen. Die kinderen hebben hun papa zien vertrekken, die hebben de schoten gehoord, en die hebben voor het leven van hun papa gevreesd, en heel wat van die kinderen hebben nu nog angstaanvallen. Dat geldt ook voor kinderen van ambulanciers en brandweermannen, die hebben heel snel opgevangen dat het erg was, die hebben ook gedacht dat ze hun vader niet meer terug gingen zien.
IIngrid Sønstebø (Ingescand uit Humo/ Karl Branaas)
Humo: Zelfs kinderen waarvan de ouders niet betrokken waren, zullen ook wel gefantaseerd hebben over die wilde schutter.
«O ja! En ze weten dat hij in de cel zit, maar wàt als hij uitbreekt?! En dan vroegen ze mij of hij met een vijl zijn tralies zou kunnen doorzagen "zoals in de strips van Donald Duck, kan hij zo ontsnappen?!" En ook: "kan hij mijn ouders en mijn vriendjes komen doodschieten?" Mijn eigen kinderen hebben twee grootouders verloren in de zomer, kort na elkaar, en kort voor 22 juli, en één van hen vroeg of "ze soms ook waren doodgeschoten door die Breivik?!" Zo gaat dat in hun verbeelding, kinderen kunnen onberedeneerde angsten hebben.
Humo: Ik heb nog gesproken met bergredders in Chamonix, en wat hen treft, is niet die dode klimmer die ze met een heli van de Mont Blanc halen, maar wel die tent op de camping waar alles nog ligt alsof die persoon nog in leven is: de open slaapzak, de aangebroken koekjes, de prentkaart die nog geschreven moet worden. Dat rààkt hen harder. Vandaar dat het ook moeilijk moet geweest zijn voor degenen die de tentjes op Utøya hebben opgeruimd.
«Dat is wel heel zeker. Want op die berg doén die redders de taak die ze kennen, maar in die tent zien ze iets waar ze niét op voorbereid zijn en waartegen ze machteloos staan. Dat was hier ook zo. De politiemensen, Rode-Kruis-medewerkers en brandweermannen die de tentjes hebben opgeruimd, vonden het ook moeilijk, al die rugzakken, al die slaapzakken, al die jonge kleren, dat kan je hard raken als je zelf een zoon of dochter hebt. De brandweer heeft het cafetaria schoongemaakt, een plek waar velen de dood vonden, en dat was extreem moeilijk, want hoe doe je dat, delen van lichamen oprapen, en hoe begin je daaraan als je verdroogde hersenen van het plafond moet schrapen?! "
Bach en Breivik
Sønstebø moet naar het gemeentehuis. Daar komt straks een groot scherm waarop de inwoners van Ringerike het tien weken durende proces-Breivik zullen kunnen volgen. Ze zal stand-by zijn "want het is te voorzien dat Breivik kwetsende uitspraken gaat doen en ook dat er shockerende foto's gaan getoond worden". Ook in tien grotere Noorse steden komt er een groot scherm (in het plaatselijke gerechtsgebouw) waar het proces gevolgd kan worden en waar psychische bijstand voorhanden is.
Ik loop door de wijk Grønland in Oslo. In tegenstelling tot die arctische naam zijn hier vooral oriëntaalse winkels en passanten. In deze buurt heeft Breivik de eerste nacht gevangen gezeten, in een cel van het politiebureau. Hij schreef erover in z'n dagboek: "0u00-01u00: naar Grønland. Ze stoppen me in zo'n cel voor dronkaards en amokmakers, met als enige uitzicht: de twee minaretten van de moskee van Grønland! (...) De agenten vertelden later dat ze dachten dat ik zou "flippen" als ik dat zag. Ik heb ze daarentegen bedankt voor het uitzicht omdat het mij elke dag zal herinneren aan de zaak waarvoor ik vecht. Sliep slechts 1 à 2 uur die eerste nacht."
Dat hij heeft kùnnen slapen. Dat kan ik maar niet begrijpen.
Dichter naar het centrum kom ik bij de Domkirke. In de benarde dagen na 22 juli hebben tienduizenden hier bloemen, kaarsen, brieven en knuffels neergelegd. Niets daarvan is weggegooid. De bloemen zijn nu compost-aarde voor een bloemenbed op een symbolische plek, de kaarsen worden omgesmolten tot "nieuw licht" en ook de knuffels en brieven komen in een archief.
Als ik in de kerk sta, is er een kleuterklas uit Oslo op bezoek en het valt op met hoeveel nationaliteiten die kinderen zijn. De juf zegt dat ze in de middengang moeten neerzitten en kijken naar het doksaal daarboven, en dan breekt boven hun kleine hoofden het Toccata en Fuga van Bach los. Het dreunt tot in de kerkbanken, het is een donderslag die overrompelt en tot inkeer stemt, en nu alle registers daarboven open gaan en de kinderen met open mond zitten te luisteren, nu zit ik daar met een snik in die kerk.
Dode display
Ik heb een afspraak op de hoofdzetel van het Noorse Rode Kruis, want op 22 juli hadden zij 560 hulpverleners in getouw, waaronder 150 vrijwilligers. De organisatie wist dat die dag traumatiserend kon zijn, en om de symptomen van een posttraumatische stress-stoornis tijdig op te sporen, zal het Rode Kruis zijn hulpverleners een jaar lang psychosociale follow-up verlenen. De coördinatie van deze debriefing wordt gedaan door Merete Mihle; op haar bureau kan ik ook bellen met Are Holen: zijn instituut zorgt voor de psychologische begeleiding van de follow-up en als prof geneeskunde is hij gespecialiseerd in stress-psychiatrie.
Humo: Veel van die hulpverleners hebben gruwelijke taferelen gezien in Oslo en Utøya.
ARE HOLEN «Iets gruwelijk zien, betekent nog niet dat je er "iets" aan overhoudt. De kwetsbaarheid zit 'm in de afstand tot het gebeurde. Als hulpverlener hou je een zekere reserve, een bepaald 'schild' tussen jezelf en degenen die je helpt (of die je als lijk moet bergen). Maar dat schild kan wegvallen als je in dat slachtoffer ineens je kind, je broer of een vriend ziet. Dan identificeer je jezelf met dat slachtoffer en dan verlies je dat beschermende schild, en dàt kan een heftige impact hebben op de hulpverlener. Ik heb met een politievrouw gesproken die een jonge dode zag liggen en in haar hand hield ze nog krampachtig haar mobile phone en ineens begon die te bellen en op de display verscheen "mama" en op dàt moment is die agente ingestort. Ineens was dat lichaam geen slachtoffer meer, ineens was daar een innige band te zien. En dat raakte haar tot in haar diepste gemoed.
Humo: Psychologe Sønstebø haalde aan dat het opruimen van de persoonlijke bezittingen van de slachtoffers ook traumatiserend kan zijn.
HOLEN «Als je die achtergebleven dingen zakelijk beziet als kampeermateriaal, dan ga je daar zakelijk mee om. Maar als je in die achtergebleven spullen de persoon gaat zien, met zijn onbekommerde plezier, met de jeugdige dromen die ie had, that comes close.
MIHLE «Ik sprak een politieman die op de rotsen één roze watersandaal vond. Hij dacht dat het van iemand was die daar gestorven was. Hij raapte die sandaal voorzichtig op, droeg 'm naar één van de boten en wikkelde 'm in een handdoek alsof het een stoffelijk overschot was. Toen ze met hun boot aan de overkant kwamen, was er een andere agent die dat bundeltje uit de boot pakte en bij het afval zwierde. Daar is die man compleet op afgeknapt, die kon niet meer verder werken.
Ik sprak ook politiemensen die de volgende dag hetkamp doorzochten op zoek naar kogels en bewijsmateriaal. En zij zegden dat het 's avonds zo huiveringwekkend was, dat er niemand te zien was, dat de campingplaats leeg en donker was, maar dat er in sommige tentjes schijnsels te zien waren, dat waren displays van mobile phones die oplichtten, dat waren ouders die meer dan vierentwintig uur later nog altijd wanhopig aan het bellen waren naar hun kind. (Het heeft zés dagen geduurd eer alle vermisten geïdentificeerd waren, jh)
Humo: Zouden jullie hulpverleners aanraden om terug te gaan naar het eiland?
HOLEN «Ik zou het zeker aanraden. Als je zoiets heftig hebt meegemaakt, dan hou je daar in je binnenste een beeld aan over, en vaak is dat de ergste horror die je gezien hebt. Als je naar die plek teruggaat, kan dat beeld minder zwaar worden omdat je de rustige natuur ziet, met de wind in de bomen en het kabbelen van het water. Het is een corrigerende ervaring en ze zal je helpen om door te gaan met je leven. Die herinnering blijft dan niet langer zo'n zware molensteen. (Noot: het Rode Kruis stelde vast dat zo'n tien procent van zijn 560 hulpverleners met een vorm van PTSS kampt; zij krijgen nu individuele begeleiding.)
Humo: Hoe denk je over het proces dat nu begint. Dat wordt voor de overlevenden en de nabestaanden allicht weer een trigger van negatieve beelden en gevoelens.
<HOLEN> «Dat is zo, maar het kan evengoed een opluchting zijn. Dat ze zien dat law and order het overnemen en dat deze desperado in staat van beschuldiging wordt gesteld. Tegelijk hoor ik dat buitenlandse en Noorse tv-zenders een aanvraag hebben ingediend om hem te interviewen. Dat is toch een geweldige verschuiving in de media! Kan jij je inbeelden dat een nazi die er prat op gaat dat hij in 1945 een bloedbad heeft aangericht in een partizanendorp, dat men die in 1946 voor een groot wereldwijd interview zou vragen?! Dat is toch een vorm van vrije meningsuiting waarbij je vragen kan stellen."
Bootsman Kasper Ilaug (foto K.I.)
Ronde van Frankrijk
Na Oslo wordt de weg smaller, komen er bossen en heuvels en vlagen oude sneeuw en nu sta ik aan het Sundvolden Hotel in Hole. Dat was het crisiscentrum op drie kilometer van Utøya, hier werden op 22 juli de wanhopige ouders en familieleden opgevangen.(Een Rode Kruis-medewerker: "Bij andere rampen moet je soms een kleine groep familie opvangen, maar hier stonden er honderden tegelijk, we waren er absoluut niet op voorbereid.")
Wie toen méér wist dan die ouders, is Kasper Ilaug (53), één van de omwonenden die met een bootje zo'n twintig jongeren heeft gered. Hij komt me tegemoet op het hotelterras en alles aan hem is ongedwongen, de lange sjaal, de leren vest, de pet en de zonnebril. Ilaug praat en praat zonder ophouden. Hij is een langlaufer in een eindeloos spoor van gedachten, opgekropte gevoelens, bedenkingen, vragen en schampere kritieken. Het ene ogenblik filosofeert hij over Het Goede in de Mens, het andere moment spuwt hij zijn venijn over sommige lokale jerks die afgunstig zijn op de redders en op de internationale belangstelling die ze genieten. Maar eerst moeten we terug naar 1965.
Ilaug: «Mijn ouders hebben in 1965 een summer cabin laten bouwen op Storøya, dat is een eiland op drie km van Utøya. Ik was toen zeven jaar en ik heb daar leren zwemmen en leren vissen. Ik ben gehecht aan die plek, het zijn mijn diepste jeugdherinneringen en ik kom er nu al bijna vijftig jaar. Een vast deel van m'n zomervakantie, is het kijken naar de Ronde van Frankrijk. Elke namiddag zit ik voor die tv met een goeie scheut drank erbij, en dit jaar wilde ik zéker kijken, want Thor Hushovd en Boasson Hagen deden het geweldig. Die vrijdagnamiddag was het de bergrit naar Alpe d'Huez, en dat wil je als Tourliefhebber toch niet missen! Maar ineens werd het programma onderbroken door die aanslag in Oslo. Ik sakkerde: waarom schakelen àl die Noorse zenders over op die aanslag, waarom blijft er niet één zender bij de Tour?! Ik ben dan maar op een sportzender beginnen kijken. En kort voor zes uur kreeg ik telefoon van m'n vriend Ulf, die heeft ook een summer cabin op Storøya, maar hij zat op dat moment thuis. Ze zouden zo dadelijk naar een feest gaan, z'n vrouw was in de badkamer, hij zat in z'n smoking en surfte op internet om meer te weten over die aanslag in Oslo, en ineens zag hij het eerste nieuws over Utøya dat daar een schietpartij aan de gang was. En hij belde me op: Kasper, je moet de boot pakken, je moet daar mensen van dat eiland gaan halen. Ben je gek, heb ik gezegd, daar begin ik niet mee, en trouwens, je weet dat ik geen boot heb. Maar hij drong aan, dat ik de boot van de buurman moest nemen. Maar die is defect, heb ik gezegd, die motor valt altijd stil. Maar Ulf bleef maar aandringen, sleur die motor toch in gang, probeer het, probeer het, ik vrààg het je! En dan heb ik lachend gezegd: OK, tot uwe orders! Inspector Clouseau is ready! Dat is Pink Panther hé.»
© Jan Hertoghs
Kogel door mijn hoofd
«In onze baai waren nog weinigen op de hoogte, iemand was zijn gras nog aan het afrijden! Ik heb een overall met gele fluostrepen aangetrokken en een rode bouwvakkershelm opgezet, zo had ik toch iets van een hulpverlener, en de motor startte al na een paar keren. Maar toen ik zo'n honderd meter van het eiland was, heb ik ingehouden... Er zit daar een blinde vlek in mijn geheugen: heeft hij op mij geschoten of heb ik alleen maar zijn schoten gehoord, ik kan het me niet meer herinneren. In elk geval, ik zie me nog twijfelen, ineens dacht ik aan het gevaar dat ik liep en ik voelde een kogel heel langzaam en heel precies dwars door mijn hoofd gaan. Ik was al half omgedraaid, ik had m'n rug al naar het eiland, toen er ineens iets anders in mijn hoofd drong. Een heel klare gedachte! Dat ik niet dood wilde, maar dat ik ook niet de loser wilde zijn die op zo'n dag in de kont van een stel renners zat te kijken! Toen ik dat bedacht, viel er een pak van m'n hart. Ik was al maanden depressief en lusteloos, m'n vriendin met wie ik twee jaar samen was, had het enkele maanden eerder afgemaakt, en ineens was die lusteloosheid van het alleen zijn verdwenen, ineens was ik één en al energie! Er was ook wel alcohol bij van die namiddag, maar het meeste was pure adrenaline! Ik heb de boot gedraaid en heel gefocust en kalm ben ik naar die oever gevaren. Ik zag daar zeker acht of negen lichamen op de rotsen liggen die niet meer bewogen, en verder varend zag ik zo'n vijftien jonge gasten zich half verborgen houden, ze waren in zwembroek en ondergoed, ze kleumden van de kou, ze stonden op het punt van te gaan zwemmen, en of ik een politieman was. Ik zei dat ik een burger was die hen kwam redden en toen hadden ze het over een politieman die iedereen dood wilde schieten. Ze hadden de doodsangst in hun ogen, ze waren helemaal in shock. Ik denk dat ik die eerste keer tien of elf jongelui heb laten instappen, daar was ook een zwarte jongen bij met een sarcastisch t-shirt "Are you afraid of the dark?" De boot was vol, ik moest er vier op de rotsoever achterlaten. Ik kom direct terug, zei ik, maar eén meisje begon toen te huilen en om paniek te vermijden heb ik heel autoritair gezegd: Iedereen op de grond liggen nù! En stil zijn! Ik breng jullie naar de overkant! Daar zijn dekens en verplegers, daar zal men jullie verder helpen.
En dat heb ik nog niet verteld. Ik had een cell phone bij en daarmee heb ik die jongeren gefotografeerd. Toen ik later hoorde wat er echt gebeurd was en hoeveel doden er waren, toen heb ik me beschaamd en schuldig gevoeld over dat onnozele gedrag. Maar ja, zo was ik vertrokken, als in een actiefilm.
Die jonge gasten zijn dan uitgestapt nabij Utvika en ik ben gelijk teruggevaren om die vier overblijvers te evacueren. Gelukkig waren ze er nog. Dat geluk hebben andere redders niet gehad. Ze vaarden terug en wie op hen moest wachten, lag dood op hen te wachten.
Na de tweede overtocht, ben ik nog een derde keer gevaren, deze keer naar het Pumpehuset (pomphuis), en al van ver zag ik jonge gasten zich tegen de rotsen verstoppen. Ik wuifde en wuifde om te laten zien dat ik eraan kwam, maar ze wuifden niet terug, en toen zag ik aan hun houding dat ze dood waren. Zeker zeven doden lagen daar. Verderop stonden zes gasten teken te doen, die heb ik opgepikt, en achter hen, bovenop een steile klif liepen nog drie jongeren. Ik zei dat ik niet kon wachten tot ze beneden waren, ik zei dat ik zou terugkomen, maar toen is ééntje in paniek van acht meter hoog gesprongen, hij wilde absoluut mee, maar hij had dood kunnen zijn, hij had zijn nek kunnen breken in dat strandwater vol rotsen.
Toen ik ze in Utvika had afgezet en een vierde keer wilde varen, toen viel de motor stil. Dat was een teken van God en dat teken heb ik goed begrepen. God had ervoor gezorgd dat de motor niet één keer sputterde, maar nu was het genoeg geweest. God is geen technicus die een motor ook kan herstéllen! En zoveel dat toen door mijn kop schoot. Goed en kwaad. Leven en dood. Jongeren die sterven en een 53-jarige die in een boot dobbert. En wat als mijn ouders die summer cabin in 1965 niet gekocht hadden? Dan was ik hier niet geweest!
De politie deed teken naar de civiele boten dat ze terug moesten en dat zij het wel zouden overnemen. Mijn buren, Helge en Sissel, hadden ook kinderen gered en zij hadden gezien dat ik stilgevallen was, zij kwamen langszij, maakten een touw vast en trokken mij full trottle naar huis. Ik vond dat verschrikkelijk. Ik wilde daar niet weg. Ik zat vol adrenaline, ik wilde nog helpen, ik wilde iets doén!!
En zo ben ik de avond en de nacht ingegaan, met een kop vol gedaas en duizenden gedachten. De politie had een perimeter van een paar kilometer ingesteld waar niemand mocht komen en zo kregen wij in feite huisarrest. 's Nachts zag ik overal lichtende vensters op ons eiland en op het vasteland, iedereen was nog op, maar niemand kwam buiten.
Ik voelde me opgesloten gelijk een wild dier. Ik had ook genoeg gedronken en ik moest met iemand kunnen spreken, ik moest mijn verhaal kwijt, en dan heb ik zelf CNN gebeld en zo ben ik via Skype meerdere minuten op CNN geweest. En weet je wat ik als slot heb gezegd?! Dat dit voorval mijn leven niet zou veranderen, (schamper) dat ik wel gewoon zou kunnen doorgaan met m'n bestaan. Zie je mijn knikkende been, en zie je hoe onrustig en hyperkinetisch ik ben, dat komt door al dat vertellen, kom, we gaan een eindje rijden.»
Picknick
In de kleine superette slaan we wat proviand in en dan rijden we naar 'zijn' eiland Storøya dat bereikbaar is met een soort drijvende brug. In de baai waar z'n summer cabin staat, liggen de boten nog omgekeerd op het rotsenstrand, zo hebben ze de winter getrotseerd. Hij zegt dat er op Storøya zo'n honderdvijftig vakantiegangers zijn als het zomer is. En dat hij tot vorig jaar alleen maar goeie herinneringen had aan deze plek en dit meer. En dat zijn kameraden in de jaren zeventig wel eens met hun boot naar dat kamp op Utøya vaarden om daar in een tent te liggen, drinking and kissing the girls, maar hij is nooit meegegaan, hij kent Utøya alleen van het vissen in het water rondom, daar zitten baars, snoek, witvis en drie soorten forel.
Zo zitten we hier op de rotsen, vlakbij een staak met een reddingsboei en één motorbootje dat al in het water ligt. We breken het brood en de kaas en houden een picknick met uitzicht op het eiland van de voorpagina's. Hij wijst op de twee locaties waar hij gaan redden is en dat hij de politie door een megafoon heeft horen spreken. "Ik heb niks verstaan maar dat moet de arrestatie van Breivik zijn geweest."
Daarna heeft hij twee weken "een demper" in zijn oren gehad: "Ik hoorde alles, maar de knop stond de helft stiller. Ik wist niet wat ik had."
"Na die 22ste juli kreeg ik het ook benauwd van dat eiland. In augustus had ik zelf opnieuw een boot, maar ik voer die kant niet meer uit, ik viste daar niet meer, ik vermeed zelfs om naar het eiland te kijken. Tot het op een dag genoeg was geweest. Dat was na een week of zes, het was geen crime scene meer, er dobberden geen politieboten meer, en met een paar andere redders van Utvika camping hadden we zitten drinken, en ineens kregen we dat idee om naar Utøya te varen. Daar aan land hebben we nog kogelgaten in de huizen en de bomen gezien. De anderen hadden er gauw genoeg van, maar ik wilde nog blijven, ik zou wel bellen om mij te komen halen. Ik heb toen een heel stuk van dat grintpad gelopen waar ook veel jonge gasten hebben gelopen, en ineens werd mijn benauwdheid minder, en pfoeew!, ineens kwam ook mijn gehoor met een klap terug! Ik was blij, ik belde dat ze me mochten komen halen, maar R. nam niet op, en toen wilde ik naar de overkant zwemmen. Dat was dwaas van mij, maar ik wilde zwemmen zoals die jonge gasten hadden gezwommen, ik zag dat als een eerbetoon, en R. had me gezien, hij kwam op me afvaren: ben je gek geworden, Kasper, het is september, dat water is te koud! Ik zei dat het een tribute was, en hij blafte, "drop that movie shit, Kasper, je zit niet in een film, je zit in ijskoud water en je gaat een longontsteking krijgen". Voor de eer ben ik dan nog terug naar het eiland gezwommen en daar ben ik in zijn boot gestapt."
Kasper Ilaug: “ Drie maanden kon ik geen tv kijken. Alle kranten zijn ook onaangeroerd gebleven. Ik kon me nergens meer op concentreren.” © Jan Hertoghs
Geen kranten of tv, geen mensen!
Ik moet hem vaak onderbreken, over welke dag hij het heeft, wie er bij hem was, wanneer dat gehoorprobleem dan begonnen is. Hij weet dat zijn verhaal ongeordend is, "het is af en toe chaos hierboven". En dat hij rust wil in zijn hoofd en in zijn bestaan in plaats van die posttraumatische stress-stoornis : "Niet dat ik last heb van flashbacks of nachtmerries, maar er is dat constante gevoel van onder spanning te staan, en dat is zo uitputtend. We zijn nu maart 2012, dat is acht maanden verder, ik heb mijn job als computerprogrammeur, en ik werk nog altijd niet. Of bijna niet. Als ik drie of vier uur kan werken per dag, dan ben ik al tevreden. Ik kan me niet meer concentreren, het gaat niet. Ook mijn slaappatroon is verstoord. En mijn kortetermijngeheugen. Ik kan iets vast nemen in m'n garage en dan kijk ik ernaar en dan weet ik niet meer wat ik van plan was. M'n psychiater zegt dat die short memory wel zal terugkomen, maar intussen zit ik ermee. Ik ga met de auto naar de stad. Ik vergeet dat ik met de wagen was, ik keer naar huis met de tram en intussen vervalt m'n parkeerbewijs, en zo heb ik op korte tijd acht boetes gehad, dat zijn duizenden kronen!"
"Ik heb die gebeurtenis ook lang gemeden. In dat Sundvolden Hotel had ik gevraagd om elke dag vijf verschillende kranten opzij te leggen. Om de week ben ik ze gaan halen, maar nog altijd liggen ze ongelezen in m'n cabin: zes weken kranten van 23 juli tot midden september. Ik heb zelfs drie maanden geen tv gekeken! Ik kon geen nieuws meer verdragen, ik kon dat gewemel van beelden niet verdragen. Ik kon ook geen mensen meer verdragen. Ik kon niet meer zijn waar gebabbel was. Ik wilde altijd maar rust hebben. Normaal ga ik in september terug naar Oslo. Nu ben ik vorig jaar gebleven tot in december. Ik kon niet terug naar Oslo, het was me daar te druk. Ik wilde weg zijn van alles, ik wilde zo weinig mogelijk mensen zien.»
Psychologe Sønstebø krijgt wel vaker te maken met PTSS-patiënten die de neiging hebben om zich af te zonderen:« Dat komt omdat een aantal onder hen ook in een depressie geraken. Ze weten wie ze waren voor het drama, ze merken hoe ze zich nù voelen met dat leven dat overhoop ligt, en dat deprimeert hen. Ze worden lusteloos en ze sluiten zich op. Want in de buitenwereld komen, dat betekent mensen zien en vragen krijgen (Hé, jij was daar op Utoya hé. Hoe was dat?! Erge dingen gezien, zeker?!) De buitenwereld is ook de plek waar je je minder veilig en minder vertrouwd voelt dan thuis, en zo blijf je daar weg. Je wil nergens meer naartoe, je wil niks meer doen waarvoor je uit je huis moet, en op de duur wil je zelfs niemand meer zien. "
Caterpillar
Kasper wijst naar z'n zomerhuis en naar de nivellering op het terrein errond, daar moet volgende zomer een nieuwe cabin komen, daar is hij na de zomer van 2011 ineens aan begonnen: "Ik heb bij een aannemer een grote Caterpillar graafmachine gehuurd, the biggest I could get, en ik ben daarmee beginnen graven en nivelleren, weken aan één stuk. Ik sliep bijna in die machine. Ik had nooit met zo'n monster gewerkt, ik heb dat moeten léren van nul. En zo kon ik van 's morgens tot 's avonds m'n aandacht afleiden. Zes weken lang heb ik dat gedaan van zes uur 's morgens tot negen uur 's avonds. En als ik wakker werd, was ik blij dat ik weer kon graven. I was singing with the birds and I was digging, - yeah man, dig it! (imiteert de zware grommende motor) En natuurlijk was dat een manier om me af te reageren. Ik kende geen andere therapie dan werken, keihard werken. En ik ben wel zeker dat het mij geholpen heeft. Het ding stond daar altijd klaar, het nam mij in beslag en op z'n beste momenten slorpte het me zelfs helemaal op. Want als je met zo'n ding graaft, dan moet je in driehonderdzestig graden denken: voor, achter, links, rechts, boven en onder. Dus mijn hersenen hadden wat te doen. En er waren dagen dat het goed ging, maar er waren ook dagen dat ik stond te klungelen als een kind. Dan kreeg ik geen enkele handeling gecoördineerd, dan waren m'n hersenen niet mee, dan waren ze bij dat andere ding. Je had me moeten bezig zien met die machine. Acht ton, en daarmee wroet je aarde op, daarmee graaf je rotsen uit, daarmee verbrijzel je dikke stenen, it was me crushing the rocks, it was me fighting the rocks, it was me fighting this tragedy, it was me fighting to get grounded again! Maar ik was 's avonds wel stikkapot, maar zo kon ik tenminste slapen! En natuurlijk was dat de hele dag lawaai, maar ik ben pas begonnen na de zomer als de meeste gasten weer naar huis waren. Soms kwamen ze nog wel 's langs. Ga je een hol graven, Kasper? Ga je een schuilkelder bouwen, Kasper? Is dit nu je zwarte gat, Kasper (lacht)
Utoya, het eiland dat al miljoenen jaren bestaat. © Jan Hertoghs
Hij houdt zijn hand tegen de zon en kijkt of er beweging is bij één van de andere huisjes: "Ik denk dat m'n vriend Ulf thuis is, dat is degene die mij gebeld heeft om uit te varen." We komen aan een bungalow waar emmers, boomzagen en plastic terrasstoelen mekaars gezelschap dulden en de twee kennen elkaar van hun jongensjaren, dat hoor je aan het sarcasme in hun begroeting. Ulf is een zwaargebouwde stoppelbaard van drieënzestig die met zijn hoofd bijna tegen het plafond van de summer cabin komt. Hij maakt een kop koffie en zegt dat de bungalow er al zestig jaar staat, ze is nog gebouwd door zijn vader. En terwijl er op tv voetbal is, zegt hij dat hij zich nog altijd schuldig voelt dat hij Kasper gebeld heeft. En hij heeft dan ook nog eens Helge en Sissel in hun boot gedreven. "Ik wist pas uren later wat er gebeurd was en hoeveel doden er waren. En mijn buren hadden het overleefd, maar het voelde alsof ik ze de dood had willen injagen terwijl ik op m'n gat in de zetel zat." En hij herhaalt het: ik voel me nog altijd schuldig, ik voel me nog altijd slecht.
Kasper wuift het weg, komaan Ulf, ik leef toch nog! "Ja, maar als ik zie hoe jij onder dat trauma lijdt, daar ben ik zelf verdrietig van, dat kan ik zelf moeilijk van me afzetten. Vraag maar na bij Helge en Sissel, die hebben nog altijd slaapproblemen. Ik zag Sissel vorige week en ze lachte, en echt, dat was de eerste keer in acht maanden, en dat is allemaal mijn schuld dat zij psychisch zo afziet. " Kasper weert het opnieuw af: "Ulf, stop daarmee! Zij hebben mij al honderd keren gezegd dat zij sowieso zouden gevaren zijn, ook zonder je telefoon!" Ulf knikt, I know, I know, maar toch zit hij ermee. En we zijn het erover eens, dat drama is een steen in het water en die rimpels dijen maar verder. Ulf knikt. Die rimpels gaan nog een heel leven mee.
De aanlegplaats met de kleine “ferry” .© Jan Hertoghs
Met-1-Been
We rijden weer de hoofdweg op tot aan de kleine wegwijzer Utøya, en dan is er een smal asfalt tot aan het meer en hier tegen het talud heeft Breivik zijn Fiat Doblò geparkeerd voor hij de oversteek begon. Wat zijn z'n gedachten nog geweest toen hij hier uitstapte, op deze plek waar alleen maar grint te zien is en een eiland en een groot meer? Keek hij uit naar zijn schietpartij? Kon hij de schoten al horen terwijl het hier nog zo stil was? En ook de overzet waarmee hij het water overgestoken is, die ligt er nog. Onverstoorbaar, onbeweeglijk, de ijzeren laadklep neergelaten aan de kettingen. Het is de boot die niet weet dat hij nog jàren door boeken en documentaires zal varen.
De Utvika-camping ligt een paar honderd meter verder, en ze ziet eruit als een camping van de jaren zeventig, met zijn houten bord en die geschilderde zon boven het blauwgeverfde water. Hier is de oever met het haventje waar tientallen jongeren naartoe zijn gezwommen of waar ze uit de boten van hun redders zijn geholpen. "De baas van de camping ken ik, hij was hier ook kind in de jaren zestig, en hij heeft mij vorig jaar de redders van de camping leren kennen, en nu hebben we een clubje, we drinken bier en we praten op een heel directe manier over die dag. We zijn dan rauw, we hebben het over Die-Ene-Van-Wie-Het-Oor-Afviel en over Die-Gast-Met-1-Been, en een minuut later spreken we over het weer en het hengelen, zo is dat bij ons. "
Kasper vertelt over het meisje dat naar de overkant zwom met een doorboorde long, "zo'n afstand zwemmen en zo gewond zijn, dat zegt iets over de angst om daar weg te komen, maar het zegt ook iets over de wil om te blijven leven!"
Hij wijst een groot licht huis op een heuvel, "dat is Erik z'n boerderij. 't Is een boer die graag op groot wild jaagt. Hij was nadien kwaad op mij. Dat ik hem niet was komen halen met de boot! Jij had me daar kunnen afzetten met mijn geweer. Ik had 'm kunnen afmaken! Ik had 'm in de kop geschoten!"
De Utvika-camping: vanaf hier zijn redders vertrokken en hebben vakantiegasten radeloos staan toekijken op het drama. © Jan Hertoghs
I am a rock
Wat verderop staat een monument, een kleine opstaande rots met aan de voet een knuffel, Noorse vlaggetjes en kaarsen in een glazen houder. Verder is er alleen het knarsen van de loopplank die op tonnen rust, een gerucht van ijzer en hout, een geluid van alle dagen.
Kasper duidt op een andere rots en vertaalt het Noors van de zwarte viltstiftletters: Synne, je zal altijd in mijn hart blijven. En hij gaat met zijn vinger over die letters en er komen tranen in z'n ogen. Hij wil ook nog een andere tekst van het kleine monument lezen, maar zijn stem stikt al halverwege. If one man can show so much hate, think how much love we can show, standing together. Dat zei één van de overlevenden, kort na 22 juli.
Hij is nu een man van gekruiste armen en een lang stilzwijgen. De lucht is blauw, de wolken zijn overrompelend wit, en de avondzon schuift langzaam achter dat ene onbewogen eiland. Ik kan zeggen dat het hier vrede is. Met die witte luiken van de zomerhuizen, met die steigers en laddertjes om na het zwemmen uit het water te klimmen, en met die trampolines die klaar staan voor de warme dagen. Kasper zegt dat Utøya vierhonderd miljoen jaren oud is: "Wij, en alle generaties na ons gaan al eeuwen dood zijn, maar dat eiland gaat er nog altijd zijn en wat zal die ene vrijdag dan nog betekenen? "
Er daagt me een refrein van Simon & Garfunkel. I am a rock. I am an island. And a rock feels no pain. And an island never cries.
Pas later heb ik dat opgezocht. Dat Simon and Garfunkel hun liedje voor het eerst brachten in 1965.
Het was het jaar dat Kasper zeven werd.
Het was het jaar dat Kasper leerde zwemmen en vissen.
© Jan Hertoghs
Tien jaar na Utøya (2): de onderzoeksjournalist en de psychologe van de overlevenden
(c) Jan Hertoghs
" Psychiaters verklaarden Breivik krankzinnig, maar hij plande àlles en wist héél goed wat hij deed.”
De boten op het meer liggen met dekzeilen in het smeltende winterijs. De man wandelt met zijn hond. De kinderen eten hun appel. De zon schijnt op het bleke hout van het staketsel en nachtmerries zijn iets voor in een interview. Een onderzoeksjournalist sprak met meer dan honderd directe betrokken van de bloedige tragedie op 22 juli 2011.
In Noorwegen staat Kjetil Stormark (41) al jaren bekend als gravejournalist, wat Noors is voor onderzoeksjournalist: hij die graaft en spit. Stormark publiceerde in december "Da terroren rammet Norge" (Toen de terreur in Noorwegen toesloeg). Het boek is een chronologisch verslag van de "189 minuten waarin één man zevenenzeventig mensen doodde". Stormark had daarbij toegang tot politierapporten en hij en z'n researchers interviewden honderdtwintig directe betrokkenen: ambulanciers, agenten, redders per boot en stafleden van de crisiscentra. Hij sprak ook met zo'n twintig overlevenden van Utøya en bij het komende Breivik-proces is hij één van de hoofdverslaggevers voor de Noorse commerciële televisie.
Humo: Ik las dat men zich op Utøya zowat overal verstopte: in grachten, achter rotsen en zelfs hoog in een boom.
Stormark: «Ja, en om niet op te vallen, hebben velen ook hun kleren uitgetrokken. Op zo'n kamp draag je vaak felgekleurde t-shirts en regenjacks, dus die hebben ze weggestopt, ondanks de regen en de kou. Sommigen die het noodnummer belden, kregen de antiterreurpolitie aan de lijn en die gaf de raad om zich met slijk in te smeren, als camouflage."
Humo: Ze hebben zich ook verstopt in toiletten en wasruimtes en in grotten nabij het fjord.
Stormark: «In die nauwe toilethokjes zaten ze soms met vier of vijf bijeengekropen. Het vreemde is dat hij die toiletruimtes niet is binnengedrongen om door die deuren te schieten; iets heeft hem daar tegengehouden. En je spreekt over die grotten, maar die kon je alleen bereiken door langs een steile klif af te dalen en dan een paar meters te zwemmen. Daarvoor moest je het eiland al heel goed kennen om die locatie te vinden, en je moest koelbloedig genoeg zijn om een kant uit te gaan waar aanvankelijk niemand naartoe liep. Het is ook aan de dodentol te zien, vooral de jongsten hebben hun leven verloren, zij die het eiland amper kenden of zij die mogelijk niet zo koelbloedig waren als de wat oudere kampeerders. (56 van de 69 slachtoffers waren nog geen twintig jaar, er waren ook twee veertienjarigen bij,jh)
Humo: Ik las ook dat sommigen zich onder lijken van anderen hebben verstopt.
Stormark: «Dat is zo. En het is zo delicaat dat ze er amper over kunnen spreken; zeker als je je hebt moeten verbergen onder het lichaam van een vriend of vriendin.
Humo: Soms leek hij zelfs "genade" te hebben. Zo "spaarde" hij het leven van één van die elfjarige jongetjes.
Stormark: «Ja, dat was dat zoontje van die off duty politieman die als steward op dat kamp was. Drie getuigen hebben dat kind horen zeggen: hou op! hou op met iedereen dood te doen! je hebt ook al mijn vader doodgedaan! En Breivik keek 'm langdurig aan en ging verder. Was het toch een vorm van empathie? Of dacht hij dat het doden van kleine kinderen zijn politieke zaak geen goed zou doen, ik weet het niet. Eigenlijk had hij absoluut geen genade. Er is dat getuigenis over jonge gasten die in een gracht verstopt zaten, ze riepen, please, please, don't shoot us. En hij knalde ze af alsof het niets was. Sommige jongelui zijn tot zes keer door een salvo geraakt, en elk salvo was van heel dichtbij.
Humo: Er is sprake van negenenzestig doden op Utøya, maar hoeveel gewonden waren er?
Stormark: «In de aanklacht spreekt men van drieëndertig gewonden, dat zijn jongeren die hij beschoten heeft, maar die hun schotwonden overleefd hebben. Ook zijn er tientallen kampeerders die breuken en andere verwondingen hebben opgelopen toen ze op de vlucht waren voor hem. Dat aantal is zo hoog omdat het terrein zo ruw is: van zo gauw je dat wandelpad, de sportvelden of het tentenkamp verlaat, moet je langs en over rotsen die overwoekerd zijn met doornen en struiken. De westkant van het eiland is een heel steile rotswand; sommige jongeren zijn daar willen afdalen en één van hen is zelfs te pletter gestort.»
Allicht gaat het om de jongen die samen was met de 16-jarige Tsjetsjeen A.D. Beide hielden zich verborgen aan de onderkant van een klif, er was amper een uitsteeksel voor hun voeten, en dus moesten ze zich vastklampen aan boomwortels die uit de grond staken. Breivik was zo dicht bij hen dat ze "zijn schoenpunten konden zien," maar hij zag hen niet. De andere jongen had na veertig minuten niet langer de kracht om die wortels vast te houden en hij stortte te pletter op lagere rotsen. A.D. wist zich twéé uur aan de wortels vast te klampen voor hij uit zijn schuilplaats durfde te klimmen.
De kleine overzetboot waarmee Breivik op het eiland geraakte. © Jan Hertoghs
Humo: Heel bevreemdend is Breivik's aankomst met die ferry. Die paar mensen aan de aanlegsteiger waren - gezien de aanslag in Oslo- zelfs blij van een politieuniform te zien. Breivik zei hen "dat er nog twee collega's op komst waren" en dan hebben ze zijn zware koffers helpen dragen, die later vol wapens en ammunitie bleken te zitten.
Stormark: «Het was de kapitein van de kleine veerboot die hem geholpen heeft en die de hard case koffers achterin een auto heeft geladen. Met die auto zijn ze tot bij het hoofdgebouw gereden, een kleine honderd meter langs een helling. Toen hij met z'n auto van het gebouw wegreed, hoorde hij ineens schoten, en als hij ging kijken zag hij zijn vrouw op de grond liggen en net dan schoot Breivik ook de man neer die daar als off duty politieman voor de veiligheid moest zorgen.
Humo: Ondanks die doden heeft hij die rol van ik-ben-de-beschermende-politieman nog lang kunnen spelen.
Stormark: «Ja, omdat iedereen zowat verspreid zat op dat eiland en niemand wist van wie de schoten kwamen. Tegen de eerste groepjes die hij zag, zei hij dingen als: kom wat dichter bij mij staan, zo kan ik jullie tellen, en dan opende hij het vuur. En bij het pomphuis (waar veel weggelopen jongeren bijeen zaten) zei hij: kom maar mee, ik weet een boot waarmee we veilig weg kunnen, en toen een meisje naar zijn politiebadge vroeg, schoot hij haar in het hoofd. Het is pas toen men mekaar begon te sms-en dat de dader eruitzag als een politieman, dat zijn aanpak niet meer lukte.
Humo: Naar het einde begon hij -volgens sommige Engelse kranten- te provoceren: speel geen verstoppertje! kom maar af, kom hier maar spelen!
Stormark: «Daar is me niets van bekend. Wel hebben verschillende mensen hem triomfantelijk horen juichen, lachen en hoera! roepen, telkens als hij raak trof. Alsof het een game was. Anderen hebben dan weer gezien dat hij kwaad werd als hij miste, en dat hij dan wildweg in de grond of in de struiken vuurde om zijn frustratie af te reageren. Naar het einde toe is hij ook dingen beginnen roepen als "ik ga jullie allemaal kapotschieten! jullie moeten er allemaal aan!"
Hij had het ook expliciet over hun ideeëngoed. "Jullie, culturele marxisten, ik maak jullie allemaal kapot!" Het vreemde is dat die uitlatingen in het begin nog verteld werden, maar dat de overlevenden ze later bewust of onbewust weg lieten. Alsof ze instinctief aanvoelden dat het politiek correcter was om die dingen weg te laten. Men wil hem zoveel mogelijk negeren, en dus wil men ook op geen enkele manier verwijzen naar zijn extreemrechtse ideeën.
Humo: Klopt het dat Breivik soms dumdumkogels gebruikte?
Stormark: «De juiste term is uitzettende kogels omdat ze een holle punt hebben en breed openplooien als ze een doelwit raken. Wat dus vreselijke wonden veroorzaakt, maar daarom niet altijd de dood. Vandaar dat hij zijn slachtoffers extra afmaakte met een schot door hun hoofd. Anderzijds zijn die kogels allicht de reden waarom hij niet in gebouwen kwam en niet door de deuren van toiletten en wasruimtes heeft geschoten. Omdat hij wist dat die uitzettende kogels snelheid verliezen als ze door een wand gaan.
Humo: Hoevelen zijn kunnen wegzwemmen van het eiland?
Stormark: «Het moeten er meer dan tweehonderdvijftig zijn geweest. (Later kon je in Noorse kranten lezen dat sommige overlevenden hun zwemlesgever gingen bedanken met bloemen, jh) Sommigen hadden van het eiland ook een plank mee, dan hadden ze toch een drijver en houvast bij die lange afstand. Niet iedereen is die zevenhonderd meter tot aan het vasteland gezwommen, soms was het zelfs drié kilometer als ze vanaf de "achterkant" van het eiland vertrokken waren. Heel veel jongeren zijn uit het water opgepikt door boten van campinggasten (aan de oever van het vasteland was de Utvika-camping,jh); en als hun boot vol was, wierpen zij ook nog reddingvesten uit voor de achterblijvers. Niet dat je in het water zo veilig was, Breivik heeft ook op zwemmers geschoten en een aantal onder hen dodelijk getroffen. Eén jonge zwemmer is ook gestorven van kou en uitputting.
Al die gewone vakantiegangers die met hun bootjes tientallen gered hebben, dat zijn voor mij de ware helden van die dag. Erg genoeg lijden velen onder hen nu aan schuldgevoelens, dat ze niet genoeg hebben gedaan. Ze haalden bijvoorbeeld een volle boot van de oever, ze zegden tegen de anderen dat ze terug zouden komen, en als ze een goeie tien minuten later terug waren, zagen ze die jonge gasten daar dood aan de waterkant liggen. Dat is vreselijk om mee te maken.
Toch heb je in zo'n extreme situatie ook mooie verhalen. Een jongen en een meisje zwemmen voor hun leven, komen heelhuids aan land, en hebben zo'n bijzondere emotionele band dat ze nadien verliefd en een koppel zijn geworden.
Humo: Je bent er vroeger ook op zomerkamp geweest?
Stormark: «Toen ik zeventien was, ja. Ik was geen deelnemer, ik deed het soort klussen dat de vrijwilligers doen. Dus ik ken het eiland en ik heb ook nog vrienden uit die tijd, onder andere vijf ouders die op 22 juli een kind hadden op Utøya, en alle vijf hebben die het wonderwel overleefd. Dat maakt dat ik heel betrokken ben, maar toch heb ik een sober boek willen schrijven. Zeker geen sensatieverhaal dat de nabestaanden zou kunnen grieven.
Onderzoeksjournalistiek Kjetil Stormark reconstrueerde de koelbloedige wijze waarop Breivik tewerkging. (ingescand uit Humo/ Ingve Aalbu - Dalane Tidende)
Humo: Bijna eenderde van de slachtoffers zou in de laatste twintig minuten zijn gedood. Die doden hadden vermeden kunnen worden met een efficiëntere interventie van de politie.
Stormark: «Ja, de politie is al tegen half zes verwittigd geworden en Breivik is pas na half zeven gearresteerd. Twee agenten van de lokale politie waren tegen zes uur al aan de kaai, maar de overzetboot was uit schrik voor nog meer terroristen weggevaren naar een andere baai, die konden ze niet gebruiken. Die agenten hadden een of meerdere boten van de campinggasten kunnen opeisen, maar van hogerhand kregen ze geen toelating om die boten aan te slaan, ze moesten wachten op hun eigen interventieboot die van een nabijgelegen gemeente moest komen. Die politieboot was voorzien voor tien manschappen, maar -in al hun ongeduld- zijn ze aan boord gegaan met elf agenten én met zo'n 300 kg aan zware wapens en ammunitie, waardoor de boot eigenlijk het gewicht droeg van vijftien personen. Gevolg: de boot ging niet alleen traag, hij hing ook te diep, waardoor er water in de motor en in de benzine is geraakt en waardoor ie stilviel. Het zijn dan locals die met een speedboot langszij zijn gevaren en die de agenten naar Utøya hebben gebracht. Ik heb met enkele van die anti-terreur-agenten gesproken, die gasten waren razend. Zij hoorden schoten op het eiland, zij wisten dat daar doden vielen, en ze zaten daar als sitting ducks in die stilgevallen boot. Het politiecommando heeft later een rapport bekendgemaakt dat ze zestien minuten eerder op het eiland hadden kunnen zijn.
Humo: Noorwegen heeft bergen en fjorden, er moeten toch reddingshelicopters zijn geweest die ingezet konden worden.
Stormark: «Het probleem is dat die helicopters bestemd zijn voor civiel reddingswerk, en dat hun bemanningen niet getraind zijn op gewapende interventies. Er was die dag wel een militaire helicopter met special forces voorhanden, maar die stond een heel eind uit de buurt, dus ook daar was er tijdverlies. Ja, we zijn een land dat lang verschoond is gebleven van terreur, dat was te merken. Ik was één van de weinige journalisten die voor 2011 al langere stukken schreef over de vraag of onze politie voldoende uitgerust was tegen een mogelijke terreuraanval en of ons land wel afdoende beveiligd was tegen terrorisme. Ik zeg dat niet met leedvermaak, ik ben er ook niet trots op, maar het zijn wel vragen die nu ineens ernstig worden genomen.
Cover van het boek van Stormark “Toen de terreur in Noorwegen toesloeg”
Homegrown terrorist
Humo: Overlevenden beschreven hoe gefocust Breivik tewerk ging. Tegelijk is er de diagnose van de gerechtspsychiaters die hem krankzinnig verklaren. Jij hebt met veel ooggetuigen gesproken die hem bezig zagen. Wat voor beeld heb je daarvan overgehouden?
Stormark: «Ik ben niet alleen voortgegaan op die verklaringen, ik heb als enige journalist ook inzage gekregen in de zevenduizend e-mails die hij de laatste jaren verstuurde. En daaruit komt hij naar voren als iemand die extreem berekend is en ook uitermate precies wat betreft de uitvoering van zijn plannen. Hij ziet geen enkel detail over het hoofd, hij denkt vooruit en neemt àlle voorzorgen om te kunnen slagen, hij laat ook geen sporen na die belastend of compromitterend kunnen zijn, en hij gedraagt zich onopvallend voor familie, buren en bekenden. Hij is systematisch, methodologisch, hij heeft een oog voor àlles kan je zeggen, maar tegelijk heeft hij geen enkel oog voor de menselijke kant, hij stapt als een schietende robot over dat eiland, zonder énige empathie. Meer nog, hij zal zelfs juichen als hij iemand raakt, en dat heeft dan weer meer van een lunatic. Maar in zijn nauwgezette voorbereiding is er niks lunatic te zien. Daar is hij in control of everything. En ook in control of himself. Naar mijn mening is hij toerekenbaar en moet hij als dusdanig berecht worden. Het is nu afwachten wat die tweede groep psychiaters zal zeggen.
Humo: Dat moet een klap zijn voor de nabestaanden en de overlevenden. Dat ze niet te maken hadden met een politieke dader, maar met een crazy killer. Dan is het alsof hun levens "voor niks" zijn verspild.
Stormark: «Voor de nabestaanden en de overlevenden kan dat kloppen. Maar ik denk dat men erop aanstuurt om hem krankzinnig te verklaren en dat de publieke opinie die "oplossing" zelfs genegen is. Want hoe ga je om met iemand die zevenenzeventig doden maakt als politiek statement?! Dat is veel harder om te verteren, want dat wil zeggen dat de Noorse natie in eigen boezem zal moeten kijken. Hij is hier immers opgegroeid, hij heeft hier onderwijs genoten, hij is hier niet opgemerkt door de sociale diensten na de scheiding van zijn ouders en hij is ook onder de radar gebleven van de politie en de veiligheidsdiensten toen hij wapens kocht en contact nam met andere rechts-extremisten. Het is veiliger om hem krankzinnig te verklaren, dan hoeven er verder geen vragen meer gesteld te worden, dan kan hij simpelweg in de vergeetput, case closed. En als hij als geïnterneerde ooit dreigt vrij te komen, dan zal Justitie wel iets vinden om dat te voorkomen.
De algemene houding is: wij zijn een uiterst vredelievend land, dus kàn het niet dat wij een homegrown terrorist in huis hebben. En dus moet hij weggerangeerd worden.»
Eén maand voor de aanslagen zorgde de televisie- tocht van de Hurtigruten voor een volksfeest in Noorwegen.
Exact een maand voor de aanslagen was Noorwegen nog een toonbeeld van grote nationale vreugde. De Noorse publieke omroep NRK 2 volgde toen het Hurtigruten-cruiseschip dat in vijf en een halve dag van Bergen naar Kirkenes (boven de poolcirkel) vaarde. De schepen van de rederij Hurtigruten varen al sinds 1893 langs hun vertrouwde dagelijkse route, maar deze reis was non-stop te volgen op tv en op de site van de Noorse openbare omroep NRK. Het "langste en allertraagste tv-programma ter wereld" werd een ongeëvenaard succes. Later bleek dat zo'n drie miljoen Noren korte of langere tijd gekeken had: dat is bijna 7O% van de bevolking. Op elk uur van de dag en de nacht waren er honderdduizenden tv-kijkers en op Facebook en Twitter vertelden fans dat ze 72 uren gekeken hadden zonder een oog dicht te doen.
Op zich was er weinig te zien. Vaak alleen maar de schuimende scheepsboeg of het panorama vanop de brug. Maar de boottocht werd een social event. Honderdduizenden wisten dat andere honderdduizenden zaten te kijken en op alle sociale media kwamen de uitroeptekens los: hoe geweldig dit was om deze reis te volgen. Ook langs de route zelf ontstond een volkstoeloop: er werd van overal intens gewuifd naar de boot, en niet alleen aan huizen werd de Noorse vlag gehesen, maar ook op bruggen, steigers en vuurtorens. Op het water kwamen speedboten en zeilscheepjes langszij om de passagiers te begroeten, op bruggen en staketsels stonden muziek- en volksdansgroepen blij te spelen en waar geen muziek was, daar klonken kanonschoten of luidden de kerkklokken. In de schemer van de midzomernacht konden de passagiers op de oever vreugdevuren zien branden, ontstoken tot in de kleinste gehuchten en de meest afgelegen boerderijen. Het was een collectieve geestdrift die miljoenen in de ban hield, er was sprake van nationale trots, en mensen schreven dat ze met tranen in de ogen hadden zitten kijken. Ik heb zelf ook de vreemde ontroering ondergaan van dat traag varende schip dat door al die samenhorigheid plots uitgroeide tot een nationale held.
Op woensdag 22 juni kwam de boot aan in Kirkenes, op vrijdag 22 juli arriveerde het noodlot in Oslo en Utøya. De rimpelloze wereld voor altijd gebroken.
Ik hou van jullie xxx
Ingrid Sønstebø (43) is de kommunepsykolog van de gemeente Ringerike, dat is de hoofdgemeente waarbinnen het eiland Utøya gelegen is. Sinds 22 juli heeft ze zo'n tachtig inwoners op consultatie die bij de hulpverlening betrokken waren als ambulancier, politieman of reddingswerker, of die op de dag van de schietpartij in de buurt waren als campinggast of als gezin dat een vakantiehuis bewoonde nabij Utøya. In oktober was ze ook terug op het eiland, samen met nabestaanden en overlevenden.
SØNSTEBØ «De voormiddag van die bezoekdag was voor de ouders van de slachtoffers, de namiddag voor de overlevenden. De politie leidde de ouders rond en wees waar hun kind gestorven was, en werkelijk, die agenten -meest mannen dan nog- waren geweldig, zo empathisch als ze omgingen met die ouders: hoe ze het kind gevonden hadden, hoe het daar lag, wat het bij zich had, ze hebben dat heel omzichtig en correct weten te vertellen.
Politie, brandweer en Rode Kruis hadden ook schoongemaakt. Nergens lagen nog kogelhulzen, nergens was nog bloed of een ander spoor van terreur te zien. Mij troffen de happy things die je ziet. Zo hingen er nog affiches met reclame voor een cake-abonnement: voor 100 kronen mocht je gedurende heel dat kamp zoveel cake en wafels eten als je wilde. Waffles are good for you! Het stond er alsof het kamp nog bezig was.
Ik zag die ouders over dat Love Path gaan, dat grintpad rond het eiland, en je voelde haast hoe die jonge gasten daar met plezier hadden rondgelopen en tegelijk wist je: hier zijn velen de dood ingelopen.
Veel ouders vertelden ook over de smsjes die ze nog hadden gekregen van hun kind, dat was na de bomaanslag in Oslo. "Mama, papa, maak je geen zorgen, wij zitten hier veilig, dit eiland is the safest place on earth!" En een goed uur later kregen ze bericht dat er een schietpartij aan de gang was. Sommige ouders hebben dat hele drama kunnen volgen via berichten van hun kind. Voor die ouders was dat verschrikkelijk. Je bent ouder, je wil instaan voor je dierbaarste bezit, en hier stonden ze machteloos. Dat was zo traumatiserend. Zelfs ouders die hun kind terugzagen, zijn nog altijd getraumatiseerd omwille van de angsten die ze doorstonden. De ouders die hun kind verloren houden al die berichtjes bij. Die laatste keer dat er "Jeg elsker dere!" ("Ik hou van jullie!") op die display staat, dat betekent zovéél voor hen.
GVA 22/7/12
Humo: De ouders konden ook bloemen achterlaten op de plek waar hun kind gestorven was.
SØNSTEBØ «Dat was geweldig. Er stonden overal emmers waar ze prachtige rode rozen konden nemen. En er waren ook kaarsen. En heel veel ouders hebben een foto genomen van die plek met de bloemen en de kaarsen, voor hen is dat als een graf dat daar achterblijft. Toen we 's avond weer naar de kant vaarden, was dat ook zo innig; dat eiland met die donkere contouren, en al die lichtjes die je kon zien! Ja, voor die ouders was echt goed gezorgd. Op de middag konden ze met andere ouders bij elkaar zitten in een grote tent, de tafels waren mooi gedekt met eten en drank, een heel waardig afscheid was dat.
Angst voor de trilfunctie
In de namiddag was het de beurt aan de overlevenden. Die wilden allemaal de route volgen die ze toen gelopen hadden om te ontsnappen. (imiteert de opgewondenheid) Hier liepen we! Hier zaten we verstopt! En toen was hij daar ineens! En daar, dààr heeft hij m'n vriend doodgeschoten!
Het is belangrijk dat ze daar terug kunnen gaan. Want meestal herinner je je een chaotische reeks van heftige gebeurtenissen, en door terug te gaan, zorg je dat er een logisch verhaal ontstaat, zorg je dat er orde ontstaat in die chaos, zo krijg je weer greep op die dramatische ervaring.
We zijn ook in het cafetaria geweest waar veel doden zijn gevallen, daar zag je nog wel de kogelgaten en hoeveel er waren. Wie daar levend ontsnapte, die mocht van een mirakel spreken. Ik sprak een meisje dat van de eerste verdieping in paniek naar beneden was gesprongen. Ze brak haar enkel, ze kon zich alleen nog voortslepen, ze zocht beschutting achter een boom, en daar zag ze Breivik naderen, en terwijl ze zich nog kleiner maakte, zag ze hoe hij andere jongeren neerschoot. En zij die dacht dat ze het niet zou overleven, vanwege die enkel, zij overleefde. Een ander was er getuige van hoe een meisje een jonger kind troostte, ze konden geen kant meer uit, ze zagen Breivik naderen, maar dat meisje bleef dat kind maar sussen, en dan werd ze doodgeschoten. Terwijl ze de armen rond dat kind hield. (schudt het hoofd) Je houdt het niet voor mogelijk wat sommige jongeren hebben moeten zien.
Dan heb je ook het Skolestua bezocht, dat is het oude schoolhuis dat als slaapzaal werd gebruikt. Daar hadden ze zich met zevenenveertig verschanst en voor de ramen hadden ze matrassen gezet. Hij heeft daar niemand kunnen doodschieten. Hij heeft in het slot geschoten, en toen dat niet open sprong, is hij weggegaan. Maar de angst die ze daar hebben uitgestaan! Bijna allemaal waren ze onder de stapelbedden gekropen, ze hielden mekaar vast en in een kluwen lagen ze onder die bedbodems, alsof dat een bescherming bood. En ze hadden hun cell phones op stil gezet en op een hoop gegooid, maar zelfs die bzzz van de trilfunctie was soms hoorbaar in die ijzige stilte, en hoe bang ze waren geweest dat hij dat tot buiten zou kunnen horen. Je moet het je voorstellen dat ze daar anderhalf uur gelegen hebben en anderhalf uur voor hun leven hebben gevreesd. Ze konden ook niet naar buiten kijken vanwege die matrassen voor de ramen, dus die zaten echt opgesloten in hun angst, they were trapped.
Humo: Veel van die overlevenden zullen een posttraumatische stresstoornis hebben opgelopen.
SØNSTEBØ: «De enquêtes daarover zijn nog aan de gang. Het hangt ervan af hoe ernstig je voor je leven gevreesd hebt en hoe lang die angst geduurd heeft. Hier was het een zeer ernstige angst die zeer lang geduurd heeft. Het maakt ook een verschil of je door een natuurramp dan wel door een "medemens" getroffen wordt. In het ene geval kan je dat accepteren als "iets van buitenaf" waar niets tegen te doen was. Maar in het andere geval kan je hele wereldbeeld, je hele vertrouwen in de mens en de mensheid geschokt zijn.
Als je beide factoren optelt, zou dat PTSS-percentage dus zeer hoog kunnen liggen, maar ik hoor van veel jonge gasten dat ze erin slagen om door te gaan met hun leven. Neem al degenen die politiek actief blijven zelfs nadat ze zo zwaar geterroriseerd zijn. Zij zeggen dat ze de jongsten hoop willen geven, dat ze voor de jongsten een voorbeeld willen zijn. We will be okay, zeggen ze, we will manage. Ik bewonder ze, want ik weet hoeveel moeite het hen kost. Dat ze het hoofd recht houden komt volgens mij ook omdat er zoveel steun en troost was van de natie, er wordt hier in Noorwegen echt mee-geleefd.
Humo: Ik heb met Vietnamveteranen gesproken waarvan velen PTSS hadden. Niet alleen om wat ze in de oorlog hadden meegemaakt, maar ook vanwege de ontvangst "back home". Ze werden met de nek aangekeken door de media, werden op straat beschimpt als kindermoordenaars, terwijl ze als miliciens niet eens gevraagd hadden om daar te zijn.
SØNSTEBØ «Dat is het verschil, wij beschouwen die jonge gasten haast als helden omdat ze daar levend vandaan zijn gekomen. Wij zien ook in dat niet alleen Oslo en Utøya, maar dat heel Noorwegen is aangevallen. Dat hij heel ons maatschappijmodel heeft willen treffen, en daarom zijn we zo medelevend. Iedereen voelt zich geraakt. The whole society was under attack.
© Jan Hertoghs
Humo: U hebt allicht overlevenden gesproken die last hebben van flashbacks.
SØNSTEBØ «Ja, en zo'n flashback grijpt je echt naar de keel. Een buitenstaander kan zich dat niet inbeelden, het is niet zomaar aan de feiten terugdenken en zwaarmoedig worden. Nee, je zit thuis en ineens (imiteert zeer heftige schrikreactie) ben je terug op Utøya en je beleeft opnieuw dat moment dat je in hevigste doodsangst verkeerde. It feels as if it 's happening right now. Bij de enen is dat een "film", een sequentie van beelden, bij anderen is dat één beeld in close-up, nog anderen hebben een intens en bijna ziekmakend gevoel van horror dat hen overvalt. Zo'n flashback wordt getriggerd door iets dat aan het voorval herinnert. Een knal van een uitlaat of een ontploffende ballon kan genoeg zijn. Vandaar ook dat PTSS-patiënten aan vermijding gaan doen. Alles wat zo'n vreselijke flashback kan triggeren, alles wat hen terug naar Utøya slingert, dat mijden ze.
Humo: Het zien van een politieman op straat kan een trigger zijn.
SØNSTEBØ « Ja. En het komt er dan op aan om jezelf "tegengif" toe te dienen, om genoeg politielui te zien of genoeg vuurschoten te horen, dan gaan die triggers uitdoven. Er zijn Utøya-overlevenden die in groep een schietstand van de politie hebben bezocht. Tot ze die knallen konden aanhoren zonder heftige reacties. Dat vind ik heel sterk van ze, en dat hadden ze niet van een psycholoog, dat hadden ze zelf bedacht. Oudejaarsavond was ook een probleem, veel van die jonge gasten waren bang voor de voetzoekers en het openluchtvuurwerk. Maar omdat ze allemaal psychische follow up krijgen, waren ze erop voorbereid. Sommigen zaten thuis naar een rustige film te kijken, maar wel in de kelder en mét een koptelefoon op. Anderen waren met Utøya-lotgenoten samen wat ook een manier is om rustig te blijven. Er waren er ook die op reis gingen naar het buitenland en/of naar een afgelegen streek met weinig nieuwjaargedruis.
Naast de flashbacks en de vermijding is er nog een derde PTSS-symptoom en dat is voortdurende spanning. Het minste kan hen opjagen. Ze wandelen door een straat, iemand die een bus wil halen, komt rennend hun richting uit en ze staan al op hun benen te trillen. Eigenlijk zijn ze doorlopend in hoogste staat van paraatheid en dat is zo uitermate vermoeiend dat ze slecht slapen, dat ze zich niet kunnen concentreren en dat ze slecht verder kunnen met studies of werk. Sommigen moeten thuis blijven van hun werk of dat schooljaar overdoen.
Psychologe Ingrid Sønstebø (ingescand uit Humo/ Karl Braanaas)
Humo: Wie levend uit zo'n situatie komt, heeft soms te kampen met een zwaar schuldgevoel. Zo zijn er overlevenden van de concentratiekampen die eronder gebukt gaan dat zij het redden, en dat de rest van hun familie dood is.
SØNSTEBØ: «The survivor guilt. Daar hebben veel Utøya-overlevenden last van. Want iedereen klopt op hun schouder dat zij het gered hebben, maar zij vinden soms dat het niet terecht is. Vaak hebben ze opgekeken naar iemand die ouder was, of sympathieker, of politiek talentvoller, en die mensen zijn dan dood, en zij leven nog. Waarom moet ik leven? Ik verdien het niet! Anderen zijn dan weer diep ontgoocheld in zichzelf: waarom was ik niet dapper genoeg, waarom heb ik die of die niet geholpen?! Ook daarover hebben sommigen schuldgevoelens. Eén overlevende zag van nabij haar vriendin doodschieten en ze vroeg zich af waarom ze zich "niet voor die kogels had gegooid?" Het was een dwanggedachte die haar niet los liet. Ik heb haar gevraagd of ze werkelijk dacht dat Breivik het leven van haar vriendin zou sparen nadat zij zich voor die kogels had gegooid. Ze dacht na, en ze zei "nee" en nu heeft ze ingezien dat dat schuldgevoel onterecht is.
Humo: Maar daarmee breng je die vriend(in) nog niet terug.
<SØNSTEBØ> «Dat klopt. Dat schuldgevoel kan je wegnemen, maar dat verdriet, dat blijft. En dat verdriet moet je ook niet willen uitwissen, het gaat immers om iemand die je grààg zag.
Humo: Waarom denk je dat Breivik die elfjarigen "spaarde"?
<SØNSTEBØ> «Sparen? Ik denk dat het berekening was. Dat hij alleen maar kogels spaarde om alvast de groten te kunnen doodschieten. Die kleintjes, die zouden wel volgen, die kreeg hij nog wel. (Breivik keerde af en toe terug naar zijn wapenkoffers om nieuwe ammunitie te halen,jh). Er zijn ook getuigenissen dat hij niet alles of iedereen zàg. Sommige overlevenden waren steil verwonderd dat hij hen voorbijliep terwijl ze amper dekking hadden van wat hoog gras. Uit rapporten is gebleken dat hij al verschillende maanden anabole steroïden nam. Dat is om je spieren te versterken, maar allicht nam hij ze ook voor de psychische effecten, want het maakt je agressiever en het vermindert je empathie, het maakt je detached van wat je doet. Hij nam die dag ook een cocktail van allerlei producten, met onder andere ephedrine (wat je alerter en actiever maakt), en die cocktail moest hem van genoeg agressie voorzien voor die aanslagen. Maar tegelijk moet hij niet al te helder zijn geweest in z'n hoofd, vandaar dat hij sommige 'doelwitten' letterlijk over het hoofd heeft gezien.»
DEEL 3: DE ontreddering van de redders.
Tien jaar na de tragedie in Utøya (1): het relaas van de overlevenden
Vandaag is het tien jaar geleden dat Noorwegen getroffen werd door de aanslag op een regeringsgebouw in Oslo en de moorddadige raid op een jeugdkamp op het eiland Utøya . In totaal vielen 77 doden. Ik heb een persoonlijke band met Noorwegen, een land dat ik ken van vele avontuurlijke vakanties . Acht maanden na de tragedie reisde ik naar Oslo en Utøya om met overlevenden te spreken. Het was aan de vooravond van het proces tegen de dader Anders Breivik.
Humo april 2012 - licht ingekort © Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo / Adrian Johansen - Dagbladet
"Utøya is de beste plek om een lief te vinden!"
Haat kan gedijen en diep wortel schieten, zelfs onder de noorderzon, en op vrijdag 22 juli 2011 plaatste Anders Behring Breivik een zware autobom in de regeringswijk van Oslo. Ze kostte aan acht mensen het leven. Daarna reed hij naar het 40 km verdergelegen eiland Utøya waar de jeugdafdeling van de Arbeiderspartij haar zomerkamp hield. Hij kamde het eiland uit en schoot negenenzestig (hoofdzakelijk jonge) kampeerders dood. Op die manier rekende hij af met "de landverraders van het ethnische Noorse volk". Straks is het 16 april en begint in Oslo het proces tegen de 32-jarige die zichzelf tot "kruisvaarder" benoemde tegen de "islamitische invasie" annex de "multiculturele overrompeling" van Europa. Kort voor dat proces ging Humo naar Noorwegen en sprak er met de betrokkenen van 's lands zwaarste tragedie sinds Wereldoorlog II.
Vannacht heeft het nog zacht gesneeuwd tegen de ramen van het luchthavenhotel, maar op deze morgen in maart smelt de sneeuw voor de zon. Zo'n noordelijke winter trekt zich maar schoorvoetend terug. De weiden en akkers die tegen het bos liggen hebben nog hun oude sneeuw, een rivier stroomt donker tussen het ijs aan de oevers, en zelfs in de industriezones liggen nog hompen bijeengeduwde sneeuw.
Ik ken Noorwegen eerder van julimaanden. Het avontuurlijke rijden langs de smalle landwegen, het altijd dichtbij weten van zee en bergen, het aan de rotsrand van een fjord staan en een zalm of kabeljauw kunnen haken, en als het lang regent, dàn beschutting zoeken in de boeken van Knut Hamsun. Eén keer hebben we veertien dagen op een eiland van honderd inwoners gewoond. Krabbenfuiken uit de zee tillen, een motorboot nodig hebben om boodschappen te doen, en 's morgens ontwaken in een kamer met zicht op de oceaan. We deden huisruil, woonden in huizen van Noren en intussen woonde dat Noorse gezin in ons Belgische huis. Zo heb ik een band met dit land.
De voorpagina van de Noorse krant Dagbladet
In Oslo zal ik Ali Esbati (35) spreken. Hij is een overlevende van de tragedie. Met zijn ouders verliet hij Iran in de jaren tachtig; om humanitaire redenen kregen ze een verblijfsvergunning in Zweden en nu woont hij in Noorwegen waar hij econoom is en medewerker van de progressieve denktank Manifest. En hoewel we mekaar niet kennen, hebben we het al na ampele minuten over de Zweedse anarchist Joel Hägglund (1879-1915) die in Amerika bekend zou worden als de vakbondsleider Joe Hill, en ook over die andere treinzwerver en activist Woody Guthrie en zijn biografie Bound for Glory, een boek dat we allebei briljant vinden, en zo schudden we mekaar opnieuw en hartelijker de hand. Vrienden van Joe en Woody, dat is een schone Internationale.
Ali vertelt over die 22ste juli, die vrijdag dat hij zinnens was om hooguit twee uur op Utøya te blijven...
"Het AUF (de Arbeidernes Ungdomsfylking = jongerenorganisatie van de Arbeiderspartij) had me gevraagd om die dag een workshop te geven over hoe de rechtse regering in Zweden de sociale zekerheid had ondermijnd. Voor Noren is dat relevant omdat Noorse centrumrechtse partijen ook die houding hebben om de sociale zekerheid aan te vallen. Ik ben tegen drie uur met de bus aan die kaai gekomen waar je een kleine overzet naar het eiland kan nemen. De workshop zou van half vier tot half vijf duren en normaal gezien zou ik daarna Utøya weer verlaten. Er waren zo'n veertig aanwezigen, en al tijdens de workshop zag ik verschillende gasten sms-en krijgen, blijkbaar over een "explosie" in Oslo. Ik heb m'n lezing dan maar snel afgerond omdat iedereen begon rond te bellen, en zo hoorden we dat de "explosie" een aanslag was. Omdat de bom in het centrum ontploft was, kon iedereen zich wel iemand voorstellen die daar zou kunnen zijn, om te werken of te winkelen, en ook het secretariaat van het AUF is in dat centrum gelegen. Ik zag op mijn iPhone ook veel gemiste oproepen, onder andere van mijn moeder. Ze was heel ongerust, ze dacht dat ik in de stad was, dus ik heb haar direct gebeld, dat ze zich geen zorgen hoefde te maken, dat ik op een eiland zat, een heel eind van Oslo... En zo hebben velen hun vrienden en familie gerustgesteld. Daarna heb ik mijn vrouw gebeld, die was toen zes maanden zwanger, ik dacht dat zij in de stad was, maar dat bleek gelukkig niet waar.
Al snel kwamen we te weten dat het openbaar vervoer naar en in Oslo helemaal platlag, en zo ben ik dan maar op het eiland gebleven; ik wilde wachten tot alles weer in orde was. Ondertussen kregen we te horen dat er om vijf uur een korte vergadering zou zijn. Daar is toen wat uitleg gegeven, het weinige dat men al wist van de bomaanslag. Achteraf gezien is dat een groot geluk geweest dat Breivik geen twintig minuten eerder is aangekomen, want die vergadering werd bijna door iedereen bijgewoond, door haast alle zeshonderd aanwezigen. Hij had daar véél meer slachtoffers kunnen maken.
Ali Esbati: “Mijn vrouw was een target. Breivik wilde haar onthoofden.” (ingescand uit Humo/ Lars Eivind Bones - Dagbladet)
Op sokken
Na die uitleg ging iedereen weg, naar zijn tent, of naar de activiteit waarmee ie bezig was. Ik ben van het zaaltje van de workshop naar het cafetaria gegaan, ik heb er een broodje besteld, en in afwachting zat ik het nieuws op m'n iPhone te lezen, tot ik ineens een vreemd geluid hoorde: het leek op vuurwerk, eerder nog van die bommetjes die jongens wel eens op straat gooien. Ik zag ook dat mensen bezorgd door het raam keken, zo was de sfeer ook, men was somber en gespannen door die aanslag, en niemand begreep dat een of andere onnozelaar nu tijd had voor dat soort grapjes. Tot er meisje de deur open gooide: "liggen! liggen! iedereen op de grond! "
En iedereen legde zich ook op de vloer, ik dacht dat er in de keuken iets misliep met een gasfornuis en dat men geen risico wilde nemen. Maar toen stormde er iemand binnen langs een andere deur en die gilde: weg! weg! iedereen moet hier weg! En toen was er wel paniek, mensen rukten ramen open om naar buiten te springen, en bij de deur had ik schrik dat we mekaar gingen vertrappelen, zo heftig was die vlucht.
Naar Noorse gewoonte had ik m'n schoenen uitgetrokken bij het binnengaan van het vergadercentrum, wat maakte dat ik op mijn sokken naar buiten ben gelopen. Ik was niet de enige, velen hebben bijna anderhalf uur zo goed als blootsvoets rondgelopen. Eerst hebben we met een groepje gebukt tussen de struiken gezeten, en de eerste keer dat ik m'n hoofd durfde oprichten om naar het cafetaria te kijken, zag ik buiten twee lichamen liggen. Ik kon niet weten dat ze doodgeschoten waren, maar hun "houding" zei me dat het ernstig was. We zijn dan snel een rotshelling afgerend, pas een maand later heb ik gezien hoe steil die was, en ook nat en glibberig, ik zou er nog geen kousenvoet op dùrven zetten, maar op dat moment deed ik dat gewoon. En terwijl we opnieuw achter enkele struiken zaten, kwamen er drie gasten die een gewond meisje droegen, ik schat dat ze negentien was. Ze legden haar neer en ze bloedde uit haar buik en uit haar mond, waar ze een kogel door de wang had gekregen. Pas toen drong het tot mij door dat het om een schietpartij ging. En dat meisje bleef maar herhalen dat ze nog niet wilde sterven, nu niet! nu niet!, maar als ze dan toch moest sterven, dat wij dan allemaal fantastisk waren geweest voor haar. Ik zie ons nog staan, allemaal geschokt en ontroerd tegelijk. Ze was echt nog helder, want ze zei ook dat ze aan onze gezichten kon zien dat het heel ernstig was, en dat ze zelf ook wel dacht dat ze ging sterven. Er kwam toen iemand die verstand had van EHBO en ik ben dan verder gelopen tot achter een kapotte skateboardramp, en daar heb ik het noodnummer ingetikt, en de man aan de lijn zei dat ze onderweg waren, en dat we ons verder moesten blijven verstoppen. Ik heb dan ook naar m'n vrouw ge-smst dat er een schietpartij was maar dat ik "oké was". En toen belde ze natuurlijk terug en dan heb ik gezegd dat ik weinig meer wist, maar dat alles wel in orde zou komen. Dat heeft ze mij fluisterend horen zeggen, waardoor ze het gesprek ook heel kort heeft gehouden. Ik heb nog wel heel intens kunnen zeggen dat ik van haar hield.
Jongetje van elf
En heel de tijd konden we schoten horen. Het was geen ta-da-da-da-da-da als van een mitrailleervuur, het was eerder een gericht schieten: paw! pa-ba-baw! pa-baw! Maar door de weerkaatsing tegen de rotsen, door het dempen van het struikgewas en ook door het ver dragen van die knallen op het water wisten we absoluut niet wààr en door wie er geschoten werd. Op die plek waar ik toen zat, heb ik ook een jongetje van elf gezien dat voortdurend huilde, het werd getroost door een oudere jongen, en later vernam ik dat z'n vader kort tevoren doodgeschoten was.
Wat zei je tegen jezelf om kalm te kunnen blijven?
Esbati: "Vreemd genoeg voelde ik geen angst. Ik was heel kalm, heel gefocust, ik kon heel scherp kijken, heel gespitst luisteren, het is alsof je lichaam zich in een andere modus schakelt. En normaal heb ik een hekel aan kou en nattigheid, maar op geen enkel moment voelde ik me ongemakkelijk vanwege die gietende regen en die kapotte en doorweekte sokken.
Ik weet dat je atheïst bent, maar heb je gebeden? Het zou toch verklaarbaar zijn dat je op zo'n momenten terugvalt op het geloof van je jeugd en van je ouders.
Esbati: "Ik heb niet gebeden en ook niet aan een god gedacht. I was in the moment, ik kon alleen maar denken dat ik daar levend vandaan moest zien te komen. En er racet wat door je hoofd als er de hele tijd schoten klinken. Ik heb onnoemelijk veel scenario's doorlopen, en wat me nog het meest aannemelijk leek, was dat er een terreurgroep was, dat ze mensen hadden doodgeschoten en anderen gegijzeld hadden, en dat er nu een vuurgevecht met de politie aan de gang was, vandaar de vele schoten. In géén enkel scenario had ik kunnen denken dat één man dat hele eiland wilde uitmoorden. Ineens kwamen de schoten weer dichterbij, en tegelijk kwam een grote groep jonge gasten heftig aangelopen, we zijn met hen mee gevlucht, langs het grindpad dat rond het eiland loopt. Die mensen waren ontsnapt uit de buurt van het pomphuis waar hij velen heeft doodgeschoten.
We liepen naar het zuiden, en na een eindje zag ik naast de weg twee meisjes geknield bij een jongen zitten, hij had schotwonden in beide benen. Ik heb m'n jasje onder hem gelegd, ik heb gezegd dat alles wel in orde zou komen, maar het meest heb ik nog de moed van die twee meisjes bewonderd. Eentje had haar t-shirt uitgedaan, ze stond in haar bh, en met dat shirt maakte ze tourniquets om het bloeden van die schotwonden te stelpen.»
uit GVA 11/2/2012
De Mohikaan!
Terwijl Ali Esbati getuige was van die primitieve eerste hulp, waren er intussen ook jongeren die verzet wilden plegen tegen Breivik. Dat waren de jonge Tsjetsjenen Movsar Dzhamayev (17) en Rustam Daudov (16) die met eigen kinderogen de bloedige oorlog in hun land hadden gezien en die daardoor minder uit hun lood waren dan de "vredelievende Noren". Movsar belde zijn vader en die bezwoer zijn zoon dat hij dapper moest zijn: "val die indringer aan en doe het van de eerste keer goed!" Samen met nog een derde jongen raapten ze stenen op en slopen ze naar Breivik. Maar toen ze hem tot op enkele meters genaderd waren, schoot hij één van hun vrienden "in de kop en toen hebben we onze stenen weggegooid en hebben we moeten rennen voor ons leven. Het was onbegonnen om iets tegen hem te doen."
Esbati: «Het moet toen al na zessen zijn geweest, toen ik bij die meisjes en die gewonde jongen zat, want ineens hoorde ik een helicopter en loeiende sirenes die van het vasteland leken te komen. Dat was een opluchting, het zag ernaar uit dat alles gauw voorbij zou zijn. Tegelijk was ik toch wel bang van een grootschalige inzet van elitetroepen: stel dat ze mij vanwege mijn arabisch uiterlijk "per ongeluk" zouden neerschieten?! Dat was op dat moment zelfs mijn grootste schrik.
Uiteindelijk klonken er weer schoten, en liep ik langs dat pad verder naar de zuidpunt van het eiland, daar waren nog jongeren, en allemaal hadden ze dat grindpad onderweg al willen verlaten, maar omdat de rotsen langszij zo steil waren, was dat onmogelijk. Op dat zuidelijke punt liepen de rotsen af naar een kleine baai, en sommigen stonden al tot hun middel in het water, twijfelend of ze naar het vasteland zouden zwemmen of niet. Ik wachtte af, ik kon de ambulances zien staan aan de overkant, op zevenhonderd meter van ons, en ik vermoedde dat "het" elk ogenblik gedaan kon zijn. We hadden ook al een boot op ons zien afkomen, we hadden gewuifd en zelfs geroepen, maar ineens draaide die bruusk weg, en pas later hebben we beseft dat Breivik op die boot geschoten heeft.
En dan voélde ik plots onraad. Ik draaide me om en ik zag hém, op vijftien meter van ons: wij stonden bij het water, hij liep nog op de rotsen. Ik kon zijn grote gestalte, zijn uniform en zijn blonde haar zien, en zijn gezicht dat kalm maar lichtjes bezweet was, en ineens brak het wolkendek open en viel er een streep zon op zijn hoofd, en het was alsof hij ineens een Mohikaan was, met een kam blond haar en met twee donkere zijkanten. En ik vertel dat nu in een paar seconden, maar ik zag dat in één split second, en toen riep hij iets in de aard van "it's okay! it's the police here!", maar tegelijk zag ik dat hij zijn grote geweer optilde en in een flits heb ik me naar het fjord gegooid en dàn begon hij te schieten. Het is gedaan met mij, dacht ik, en vallend en struikelend ben ik beginnen zwemmen. Ik kan slecht zwemmen, ik maakte wat dwaze slagen na elkaar, en bij elke slag voelde ik een schot in m'n rug, niet dat hij me raakte, maar ik voelde mij een groot en makkelijk doelwit, als ik gekund had, had ik in een bolletje gezwommen.
© Jan Hertoghs
Papa dood
Na vijfentwintig meter was er een rotseilandje met een paar bosjes en daar kon ik me verstoppen. En met m'n lichaam in het water en met m'n hoofd er net bovenuit durfde ik kijken en zo zag ik ook Bjørn zitten, een gast die ik onderweg had leren kennen, hij had zich intussen al over twee kleine jongens van elf jaar ontfermd (waarvan allebei hun vader was doodgeschoten, jh). Ik zag dat Bjørn af en toe zijn hand voor hun mond stopte, die jongetjes waren zo bang, maar hij wilde niet dat ze gingen roepen en schreeuwen. Ik keek ook naar de oever en daar zag ik vijf of zes lichamen liggen die niet meer bewogen, dat waren jongeren die eerder bij ons stonden in die kleine baai.
Omdat ik zo dicht bij de dood was geweest, wilde ik absoluut nog één keer m'n ouders en m'n vrouw bellen, maar het water had m'n iPhone defect gemaakt en toén voelde ik me ineens hulpeloos en alleen. Zolang ik die smartphone had, was dat een geruststelling: ik had een lifeline, ik had een link met de buitenwereld. En nu zat ik hier, en niemand kon me helpen. My body was calm, but my thoughts were racing. Ineens kwamen er allemaal herinneringen in me op, over gezelligheid bij m'n ouders thuis, over een terrasje in Stockholm waar ik met vrienden zat op een warme zomeravond, het was niet de film van mijn leven, het was meer een diep verdriet, dat al die aangename dingen van het leven hier een einde namen. En wat nog het meeste pijn deed, was dat iemand mijn ouders moest vertellen dat ik dood was en hoe verschrikkelijk dat voor hen zou zijn, en ook dat ik m'n vrouw nooit meer ging terugzien en dat ik onze baby nooit zou kennen.
Wat ik niet wist, was dat Breivik kort nadien gearresteerd was, dichtbij de baai waar we zaten. Het bleef ook een tijd stil dat we geen schoten meer hoorden en dan zagen we ineens een politieman op het strand: "Dit is de gewapende politie! Dit is de politie!" Maar niemand van ons durfde zijn kop opsteken, daarvoor was de argwaan te groot. Die man ging hoger op de rotsen staan en ineens zag hij ons, mijn hart sprong in mijn keel, maar deze agent trok geen wapen, en toen hij vroeg of er iemand van ons gewond was, toén durfden we naar het strand te komen. Hij vroeg ons met aandrang om dààr te blijven en nergens heen te gaan, er zou direct hulp komen.
Ik had erg te doen met die twee jongetjes die bij Bjørn waren, die gastjes huilden en snikten maar dat hun papa dood was, en dat iedereen die ze daar kenden ook dood zou zijn, en met nog twee anderen hebben we die gastjes zo goed als dat ging getroost. Bjørn heeft zelfs gevraagd wat ze voor kerstmis dachten te krijgen. Toen er een tweede politieman ook kwam vragen of we gewond waren en ook wéér weg ging, toen werden die jongetjes hysterisch. Eentje liep achter hem aan, mister policeman , please, please, take me with you! Dat kind wilde niet achter blijven, dat dacht dat het daar zou sterven als er niemand bleef om over hen te waken. Dat kind was ook extreem overstuur, zijn papa was een politieman die daar op Utøya was, een soort van steward om voor de veiligheid te zorgen, en die papa-politieman had hij zien doodschieten door een andere politieman.
De kleine overzetboot waarmee Breivik op het eiland geraakte. Hij droeg een politieuniform en had een auto vol met wapens en ammunitie. © Jan Hertoghs
Inferno aan emoties
Uiteindelijk zijn we naar een punt gebracht waar een shuttle was van boten, en Bjørn heeft die jongetjes in de boot genomen en naar de overkant doen kijken, want op de oever achter ons lagen meerdere zwaargewonden en ook lichamen onder lakens. Wat verder in het water dreef een reddingsvest, die vesten waren uit boten gegooid door kampeerders die niet te dicht durfden komen, maar toen we langs vaarden, zag ik dat het een lijk was, met de rug naar boven, en omdat er lucht onder zijn windjak zat, leek het op een reddingsvest.
De man die ons wegbracht met zijn speedboat, was een campinggast van de overkant. Aan de oever van die camping was het een geharrewar van ambulanciers die een triëring maakten tussen licht- en zwaargewonden. En op brancards lagen rijen van bloedende mensen.
Drong toen de ware omvang van dat drama tot je door?
Esbati: "Nee, dat was pas uren later. Ik heb er nog met Bjørn over gesproken, hoe we beiden een heel ander besef hadden van die schietpartij. Ik had hier en daar enkele lijken gezien, dus ik dacht dat heel veel mensen het overleefd hadden. Maar mensen zoals Bjørn die bij het begin vele anderen hadden zien doodschieten, die dachten andersom. Die meenden dat iederéén stelselmatig was uitgemoord, en dat zij zowat de enige overlevenden waren. Hun doodsangst was veel groter geweest.
Omdat we alleen maar schrammen en kneuzingen hadden, mochten we te voet verder tot op de hoger gelegen rijweg. Daar was een "bushalte", daar was in zekere zin weer het normale leven, en daar zijn heel veel mensen ingestort. Sommigen zaten apathisch met het hoofd tussen de knieën, anderen liepen hysterisch schreeuwend rond, nog iemand stond in wanhoop tegen een verkeersbord te schoppen, een andere jongen huilde onophoudelijk, hij had zijn twee broers nog altijd niet terug gezien, "en wat moet ik nu aan ons mama vertellen?!" Tegelijk waren er anderen die hun doodgewaande vriend of vriendin terug zagen, dat gaf een schreeuw van vreugde, en ze vlogen mekaar om de hals. Ik kan het niet anders omschrijven als een inferno van emoties.
Ik heb iemands gsm gevraagd, maar ik kon noch m'n vrouw noch m'n ouders bereiken, het hele netwerk lag plat. Het is pas in het Sundvolden Hotel (=crisiscentrum) dat ik na lang aanschuiven kon inloggen op een computer en via Facebook heb ik m'n vrouw ingelicht: I'm alive! Toen was het al twee uur na het laatste schot. Mijn familie ging er eigenlijk al vanuit dat ik dood was omdat ze geen antwoord kregen op m'n iPhone. Ze zijn dan naar het crisiscentrum gekomen om me op te halen, en op weg naar Oslo hoorden we het nieuws op de autoradio dat er zeventig, mogelijk tachtig doden waren. Dat was een enorme schok voor mij, tot dan had de politie officieel over twee doden gesproken. Ik zei het ook tegen m'n vrouw, ze zeggen toch åtte (acht)? Nee, ze zeggen åtti (= tachtig)!
Onthoofden
In feite was je zijn prime target: je bent het "levende bewijs" van de multiculturele samenleving én je komt dan nog van een islamitisch land!
Esbati: "Hij had het moeten weten! En ook dat mijn vrouw de journaliste Marte Michelet was, dan had hij me zeker gezocht en omgebracht. Immers, de dag nadien kregen we telefoon van de politie, dat we niet veilig waren en dat mijn vrouw en ik weg moesten. Een tijd later stond er een politieauto voor ons appartement en werden we weggebracht naar een hotel. De reden was dat Breivik Marte's naam genoemd had bij de eerste verhoren door de politie. Marte stond op zijn dodenlijst samen met nog een paar andere progressieve journalisten. En omdat ze nog altijd niet zeker waren of hij nog medeplichtigen had rondlopen, moesten we elders gaan logeren.
M'n vrouw is columniste en journaliste voor de krant Dagbladet en ze schrijft heel veel over migranten en het migratiebeleid, dat was een doorn in het oog van Breivik. Komt erbij dat zij ook een lezing had gegeven op Utøya, twee dagen voor de schietpartij. Die lezing ging over racisme en islamofobie... en Breivik wist dat! Want uit latere politieverhoren is gebleken dat hij woensdag had willen kiezen voor zijn schietpartij, precies omdat hij wist dat mijn vrouw er toen was. Breivik vertelde de politie ook dat hij erover gefantaseerd had om haar te onthoofden en dat filmpje dan op YouTube te zetten.
Dat klinkt toch wel ziek dat hij haar hoofd wilde. Wat denk jij van het psychiatrisch rapport waarin hij krankzinnig is verklaard?
Esbati: "Die fantasie van dat onthoofden klinkt ziek, maar ik vind hem helemaal niet insane. Want hoeveel 'krankzinnigen' zijn er die een plan drie jaar nauwgezet kunnen voorbereiden én die het dan ook nog kunnen uitvoeren?! Ook zijn manifest kan je moeilijk "krankzinnig" noemen want op het net vind je duizenden die komaf willen maken met de multiculturele samenleving en die de moslims uit hun land willen schoppen. En oké, als je op één namiddag tachtig mensen de dood injaagt, dan ben je ziek, maar ben je daarom een krankzinnige losgeslagen massamoordenaar?! Als een fascist tijdens de oorlog tachtig mensen doodt in een dorp dat de partizanen gunstig gezind is, dan is hij ook ziek, maar je kan toch niet zeggen dat hij geen politieke daad heeft gesteld?! Hij handelde toch binnen dat gedachtengoed van het fascisme?!»
De journaliste Marte Michelet zou het zéker moeten ontgelden, maar aanvankelijk had Breivik een nog grootschaliger mediaplan. In februari raakte bekend dat hij bommen wilde leggen bij de publieke omroep NRK en bij de twee grootste Noorse kranten. Aan de politie zei hij dat de "media en alle journalisten als een doelwit van eerste orde" beschouwde. Hij wilde zijn bommen als pakket afgeven, en hij ging zich daarbij verkleden als Fed Ex koerier. Hij had ook al verkenningen uitgevoerd aan al die redactiegebouwen, maar op de duur zag hij af van zijn mediaplan af omdat de aanslag op Utøya makkelijker uit te voeren was.
Tonje Brenna: “Die zomerkampen zijn vrolijke bijeenkomsten met een lange traditie.” (ingescand uit Humo / Sveining U. Ystad)
Tenten en tipi's
Om een beeld te krijgen van de "vijanden" van Breivik en om te weten wat die zomerkampen inhielden, heb ik een afspraak met Tonje Brenna. Ze is vierentwintig, ze is algemeen secretaris van het AUF en ze was die vrijdag ook op Utøya ("al voor de vijfde keer"). Ze legt uit dat de kampen een lange traditie hebben en dat het op Utøya vaak een vrolijke bedoening was, dat kan ik opmaken uit haar snelle en ontwapenende lach.
Brenna: "Het eiland is al vijftig jaar eigendom van het AUF, we gebruiken het niet alleen voor onze zomerkampen maar voor al onze politieke bijeenkomsten en vormingscursussen. Ook andere progressieve organisaties mogen het kampterrein huren van ons. Het is nu einde maart, rond deze tijd hielden we altijd een lang weekend waarin we de gebouwen opknapten, het gras maaiden, het voetbalveld extra inzaaiden, enzovoort. Als die klussen gedaan waren, dan startte er weer een nieuw activiteitenjaar op Utøya.
Zo'n julikamp duurt een kleine week en naast de politieke workshops is er ook veel sport, vooral volley en voetbal. Elk jaar is er wel een voetbaltornooi waar de verschillende Noorse provincies tegen mekaar uitkomen, en elk jaar krijgen we ook wel een elftal van buitenlandse gasten bijeen. Vorig jaar hadden we gasten uit Oeganda, Libanon, Swaziland en Georgië, dat zijn dan invités van zusterorganisaties, zoals de Jongsocialisten van België ook een zusterorganisatie zijn. Ik ben zelfs zeker dat heel wat sociaaldemocratische leiders in Europa ooit als jonge gast op Utøya zijn geweest."
Is het een kamp waarbij je in tenten kampeert?
Brenna: "Ja, de meesten slapen in een tent die ze zelf meebrengen, van die iglo's voor één persoon, maar ook van die tipi's voor tien man. We hebben ook zo'n honderd vrijwilligers die instaan voor de keuken, het sanitair, de EHBO en de organisatie, en zij slapen in de gebouwen. Zo krijgen ze hun nachtrust, wat in de tenten niet zo vanzelfsprekend is (lacht)
Wat voor workshops worden er zoal gehouden?
Brenna: "Meestal hebben we in de voormiddag een lezing met een debat en na de middag volgen dan de workshops in kleinere groepen: over de Noord-Zuidverhouding, Palestina, de bankencrisis, het onderwijs, het milieu.
Ik denk ook dat Utøya het enige kamp ter wereld is waar de eerste minister van het land op het matje wordt geroepen; tenminste, als de sociaaldemocraten aan de macht zijn. De premier moet dan echt de confrontatie aangaan met ons. Er is geen podium, je moet geen kaart omhoogsteken als je een vraag wil stellen, nee, hij staat midden tussen ons en wij stellen al onze kritische vragen face to face. Premier Jens Stoltenberg heeft dat al vaker gezegd, ik ga graag naar Utøya, maar ik hou elke keer m'n hart vast! Dat eiland is dus niet zomaar een kampeerplek, dat eiland is deel van de identiteit van het AUF en van de Arbeiderspartij. Vier van de huidige ministers in de Noorse regering zijn op Utøya geweest en zijn leider van het AUF geweest.
The Love Path
Een maand na de tragedie zag ik een docu van de Noorse tv en daar zegden kampeerders dat Utøya the best place is om een lief te vinden.
Brenna: "Yep! Eén van de grootste Noorse kranten, Aftenposten, heeft eens een onderzoek gedaan en daaruit bleek dat Utøya the best place was for dating, en dat al jaren aan een stuk! Op de eerste dag hebben we ook altijd een gigantische speeddate, een kennismakingsgesprek waarbij je op een paar uur tijd een heel pak van de zeshonderd kampeerders kan leren kennen. En er is een wandelpad dat helemaal rond het eiland gaat, en dat we The Love Path noemen omdat het zo'n romantisch pad is, met uitzicht op het fjord. (toont een plattegrond) Kijk, vanuit de lucht gezien heeft Utøya zelfs de vorm van een hart.
In de programmatie zag ik dat je elke nacht nog naar de cinema kan, om twee uur!
Brenna: "Dat zijn onze night movies. Vroeger waren die in openlucht, maar omdat het soms te koud werd, draaien we ze nu in een zaaltje. En vaak is het een politiek of maatschappelijk getinte film of een documentaire.
Naast die late films hebben jullie ook nog late - en volgens de omwonenden- soms (te) luide feestjes.
Brenna: "(lacht) dat zal onze discobar zijn, die is er ook elke avond, en soms draagt dat geluid nogal ver over open water. Bad for the neighbors. Really bad (lacht luid). En dan zijn er ook nog pop- en rockconcerten. En meestal spelen er Noorse groepen, maar af en toe ook een buitenlandse band. En 's avonds bij het kampvuur wordt ook nog véél gezongen en gitaar gespeeld.
Voor dood blijven liggen
Jij was ook daar op die bewuste vrijdagnamiddag.
Brenna: "Ja, en ik ben met een groepje weggerend tot op dat Love Path en daar hebben we ons onderaan een steile rotshelling verborgen, tussen rotsen en struiken. Mijn voordeel was dat ik het eiland kende als m'n broekzak, want geloof me, het is geen vanzelfsprekende plek om je te verstoppen. Vanuit de lucht lijkt het alsof er dichte vegetatie is, maar dat zijn dennenbomen met een dichte kroon bovenaan, maar onderaan zijn het kale stammen. In feite is het een heel open eiland waar je heel ver kan zien. Het eiland is ook klein, iets meer dan tien hectaren. (Noot: het stadspark in Antwerpen is al groter, met zijn 14 ha, jh) Als je dan vijfenzeventig minuten de tijd hebt, dan kan je die plek volledig uitkammen zoals hij gedaan heeft. Op een bepaald moment heeft hij onze schuilplaats ook gedeeltelijk ontdekt en verschillende mensen doodgeschoten. Ik hield me voor dood, zo lag ik bewegingsloos tussen andere lichamen, en ik heb hem vlakbij gehoord (geeft met haar handen een afstand van één meter aan).
Je zat daar verstopt met zo'n twintig anderen. Hoe blijf je kàlm op die doodsbange momenten?
Brenna: "Door mekaar moed in te fluisteren. We called it the whispering game. We lagen dicht bij elkaar en ik fluisterde in iemands oor, don't worry, everything will be fine, tomorrow we will be home, soon there will be a boat that will pick us up, and we will have popcorn and sit in a sofa with a blanket, and our parents will be there... En dat fluisterden we van oor tot oor verder. En oké, het was wishful thinking, maar het had een kalmerend effect."
Back to normal
Volgend weekend en de week daarna is het eiland opnieuw open voor bezoekers.
Brenna: "Dat is de eerste keer dat we een breder publiek toelaten. In feite is er nog maar één bezoekweekend geweest, en dat was op de herdenking één maand na de aanslag. Maar toen mochten alleen de ouders komen van de slachtoffers, en ook de overlevenden zelf, die mochten één iemand meebrengen. Veel ouders hebben toen een foto van hun kind met bloemen en een brandend kaarsje achtergelaten op de plek waar hun zoon of dochter doodgeschoten was. De politie was erbij om die plekken aan te wijzen."
"Ik ben intussen al een keer of zeven terug geweest op Utøya, en in het begin was ik heel gespannen, maar dat mindert met de keer. Ik heb zoveel goeie herinneringen aan de voorbije jaren, en die komen stilaan terug. Ook nu het lente is, heeft het eiland niet meer die doodse aanblik. De vogels zingen, het gras groeit op het voetbalveld, er staan bloemen langs de kant van de weg, it's alsmost back to normal. En voor de mensen in het buitenland en ook voor de media die het eiland vroeger niet gekend hebben, is Utøya een crime scene, maar voor mij en de mensen van het AUF ligt dat anders. Als iemand in je huis breekt en alles overhoop haalt, dan kan je daar nog jaren onder lijden, maar dat blijft nog altijd je huis en je thuis."
DEEL 2: de onderzoeksjournalist en de psychologe van de overlevenden
Anders Breivik (ingescand uit Humo)
Zomeroverstromingen: het nieuwe normaal?
Historische overstromingen in grote delen van Wallonië en Duitsland. En ook overstromende rivieren in Limburg en Brabant. Er is heel veel menselijk leed, en er is sprake van schade die in de miljarden euro's zal lopen.
Het was niet zomaar langdurige en zware regenval, het was een ketting van wolkbreuken. Op sommige plaatsen in Wallonië viel meer dan 200 mm water op 48 uren tijd. In Jalhay viel 271 mm, dat is een vloed van 271 liter op een vierkante meter. Terwijl er in een maand juli zo'n 70 à 80 mm valt op 31 dagen.
De hoeveelheid water was ongezien, maar dit extreme weer in de zomer wordt al langer vooropgesteld door klimatologen.
Een Nederlandse klimatoloog voorspelde me al in 2005 dergelijke "wolkbreukzomers" met plotse intensieve regenval en overstromingen. Hij verklaart het mechanisme dat ze veroorzaakt.
Na twee zomers met een hittegolf, nu een zomer met een grote watergolf: worden deze weerextremen het nieuwe normaal?
Humo juni 2016 - ingekort - © Jan Hertoghs
Lees hier ook over de historische overstromingen van 1953:
1. De nacht dat duizenden gezinnen op hun dak kropen
2. De redders met de helicopter
Voorpagina van de speciale editie van La Dernière Heure 16.7.21
“We gaan het nog vaak meemaken dat één weertype wekenlang blijft bivakkeren.”
De maand juni van de zomer van 2016 was de natste sinds het begin van de metingen in 1833. Er waren maar zes dagen dat het niet regende, en er waren 20 dagen met onweer.
Niet alleen de riolen ook de kranten konden het vele water amper slikken. Er was een zondvloed van blankgezette straten, ondergelopen kelders, modderstromen, hagelbuien en blikseminslagen. Op 22 juni meldde de Vlaamse Milieumaatschappij dat haar wachtbekkens sinds 27 mei al 20 miljard liter hebben opvangen (“zeer uitzonderlijk”). Op 23 juni zet een wolkbreuk twee rijstroken van de Brusselse Ring onder, met aanrijdingen in dat hoogwater. Dezelfde avond wordt Haspengouw getroffen door windhozen, stortvlagen en hagelbuien. De provincies Henegouwen en Waals-Brabant moeten de ramptoestand afkondigen.
We vroegen aan Rik Leemans (klimaatdeskundige en hoogleraar Milieusysteem-analyse aan de universiteit van Wageningen) om dit grillige zomerweer nader te verklaren.
Humo: In een Humo-interview van 2005 gaf je aan hoe de heftige zomerse wolkbreuken al vanaf 1996 een toename kenden, en je zei toen dat die trend zich zou doorzetten. Dat herhaalde je nog eens in een interview uit2014 met de woorden: “ We spreken hier niét over malse zomerregens verkwikkend voor mens, land- en tuinbouw, nee, we spreken over 50 à 60 mm water in een uur tijd met lokale overstromingen tot gevolg”. Dat is tien jaar geleden dat je het aanhaalde, en nog staan we verbaasd als het effectief gebeurt.
Leemans: “Terwijl het mechanisme daarachter zich alsmaar duidelijker aftekent. Als het klimaat opwarmt, verdampt er meer water uit de zeeën en andere aardoppervlakken. Omdat het warmer wordt kan de atmosfeer ook meer waterdamp en vocht opnemen. Zo vormen zich boven onze gematigde en vochtige klimaatzones grotere neerslaggebieden dan voorheen, en die massa water moet op een keer ook naar beneden.
Humo: Tegelijk zien we dat zo’n neerslagperiode heel lang kan aanhouden.
Leemans: “Daarvoor ligt de reden bij de jetstream (straalstroom) tussen de polen en de evenaar. Als het normaal koud is op de polen en warm op de evenaar, dan blaast die straalstroom in nagenoeg rechte lijnen. Maar als de polen opwarmen, wat nu gebeurt, dan wordt het temperatuurverschil tussen de evenaar en de noordpool kleiner. En dan krijg je geen strakke straalstroom meer, dan wordt die straalstroom ‘luier’ en dan gaat ie slingeren. En in de bochten, in de lussen van die jetstream blijft een bepaald weertype dan voor langere tijd bivakkeren of blokkeren. Dat zijn lussen van 500 à 1000 km die het weer in meerdere Europese landen tegelijk beïnvloeden.”
Humo: Toen je die straalstroom-hypothese in 2014 aangaf, was dat nog een hypothese.
Leemans: “Ja, dat was nog controversieel, maar de vorming van die lussen is sindsdien zo vaak teruggekomen én wetenschappelijk beschreven dat het voor meteorologen een duidelijke trend is geworden. Neem de winter 2013-2014: toen zat er een lus boven Engeland en had je daar voortdurende neerslag en zware overstromingen.
In de lus van juni 2016 lag een continu lagedrukgebied, een soort dikke spons die zich alsmaar opnieuw met verdampend water voedde uit de Noordzee of de Oostzee en dat neerdumpte op West-Europa. Eerst werd Zuid-Duitsland getroffen, nadien waren er die zware overstromingen in het centrum van Frankrijk (schade ca 1 miljard euro, red.) met ook uitlopers van wateroverlast in Nederland en België.
Vroeger had je de klassieke seizoenen met elk hun klassieke weertype. In natte maanden was zo'n neerslagfront meestal na enkele dagen leeg geregend. Maar nu blijven ze liggen, soms enkele weken, soms een hele maand. Eens je in zo’n lus zit krijg je het fenomeen dat weersomstandigheden zich blijven herhalen in plaats van weg te waaien. En we spreken nu over neerslag, maar evengoed kan hitte en droogte wekenlang blijven "hangen". Het is de keerzijde van hetzelfde fenomeen. "
De regenval en onweersbuien van juni hebben al tot 35.0000 schadedossiers geleid. De schadelast wordt geraamd op 150 miljoen euro. Ter vergelijking: de aanslagen in Brussel en Zaventem zorgden voor een schade van 168 miljoen euro
Beeld van Pepinster op de voorpagina van De Morgen / foto Belga
Steigerende opwarming
Humo: Straks is er het festival in Werchter. Dat heeft een noodplan in werking moeten stellen omdat de bodem natverzadigd is. Er zijn minder campings en parkings en de festivalgangers moeten naar de ingang pendelen vanaf plaatsen die 25 en 40 km van het terrein gelegen zijn. Wat mogen deze zomerfestivals de komende jaren verwachten?
Leemans: “Als je regelmatig te maken krijgt met wateroverlast, dan zal je op een gegeven moment een drainagesysteem en ondergrondse reservoirs moeten aanleggen. Die slaan het water op, en als het droger wordt, dan pomp je het langzaam weg. Dat lijkt een zeer dure investering voor één lang weekend of enkele avonden per jaar, maar als die zware zomerse wolkbreuken eens om de 3-4 jaar voorkomen, dan kan de kosten-batenanalyse op de duur wél richting reservoirs beginnen gaan. Het gaat alsmaar meer in de richting van preventie en disaster reduction: festivals met waterreservoirs, met bliksemafleiders, met tenten die tegen hardere windstoten bestand zijn, dat is de trend.”
Humo: Intussen gaan we dan maar verder met het optekenen van weerrecords en weerextremen?
Leemans: “Als we de uitstoot niet met 90% verminderen, dan zullen die records en extremen onvermijdelijk doorgaan. Wat mij bezorgd maakt is de constante opwarming. Oktober 2015 was wereldwijd de warmste oktobermaand ooit, dan kwam november, ook de warmste november ooit wereldwijd, en het ging zo maar door: december, januari, februari, maart, april, mei, en mogelijk ook juni. Dat zijn acht maanden op rij die de warmste ooit waren. Dat begint erop te lijken dat we in een meer kritieke fase zijn gekomen.
Humo: Bedoel je: het steigeren van de klimaatopwarming, het drastisch versnellen van de klimaatopwarming?
Leemans: Ja, dat bedoel ik. En dus meer zomers met wolkbreuken in onze streken. En ook winters met nog meer neerslag en met nog zwaardere stormen.”
Na het EK Voetbal : het EK Minigolf in België
Het EK is voorbij. Italië wint. Engeland behaalt een nieuw voetbaltrauma, dus als u het eiland bezoekt: don’t mention the penalties.
We verleggen onze aandacht naar een kleiner veld, een kleiner doel en een nog kleinere bal.
In augustus 2012 vond in Ekeren het EK Minigolf plaats. Daar waar de geoefende spelers 18 holes in 19 beurten slaan., sloeg
onze verslaggever een teleurstellende “68”.
Humo augustus 2012 - ingekort - (c)Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo/ Thomas Legrève
"Er zijn er die met hun ballen in bad gaan!"
Hoe een balletje rollen kan! Dat leek ons een uitstekende beginzin voor een reportage over minigolf. We spreken hier over het Europese Kampioenschap Minigolf dat voor de allereerste keer richting België komt. En de kleine Antwerpse Minigolfclub Rozemaai had de eer om het in te richten. Het was dan wel een EK voor senioren (45plussers), maar dat neemt niet weg dat er flink blinkende medailles te verdienen waren. Humo ging op zoek naar de kwintessens van dit openluchtspel.
De opening van het EK begint met een défilé en op deze warme maandagavond stappen de deelnemers van de Scheldekaaien naar het Antwerpse stadhuis: rijen mannen en vrouwen in korte broek die achter hun nationale vlag en pancarte lopen. De Italianen in hun azuurblauw, Oostenrijk en Zwitserland in het rood, en de Nederlanders in het vanouds lelijke oranje. Verder ook: Duitsland, Zweden, Denemarken, Finland, Tsjechië, Portugal en natuurlijk België. Het is een amalgaam van groot en klein, van mager en dik, van grijs en grijzer haar, maar het meest vallen de zwaargebouwde spelers op, pilaren en dikbuiken in een spanningsveld van dunne t-shirts en witte sokken. Haast niemand ziet er atletisch uit, en je ziet de omstaanders al kijken, wélke sport kan dit wel zijn?!
Burgemeester Janssens en schepen van Sport Van Campenhout bieden de deelnemers een speech en een drink aan en zo is dit EK officieel geopend. Terwijl iedereen het glas heft, maak ik kennis met Pascal De Roeck (55). Hij is de duivel-doet-al van dit EK en hij weet wat een passie het minigolfen kan zijn: "Sommige van die deelnemers zullen de stad wel eens willen zien, maar voor de meesten valt er niks te citytrippen. Die zullen van Antwerpen alleen maar dit stadhuis en het terrein van de minigolf zien." Dat zijn de fanatieken, "bij hen is het geen sport meer, maar een obsessie". Hij zet zijn handen als kleppen aan z'n ogen: "er zijn er zelfs die met hun golfstick gaan slapen!" Secretaris Raymond Leemans (59) is volledig takkoord, hij kent er ook "die hun ballen meenemen in bad om ze één voor één proper te kunnen wassen". Pascal herinnert zich ook een tornooi, hij zat op het toilet en hij hoorde de brilganger naast hem tegen één van zijn ballen spreken! "Manneke, gij gaat uw best doen, of ik steek u in de zak en ge komt er nooit ofte nimmer nog uit!"
Ja, dat maakt een mens allemaal mee bij minigolf, het enige spijtige is dat het zo bergaf gaat met hun sport, en hij maakt een gebaar van steil de dieperik in, "we mankeren de jeugd hé, d'r komen geen jonge spelers meer bij. Het zijn in Belgiê bijna allemaal vijftigers en zestigers, als het zo verder gaat is het binnen tien jaar gedaan met de minigolf in ons land." En dat hij het hier niet te lang gaat trekken, want morgen moet hij vroeg op om de banen schoon te blazen, stof en blaren, alles moet eraf voor de dag begint.
Opgelet! Spoorvorming!
De volgende middag maak ik kennis met de Ekerse wijk Rozemaai en met zijn Jeugd en Cultuurcentrum, een complex van lage gebouwen met daarrond wat speeltuigen, een visvijver en voetbalvelden. Het is de wat doffe socioculturele bouwkunde van de jaren tachtig omzoomd door populieren, hoge appartementsgebouwen en het geraas van de A12 en de E19. Naast de chalet met zijn kantine strekt zich de minigolf uit: achttien banen kort op elkaar gedrongen in een decor van hagen, hortensia's en schaars gevulde bloembakken. Het gras is al plat en dor: met honderdveertien deelnemers samen op een zakdoek krijg je stro in plaats van gazon.
Nog een bijzonder decor-element zijn de zitbanken, geen twee zijn dezelfde! Dit zijn de banken uit de Antwerpse parken en plantsoenen die hier op pensioen zijn gestuurd. En zo moet ik al gauw alle moeite doen om mijn sympathie te bedwingen, zo weinig geld dat hier is en zoveel goeie wil! Dat zie ik ook aan de manier waarop dit tornooi georganiseerd is: naast Raymond en Pascal zijn er hooguit vijf andere idealisten die hier de handen uit de mouwen steken.
Vandaag is de laatste trainingsdag voor het EK en overal staan spelers oefenslagen te maken. Pascal en Raymond kijken met argusogen naar de staat van de banen. Bij het begin van het seizoen hebben ze die vlak geschuurd met een Woodboy : "en Raymond zat met zijn gat bovenop dat machien om nog meer druk te geven". Zo werden die eternitbanen "zo glad als een biljaar". Maar na vijf dagen training (met zelfs glazen en stenen ballen!) zien zij de groeven al, “van die spoorvorming zoals op de autostrade!"
Mijn eerste indruk is : wat een zakelijk parcours! Ik mis de molentjes, de kasteelpoortjes en de bruggetjes die over een beddinkje water gaan. Die hele Walt-Disney-architectuur waar je je eigen kinderen blij mee naartoe neemt om ze nadien in slecht humeur weer thuis te krijgen (ja, er is weer met sticks gegooid en er is een bal in de vijver gesmeten). Kortom, waar is de gezelligheid? Pascal ként dat soort minigolf, ooit is hij zo ook begonnen, maar dat is "amusement voor het gezin, dat is absoluut niet te vergelijken met de competitie die wij spelen." Deze banen hebben dan ook geen enkele franje, maar ze zijn wel goedgekeurd door the European Minigolfsport Federation. En alleen met die goedkeuring kan je een internationaal tornooi organiseren.
GVA 17/8/2012 Foto Frederik Beyens
Balzak en teelbal
Beginnen we dan met het spel! Om te spelen heeft elke minigolfer een stel ballen bij de hand en die draagt hij in een minihandtas, hier gemeenzaam het ballenzakske genoemd. Er bestaan zestigduizend(!) verschillende ballen in deze sport en elke baan vraagt een andere bal. Dat is ook wat spelers en coaches de hele tijd doen. Ze nemen ballen, ze droppen die op de baan en aan de weerstuit zien ze welke bal het meest geschikt is (de zogenaamde “balkennis"). Er zijn trage en rappe ballen, hevig botsende en stil stuitende exemplaren, en ook dode ballen die inert op de baan vallen. Elke speler is ook verschillend, "dus als je een harde speler bent, dan zal je op sommige banen toch een zachtere bal moeten gebruiken." Ook het weer speelt een rol. Bij warm weer zijn de banen rapper en rollen ook de ballen harder dan gewoonlijk.
Vandaar dat elk team zijn thermische koffer heeft voor de banen die "temperatuurgevoelig" zijn. In die koffers wordt de bal dan op de ideale temperatuur gebracht: "het komt soms op een tiende graad aan om een bal juist te kunnen spelen".
Ik zie nu ook hoe spelers veelvuldig de bal kussen, het leek me flauw bijgeloof, maar dat heb ik verkeerd gezien: de spelers zetten de bal aan de lippen om de temperatuur te meten.
En die wollen sok die uit sommige shorts hangt, is geen poetslap om de bal proper te maken; in de teen van die sok zit heeft zo'n speler ook ballen zitten en hij houdt zo warm tegen zijn onderbuik. Ja, het is balzak naast balzak, speelbal naast teelbal, en zo kunnen wij nog woordspelingen verzinnen, maar dit is ernst: "als je een bal op een vaste temperatuur kan houden, dan weet je beter hoe hij zich op de baan zal gedragen." Ook de vrouwen doen het met de sok, maar Pascal heeft ook al dames gezien die hem in de décolleté stoppen, want ook daar die vaste lichaamstemperatuur. Ik ben hier pas een uur en ik voel me al ingewijd in een groot geheim: dat minigolf nauw luistert naar de boezem en het kruis.
Ingescand uit Humo/ Thomas Legrève
Patatslag
Dit is de sport waar ieder zijn eigen ballenraper is. En toch zie ik niemand die naar de bal bukt. Alle hebben ze bovenop hun stick een zuignap en met dat ploppende uiteinde tillen ze de bal uit de baan. Het heeft iets van luie sjarel, maar hey, een EK win je niet met een hernia of een lumbago. En zeg zeker niet dat minigolf géén inspanning vraagt! Pascal: "Minigolf is eerst en vooral een mentale sport. Het zit in uw koppeke: daar moet ge rustig blijven en u concentreren. Maar het is ook een fysieke sport en heel belastend voor de enkels en de knieën, en ook de rug lijdt, van dat voortdurend en gespannen vooroverbukken."
We staan nu bij baan 15, met een soort oog van de naald waar de bal amper "overschot" heeft om erdoor te geraken. Baan 15 staat hier bekend als Favoritentöter, maar ik zie aardig wat spelers die van de eerste keer in het hole spelen. Meer nog, er zijn heel veel banen waar ik de spelers met één of twee slagen doorheen zie komen. Ik zie nu ook de fout die wij amusementspelers àltijd maken. Wij willen elke keer pàl naar dat putje spelen waardoor de bal als een contraire aap over dat gat wipt of met een nijdige hoek naar opzij zwaait. De kunst, beste vrienden, bestaat erin om rakelings naast het hole te spelen, en dan tegen de rand van de baan "en in den terugkoom, dan moet ge potten!"
Ik leer nog meer terminologie, een baan in één keer slaan is een ace, een hole heet hier het potteke, en het equivalent van de fausse queue, dat is de patatslag.
Waardoor we naadloos bij het volgende punt komen: de fanatieke speler die liefst geen enkele patatslag klopt, en die razend wordt als hij het parcours van achttien banen in negentien of twintig slagen moet afwerken. Twintig slagen! Dan mag je toch op je blote knieën vallen van dankbaarheid, maar Pascal heeft al ander dinges gezien. Niet bij deze senioren, hier gaat het veelal gemoedelijk aan toe, maar wel bij de Dames en Heren, de categorie tussen junioren en senioren: "Je zit daar bij de topspelers en dat zijn allesbehalve dames-en-heren! Ik heb venten oerkreten horen schreeuwen dat ik dacht: die mens krijgt iets, belt gauw den ambulaans! Maar nee, die hebben een ace gemist waardoor ze geen negentien maar twintig spelen, en dan ontploffen die hé! Ik zat eens op een training van de heren, d'r mist zo'n man een ace en van koleire stampt hij tegen een volle fles ice tea. Die spat vier meter verder kapot tegen een boom, en ik zat ernaast! Ik hing dus vol hé! En dat zijn volwassenen die zich zo gedragen. Ze stampen een vuilbak omver, ze meppen met hun stick door een bak bloemen, of ze slaan zo hard op een balustrade dat hun stok breekt." Pascal kan dat niet begrijpen, "uw stok is kapot, die bloemen zijn kapot, en 't is en blijft erneffe! " De agressiefste spelers zouden de Duitsers zijn. Met vijftienduizend Heren die competitie spelen, dus de concurrentie is keihard om in het nationale team te geraken.
De Morgen 18/8/12 foto Yann Bertrand
O-benen
Of Pascal al een achttien heeft gespeeld? Nee, maar wel al een negentien. Op de club zijn er nog maar twee anderen die ook "de negentien" hebben gespeeld: zijn vrouw Greta Janssens (Belgisch kampioen bij de vrouwen) en secretaris Raymond. "Zo'n negentien vergeet ge nooit van uw leven. En nog veel minder vergeet ge die éne baan waar ge gemist hebt. Bij mij was het dan nog de gemakkelijkste baan van heel het spel! "
Ik wil weten wat voor volk je in deze sporttak aantreft. "In elk geval geen hoger management", zegt Pascal laconiek. Hij is buschauffeur bij De Lijn, Raymond is stadsambtenaar, ze denken dat het "de kleine middenklasse is," zeg maar: de betere arbeider en de betere bediende, omdat je toch wat centen moet hebben om die ballen aan te kopen. Zo heeft Raymond in de voorbije jaren een arsenaal van achthonderd ballen vergaard, en als je weet dat een bal tien à vijftien euro kost, dan is dat toch al "iets waar je wat geld voor over moet hebben".
Wat geen geld kost bij deze sport, is het gratis uitzicht op allerlei benen. O-benen en X-benen, behaarde benen en gladde benen, aderspatten en tattoos. Iets hogerop zijn de bilspleten en de gebogen ruggen, en de koppen die laag tussen de schouders worden gezet. En er is ook dat zoeken naar de juiste voethouding, een wiebelen van tenen en hielen tot de voet eindelijk schrap is gezet. Ergens op de aardbol liggen ook Syrië en de eurocrisis, maar hier bestaat het leven uit het mikken van een bal. Het lijkt zo'n beperkt gebeuren, dat kleine afgelijnde kader en dat steeds maar herhalen van die zelfde handeling. Altijd opnieuw die bal leggen, die houding zoeken, dat gaatje vinden en helemaal weer van vooraf aan beginnen. Het is de sport van de propere lei, dat altijd opnieuw mogen aanvangen, en dus ook die illusie hebben van de Wiedergutmachung, -na een slechte baan komt wel weer een goeie baan!- dàt moet de obsessie zijn.
It's all in the mind!
En terwijl leeft de Rozemaaiwijk verder, mensen vertrekken naar de Makro, stofzuigen hun auto, maken met een sleutel hun brievenbus leeg, geheel en al onbewust dat er naast hun voordeur een Europees kampioenschap aan de gang is.
Franz, een Oostenrijker uit Wenen, komt op de bank uitblazen. Zijn ploeg is tot mijn verbazing al zes volle dagen aan het trainen. Het is ernst, zegt hij, je wil je land toch zo goed mogelijk verdedigen! Ik heb minigolf in Oostenrijk leren kennen. Op een familievakantie in Matrei-in-Osttirol. Elke avond van die zomervakantie zaten we op dat veldje met de lantaarns. Onze ‘mentor’ was de jonge boerenzoon Aloïs. Hij leerde ons de knepen om de toeristen-spelers te pesten. We verstopten dikke dennennaalden en vroeg afgevallen appeltjes in een tunneltje van een baan, en groot was onze lol als dikke Duitsers dan kwaad stonden te kijken waarom hun bal Scheiss' nochmal!! nooit in doel belandde. Amusement van de jaren zestig!
Het loopt naar halfzes en er komt enige luidruchtigheid op het terrein; vooral bij de Italianen die veel vuisten ballen en high fives slaan bij gelukte slagen. Ze hebben een zotte paljas in hun rangen die -als de bal het gaatje nadert- wilde copuleerbewegingen maakt, "ja! ja! erin! erin!" De Italiaanse mannen zijn ook de mannen die het meest in hun kruis krabben, blijkbaar ook een nationale sport in Italië. Ik spreek met hun coach Mauro, een wijze en minzame dottore: "Al die zottigheid is maar stoom afblazen, nu het nog kan, nu het nog training is en geen competitie." En dat het een sport is die voor tachtig procent tussen de oren wordt gespeeld, "it's all in the mind." Als je geen rust in je hoofd kan bewaren, dan kan je nooit een goeie speler worden. En dat je d'r alleen voor staat op zo'n baan, en dat je maar één tegenstander hebt, en dat ben jezelf. En dat zij ook al zes dagen onafgebroken trainen, en dat de Duitsers (hij gaat nu fluisteren) "een mental coach hebben meegebracht, iemand die met meditatietechnieken werkt." Op dit veteranenniveau? Jaja, daarvan is hij zo goed als zeker. En dat hij nu moet gaan, de coach moet waken over de rust van zijn team: dus geen zotte kuren vanavond, geen drinkgelag, gewoon vroeg de veren in.
DM 18/8/21 foto Yann Bertrand
Overstekende mieren
Op 16 augustus is het EK aan zijn tweede dag bezig. Bij de mannen én de vrouwen staat Zweden aan de leiding, gevolgd door een nek-aan-nek van Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland en Italië. De beste individuele score is voor de Zweed Martin Lundell die na vijf ronden een gemiddelde heeft van 19,6, dat is een haast foutloos parcours.
België hangt op de negende plaats van de elf landen. Raymond is niet verwonderd: "In het Belgische Minigolf Verbond zitten maar vijf clubs, dat zijn 260 leden, maar daarvan zijn er maar zeventig die regulier aan competities deelnemen, en hooguit twintig die internationaal meekunnen."
De zon brandt op de banen en de coaches houden paraplu's open tegen de wemelende schaduw die de bomen op de banen werpen. . Flink wat coaches vegen ook de baan schoon met hun vlakke hand, en dan vooral de dertig centimeter rond "de zone van de waarheid". De Duitse coach zie ik aan het werk op baan acht, daar moeten drie overstekende mieren veiligheidshalve worden doodgeplet en weggeveegd.
Zo'n vijftig spelers maken hun ronde en toch is het nagenoeg stil op dit parcours, er is alleen het dazen van de snelweg en het ruisen van de populieren. Plus die éne coach van Oostenrijk die zijn team luid aanmoedigt. "Jawohl Janny, der war perfekt!", een kreet uit een harde kop en een stierennek. Raymond komt het mij zeggen, "dat roepen is geen aanmoedigen, dat dient vooral om andere spelers te intimideren en uit hun concentratie te brengen".
Concentratie en kalmte, dat zijn de basics van deze sport, en omdat er spelers zijn die snel onder druk komen en nerveus worden, gaan sommigen betablokkers slikken ("ja, ook in de minigolf heb je doping.")
Pascal komt meedelen dat dit tornooi op een hoog niveau staat, "op twee dagen zijn er al drie achttienen geslagen!", dat is nooit eerder gebeurd in de geschiedenis van de Rozemaai. En dat de Oostenrijkse topspeelster Doris Ertl daarstraks onverwacht een 35 heeft geslagen, "ze is snotterend en bleitend van het veld gegaan, efkes gaan wandelen, en daarna sloeg ze een eenentwintig!" Raymond heeft zijn uitleg: “ze is gaan broddelen na één slechte baan, ze heeft de knop niet kunnen omdraaien. En dan blijf je gefrustreerd verder spelen. “
Zweedse sfinx
Ik zie alle soorten van concentratiegedrag. De Italiaan Ricchiuto kijkt eerst naar de hemel, prevelt daar een paar woorden naar een goddelijke hulplijn, zet zich dan in de houding, haalt diep adem, blaast ook diep uit, begint dan een binnensmonds gevloek tegen de baan, de vijand die voor hem staat en pas dan slaat hij de bal. Pàts, erin, de vuist omhoog en een yell. Zijn absolute tegenhanger is de Zweed Martin Lundell, de man die "los aan kop staat". Nooit komt een woord of kreet over zijn lippen. Hij is onverstoorbaar, hij is in zichzelf, hij heeft het hoofd altijd afgewend van het spel van de tegenstanders. De sfinx is hij, geen twee gezichtsspieren die bewegen.
Om kwart na zes is het ploegenkampioenschap voorbij. Zowel bij mannen als vrouwen haalt Zweden het goud. Met Martin Lundell als beste speler. Hij heeft zes ronden geslagen tegen een gemiddelde van twintig. Nog straffer is dat hij een rij van 35 aces heeft geslagen, dus 35 banen na mekaar een “één”.
Het zilver en de tweede plaats is intussen voor de Italiaanse azzurri, die vallen mekaar in de armen, duwen hun zwetende voorhoofden als rammen tegen mekaar, en zetten het op een brullen alsof de wereldbeker binnen is. Het was heel de dag nek aan nek met Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland en nu hebben ze gewonnen met één punt verschil. Tot de voorlaatste ronde was alles nog onbeslist, het is pas op de valreep dat Italië één fout minder sloeg dan de concurrentie.
Pascal heeft nog tien minuten voor de podiumceremonie en hij begint al met het ledigen van de vuilniszakken en het nazicht van de banen. Dat donkere stof op de baanstroken, "dat is roet, dat komt recht van de autostrade." 's Morgens blaast hij die banen schoon met de luchtblazer en 's avonds ligt dat fijn stof er al opnieuw, "ons moeten ze niks wijsmaken hoe gezond het hier wel is!"
Tijd voor het podium en ook dit grote houten staketsel mét vloerbedekking heeft Pascal zelf in elkaar getimmerd. Secretaris Raymond maakt intussen zijn opwachting met een groot rood kussen op zijn armen. Op het velours dat afgezoomd is met Belgisch lint liggen de medailles te blinken, en dat kussen is door zijn moeder zelve gemaakt. En zowat alles blijft in de familie, want de medailles worden uitgedeeld door zijn vrouw Micheline Van Driessche, tevens voorzitter van de club. Voor de winnende Zweden wordt hun nationale volkslied gespeeld en omdat de Skandinaven dat lied zacht mee zingen, gaat er een huiver van ontroering door de stikhete zaal.
Pascal De Roeck, duivel-doet-al van het tornooi. Ingescand uit Humo Thomas Legrève
Ballenliefde
Gisteren was het dertig graden in de schaduw, vandaag doet de koperen ploert er nog wat graden bij. Op deze derde dag van het tornooi is er een individuele competitie met de vijftien beste scores van gisteren.
De Eupenaar Erwin Hansen heeft die top-15 net niet gehaald, maar hij kent de obsessie die minigolf is en hij begrijpt dat sommige spelers met hun ballen praten: "Er bestaat zoiets als een Beziehung zwischen Mensch und Ball. Elke speler heeft een handvol ballen waarmee hij een persoonlijke band heeft. Ballen die betrouwbaar zijn, ballen die je op moeilijke momenten d'r doorheen halen, en dat worden dan je favorieten, dat worden dan de ballen die je bij moét hebben. Als je ze per ongeluk vergeet, dan voel je je slecht en dan speel je slecht, gewoon omdat zij er niet zijn. Je mist ze. Die ballen, dat zijn compagnons!"
Erwin heeft de 35 aces op rij van Lundell gezien, dat is speciaal, maar dat is nog niks vergeleken met de Duitser Marco Balzer. Die heeft ooit 72 aces na elkaar gemaakt, "dat is minstens zes uur aan een stuk slaan, je beurt afwachten, weer slaan, weer wachten en nooit één misser maken! " Hoe hij geconcentreerd kan blijven? "Het moet een flow zijn waarbij je één bent met die banen." De grondslag ervan is een diepe innerlijke rust en Erwin heeft sommige spelers al hun tijd zien nemen om die rust te bereiken: "Ik heb gasten gezien die voor een beslissende slag heel diep in zichzelf gaan: vier à vijf minuten lang staan ze onbeweeglijk met die stick in hun handen. De bal ligt klaar, en zij proberen weg te komen van de druk. En als ze total abgeschaltet zijn dat niks hen nog uit hun evenwicht kan brengen, dàn slaan ze hun slag!"
Systeem Toilet
Minigolf is niet zomaar een lijn slaan van A naar B. Ik zie spelers uitgekiende geometrische figuren op de baan toveren waarmee ze alsnog hun doel raken, en tot op de millimeter nauwkeurig. Het lijkt een poging om perfectie aan te brengen in het leven. Dat je met mathematische zekerheid weet waar een slag zal eindigen. Dat moet toch het intense gevoel geven dat je niet alleen vat hebt op die onvoorspelbare bal, maar ook greep hebt op de caramboles van het leven.
Pascal laat baan acht zien waar een Oostenrijker gisteren "uit koleire" een gat in de baan heeft geslagen en dat is nu met polyester-verharder opgevuld en vlakgeschuurd. En nu we het toch over spelers met een kort lontje hebben, "daar staat er zo één, hij speelt bij de Heren, en hij heeft al meer dan eens parasols en baanverlichting aan diggelen geslagen." En in zijn goeie Duits: "es ist wahr hé?! Wenn du dumme Fehler machst, dann geht bei dir das Licht aus, hé?!" De Eupenaar Pascal Hansen grijnst eens, es geht schon besser, mildert hij.
Zijn vader Erwin komt erbij en het gaat erover hoe sommige spelers anderen in het rood kunnen jagen. Zij noemen dat het Systeem Toilet waarbij je de arbiter vraagt om naar de wc te gaan, puur om de wachtenden achter jou te irriteren. Pascal: "Gisteren was hier een Tsjech, die speelde één baan en die vroeg al direct permissie om te gaan. Na één baan? Dakàntochnie hé!"
Erwin zegt dat zo'n toiletmaneuver vaak een manier is om woede te ontladen. In de Duitse competitie zag hij eens een speler een baan missen, die kon zich nog net inhouden en naar het toilet vragen, en onderweg -tsjààk en wooooshhh!- sloeg die met zijn stick dwars door vier bloembakken heen. Nadien kwam hij terug, "en hij speelde toch nog een negentien!"
Wat een stilte en gemoedelijkheid het hier is, zegt Erwin, gemeten aan de Duitse competitie is dat hier een begrafenis.
Secretaris Raymond Leemans met het erekussen en de medailles. Ingescand uit Humo/ Thomas Legrève
Martin Lundell heeft zijn laatste bal geslagen en in zijn tiende ronde een 19 gehaald. Applaus breekt los, hij is zondermeer de beste van het tornooi en de nieuwe Europese kampioen bij de senioren. Zijn vriendin -ook een speelster- valt hem met veel tranen om de hals en ook de sfinx is nu geroerd, alle spelers van Zweden en de rest van Europa komen hem uitvoerig omhelzen en de hand drukken. Lundell is in de wolken: "Het is mijn eerste goud in al die jaren. Ik ben op een WK wel eens negende geweest en bij de senioren was ik vorig jaar zevende, maar dit is mijn beste tornooi ooit. Op al die rondes heb ik maar één dip van 23 gehad.”
Zweden op één, Italië op twee, Oostenrijk op drie, dat is het podium en Pascal zal die drie vlaggen eens rap bij elkaar gaan halen. Het hijsen van de vlaggen is indoor. En met de geringe hoogte van het plafond, worden ze alleen maar gehesen op een stok van een parasol, “ en dan kunnen ze er nadien mee gaan zwieren en zwaaien, dat is toch ook schoon?!"
Medaille voor België!
Zaterdag is de vierde hondsdag op rij, een withete dag waarbij mussen in groep uit de dakgoten vallen. Het is de laatste dag van het EK en er staan shoot outs op het programma, voor de tweeëndertig beste mannen en de zestien beste vrouwen. Kort na vier uur veren de Belgische aanwezigen op: Greta Janssens speelt voor brons tegen de Oostenrijkse Johanna Knotzer, met zo'n naam kan dat geen simpele opdracht zijn. De Belgen hebben op dit tornooi geen coach ("wij zijn zo eigenwijs, wij denken dat we dat allemaal zelf kunnen"), maar voor deze gelegenheid zal Pascal de groene armband aantrekken, de paraplu tegen de zon houden en zijn vrouw flink moed inspreken, "komaan Greta, gekunnet! " Greta draagt een pet met een enorme klep, dat is voor haar concentratie heeft ze me gisteren toevertrouwd: “ Ik moet mij op die slag kunnen concentreren en door die grote klep zie ik geen bewegende bomen, geen omstaanders en geen zon. Dat is perfect, ik moet alleen maar die vijftig centimeter onder mijn voeten zien, meer is er niet nodig." Pascal is meer dan een coach, Pascal is een waakhond die bij het minste gerucht zijn oren spitst. Iemand die heftig over het veld beent, een blad dat nogal luidruchtig uit een boom valt, hij zet gelijk een bestraffende blik op, niks mag zijn poulain uit evenwicht brengen. En ja, die ijskar met haar bel (drie straten verder) en die ziekenwagen met zijn sirene (500 meter verder), daar kan hij spijtig genoeg niks aandoen
De strijd is gelijkopgaand, er moet weer een reeks van 18 banen begonnen worden, en dan klopt de Oostenrijkse twee slagen en Greta een ace op baan twee. Gejuich stijgt op van de Rozemaai, Pascal omhelst zijn Greta en zal wel vijf keer zijn vuist ballen, yes!yes!yes! Dit is niet alleen Greta's eerste medaille op een Europees tornooi, dit is zowaar ook België's eerste medaille op een EK!
En dan is het avond en is er nog koud buffet in de warme feestzaal. Eindelijk kan Raymond eens rustig op een stoel zitten. Eindelijk kan hij eens rustig zijn bord leeg eten, en terwijl de discobar The Animals en André Hazes draait, zal hij me toevertrouwen dat ze "deze week toch al twee leden hebben bijgewonnen."
Zo klimt een club uit een klein dal. Zo komt een bal altijd weer uit dat putje.
18 holes in 68 slagen: een teleurstellende score van onze verslaggever.
De "kleine" tornado van Beauraing en de "grote" tornado van Hautmont
Het onweer hield gisteren op vele plaatsen lelijk huis. Onder andere in Beauraing (provincie Namen) waar een "kleine" tornado (of zogenaamde “mini-tornado”) 92 woningen zwaar beschadigde en 17 (licht)gewonden maakte.(*)
Vroeger waren tornado's uiterst zeldzaam in onze contreien. Maar met de klimaatopwarming zijn de stormen, de onweders en de wolkbreuken in kracht toegenomen.
De tornado in Beauraing doet me denken aan de tornado in Hautmont in 2008. Dat Noord-Franse stadje ligt op dezelfde as als Beauraing, een as die veel onweersfronten volgen in het zuiden van België, het stadje Hautmont ligt ook maar net over de Belgische grens . De tol in Hautmont (2008) was wel veel zwaarder omdat de tornado een lang en breed spoor trok: er waren 4 doden, 18 gewonden en 700 huizen werden beschadigd. Aanvankelijk sprak men daar ook over een "mini-tornado"...
(*) het KMI onderzoekt nog of het om een tornado gaat of om een valwind (“downburst” zoals in Pukkelpop)
Humo augustus 2008 © Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo
"Het was een geraas alsof een vliegtuig op ons af kwam."
In dertig seconden kan je huis een kaartenhuis zijn. Dat ondervonden de inwoners van het Noord-Franse Hautmont op zondagavond 3 augustus. Toen trok een uitermate zware tornado een breed spoor van vernieling door het stadje. Vier mensen lieten het leven, achttien raakten gewond en voor Frankrijk was het de zwaarste tornado van de afgelopen vijfentwintig jaar.
Vér moet ik niet rijden: de plaats van het onheil ligt op minder dan tien kilometer van de Belgische grens, op dertig kilometer van Bergen en op negentig kilometer van Brussel. De eerste touchdown van de tornado vond plaats in Boussières-sur-Sambre, een dorp van vijfhonderd inwoners en glooiende maïsvelden. Eerst is er alleen de bushalte waar het glazen wachthok aan scherven ligt, dan volgt een rij losstaande huizen die uiteenlopende schade vertonen. Van het eerste huis is het halve gebinte en pannendak weggerukt. "'t Is het huis van mijn zoon," zegt de man die van de ladder klimt, "en dat gebinte hebben we tachtig meter verder teruggevonden in het koren."
Hij woont een paar kilometer verderop en zag het ontij beginnen: "Het was niet zo'n warme dag geweest, misschien 24 graden, maar rond half elf begon het te bliksemen zoals ik nooit eerder gezien heb. Dat was de ene flash na de andere, ik stond aan het raam en kon niet tot twee tellen of er was weer een flits. De lucht zag wit op de duur, helwit, en ik kon alles zien staan in de tuin. Dat heeft zo'n twintig minuten geduurd en toen kwam er telefoon. Ik dacht dat het de schoondochter was, zij stond op bevallen, maar het was heel ander nieuws: ze zei dat we diréct moesten komen want dat het dak was weggewaaid. Toen ik hier kwam, heb ik de regen nog in het huis zien stromen. En nu timmeren we een voorlopig gebinte en we hopen maar dat de zijmuren niet verder gaan scheuren."
© Jan Hertoghs
Een heli van de Franse politie scheert over de weg, experten van de verzekering bladeren door een polis op hun motorkap en de jonge huisvader met zijn boodschappen zegt dat ze geluk hebben gehad: van hun huis is alleen de dakbedekking weg "en een aantal kasseien zijn uit de oprit gerukt en weggewaaid". Zijn schade is miniem in vergelijking met het twee jaar oude huis van zijn buurman: die fermette is omvergeblazen en tot de grond verwoest. Het groene maïsveld achter het huis is helemaal platgeslagen en zit onder de witte en gele vlokken isolatiebekleding. Tot waar de bouwstenen liggen, is niet te zien, "sommige zijn tot diep in het bos gevlogen".
"Het is een wonder dat mijn moeder nog levend uit die puinhoop is gekomen, "zegt Benoit Blondiau die uit vakantie terug is gekeerd. "Ze hoorde de wind opsteken, ze wilde de rolluiken neerlaten en dan is het venster ontploft en is ze tot in de tuin geslingerd. En toen ze weer bij bewustzijn kwam en achterom keek, was haar huis weg! Haar vriend is wél gewond geraakt, maar niet erg: als je met een driedubbele scheenbeenbreuk uit dat puin kan kruipen, dan heb je geluk gehad."
In de tuin stond een bungalow van dikke planken en ijzeren poutrels: "Die ijzeren balken wogen tientallen kilo's, die zijn nog nergens teruggevonden." En dat je al die verhalen hoort over de stilte voor de storm: "Geen vogel die nog zong, geen blad dat nog bewoog, het was dood-en-doodstil. " En dan was er die plotse benauwdheid geweest, heel kort voor de tornado, "in huis leek het alsof ze een heet nat deken over hun gezicht kregen".
Een derde huis ziet er van buitenaf gespaard uit, maar de dakwerkers schudden van nee, "het staat op instorten". In de living en het salon stutten ijzeren palen het plafond, in de gang naar de slaapkamers zijn de binnenmuren verbogen en staan de deurlijsten scheef uit hun voegen. Daar waar de bedden staan, zijn de muren gebombeerd en valt het licht binnen via de kamerhoeken die centimeters breed zijn opengespleten: "Dat moet een geweld geweest zijn! Dat de wind zomaar beton uit elkaar kan scheuren!"
© Jan Hertoghs
Geknakt bos
We komen uit de voordeur als de eigenaar arriveert. Ik verontschuldig me voor de ongevraagde entree, maar hij grimlacht dat het geen erg is, "'t is nu eenmaal een huis om met de deur in huis te vallen". Hij vertelt hoe hij de rolluiken wilde sluiten, maar dat de wind het gesloten raam uit de scharnieren sloeg: "Dat raam knalde open en ik werd achterover tegen de muur gesmakt. Dat geluid! Dat was als een kettingzaag! En het hele huis kreunde en kraakte, ik dacht dat het op mijn kop ging vallen." Gisterenavond is hij gaan kijken naar de uitgebreide schade in Hautmont, ("daar is het alsof er bulldozers op de huizen zijn ingereden"). Wat hem ergerde, waren de vele ramptoeristen: " De CRS sluit de getroffen straten wel af, maar je had de weg naar Vieux-Mesnil moeten zien, die kijkt uit op het getroffen gebied, en daar waren ze vannacht om half twaalf nog aan het cruisen en flaneren, het leek wel feest, net de quatorze juillet!"
De dakwerkers vertellen dat boeren geperste hooibalen van 350 kg hebben zien wegstuiteren alsof het niets was. En dat ik zeker naar het Bois de Boussières moet gaan zien: "daar zijn duizenden bomen geknakt". Eén van hen heeft een oude eik zien staan, één meter doormeter, "maar zijn kruin is van de stam gewrongen als een bosje selder!"
De enige weg van Boussières naar Hautmont loopt door het dichte bos en het asfalt is afgezoomd met geruimde en in stukken gezaagde berken, beuken, eiken en canada's. Bomen die nog overeind staan hebben een amputatie ondergaan, dikke takken zijn nu blote stompen.
© Jan Hertoghs
Ik rij Hautmont binnen en ik herken de doffe onverschilligheid die je wel vaker ziet in uitgeleefde stadjes: het is begin augustus en de kerststerren hangen nog altijd aan de straatverlichting.
Drie CRS-agenten staan bij het dranghekken en laten alleen bewoners toe tot het getroffen gebied. Journalisten kunnen "met wat geluk" een volmacht aanvragen bij de crisiscel in het gemeentehuis. Op de mairie laat ik m'n eerdere artikels over tornado's zien en dat zorgt vlot voor een 'passe-partout'.
In de getroffen straten staan overal ladders tot tegen de dakgoten, er wordt druk genageld en getimmerd, takken worden uit tuinen gesleept en er zijn de vormeloze resten van natgeworden huisraad op de stoep. ("Dit is nog niks, monsieur, wacht tot u aan de Rue du Vélodrome komt!") Dat is zowat het hoogste punt van Hautmont en daar is de aanblik licht apocalyptisch. Over een breedte van meerdere honderden meters heeft de wervelwind daken van huizen gerukt, ramen uit flatgebouwen geblazen, muren omver geduwd en auto's in de lucht gegooid en "tot vijftig meter ver gekatapulteerd".
Huizen hebben werkelijk elke beschutting verloren. Het dak is nog een geraamte, de zijgevel is weg en wat ooit privacy was, zijn nu eet- en slaapkamers waar je botweg kan binnenkijken.
Ik zie ingebouwde keukens waar de kastdeuren zijn weggewaaid maar waar de cornflakes, de confituur en de bokalen met suiker nog netjes op de rekken staan. Een kinderbed staat nog op de hoogste verdieping, maar wel onder de blote hemel. Een oven steekt nog in een muur, maar dat is alleen de klep, de achterkant van de oven en de rest van de keuken is weggevaagd. Mensen durven hun huis niet meer te betreden via de voordeur, en klimmen via een ladder naar hun eerste verdieping om toch nog wat huisraad te redden. In de voor- en achtertuintjes liggen boeken, tv's, stukgeplofte zetels en beslijkte computers naast elkaar. Op het voetpad tref je paarse kaarsen die nooit meer licht zullen geven. Op een parking staat een gele Toyota waarvan het koetswerk getroffen is door honderden steentjes en glasscherven. Tegen de lekke banden liggen rollen roze toiletpapier, twee tuinslangen, een witte peignoir en een dvd van Harry Potter. De andere auto's zijn al weggetakeld, zegt een CRS agent, dat waren stuk voor stuk pertes totales. Van een rij van vijftien garageboxen is geen enkele muur overeind gebleven, alle auto's zijn door stenen bedolven en alle kantelpoorten zijn in het niets verdwenen.
Een vrouw sluit snauwend haar gsm-gesprek af: "Maman! Stop met huilen! Dat hebben we hier al genoeg gezien!" Haar ladder staat tegen een tienerkamer, de boekentas van één van de kinderen staat roerloos naast het bed, het is nog altijd vakantie.
© Jan Hertoghs
Mini-tornado ?
Een jonge moeder vertelt: "Ik lag al in bed en ineens werd ik wakker door een hoog gefluit. Ik wilde aan het raam gaan kijken, en tegelijkertijd hoorde ik in de kamer ernaast het raam met een slag aan scherven gaan en ik zàg een auto door de lucht vliégen, niet veel lager dan mijn appartement, en ik woon op de vijfde verdieping! Ik heb mijn dochtertje uit haar bedje gesleurd en ik ben op de grond gerold achter een muur. Toen de tornado weg was, kon ik mijn ogen niet geloven. Mijn keukentafel was kapot, maar mijn keukenstoelen waren geen centimeter verschoven. Een kast met speelgoed lag omver, maar de plastic badeendjes op het schap ernaast, lagen er nog als net tevoren. Hoe kan dat nu? De sofa was doorboord met de scherven van het raam, zware meubels waren van het ene eind van de living naar de andere geschoven, maar speelgoed van geen honderd gram lag nog op zijn plaats!"
In het nabije voetbalstadion is het dak van de tribune half weggescheurd en rond de niet geknakte lichtmasten hangen stukken hangar gedrapeerd als lichtmetalen vlaggen.
Ik begrijp allerminst dat men dit een mini-tornado heeft kunnen noemen. Dat was de term van het agentschap AFP en die is klakkeloos overgenomen door onder andere VRT en VTM. De opgetilde auto's, de daken en muren die uiteengereten zijn, het is een schade die op de schaal van Fujita zeker tot de categorie F3 behoort en dat stemt overeen met windsnelheden die kunnen oplopen tot 330 km per uur. Haast elke ooggetuige die ik spreek, is gedegouteerd over dat minimaliseren: "Ze blijven maar mekkeren over die minitornado alsof hier een paar huizen schade hebben geleden. Weet u, aanvankelijk wilde de Franse meteo zelfs niet over een tornado spreken, men had het over plaatselijke felle windstoten (rafales). Ook de minister van Binnenlandse Zaken die hier op bezoek was, heeft nog altijd niet het woord 'rampgebied' of 'natuurcatastrofe' over de lippen kunnen krijgen!"
La Voix du Nord 5/8/08
Tot 417 km/u
De tornado was allerminst te onderschatten. Hij trok een spoor dat bijna elf kilometer lang was en tot tweehonderd meter breed: naast Boussières en Hautmont werden ook Neuf-Mesnil en de grotere stad Maubeuge getroffen. Zevenhonderd huizen zijn beschadigd, tweehonderd ervan zijn onbewoonbaar verklaard.
Al op maandag 4 augustus waren twee onderzoekers van het Belgische KMI ter plaatse. In hun verslag wordt de tornado tot de categorie F4 gerekend wat de op één na zwaarste categorie is. In weerkundig onderzoek krijgt een tornado altijd het 'label' van de plek waar de hevigste schade is genoteerd en de KMI-onderzoekers baseren zich ondermeer op de huizen die met de grond gelijk zijn gemaakt: "Dat een nieuwgebouwd stenen huis zo compleet tegen de vlakte gaat, is een duidelijke indicatie van een F4". De kwotering F4 geeft ook aan dat er op sommige plaatsen windsnelheden tussen 331 en 417 km per uur zijn opgetreden. )
De Association Météorologique du Nord-Pas de Calais komt tot dezelfde F4-vaststelling en voegt eraan toe dat "een tornado van zulke vernietigende kracht zeldzaam is in Frankrijk: het is nog maar de tweede in vijfentwintig jaar. Om nog een F4 terug te vinden in deze regio (Nord-Pas de Calais) moeten we teruggaan naar zaterdag 24 juni 1967. Toen sloeg een F4 toe tussen Douai en Arras met een balans van zeven doden en eenenzestig gewonden." Dat weekend in juni 1967 was wel het zwaarste tornado-weekend ooit, want één dag later (op zondag 25 juni '67) raasden er ook tornado's door de Westhoek en de Kempen. In Boezinge, Dikkebus en Oostmalle raakten zowat duizend huizen zwaar beschadigd. In het Nederlandse Noord-Brabant vielen zeven doden.
© Jan Hertoghs
Fluo stoomwolk
De Rue Fernand-Rousselle is de meest gehavende straat in Hautmont. Ze ligt pal tegen de bosrand en je kan zien hoe de tornado met zijn rondwervelende breekmolen van takken en bomen pal op de straat is ingevlogen. Hier zijn huizen compleet ingestort en hier hebben drie oudere inwoners het leven verloren: "Zoals in de oorlog hebben ze willen schuilen in hun kelder, maar hun woning is ingezakt als een kaartenhuis en ze zijn bedolven nog voor ze hun schuilplaats konden bereiken." Het vierde slachtoffer woonde wat verderop, zag geen leven en toekomst meer in zijn vernielde huis en schoot zich door het hoofd met een revolver. De man was 76.
Het is een vreemde sensatie. De straat is een bouwwerf van stof, puin en vrachtwagens en toch ruikt het hier naar hars, de scherpe en frisse geur van kerstmis die is vrijgekomen uit geknakte naaldbomen. Een bulldozer schraapt een dikke tak van het wegdek, een grote kinderpop rolt mee met het stalen blad. Op de hoek van de straat nog meer surrealisme: puinruimers zitten op een muurtje te eten, een middagpauze van stokbrood, paté en grote plakken camembert, en achter hen ontplooit zich de enorme tuin van een villa waar een surrealistische hagel is neergeslagen: gecrashte kramen uit de bewaarplaats van een kerstmarkt, plastic palmbomen van een handelsbeurs, en het verwrongen geraamte van een draaimolen.
Omdat het zo laat en donker was, heeft niemand de verwoestende slurf van de tornado kunnen zien, maar wie kort voor de 'inslag' naar buiten keek, zag een onheilspellend spektakel. Leila Louafi: " Ik zat nog tv te kijken, hoorde een zwaar geronk en dacht dat er wat mis was met m'n oude tv, maar het geluid kwam van buiten en tegen dat ik aan het raam was, dacht ik dat er een vliegtuig op het huis kwam gevlogen, (klemt de handen op de oren), zo'n geraas was dat. En de lucht zag eruit alsof er een stofwolk én een stoomwolk op ons afkwam, de ene seconde zag het grijs en dan sloeg het om in akelig wit en lichtgroen, die 'wolk' leek zelfs fluorescerend. Ik ben achter de zetel gekropen en ben er de eerste minuten niet vandaan durven komen. En dan die ravage! Incroyable. Ik kan er nog niet over. Dat zijn nu al twee ochtenden dat ik ben opgestaan en vanuit mijn slaapkamer, badkamer, keuken en living zie ik alleen maar puin en huizen die kapot zijn. Dat herstel gaat nog lang duren en gaat me nog maanden aan die tornado herinneren, ik denk niet dat ik hier ga blijven wonen."
© Jan Hertoghs
Vrijwilliger in het vaccinatiedorp: wij zijn pijlen, wij zijn wegwijzers
In mei ben ik als vrijwilliger begonnen in het Antwerpse vaccinatiedorp Spoor Oost. Ik had niet de bedoeling om er een stuk over te schrijven, maar al na de eerste “shift” was het duidelijk dat ik erover moést schrijven. Al die uiteenlopende mensen die uur na uur voorbij komen, oudere koppels die arm in arm naar hun inenting gaan (“‘t is een uitstapke voor ons”), al die commentaren en opmerkingen van de gevaccineerden, de kameraadschappelijke sfeer onder de vrijwilligers, het was een belevenis, een avontuur. En het is dat nog altijd, ik ben nog steeds steward ( u herkent me aan mijn gele hesje!)
Vandaag komt een link naar het stuk in de online nieuwsbrief van de 7000 Antwerpse vrijwilligers “omdat het goed beeld geeft van het werk van de vrijwilliger”. En dus zet ik het ook op deze site.
Humo 1 juni 2021 © Jan Hertoghs
© Jan Hertoghs
"Hierlangsss Dààmessss en Heren ! Allez Rrrrroulez!”
In België zijn er 162 vaccinatiecentra, 94 daarvan in Vlaanderen. Het grootste vaccinatiedorp is dat van Antwerpen waar al meer dan 300.000 vaccins zijn gezet. Zoals alle centra draait dit "dorp" hoofdzakelijk op vrijwilligers. Onze Man schreef zich in, werd steward, en wees duizenden de weg naar hun speeddate met het vaccin. Een mijlpaal in de geschiedenis van de wereldvolksgezondheid. En de vragen zijn navenant. "Kunnen wij bij u een pintje bestellen?"
10 mei. Het tentendorp van Spoor Oost (4000 m2 groot) heeft een aparte ingang voor de vrijwilligers (de crew) en als crew hebben wij ook een backstage: een reftertent met klapstoelen en klaptafels, lockers voor je spullen, automaten met warme dranken, een prikbord en een onthaal. Later zal ik jong en oud zien, maar vandaag zie ik veel grijs, een backstage van gepensioneerden.
Elk onderdeel van het dorp heeft een "straatmeester" en die verantwoordelijke leest de namen af van "zijn" vrijwilligers. Ik ben ingedeeld bij de check-out en krijg m'n gele hesje. Ooit zal iemand een boek wijden aan dit wereldwijde flodderobject, en hoe wij als stervelingen alsnog licht afgaven in een tamelijk duistere 21ste eeuw.
De check-out ligt net voorbij de inenting. Een "scriptor" scant je documenten en geeft je het vaccinatiebewijs met in grote cijfers het tijdstip wanneer je het dorp mag verlaten. Niemand spreekt hier over het vaccinatiebewijs. Wij spreken over "het bewijske", "het bonneke" of "uw kasticketje".
De gevaccineerden moeten dit bonnetje tonen en ik moet ze naar de observatieruimte (alias "de wachtzaal") wijzen. Die zaal ligt voor hun neus en toch moet ik ze naar rechts wijzen, naar een lange brede gang, zo komt er ruimte in de mensenrijen.
Scootmobiel
Alle documenten vragen om alléén te komen, maar ik zie veel koppels bij deze vijftigers en zestigers. Het is deels nieuwsgierigheid deels gezelligheid, de niet-vacciné kan al eens zien hoe de zaak verloopt, en ja, eigenlijk beschouwen ze dit dorp "als een uitstapke". Wie had dat een jaar geleden kunnen denken dat koppels arm in arm naar een inspuiting zouden wandelen.
Volgens de instructieve webinar moet ik "grote gebaren maken" om de gevaccineerden in de juiste richting te loodsen. Soms is de rij te dichtbij en temper ik mijn gebaren. Ik wijs rustig de weg maar dat wordt niet altijd begrepen. Ik zeg, rechts afslaan, en dan zeggen sommigen, "naar links hier?" Of ook: "ik kan rechts en links niet uiteenhouden, meneer." Een enkeling loopt zelfs terug richting inenting.
Voor ons is dat dorp overzichtelijk, maar voor velen is dit een doolhof van gangen, cabines en stoelenrijen. Wij zijn de lichtboeien waarop ze zich kunnen richten, maar omdat we met zoveel boeien zijn, raken sommigen toch nog in de war.
Plots schiet een donker voertuig onze kant uit, een rap rijdende scootmobiel! De vrouw wil nog wel bruusk remmen voor ons, maar nee, ze wil niet gaan wachten in de wachtruimte, "ik zal op mijn scooter wel een kwartier blijven zitten!" En we moeten linten en stoelen opzij trekken, want madame wil nù naar de uitgang. Een scriptor draait zich om, "amai, zeker de verkeerde spuit gekregen."
© Jan Hertoghs
Er is maar één vaccin vandaag (Moderna), maar er zijn zovéél uiteenlopende mensen! Een vrouw op stiletto's. Een straatloper op bottines. Een zwijgzame figuur met een verlopen mondmasker, de naad zo bruin als koffie. Bouwvakkers met bespatte werkbroeken. Agenten in volle uitrusting: pistool, pepperspray en handboeien. Marokkaanse drerries met hun oude vader. Chassidim joden met lange zwarte jassen en lange witte baarden. En daartussen staan we. Wij zijn pijlen. Wij zijn wegwijzers. Wij wijzen, wij gebaren, wij wuiven tegemoet. "Amai! Iedereen wuift hier naar mij. Dat zou op straat ook mogen gebeuren."
De mensenrij neemt hier een bocht, maar soms moeten we iemand uit de rij halen wegens geen bewijsje in handen. Dat is tien stappen eerder uitgeprint en op die korte afstand
zijn ze het al "kwijt". Mannen zoeken hun zakken af, vrouwen diepen hun handtas uit. En zoveel trillende handen! Ik heb compassie, al die stress in dit bestaan. En ze vinden bonnetjes van de Carrefour en de Delhaize, maar niks van het vaccin. Ze moeten gaan zitten, ze hijgen, ze moeten naar huis, nog eten maken, en eindelijk-eindelijk hébben ze het. En tegelijk de muziek uit de luidsprekers. Pretty Woman van Roy Orbison. Uptown girl van Billy Joel. En nu ook het weemoedige So Long Marianne. Naar Leonard Cohen luisteren tussen het stappen op de holle vloeren, het kraken van de plasticwanden en het blazen van de warmeluchtkokers, ik zal het niet gauw vergeten.
Dan luwt de drukte. Een collega-steward gaat in een rolstoel zitten, hij zal eens zien of hij dat kan, achterwaarts parkeren in de rolstoelenrij. Hij wielt en maakt Formule-1-geluiden. Wij zijn kinderen op pandemieschoolreis.
Team volzet
De selectie van de Rode Duivels halen is zwaar, maar het steward-shirt bemachtigen van Het Grootste Vaccinatiedorp in Vlaanderen is ook niet eenvoudig. Omdat er zovéél vrijwilligers zijn: zo'n 7000 voor circa 150 plaatsen per shift. Eind februari schreef ik me in, toen waren we slechts met 2500, maar toen begonnen ook de hindernissen. Eerst brak ik een rib. Daarna kon ik een tijdlang niet uit de voeten met m'n online profiel. Vervolgens kreeg ik drempelvrees om ongevaccineerd rond te lopen tussen honderden potentiële virusdragers. Pas na mijn eerste vaccin durfde ik op een shift intekenen, maar toen moest de grootste horde nog komen: het team van vrijwilligers was soms al op tien minuten volzet. Jan Stroobants (spoedarts en hoofd van het vaccinatiecentrum) noemde dat "het minpunt van ons dorp, dat zoveel vrijwilligers naast de boot vallen". En ik viel vér naast de boot vanwege geen smartphone en dus geen app. Of zoals een collega-steward het verwoordde: "Uit welke donkere prehistorische put komt gij gekropen?!" Maar begin mei kan ik in één keer meerdere shiften vastleggen. Ik ben vertrokken.
Marathondag
11 mei. Vandaag wordt de "meest uitdagende dag sinds ons dorp begon". Dat zeggen ze in de microfoon en dat we op deze "marathondag" 7500 personen gaan vaccineren. Dat blijkt vooral een test voor de parking te zijn: "omdat zovelen met de auto komen, willen we nagaan of we die toestroom van auto's kunnen bolwerken." Het dorp zelf kan een grotere snelheid aan (in de krant was sprake van 1000 "tot zelfs 2500 prikken per uur",jh), maar het zijn "de autofiles die het werk stremmen en die in het voordeel van het virus spelen". Zo wordt het letterlijk gezegd, de auto als rem op de vaccinatiesnelheid.
Ik sta opnieuw bij de afslag naar de observatieruimte, ik ben opnieuw pijl en wegwijzer, met één extra taak: mindermobiele bezoekers mag ik een 15-minuten-zitplaats geven vlakbij de uitgang. De eerste is een kassierster die hyperventileert, "omdat het zo druk is, omdat hier zoveel mensen zijn." De volgende die naar adem hapt, is een zeventiger bij wie ze "hele stukken long hebben afgepakt, ik was er bijna geweest, de MUG is moeten komen. Hebt ge mij niet gezien, ik zat in "Spoed" van de VTM."
Een vrouw praat zonder opkijken. Ze is zo onzeker met dat mondmasker. "Ik stap moeilijk en ik probeer altijd te zien waar ik mijn voeten zet. Maar met dat masker kijk ik op die naad en zo wordt stappen alsmaar lastiger. Ik ben mijn zelfvertrouwen kwijt én mijn oriëntatie. Och meneer, wat heb ik toch tegenwoordig?!"
Onze Man in de hoedanigheid van pijl, wegwijzer en wandelknooppunt. © Wietse Hertoghs
Pukkelpoppen
Op deze marathondag is het blijkbaar ook triatlon van de moeizame stappers, de rolstoelen, de rollators en de krukken. Een zeventiger met een kruk begint over de zomerfestivals, "de Pukkelpoppen en de Tomorrowlands. Binnen drie maanden is het zover, dan hangen ze daar opeen met 60.000 man, en dan heel de dag drinken, en 's avonds kruipen ze in hun tent, en dan kruipen ze opeen, ah ja, dat is allesbehalve social distancing dat ze daar doen!"
Ik breng hem met de rolstoel naar de taxipost en als ik terugkeer met de lege stoel zie ik wuiven om hulp: "Mijnheer, wij komen van de tramhalte, maar mijn zus ginder kàn niet meer." Dat is een manco aan dit dorp. Kom je met een taxi of de wagen, dan is er bijstand. Kom je met de tram, dan is het een lang eind stappen, en geen hulp voorzien.
Zij moet nù haar vaccin hebben en haar zus binnen twee uur. Ze willen wachten. Via de helpdesk is het een kleine moeite, ze mogen samen naar binnen. Dat hadden ze niet verwacht, ze blijven me bedanken. Daar ben ik het hart van in, want ik zal het nog vaak tegenkomen: doodbrave mensen die nooit naar helpdesken bellen, mensen die niets vragen, die niemand tot last willen zijn. En zo is dit een bijzonder dorp. Je kan goed doen voor de mensen.
Onderweg met de rolstoel is er vaak het relaas. Over de nieuwe heup. Over Parkinson, multiple sclerose en hartklachten. Zoveel miserie. En de wrange slotsom. Het vaccin helpt tegen het virus, maar niet tegen het leven en het lijden.
Winterhandschoenen
Het is een drukke dag vandaag. Was dit een tv-programma, dan ging nu een drone omhoog en zag je mieren die in gestage rijen in en uit dit witte nest zwermen.
Ik begin op de mens en zijn stap te letten. De stap kan monter zijn, gezwind, licht verend of gehaast. Er is ook de aarzelende, weifelende stap, de wankele en de manke stap, de stap van de dikke benen en de zware voeten, zoveel mensen die moeilijk vooruit gaan. Een flaneur is zeldzaam, slechts één heb ik gezien die werkelijk alles met grote verwondering in zich opnam.
Heel soms is er de woeste stap. En altijd is het een man en altijd is er die blik van waar-is-hier-de-uitgang! "Ik wil geen kwartier wachten, ik wil buiten, jong, laat mij door!" Het zijn uitzonderingen, maar voor hen is dat kwartier rust er teveel aan. Eén vent sjeest weg met zijn vrouw in de rolstoel, "niks te wachten, waaj gon deur!" Antwerps voor de kortste weg. Eén man heb ik kunnen bedaren. "Binnen een kwartier kom ik persoonlijk uw handboeien losmaken." Hij is lachend gaan zitten.
Een wolkbreuk hoost over het dorp. De mensen komen doorweekt en drijfnat aan de check-out, en toch klinkt geen sakkeren of klagen. Je leest van zuur en sjagrijn en polarisering, daarvan is hier geen sprake.
Wel is er sprake van schrik. Zo vallen mij de grote plexi-spatmaskers op en bezoekers die latexhandschoenen en zelfs dikke winterhandschoenen dragen. De smetvrees zit er bij sommigen goed in. Ondanks al die maskers, de alcoholpompjes en de injecties denk ik hier amper aan corona, zijn cijfers en zijn besmettingen. Ik denk aan De Mens die hier passeert. Al die koppen, al die kleren, al die voetstappen. Een nooit geziene revue.
's Avonds kom ik op dreef. De rijen mensen, de muziek in de tent, The Band, Bob Dylan, Neil Young, ze doén iets. Ik zwaai, ik wijs, ik ga méé. In de flow. In the zone.
Ik ben snel op mijn gemak tussen onbekenden. Niet op Werchter of Pukkelpop, daar zwerf ik verloren tussen de luidruchtigheid en de uitbundigheid. Maar zet me op een trouwfeest waar ik niemand ken, vraag me als bijzitter bij de verkiezingen, en in zo'n klein bain de foule ben ik in mijn element.
De stroom verdunt en wordt druppelgewijs. Buiten valt de avond. Het silhouet van de spoorweg in de ondergaande zon, de langzaam schuivende goederentreinen, de geur van gras na de regen. M'n shift zit erop.
© Jan Hertoghs
Operatie Binnenwipper
Bij m'n kapper zeg ik dat ik vaxdorp-vrijwilliger ben. Hij maakt een theatraal gebaar, dat er maar "één groot nadeel is aan dat dorp", namelijk dat "een mens niet eens de tijd heeft om al die vriendelijke vrijwilligers te bedanken." En natuurlijk verstaat hij mijn plezier van daar "onder de mensen te zijn". Daarom zal hij ook levenslang kapper blijven. Een kapsalon is zoals een vaccinatiecentrum, en het is beter dan een café, "ge hebt sociaal contact zonder zàt te worden!"
14 mei. M'n derde shift op dat oude spoorwegrangeerterrein. Normaal staat hier de jaarlijkse Sinksenfoor met zijn vele tientallen attracties. Nu is er maar één trekpleister: een spitse naald en zijn rollercoaster aan emoties.
Er zijn shiften van 7 à 8 uur, vandaag is het een "korte" van 4 à 5 uur. Met weer die kameraadschappelijke sfeer: onze straatmeester verifieert de badge van 'zijn' vrijwilligers en roept dan luid: Let's go! Let's go crazy! Wat er vandaag op neerkomt dat we bij de ingang moeten postvatten waar we met stemverheffing aan de mensen moeten vragen om hun e-ticket en identiteitskaart klaar te houden. We zijn de binnenwippers van de vaccinatietent.
Het is een ouder publiek dat voor zijn tweede Pfizer komt en velen hebben al honderden meters van tevoren die gevraagde paperassen in de hand. Eén mevrouw komt met uitgestoken arm vlak voor mij staan en zegt luid: Ik Kom Hier Vandaag Voor Mijn Vaccinatiespuit. Alsof ik die hier en nu ga steken. Zo kinderlijk, zo aandoenlijk.
Dan ontwaar ik Guy Mortier en z'n vrouw Marleen. Lang niet gezien, en een hele uitleg natuurlijk, en zo veroorzaak ik niet alleen een opstopping maar zondig ik ook keihard tegen De Basisregel. Een babbel mag wel, maar alleen "op voorwaarde dat de doorstroming en de dynamiek niet wordt gehinderd."
Dan komt een stortbui. Ons afdak wordt een slagveld waar iedereen vecht met papieren, smartphones en druipende paraplus. Een nonnetje in ouderwets bruin-wit habijt stapt tussen de hekkens. Of ik mag vragen van welke orde ze is. Van de Karmelietessen. Hun kloosterleven is al decennia een quarantaine, slechts uitzonderlijk mogen ze buiten de muren. Wat een contrast, van die stille kloostercel naar deze mallemolen.
Een koppel zeventigers arriveert zichtbaar blij. Hun tweede inenting vandaag! M'n collega-steward zegt proficiat, ik roep hen na "dat ze nu naar de festivals mogen". Het kwaaie gebaar dat ze dan maken! Die versoepeling ligt gevoelig bij deze generatie.
© Jan Hertoghs
Tsjernobylmaskers
Het valt ook op hoe ernstig en plichtsbewust deze leeftijdsgroep is. Sommigen verstijven en houden hun pas in bij elk geel hesje dat ze zien om toch maar geen stap verkeerd te zetten. Hun ernst valt ook af te lezen aan de ordelijkheid van hun documenten. Nog meer dan andere dagen zie ik plastic mapjes met uitgestreken papieren. Op vele documenten is met bic onderstreept, met fluo-stift gemarkeerd en ook nog eens met post-it gekleefd op welke dag en welk tijdstip ze hier verwacht worden. Veel papieren zijn ook geniet om onderweg géén blad te verliezen. De zorgvuldigheid én de schrik om verkeerd te doen op deze cruciale dag.
Maar dan nog kan de verstrooidheid toeslaan. Je vraagt hun "pas" en ze tonen hun bankkaart. Als je dat opmerkt, dan de grote verwarring, en ineens kunnen ze die I.K. zelfs niet meer vinden. Ik ken het zelf maar te goed. Het is de nervositeit van de péage en van de autokeuring, de zenuwen die gaan opspelen als je gecontroleerd wordt.
We staan op zeker honderd meter van de vaccinatiecabines, maar één vooruitziende mevrouw heeft de jas al uit en de schouder reeds ontbloot. Dan twee doemfiguren, beide met een volgelaatsmasker, de grote filter onder hun kin, de dikke straps achter hun oren. Een beeld uit Tsjernobyl. Ik wil hun e-ticket zien, maar voor ik één stap zet, wijzen ze me schuw terug. De grote smetvrees in hun gezichtsschild.
Er zijn nog bange mensen. Een vrouw komt aangefietst "om te zien hoe het eraan toegaat". Ze probeert "nu al aan het gedacht te wennen," want ze moet pas binnen een maand komen.
Dan twee argelozen die twee dagen te lààt komen. Ik stuur ze naar de helpdesk voor een nieuwe afspraak. Die desk is onze toeverlaat, wat zij allemaal aan vergetelheid en complexe paperassen kunnen oplossen!
Eén Antwerpenaar hebben ze allicht niét kunnen helpen. Hij had geen afspraak, geen code, geen officiële papieren, hij had alleen enkele webpagina's over het vaccinatiedorp afgedrukt en daarmee bood hij zich aan. Alsof je in de luchthaven arriveert met de vakantiebrochure als ticket.
De helpdesk: toeverlaat van de “moeilijke gevallen”. © Jan Hertoghs
Surveillant
18 mei. Vierde shift. Vandaag zijn er heel veel jonge vrijwilligers. Ik begin opnieuw bij de check-out, maar kan na een uurtje naar de observatieruimte. In deze "wachtzaal" is er dat kwartiertje post-vaccinale rust om plotse bijwerkingen snel op te vangen. Zo'n "rustgang" telt 70 à 80 plaatsen. Als steward wijs je de plaatsen toe en stel je de mensen op hun gemak. Het is prettig werk, ik ben een ouvreuse uit een ouderwetse cinema, en ik verwelkom met een galant gebaar alsof die dunne klapstoel de beste zetel is.
In wezen ziet die rustgang eruit als een lange wachtzaal van een huisarts. Er wordt amper gesproken, de meesten zijn verdiept in hun smartphone, een enkeling heeft een boek, krant of kruiswoordraadsel. Een paar kleine kinderen zijn met hun mama meegekomen. Een meisje van vier "weet al wat een spuitje is en wat corona is", en een bijdehandje van zeven is de "helper van zijn mama". Zij was bang voor het spuitje, hij is voor niks bang, "met al zijn accidenten heeft ie al veel ziekenhuizen vanbinnen gezien". En hoe vond hij dit injectiedorp? Hij vond er niks aan.
Ik vul een nieuwe rij. Eén man wil niet gaan zitten: "Hier blijf ik niet. Hier is toch niks te doen." Als alle stoelen bezet zijn, staan een moeder en dochter al na enkele minuten weer op. "Waaj gon ni blijve. Waaj voele niks. Waaj zen weg." De hele gang heeft het gezien, ik maak een verontschuldigend gebaar tegenover de zittenblijvers en krijg meteen steun, "dat er overal van die tegenwringers zijn". Ja, het draagvlak van de steward, dat is énorm.
Ik loop traag hen en weer in de gang, geruststellend knikkend, nog even en u mag naar huis. 't Is niet makkelijk om jezelf een houding te geven tussen die wachtenden. Ik wil in géén geval de schoolsurveillant zijn, dus geen gekruiste armen, en geen handen op de rug.
De observatieruimte aka ‘de wachtzaal’: “Kan ik bij u een pintje bestellen hier?” © Jan Hertoghs
Paco Paco
Er komen vragen of dat bonnetje een bewijs is om op reis en op een vliegtuig te mogen. Nee, daarvoor moeten ze wachten op de vaccinpas, dat certificaat komt pas binnen enkele weken. Een vrouw monkelt, "kunnen wij bij u een pintje bestellen?" Ze wil haar man trakteren voor z'n eerste spuit. Ik zeg dat het te moeilijk is om op dit terras 70 bestellingen te noteren.
Iemand heeft suikerziekte en vraagt of het masker af mag om cola te drinken. Dat mag. Een man heeft z'n arm om zijn vriendin, die zit met het hoofd ineengedoken tussen haar handen, "het zijn teveel prikkels, ze kan dat hier niet aan." Ze mogen rustig blijven zitten, ik vraag de EHBO.
Ik vul de gang opnieuw en als de laatsten in hun stoel zitten en ik me omdraai, is het alsof ik een vol vliegtuig zie, met die rijen en koppen achter elkaar en die lege gang in het midden. Deur dicht, gordels vast, zo dadelijk zien we Antwerpen onder ons liggen.
Door de luide ventilatie is de muziek hier slecht hoorbaar, maar ineens klinkt het taka takata van Paco Paco, een ook het pum catapum pumpum. Ik zeg tegen een koppel dat ik zin heb in een paar moves, ze knikken allebei bemoedigend, "laat u gaan, jong, laat u efkes volledig gaan!" Ik durf niet, het is hier niet echt een trouwfeest. "Natuurlijk is het hier wel feest," zegt hij, "wij hebben zojuist onze tweede prik gekregen."
Vamos a la playa
Om de minuut mag een tiental mensen vertrekken. Een jonge gast staat al naast zijn step voor een vliegende start. Ik wens alle vertrekkers een goede avond, van overal klinken groeten en dank u, en de duim omhoog. Een vrouw bedankt nadrukkelijk. Ze is knap, kijkt me vol aan en "dat het geweldig is dat jullie zo vriendelijk en behulpzaam zijn". Ik bloos.
Dat vertrek uit de wachtruimte (ook "het lossen van de duiven" genoemd) mag elke steward naar believen aankondigen. Als het 17u12 is, zegt eentje dat "de winnende lottogetallen 17 en 12 zijn". Een andere heft zijn armen, iedereen kijkt op en hij roept als afscheid: Vamos a la playa!
Het is intussen zo druk dat een extra observatietent open moet. Hierrrlangsss Damesss en Heeeerrre! Allez Roulez! De steward zegt dat het bijna Sinksen én Sinksenfoor is, "dus ik blijf in de traditie".
Er is een "piek" bij de vaccinatoren, ze zoeken een extra steward. Ik word kort gebrieft. Er zijn 48 "injectie-cabines" (ook "de kottekes" genoemd) en in elke gang zijn vier stewards verantwoordelijk voor zestien cabines. Zo gauw een cabine vrijkomt, steek je de hand op en mag de volgende bezoeker komen. Dat is continu zwaaien, verwelkomen en de vaste uitleg herhalen over de documenten en de bovenarm die vrij moet. Het tempo ligt hoog, het is haasten van cabine naar cabine. Dit is het hart van het vaccinatiedorp. Hier wordt het virus de pas afgesneden. In pashokjes.
“Waar ik een hekel aan heb, zijn mannen met hemden en lange mouwen.” © Jan Hertoghs
Tattoo-prik
Een bevriende arts vertelt haar ervaring als vaccinator-vrijwilliger.
"Ik babbel gemakkelijk en de mensen hebben dat graag. Het ontspant, het leidt af, het mindert de schrik. Als babbelen niet helpt, mogen ze in mijn ogen kijken, ook een goéie afleiding!
Er is zeker ook schrik voor "den Astra" en die bijwerkingen van dat vaccin, maar de schrik is er vooral voor de naald. Zo had ik een oudere Marokkaanse man, zijn ogen dicht en maar bidden-bidden, en ineens vraagt hij: wanneer begint u? Ik zeg: meneer, het is al gedààn!
Een vrouw zei dat ze heel bang was, maar dat ze al gekalmeerd was, ze had zojuist een paracetamol genomen. Een kalmeermiddel dat ik als arts zelfs niet ken. (lacht)
En de mensen zijn zo gelukkig. Soms zelfs ontroerd. Want met dat vaccin valt er een last van hun schouders. Eindelijk terug de vrienden en de familie zien. En ze bedanken mij hé. Ik ben dat dorp. Ik heb daar alles geregeld zodat zij hun spuitje konden krijgen!
Ik vind dat geweldig, al die verschillende mensen die je ziet. En het is prettig werken met de andere vaccinatoren: artsen en verpleegkundigen die op pensioen zijn of die hier na hun uren komen. En ook verpleegkundigen in opleiding; die hebben een prima leerschool: het prikken zelf, het omgaan met mensen, het leren kennen van allergische reacties.
De enige mensen waar ik een hekel aan heb, zijn mannen met een hemd. Terwijl gevrààgd is: loszittende kledij! En dan doen ze de drie bovenste knoopjes los en dan staan ze te wurmen om hun schouder bloot te krijgen. Wat niet lukt. Zenuwachtig rollen ze dan hun mouw op, nog dwazer! Want je geraakt niet tot boven, en je knelt ook nog eens je bovenarm af.
Hoeveel tattoos ik gezien heb? Heel veel. Versierde voornamen vooral, en gelukssymbolen, draken en fantasy. Een enkele keer moet het naast de tattoo, maar meestal is het hup, los erin! Grappig is wel dat sommige van die stoere binken met hun ogen dicht staan van de schrik."
Ze gaat de komende weken blijven vaccineren, maar wel minder shiften per week doen, "want zo'n zeven uur rechtstaan, dat is best wel zwaar."
Mijn shift zit erop. Met vermoeide voeten stap ik naar de fietsenstalling. Het is half elf. De maan boven de stad, de silhouetten van de slapende tenten, je zou zo'n vaccindorp bijna romantisch gaan noemen.
Sabeltandtijger
21 mei. Vijfde shift. In de observatieruimte is een gedeelte voor mensen die minder mobiel zijn, dat heb ik onder de hoede. Deze middag is storm opgestoken. Alles steunt en kraakt in dit tentendorp en de plasticwanden waaien over en weer als rietstengels. Sommige "inzittenden" kijken enigszins ongerust naar mij, "amai meneer, dat is hier nogal een ambiance!"
Dat steunen en kraken heeft wel iets, het dorp is een groot zeilschip. Dan beginnen ook de grote spots onregelmatig te flikkeren en niemand blijft één minuut langer zitten dan nodig, "niet dat ik het hier niet plezant vind, hé vriend, maar ik ga toch liever naar huis." De vrouw die ik met de rolstoel naar de taxipost duw, heeft nu al compassie met mij: "Gij kunt hier niet blijven, jongen. Gij gaat wegvliegen met tent en al!" M'n collega-steward heeft al erger meegemaakt: "In maart! Toen kwamen zelfs de vloeren omhoog en is het dorp geëvacueerd moeten worden."
De stormachtige bui is voorbij. En vandaag passeert weer een scala aan mondmasker-prints. Redelijk veel voetbalclubs (overwegend roodwit, amper paarswit), plus de onvermijdelijke hartjes, smileys en bloempatronen. Eén drager is schriel en mager, maar op zijn mondmasker brult een sabeltandtijger met opengesperde muil en gevaarlijke slagtanden. Hij vertelt minzaam dat hij thuis "ook nog een wolf en een indianenopperhoofd heeft". Soms is een mondflap een Harley.
Een dochter arriveert met de mama in een rolstoel. Ze zijn opgewekt, "door de toffe muziek hier, 't is nu Michael Jackson!" De mama zegt, ik krijg goesting om te dansen, soms danst ze in haar living, "draaiend met de rolstoel en met de poezen op mijn schoot." Dat is ook het vaccinatiedorp, je komt in zoveel huiskamers.
“Gaan zitten en ontspannen? Ik ben weg. Hier is niks te doen!” © Jan Hertoghs
Van Ranst
Om half zes gaat de tent opnieuw tekeer bij een tweede stormvlaag. Nu gaan ook de dakspanten op en neer, de spots slingeren, de ventilatoren zwaaien. Af en toe klinkt een geweldige klap, niemand weet waar die vandaan komt, vele ogen kijken bevreesd naar de nok, een steward zegt dat de tent "berekend is op 100 à 120 km windstoten". Eén man zegt droogjes: "Dat is toch wat Van Ranst wil. Genoég ventilatie".
Ook een jonge vrouw lacht de ongerustheid weg: "Dan denk je, ik ben veilig, ik ben gevaccineerd en dan vallen hier de ijzeren balken op je kop!"
De storm luwt. Een scriptor van de check-out komt met een paraplu, de eigenaar zit allicht nog in de 'wachtzaal'. En zo loop ik tussen de lange rijen die wachten en zwijgen, "of iemand deze paraplu herkent?" Na honderd ogen zal ik 'm zelfs majorettegewijs rond m'n hand laten draaien. Eén wachtende is heel blij, ze wist niet dat ze hem had laten staan.
Na de paraplu draai ik met m'n duimen. De avond brengt een jonger publiek en amper rolstoelen. Op de vele schermen duren de minuten heel lang. Niks te doen, ik kijk afgunstig naar de stewards die pijl en wegwijzer zijn. De laatste die ik help, is een zwangere vrouw met een voetbrace. Ze woont nabij Geraardsbergen, het was "twee uur rijden met de files". Ze stond op de lijst van Qvax, kreeg vandaag telefoon met het adres in Antwerpen, haar schoonmoeder kon rijden, en hup 100 kilometer naar hier. Ze heeft geen seconde getwijfeld, ze wilde absoluut een vaccin. Niemand begrijpt waarom ze naar het verre Antwerpen is gestuurd. De wegen van Qvax zijn ondoorgrondelijk.
De shift is gedaan. Buiten plaatsen stellingbouwers een grote selfie wall. Die zal spiegels hebben, en zo zal het dorp een blinkend landschap zijn bij elk zelfportret.
De datum: 2021.
Het Jaar van de Naald.
<w> Bij de dood van Dixie Dansercoer (58): over ijs en kou en mentale veerkracht
Dixie Dansercoer is overleden. Tijdens een expeditie op Groenland. Gevallen in een gletsjerkloof. Zijn lichaam zal misschien nooit geborgen kunnen worden. Dixie was thuis in sneeuw en ijs, men zal geneigd zijn het een “mooie dood” te noemen, , maar die gedachte wil voorlopig niet wennen. Ik zag Dixie als een survival kid, jongensachtig, grappen makend, relaxed, altijd enthousiast en altijd grondig voorbereid. Iemand die de dans zou ontspringen, iemand die nooit zou neerstorten van het slappe koord. Dat is nu een in memoriam.
Ik heb Dixie enkele keren geïnterviewd. Hieronder een: Humo-gesprek uit 2002 aangevuld met een interview uit 1998 (samen met zijn compagnon Alain Hubert). Daarin vertelt hij onder andere over het mentale gevecht met het ijs en met de kou, en hoe je kan leren om tegenslagen te incasseren, op het poolijs en in het dagelijkse leven.
Humo 5/2/2002 herwerkt en ingekort - © Jan Hertoghs
(bron: Compaq)
“De sterkste momenten in mijn leven heb ik doorgebracht in de natuur.”
Na hun vorige expeditie in de winter van ‘97-‘98, toen ze 3.900 kilometer aflegden over het ijs van Antarctica, gaan Alain Hubert (48) en Dixie Dansercoer (40) binnenkort op de noordpool af voor een Ultimate Arctic Crossing: een nooit eerder uitgevoerde oversteek van 2.400 kilometer over het drift- en pakijs van de Poolzee. Het tweetal wordt onderweg nergens bevoorraad en wil de afstand in honderd dagen afleggen, going on is going far! Het vertrekpunt in februari zijn de Nieuw-Siberische eilanden, de aankomst is in mei gepland op Ellesmere Island, een eind ten noorden van Canada. Humo zette een muts op en trok naar de polaire persconferentie in Sint-Petersburg.
Het vliegtuig landt. Er ligt wat sneeuw op de magere akkers, de roestige treinwagons en de bruine dennenbossen. Een autocar brengt ons naar de stad, daar is de sneeuw al gesmolten door de dooi. Het water drijft van de straten, de bomen zijn zwart, de bussen hebben droefgeestige reizigers achter de bedompte ruiten.
Een bezoek aan het Arctisch en Antarctisch Museum. Door krakende deuren en in hout gevat glas komen we in galmende zalen waar de Russische poolexpedities zijn vereeuwigd. Er hangen indrukwekkende schilderijen van mannen met grote snorren en bontmutsen die houten sloepen over het ijs sleuren. Er staan ijsberen en poolvossen in een glazen kast en er is een bivaktent waarin ooit overwinterd is, de marconist zit nog gebogen onder zijn koptelefoon. Dit is een heldhaftig museum. Nergens zakt een pionier door het ijs, overal worden elementen getrotseerd, vlaggen gehesen en mannen omarmd. In de grote zaal staat een gipsen maquette van de noordpool die zachtjes om haar as kan draaien, er drijven ijsschotsen rond, het zijn stukjes glas. De gids wijst met een stok het traject dat Alain en Dixie zullen volgen; wat op de maquette één meter is, zijn in werkelijkheid 2,4 miljoen meter to go.
Ingescand uit Humo
Humo: Wat zijn de verschillen tussen de noordpool en Antarctica?
Alain: « De noordpool is lastiger. Het is er veel vochtiger, wat maakt dat we de kou harder zullen voelen, en het terrein is ook meer ‘opgebroken’ omdat het ijs constant in beweging is. Die ruwheid maakt het ook moeilijker om ons voort te laten trekken door onze power kite (een ultralicht en bestuurbaar zeil dat aangedreven wordt door de wind, jh).»
Dixie: « Het wordt trekken en sleuren met de slee. Vandaar dat ze mij in mijn dorp Huldenberg nog meer in dat gareel hebben zien trainen: ik liep daar met zware autobanden én velgen achter mij aan, door het slijk en over de kasseien, heuvel op en heuvel af.»
Humo: Bestaat er op de noordpool een plek met eeuwig ijs?
Dixie: « Onmogelijk. Het oudste ijs is vier-vijf jaar oud. De noordpool is een bevroren oceaan van acht miljoen vierkante kilometer die de hele tijd in beweging is. Dat scheurt en breekt en stoot tegen mekaar, dat verbrijzelt en verdwijnt, dat is dus een zéér geaccidenteerd terrein.»
Alain: « Er zijn ook geen landkaarten van de noordpool, dat landschap verandert van dag tot dag.»
Dixie: « Je hebt zeestromingen die de ijsvelden helemaal in stukken kunnen breken, en je hebt schotsen die over elkaar heen schuiven tot een hoogte van zes meter. Zes meter ijs, dat is een muur hé! We zullen dus constant doorgangen moeten zoeken, en zo moeten navigeren dat we toch de juiste koers aanhouden.»
Humo: Gaat het ijs slechter worden naarmate jullie vorderen?
Dixie: « Er zijn ruwweg drie periodes. In het begin zal de zon maar een paar uur schijnen met temperaturen onder min dertig. Bij die kou krijgt het ijs zo’n structuur en zo’n frictie dat het de slee zal afremmen. Als de dagen dan langer worden en de zon meer gaat schijnen, krijg je temperaturen tussen min dertig en min tien en heb je perfect glijdend ijs. Naar het einde toe zal het stilaan naar nul graden gaan en dan krijg je zwaar ijs, traag ijs en ook meer open watergeulen die we zullen moeten oversteken.»
Alain: « Veel hangt af van de opwarming van de aarde. Sommige wetenschappers hebben ons gezegd dat het poolijs de laatste tien jaar gemiddeld 40% minder dik is geworden! Dat wil zeggen dat er steeds meer jong ijs komt, dat in de winter gevormd wordt, maar de zomer niet overleeft. En dat is een risico voor ons, want dat betekent meer kans om door het ijs te zakken.» Dixie: « Toch zullen de eerste weken de zwaarste zijn. De sleden zijn dan nog volgeladen, de dagen zijn nog kort, en het terrein zit vol breuken omdat we nog dicht bij het land zitten en er meer ijs tegen mekaar wordt opgestoten.»
'Haal eens vierhonderd blokken ijs uit je koelkast, gooi ze door elkaar op een tafel en stel je een kleine mier voor die zijn weg moet banen door die wildernis van ijs. (uit 'De Witte Hel' het verslag van een eerdere noordpoolexpeditie van Alain Hubert en Didier Goetghebuer)
Magnum 44
Humo: Hoe bereiden jullie je voor op extreme kou?
Dixie: "We voelen de kou, maar we verwerken hem mentaal op een meer berustende manier. Dat was al zo op de zuidpool. We zien die kou niet als een vijand die ons tegenwerkt of doet afzien."
Alain: "Wij staan niet te sakkeren van: zie me hier staan, ik verga van de kou!"
Dixie:" Wij zien die kou en die snijdende wind als iets dat nu eenmaal bij de pool hoort. En zodra je dat aanvaardt, bleek die kou veel minder te bijten. Het was een vorm van innerlijke rust en zelfbeheersing waarop ik vooraf ook getraind had. Als ik op mijn duim sloeg met een hamer of mijn hoofd stootte, dan ging ik geen au! of shit! roepen. Ik hield die impulsieve reacties tegen, ik liet me niet gaan. Ik probeerde steeds mijn kalmte te bewaren. Het zijn yoga-technieken en dat bewaren van die rust heeft ons sterk geholpen."
Hubert: "Ja, dat was onze toverdrank. Die heeft ons over alle dramatische momenten heen geholpen."
Dixie: "Hoe groot de merde ook was, met een zeil dat hopeloos in de knoop zat na een valpartij, toch meldden we in ons vestzarkadiootje: "Cool. No problem. Seffens gaan we een pintje drinken hier om de hoek."
Humo: Wat doe je bij een close encounter met een ijsbeer?
Alain: « Elke expeditie komt twee tot negen beren tegen, maar er is nog nooit iemand gedood. ‘s Nachts kan zo'n dier natuurlijk ongezien naderen, maar we gaan zeker niet wachtlopen. Beren naderen tegen de wind in, dus dan gaan we de ingang van de tent niét tegen de wind in zetten.»
Humo: Hebben jullie een geweer bij je?
Alain: « Een geweer was teveel gewicht ineens. We hebben een handwapen, een Magnum 44. Dat vraagt natuurlijk een heel andere schiettechniek en die zijn we gaan oefenen in een schietclub.»
Dixie: « Je moet dat geoefend hebben. Het is niet genoeg dat je dat wapen meeneemt, je moet dat ook kalm kunnen gebruiken, (mikt denkbeeldig met twee gestrekte armen), je moet die knal al eens gehoord hebben, die agressie en die terugslag van dat wapen gevoeld hebben. Je moet dat under control hebben. Want precies in die precaire situaties moet je d’r stáán en niet gaan aarzelen of twijfelen.»
Alain: « We gebruiken dat wapen alleen maar als hij op ons afkomt. We nemen wel patronen mee om eventueel op zeehond te jagen; ik heb het geoefend bij de Inuit op Groenland, en dat valt te proberen als ons voedsel opraakt.»
Dixie: « Zie jij ons jagen?! Dat is toch veel te lang wachten en stilstaan tot ergens die zwarte neus boven water komt, dat is toch té tijdrovend?!»
Alain: «Zeehond is lekker. Aan de buitenkant zit veel vet, maar het binnenste is als rundvlees. Dat is een goeie afwisseling in ons menu?! Ik wil zelfs vissen op het ijs.»
Dixie: « Vissen? Jagen? Maar allez, Alain, straks gaat ge nog wonen op dat ijs!»
***
Het ijs is maar enkele centimeters dik, soms zakken de platen wat dieper onder mijn stappen, soms golft het ijs lichtjes als was het slechts wit papier op het donkere water. Ik sta in het midden van het flinterdunne meer van zowat tienduizend m2 en ik moet er overheen.' (De Witte Hel, p. 109)
(Bron: Compaq)
Alain: « Het water is onze grote vijand. Als je in het water valt, is de kans op onderkoeling en een snelle dood zeer groot. Dus je moet vlug uit het water, maar daarmee is niet alles opgelost, want in de poolkou is het verschrikkelijk moeilijk om je kleren en je schoenen te drogen. Je moet dus vermijden dat je kleren nat worden, en de plaats waar het eerst water binnendringt is de schoen. Daarom hebben we speciale schoenen laten ontwerpen die naadloos overgaan van de ski’s naar onze broek. Aan die schoenen is vier jaar research voorafgegaan, en het resultaat is dat we nu tot aan onze heupen in het water mogen zakken voor er vocht binnendringt.»
Humo: Voor jullie sleden hebben jullie ook nieuwe materialen en een nieuwe vorm moeten uitproberen.
Dixie: « Ja, eerst ga je op zoek naar het geschikte materiaal - onder andere kevlar en kunsthars - en daarna test je dat materiaal om te zien of het een koude aankan van min vijftig, en of het bij die temperatuur schokken, inkervingen en torsies kan verdragen. Dat zijn de eerste tests, en die doen we in een diepvrieskamer in België. Pas in een latere fase zijn we op echt ijs gegaan in Siberië. Daar ben ik vorig jaar twee weken geweest, samen met Bernard (Bleeckx, de ontwerper van de sleden, jh). En daar hebben we álles gedaan met de slee: trekken, sleuren, botsen, laten vallen, kortom een volledige crashtest op het ijs. Eerst zag het er wel niet ruw genoeg uit, er lag te veel losse sneeuw, en toen zijn we naar de plaatselijke brandweer gegaan om water over die sneeuw te laten spuiten. Dan kreeg je vanzelf een keihard terrein vol bulten en putten.»
Humo: En wat zegden die Sibériens? You are crazy!
Dixie: « Nee. ‘t Is honderd dollar! (lacht)»
Alain: « Die slee is voor ons van kapitaal belang. Tot hiertoe zijn alle noordpoolexpedities van de laatste jaren maar ten dele in hun opzet geslaagd, omdat er een breuk of scheur in hun slee was gekomen. Als je dus een slee hebt die incassable is - touchons bois! - dan is dat een heel belangrijke psychologische stap. Want als je honderd procent zeker bent, honderd procent gerust bent, dan kan je dat probleem schrappen in je hoofd, en zo schep je ruimte en rust in je geest. Als jij in een auto rijdt waarvan je denkt dat de banden elk moment kunnen klappen, dan rij je ook niet gerust!»
Dixie: « Met de vorm die we nu hebben, heeft de slee iets van een kogel én van een slang, ze vertrekt onmiddellijk als je aan het touw trekt en tegelijk schuift ze in elke geul, in elk handig spoor, in elk stukje ijs dat glad genoeg is om vooruit te geraken. ‘t Is echt een vernuft wat Bernard ontwikkeld heeft. De sledes kunnen ook als boot gebruikt worden als we watergeulen moeten oversteken. Met onze ski’s kunnen we de beide sledes zo aan mekaar vastmaken dat we een stabiele catamaran hebben.»
Alain: « En je doet die research voor de grote slee, maar ook voor het kleine cellofaantje waar ons voedsel in verpakt is. Dat cellofaan komt van een Bretoens bedrijfje, dat zet uit of krimpt naargelang van de omringende temperatuur en dat is belangrijk, want zo kan de verpakking van ons eten nooit scheuren. Het levert ook geen stapel afval op. Na het eten houden we het cellofaan boven een vlam, en whoop, er schiet niet meer dan een granule plastic van over. Wat ook weer plaats bespaart in onze slee. En zo ga je heel de tijd te werk. Voor elk stukje uitrusting zoek je het beste materiaal, voor elk probleem zoek je de beste oplossing. »
Dixie in de Russische helicopter bij de persconferentie (Compaq)
Mezenbol
Vannacht is de temperatuur in Sint-Petersburg tot acht graden onder nul gedoken, alle water op de trottoirs is glad bevroren, ik duik in mijn jas en in deze vreemde stad. Het is nog bijtend vroeg, maar in het naamloze donker van de ochtend haasten de Russen zich al naar hun werk, een tram kaatst zijn blauw elektrisch licht tegen de duistere huizen, vanaf het metrostation stappen duizenden de stappen die ze ook gisteren nog hebben gezet. Zo kijkend naar de mensen begint het weer heel onnozel Kalinka! Kalinka! te neuriën in mijn hoofd, ik kan er niks aan doen, het heeft met lange jassen en dikke mutsen te maken, en verrek, daar loopt ineens ook een soldatenkoor! Werkelijk een kolonne van wel tweehonderd soldaten, ieder met een lange uniformjas en een valiesje, rekruten en hun refrein van rappe laarzen in de stille straat, de laatste heeft een rood lampje, dit is Rusland, en daar valt al de eerste sneeuw.
Om elf uur stappen we in twee gecharterde Mi-8-helikopters. We landen na een halfuur vliegen op het Ladoga-meer, tweehonderd kilometer lang en dertig centimeter dik bevroren. De sledes worden van boord gehaald, Alain en Dixie trekken hun kap met wolvenpels over het hoofd, en dan breekt een klein mediacircus los als de vijf cameraploegen hun eerste stappen op het ijs willen filmen, het moeten beelden van een splendid isolation zijn, dus al die andere koppen en lijven moeten weg, wég uit hun beeld!
De beelden zijn gemaakt, de sleden gedoopt met Russische champagne, en dan is het tijd voor de lunch. Die bestaat uit een diepvrieszakje met het standaardproviand van de expeditie: een tablet van 67% plantaardige vetten vermengd met gemalen noten, zaden, granen, en wat vet en vezels van kip en kalkoen. Driemaal daags zullen ze zo’n plak aanbreken, meestal aangevuld met een kleine portie chocola, kaas of puree. Ik eet mijn polaire rantsoen met smaak, het ziet er misschien uit als een platgedrukte mezenbol, maar het smaakt naar muesli en gesmolten boter.
Dixie en Alain hebben intussen hun iglotentje opgeslagen volgens het onwrikbare ritueel dat ze de hele expeditie zullen volhouden.
Dixie: « Zo’n tent opstellen of afbreken, dat moet in rust en kalmte kunnen gebeuren. Vandaar dat we elke beweging, elke handeling verdeeld hebben tussen ons beiden. Ik pak een draagstang, Alain een bindstuk, tsjik tsjak, de twee delen in elkaar, en zo vergissen we ons nooit, zo gaat niks verloren of kapot, en zo vermijden we tijdverlies en ergernis.
Bron: Compaq
Humo: Hoe kijk je aan tegen die 2.400 kilometer?
Dixie: « Zeker niet als heen en weer naar Zuid-Frankrijk, of vijftig keer van Brussel naar Antwerpen. Je mag niet met kilometers in je hoofd zitten, want dan ga je de verbruikte energie van één dag altijd afmeten aan de afstand, en soms zal dat tegenvallen, en dan word je ongedurig, dju, we hebben maar zo weinig gedaan! Je kan je beter concentreren op de stappen die je zet. Dat je ze vloeiend zet, dat je met stijl vooruitgaat. En dan kan je in die herhaling plezier vinden, je kan er zelfs energie uit putten. Als je de kilometers gaat aftellen, dan wordt het letterlijk afmalen, dat is dom, dat vréét aan je energie. En natuurlijk kan je ritme stokken, je kan pijn hebben en doodmoe zijn, maar voor die moeilijke momenten heb ik mantra’s om op te zeggen. Zo één zinnetje van mijn vrouw Julie is: dreams take work - en dat zinnetje blijf ik dan herhalen, dat dromen inderdáád een inspanning vergen, en vaak dooft zo’n repetitief zinnetje dan ook mijn pijn.»
***
'Hoe vreemd het ook lijkt, ik moet het vorderen op dit pakijs niet belangrijker achten dan mijn dagelijkse taken in België. Als ik dat niet doe, besteed ik te veel energie aan het vergelijken van mijn mars in deze vijandige omgeving met de gerieflijkheden van thuis en de warmte van mijn gezin. Ik neem me dus voor om mezelf in de komende maanden te beschouwen als een doodgewone ambtenaar van het pakijs.' (De Witte Hel, p.38)
Humo: Dixie, jij hebt nu al constant een film van de expeditie in je hoofd.
Dixie: « Ja, ik zie mezelf voortdurend op het ijs. Ik kom bijvoorbeeld in een winkel, ik zie een paar wanten liggen, ik voel aan dat materiaal, en in gedachten neem ik die mee op het ijs, ik doe ze aan en uit, ik zie of ik ze snel en makkelijk kan wegstoppen, van die dingen. In mijn ‘film’ - die al drie jaar in mijn hoofd loopt - ben ik ook al dikwijls in het water gevallen, en de ene keer word ik gehinderd door de slee, dan weer door een ski, en telkens bedenk ik een scenario om op het droge te geraken. Dus als ik straks in het water val, dan ben ik niet angstig of verrast, dan schieten er tien scenario’s door mijn hoofd om snel weer op het vaste ijs te geraken. Als ik iets lees, hoor of zie dat nieuw én nuttig is, dan verander ik het scenario: ik schrap beelden en ik monteer er andere in de plaats.»
Humo: Is het een kleurenfilm?
Dixie: « Efkes zien... Ja, ‘t is in kleur. En ik heb ook geluid. En het is ook een langspeelfilm hé, 2.400 kilometer!»
Humo: Op de persconferentie zei je dat je veel geleerd had van eenzame bejaarden, ernstig zieken en gevangenen.
Dixie: « Ik ben niet speciaal naar ziekenhuizen en gevangenissen gegaan om mensen te interviewen die ervaring hebben met geïsoleerd zijn of met pijn lijden. Maar met de jaren en met de voordrachten die ik overal gaf, ben ik toch in die instellingen geweest, en vaak wilden de mensen met de meeste pijn en de meeste eenzaamheid nog napraten met ons. Die voelden zich het sterkst aangetrokken door ons verhaal. In Leuven-Centraal zijn Julie en ik na een voordracht in contact gekomen met een paar keiharde kleppers, en dat was heel leerrijk, hoe zij aan hun isolement proberen te ontsnappen. Zo was er een gast die met zijn luttele franken aandelen kocht op de beurs, die volgde de koersen, die las de Financieel Economische Tijd, voor hem was dat een manier om te dromen, om vooruit te gaan ondanks zijn opsluiting. Zoiets doet nadenken, dat je in de meest hopeloze en geïsoleerde omstandigheden toch nog een hoopgevende activiteit kan verrichten. En al die dingen schrijf ik op in een boekje. Het houdt nooit op, ik zit altijd met die expeditie in mijn hoofd. Overal waar ik kom, I’m always on the lookout.»
Alain: « Die mentale voorbereiding is uiterst belangrijk. Een volgehouden expeditie drijft 20% op fysieke kracht en 80% op mentale weerbaarheid.»
Bron: Compaq
Humo: Compaq heeft er zo’n 400.000 euro voor over om jullie naar de kou te sturen. Hebben jullie er al over nagedacht dat daklozen élke dag en zonder één cent in de kou moeten leven?
Dixie: « Jazeker, en daar heb ik het moeilijk mee. Wij leven in luxe en goedverwarmde huizen en wij gaan dan de kou 'trotseren'. Maar ik troost me met de gedachte dat we dat niet alleen voor onszelf doen. Met de ervaringen die ik opdoe, ga ik straks - samen met Julie - cursussen geven. Niet om de mensen ook naar de noordpool te jagen, maar om ze op zoek te leren gaan naar de passies en de dromen die ze in zich dragen en die ze vaak niet uitvoeren vanwege verplichtingen als werk en gezin.»
Alain: « Zo’n expeditie is een geweldig avontuur voor jezelf, maar je moet er méér mee doen. Die expeditie moet een inspiratie zijn. Dat duurzame, dat ecologische, dat zuinig omspringen met energie. Op 2.400 km geen vliegtuigen, geen fuel en geen verspilling nodig hebben, dat is een belangrijk idee. Dat alleen mankracht én verbeelding ons vooruit brengt!»
Dixie: « Die simplicity, dat beeld van twee gewone mensjes die een sleetje over de pool trekken, dat is ook waarvan ik hou.»
Humo: Jullie expeditie kost jaren voorbereiding. In hoeverre is zo’n onderneming nog een jongensdroom?
Alain: « De volwassene die nu de noordpool oversteekt is niet meer dat jongetje dat in de Ardense bossen liep te dromen van Jules Verne, Jack London en Scott en Amundsen, maar het is nog wel datzelfde kind dat graag in de natuur verdween om onbekend terrein te verkennen en zo zijn grenzen te verleggen. En als ik straks op de pool sta, dan ga ik een intens geluk voelen omdat ik op een terrein kom dat me extreem onbekend is. Dat ijslandschap dat nooit hetzelfde is, dat altijd verandert en altijd bougeert, elke dag en elk uur, ik heb dat nodig. Ik moet in mijn leven periodes hebben dat ik een grens kan verleggen, en dat lukt het beste in een omgeving waarin ik me heel klein en heel nietig voel.»
Dixie: « Ik heb dat wel, dat ik mezelf terugzie als kind. Dat zijn vaak enorme golven van nostalgie, je zit ‘s avonds in dat pooltentje, het komfoortje brandt en ineens zit ik weer bij de scouts en bij het kampvuur, dat kan me heel intens overvallen. De sterkste momenten in mijn leven heb ik doorgebracht in de natuur. Eigenlijk wil ik constant nabij de natuur zijn, vandaar dat Julie en ik erover denken om in de bergen te gaan wonen. Daar is een vanzelfsprekende rust en harmonie.»
uit de tv-reeks De Poolreizigers 2003 -Dixie als noordpoolgids voor Mathias en Dieter Coppens
Humo: Nemen jullie gezelschapsspelletjes mee voor ‘s avonds?
Dixie: « Ja, alvast een spel kaarten en een blaadje met een aantal spelregels. Op Antarctica hadden we ook kaarten mee, en dan wilden we fretten, maar geen van beiden kende nog de spelregels (lacht). Misschien nemen we ook weer de keukendoos mee met op de onderkant een dambordpatroon; als damschijfjes gebruiken we witte en gekleurde stukjes papier.»
Humo: Vorige keer had je een boekje met met allerlei notities van vrienden.
Dixie: « Mijn vrouw Julie heeft weer zo’n poëzie samengesteld met foto’s, korte passages uit boeken, anekdotes over zeer intense momenten in ons dagelijks leven, en ook briefjes van vrienden. Maar het moeten wel nadenkertjes zijn. Dus niet Sterkte Dixie!, want dat haalt niks uit. En ik neem ook nogal wat muziek mee. Geen emotionele of trage nummers, want dan val ik in een put, maar energieke muziek van Steve Vai, Herbie Hancock, Pearl Jam, en ook nog wat jeugdsentiment van Deep Purple.»
Alain: « Als je het maar voor jezelf houdt, hé Dixie!»
Dixie: « La même chose hein, met al die Franse chansons van u!»
Humo: Jullie zijn twee zeer uiteenlopende karakters. Alain is de leidersfiguur, de radicale idealist, Dixie is meer de pragmaticus, de man van de joke en de kwinkslag.
Alain: « Ja, ik ben ook explosiever en sneller gestrest, terwijl Dixie meer relaxed is, meer laidback. We zijn heel anders en juist daarom ook zo complementair. Als ik sakker of uitvlieg, is Dixie de enige die dat kan incasseren en relativeren. Dixie anticipeert ook meer dan ik. Hij is vooraf bezig met die film in zijn hoofd. Ik ben impulsiever, instinctiever, ik zal wel zien als het moment daar is. Als ik straks over dat ijs stap, dat soms zo dun is dat het als een rubberen mat begint te golven, dan word ik als een dier in de wildernis, voorzichtig stappend, heel alert, helemaal toegespitst op die omgeving. Ik ben benieuwd hoe jij gaat reageren op dat onrustige terrein, Dixie. Want jij hield toch zo van die uitgestrekte vlaktes van de zuidpool, waar je urenlang kon zeilen over sneeuw en ijs? Voor jou was dat bijna een meditatie.»
Dixie: « Ja, en als blijkt dat we maar weinig kunnen zeilen en heel veel moeten stappen, dan zal dat een domper zijn voor mij, maar tegelijk ben ik heel benieuwd naar dat altijd veranderende ijs. Ik kijk uit naar dat spektakel, ik zal tegen dat ijs zeggen: laat maar eens zien wat je kunt, show me! entertain me!»
Gazet Van Antwerpen 2001
Humo: Toen jullie in 1997 je gezin vaarwel zegden, hebben jullie toen niet gedacht: misschien zie ik ze nooit meer weer?
Alain: "Absolument pas."
Dixie: "Dat komt gewoon niet in je op. Er is maar één gedachte en die is: wij geràken op onze bestemming. Zelfs in de moeilijkste momenten heb ik nooit aan een ongeluk gedacht. Je twijfelt nooit! Geen moment!"
Alain: "Dat klinkt pretentieus, maar dat is het niet. Zodra wij op het ijs stonden, hebben wij ons ook heel heel klein gemaakt. Wij waren geen veroveraars, nee, wij waren kleine fragiele mensjes met een nietig sleetje op een continent van sneeuw en ijs."
Dixie: "Geen helden dus, geen onoverwinnelijke supermensen. Maar gewone stervelingen, dat zijn wij, en wij hebben een diep ontzag voor de krachten van de natuur. En in onze expedities zijn we totnutoe geslaagd, maar bij een volgende confrontatie met de natuur draait het misschien heel anders uit."
Humo: Wat gaan jullie tegen mekaar zeggen als je de eerste voet zet op het ijs?
Dixie: « Niks pathetisch, niks dramatisch, gewoon: kom schat, d’r is werk aan de winkel!»
Nawoord: Er is een bijzonder boek over de drang naar expedities en het verlangen naar het poolijs, en dat is de biografie van Knud Rasmussen, die opgroeide in een Inuit-gemeenschap op Groenland. Rasmussen ondernam in de eerste helft van de 20ste eeuw meerdere poolexpedities en ontsnapte enkele keren aan een tragische dood. De kern is evenwel: je thuis voelen daar waar alles ontbering en eenzaamheid is. (Stephen R. Bown “Witte Eskimo -Knud Rasmussen” - naar het hart van de noordpool)
Er is ook het verhaal van de Britse klimster Allison Hargreaves. Zij stierf als jonge dertiger dicht onder de top van de K2, de tweede hoogste berg ter wereld. Dat was in 1995 en haar lichaam kon nooit gevonden worden. Haar man en de twee kleine kinderen gaan niettemin dat bergmassief beklimmen om “het graf van mama te bezoeken vanuit de verte”. De BBC maakte er een ontroerende tv-docu over (Allison’s Last Mountain, 1996) en er is ook het boek : One And Two Halves to K2: Alison Hargreaves' Family Retrace Her Final, Fatal Journey .
Wie meer over de “roeping/verslaving” van berg- en ijsklimmen wil lezen, met zijn narrow escapes, kan ik het werk van de Britse alpinist-schrijver Joe Simpson aanbevelen. O.a. “De smekende stilte”.
Interview met de allereerste Mol (1999)
Morgen zal één van de vier kandidaten in de tv-reeks "De Mol" moeten afvallen. Dan blijft nog het drietal over dat naar de finale gaat op zondag 9 mei.
De allereerste reeks van de Mol kwam rond de jaarwisseling 1998-1999 op de VRT en was meteen een succes met een miljoen kijkers. De inzet was ook enorm: een pot van 1 miljoen Bfr of 25.000 euro. (Dit jaar staat de pot momenteel historisch laag op minder dan 8000 euro.)
Drie dagen voor de finale van 1999 kreeg ik het adres waar de Mol zich bevond. Humo had die primeur. En zo zat ik tegenover Magda Ral. Die vertelde hoe keihard het spel toen al gespeeld werd, en dat ze zelfs "dreigde te flippen": ze zou nog lang naweeën ondervinden van die rol.
Humo januari 1999 -ingekort- © Jan Hertoghs
Coverfoto: gie Knaeps
“ Het was acteren. De échte Magda had dat nooit gekund, al dat huichelen en bedriegen.”
Een dakappartementje in het Brusselse, een raam dat uitgeeft op de wijde lucht, de dromerigheid van gedroogde boeketten , en in de stoel met opgetrokken knieën en blote voeten, de figuur waar honderdduizenden naar op zoek zijn geweest. Wekenlang tastten we als mollen in het duister en dit is ze nu: Magda is DE MOL!
Magda Ral (41) is freelance reisleidster en actrice én content dat ze niet langer bang moet zijn om haar mond voorbij te praten. Eindelijk kan ze vrijuit spreken. -
HUMO: De vermoedens zijn pas écht op jou gaan rusten in de zevende aflevering toen alleen Hugo, Mon en jij nog overbleven.
Magda: "Ja, toen zijn veel mensen ineens aan mij beginnen denken. Mon en Hugo hadden in alle afleveringen een heel duidelijk profiel gehad, en ineens kwam ik daar als vrouw bij de laatste drie zonder een uitgesproken profiel, en toen hoorde ik veel mensen zeggen: ha ja, die is stilletjes haar gang gegaan, die is discreet en subtiel tewerk gegaan, die heeft niet zoveel gerucht als die mannen gemaakt, en toch is ze zo ver geraakt, dàt zou wel eens de mol kunnen zijn!"
HUMO: Op het Internet had je allerlei clubjes: de MOFOMO’s, de HUFOMO’s en de MAFOMO’s (Mon for Mol, Hugo For Mol en Magda for Mol) en jouw club had op het einde de sterkste aanhang. Maar de theorieën die rond jou geweven werden! Magda is De Mol “want ze draagt hetzelfde pak als de mol in de strip van Alfred Jodocus Kwak (pagina 17)”! Of “ Magda is De Mol, want zij draagt de beginletters van de ex-deelnemers M-oniek, A-nke, G-uy, D-imi en Armand” !
Magda: "Het is niet te geloven wat men allemaal verzonnen heeft. Zo waren er die dachten dat ik het was omdat in Man Bijt Hond een rubriekje zit dat “Magda?” heet en aangezien Man Bijt Hond ook door Woestijnvis gemaakt wordt, zag men dat ook als een aanwijzing."
HUMO: Op Studio Brussel hadden ze zelfs een Limburgse politiespeurder opgetrommeld om uit te leggen waarom jij de mol was.
Magda: "Dat zal die politiespeurder geweest zijn die wekelijks in Het Belang Van Limburg werd opgevoerd. Die man verdacht me al na de eerste aflevering. Die zag in heel die groep maar twee mensen met een natuurlijk gedragspatroon, dat waren Belle en ik. Al de anderen hadden volgens hem een opgejaagd gedrag, een gedrag dat op overleven gericht was met die vijandelijke mol in de buurt, en bij mij en Belle was dat gedrag volgens hem niet te zien."
HUMO: Het feit dat je reisleidster was, heeft je uiteindelijk ook verdacht gemaakt, schreef iemand, “want een reisleidster kan zich makkelijk bewegen in een vreemde groep en kan ook invloed uitoefenen op die groep”.
Magda: "Dat klopt. Het gegeven van met een groep mensen te vertrekken die je helemaal niét kent, dat is mij vertrouwd. Hoewel, normaal moet ik zo’n groep zien bijeen te houden en hier was dat het tegenovergestelde. Maar er zijn zaken die van pas komen. Op reis met zo’n groep gebeuren onvoorziene dingen, het vliegtuig is te laat, iemand is zijn paspoort of portefeuille kwijt, dan moet de reisleider toch altijd klaar staan met een snelle uitleg of een rappe kwinkslag, en die reflex had ik dus al. En verder heb ik in mijn leven allerlei jobkes gedaan, van telefoniste tot plooister in een kartonbedrijf. Dat zijn allemaal verschillende milieus en verschillende ervaringen die je meedraagt en die je kunnen helpen."
De bescheiden aankondiging van de (tweede) uitzending van De Mol in de tv-bladzijden van Humo. (13/12/98)
In de val
HUMO: Hoe was de sfeer bij het vertrek, want jullie hebben mekaar al op de trein naar Frankrijk weten te vinden.
Magda: "Dat vertrek was een beetje bizar. We hadden allemaal op een ander tijdstip ons ticket moeten halen in het station van Brussel-Zuid, we waren allemaal nog onbekenden voor mekaar, en toch kwam ineens Mon op mij af en die zei al lachend: “Ha, gij zijt zeker ook ne mol!” En op de trein was het nog straffer. Blijkbaar waren al die Vlaamse alleen-reizenden zowat aan mekaar opgevallen, want op de duur zat iedereen al in kleine groepjes bijeen, behalve Guy, en iedereen maar grapjes maken over de mol. Moniek had voor de grap een mollenklem bij, ik kom langs haar en ineens sprong die klem dicht, mijn broek zat ertussen en Moniek riep: ”Voilà, we hebben de mol!”(lacht) Toen heb ik het wel efkes koud gekregen."
HUMO: Op het einde van elke uitzending was er de beruchte selectie. Welke vragen moesten de kandidaten over jou beantwoorden?
Magda: "In het begin was dat nogal ruim, dingen die iedereen had kunnen zien, zoals welke wijn, welk dessert heeft De Mol genomen? Naar het einde toe werd dat persoonlijker, hoeveel keer is De Mol al verhuisd in zijn of haar leven of waar heeft De Mol gewoond als kind? Dan was het echt de bedoeling dat we mekaar gingen uitvragen over die persoonlijke zaken."
HUMO: Voor de vorm moest jij dus ook die anderen uitvragen?
Magda: "Dat is zo, maar ik moet zeggen, naar het einde toe werd er niet veel meer gesproken. Dat was echt mekaar beloeren en in het oog houden, een spontane babbel was niet meer mogelijk. Het was allemaal paranoia en achterdocht en op je hoede zijn."
HUMO: Wie heeft jou het eerst en het langst verdacht?
Magda: "Dat was Hugo. Die heeft me vrij snel verdacht en die heeft me niet meer losgelaten. Die ging ook ‘professioneel’ tewerk, die had een boekje waarin hij constant notities maakte, (er bestonden toen nog geen molboekjes, jh) die had in zijn kamer briefjes met aanwijzingen hangen die hij constant zat te vergelijken. Die ging daar helemaal in op. Niet voor 1OO%, niet voor 2OO%, maar voor 3OO%. Die was gewoon gefixeerd door die mol. En hij en hij alleen zou ‘m te pakken krijgen."
De benji-hel
HUMO: Had je d’r lol in om te saboteren?
Magda: "Er waren twee soorten sabotages. De daadwerkelijke en de psychologische, het werkelijk in de soep draaien van iets en de meer subtiele aanpak waarbij je mensen moest beliegen, bedriegen of op verkeerde ideeën brengen. Dat echte saboteren heb ik graag gedaan, maar die psychologische oorlogvoering, dat was niet evident voor mij.
Ik heb ook psychisch met mezelf moeten vechten. Neem dat benji springen. Zo’n sprong doet iets met jezelf, je moet daar klaar voor zijn. Dat gaat zo diep, dat is zo’n grote angst die je moet overwinnen dat je zelfs niet denkt aan het geld dat er te winnen is. Het ging niet om geld winnen, het ging om angst overwinnen. Ik zou nooit gesprongen hebben als ik niet De Mol was geweest. Nooit!”
HUMO: Dus jij hebt het daar ook moeilijk gehad?
Magda: "Het was de hel. Ik ben echt door een hel moeten gaan om mijn angst op die brug te overwinnen."
HUMO: Als mol wist jij toch dat die opdracht zou komen?
Magda: "Ik wist dat die sprong ging komen, maar ik had nooit verwacht dat zovelen zouden springen. En ineens kwam ik voor dat dilemma te staan: ofwel overwin je je angst en heb je die ervaring, ofwel spring je niet en moet je je straks serieus gaan verantwoorden met alle verdenkingen vandien. En omdat we toen nog maar in de tweede aflevering zaten, en ik nog geen verdachte wou zijn, heb ik toch maar gesprongen. Het was dus puur strategisch dat ik gezegd heb: komaan Magda, mee de dieperik in."
HUMO: Hadden ze jou vooraf een planning en een lijst met de opdrachten gegeven?
Magda: "Ja, ik was van alle opdrachten op de hoogte. Maar er is geen overleg geweest naar wat ik zou saboteren en wat niet. Op dat gebied mocht ik compleet autonoom handelen."
HUMo: Was er een afgesproken tactiek: low profile in de twee eerste afleveringen en nadien hard toeslaan in de derde en de vierde?
Magda: "Nee. Om de eenvoudige reden dat Tom (Lenaerts), Bart (De Pauw) en Michiel (Devlieger) ook niet wisten hoe het spel zich zou ontwikkelen. Mijn enige opdracht was om de proeven af te wachten en op het moment zelf mocht ik beslissen of ik ging toeslaan of niet."
HUMO: Konden je ‘chefs’ je nog briefen overdag of ‘s avonds?
Magda: "Elke avond was er die biecht voor de camera, en dan had ik tien minuutjes de tijd om te checken of ik de zaak goed in handen had. Maar voor de rest was ik op mezelf aangewezen."
Presentator was toen Michiel Devlieger (midden) Met in de productieploeg: Bart De Pauw en Tom Lenaerts - ingescand uit Humo : foto gie Knaeps
Schuldcomplex
HUMO: Je leek Hugo nogal vroeg te willen uitschakelen. Je had constant kritiek op hem.
Magda: "Dat was geen tactiek als mol. Het was een persoonlijk conflict. Hugo is iemand met een nogal dwingende autoriteit en ik ben iemand met een autoriteitsprobleem. Ik kan wel gezag aanvaarden, maar ik zal niet zomaar aanvaarden dat iemand heel directief mijn gedrag gaat bepalen. En omdat Hugo zo zwaar opging in dat spel, wilde hij dat spel én die hele groep naar zijn hand zetten. Hugo was echt kwaad op de mol. Hugo zag De Mol als De Saboteur, De Slechterik."
HUMO: En zichzelf als The Good Guy.
Magda: "Ja, als iemand met een verantwoordelijkheid. En die verantwoordelijkheid was: ik ga winnen, maar de groep moet ook meegaan in dat geld verdienen. Dat iemand hem en zijn plan wilde saboteren, dat irriteerde hem. Het erge was dat hij mij zo vroeg verdacht. En hij wilde mij niet alleen pàkken, hij wilde mij ook kraken.
Hugo was een geval apart. Die heeft vanaf dag één met een huizenhoog schuldgevoel gezeten: ik zit mij hier in Frankrijk te amuseren en thuis zit mijn gezin zich niet te amuseren. En om zijn schuldcomplex te compenseren heeft Hugo-de-personeelschef zich ook niet willen amuseren. Hij heeft zich nùttig willen maken. Hij heeft zichzelf die job opgelegd van die mol te vinden. Zodat hij naar huis kon gaan en zeggen: mannekes, hier is het geld, ik ben niet zomààr weggegaan. Voor hem was dat geld de kroon op zijn WERK." (Hugo won de pot, jh)
HUMO: Naast Hugo waren er allicht nog kandidaten die jou verdacht hebben?
Magda: "Alleen Mon. Hij is me beginnen verdenken na de vijfde aflevering, maar hij heeft toch nog lang aan mij getwijfeld door mijn emotionaliteit. Magda? Dat kan niet! Die is te gevoelig! Dat heeft hij zeker lang gedacht. De dag dat zijn verdenking tegen mij begon, was voor mij trouwens een heel indringend moment. Op een avond kruisten we mekaar ergens buiten het hotel en ineens hield hij me tegen en hij keek recht in mijn ogen en hij zei: “Jamaar...De Mol, dat zoudt gij wel eens kunnen zijn, hé Magda?!” En dat was, wàps, een slag in mijn gezicht. Want met Mon had ik een heel tof contact. Je staat daar echt in je eentje op te boksen tegen die groep, dus je zoekt wel iemands schouder om tegen te leunen, en ineens viel die schouder van Mon wég, dat was een ferme schok voor mij."
HUMO: Achteraf bekeken heb jij je eerder verstopt in die groep, je hebt nooit opdrachten naar je toegetrokken. Was dat ‘low profile’ vooraf afgesproken?
Magda: "Het enige wat is afgesproken was in welke groepjes ik niet mocht terecht komen. Ik moest zien dat ik eerder terechtkwam in een groepje dat fysiek ging afzien dan in een groepje dat gespaard werd, zoals Mon en Belle die eens lekker in een limousine en een sauna konden vertoeven. Mon en Belle hebben door die ‘verwenning’ een zekere verdenking op zich geladen en ik bleef buiten schot omdat ik op de Mont Ventoux ben meegefietst."
foto gie Knaeps
Bijna geflipt
HUMO: Wij hebben slechts acht tv-uurtjes gezien van een spel dat een volle zestien dagen heeft geduurd. Hoe verliep het slapen en eten en terrasjes doen? Was dat niet de zwaarste opdracht om in al die verloren uurtjes je niet bloot te geven?
Magda: "Het was heel vreemd. Er werden aan tafel heel de tijd grappen gemaakt over De Mol, maar zogauw je ergens met iemand alleen was, werd er angstvallig over gezwegen. Er hing altijd een schaduw. Zelfs tijdens de losse babbels aan tafel was iemand met jou aan het spreken, maar intussen zag je ‘m luistervinken naar wat aan de tafel ernaast gezegd werd. ‘t Was altijd spanning, ‘t was altijd alert zijn. Voor mij ook, ik moest ook luistervinken om te horen wat er in de groep leefde en dat moest ik dan ‘s avonds ‘overbrieven’ aan Tom en Bart."
HUMO: Dus het was niet bepaald vakantie voor jou?
Magda: "Nee, en ik heb met momenten op flippen gestaan. Dat ik helemaal in de greep zat van de paranoia. Dat ik heel de tijd dacht: iedereen volgt mij, iedereen let op mij. Dat was naar het einde toe en dat was een combinatie van vermoeidheid - er waren veel nachten dat ik slecht sliep- plus het feit dat er voor mij geen moment van ontspannen was. Ik ben iemand die na gedane dagtaak zich moet kunnen ontspannen en dat was hier niet mogelijk. Er was bijna geen tijd voor privacy, geen tijd om eens uit die groep te stappen, en dus ook geen tijd om eens niet alert te zijn. We sliepen bijvoorbeeld heel vaak samen in groep, en zelfs wanneer ik in mijn bed kroop, moest ik nog opletten wat ik zei tegen de persoon naast me.
Dat was een constante druk: dat altijd verzwijgen, dat altijd iemand anders moeten zijn dan wie je werkelijk bent. Gelukkig had ik mijn ervaring van theater en van acteren. Dan beeldde ik mij in dat ik op een filmset was en dat ik een rol aan het spelen was. Zo heb ik het kunnen volhouden. Als De Mol. Als Magda had ik dat nooit gekund. Onmogelijk! Want me anders voordoen in een groep waarmee je zo lang samenleeft, dat zou de echte Magda niet kunnen."
HUMO: Maar toch heb je het gedaan?
Magda: "Ja, dat die rol zover van mij af stond, dat was dan ook weer de uitdaging om het toch eens te proberen. Ik kom graag in vreemde en nieuwe situaties terecht."
Foto: gie Knaeps
Moeder de mol
HUMO: Hoe heb je je mentaal voorbereid op je rol?
Magda: "Mijn rol zat dicht bij de houding van een reisleidster. Je gaat die groep zo onbevangen mogelijk tegemoet, je ziet wel wat er gebeurt en intussen maak je je sympathiek op een niet al te stroperige of opdringerige manier. Met een grapje of...
HUMO:...door de mensen te soigneren bij het ontbijt. Jij bent zo iemand die vraagt wie nog een broodje of een sapje moet hebben.
Magda: "Precies! Ik ben zo’n beetje een moederfiguur. (lacht) ‘t Was ook niet moeilijk om zo te zijn, ik had die mensen graag, dat waren op zich allemaal toffe mensen. Zelfs Hugo. Tijdens het spel heeft die een hard masker opgezet, maar nadien heb ik van hem nog een brief gekregen, en dat was een heel andere Hugo, dat was een Hugo die vriendelijk was en die zijn hart liet spreken."
HUMO: Waar heb je als actrice gewerkt?
Magda: "Vooral in het Brusselse, ik geef theatercursussen en ik heb zelf ook een aantal producties gemaakt onder andere rond mijn ervaringen in een vluchtelingenkamp in ex-Yoegoslavië." HUMO: Je hebt allicht verrassing of verontwaardiging of blijdschap moeten acteren. Had je ook excuses of uitvluchten ingeoefend om je vel af en toe te redden? Als iemand je bijvoorbeeld vlakaf zei dat jij de mol was?
Magda: "Dat gebeurde dikwijls hé. Aan tafel vooral. Reggie had daar een handje van weg, zo van: “Magda, ge moet gij niet zeveren, joeng, gij zijt toch de mol!” Maar omdat hij dat zo vaak zei, antwoordde ik: "Ah ja, hé Reggie, ik ben de mol, dat weet ge nu toch al wel?!” Maar bij iemand anders reageerde ik dan weer heel verontwaardigd, zo van “zie je mij dat al doen soms?” Of ik zei iets van de anderen, iets verdacht dat ik zogezegd van hen had opgemerkt."
HUMO: Kostte je dat moeite om op die momenten te liegen?
Magda: "Nee, die uitvluchten kon ik wel aan. Maar 24 uren op 24 uren een rol spelen, dat kon ik niet. Er zijn persoonlijke gesprekken geweest dat ik 1OO% Magda was. En niet meer De Mol. " HUMO: De Mol heeft het naar verluidt ook emotioneel moeilijk gehad “omdat de Mol ook maar een mens was en hij zich ook aan bepaalde mensen gehecht had”. Aldus Michiel Devlieger. Magda: "Oh! Ik heb het in de éérste aflevering al moeilijk gehad toen Dimi afviel! Ineens moest die jongen gaan en ineens viel mijn frank, Magda maske, wat zijt gij hier allemaal bezig?, ineens besefte ik dat ik degene was die ze daar allemaal aan het uitschakelen was en dan heb ik echt moeten teruggrijpen naar mijn rol, zo van: het is een spel, en iedereen heeft ingetekend op dat spel en iedereen weet dat hij of zij op elk ogenblik naar huis kan vliegen. Maar eigenlijk heb ik het met iedereen moeilijk gehad als ze afvielen. Zeker met Belle. Zij viel af en ineens was ik de énige vrouw tussen drie mannen, en toen had ik duidelijk het gevoel: ik ben het opgejaagde wild van die meute mannen."
Chill out
Humo: Er is ook een zware ruzie geweest in de groep, en het had met vrijstellingen te maken.
Magda: "Na die opdracht met die vrijstellingen was iedereen pissig op iedereen en niemand wou nog met iemand praten. Die kilte is zo zwaar opgelopen dat de groepspsycholoog er ‘s nachts nog is bij moeten komen. Vooral om Hugo te kalmeren. Die ging compleet uit zijn bol, die was een soort van slijtageslag begonnen tegen mij. In dat groepsgesprek heb ik toen tegen Hugo gezegd: "Als je zo verder doet, dan kraak ik, en dat kan toch niet de bedoeling zijn van dit spel!” Ik heb zelfs op het punt gestaan om in zijn gezicht te roepen, awel foert, ik ben de mol, en zijt ge nu content!? Niet omdat ik dat geheim niet meer kon dragen, maar gewoon omdat ik niet meer kon functioneren in dat kille zwijgen van die avond en die nacht. Oké, het was een keihard spel, en het begon toen echt om het geld te gaan, maar daarom moesten er toch nog geen messen getrokken worden?! Na die opmerking van mij is hij wel wat milder geworden in de omgang."
HUMO: We zagen je op een veldbedje kapot gaan van vermoeidheid en gebrek aan slaap. Of deed je alsof?
Magda: "Jongen! Ik wàs kapot! Ik had al veel nachten te weinig geslapen en je zit daar tussen altijd dezelfde koppen, dat werd allemaal ineens teveel. Ik herinner mij ook dat we toen met ons gevieren op de opstelling van de camera’s moesten wachten voor de selectie, wel, daar werd geen woord meer gesproken. Viér uur aan een stuk! Ik durfde niet bougeren omdat ik de mol was en die anderen zaten zich maar te concentreren en hun hersenen te pijnigen om geen verkeerde keuze te maken, want zo dicht bij het miljoen (25.000 euro) wil je dat niet meer laten ontglippen hé."
"Het was zwaar. Echt zwaar. Ik vraag me nog altijd af hoe ik het heb kunnen volhouden: die spanning, dat huichelen, dat gezicht in de juiste plooi houden, die vermoeidheid. Ik heb me soms echt slecht gevoeld in die rol, en alleen en eenzaam, maar dan zag ik heel die ploeg van de productie dag en nacht werken, en dat was dan voor mij meestal toch weer de stimulans om de moed niet te laten zakken.
Ik was trouwens niet de enige die op zijn tellen moest passen. Bart en Tom en Michiel hadden het minstens zo moeilijk, want zij moesten met de cameramensen werken en die wisten ook niet wie De Mol was, dus zij moesten ook altijd op hun qui vive zijn dat er geen hint of verspreking over hun lippen kwam. En zij hebben ook heel weinig geslapen, al die mensen van de productie, al die cameramensen waren er van het moment dat we opstonden tot we gingen slapen, en zelfs ‘s nachts was er een cameraploeg bij de groep. Ja, chapeau voor heel die ploeg!"
HUMO: Ben jij ook nachtelijke sporen gaan leggen? Of was die gekalkte mol-slogan op de Mont Ventoux het werk van iemand in de productie?
Magda: "Neenee, dat was ik. Al wat ‘s nachts gebeurd is, heb ik zelf moeten doen. Ik heb dus ook ‘s nachts moeten functioneren, en vandaar dat ik zeg dat ik kapot was, écht kapot op het einde."
In observatie
HUMO: Hoe hebben ze jou als kandidaat-Mol voorbereid? Met een rollenspel waarbij ze een aantal situaties op je loslieten? Of met een kruisverhoor waarbij je als Mol niet door de mand mocht vallen?
Magda: "Nee, geen opgezet spel. Dat ging heel doordeweeks, ik zat tegenover Tom en hij babbelde met mij over de dingen van het leven, maar van de hak op de tak, het ene onderwerp na het andere, en midden in dat gesprek vuurde hij dan ineens een persoonlijke vraag op mij af om te zien of ik uit mijn lood werd gebracht en hoe ik na zo’n vraag terug op mijn pootjes kwam. Bart was daar ook, die observeerde mij, die lette minder op mijn uitleg dan wel op mijn mimiek en mijn lichaamstaal. Ddie aanpak heeft mij uitstekend geholpen. Ik ben zo iemand die wel regisseurs nodig heeft, maar die eigenlijk vooral vertrouwen en carte blanche moet krijgen. En eens dat vertrouwen er was, hebben ze ook nooit meer getwijfeld aan mij, en dat is mee de reden geweest dat ik het heb kunnen volhouden tot het einde."
Paranoia
HUMO: Had je foto’s gezien van degenen die meegingen? Had je van elke kandidaat een biografie ?
Magda: "Foto’s had ik niet, maar wel een korte omschrijving van de kandidaten."
HUMo: Was je ingelicht voor wie je uit moest kijken?
Magda: "Nee, zoiets is nooit gezegd."
HUMO: Heb je misschien boeken gelezen over beroemde mollen of spionnen?
Magda: Nee. Eigenlijk is mijn eigen leven mijn beste training geweest. Ik heb op psychisch gebied al een aantal watertjes doorzwommen, zowel op professioneel als op persoonlijk vlak. Ik heb op mijn groepsreizen en in België ook al voor een paar benarde situaties gestaan dat ik me moest zien te redden en dat heeft me bij De Mol zeker geholpen."
HUMO: Dat begeleiden van die groepsreizen lijkt wel je grote troef te zijn geweest.
Magda: "Ja, want daar leer je bijvoorbeeld hoe je een lastig iemand de pas kan afsnijden. Kijk, Hugo is op een bepaald ogenblik lastig geworden op de mensen van Woestijnvis, zo van: allez zeg, wat zijn dat nu voor opdrachten en wat doen jullie ons allemaal aan? Toen heb ik hem afgeblokt met één opmerking. Omdat ik wéét dat zo één zageman die niet ophoudt de geest van heel de groep kan verpesten. Ik wéét dat je zo’n mensen niet moet laten doen, want voor je het weet, hebben ze iedereen tegen jou in het harnas gejaagd. En aangezien ik niet wou dat de gevaarlijke Hugo-die-mij-verdacht de groep in handen kreeg, heb ik hem op zijn nummer gezet."
Sorry
HUMO: Kon je na je thuiskomst makkelijk zwijgen? Want je komt terug van zo’n bijzondere ‘expeditie’ maar je kan niet vertellen wat je écht hebt meegemaakt.
Magda: "Dat was moeilijk en ik ben heel heel blij dat het nu gedaan is. Want die druk is groter geweest dan ik ooit had kunnen denken. Elke week dat miljoen kijkers en al die verhalen in de kranten. En ook dat rare gevoel: ik doe al twintig jaar theater, ik begeleid al twintig jaar reizen, daar heeft nooit een mens naar gekraaid en nu spreken een miljoen mensen over mij en over dit programma! Ik stond zelfs op de voorpagina van De Morgen. Ik kon het amper geloven, een kandidaat in een tv-spel als voorpaginanieuws, en dat naast twee ernstige artikels over verbrandingsovens en een vertrouwingsstemming in het Europees Parlement! Ze hadden het in dat stuk zelfs over m’n telefoonnummer en toen werd het helemaal rottig, want mensen begonnen me ‘s nachts op te bellen: ik heb me zo slecht gevoeld.
We zijn nu enkele dagen voor die finale ontknoping, en niemand heeft me gezegd dat ik in huis moet blijven, maar ik durf bijna niet anders dan op mijn appartement blijven en me gedeisd houden. Weet je, normaal was me dit niet overkomen, normaal was ik in die drie maanden na de opnames een voettocht naar Santiago de Compostela gaan doen met Oikoten, dat is met jongeren uit een instelling die tijdens die tocht allerlei ongemakken leren overwinnen zodat ze met meer vertrouwen in de maatschappij kunnen staan. Maar die tocht is niet doorgegaan en ineens zat ik weer in België en ineens heb ik die rol van "leugenaar" dus noodgedwongen weer moeten opnemen. Vooral tegenover vrienden en tegenover mijn broers en zussen vond ik dat niet gemakkelijk om ze wijs te maken dat ik de mol niét was. Ook mensen die mij kenden van theater hadden zware vermoedens dat ik het was, maar ik ben dat blijven ontkennen."
HUMO: Wist niemand uit je naaste kring dat jij het was?
Magda: Alleen één vriendin die ook op de bezoekdag is geweest, en mijn moeder. Want mijn eigen moeder om de tuin leiden, dat ging me te ver, dat kon ik niet opbrengen. Ik heb haar dus betrokken en ze heeft er ongelooflijk van genoten. Want ja, er waren ook de plezierige dingen, mensen die me met nieuwjaar allerlei toepasselijke kaartjes stuurden. Iemand die een heel blad had gemaakt met allemaal foto’s van molshopen en met een zakje aarde erbij dat van een molshoop kwam.
Maar daarnaast is er toch ook weer die keerzijde... Er zijn al mensen die me hebben laten weten dat ze mij niet meer willen zien... als zou blijken dat ik De Mol ben. Die kunnen zich niet verzoenen met mijn rol in De Mol. Die vinden dat ik iets smerig heb gedaan, dat ik een ‘verraadster’ ben, dat ik niet langer eerlijk ben. Die hebben het idee dat ik me heb laten verleiden tot het meedoen met iets achterbaks. Zo van “Hoe heeft Magda zoiets kunnen doen?! Dat hadden wij nooit van Magda gedacht!!”
HUMO: Een mol kan een en ander omwoelen ...
Magda: "Ja, vreemd hé, dat dat zo’n gevolgen kan hebben. En het is allemaal goed afgelopen, het is allemaal wel geslaagd, maar als ik erop terugkijk en mij weer tussen die groep zie bewegen, dan zie ik mij zeker niet als een harde mol. Ik weet goed dat ik daar vaak verontschuldigend heb rondgelopen, met een houding van, alstublieft mensen, begrijp mij en neem mij niet kwalijk want ik ben niet zoals ik nu ben. Ik ben maar een rol aan het spelen, sorry!"
Nawoord - In 2006 sprak ik haar nog een keer ter gelegenheid van het 70-jarig bestaan van Humo. Ze vertelde toen wat een impact dat had om plots een publiek figuur te zijn: " Ineens stond ik op de cover van Humo. Dat was heel vreemd om mezelf overal tegen te komen: in de krantenwinkels, op de trein en in de bus, op affiches in de winkelstraten, ik was het op de duur beu van mezelf overàl te zien. Het was ook geen mooie foto vond ik.
Humo: Je staat erop als opgejaagd wild. Met lichtjes opengesperde ogen.
"Zo'n beetje half gedrogeerd, zo leek het wel. Dat sommige mensen zelfs vroegen, "Magda, waart gij wel in orde toen?! (lacht) Feit is dat heel die mediahype mij toch hard geraakt heeft. Ik werd overal gevraagd voor foto's en interviews. Ik voelde mij plots niet meer vrij, ik was ineens publiek domein, mensen wisten ineens van alles van mij. Er stonden soms ook foute uitspraken in interviews, je wilde die dan corrigeren, dat ging niet meer, mensen lazen dat, kregen een verkeerde indruk van mij, ik wist niet meer hoe ik mij moest houden in gezelschap, ik werd op de duur mensenschuw, ik wilde écht als een mol in de grond kruipen. "De Mol" vind ik nog altijd een fantastisch avontuur, maar nog tot een half jaar na dat programma ben ik flink van de kaart geweest."
Langs de lijn van het jeugdvoetbal (2): hoe verteer je 50 - 0 en oerwoudgeluiden?
© Jan Hertoghs
"Ik heb een stel ouders ooit met paraplu's en handtassen op elkaar los weten slaan, terwijl de kinderen verbaasd toekeken”
Lees hier deel 1: de voetbalvaders en de druk om te presteren
Nergens zoveel handen zien geven als op jeugdterreinen. Vaders aan vaders, jongens aan trainers, jongens aan ploegafgevaardigden, jongens aan de scheidsrechter, jongens aan vaders, vaders aan de voorzitter, voorzitter aan de jongens. Dag vriend, dag kameraad, dag brave gast, dag knappe gast, dag Joske, dag Monneke, dag mijnheer, dag mijnheer. Eens de wedstrijd begonnen, worden diezelfde handen wel eens aan de mond gezet en hoor je heel andere refreinen waarin lam-, zwart- en andere zakken een belangrijke rol spelen. Ouders roepen naar scheidsrechters dat ze ouwe badsloefen zijn. Ouders roepen naar kinderen dat ze staan te slapen op het veld. Ouders roepen naar Marokkanen dat ze beter bananen zouden gaan plukken. En ouders roepen dan ook nog eens naar andere ouders dat ze... sportief moeten blijven! Vorige week ging het voornamelijk over de prestatiedruk op die jonge en heel jonge spelers, deze week gaat het over sportiviteit, racisme, (kadaver-)discipline, spelvreugde en... babysitten.
Al een kwartier hebben een paar vaders en moeders staan roepen. Komaan Stijn! Vooruit Marco! Naar voren Jeroen! Als ze 'naar voren' schreeuwen, hangen ze helemaal over de ijzeren balustrade. Als ze 'vooruit' schreeuwen, klappen ze met twee handen op de reling of stampen ze op de grond. En als ze de arbiter verwensen, heffen ze een bril naar hem, 'ge moogt 'm hebben!' Een toeschouwer van de tegenpartij vraagt of ze geen spuit moeten hebben om te kalmeren. Zij kwaad: 'Gij verstaat er niks van, palul! Gij zijt maar een gewone stomme supporter. Wij niet. Wij doen mee! WIJ... WIJ ZIJN ECHTE SJOTTERS!!'
Arbiter: «Ik zeg u. de kinderen op het veld zijn sportiever dan de ouders. Kinderen roepen nauwelijks, kinderen vloeken nauwelijks, kinderen zijn veel minder gespannen dan hun ouders die vaak gestresseerd langs de lijn staan.»
Vader: "Ik heb ooit een aantal ouders handgemeen weten worden, er werd met paraplu's en handtassen geklopt - de moeders deden ook mee! - en je zag die kinderen op het veld staan kijken, met hun handen in hun zij, zo van: wat krijgen die ouders nu weer?!»
Arbiter: "Scheidsrechters zijn doorgaans ook niet hang van die jongere spelers, maar wel van de agressie van hun ouders. ik ken scheidsrechters die op het scheidsrechtersblad alleen nog hun naam invullen en niet langer hun adres omdat ze bang zijn voor represailles of dreigtelefoontjes van ouders. Meestal blijft het bij verbaal geweld. Ouwe zak of vetzak of zwartzak, van die dingen. Maar daaraan mag je je niet storen, vind ik, dat zijn de normale uitlatingen op een voetbalveld, ik kan daar mee om.
Maar ik kan er minder mee om dat ouders ook verbaal geweld tegen die kinderen gebruiken. Sommige kinderen kunnen daar echt niet tegen als hun vader of trainer tegen hen aan het roepen is. En vaak is dat negatief. 'De lamzak, hij staat weer te slapen!' De prutser, hij kan er weer niks van!' Ik zie wel meer kinderen ineenkrimpen en tranen in de ogen krijgen. En het gebeurt dikwijls dat ik naast kinderen ga lopen om ze moed in te spreken: 'Niet aantrekken, jongen. Laat ze maar roepen. Ge zijt goed bezig!' En dan zie je dat gezichtje opklaren: 'Oké mijnheer!'»
Ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags
Onsportief
Arbiter: "Agressie op het veld, dat begint eigenlijk pas bij de juniores. Dat kom je bij min-veertienjarigen weinig tegen. Wat je wel hebt, zijn van die pesterijen. Ik heb het meegemaakt in een kleine gemeente, de knapenploeg verloor met 4-0, en die trainer riep direct na de match: 'Den arbiter geen hand geven hé, mannen! Als er nu iets heilig is bij het jeugdvoetbal, dan is dat toch wel die hand aan de scheidsrechter na de match! Dat hoort erbij, dat is de fairplay! Maar nee, die volwassen trainer vond het sportiever om dat niet te doen.
Arbiter 2: "Ho, maar die kinderen verzinnen dat zelf soms ook. Dan steken die gastjes hun hand uit, en als je die hand dan wil schudden, trekken ze die terug en sta je voor schut. Of ze smeren hun hand nog eens extra door het slijk en dan krijg je zo'n vuile handdruk, dat gebeurt.»
Miniem: "Ik vind toch dat vooral de ouders en de trainers niet tegen hun verlies kunnen. Wij wonnen als klein provinciaal ploegje een keer een match tegen een grote club en die trainer was heel kwaad en die riep: `Als gijlie denkt dat ge zomaar kunt verliezen tegen zo'n onnozel ploegske, dan heb ik ook nog een cadeau! Volgende woensdag straftraining en seffens in de kantine GEEN BONNEKES!!' Die pakte van die jongens hun drankbonnetjes af! Kinderen van tien en elf die hun cola en pakje chips niet krijgen omdat de trainer niet tegen zijn verlies kan."
Arbiter: "Onsportiviteit, dat voel je soms al bij aankomst in de club. In een sportieve club kom je binnen, die kinderen geven je een hand, dag mijnheer, en laten je voor aanvang van de match spontaan de noppen van hun shoes zien, alstublieft mijnheer. Dat is daar in orde, dat voel je. In een onsportieve club druipt het er ook af. Je komt daar aan, je krijgt een bal die te plat of te hard is, het scheidsrechtersblad is niet keurig ingevuld, de lijnen zijn niet of maar half getrokken, de délégué's in de neutrale zone dragen geen band. Dat zijn kleinigheden, maar dan weet ik: oppassen, voorzichtig zijn, want hier zijn ze niet ingesteld op een correcte gang van zaken.»
Arbiter Grijzenbaard
'Amai! Die ziet niet goed zeker! Dat is een blinde zeker?! Ouwe zak! Waar staat 'm nu! Honderd meter van den bal! Dat zo'n ouwe zakken nog mogen fluiten! En dan nog bij de jeugd! Hé arbiter, gaat al rap terug bij de bomma slapen! 'Verdomme, hij ziet het wéér niet. Hebben ze nu echt geen goeie arbiters voor de jeugd? Nee, dat hebben ze niet. Iedereen mag fluiten tegenwoordig. Ook de debielen. Zie, die kan niet meer lopen! Hé, ouwen badsloef, gaat algauw in de statie fluiten, dan moet ge niet meer lopen!'
Vader «Als er herrie rond het veld is, ontstaat die bijna altijd na een betwiste beslissing van de scheidsrechter. En ik moet zeggen: ik zie heel veel foute beslissingen. Sommige scheidsrechters zijn echt te oud om te fluiten.»
Arbiter: "Er is inderdaad veel kritiek op de oudere arbiters in de jeugdreeksen. In die reeksen heb je twee mogelijkheden. Ofwel ben je een jonge arbiter die aan zijn carrière begint, ofwel - en dat gebeurt vaker - ben je ouder dan vijftig en moet je volgens de statuten bij de jeugd gaan fluiten. Veel scheidsrechters die in hogere voetbalafdelingen hebben gefloten, willen niet bij de jeugd fluiten. Die zien dat als een afgang. Die hebben van de top of de subtop geproefd, die hebben op goede terreinen gefloten, die hebben na de match diners of recepties gekregen, en ineens staan die op een hobbelveld tussen tweeëntwintig krasselende kadetten, met hoogstens een kop koffie na de match, en intussen een lawine scheldwoorden op hun nek. De meesten houden dat dus niet lang vol, en degenen die het wel volhouden, zijn vaak de minder goeie scheidsrechters, de scheidsrechters die het doen voor dat envelopke met zevenhonderd of achthonderd frank in. En daartussen zitten van die krukken die hun fysiek niet verzorgen, die weinig lopen en die de match vanuit de middencirkel fluiten.»
© Jan Hertoghs
Arbiter 2:«Maar er is verjonging op komst, dat zie je goed op scheidsrechterscursussen. Ik hoor hij die jongere generatie en zelf wil ik scheidsrechter worden omdat ik als jeugdspeler zo vaak in een wedstrijd zat waar het fluiten beneden alle peil was.»
Arbiter 1 « Nog een positieve kentering is dat sommige kinderen na de match naar je toe komen en zeggen: 'Goed gefloten, arbiter!' De eerste keer dat dat gebeurde, stond ik perplex. Dat had ik nu nog nooit gehoord; dat had ik zelf als jeugdspeler ook nooit gedaan! Maar het gebeurt nu meer dat die kinderen oog hebben voor je inspanningen en dat ze ook mondig genoeg zijn om dat te zeggen.»
Fairplay
Een sliding met de voet vooruit, een kadet zijgt neer, de scheidsrechter trekt geel, een vader roept dat hij nog harder had moeten stampen, 'Voor mijn part stampt hij heel die ploeg eraf'. De moeder van de getorpedeerde maakt zich vreselijk koleirig, weet niet wat eerst roepen en begint dan maar met overslaande stem haar ploeg aan te moedigen, 'Komaan mannen, vooruit mannen, 't zijn hier allemaal rotzakken, mannen'. Ze roept zich hees. 'Zo'n wijf wil ik wel hebben,' zegt een kerel, 'dat krijst zich rot één dag in de week, en voor de rest van de week zwijgt het dan. Za-lig!' Andere moeders nemen het voor haar op, iemand roept 'sportief blijven hé', het oude adagio van de zijlijn. Maar het blijft gekrakeel. Vier ouders zijn het zat en gaan tien meter verderop staan.
Vader: "'t Is altijd een minderheid van ouders die zich zo fanatiek aanstelt, maar ze bepalen wel dikwijls de sfeer rond de velden. Mij zit het soms zo hoog dat ik dan zin heb om tegen mijn zoon te zeggen: komaan jongen, stop met dat voetballen, dit is toch geen spel meer.»
Jeugdcoördinator: "Die onsportiviteit komt er onder andere omdat de maatschappij en de media zelf weinig aandacht schenken aan sportiviteit en fairplay. Kijk naar de elleboogstoot van Gilles De Bilde, die krijgen we vijftig keer te zien op tv. Waarom eigenlijk? Bij die jonge gastjes ook: er moet maar één incident zijn en ze spreken al van een "miniemenwedstrijd die in geweld ëindigt". In koeien van letters op een sportbladzijde, bijna zo groot als bij Dutroux. Dat is niet in verhouding. Nooit besteden ze aandacht aan de goeie kanten van het jeugdvoetbal, nooit lees je eens een ernstig artikel over de inzet van jonge voetballertjes, maar één vechtpartij en de krant staat vol.»
© Jan Hertoghs
Trainer: "In jeugdvoetbal, waar het niet om geld draait, kan je nochtans een heel goeie en sportieve sfeer rond het veld creëren, zelfs als het ploegje vierkant draait. Belangrijk is dan dat de ouders elkaar leren kennen zodat het tenminste langs de lijn goed botert. Om dat te bereiken organiseren wij al eens een pannenkoekenavond, een barbecue of een kwisje, en als de ouders elkaar beter kennen, maken ze ook meer plezier langs de lijn, en dat straalt af op de kinderen. Zelfs als ze verliezen, hebben ze toch nog plezier aan het spel.
Ik herinner mij een match, we kregen 18-2 op ons kas, maar de ouders lieten het niet aan hun hart komen, die applaudisseerden voortdurend, deden de ene wave na de andere, en je had die kinderen moeten zien gaan. Die gaven niet op! Die hebben bangelijk gespeeld, die hebben gevochten als leeuwen! En je had die van het veld moeten zien komen, rooie kaken en zo gelukkig als wat. En dan zie je ook de ouders veranderen. Ouders gaan dan niet kijken naar het resultaat, die gaan dan kijken naar de inzet van hun kinderen, en dat voelen de kinderen heel sterk als hun inzet geapprecieerd wordt! We hebben onze twee doelpuntenmakers van die 18-2 zelfs op de schouders gehesen, en die andere ploeg was haast jaloers. Die hadden gewonnen, maar die hadden minder plezier dan wij! Zó moet dat zijn bij die kleine gasten. Laten ze zich amuseren als ze jong zijn. En als ze talent hebben, dan komt dat er wel uit. De trainer zal dat wel op tijd zien.»
Robotjes
Arbiter: "Zo'n gezellige sfeer tref je vaker bij kleinere clubs, daar gaat het familiaal toe, daar wordt meer gespeeld voor het plezier. Dat is een keuze die een club altijd moet maken omtrent haar jeugdbeleid: doen we het professioneel en maken we er sterk opgeleide voetballers van. Of houden we het gezellig, en maken we er jeugdwerk van: de kinderen bezighouden, de kinderen van straat houden, de ouders een gezellige tijd bezorgen? De twee gaan zelden samen. Want in het ene geval ligt de nadruk op plezier, en in het andere geval op prestaties. Als arbiter voel je meteen welke keuze de club gemaakt heeft. Als je in een club arriveert waar het om de prestaties gaat, dan hangt daar altijd een meer gedisciplineerde maar ook een meer afstandelijke sfeer.»
Vader: "Bij onze club is het: we maken er goeie voetballers van. Punt aan de lijn. Hier parkeer je je auto, je kind neemt zijn sportzak en verdwijnt in de kleedkamer en daarmee is voor de ouders de kous af. Hier is geen barbecue, geen tombola, geen kwis, geen tralala. Hier wordt gesjot. Bij andere ploegjes moeten ze allerlei organiseren om het gezellig te houden, en om ervoor te zorgen dat de kinderen én de ouders zich amuseren en bij de club blijven. Hier is dat niet nodig. Hier ben je blij als je kind mag blijven... en alle-maal willen ze blijven. Tot ver uit de omtrek staan ze te trappe-len om hier te mogen spelen.»
© Jan Hertoghs
Arbiter: "Bij grote clubs die ook met hun jeugdelftallen kampioen willen spelen, is het allemaal wat killer en wat kaler, maar de kinderen leren er anderzijds veel beter voetballen omdat er betere trainers zijn en omdat ze met kinderen kunnen samenspelen die de beste uit de hele omtrek zijn.»
Vader: "In die clubs moet je dan wel aanvaarden dat je als ouder nauwelijks meetelt en dat de club alleen zakelijk contact met je houdt. Als je zoon volgend seizoen nog mag meespelen, dan komt niemand je dat zeggen. Je hoort het alleen maar als ze hem niét meer moeten hebben. Dan valt er een kort briefje in de bus dat 'de samenwerking' voorbij is en dat is het."
Vader 2: "In die prestatie-clubs zijn ze ook streng qua discipline. Strenger dan op heel veel scholen.
Ik heb een trainer gekend die een systeem van strafpunten had uitgewerkt om 'onnozel gedrag' te sanctioneren. Fikfakken in de kleedkamer, strafpunt. Onderweg naar het trainingsveld met de bal botsen, zo van bots-bots-bots op de grond, strafpunt. Tijdens de training - uit zottigheid - een ander een voetje lichten: gaan aankleden en strafpunt. En die strafpunten hadden gevolgen, want wie te veel slechte punten had, mocht in het weekend niet meespelen. Het verhaal gaat hier dat een miniem een bal in de haag trapte en dat hij die bal niet wilde gaan halen, en hup, die kon zijn lidkaart afgeven, en die moest niet meer terugkomen. Ik ga daarmee akkoord als vader. Discipline moet er zijn.»
Arbiter: "Het nadeel is dat die kinderen vaak in zo'n kadaverdiscipline zitten dat het robotjes worden. Maar dat is meestal ook de bedoeling: men kwéékt kinderen die kunnen gehoorzamen, die blindelings de richtlijnen van de trainer zullen volgen. En je kan daar tegen zijn, maar voor scheidsrechters is het ideaal om bij die clubs te fluiten. Die trainer is gedisciplineerd en roept nooit. Die kinderen zijn gedisciplineerd en maken weinig fouten. En die ouders zijn ook gedisciplineerd. Je zal ze zelden horen schelden of brullen of herrie maken.»
Vader: "Het is een strenge discipline, en veel van die jonge gastjes zouden die discipline allicht niet aanvaarden op school. Maar hier bij de ploeg waar ze graag spelen, nemen ze die regels aan. Allemaal! Omdat ze gemotiveerd zijn. Omdat ze bezeten zijn van voetbal! Vraag het hier maar aan de ouders. Die hebben allemaal een kind dat altijd met een bal bezig is. Opstaan, bal aan de voet. Speelplaats, sjotten. Thuiskomen, huiswerk maken, en sjotten. Regent het, dan sjotten ze in huis. Met een prop papier, met een sinaasappel, met een kurk van een fles, met alles.»
© Jan Hertoghs
Strijkijzers en niet-Belgen
Jeugdcoördinator: "Jonge spelertjes moeten een heel goeie opleiding krijgen, maar toch gaan we ervan uit dat jeugdvoetbal bij ons (=Beerschot) voor 90% sociaal werk moet zijn. Als wij ons alleen maar zouden bezighouden met de jongens die het mogelijk tot professional zullen schoppen, dan moeten wij ons niet met driehonderd maar hooguit nog met dertig kinderen bezighouden. Ons motto is: wie zich inschrijft, mag spelen. Wij zijn geen club alleen voor de besten. Zelfs strijkijzers (trage spelers) mogen hier blijven. Want een kind dat niet goed speelt en dat toch blijft komen, dat beleeft plezier, dat is graag in de club. En zo'n kind mag je niet de deur wijzen, want dan stort zijn wereld in. Ja, dat is jeugdwerk en jeugdopvang dat wij doen.
En dus zou ik willen dat het stadsbestuur ons financieel zou steunen. Maar de stad geeft ons amper steun. Terwijl er toch redenen genoeg zijn! Neem nog maar de grote rol die wij spelen als jeugdopvang voor de niet-Belgen! In onze ploegjes spelen bijna dertig procent allochtonen. En dan vraag ik u: hoeveel jeugdverenigingen, hoeveel scouts of Chiro's kunnen dat eggen? En die jeugdverenigingen worden wél gesubsidieerd!»
Jeugdcoördinator: "Er zijn ook clubs die bewust migranten weren. Een eersteklasseclub zag dat er in de jeugdreeksen te veel Marokkaantjes en Turkjes liepen, verhoogde haar lidgeld fors en de zaak was opgelost, ineens waren al die vreemde kinderen weg. Wij (=Berchem) doen iets voor de integratie en wij zien de zaken verbeteren. Marokkaanse vaders die naar de wedstrijd komen kijken en die een thee komen drinken in de kantine: dat was een betrokkenheid die voor enkele jaren ondenkbaar was.
Het is heel moeilijk om voor jeugdvoetbal steun te krijgen van het gemeentebestuur. Voetbal heeft geen opvoedende waarde, zeggen ze dan, dat is toch maar tegen een bal stampen. Maar ze zijn fout, zo'n ploeg jonge kinderen kun je veel leren. Je kunt ze leren dat ze voor elkaar moeten opkomen, dat ze elkaar niet moeten uitkafferen, dat ze verdraagzaam moeten zijn. Je kunt ze leren het gezag te aanvaarden van volwassenen, van een trainer, een délégué, of een arbiter. En ook hoe ze zich correct moeten uitdrukken tegenover die volwassenen als ze ergens niet mee akkoord gaan. En dat is toch anders dan op school, waar ze alleen maar mogen spreken als ze het juiste antwoord weten. Op school leren ze ook alleen maar iets met hun hoofd. Hier ontdekken ze dat ze ook iets kunnen met de rest van hun lichaam.»
FC Babysit
Jeugdcoördinator: "Ouders van nu voelen zich ook meer betrokken bij de vrije tijd van hun kinderen, maar je hebt ook ouders die ons als babysit beschouwen. Die kinderen worden hier gedumpt en anderhalf uur later weer opgehaald. Als ze het kind niet vergeten zijn! Want we hebben het al meegemaakt, moeder was gaan winkelen en was gewoon haar kind vergeten. 't Ventje heeft hier een uur voor de poort staan wachten in de gietende regen.
Ouders beseffen niet eens wat voor goedkope babysit wij zijn. 5.000 frank lidgeld en daarvoor zijn wij meer dan 320 uren per jaar met dat kind bezig. Dat is nog geen twintig frank per uur! En dan spreken we nog niet over het warm water, de shirtjes en de verplaatsingen met de bus, dat zit allemaal in het lidgeld! (Noot: clubs vragen aan jeugdspelers tussen 1500 en 7500 fr lidgeld.)»
Vader: "'t Is misschien goedkoop als babysit, maar als je je kind een goeie uitrusting wil geven en als je ook regelmatig mee op verplaatsing wil gaan, dan is het niet goedkoop. Mijn zoontje speelt bij de Duiveltjes. Wel, dat kost mij 20.000 frank per jaar. Aan lidgeld, truitjes, broekjes, twee paar shoes, een trainingsvest, een stage met Pasen en met de kerst, de tornooien her en der, het toegangsgeld als ze op verplaatsing spelen enzovoort. En als ik dan ook nog de autoverplaatsingen en de drankjes en hotdogs in de kantine erbij tel, dan kom ik aan 30.000 frank per jaar! Voor één voetballend kind!»
Ingescand uit Humo/ Herman Selleslags
Jakkamakka
'Dat is gene van hier, dat ziet ge zo. Dat is weer zo'n bananenplukker van Jakkamakka. Ja, en 't is veel te groot om miniem te zijn. Twee koppen groter dan de rest, en zeker ook twee jaar ouder. Weer zo ene met ne valse geboortedatum op zijne pas. Dat krijgt ge natuurlijk als ge uwe pas in de brousse hebt gekregen.'
Vader: "Kinderen maken dat onderscheid niet tussen Belgen en niet-Belgen, die roepen niet zo gauw 'makak' naar een Marok-kaantje of een Turk. Meestal zijn het de ouders die daarmee beginnen en zo voor problemen zorgen.»
Trainer: "In mijn ogen is er meer racisme op de buiten dan in de stad. Onze club is van Burgerhout, en spelen wij in zo'n dorp, dan roept er al iemand binnen de vijf minuten: 'Makakken-ploeg! Ga maar terug naar uw makakken in Borgerokko!' Als je dan vraagt waarom ze zoiets zeggen, dan ben je al een dikke nek hé: 'Gij van 't stad moet niet denken dat gij het hier voor het zeggen hebt!' Ik vind dat vreselijk dat ze zulke dingen naar zesjarige kinderen roepen. Die komen dan in de rust naar mij en vragen: 'Mijnheer, wat is dat, een makakkenploeg?!»
Arbiter: "Je hoort het ook in luide discussies met de trainer, ouders gaan niet akkoord met de vervanging van hun zoon, en dan hoor ik ze roepen tot op het veld: 'Allez, waarom moet mijn kind eraf?! En dan nog voor nen bruine ook!'
Vader: "'t Is latent aanwezig, dat racisme, en het komt heel makkelijk boven als de ploeg aan het verliezen is. Vairbeeld: er zijn ouders met hun zoon Birger, en die ouders roepen heel de tijd: `Komaan Birger.' Wat verder zaten vier Marokkaantjes die voor de andere ploeg supporterden, en die na elke 'komaan Birger' op hun beurt 'komaan hamburger'! riepen. Kinderachtig gedoe, niet eens kwaadaardig, maar toen ze dat tien keer geroepen hadden, wilde een oudere supporter één van die kinderen bij zijn benen van de tribune sleuren, die kleine dreigde anderhalve meter omlaag te vallen. lk heb die twee uit elkaar moeten trekken. Kan je je `dat voorstellen, een vent van zeventig die een kind van twaalf aanvalt?!!» Jeugdcoördinator: "Ook scheidsrechters hebben soms racistische neigingen. Ik wik mijn woorden, maar je ziet dat hoe ze die vreemdelingetjes stiekem strenger aanpakken. Voorbeeld: Marokkaan is gekwetst, wordt verzorgd buiten de lijn, wil er terug in, maar mag er niet terug in. Pas na vier stilliggende fases en nadat ouders en trainer en délégué hebben staan roepen, mag hij er weer in. Nog een voorbeeld: arbiter fluit voor buitenspel, Marokkaan roept kwaad 'Allez arbiter' en hij moet van het veld. Die speler was goed bezig, die had zich niet misdragen, maar toch moest hij eraf. Op de koop toe in de negentigste minuut! En dan wachtte die arbiter drié minuten tot die speler helemaal verdwenen was, in de kleedkamer op 400 meter van het veld, om dan na 15 seconden de match af te fluiten. Dat zijn toch racistische pesterijen! En dan nemen ze het kwalijk dat die jongens soms opvliegend zijn en zich geviseerd voelen."
Arbiter: "Een scheidsrechter zou de laatste moeten zijn om zich racistisch te gedragen of racistische opmerkingen te dulden. In dat opzicht krijgen wij van de voetbalbond heel strenge richtlijnen. Bijvoorbeeld: als een gekleurde speler de bal heeft en als het publiek oeh!oeh!oeh!oeh! een aap begint te imiteren, dan hebben wij de taak het spel stil te leggen, en via de plaatselijke ploegafgevaardigde het publiek tot zwijgen te manen. Zolang dat niet gebeurt, wordt er ook niet voort gespeeld.»
© Jan Hertoghs
Eenentwintig-nul
Laatste minuut van de wedstrijd. De stand is 1-1. Een kadet gaat alleen op doe af, hij heeft de 2-1 aan de voet, hij dribbelt de goalie en schuift de bal tegen de paai en buiten. Geen seconde later fluit de scheidsrechter af. Fuck! De aanvalier zakt verslagen ineen op het veld, trekt zijn shoes uit, gooit ze tien meter ver, staat op, pakt ze weer bij de veters en kwakt ze keihard tegen de ijzeren balustrade.
Arbiter: "Dat is toch iets dat me begint te verontrusten, die rauwe frustratie, dat niet meer kunnen verliezen bij die wat oudere gasten. Het is gelukkig nog niet doorgedrongen onder de zestien jaar, maar bij de (gewestelijke) juniores is er nu een nieuw fenomeen om midden in de match met z'n allen het veld te verlaten. Ze staan bijvoorbeeld 3-0 achter, ze krijgen een strafschop tegen, ze gaan niet akkoord en de hele ploeg trapt het af. Zo van, er is niks meer aan te doen, dus zijn we weg. Dat engagement om die wedstrijd tot het einde uit te spelen, is weg. En ik vind dat nefast voor de jongere kinderen. Want die juniores zijn hun voorbeeld, zij kijken op naar die juniores, en dan krijgen ze zo'n voorbeeld van Onsportiviteit te zien.»
Trainer: "Dat niet kunnen verliezen zie je ook heel sterk bij de. ouders. Het liefste wat ouders hebben is dat hun kinderen over de tegenpartij heen walsen! Zes-nul! Acht-nul! 'Amai, mannen, goed gespeeld!' Terwijl ze niet eens hun best hebben gedaan omdat het zo'n zwakke tegenstander was. Ik heb soms liever dat mijn jongens met 1-0 verliezen, dan hebben ze tenminste moeten knokken, dan hebben ze tenminste iets kunnen leren. Maar daar moet je bij de meeste ouders niet mee afkomen!»
Vader: "Ik geef het toe. Als vader zie je doodgraag dat de netten regelmatig worden bol gezet. En eigenlijk kunnen wij een lesje leren van die kleine gasten, want die kunnen meestal beter tegen hun verlies dan de ouders. Onlangs verloor het ploegje van mijn zoon met 21-0 alstublieft, en vijf minuten later hingen die gasten te tuimelen aan de omheining. Geen spatje verdriet meer. Pas op, als ze van het veld komen, hangt hun lip op hun kin, en bij sommigen staan hun ogen eerder op bleiten dan op lachen.
Die verliesmatchen zijn echt niet mals hé: 10-0, 20-1, 30-2. Beenhard is dat! Zelfs bij 49-0 zullen ze nog keihard naar de 50-0 spelen om die andere af te maken en in de grond te boren. Geen medelijden: zo zijn kinderen. Maar het is ook allemaal zo snel vergeten. Zeker wanneer het ploegje goed aan elkaar hangt, deemstert dat verlies nog sneller weg omdat ze elkaar geen verwijten maken. Ik ken jeugdploegjes die bijna tweehonderd doelpunten in hun bak hebben gekregen en die op het einde van de competitie nog altijd NUL punten hebben, en toch komen die jongens elke week opnieuw spelen. Want die kinderen willen voetballen hé, die willen spelen! Die willen op dat plein lopen, die willen drib-belen, die willen een tegenstander voorbijgaan, die willen een schot op doel geven, die willen tacklen en sliden en koppen, álles willen ze. En winnen willen ze natuurlijk ook, maar als ze verliezen, is dat geen drama voor hen. Het drama wordt altijd gemaakt door de volwassenen. Wij zijn de slechte verliezers!»
Langs de lijn van het jeugdvoetbal (1) : de voetbalvaders
In het topvoetbal wilden minstens twaalf zeer kapitaalrijke clubs zich afscheuren in een elitecompetitie, de Super League. Die gesloten competitie is huizenhoog verheven boven het spelen voor lokale supporters met hun druilerige hotdog, vanaf nu wordt het galactisch spelen voor honderden miljoenen televisiekijkers in hun lauwe zetel. Intussen is die Super League (bijna) aan duigen gevallen, maar de toon is gezet: topvoetbal komt in handen van de happy few, de andere clubs moeten tevreden zijn met minder planetaire krijtlijnen.
Al die topvoetballers en veel van die ambitieuze clubvoorzitters zijn ooit als jeugdspeler begonnen op kleine veldjes met vaak alleen een handvol ouders als publiek. Een wereld die lichtjaren af staat van dat topvoetbal, en toch ook niet. Ook op het niveau van kinderen is er geld, afgunst, onverdraagzaamheid, en een grote druk om te presteren. In 1998 was ik vele weekends onderweg om jeugdwedstrijden bij te wonen en om voetbalvaders (soms -moeders) bezig te horen.
Een luidruchtig verslag.
Humo februari 1998 -licht ingekort - © Jan Hertoghs
Ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags
Staat zo'n vader daar te brullen tegen zijn kind van negen: Raakt 'm! Stampt 'm de poten vanonder zijn lijf !
Het is een beeld van de zondagmorgen. Er is amper verkeer, de wegen zijn zo goed als leeg, maar als auto's in één rij voor een stoplicht staan, dan kan je er kalk op innemen dat het vaders met voetbalzonen zijn. Achterin de wagen zit het vol jeugdige koppen. De haren fel gekamd, de rits tot hoog onder de kin gesloten. Jonge voetballers onderweg naar het gras hunner dromen. In België zijn zo'n 240.000 jonge voetballers aangesloten bij de Belgische Voetbalbond. 150.000 daarvan zijn jonger dan veertien. Dat zijn de Duiveltjes (6 tot 8 jaar), de Preminiemen (8 tot 10 jaar), Miniemen (10 tot 12 jaar) en Knapen/Kadetten (12 tot 14 jaar). Over die kinderen gaat het. Maar meer nog over de ouders van die kinderen: de voetbalvaders, en in mindere mate de voetbalmoeders en voetbalgrootouders. Die ouders langs de krijtlijnen die hun kind aanmoedigen, maar met even groot gemak de grasmat inboren. Die ouders - aldus sommige trainers- die zich menen te moeten moeien met de opstelling van de ploeg. Die ouders - aldus sommige scheidsrechters- die menen zich minder sportief te moeten gedragen dan de kinderen zelf. Die ouders - aldus andere ouders- die uiteindelijk maar één ding hopen, namelijk dat hun zoon ooit in eerste klasse zal spelen. De kans dat hem dat gouden schoentje past is... één op duizend.
*De reportage is gebaseerd op gesprekken langs de lijn van Antwerp, Beerschot, Lierse, Germinal Ekeren, Berchem, Tubantia Burgerhout, Schilde en "s Gravenwezel.
Vader: "Mijn zoon is negen. Hij traint twee keer per week en volgt nu ook de speciale keepersschool. Negen jaar zijn en al individuele training krijgen, dat is niet meer spelen, dat is presteren. Als vader ben ik daar niet voor: een kind van negen, dat moet zich ontspannen, dat moet zich amuseren. Maar hij WIL het doen en ik laat hem doen. Want wat doe je ertegen? Het hoort bij deze prestatiemaatschappij. Alles is tegenwoordig prestatie. En wie niet presteert, die kan gaan. Dus moet hij oefenen, dus moet hij trainen, dus moet hij beter zijn dan de anderen. Zelfs al op negen jaar.»
Een miniemenwedstrijd. Goal. Bal zuiver onder de keeper. De tienjarige doelman vloekt 'shit', gooit zijn handschoenen tegen de grond en trapt ze nog na terwijl ze op de grond liggen. De doelpuntenmaker zit intussen op één knie en trekt met gebalde vuist een denkbeeldig kanon af. Eén-nul!
Vader: "Als die kinderen scoren, dan weten ze wat ze moeten doen. Dansen bij de cornervlag, vliegtuigske spelen, op hun buik landen, schoenen poetsen, elkaar bij de enkels pakken en in kikkerpas over het veld huppen, je ziet het allemaal. Voor de profs uit eerste klasse is dat eventjes kinderachtig doen, voor die kinderen is dat eventjes de professionele uithangen.» Jeugdcoördinator: "Als je scoort, ben je de held. Ook bij de ouders. Er zijn spelertjes die honderd frank van hun ouders krijgen als ze scoren. En dan ook nog eens honderd frank van den bompa en vijftig frank van de nonkel. Wij zijn daar vierkant tegen en we zeggen dat ook duidelijk tegen de ouders: doe het niet, want zo worden de kinderen te individualistisch in hun spel.»
Vader: "In onze club is er een kind dat naar de Quick mag als het scoort. En als het twee keer scoort, krijgt het niet één maar twee hamburgers. Enzovoort! Wel, zijn spel zag je veranderen en hyper-individueel worden, want ja, dat ventje speelde voor zijn hamburgers."
Moeder: "Ik ken ouders die hun zoon-keeper hebben gezegd: als jij tot Kerstmis - er waren nog zestien matchen te spelen -geen enkel doelpunt binnenlaat, dan krijg je van ons vijfduizend frank (125 euro)! Veertien weken heeft die jongen het uitgehouden en toen kreeg hij d'r twee binnen. Zo'n druk leggen op een kind van tien jaar!»
Vader: "Je hebt ook al ouders die geld geven voor een assist! Vijftig frank voor een beslissende pass, waar zijn we dan mee bezig, zeg?!
Maar wat ik een nog kwalijker individualisme vind, zijn ouders van wie de ploeg gerust met 5- 1 mag verliezen, als hun zoon maar die ene goal heeft gescoord. De ploeg is bijzaak. Hun eigen kind, dat is de hoofdzaak.»
Jeugdcoördinator: "Ja, dat eigen kind, dat moet presteren. En soms kan dat niet rap genoeg gaan. Ik heb hier een vader gehad die powertraining gaf aan zijn zoontje van elf! Want hij vond dat zijn kind 'fysiek wat mankeerde'. En toen de trainer zei dat 'poweren' slecht was voor zo'n kind en dat hij daarmee beter zou wachten tot ie zestien was, zei die man:' Maar allez, dat kan toch geen kwaad? Twee gewichtjes van twee kilo aan zijn polskes en wat zwaaien met zijn armen !?»
Ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags
Hij speelt in Nationale!
In het jeugdvoetbal heb je een opdeling in Gewestelijke, Provinciale en Nationale. Dus: bij de Miniemen van een club heb je Gewestelijke Miniemen, Provinciale Miniemen en Nationale Miniemen. Spelen de jongens Gewestelijk, dan spelen ze tegen teams uit de omgeving, spelen ze Provinciaal, dan spelen ze tegen teams uit de provincie, en spelen ze Nationaal, dan spelen ze tegen teams uit heel België. 'Nationale' jeugdspeler zijn bij een club is dus het hoogste niveau halen, en sommige ouders wensen meer dan vurig dat hun kind in 'Nationale' zou spelen.
Jeugdcoördinator: "Ouders zijn fier als hun zoon in die 'hoogste klasse' speelt. Mijn zoon is Nationale Miniem van Beerschot! Of, onze jongste is van de Gewestelijke naar de Provinciale Kadetten van Germinal gegaan! Zo wordt dat gezegd. En van mij mogen ouders daar fier op zijn, maar o wee, als hun kind `zakt'! Ik ken ouders die hun zoon met voetballen lieten stoppen omdat hij niet meer geselecteerd was voor Nationale. Die jongen speelde nog steeds bij Provinciale Miniemen van zijn club, die speelde daar zelfs heel goed, maar zij vonden dat maar niks en hij moest maar iets anders gaan doen, gaan tennissen of zo. Maar waarom hebben ze dat kind afgeschreven?! Kijk naar Jan Ceulemans. Die heeft altijd in Gewestelijke en Provinciale gespeeld. Die is nooit 'Nationaal' geweest. En dat is één van de beste spelers geworden die België ooit heeft gehad!"
De kantine. Plaveien op de vloer, tralies voor de vensters en blinkende bekers achter de toog. Vaders in rooie anorakken drinken een pint, moeders lichten het deksel van hun filterkoffie. En nog een preisoepke, een currysoepke, twee palmkes, een cola, en een thee. En Louis! Louis! Die journalist wil dat niet geloven van die moeder en die trainer! Louis komt erbij staan, jaja, in club Y stapte een 'gewillige' moeder al eens met de trainer in bed opdat de zoon van twaalf jaar toch maar in de eerste ploeg van de kadetten zou staan!
Vader: "Over het al dan niet in de ploeg mogen staan, doen veel verhalen de ronde. Mij zijn gevallen bekend van vaders die de trainer elke week wat geld toestoppen zodat hun jongen elke week zijn stek in de Nationale Knapen houdt. Een goeie manier om te maken dat je zoon elke week speelt, is sponsor worden van de jeugdafdeling. Dan stort je bij het begin van het seizoen 50.000 frank (1250 euro) in de kas van De Jeugd, en dan is het voor de trainer wel heel moeilijk om je zoon niet te zien staan, want hij is tenslotte 'de zoon van een sponsor'. Wat bij onze club bijvoorbeeld ook helpt, is jezelf opgeven als verzorger of ploegafgevaardigde. Dan ben je het soort vrijwilliger dat zijn hele weekend aan de club besteedt, en dat kan ook helpen bij de selectie van je kind.» Jeugdcoördinator: "Sommige ouders proberen het op een heel simpele manier: die gieten de trainer na de match flink wat pinten op.»
Moeder: "Dat zal bij onze club niet lukken. Trainers hebben de strikte opdracht na de match van de toog weg te blijven, onder andere om die beïnvloeding uit de weg te gaan.»
Vader: "Ik begrijp maar al te goed dat trainers niet te veel contact zoeken. Omdat de ouders zich nu meer met de selectie willen bemoeien dan vroeger. En ze schuwen niks. Sommige ouders lopen de deur plat bij het bestuur, andere hoor je op het veld hardop naar de trainer roepen. 'Zeg, dat kan toch niet dar onze Tom weer aan de kant staat! Als dat zo voortgaat, dan komt 'm niet meer, dan gaat 'm naar een ander ploeg!'»
Ingescand uit Humo/ foto Herman Selleslags
De bankzittertjes
De preminiemenmatch wordt afgefloten. 2-0 gewonnen, en toch zijn drie moeders van de winnende ploeg niet tevreden. 'De mijne heeft maar tien minuten op het veld gestaan. De mijne maar vijf! De mijne helemaal niet! 't Is elke week hetzelfde. 't Zijn altijd dezelfde die mogen spelen. Dat is toch belachelijk van die trainer!'
Trainer: "Ja, de ouders gaan dan klagen hé. De ploeg heeft wel gewonnen, maar o wee, hun ventje zat er niet hij! 't Gaat zel-den om de ploeg. 't Gaat altijd over hun kind.»
Moeder: "lk vind dat erg voor die kleine gasten. Ze zijn negen jaar en ze zitten de hele match op de bank. Of ik dat ook tegen de trainer durf te zeggen? Nee, dat durf ik niet want dan mag hij volgende week helemaal niet meer meedoen, daar ben ik zeker van.»
Trainer: "Och, je hoort het zo vaak. Zodra een ploeg aan de winnende hand is - zelfs al gaat het maar om een Gewestelijk Miniemenploegje- , dan zal die trainer dat winnende team willen behouden. In theorie mag hij de hele match 'vliegende wissels' doorvoeren, kinderen mogen de hele tijd in en van het veld zodat iedereen kan meedoen, maar ze krijgen de kans niet. Ze komen er niet op. Of hoogstens de laatste vijf minuten. En dan krijg je dat: jongens die weken aan een stuk op de bank zitten en nooit aan spelen toekomen.»
Moeder: "Zo'n winnersploegje mag niet meer verliezen en kan op de duur ook niet meer verliezen. Zelfs het kleinste verlies kunnen ze niet aan. Ik heb elfjarigen van het veld zien komen, het was 0-0, en sommigen hadden de tranen in hun ogen!» Jeugdcoördinator: "Als zo'n ploegje in de running is voor een kampioenstitel, gaan de trainers echt beslag leggen op die elf goeie spelers. Ze moeten er altijd zijn, op elke training en bij elke match. En dat gaat soms ver. Het kind is geblesseerd - wat een zeer geldige reden is om afwezig te blijven - en toch gaan ouders het dwingen mee te spelen. Om de trainer toch vooral niet teleur te stellen. Want een teleurgestelde trainer, dat kan soms betekenen dat je zoon er de week daar-op niet bij mag zijn. Als straf! Voor hem, en voor die ouders ook natuurlijk."
© Jan Hertoghs
De Goed Geprobeerd-Ouders
Twee vaders in gesprek aan de lijn. 'Ik weet niet wat 'm heeft tegenwoordig, maar hij is precies zijn shot kwijt. Bij 't begin van 't sei-oen schoot hij d'een bom na d'ander binnen, en nu is 't niks meer.' - 'Ja, jong, dat kan zo ineens weg zijn hé. Misschien wilt hij het te veel forceren, en dat is zo, als ge dat wilt forceren, dan gaat dat niet hé.' - 'Ja, 't is waar, hij zou dat niet mogen forceren.'
Vader: "« Of vaders echt iets van voetbal kennen, hoor je aan hun geroep tijdens de wedstrijd. Zo is het opvallend dat degenen die wel iéts van voetbal kennen, vrij weinig roepen, en dan nog meer in instructieve zin, zoals 'Bertje, speel volgende keer eens in de diepte' of `Komaan, Thomas, direct terug bij uwe man!' Dat noem ik de Richtlijn-Ouders. Die zijn in de minderheid, want de grootste groep ouders wordt gevormd door de 'Goed-Gedaan' en de 'Goed-Geprobeerd'-Ouders. Dat zijn ouders die alleen maar willen zien dat de ploeg op de goal afstormt. Alleen aanvallen telt, de rest van het spel is niet belangrijk, en die ouders schreeuwen hun kinderen letterlijk naar de muit. 'Vooruit! Voor-uit! Langs de lijn! Langs de lijn!' - 'Afgeven, die bal, afgeven!' -'Voor de goal zetten, voor de goal! Goed gedaan! Goed geprobeerd!'» Nog iets. Ouders die iets van voetbal begrijpen, die gaan ergens staan waar ze het spel kunnen overschouwen. Ouders die er weinig van begrijpen, gaan vaak gewoon in de buurt van hun kind staan. Speelt hij rechtsachter, dan staan papa en bompa ook rechts-achter. Kunnen ze direct roepen waar hij de bal moet trappen. Wat ook opvalt: hoe jonger het kind, hoe meer men alleen maar voor zijn-kind-schoon-kind! supportert. 'Vooruit Kevin! Komaan Kevin! Niet afgeven Kevin! Naar rechts Kevin!'Dat houdt niet op. Dat is geen kind meer, dat is een robotje, een Gameboy waarvan de ouders denken dat ze de afstandsbediening in de hand hebben. 'Naar rechts! Naar links! Vooruit! Schieten!' En hoe slechter hun kind speelt, hoe korter ze roepen. Dat begint met "Goed gespeeld, Kenny, goeien bal, Kenny, goed gedaan, Kenny.' En dat eindigt met 'KEN-NY', van die korte nijdige blafjes zoals je een hond tot de orde roept. Eigenlijk verstomt dat roepen van de ouders pas naarmate de jongens ouder worden - scholier en UEFA-junior- én naarmate ze niet meer in Gewestelijke maar in Nationale spelen. Want degenen die dan nog spelen zijn stuk voor stuk goeie spelers én hebben niks meer te leren van de ouders."
© Jan Hertoghs
De papa of de trainer?
Een training van de Duiveltjes (6 tot 8 jaar). Bomma vraagt of Michael geen kou heeft. Nee, bomma. Ook niet aan uw billekes? Nee, bomma. Dan is 't goed, schat! Een andere moeder langs de lijn 'coacht' haar kind zonder ophouden. Komaan, Sean, lopen! Naar de witte kegel, Sean, niet naar den blauwe! Haast u, Sean, lopen, Sean, de anderen zijn al klaar, Sean, nu op uw poep zitten, Sean, op uw poep, Sean! Poep, Sean! En nu den bal pakken, Sean. Den bal pakken! Het kind draait zich om naar zijn mama, en naar welke kegel moet ik nu, mama? Ja, Sean, dan had ge maar beter naar de trainer moeten luisteren!
Jeugdcoöordinator: "Het ergste voor een kind op het veld is wanneer ouders en trainer mekaar tegenspreken. Voor de match zegt de trainer, 'Bert, jij blijft RECHTS', en dan begint de match en is er op links een zee van ruimte en dan roept papa: 'naar links, Bert, verdomme naar LINKS, ziede gij dat gat dan niet!' En wat moet die jongen dan doen? Naar zijn vader luisteren of naar de trainer luisteren?
Ik heb zo'n vader gehad. Die kleine hield zich strikt aan de richtlijnen van de trainer en die vader werd razend omdat dat kind niet naar hém luisterde. Na de match stapte die in zijn auto en reed in volle vaart naar huis. 'Zie maar dat ge alleen thuis geraakt' riep hij nog. Stond die kleine daar!»
Trainer: "Wij hebben ook zo'n vader gehad. Die jongen ging op het doel af, iedereen - de trainer, de délégué en de assistent- brulden dat hij moest passeren, en die vader brulde nog harder dat hij niet moest passeren. En in zijn koleire riep hij: `Naar wie zou hij godverdomme passeren, 't is den enige op 't veld die kan sjotten!' Je kan je dat voorstellen, die vader kreeg trainer en supporters tegen, die jongen kreeg zijn medemaats tegen, en op de duur - want dat herhaalde zich een paar matchen- was die jongen doodongelukkig. Ik heb hem een keer het veld zien afkomen, helemaal alleen, tot bij de afsluiting, waar zijn vader ook helemaal alleen stond, en die jongen liet zich op de grond vallen, zijn handen voor zijn gezicht, en snikken, snikken. Dat kind was kapot, dat kind heeft het seizoen niet uit gedaan.»
Arbiter: "Vaders die zich zo gedragen, hebben geen enkel besef van wat hun kind aan het doen is. Want hun kind is aan het leren. En als je iets leert, dan ben je fier als kind en dan wil je ook aan je ouders laten zien wat je kunt. Al die dingen die je van de trainer geleerd hebt. En dan staat die vader daar en dan wil die niet eens zien wat je geleerd hebt!»
Délégué: "Ouders die zo fanatiek zijn, vind je overal. Maar ik zou hen niet met de vinger wijzen: ouders gedragen zich pas fanatiek als ook de trainer fanatiek is. Ouders gaan pas hard roepen als ook die trainer luid naar die kinderen roept. Ik heb het al te dikwijls gezien. Ouders en trainer die zo staan te roepen en te blaffen dat de kinderen op het veld ineenkrimpen en soms met tranen in de ogen aan het spelen zijn. Helemaal verkrampt, helemaal in de war.»
Arbiter: "Ik merk het als kinderen schreiend op het veld lopen. Dan hebben ze naar doel geschoten en gemist, en dan is er naar hen gescholden door de trainer of de ouders. En dat kind weent dan omdat het niet kan voldoen aan die hoge verwachtingen van de trainer en van de ouders.»
Délégué: "En wat voor agressieve dingen vaders soms roepen, ook naar de allerkleinsten. Ik heb een vader naar zo'n zevenjarige horen roepen: 'Stampt dien andere de poten vanonder zijn lijf!' Daar ga ik als ploegafgevaardigde direct naartoe, en daar wil ik desnoods tien minuten mee praten tot die man bekoeld is.»
Vader: "Godverdomme, raakt 'm! stampt 'm tegen de grond! Dat heb ik een vader horen roepen tegen zijn zoontje van negen, omdat die kleine al twee of drie keer door een aanvaller gepasseerd was. Ik zei, mijnheer, weet gij wel wat gij zegt tegen dat kind? En zijn antwoord was: Hé boerke, gij komt van een boerengat, gij moet ons niet komen vertellen hoe wij hier moeten sjotten hé!» Délégué: "Trainers kunnen soms ook zo bruut zijn. lk zag een Duiveltje van zeven jaar een foute pass geven en die trainer vloog uit: 'Kijk uit uw doppen! Ge kunt er weer geen kloten van! Wacht maar tot woensdag, dan zal ik het u 'ns léren op de training.' Zo iemand geeft niet alleen een verschrikkelijk voorbeeld aan de ouders, zo iemand is ook een verschrikkelijke trainer.»
Vader: "Je hebt van die trainers: die kennen wel iets van een bal, maar die kennen niks van een kind. Die weten dat een bal altijd naar hen luistert, maar die begrijpen niet waarom een kind soms nièt naar hen luistert. Dat is één van de grote problemen van het jeugdvoetbal. Dat de trainers vaak te technisch en te balgericht zijn, en te weinig kindgericht.»
Arbiter: "Wat sommige vaders naar de kinderen roepen is vaak krek hetzelfde wat ze naar volwassen voetballers roepen. "Wat ge te klungelen in dat centrum?! Dekt nu eens die linkerkant af! Beweegt eens wat meer, lamzak!' Dat soort vaders kijkt niet naar een spel van kinderen, dat kijkt alsof daar een match van 'de groten' bezig is. En als dat kind nog maar een paar fouten maakt, beginnen ze vaak al te grommen. 'Hij staat weer te slapen vandaag. Hij ziet weer niks vandaag!' Met andere woorden: hij is weer geen grote voetballer vandaag. En dat is de grote ontgoocheling die bij veel vaders op de loer ligt: omdat zij mindere goden zijn geweest, omdat zij niet die jongensdroom-van-de-grote-voetballer hebben waargemaakt, willen ze van hun zoon een god maken. En als die god hen dan ontgoochelt, kunnen ze dat niet verdragen hé.»
© Jan Hertoghs
De kapbeweging
Speler: "Er wordt door vaders nogal wat afgezaagd tijdens de match, maar wat ik ook erg vind, is het gezeur na de match, in de kantine. Dan krijg je het te horen hé. 'Het trok weer op niks! Ze hebben er weer hun kas aan geveegd! Ze kregen 'm er weer niet in! En d'r is geen ene die op zijn juiste plek staat! En den trainer trekt op geen ballen!' Altijd maar negatieve commentaar, zelden iets positiefs. Ik moet dat niet meer horen, ik mijd de kantine. Ik wacht in de kleedkamer tot de bus er is, en dan spring ik recht in de bus. De ouders denken nog al te vaak dat wij dat niet voelen, die commentaren op het veld en in de kantine. Ze denken dat wij met de jaren een dik vel hebben gekweekt. En voor een deel is dat zo, als ze 'lomperik' of 'lul' of 'sukkel' roepen, dan hoor je dat niet meer. Maar als ze je aanmoedigen, als iedereen roept en fluit en applaudisseert, dat voelen wij maar al te best, maar dat krijgen wij veel te weinig te horen.» Jeugdcoördinator: "Ouders weten niet wat ze hun kind soms aandoen met al die negatieve commentaar. Want als die jongen niet zo goed presteert op school, dan wordt daar al op hem 'gekapt', en als ze dan ook nog eens tijdens het voetballen (zijn uitlaatklep voor de school!) op hem beginnen te 'kappen', dat is wreed, dat is nefast voor zo'n kind!
Op het veld wordt gesakkerd, in de kantine wordt gekankerd en dan heb je nog van die huishoudens waar ook de barometer thuis door de match van het weekend bepaald wordt. En heeft de zoon slecht gespeeld, dan zit het ertegen, dan is het daar soms de hele week ruzie. Ik heb huwelijken weten afspringen omdat het voetbal zo de gezinssfeer beheerste, omdat alles om voetbal draaide, omdat over niets anders dan voetbal werd gesproken.»
Vroeger, och, vroeger!
Zijn kleinzoon speelt ginder, zegt hij, dat manneke met die wittekop. 't Is een goed spelerke, maar soms wat aan de trage kant. Hij heeft vroeger ook gespeeld. Niet te vergelijken met nu. Ze speelden met een harde geschilderde bal waar de verf in schilfers van het leer brak. En ja, ze gingen ook op verplaatsing. Met de fiets en met de boterhammen onder de snelbinder. En na de match geen douche, maar u wassen in een emaillen teiltje , het water ontdooide op uw blote borst.
Jeugdcoördinator: "Och, vroeger, dat is niet te vergelijken met nu! In de jaren zeventig hadden we hier op Beerschot vier trainers voor vijfhonderdtachtig kinderen. Al die kinderen oefenden her en der op een vierkantje van het veld en die trainers liepen rond en zagen ze iets verkeerds, dan floten ze en wandelden ernaartoe, "zo moet ge diejen bal amortisseren en nééje, dat is niet de binnenkant van uwe voet!' En pas op, de ouders vonden dat goed hé, geen enkele vader die reclameerde. En nu! Nu hebben we driehonderd kinderen en drieëntwintig trainers! Die zijn profes-sioneel hé, die hebben allemaal een opleiding gehad, maar... dan nog zijn sommige ouders niet content. 'Mijnheer, hij speelt in een groepke van zeventien, ik vind dat te groot, zo kan hij niks leren! Kan hij niet wat individuele begeleiding krijgen?'
Nog zoiets: vroeger waren er TIEN ballen voor die 580 kinderen, nu zijn er DRIEHONDERD ballen voor die driehonderd kinderen. Elk kind heeft zijn eigen lèren bal! Dat is ook mooi om zien, zo'n veld vol kinderen, en allemaal aan het lopen met die bal. Maar dan denk ik soms: als ik tegen die ouders zou zeggen dat er per tien kinderen maar één bal is... Jongen, ze werden stapelzot!»
Tienjarige profs
Vader: "Alles wordt 'professioneler'. Vroeger mocht je ze nog met de auto brengen. Maar nu gaan die tienjarigen al met de 'spelersbus' en wij ouders mogen dan als schapen achter die bus rijden. Die afzondering in de bus is goed voor hun concentratie, zegt de trainer. Kan je je dat voorstellen? Professionals van tien jaar!»
Speler: "Goed dat wij in een bus zitten. Daar kunnen we tenminste kaarten of lezen of onze walkman opzetten. Alle jongens waren het beu om met de auto mee te rijden, want als je verloor, begon pa zijn zaag te spannen in de auto.»
Vader: "Ja, het gaat er almaar professioneler aan toe. Vroeger lieten ze een kind gerust in een club, ze kwamen het pas wegkopen als hij zestien was. Nu komen eersteklasse-clubs de kinderen al scouten vanaf hun acht jaar: of ze niet naar een grotere club willen?!
In de provincie Antwerpen wordt nu zelfs al geronseld door Nederlandse eredivisie- en eerste-divisieploegen: NAC Breda, Feijenoord Rotterdam, PSV Eindhoven en Willem 11 Tilburg. En eigenlijk hebben die maar een ietsje betere opleiding te bieden dan de Belgische clubs, maar die 'naam' doet het natuurlijk bij de ouders: het idee dat hun kind mag spelen bij een 'grote' buitenlandse club! .»
Jeugdcoördinator: "Vroeger waren ouders minder te verleiden door al die aanbiedingen omdat niet de ouders maar de club alles te zeggen had over de transfers van de spelers. Maar sinds het decreet van '97 over de niet-professionele sportbeoefenaar zijn kinderen niet langer gebonden aan de club en staat het de ouders vrij met hun kind naar een andere club te gaan. Sommige ouders beginnen dan ook te marchanderen met hun kind, wat vroeger onmogelijk was. Die kleine speelt bij ons, bij Beerschot, maar ze vragen dan aan Germinal Ekeren of Lierse of hij daar eens mag komen testen, want dat vinden ze natuurlijk beter, dat die kleine bij een eerste-klasse-ploeg speelt. En oké, hij mag bij Lierse bij de Nationale Kadetten beginnen en dan zie je die ouders ineens veranderen hé! Zes jaar lang vonden ze het fantastisch bij ons, en ineens is er niks meer goed. Dat kind wil eigenlijk niet veranderen, dat heeft zijn vriendjes, dat is gelukkig bij ons, maar zijn ouders vinden dat hij moet veranderen. En waarmee ze dat kind dan paaien. 'Allez jongen, ge moet dat eens zien bij de Lierse, daar hebben ze douches met twee koppen, en bij Beerschot maar éne kop!'»
Vroeger had een club meer vat op die transfers, en was het rustiger rond het veld. Nu zijn de ouders nerveuzer geworden. Als zij vinden dat 'hun kleine' wat te weinig wordt opgesteld, gaan ze al op zoek naar een andere club.»
Jeugdcoördinator: "Veel clubs zijn tegen dat decreet, maar ik vind het niet zo'n slechte zaak. Vroeger kon een club een jongen heel lang aan zich binden zonder iets voor hem te doen. Nu is jeugdwerking een uitdaging. Nu moet je er iets voor doen om die jonge gasten in de club te krijgen en om ze erin te houden ook.»
Vader: "De grootste verlokking voor zo'n ouders is een aanbieding van een grote club. En dé max is natuurlijk als je kind bij het grote Anderlecht mag spelen. Sommige ouders hebben daar alles voor over. Ik ken zo'n tienjarige die van een kleine club naar Anderlecht is getransfereerd. Om halfvijf is de school gedaan, moeder of vader wacht voor de schoolpoort, boterham eten in de auto, huiswerk maken in de auto, trainen in Brussel, douchen, nog een cola drinken en om negen uur is die jongen thuis en moet die nog de rest van zijn huiswerk maken. Je hebt kinderen die tegen die stress bestand zijn, maar er zijn er genoeg die dat op die jonge leeftijd niet aankunnen.»
Trainer: "Grote ploegen hadden er vroeger ook geld voor over om een kind aan te trekken en de ouders over te halen dat het de kleinere club zou verlaten. Ouders die 15.000 frank per maand kregen, dat was de premie voor een miniempje. Maar die tijd is voorbij. Ouders en kinderen switchen nu zo gemakkelijk van de ene club naar de andere, en er staan tegenwoordig ook zoveel kinderen te dringen voor De Grote Poort, dat geen enkele club nog geld bovenop een aansluiting wil geven. Hoogstens een gratis abonnement voor de papa om te komen kijken naar de wedstrijden van de eerste ploeg.
© Jan Hertoghs
Nu is het andersom, nu zijn het vooral de ouders die zich extrakosten op de hals halen om hun kind 'naar de top' te voeren. Ik ken ouders die een tweede auto kopen om hun zoon elke dag naar Brugge of Anderlecht te brengen. Als dat kind er dan op zijn veertiende of zestiende de brui aan geeft, stort de wereld van die mensen in.»
Jeugdcoördinator: "Het nadelige is soms ook dat die kinderen geforceerd worden bij die grote clubs. Want die willen wel élk jaar in de jeugdreeksen kampioen spelen en dus stellen ze een goeie speler week na week op. Ik heb kinderen van veertien gezien die compleet kapotgespeeld waren, die twee seizoenen na elkaar geforceerd waren geweest; en toen het niet meer ging liet die grote club ze gewoon vallen. Een jongen is hier naar zijn kleine club teruggekeerd met twee bouten in zijn knie... In kleine verenigingen kom je dat niet tegen. Vandaar dat ik altijd tegen de ouders zeg: haal ze niet te vroeg uit hun 'nest' weg, laat ze zolang mogelijk in een kleinere club blijven, want die 'professionele' jeugdopleiding van de grotere clubs, daar zijn niet alle kinderen tegen bestand . Het gebeurt ook heel vaak dat die grote ploegen kinderen aannemen en dat ze een maand later al zeggen dat 'ze hem niet kunnen gebruiken'. Dan staan die ouders daar, 5.000 frank lidgeld betaald, en ze moeten hun kind niet meer hebben!"
De miniemen komen van het veld, roodwit heeft gewonnen tegen blauwgeel. Onder de golfplaten van de kleedkamer zindert het 'Tsjikke-tsjakke-tsjikke-tsjakke heujheujheuj' en 'We Are The Champions, No Time for Losers'. En ook een treiterachtig refrein: 'Ze waren Beter! Ze Waren Beter!... Niet Gekomen! Niet Gekomen!' De terreinverzorger trekt de deur open en roept: 'EN DEZE KEER NIET MET DE SHOES IN DEN DOUCHE !!'
Deel 2: hoe verteer je 50-0 en oerwoudgeluiden?