Reportages

Een archief van eigen reportages.
Over bliksemjagers en voetbalveteranen,
klaroenblazers van de Last Post en autobestuurders die geen 1000 km per jaar rijden.  
En natuurlijk nog Vele Anderen.

Het boek “Kind zonder winter” heeft zijn voorgeschiedenis. Een hele reeks winterreportages ging eraan vooraf; zie ‘Winterreportages’ (in de header) of zie onder October 2025 .

ARCHIEF

Meer reportages lezen?

Wil je ingelicht worden als er nieuwe
reportages verschijnen?

Vul dan hier je e-mail-adres in:

Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De voetbalveteranen (2): de oldtimers van KFC Herenthout

Enkele van de 60-plussers van KFC Herenthout. V.l.n.r.  Jef Meulemans, Kalle (Carolus) Bierinckx, Jos Smits, Sooi Meulemans, Louis Van Looy. (Ingescande foto uit Humo: Herman Selleslags 2003)

Enkele van de 60-plussers van KFC Herenthout. V.l.n.r. Jef Meulemans, Kalle (Carolus) Bierinckx, Jos Smits, Sooi Meulemans, Louis Van Looy. (Ingescande foto uit Humo: Herman Selleslags 2003)

Lees hier deel 1 van De Voetbalveteranen

“ELKE MATCH KAN DE LAATSTE ZIJN. VOLGENDE WEEK KUNNEN WIJ DOOD ZIJN.”

Bij de veteranenploegen van de Koninklijke Belgische Voetbalbond spelen vooral dertigers en veertigers. Slechts hier en daar worden ook vijftigplussers of  bruggepensioneerden opgesteld. Zeldzaam zijn de ploegen die een zestigplusser tussen de lijnen hebben staan. En helemaal nooit gezien is de ploeg die elk weekend tot ACHT zestigplussers in het veld kan sturen. We spreken hier over een unicum in de Vlaamse en mogelijk in de Belgische voetbalsport.
De club waar dit wonder zich elke zaterdag herhaalt is het Kempense KFC Herenthout, een club in derde provinciale. Zij kunnen elke week een ploeg opstellen waarvan de gezamelijke leeftijd de 500 jaar overschrijdt. De straffe zestigers zijn Van Looy Ludovicus (65), Janssens Franciscus (65), Meulemans Josephus (65), Bierinckx Alphonse (65), Smits Josephus (64), Moreels René (62), Bierinckx Carolus (61), en Van Hoof Hendrikus (60,5). Hun hoge ouderdom is wel omgekeerd evenredig met hun lage rangschikking: vorig jaar eindigden de Veteranen-B het seizoen met nul punten.
Dat is niet waar, Jef, wij hadden één punt!

Herenthout zelf is vooral gekend vanwege Zijn Kempenzand, Zijn Carnavalstoet, Zijn Teloorgegane Diamantbewerkingsindustrie, en Zijn Zaal Lux waar ooit nog U2 en Dire Straits op het podium hebben gestaan. En nu zijn er dus ook de Onsterfelijke Veteranen met wie ik een eerste keer kennismaak op het einde van vorig voetbalseizoen.
Plaats van afspraak is etablissement ‘t Kapelleke, wijd en zijd bekend omdat de glazen er nooit leeg geraken. Ik had alleen met Fons Bierinckx en Jef Meulemans afgesproken, maar uit nieuwsgierigheid melden zich nog een hele reservebank veteranen plus wat bestuursleden waardoor ik fysiek niet in de mogelijkheid ben om àlle opmerkingen, commentaren, wedstrijdverslagen en tussenstanden te noteren. Ziehier de belangrijkste gebeurtenissen. Fons en Jef hebben als kind barrevoets gespeeld, er werd soms ook gevoetbald met een varkensblaas. Een leren bal was onbereikbaar, “iets dat ge alleen kon aanraken op zondag als ge naar een match van de eerste ploeg ging kijken, en als de bal tussen de toeschouwers vloog”.
Toen het 1947 was en ze bijna twaalf waren, mochten ze de voetbalschoenen aanbinden. De noppen onder die schoenen waren toen nog “leren bandjes rond een nageltje gewikkeld” en natuurlijk waren de shoes (die ze leenden van de club) steevast veel te groot. Veteraan René herinnert zich dat hij in de tip van zijn veel te grote shoes een klot zeep stak als opvulling. Zo had hij ook altijd propere voeten, wordt er geroepen. De bal waarmee gespeeld werd, had een veter, en wee als ge die veter raakte bij het koppen, schele hoofdpijn was uw deel!
KFC Herenthout speelde in rood en groen, en op een veld dat midden in de dennenbossen lag. Gras was iets voor de koeien, er werd gespeeld op zavel en zand, het plein had de naam “het zwaarste plein van de streek” te zijn. Het water bleef ook staan op die vlakte. Eén keer waren er zoveel plassen en slijk, dat ze het hele veld weer hebben moeten omploegen, zo kon het water toch enigszins in de grond dringen. Was het daarentegen droog weer en joeg de wind door de bossen, dan stoof het zand ook op bij de veteranen, zodat het veld algauw de bijnaam Zand Siro verwierf. We schrijven de jaren zestig. Zand en slijk werd na de match van de kuiten gespoeld met water dat uit een waterput werd geschept. En in de winter werd dat water warm gemaakt met een moor op de kachel. Niemand die kloeg, althans niemand herinnert het zich nog.
En dat ze ooit op een echt patattenveld hebben gespeeld, dat was in de buurt van Mechelen. Naast dat veld hadden in de vakantie zigeuners gekampeerd, die hadden in de backline rode en witte kolen geplant, “en die stengels stonden er nog toen wij daar moesten spelen!” Dat was in de jaren zeventig, dat komt ge nu niet meer tegen. Ge had toen ook nog ploegen waar de netten voor de vogelvangst naast de netten van het doel lagen.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Over het voorbije seizoen valt wat te zeggen. De Veteranen-B kregen week na week klop: 0-8 tegen Nijlen, O-7 tegen Pulle, 13-0 op Vorselaar, 11-0 op Broechem, en dan nog een paar keer 8-0 en 6-O. Nooit brandde een rode lantaarn harder dan hier in Herenthout. In alle matchen hebben ze hoop en al tien goals gemaakt. Het dichtste bij de overwinning kwamen ze met een 6-2, een 3-1, en een 2-1. En toch hebben we één punt gehaald, wordt er ineens raadselachtig gezegd. Het wordt voor de eerste keer stil aan de tafel, of gij dat allemaal gaat opschrijven wat daar toen gebeurd is? Dat er een ploeg geen tijd had om te komen spelen, het was einde seizoen, en dat ze in plaats van forfait en 5-0 te geven, overeen zijn gekomen om een feuille te sturen naar De Bond met als uitslag een gelijkspel. De wedstrijd is dus nooit gespeeld, maar op papier HEBBEN WIJ EEN PUNT! Waarmee ze nog altijd tien punten achter de voorlaatste eindigden.
De 65-plussers Fons en Jef zijn gelukkig altijd van zware blessures gevrijwaard gebleven, anders hadden ze het nooit zolang volgehouden. Fons heeft wel een lelijke tijd meegemaakt in ’99, darmkanker, dat is niet om mee te lachen, maar hij is het toch doorgekomen. Jef denkt dat zij hun lang voetballeven te danken hebben aan de training van elke week. Of het nu zomervakantie of winterstop is, alle tweeënvijftig woensdagen van het jaar zijn de veteranen (A én B) zo goed als voltallig op de training. Dààr worden de spieren losgegooid die het zestig jaar kunnen volhouden! Na de training volgt “de zwaarste oefening”, het kruisjassen, het moppen vertellen en het pinten drinken in de kantine. Maar dat we mekaar niet verkeerd mogen verstaan, het belangrijkste blijft de wedstrijd. Wij doen altijd ons best, wij willen elke keer winnen. En als wij verliezen, dan vinden wij dat erg, op ons zestig jaar kunnen wij nog altijd niet tegen ons verlies! Neem Ludovicus van Looy, 65 jaar en beter gekend als De Witte, dat is den hevigste. Als die op het plein staat, die is er met geen stokken af te krijgen. Moest die topvoetbal spelen en moesten ze hem zo’n bordje met lampekes laten zien dat hij eraf moest, hij stampte dat bordje kapot! Ziet ge, en dat is Herenthout. Wij leggen nooit onze kop.

Een seizoen van 25 matchen en niet één keer winnen.

Andere ploegen zouden het allang opgegeven hebben, een seizoen van vijfentwintig matchen spelen en nooit eens winnen, maar "wij hebben een grote kern, elke match volk teveel, elke match moeten wij volk weigeren! Omdat wij voor het plezier spelen." En voor de kameraadschap. En voor de gezelligheid achteraf.
En och, de supporters van de tegenpartij mogen met hen lachen, "als wij op onze rug vallen en blijven liggen, dan roepen ze: gelieve de schildpad terug recht te zetten, maar dat kan ons niet schelen! Of dat andere ploegen competitie houden, om ter meest goals scoren tegen Herenthout, vorige week 12-0, dan moet het deze week 13-0 zijn, ook dat kan ons niet schelen!"
"Wij hebben onze eigen overwinningen. Als we al eens een vriendenmatch mogen spelen in Poperinge of Visé, dat is 160 km van hier, dan zeggen wij dat we het ver gebracht hebben. Of neem een match waar het bij de rust 5-0 staat en die we met 6-1 verliezen, dan zeggen wij: we hebben in de tweede helft gelijk gespeeld! En dan drinken we d’r eentje op dat gelijkspel.
Neem de match tegen Bouwel, drie jaar geleden. Dat ging erom wie laatste of voorlaatste zou zijn, wel, wij hebben gewonnen, en dat we niet de laatste waren, dat hebben we gevierd!"
"En hoe langer wij op café zitten, hoe beter wij worden. Dan hebben we die dag met 10-1 verloren, maar om halftwaalf ’s nachts staat het vast: het had gerust andersom kunnen zijn! En als de tegenstrever tegen wie we de volgende week moeten spelen, ons dàn zou kunnen zien en horen, jongen, die zou ongerust zijn, die deed in zijn broek van de schrik. Zoveel moed hebben wij dan. Dat is het verschil met andere ploegen: bij ons is de match nooit gedaan zelfs wanneer ze gedaan is."Er moet verteld en gedronken worden en de drankgelegenheden  van het dorp moeten redelijkerwijs bezocht worden. En dan zeker de café’s De Kroon, De Titanic, Zaal Lux, De Veurleste, en ’t Molenhuis, want die sponsoren de veteranen, onder andere met matchballen en sportzakken.
"Wij doen ook elk jaar een teerfeest, dat is twee weken voor Pasen, en dan worden alle nog spelende zestigers gevierd, die krijgen dan een fles of een paasei. De Fons is dit jaar nog gevierd, voor 55 jaar actief spelerschap. En de Fons gaat nog niet stoppen, zijt daar maar zeker van. Iedereen die bij ons is, wil blijven spelen. Stoppen doet niemand, of ge moest bij de gestorvenen zijn. Zoals Jules en Leon, die waren 53, die speelden nog mee, maar die zijn gestorven. En toen zijn we met de vlag naar de lijkdienst gegaan."
Fons is één keer bijna dood geweest, zegt hij. Dat was in de oorlog in ’43 of ‘44. Hij had een gevechtspiloot uit zijn vliegtuig zien springen met een parachute en Fons was met de paraplu van zijn moeder uit een beukenboom gesprongen, wel tien-twaalf meter naar beneden. Zijn twee billen gebroken, elf dagen in de kliniek.
Nu hij toch aan het vertellen is, kan hij die story vertellen van de gaine van zijn vrouw. Hij had een keer een liesbreuk, en om die breuk op zijn plaats te houden bij het voetballen, had hij de gaine van zijn vrouw aangedaan. Dat was in ’74. Het was een vleeskleurig korset, weet Jef ineens, hij heeft hem afgehuurd van de Fons en nog jàren gedragen tijdens de match. Niet omdat hij ook een liesbreuk had, nee, dat was een preventieve dracht om niet aan zijn lies gekwetst te worden. En dat het kanten boordje van die gaine onder de zoom van zijn voetbalbroek te zien was, de French Cancan van Herenthout.
En zo gaat de avond om in lachen en vertellen, en dan schudden we de handen, de afspraak is zeven september, dan is het de eerste match van het nieuwe seizoen, ziet dat ge d'r zijt!

Een oefenmatch op het slecht gefreesde oefenveld : “Dat is hier precies de Sahara.” (Ingescande foto: Herman Selleslags 2003)

Een oefenmatch op het slecht gefreesde oefenveld : “Dat is hier precies de Sahara.” (Ingescande foto: Herman Selleslags 2003)

Drie maanden later is het zover, maar ik kan de eerste match niet bijwonen, en dus kom ik enkele dagen eerder om één van hun befaamde trainingen te zien. Het terrein van de club draagt nog van die  ouwe betonplaten waarop tal van lokale adverteerders staan gekonterfeit. Rik Van Looy is er ook bij, maar het is niet de wereldberoemde coureur, het is Uw Man Voor Alle Dakwerken (Keulemansstraat 21 Herenthout).
De spelers komen op hun gemakje uit de kleedkamer, maar houden allemaal hun pas in als ze het oefenveld zien. Wie heeft die zandbak aangelegd? Dat is hier de Sahara begot! Het hoofdveld is nog intact en groen als een biljart. Maar het oefenveld is alle groen kwijt. Tussen het zand zwerven nog wat losgewoelde plukken gras, elke voorzet, elk schot gaat gepaard met een stofwolk die veel tijd nodig heeft om weer de grond te raken. Blijkt dat de grasmat wat te brutaal gefreesd is en dat al het gras op losse wortels is komen te staan.
Ik informeer naar het oefenprogramma, maar er is geen oefenprogramma. De training is zoals elke woensdagavond een matchke tussen de (jongere) Veteranen A en de (oudere) Veteranen B. Warming up is niet nodig, wie de spieren warm wil krijgen, sjokt een paar keer het veld op en af, of legt zijn been op de balustrade voor een stretchoefening.   
De match begint, en het stof wolkt nu op alsof er een rallykaravaan door het veld trekt. Er wordt gehoest, gespuwd en gerocheld, bij sommige duels is de bal zelfs aan het oog onttrokken. De freesmachine heeft ook allerlei keien naar boven gewoeld, geregeld stopt een speler om een steen te rapen en weg te keilen. Er wordt op het ijzer van de lichtmasten gemikt.
Veteranenvoorzitter Eddy Horemans wordt gewaar dat het nieuwe seizoen gaat beginnen; over gretigheid zal hij niet spreken, het heet hier “dat de goesting groot is” en “dat de mannen heviger zijn dan anders”. Ook een meevaller is dat de sponsor voor nieuwe tenukes heeft gezorgd, daar worden zaterdag foto’s van genomen door Stafke Palmans, lid van de plaatselijke fotoclub. Eddy toont met trots de nieuwe truitjes en legt uit dat het niet zo evident is om een shirtsponsor te vinden voor een Veteranen-B-ploeg. Ze mogen blij zijn dat zij de Gebroeders Gabriëls hebben. Bouwondernemers "hier uit Herenthout", ze sponsoren de ploeg al zeker tien jaar en als ik goed kijk, kan ik van hier hun huis zien staan. 
Ik vraag of alle zestigplussers van vorig seizoen nog paraat zijn, en daarmee raak ik een moeilijk punt. Louis Van Looy (66) en Joske Smits (64) hebben nog altijd hun lidgeld niet betaald, “het zou dus kunnen dat een paar ouwe mannen nog gaan afvallen”. Persoonlijk vindt hij dat er teveel ouwe spelers komen opdagen, hij kan ze onmogelijk allemaal opstellen: “Sommigen zijn ook niet meer zo rap, die worden door jongere tegenstrevers als doemp voorbijgelopen.
Het loopt naar halfacht, de scholieren die na de veteranen trainen, arriveren met sluikhaar, hoofdbandjes, en shirtjes van Keane, Batistuta, Figo en Beckham. Eén van hen is te lui om een bal te gaan halen die op straat is gevlogen. De terreinverzorger is kordaat, geen bandietenstreken! Gij gaat dien bal halen of ik stamp in uwe schijter!
Het Herenthouts is een taal zonder afrastering.

In de kantine mag ieder zelf zijn drank tappen of uit de koeltoog halen, en voorzitter Eddy deelt de kalender van het nieuwe seizoen uit samen met het verslag van de laatste algemene vergadering. (De voorzitter heet iedereen welkom en opent de vergadering met een tournée générale van de kas.) Verder lees ik dat Jef Meulemans in de toekomst “naar de bakker zal rijden voor brood en beleg bij de thuiswedstrijden”. Hét belangrijkste nieuws is dat de voorzitter voorgesteld heeft om de zestigplussers “de helft van hun lidgeld terug te betalen als dank voor hun bewezen voetbaldiensten en als compensatie voor het feit dat ze regelmatig naast de ploeg zullen vallen tijdens de komende competitie”. Ik krijg van overal  elleboogstoten over die passage: “We krijgen duizend frank terug maar in feite moeten ze ons niet meer hebben! De voorzitter wil verjongen, zegt hij! Ja, met gasten die bij andere ploegen niet meer aan de bak komen, die wil hij hier opstellen. Zeg nu zelf, wij zijn vijftig jaar aangesloten bij de club, wij hebben altijd het beste van onszelf gegeven en nu moeten wij plaats maken voor vreemden, dat is toch schandalig! “
De avond duurt nog lang. De gemoederen blijven verhit. Het licht in de kantine zal niet gauw doven.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Tegelijk met de veteranen van Herenthout volg ik ook de veteranen van KFC Putte waar de 72-jarige Frans De Roovere speelt (zie deel 1). Ook in Putte is het nieuwe seizoen begonnen, en goed nieuws, er  hebben zich nieuwe spelers gemeld, de kern zal dit jaar uit 16 veteranen bestaan. Dat zegt trainer-voorzitter Monneke Dox die blij is dat ik dit jaar “ook op post ben” om zijn ploeg te volgen. Alleen spijtig dat Coiske er niet meer is. Coiske was de topscorer met negen doelpunten, maar hij ontbreekt vanwege “familiale problemen van echtelijke aard”.
FC Putte speelt deze zaterdagnamiddag tegen Schriek (Wasserij Sint-Jan) en Monneke wijst op hun nummer zeven die hij graag in zijn ploeg had gehad. Het is een Rus, Poprevitsj of zoiets, "de mens woont bij ons in Putte, maar Schriek was rapper om hem aan te trekken."
De match begint en niet veel later zet Dirk de 1-0 op het bord met een lob-kopbal, of zoals Monneke het uitdrukt: goed gekopt, zachtekes gekopt, schonekes over de keeper zijn handen.
Frans De Roovere (72) is twaalfde man en leunt op de buis van de balustrade. Voor een ondernemer zijn het echte werkmanshanden, met kloven in de nagels en schrammen in het vlees. Frans heeft zijn machinebouwbedrijf al enkele jaren overgedragen aan zijn kinderen, maar hij steekt nog geregeld een hand toe, “ik heb hier en daar artrose, maar ik kan nog altijd honderd kilo heffen als het moet”. En dat hij nu al veertig jaar bij de veteranen speelt, zonder één jaar onderbreking, "ge komt vooral voor de vriendschap en de kameraadschap."
Tijdens de rust neemt Herman Selleslags foto’s van de hele ploeg. Bij de tegenstrever valt de mond open, den Umo? Voor die krotters van Put? Ze hadden het niet mogen zeggen, Eric maakt 2-0 met een kopbal. Het sein voor Schriek om zijn gevreesde nummer 14 nog meer in de ruimte te sturen. Bij Putte kennen ze zijn vaardig spel, het is ne kletskop, dus zijn haar hangt niet in zijn ogen, dat helpt altijd bij ‘t sjotten!
Keeper René redt een bal op de lijn en ranselt een bal uit de voeten, maar moet zich dan toch gewonnen geven. Nummer 14 scoort de 2-1 én de 2-2. Dat laatste doelpunt wordt aangevochten, allez arbiter, nie zeveren hé, hij trekt mij gewoon tegen de grond!
De wedstrijd loopt op het scherp van het mes, Monneke durft Frans er niet inbrengen, maar ineens komt Dirk eraan gelopen, ik zijn toch nog gekomen! Dirk is wielertoerist, is in Limburg efkes 170 kilometer gaan rijden tegen een gemiddelde van 32,5 per uur, en dan is hij naar hier gevlogen om te zien of hij nog reserve kon zijn. Monneke stuurt hem in het veld, we zitten in de laatste minuten, en dan laat de nummer 14 zich vallen in de de zestienmeter. Over de voeten van de pas ingekomen Dirk. De arbiter wijst naar de stip, Dirk steekt zijn handen in de lucht, ik heb ‘m begot niet aangeraakt. Ik ga toch geen 170 kilometer met de velo rijden om hier nog ne penalty weg te geven, maar het blijft wel penalty natuurlijk. Alle ogen zijn nu op Renéke gericht, als hij een wonderbaarlijke redding kan verrichten, blijft het 2-2. Het schot vertrekt, René duikt in de goeie hoek en bokst de bal naast de paal. De procedure tot zaligverklaring wordt ingezet, de felicitaties regenen op zijn schouder, ook bloot onder de douche, staan ze nog op zijn rug te kloppen, goe gedaan Reneeke! En ge ziet nu wel dat we niet altijd op uw kap zitten!
In de kleedkamer zijn ze het er allemaal over eens: als ge de René aanmoedigt, kan ‘m alles, als ge ‘m afbreekt, kan ‘m niks! En dat het wat zal geven als René straks aan de toog staat. Ge moogt gerust zijn, om vier uur vannacht, wat zeg ik, binnen twee maanden is ‘m die penalty nog altijd aan het pakken!!

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Zes kilometer verder zijn de oldtimers van Herenthout een uitwedstrijd gaan spelen op Hèst, wat door stadsmensen Heist-op-den-Berg wordt genoemd. Omdat ik op de wedstrijd in Putte was, is hun match voorbij als ik in de plaatselijke kantine kom. Een storm van rumoer steekt op. Proficiat, Janneman, dat ge erin geslaagd zijt om dit te missen! Want wij hebben hier een reuze match gespeeld! We zijn mààr met 4-2 verloren! En de Jef hier heeft een wereldgoal gemaakt, van bij de backline een volley -pats- in de winkelhaak! Dat ge d’r nu niet waart! Hoe is dat nu mogelijk!
Nog meer geraas als ik zeg dat ik in Putte was, bij de concurrentie nog wel! Dat moest er nog bijkomen!
Jefke (66) geeft me een hand en grijnst dat hij nu de mede-topschutter van de ploeg is met dat éne doelpunt. De anderen zijn er zeker van dat hij de oudste topschutter van België is, dertig jaar ouder dan Patrick Goots!
En dat ik niet mag vergeten dat ze vorige week met 7-1 op hun dak hebben gehad, en ook niet dat Heist een sterke ploeg is met veel jongere spelers. Voorzitter Eddy haalt op luid en algemeen verzoek de feuille van de arbiter boven. Bij Heist spelen allemaal dertigers, de oudste is amper 45. Bij Herenthout stonden vandaag  onder andere vier vijftigers, en vijf 62-plussers op het blad. Totale leeftijd  568 jaar, nu gij weer!
“Kalle” Bierinckx (62) komt met een volle plateau pinten en frisdranken naar de lange tafel, goe gespeeld, Kalle, goe gespeeld, jong! En zoals na elke wedstrijd geven de veteranen van Herenthout zich nu ook weer over aan het kaartspel, kingen en kruisjassen. De kaarten worden hard op tafel gesmeten, hier! en hier! en deze dan! Drie dagen later woon ik opnieuw een training van Herenthout bij. Op hetzelfde ogenblik dat de ploegen van Barcelona en Brugge in het schitterende Nou Camp aantreden, arriveren de veteranen met fiets en auto op hun zeer bescheiden sjotplein. Het zand ligt er nog even stoffig bij als vorige keer waardoor Lucske al direct moet denken aan de uitstap van vorige zondag, toen zijn ze met vier koppels naar Hollandse Hoge Veluwe geweest, “als ge van zand spreekt, daar was zand, duinen zover ge kondt zien”, en ze hadden een foto getrokken met een fles Bru en “wij met z’n achten die naar die fles kropen, precies gelijk in de woestijn.”
Trainer-voorzitter Eddy is nog steeds in de wolken over de nederlaag van vorige zondag, “we mogen met 4-2 verloren zijn, maar zoals we daar gespeeld hebben, dat was een unicum, dat was ongelooflijk. Bij de rust was het 3-0, normaal krijgen we dan een pandoering van 7-0 of 8-0, maar nu hebben we toch stand kunnen houden.“
Helemaal in de traditie van Herenthout, zegt Fons Bierinckx (alias "Fokke Piet" (65) dat ze de tweede helft met 1-2 gewonnen hebben, en dat de wereldgoal van Jefke nog altijd nazindert in de café’s, “ze noemen ‘m al Jefke Van Basten!“
Op het veld kan ik amper een onderscheid maken tussen de veertigers en de zestigers, ze lopen allemaal even hard om de bal binnen de lijnen te houden en ze vloeken ook even hard als ze een halve meter tekort komen. Volgens Fokke trainen de 60-plussers zelfs harder dan de jonge gasten van veertig, “die ouwe mannen weten dat elke training hun laatste training kan zijn, volgende week kunnen ze dood zijn.” Hij zegt het maar half om te lachen.
En of ik gezien heb dat Sooike Meulemans op het oefenterrein is? Sooi is geen betalend lid meer, maar komt voor zijn plezier nog elke woensdag “in de goal staan”. Hij is er 67.
En het mag dan een oefenmatch zijn van de veteranen in een dorp dat in kleine letters op de Michelinkaart staat, als Sooi een bal tegen de touwen krijgt, schudt hij evenzeer het hoofd en zet hij even lang zijn handen in z’n zij als Danny Verlinden van Club Brugge.

De 57-jarige Carolus Torfs (“gij ziet toch aan mijn gezicht dat ze mij Sjarel noemen”), komt trekkebenend bij de balustrade staan. Hij is het “oorlogsslachtoffer” van de match op Heist-op-den-Berg. Zaterdag heeft hij “een verkeerde beweging” gemaakt, en op maandag was zijn knie zo dik dat de dokter een halve zjat bloed heeft afgetapt. Een “zjat” is een Kempense inhoudsmaat waarmee een grote kop koffie wordt aangeduid. Dat bloed is hij nu kwijt, maar zijn knie is nog altijd dik en morgen moet hij platen laten nemen.  Hij zegt dat het dit jaar gedaan is met voetballen, zijn shoes liggen al in de vuilbak.  
Moogt ge nooit doen, zegt Fokke, ge moogt nooit opgeven. Hij had zijn shoes ook tegen de muur gehangen toen hij in ’99 darmkanker kreeg, hij had er zelfs “al gedroogde bloemekes in gezet”, en hij heeft ze dit jaar toch weer van de muur gehaald.
In de kantine waar vorige keer nogal wat onrust heerste omtrent de geplande “verjonging” van voorzitter Eddy, blijkt alles letterlijk weer bij het oude. De twee verloren zonen Louis (66) en Joske (64) hebben toch hun lidgeld betaald en de ploeg zestigplussers van vorig seizoen is dus opnieuw compleet. Alleen René (62) moet noodgedwongen forfait geven. Hij is vorige winter op een besneeuwd veld onderuit geschoven en heeft een gescheurde spier in het bovenbeen, nog een chance dat het mijn genotsspier niet was!
Jef heeft “uit eigen hof” een dikke rammenas meegebracht, een ferme wortel waarvan hij voor iedereen schijfjes snijdt. Er worden pinten en moppen getapt en uit één van de veteranenjassen klinkt gerinkel van een gsm, dat zal het rusthuis zijn, ik zal vragen of ik nog een half uurke mag blijven.    

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Zaterdag staat een toptreffen op de kalender: FC Herenthout speelt thuis tegen FC Putte. Hét FC Putte mét de 72-jarige Frans De Roovere. Dat wordt de Kamp der Knarren, the Battle of the Bompa’s. Ik vraag Eddy wat zijn pronostiek is: wij gaan verliezen hè!
Achter de kantine klimt de volle maan.
In de verte blaft een underdog.

EPILOOG april 2020
In 2015 is Jef Meulemans van KFC Herenthout door de KBVB officieel uitgeroepen tot oudste actieve speler van België. Hij was toen 78. Intussen “sjot” hij niet meer, zegt Jef aan de telefoon: "Ik ben gestopt met wedstrijden op mijn 80ste. Het werd te gevaarlijk, dat risico om iets te breken". De veteranen van Herenthout bengelen dit seizoen weer in de lage regionen "omdat ze vaak niet voltallig zijn en dus geregeld forfait moeten geven". Jef doet nog wel mee met de wekelijkse trainingen “om fit te blijven, dat moet als ge 83 zijt!"                  

Foto: De Nieuwe Schakel Herenthout (blogspot)

Foto: De Nieuwe Schakel Herenthout (blogspot)

DEEL 3 DE SPRONG VAN DE ZWARTE PANTER IN WAANRODE

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De voetbalveteranen (1) : de éminence grise van KFC Putte

Door het coronavirus zijn alle amateurwedstrijden afgelast. Dus ook elftallen van veteranen zien een abrupt einde aan hun seizoen.
Terwijl die veteranen nu net de meest toegewijde, de meest hartstochtelijke voetballers zijn.
Dat was alvast mijn ervaring toen ik de oudste voetballers van onze Vlaamse velden ging zoeken.
ik heb hun voetballend vermogen van dichtbij gevolgd en hier zijn ze: de niet-versagende zestigers en een 72-jarige topveteraan.
De drie reportages verschenen in Humo (oktober 2003)

©Jan Hertoghs

Frans (72): “Om de pijn van die blessure niet te voelen, stak ik een netel in mijn kous.”

Frans De Roovere van KFC Putte  is 72 en voetbalt al zestig jaar. (Ingescande foto uit Humo/ Herman Selleslags 2003)

Frans De Roovere van KFC Putte is 72 en voetbalt al zestig jaar. (Ingescande foto uit Humo/ Herman Selleslags 2003)

Het was een queeste, dat opzoeken van de oudste veteraan die nù nog in een competitie van de Koninklijke Belgische Voetbalbond speelt. De KBVB wilde wel in zijn ledenlijsten laten kijken, maar zat met een administratief probleem: hun databestand kon wel alle zestigplussers geven, maar kon niet zeggen of ze nog wedstrijden speelden; het konden evengoed bestuursleden of terreinverzorgers zijn. Dus als ik die ouwe cracken daadwerkelijk wilde vinden, dan restte mij maar één alternatief: bij elk Provinciaal Comité ter plaatse gaan en de officiële wedstrijdverslagen van de Reserven-Veteranen opvragen. Op die feuilles noteren de scheidsrechters per wedstrijd alle namen van de deelnemende spelers mét hun geboortedatum.
Ik heb de vijf Vlaamse KBVB-zetels bezocht, ik heb stapels classeurs onder handen gehad, en ik heb duizenden dunne feuilles aan hun ijzeren ringen omgeslagen. Elk dorp, elk gehucht, elke achterhoek met een plein van kalk en gras heb ik voor ogen gehad. KFC Broechem, Rapid Leest, Immer Voort Voortkapel, AC Kolderbos, Eendracht Gerhees, VK Onkerzele, Verbroedering Boonwijk-Lutterzele, het zijn namen die weinig zeggen en toch heb ik er vaak bij stil gestaan. Bij al die spelers die zijn aangetreden op al die velden, al die resultaten die betwist zijn in al die matchen, die hele naamloze processie van zater- en zondagen, al die namiddagen die in zweet en lege bierglazen zijn opgegaan.
Zodoende vond ik dan De Zestigers. Tussen alle gekribbel met bic zag ik geboortedata van voor 1942, en dan noteerde ik hun bijna vooroorlogse naam. Daarbij bleek dat het jonge Limburg geen enkele speler heeft ouder dan 58, en dat Antwerpen de oudste voetbalprovincie is met meer dan twintig zestigplussers. 

De titel van oudste crack komt toe aan Frans De Roovere, hij is tweeënzeventig en aangesloten bij de veteranen van tweedeprovincialer KFC Putte. Putte ligt boven de veiling van Sint-Katelijne-Waver, het is er goede grond, ze kweken er taaie sportmannen. Frans mogen we met recht en reden een mens van voor de oorlog noemen, hij werd geboren in maart 1930, in hetzelfde jaar als koning Boudewijn. Het Albertkanaal moest nog zijn eerste spadesteek krijgen, de eerste spoorlijn moest nog geëlektrificeerd worden, kortom, België stond nog in de kinderschoenen, en die boreling van toen speelt nog altijd competitievoetbal. Het is een prestatie.
De eerste KFC-Putte-supporter aan wie ik de weg naar de kleedkamers vraag, kent Franske natuurlijk. Nen brave mens, van hem zult ge nooit een kwaad woord horen over de tegenstrever, de arbiter of de eigen spelers! En ook ne bekwame mens, hij heeft een eigen bedrijf gehad, en hij vertelt de beste moppen van heel Putte! Als hij ze tapt aan de toog van de kantine, vechten de vrouwen om ter dichtst bij hem te kunnen zitten!
Ik maak kennis met Frans, hij is het type van de Engelse gentleman-voetballer, rechte rug, witte haren, beleefde handdruk. Ik zeg dat hij de oudste voetballer van Vlaanderen is, hij knikt dat hij het wel ergens gepeinsd had, en ook dat hij liever de jongste zou zijn, dan had hij nog zijn hele leven voor de boeg.
Een bestuurslid komt zeggen dat de arbiter nog altijd niet terug is van zijn werk, en dus zal Franske –als “wijze oude man” - de match moeten fluiten tussen zijn eigen ploeg en die van Hallaar. Dat vindt hij nu erg, zie, dat hij niet mag meespelen juist nu den televies van Humo d’r is! Hij trekt het neutrale pak aan en zegt dat het wel eens menens kan worden, zowel Putte als Hallaar staan bij de laatsten gerangschikt, dat wordt een harde cupmatch om niet als rode lantaarn te eindigen! Het veld zelf is in elk geval ook bikkelhard door de droogte van de laatste weken, de noppen doen toktoktok als de spelers op het plein komen.
Putte speelt in blauw-gele truitjes met opdruk De Fruitkorf Putte. Hallaar speelt in geel-zwart en hun sponsor is Café De Nieuwe Wip Bij Lucienne & Kevin. Daar zijn al grappen over gemaakt.
Veel volk is er niet, hooguit tien toeschouwers, en dus roepen de spelers maar zelf. Laten gaan die bal! Opschuiven, mannen! Komaan hé! Spelen hé! Den bal afgeven! Bij die man blijven! Zien hé! Zien voor ge sjot! Hoeveel keren zou ik die commando’s al gehoord hebben rond een voetbalveld zonder dat er ook maar iets aan het spelbeeld wijzigt.
Hallaar komt op voorsprong, Putte maakt gelijk, 1-1, komaan Put! De thuissupporters hebben bij Hallaar een onnozelaar ontdekt, een komediant die bij elke fout lang blijft liggen. De acteur en veinzer hoort die supporters natuurlijk, beide zijn slechts door een krijtlijn van mekaar gescheiden, en dus richt de geviseerde speler zich algauw tot de supporters: of hij soms moet komen helpen? Het antwoord is: zwijgt prutser, en sjot voort! En dat hij een stommerik is en niet eens tot twee kan tellen. Dat bekvechten gaat door tot er altijd weer die éne supporter is die de rest gaat bedaren, komaan hé jongens! sportief blijven hé! denkt aan de fair play! Daar wordt schamper op gereageerd. Sportief zijn? Waarom? Omdat voetbal een feest is, zeker?! Een communiefeest ofwatte?!  

Frans De Roovere (72) moet soms ook als arbiter het veld op: “Ik hoorde juist dat een speler van de tegenpartij een kopstoot wil uitdelen na de rust.” (Ingescande foto: Herman Selleslags 2003)

Frans De Roovere (72) moet soms ook als arbiter het veld op: “Ik hoorde juist dat een speler van de tegenpartij een kopstoot wil uitdelen na de rust.” (Ingescande foto: Herman Selleslags 2003)

De “gemiste” strafschop
Het is rust. De veteranen en een een ander veld met juniores  verdwijnen in de kleedkamer. Eén junior roept naar de poetsvrouw: Marieke, hedde gij mijn pietje al eens gezien?! Marieke haalt de schouders op, "ze wist dat ze dat weeral gingen roepen”. Frans vertelt intussen dat hij zes kinderen heeft waaronder één tweeling, en dat dat bijzonder was, zo’n twee identieke kinderen, ik gaf den ene een klets en die andere voelde dat ook!
Vanuit zijn positie van arbiter peinst hij dat de tweede helft wel eens woelig kan worden. Die numero tien van Hallaar, die gast met zijn dikke snor, dat is ne kwaaie, ze hebben hem in de kantine horen zeggen dat hij onze numero vijftien subiet ne kopstoot gaat geven! De match begint met twee overtredingen tegen Putte, maar Frans fluit ze niet. Franske is te braaf om zo’n vetzakken hard aan te pakken, zeggen de thuissupporters, en ze roepen dan maar om persoonlijke revanche, stampt ‘m tegen zijn poten!
Dat het spel hard wordt, komt ook door het gebrek aan conditie, sommige spelers komen adem tekort, zinken na een vergeefse inspanning al eens gefrustreerd op de knieën, of trappen nog naar een bal waarmee een speler al meters aan de haal is, godverdoeme! De stand in de hoekschoppen is 8-6, de stand in de godverdoemes: 27 - 25. 
Dan zijn we in de allerlaatste minuut als Frans een penalty fluit in het voordeel van Putte. Eén minuut eerder had hij al strafschop kunnen fluiten én rood kunnen geven voor een veel grovere fout van Hallaar, deze strafschop is duidelijk een compensatie. Het veld staat tot in zijn graswortels overhoop, alle tweeëntwintig spelers staan in het strafschopgebied, Frans heeft de bal onder zijn arm, maar geraakt niet in de grote rechthoek, keer op keer wordt hij weggeduwd. Als hij zijn rug draait naar de tierende spelers, lopen ze rond hem, elke keer opnieuw die rooie gezichten tegen zijn neus, durft ‘m te leggen en gij ligt er ook! Daar komen vodden van, wordt er langs de lijn gezegd. Het tumult is nog niet bedaard als de bal ineens toch op de stip ligt en Eddy de strafschop neemt. De kapitein van Putte neemt geen aanloop en trapt de bal gewoon…in de handen van de doelman! Franske fluit gelijk af, ergens kraakt een donderslag bij heldere hemel, en de supporters zijn in alle staten, Ne penantie! Hij had ‘m er maar in te leggen! En hij geeft ‘m in de poten van die keeper! Nooit meegemaakt! Nooit!
Frans loopt alleen het veld af, zijn eigen maats lopen voor hem uit en kijken niet om. Als hij op de stoel zit in het kleine scheidsrechterkamertje, vraag ik of hij schrik had dat het op een vechten zou uitdraaien. Ikke? Schrik? Geen denken aan! In Antwerpen kreeg hij eens vijf dokwerkers tegen, zijn maat was gaan lopen, maar hij was blijven staan, en hij had daardoor flink op zijn kloten gehad, maar op uw kloten krijgen is ook vechten.
In de kleedkamer van Putte hangt zuur zweet en allesbehalve berusting bij deze einduitslag. Een speler stapt naar trainer-voorzitter Monneke Dox en zegt dat het gedaan is, dat hij nooit meer komt spelen, zo’ne belachelijke kul, mij ziede nie meer! Monneke krimpt ineen en hij is al niet groot van stuk. Zijn zoon Eddy haalt de schouders op, och, bij de veteranen is ‘t altijd rap ambras. Eddy moest zijn verantwoordelijkheid nemen, zegt hij: “ Ik heb tegen die keeper van Hallaar gezegd, hou op met uwen ambras, ik zal de bal in uw handen trappen.” Ik kijk hem ongelovig aan. Hij neemt me bij de arm: "Jongen, ik kon niet anders! Als ik ‘m erin sjot, en die van Hallaar verliezen, dan gaan ze direct naar huis, dan ziet ge die mannen en hun supporters niet meer in de kantine.”
Het was dus winnen of de kantine, en het is de kantine geworden. Ik moet nog veel leren.

De veteranen van KFC Putte, met rechts keeper René: “Ik kan punten én pinten pàkken!” (Ingescande foto: Herman Selleslags 2003)

De veteranen van KFC Putte, met rechts keeper René: “Ik kan punten én pinten pàkken!” (Ingescande foto: Herman Selleslags 2003)

Nagels en netels
Korte tijd later, dient zich “een topmatch” aan. Volgens Frans wordt er zelfs om de titel gespeeld. Met name gaat het erom wie laatste of voorlaatste gaat eindigen, en om de voorlaatste plaats veilig te stellen moet er vandaag gewonnen worden op het veld van KFC Itegem. Franske heeft er geen goed oog in, hij is deze week naar de training geweest, en daar is slechts twee man van de ploeg komen opdagen, “metaalmoeheid tegen het einde van het seizoen”.
Dat de kantine van Itegem de veelzeggende naam Bij de Krabber draagt, zou op het spelniveau van de tegenstrever kunnen wijzen, maar trainer-voorzitter Monneke is bang dat zijn spelers die van Itegem “gaan onderschatten” en dus richt hij zich vermanend tot de ploeg: “Mannen, we spelen hier de belangrijkste wedstrijd van het seizoen, en ik zou u maar één ding willen vragen: doe allemaal uw uiterste best om hier in Itegem een goeie uitslag te behalen.”
Voor hij zijn handschoenen aantrekt, pist keeper René nog eens in het gras achter de goal. Het is het enige water dat er te zien is, de wind blaast al dagen koud en droog uit het oosten, bij elke pass en elk schot waait er stof op van de grond.
Om uit de wind te zitten kruip ik mee in de betonnen dug-out, daar zitten al twee spelersvrouwen van Itegem. Ze hebben het over de bereiding van stoofvlees als ge twintig man over de vloer krijgt. Eén van de kinderen komt klagen “dat dat ander kindje niks van sjotten kent”. Hij moét dat kindje toch laten meespelen, zegt de mama, en als ge nog éne keer komt zagen, dan steekt de mama uwen bal kapot! Het zijn dreigementen die ook in Itegem nooit worden uitgevoerd, maar de kinderen gaan toch tien meter verderop ruzie maken.
Frans zit mee in de dug-out. Ik kijk naar zijn ouwe Adidas-schoenen, de drie witte strepen zijn gebarsten, op één buitenwreef is het leer over vijf centimeter los van de zool, de gele kous zit erdoor. Het is de uitrusting van een man die in een spaarzame tijd is geboren. Frans heeft het niet gemakkelijk gehad in zijn leven. Tijdens de oorlog maar moeilijk kunnen studeren, na de oorlog met avondschool het diploma van technisch ingenieur behaald en mits hard werken heeft hij van Aluro een goed bedrijf gemaakt, ze zitten in de machinebouw en ze doen vanuit Heist-op-den-Berg zaken tot ver in Europa. Hij vertelt het bescheiden en alleen maar omdat ik ernaar vraag. Ik zeg dat hij mogelijk de enige Belgische ondernemer is die voetbal speelt, en dan nog op z’n tweeënzeventigste. Hij zegt dat het zijn enige hobby is, “een mens moet iéts doen”, en dat het goed is tegen de stress. Dat hij al zestig jaar kan blijven voetballen, is volgens hem te danken aan het feit dat hij nooit een ernstige blessure heeft gehad. Ja, in een Hollands tornooi kreeg hij eens een stamp op zijn achillespees. Hij heeft toen een dikke netel in zijn kous gestopt, dat gloeide, en daarna heeft hij niks meer van de pijn gevoeld. Sindsdien is de netel “een beschermde plant in Holland”. Een andere keer is er een zware poutrel op zijn tenen gevallen, zijn grote nagel werd donkerblauw van het bloed dat niet weg kon, en toen heeft hij roefel met het boormachien een gat in zijn nagel geboord. Dan kon het bloed eruit en kon hij de zondag daarop spelen. Zoiets noemen ze in Putte een ijzeren gezondheid.

Die verdediging is zwak - precies patatfrut!

Coiske, de topschutter van Putte met acht doelpunten, scoort tegen Itegem zijn negende, het staat nul tegen één. Vijf minuten later laat keeper René echter een flutschot door zijn handen én door zijn benen rollen, 1-1, en vanop het veld gebaren ze naar mij dat ik die flater zéker moet opschrijven. René - Neekes voor de maskes- is de keeper die zelf vaak herhaalt dat ze bij Putte blij mogen zijn dat ze hem in de ploeg hebbenr, hij heeft vroeger nog voor het befaamde Lyra gekeept, in derde afdeling astemblieft! Nu kruipt René echter in het stof van schaamte; zelfs vanop vijftig meter zijn z’n rode kaken te zien.
We gaan de kleedkamer in met een 2-3 stand, en trainer Monneke waarschuwt zijn spelers: "mannen, als de René binnenkomt, zwijgt dan over die goal tussen zijn benen, ‘t is zo al erg genoeg voor hem." Eddy komt van de kantine met een bekertje vol ijsblokjes, het smeltende ijs wordt tegen kuiten en pijnlijke liesstreken gewreven, massage on the rocks. De aanvallers zien de tweede helft wel zitten, "de verdediging van Itegem trekt op niks, ge loopt er door alsof ‘t patatfrut is". Franske bezweert de spitsen dat de wind goed staat voor afstandsschoten, ‘t is windaf, dus als ge kunt vlammen, dan vlamt ge maar.
Keeper René is tijdens de rust niet in de kleedkamer verschenen. Hij is bij alle Putte-supporters gaan informeren of den Umo zijn flater heeft opgeschreven, en dat de bal zo stom door zijn benen ging “omdat hij in feite al aan ‘t kijken was naar wie hij zou uitgooien”.
Franske loopt zich warm, hij mag in de tweede time invallen. Een supporter van Putte vindt het buitengewoon dat ze nog altijd op Frans kunnen rekenen, ‘t is een gouwen karakter, hij heeft alles over voor de ploeg. Ze hebben hem eens in zijn schoon kostuum van zijn werk zien komen. Omdat de match direct begon, trok hij vest en plastron uit, zijn shoes aan en zo is hij beginnen spelen in de regen en in het slijk, met zijn wit hemd nog aan en met zijn deftige broek in de sjotterskousen gestopt!
De stand is intussen opgelopen tot 2-5 als Coiske voor open doel komt en op de lat schiet. Hij komt naar de dug out gelopen en dicteert dat ik het volgende moet opschrijven: Cois Liekens kwam in de vijftigste minuut dicht bij een hattrick maar trof jammer genoeg het doelhout. Bij Itegem maken ze 3-5. Het zit er dus nog in, zeggen de supporters van de thuisploeg, maar ‘t is de vraag of het er ook uit komt! Aan gemeenplaatsen is hier nog niemand gestorven.
Frans is intussen in het veld gekomen en wint almeteen het eerste duel. Ge zijt de rots in de verdediging, wordt er vanaf de lijn geroepen. Bertje en de Witters brengen de stand op 3-6 en 3-7. Het is de tweede uitoverwinning van dit seizoen en de eerste keer dat Putte met zoveel goals kan winnen. Cois komt weer langsgelopen, ik moet opschrijven: het is in feite niet te begrijpen dat deze ploeg niet hoger gerangschikt staat!
En zo gaan ze lachend onder de douchekoppen, de zeep schuimt van de blote basten, Cheerio! Cheerio! In Putte Zingen ze zo! Weg met de zorgen en weg met ‘t verdriet! Zijn wij van Putte of zijn wij het niet!?
En dat ik zeker moet blijven voor de boterhammen en de tombola.

©Jan Hertoghs

©Jan Hertoghs

In de kantine van Itegem zijn naar loffelijke gewoonte boterhammen gesmeerd, voor de eigen ploeg en voor de tegenstrever. Er zijn boterhammen met kaas en boterhammen met frikadellenkoek, de mosterd zit in een knijpfles van één liter, daarmee kunt ge uwe naam schrijven. Iedereen legt vijf euro in de pot, daarmee mag er naar believen gedronken worden, en wat er straks te kort is, wordt bijgepast door de kas. Een bestuurslid van FC Itegem verkoopt lotjes, er is een tombola met vele schone prijzen.
Franske zegt dat ze bij Putte niet naar rijk of arm, hoog of laag zien: "ge hebt bij ons alle beroepen, vrachtwagenchauffeur, metaalbewerker, douane, bediende, spoorman, ingenieur, en alleman is gelijk". Dat is ook de essentie van het veteranenvoetbal: de kameraadschap op het plein, én het plezier in de kantine. Keeper René staat bij de toog en gooit een volle pint zonder te morsen van zijn linker- in zijn rechterhand, en nog eens terug ook, voor het geval ik niet wist dat keepers ook pinten kunnen pàkken. Frans geeft terwijl zijn eigen kijk op het sportverloop bij De Mannen: "Eerst willen ze voetballen, dan tennissen, en als ze ouder worden, gaan ze golfen. Anders gezegd: de ballen worden kleiner maar de zakken worden groter!"
De trekking van de tombola komt eraan en geschiedt als vanouds door een onschuldige hand. Een schone fotokader met een foto van Amerika, nummer 138, één!, drie!, acht! schalt het door de rumoerige kantine. Er zijn ook shampoo-flesjes van de Colruyt en drie pakken vanillewafels te winnen. Bij Putte hebben ze na zeven trekkingen nog niks gewonnen, de onschuldige hand van Itegem komt bij de Putse tafel staan, ziet de nummers van 30 tot 60 liggen en trekt 37 en 57.
Geluk voor Put!

Deel 2: de battle of the bompa’s in Herenthout

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De pionier-tv-verkopers (jaren ‘50 en ‘60)

Door de coronacrisis wordt er opnieuw meer tv gekeken. Op dinsdag 17 maart zaten er 2,4 miljoen Vlamingen voor hun scherm.
Het niet-mobiele lichtmeubel leek zijn centrale plaats verloren ten koste van de laptop en de smartphone, maar nu is de televisie plots weer de samenhorige plek voor het lockdown-gezin.
Dé geschikte aanleiding om de pionier-tv-verkopers aan het woord te laten. Zij die de eerste toestellen triomfantelijk hebben binnengedragen in de huiskringen van de jaren vijftig en zestig.
En die tegelijk ook op het dak zijn gekropen om de metershoge antenne te installeren.
De reportage verscheen in Humo (okt. 2003) naar aanleiding van het 50-jarig bestaan van de Belgische Radio en Televisie (BRT) . Ze is ingekort en aangevuld met een tweede stuk uit 1992

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs / jaren ‘60 huiskamer in Train World Museum

© Jan Hertoghs / jaren ‘60 huiskamer in Train World Museum

"Een maand nadat die nieuwe tv in hun woonkamer stond, zaten ze nog met open mond te kijken."

In de schaduw van de kerk van Kasterlee trek ik een deur en tegelijk de jaren vijftig open. De winkelbel rinkelt niet meer, de kassa is al twaalf jaar weg, en waar ooit de klanten stonden is nu een living met een deftig plaatsje voor de schilderijen en de meubels van de overleden familieleden. Wat nog wel naar een electro-winkel verwijst, zijn de schappen met (oudere) radio- en tv-toestellen. Dat zijn de souvenirs waarvan Louis Donckers (77) geen afstand kan doen. Die rekken met beeld- en klankbuizen staan er nog alsof gisteren de verkoop is stilgevallen.
Ik spreek hier een tevreden man. Wij hebben goed onze boterham verdiend, zegt Louis, en zelfs met confituur erop!  
Televisieverkopers over de tijd dat de televisie als een komeet in de huiskamer kwam gevallen.

Louis Donckers tilt een zware grijze lamp op: "Wat gij hier ziet,  is de eerste beeldbuis van de Kempen. Bij mij hebben de mensen al tv kunnen zien in 1949! Die buis komt van de Philips, ze is niet groter dan tweeëntwintig centimeter, ze was versleten op een half jaar, maar ze gaf televisie in mijn winkel. En de uitzendingen kwamen recht van de fabriek in Eindhoven. Meestal was het sneeuw, soms was het een testbeeld en af en toe kwamen er beelden op. Dikwijls dezelfde beelden zoals die schoolmeester die cijfers stond te schrijven op een bord. Maar dat was al een sensatie in 1949.
In 1951 werd de sensatie nog groter. We kregen toen een reuzenscherm  van eenendertig centimeter, en Philips zond al drie echte programma's uit per week. Van dan af was het hier elke avond vollen bak in mijn winkel. Alleman wilde dat zien.
Zelfs de pastoor preekte erover en niet in goede zin. Hij zei: "De televisie staat nog maar in de kinderschoenen maar nu reeds dient zij om de mensen te bederven! " Ik zat in de kerk, ik heb gezien hoe hij vanop de preekstoel in de richting van mijn winkel wees, maar ik zat daar niks mee in. Ik was overtuigd, wat zeg ik, méér dan overtuigd van de toekomst van televisie. Ik voelde dat aan tot vanachteren in mijne rug!
Ik was ook een felle verkoper. De mensen kwamen binnen voor een nieuwe radio en ze gingen buiten met een televisie. Voor Philips was ik één van de beste verkopers in het land. Wij hebben wel vijfentwintig  reizen mogen maken omdat we elk jaar zoveel tv's verkochten.”

Een aap op een trottinette. Dat was ideaal om te verkopen!

Humo: Waren er grote gebeurtenissen die de mensen tot een aankoop brachten?
Louis: «Ze zeggen wel eens, de Expo '58 en de trouw van Boudewijn en Fabiola in '60, maar dat waren maar kleine sprongskes. De grootste trekpleisters waren toch de Wereldbekers Voetbal. Ik ken niks van dat spel, ik begrijp niet waarom mensen daarnaar kijken, maar ik zag direct dat voetbal tv's deed verkopen. In '54 was de Wereldbeker in Zwitserland, wel, toen zat er elke avond dertig man in mijn kot.
Anna Donckers: «Wij hadden zelf geen stoel meer om op te zitten. Ik zat op een krukje, half verstopt tussen de jassen aan de kapstok. 
Louis: «De mensen zaten tot aan het keldergat op elkaar gedrumd. Dat daar nooit ene in de kelder is gevallen! En het was stil hé, d'r werd niet geroepen of gesupporterd. De mensen keken maar. Naar dat ene beeld, ze waren gefascineerd door dat beeld. En zien doet kopen hé."
Anna: «Louis verkocht ook van huis tot huis. Hij ging dan zogezegd een klapke doen bij de mensen, maar eigenlijk ging hij daar op bezoek om een tv te verkopen. Mijn man deed ook demonstraties voor de hele buurtschap. Dan installeerde hij een toestel in één huis en dan nodigde hij de twintig andere koppels van die straat uit om te komen kijken. Dan zijt gij dikwijls laat thuis gekomen!"
Louis: «Het liefste ging ik in het najaar en in de winter. Dan is het vroeg donker en dan zijn de avonden lang en dan is er tijd om te kijken. Ik ging wel nooit als er die avond een film was op televisie, want dan begonnen de mensen dat verhaal te volgen en die onderschriften te lezen, dan kon ik mijn verkooppraatje niet doen. Ik moest een aap op een trottinette hebben, en dan verkocht ik. Circus, show of variété, dat was goed om te verkopen. Want terwijl die aap rondrijdt, kunt ge als verkoper iets vertellen, de mensen luisteren naar u, en als ze terugkijken, zit die aap nog op zijn trottinette."
Anna: «Er was eigenlijk maar één struikelblok om te kopen en dat was het menselijk opzicht. Wat zullen de mensen zeggen als ik zoiets koop? In die beginjaren een tv kopen, dat was een kapitaal uitgeven, dat stak de ogen uit bij veel andere mensen."
Louis: «Voor een tv moest ge toen nog verschillende maanden gaan werken. Maar ja, als er in een straat één tv-antenne stond, dan was dat niet meer tegen te houden, dan volgden de anderen ook. Maar het was hard werken om dat op gang te krijgen."
Anna: « Wat het meest tot de verkoop heeft bijgedragen, is dat men bij de buren ging kijken. Kasterlee was toen nog een boerengemeente met veel kleine gehuchten, dat waren boerenmensen die mekaar onderling hielpen met het werk en met de oogst, als het winter was, dan werd er tegen die buren makkelijk gezegd, vanavond is er een schoon program, komt maar eens kijken. En in de buurtwinkels werd er ook gepraat hé, hebt ge dit gezien, hebt ge dat gezien? Dat deed de mensen verlangen hé."
Louis: «En dan het feit dat de kinderen 's avonds niet meer thuis waren! Vader kwam thuis van zijn werk, waar zijn ons mannen?! Oh, die zitten bij de geburen, die zitten tellevies te kijken. Dat moet gedaan zijn, zei die vader... en hij kocht zelf een tv. Ja, dat was een enorme stimulans voor mijn verkoop."          

Uit een advertentie voor een tv-verkoper/hersteller in de Gouden Gids (1971)

Uit een advertentie voor een tv-verkoper/hersteller in de Gouden Gids (1971)

      
Humo: Bij jullie kwamen ze in de winkel zitten kijken. Maar ik herinner mij vooral foto's waarop de mensen in rijen voor een etalage staan.
Louis:« Dat was in '67, bij het begin van de kleurentelevisie. Ik had de eerste kleurentelevisie van de Kempen, ik heb er nog mee in de gazet gestaan. Op zaterdagavond stond er het meeste volk voor de vitrine, de mensen gingen eerst te biechten in de kerk en kwamen dan bij ons staan. De grootste toeloop was in 1971. De BRT was ook in kleur begonnen, en ik had toen negen televisies in de vitrine staan, allemaal zenders die in kleuren uitzonden, dat was dé grote sensatie! Het zag hier toen zwart van het volk, tussen zeven en half elf stond hier makkelijk honderd man, er konden geen auto's meer door. Maar door de luidspreker op straat liet ik maar één post horen, en dat was Duitsland! Die hadden op zaterdagavond meestal een programma met volksmuziek, fanfare en operette, en dat viel hier in de smaak. (fel) Het is Duitsland en niet de BRT die hier de kleuren-tv heeft doen verkopen! Duitsland had al jàren een traditie van grote shows en grote orkesten, met chique toiletten en knappe vrouwen, d'r kwam al eens een bloot been in, en dat moesten de mensen hebben!"
Anna: «Die Duitse shows van de jaren zestig en zeventig waren hier even populair als Bonanza, Schipper naast Mathilde en De Heren Van Zichem! Ge zaagt bijna geen auto meer over 't dorp rijden."

Met mijn eigen systeem van het “velowiel” kon je simpel van zender veranderen

Humo: De kabel was nog veraf, dus jullie hebben ook jaren antennes op de daken geïnstalleerd.
Louis: «Ja, dat heb ik dikwijls samen met mijn vrouw gedaan, ik kroop met de antenne op het dak en zij zat op de zolder om de voet van die antenne in een dwarsbalk te nagelen."
Anna: «Die zolders! Ik zag zwart als ik daaruit kwam. Ge klopte met die hamer en alle stof van jaren kwam naar beneden!" 
Louis: «De meeste mensen kochten in de winter, dus moest ik vaak 's winters op dat dak. Soms in de sneeuw en bij min vijf graden! “
Anna: «Ik heb dikwijls in angst gezeten op de zolder, ik durfde zelfs niet buitenkomen om naar u te kijken. Gij liept zomaar over de bolle nok van een pannendak."
Louis: «Ik kon klimmen gelijk een aap in die tijd, en ik kan niet tellen hoeveel antennes ik heb geplaatst, dat moeten er duizenden zijn geweest. In het begin moest je een kanaal kiezen door de richting van de antenne te veranderen. Het zuiden was dan Frans Brussel, het noorden was dan Holland. Dat is later  makkelijker geworden toen er antennes kwamen die met een motor draaiden.
Voor de mensen van Kasterlee en omliggende had ik toen een eigen "systeem" ontwikkeld: het velowiel op de zolder! (Het systeem-Donckers was een ambachtelijke transmissie tussen woonkamer en dak: met enkele koordjes en katrollen kon je op de zolder een fietsvelg doen draaien en die velg deed de spil van de antenne draaien.jh) In de woonkamer eindigde dat koordje aan een gewicht en als de mensen dat gewicht naar boven of onderen trokken, dan draaide dat fietswiel én ook de antenne in de richting van het gekozen kanaal. Eens ze wisten tot waar ze moesten trekken, markeerden de mensen dat met strepen op een lat en bij elke streep schreven ze de post erbij: Vlaams Brussel, Frans Brussel, Holland en Duitsland. “
Anna: «Sommigen vonden zo'n lat en gewicht te lelijk voor de woonkamer. Die plaatsten die lat in de kelder, en als ze van post wilden veranderen, moesten ze de keldertrap af. (Verdere navraag leert dat dit systeem nogal onderhevig was aan wind. Bij stormweer zat de vader des huizes dan doorlopend op zijn knieën bij het gewichtje om de zender op zijn plaats te houden,jh)    

“De mensen zaten een kwartier voor de uitzending al voor hun tv. Dan keken ze naar het testbeeld. Niks mochten ze missen. Geen beeldeke mocht verloren gaan”

“De mensen zaten een kwartier voor de uitzending al voor hun tv. Dan keken ze naar het testbeeld. Niks mochten ze missen. Geen beeldeke mocht verloren gaan”


Testbeeld kijken
Staf Lauwers
(65) is op 15 december 196O tv's beginnen verkopen in Lichtaart. Hij weet het nog goed want op die dag trouwden Boudewijn met Fabiola. Om de winkel feestelijk te openen was Tante Terry uitgenodigd.
"Daar was volk, dat kunt ge niet geloven. De mensen stonden tot honderd meter ver aan te schuiven, een begankenis! En Tante Terry heeft dat heel goed gedaan, ze prees de toestellen aan, ze deelde een geschenkje en een handtekening uit en ze is heel de dag gebleven. Ik heb hier nog de eerste folder die toen is uitgedeeld (Levendige Heldere Beelden Zijn Het Kenmerk Van Bell). Ge ziet de prijzen, een tv was toen niet goedkoop, de duurste kostte bijna achtentwintigduizend en de goedkoopste veertienduizend frank. Ik was afsteller geweest bij Bell in Antwerpen en ik verdiende toen 28OO frank per maand. Dat wil zeggen dat ge met een doorsnee-pree al vijf maanden moest gaan werken voor het goedkoopste toestel. In feite konden alleen begoede mensen toen een tv kopen. (Televisie was in België een kwart duurder dan de omliggende landen vanwege de verplichte dubbele beeldnorm in één toestel: 625 lijnen voor de BRT en 819 lijnen voor de RTBF,jh)
Humo: Hoe reageerde men als dat eerste beeld in de huiskamer kwam?
Staf: “Dat was een sensatie. Ge stopte de prise in, dat beeld verscheen en waw!!, de mensen staken hun armen in de lucht precies of ze hadden een goal gemaakt voor de Belgische ploeg. Zo'n wonder was dat! De BRT zond toen uit van zeven uur tot elf uur en er werd  gekeken van de eerste tot de laatste minuut, geen beeldeke ging verloren. Er werd zelfs naar het testbeeld gekeken, een kwartier voor de uitzending gaan klaar zitten, dat vond alleman toen normaal.
Sommige oudere mensen begrepen het niet helemaal. Ik kwam bij een oud moederke op de hei, die had één week tv in huis, en ze riep mij binnen: Staf, wat is me dat? Ik zag hier gisteren arme negers van de Congo, ik wou ze een zjat koffie geven en ze keken mij niet aan, de smeerlappen! (lacht) Anderen dachten dan weer dat ze heel de wereld konden ontvangen. Staf, ik heb gisteren de Spaanse post kunnen pakken. Als ik dan in de gazet keek, zag ik dat er een Spaanse film op de BRT was geweest..."
Van onze man op de dakpan
"Als ik een tv plaatste, dan werden de buren meestal nog dezelfde avond uitgenodigd voor een koffie en een koekske. Ik heb het meer dan eens gezien dat ze werkelijk àlle zetels en àlle stoelen van dat huis naar die woonkamer sleepten, en die werden dan in rijen voor dat toestel gezet, het was precies een cinemazaal.
Dat uitnodigen van de buren werd soms wel afgunstig bekeken, zo van: ochgot, ze willen ermee uitpakken dat ze een tv hebben! Die afgunst leidde tot rare toestanden. Mensen die geen geld hadden voor een tv en die dan maar een antenne op hun dak lieten zetten. Gewoon om niet onder te doen voor hun buren!
Ik was in die glorietijd elke dag onderweg van 's morgens tot 's avonds om tv's en antennes te installeren. Het is gebeurd dat ik om halftwaalf 's nachts nog op een plat dak stond, met het pillicht erbij. Op een bepaald ogenblik ging de verkoop zo hard dat ik zes maanden wachttijd moest rekenen voor het plaatsen van de antenne, en de mensen wàchtten hé! Nu vinden ze één dag geduld hebben al te lang.
Een antenne bestond meestal uit stukken van drie meter die in elkaar schoven en elk stuk werd met kabeltjes in vier richtingen opgespannen. Om de stukken op elkaar te schuiven, kroop ik dan op een ladderke dat onderaan op de nok steunde en bovenaan tegen de antennebuis. En dat wilde wel eens wiebelen, want dat is toch zeventig kilo lichaamsgewicht dat omhoog kruipt tegen zo'n buis van ocharme vier centimeter.
Ja, mijn geklauter was een evenement. Al de buren stonden te kijken met hun hand boven hun ogen, en ge waart fier natuurlijk, want ge waart de enige in het dorp die dat kon. Het was ook niet niks, een antenne van twaalf, vijftien meter plaatsen op een huis van maar negen meter.
Vooral in de winter hadden we veel werk. Ik heb op daken gezeten dat ik met mijn gat op de sneeuw zat en dat mijn broek aan de pannen vroor, zo koud was het. Maar mijn werk mocht gezien worden, die antennes waren ijzersterk, er staan er nu nog op sommige daken!"
Brommer op het scherm
Als er over de tv-hype van die dagen wordt gesproken, komt me  steeds weer dat éne plaatje uit Suske en Wiske voor de geest. In het album Het Vliegende Bed moet de rijkswacht een dorp ontruimen en de bewoners mogen alleen "de meest onmisbare voorwerpen meenemen". In het volgende prentje vlucht iedereen de straat op mét zijn tv-toestel in de armen. Dat album dateert uit 1959 en het zegt iets over die jaren. Gust Rombouts (71) knikt, hij heeft de strip ook gelezen. Meer nog, de eerste televisie van Willy Vandersteen, die heeft hij geïnstalleerd! 
"Ik werkte bij de gekende zaak Van Meel in de Antwerpse Huidevetterstraat. Aan de mensen die overdag in de winkel kwamen, kon ik eigenlijk geen tv verkopen, want overdag was er alleen maar een testbeeld te zien op televisie. Ik was dus wel verplicht om 's avonds bij de mensen thuis te gaan.
Eerst vroeg ik altijd waar ze woonden, voor of achter het station? Zegden ze bijvoorbeeld Ketsstraat of Provinciestraat, dan zei ik dat een tv daar niet kon marcheren. Want het NIR zond toen uit via een antenne op de Boerentoren, maar die stralen botsten op de hoge koepel van het Centraal Station, dus als je daarachter woonde, had je geen ontvangst.
Dat was toen zo. Je kon tv hebben, maar als iemand een appartementsgebouw naast je huis bouwde, dan was het gedaan met kijken. Het weer had toen ook nog een grote invloed. Met hoge luchtdruk had je zuiver beeld, met lage luchtdruk was het beeld veel slechter.  

Kwam er een brommer door de straat, dan schoot er een bibberende balk over het scherm

Begin jaren zeventig stonden er bijna 2 miljoen antennes op de Belgische daken. Er staken zoveel metalen harken in de lucht dat men sprak van het ‘antennewoud’. © Jan Hertoghs

Begin jaren zeventig stonden er bijna 2 miljoen antennes op de Belgische daken. Er staken zoveel metalen harken in de lucht dat men sprak van het ‘antennewoud’. © Jan Hertoghs


Als ik bij de mensen kwam, begon er direct een hele verhuis van zetels en kasten, want het salon was niet ingesteld op televisie. Het salon was ingesteld op bezoek van familie, op lezen en naar de radio luisteren. De zetels stonden eerder naar mekaar gekeerd, maar de tv gooide dat overhoop, die eiste alle aandacht voor hém. 
Tussen 1953 en 1963 was ik elke avond de baan op om te demonstreren. En bijna altijd was ik heel laat thuis, want de mensen deden er alles aan dat ik zou blijven, dan konden zij ook blijven kijken naar mijn demonstratietoestel. Moet ge niks drinken meneer? Hebt ge al gegeten, meneer?!
Op zo'n avond werden vaak buren of familie uitgenodigd, wat toch soms lastig was voor de verkoop. Amai, wat voor beeld is dat? Dat flikkert nogal? En zo bibberen! Ik heb toch al beter gezien!! Dat waren dan mensen die zelf geen tv hadden, maar wel commentaar hadden natuurlijk. Het was niet simpel, ik moest die commentaar aanhoren én de antenne regelen én het beeld fijnstellen én mijn toestel verkopen. Als er dan nog een bromfiets voorbij kwam, prrrrt, dan schoof er zo'n bibberende balk over het scherm, ja, dan had ik het wel lastig (lacht)!
Als het een film was, had ik ook pech, want de mensen zegden dan dat het zo'ne schone film was en ze wilden die dan helemaal uitkijken. Op de duur kende ik dat en als het een film was, dan ging ik op vier adressen een tv afzetten en na de film ging ik de mensen dan bezoeken.
Lelijk aquarium     
Om tv's te verkopen, moest ik wel eerst weten wie thuis de beslissingen nam. Ik had daar een simpel truukje voor. In de winkel zei ik dan: goh, nu sta ik al heel de dag binnen, wat voor weer is het eigenlijk buiten? En wie dan eerst antwoordde, dat was degene die de beslissingen nam. Was het de man, dan sprak ik over het grote aanbod sportprogramma's dat er te zien was. En was het de vrouw, dan begon ik over het prestige van zo'n tv. Ik zei dan dat het "een verrijking zou zijn voor het interieur" en vrouwen waren daar gevoelig voor. Als ik eerlijk was, dan zou ik gezegd hebben, madame, je haalt een aquarium in huis, en dan nog een lelijk aquarium ook! Maar als verkoper moet je meeklappen hé.
Positief was ook als de kinderen erbij waren, die gingen dan zagen, toe, we gaan er toch ene kopen?! Heel de klas heeft er al ene, alleen wij nog niet!  Dat werkte altijd!
Humo: In tv-geschriften lees je vaak het verhaal van kinderen in de huiskamer die wegsprongen als er op het scherm een emmer werd uitgegoten. En van volwassenen die in hun zondagse kleren tv keken omdat de omroepster er ook deftig uitzag. Zij dachten "dat de speakerin hen kon zien".
Gust: “Och, dat is een fabeltje. De mensen waren niet achterlijk hé. Wel waren oudere mensen soms bang van dat toestel. Niet dat ze aan brand of ontploffing dachten, maar tot dan kwam alleen het geluid van de radio in hun huis en nu kwam er ineens én geluid én beeld én beweging in die huiskamer, met af en toe dan nog zo'n flits, ja, dat was voor sommigen toch wat teveel alteratie in het begin.  
Als dat eerste bewegend beeld bij de mensen in de kamer kwam, dan viel hun mond open, allez meneer, oekandana?!  Ze zaten letterlijk te gapen naar dat scherm. Zelfs een maand nadat ze een tv gekocht hadden, zaten ze nog met open mond te kijken. Ik moest ook altijd zeggen, niet te dichtbij gaan zitten, want de mensen zaten met hun gezicht soms vlak bij het scherm. Ze wilden dichtbij zitten; een krant had je ook vlak voor je en bij de radio ging je ook dichtbij zitten. “
Hoger, lager
Bij ons kon je ook televisies huren tegen een vast bedrag per maand. Of je kon een toestel vragen met een monnaieur. Achteraan zat een kastje met een gleuf, je stopte er geld in en dan kreeg je stroom en dus ook beeld op je tv.
Als de mensen een tv kochten, beseften ze niet altijd dat daar ook nog eens de kost van een antenne bijkwam. Het goedkoopste was alleen Vlaams Brussel; wie een beetje budget had, nam er ook Frans Brussel en Holland bij, en de mensen met het echte geld die wilden ook Frankrijk en Duitsland erbij. Dat werd dan een antenne van 24 meter, en daar speelde vaak het prestige een rol: hoe hoger je antenne, hoe hoger je status.
Met de komst van de kleuren-tv was er ook zo'n dwaas snobisme. Van die klanten die me vroegen of ik een gekleurde antenne op hun dak wilde zetten, want ja, metaalkleurig, dat is toch maar voor zwartwit hé.(lacht)
Om antennes te plaatsen hadden wij een professionele ploeg in huis. Maar je had altijd huisvaders die het zelf wel wilden proberen en die zelf op het dak kropen. Die mastjes van die doe-het-zelvers waren dan niet zo stabiel, als het wat gewaaid had, dan moest vader 's avonds op het dak klauteren om alles weer bij te regelen, en moeder maar roepen door het open venster, naar links nu, nee, nee, 't is te ver, terug naar rechts, naar RECHTS zeg ik!!  Schoon om zien! 
Naast tv's en antennes kon je bij ons toen ook hét tv-tafeltje kopen, ook al zo'n wonder van design. Het was een tablet in gekleurde plastic dat steunde op schuine ijzeren pootjes en onder die pootjes had je wieltjes om de tv te verplaatsen. En dan de eerste vraag van de mensen, dat krijgen we nu toch voor niet, mijnheer?"

Charel Van Den Langenbergh was de éérste tv-verkoper in Rijkevorsel. Deze zelf-geassembleerde  beeldbuis-tv staat in zijn privé-collectie. © Jan Hertoghs

Charel Van Den Langenbergh was de éérste tv-verkoper in Rijkevorsel. Deze zelf-geassembleerde beeldbuis-tv staat in zijn privé-collectie. © Jan Hertoghs

Hun tv kapot? Dat is een drama, dat is een sterfgeval

Begin jaren '90 sprak ik ook met tv-herstellers. Er was toen alleen video om programma's op te nemen, geen dvd, geen Netflix, geen internet. De tv was de enige bron van bewegend beeld en elke tv-kijker was verknocht aan zijn lichtbuis.
Chris en Eric zijn tv-herstellers. Zij leggen huisbezoeken af, stellen diagnoses, en voeren ter plaatse de dringende heelkundige ingrepen uit.
Eric: "De meeste mensen zijn er niet goed van als hun tv stuk is. Dat is een drama, een sterfgeval."
Chris: "Sommigen zijn al ongeduldig op mijn antwoordapparaat: kunt ge alstublieft-alstublieft vanavond nog komen? Wij wachten op u!"
Eric: "Aan de telefoon is het altijd dringend, is het altijd bidden en smeken om zo snel mogelijk te komen. Want het is Walter Capiau, of Gaston en Leo, of ook heel toevallig: hun kleinkind komt op tv. Jaja, er komen geweldig veel kleinkinderen op tv als de tv stuk is."
Chris: "Gemiddeld heb ik vijf klanten per avond. Soms ben ik nog maar bij klant nummer drie ben en is het al elf uur. Dan bel ik die twee anderen of ik niet beter morgen zal komen. Neenee, kom maar af, kom maar af! Want morgen, dat is voor die mensen volgend jaar hé. 'Tot hoe laat blijft u op, madame? Dat speelt geen rol, wij blijven wakker tot gij er zijt!' Zo heb ik al om twee uur 's nachts bij de mensen staan werken. Dan kom je daar binnen en dan zie je ze zitten wachten zoals de ouders van een ziek kind: de dokter heeft gezegd dat hij nog gaat komen!
Een tv-hersteller is de enige klusjesman die midden in de nacht mag aanbellen. Een loodgieter moet na achten niet meer binnenkomen, maar wij zijn àltijd welkom! En dat is wel prettig. Ik hou er ook van om 's avonds door de straten te snorren: er is minder verkeer, je kan nog eens lekker gas geven. En dan kom je in zo'n stille buurt, overal zijn de rolluiken neergelaten, overal is het licht uit, maar er is één huis waar nog licht brandt. Dan hoef ik zelfs niet op mijn werkblad te kijken naar het adres, dan bel ik gewoon aan, want die éne brandende lamp, dat is voor mij."
Chris: "Soms bellen ze mij, onze tv doet het niet meer, en dan zijn ze na het stofzuigen simpelweg vergeten de stekker in het stopcontact te steken, dat gebeurt regelmatig. Eerst stopte ik die stekker in en vroeg ik geen frank. Maar toen merkte ik dat ik regelmatig bij dezelfde klanten moest zijn en nu reken ik 500 frank. Ik doe dat opzettelijk opdat ze zouden denken: "Amai, nu heb ik 500 fr betaald om die stekker in dat stopcontact te steken." Dan zullen ze het tenminste niet meer vergeten."
Eric: "Ik heb zelf een electro-zaak, ik verkoop televisies, dus als ik bij mensen kom die hun tv bij een grote keten gekocht hebben, dan lap ik 500 tot 1500 fr bij mijn factuur. Ik ken collega's die dan d'office 5000 fr extra vragen. Het is altijd hetzelfde liedje: de grote ketens gaan met de poen lopen, en wij krijgen de brokken. De reparatie, dat mag de kleine middenstander hebben. En neenee, die tv hebben ze natuurlijk niet bij de GB of bij de Makro gekocht. Nee mijnheer, ze hebben hem "gewonnen" of "van de bomma gekregen".
Chris: "Zo'n tv-decor is overal verschillend. Vaak dient zo'n tv-kast om foto's en postuurkes en gedroogde bloemen op te zetten. En jammer genoeg ook aquariums en kamerplanten. En wat gebeurt er dan? Ze gieten water in dat aquarium of die plant en per ongeluk ook in die tv. Knetterknetter en dan kan de hersteller komen."
Eric:" Met Kerstmis staat er een kaars op tv! Ook van die waxinelichtjes. Soms smelt de kaarshouder en zo kan er brand ontstaan. Drie van m'n klanten hebben dat al voorgehad. Bij de eerste was de tv uitgerookt, bij de tweede was ook zijn tv-tafel geflambeerd, en bij de derde was heel zijn kot afgebrand. “
Chris: "Ook al meegemaakt: een hond die in de videorecorder pist. Mijnheer en mevrouw gaan weg, de hond blijft alleen, de hond is boos en om zich te revancheren heft hij overal zijn poot.
In al die jaren ben ik bij ongeveer 20.000 mensen thuis geweest.  Mensen in villa's en mensen in krotten, alles heb ik gezien. Eén keer kwam ik bij een oudere boer en daar liepen de geiten, schapen en konijnen door de woonkamer. Of was het de boer die in een stal woonde, ik weet het niet meer (lacht). Na vijf minuten stonk ik al naar de bok."
Eric:”Wat ook is: ze hebben een technieker in huis en dat vraagt om meer. Hun tv is herstel en ineens vragen ze: mijnheer, mijn brilmontuur zit los, kunt ge daar ook eens naar kijken met uw fijn tournaviske?! En mij valt het ook nog altijd op hoe sommigen werkelijk de kluts kwijt zijn als dat scherm niks meer doet. "Allez, wat is dat nu? Waarom speelt die niet? Dakàntochni?!"  Dat toestel mag hen niet in de steek laten. Die tv hóórt bij de avond. Die tv, dat is hun avond. En ineens wordt het geen avond meer. Dat is toch niet mogelijk!"
Chris: "En hoe dankbaar sommigen zijn als die tv hersteld is. Eén keer zijn ze letterlijk rond mijn hals gevlogen: "Hij is gemaakt! hij is gemaakt! merci! merci!" 

DSC00866b.JPG

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De eenzaamheid van de Last-Post-klaroenblazer

Op 19 maart besliste de organisatie van de Last Post  dat er vanwege het coronavirus geen publiek meer aanwezig mag zijn bij de ceremonie in Ieper, daar waar elke avond een toeloop is van honderden toeschouwers. Ook zal nog maar één klaroenblazer het eerbetoon uitvoeren.

Zie het filmpje van de eenzame klaroenblazer (Dominiek Dendooven 23 maart 2020)

De Last Post in de stille jaren 1950-1980: "Wij stonden dikwijls te blazen voor niemand"

Tussen 1950 en en 1980 was het heel gewoon dat er "geen kat" kwam opdagen en dat de klaroenblazer moederziel alleen stond onder de Menenpoort. Over die stille jaren gingen we praten met de oudste klaroenblazers.
Uit Humo van 1 en 8 november 2011, de tweedelige reportage is herwerkt tot één stuk. © Jan Hertoghs
Met dank voor de archieffoto's aan de documentatiedienst van In Flanders Fields Museum, en de families Barrato en Demey.

DSC03958.JPG

In de trein van Menen naar Ieper kijk ik door het raam of ik de oorlog al een beetje kan zien. Maar er zijn alleen maïsvelden, canadapopulieren, koeien en huizen met trampolines in de tuin. Bij Zillebeke schieten toch ineens twee witte akkers langszij, twee militaire kerkhoven met witte kalkstenen. Zo zijn treinen. Van staal en onverstoorbaar, maar in hun oude spoor rijden ze veel geschiedenis en tragedies voorbij.
In Ieper is het stil op weg naar het centrum. Halfzeven is een uur dat de buitenstraten van zo'n provinciestad uitgestorven zijn. Op de markt is nog wel wat drukte, het is één van de laatste vakantiedagen van augustus, en in de eethuizen zitten gezinnen aan goedgevulde tafels. Hoog aan de muur laat een geluidloze tv beelden zien van een oorlog in Lybië, een moord in Schellebelle en medailles bij het hardlopen.  
Een winkel in de Meensestraat verkoopt tabaksdozen, kompassen en gasmaskers die een eeuw geleden in een soldatenransel hebben gezeten. Er zijn ook obussen, het koper van dood en vernieling is  fel opgeblonken. Verderop zelfs een echt machinegeweer in een uitstalraam, met plompe poten te koop tussen de oorlogsboeken. De doden komen niet meer uit hun graf, maar oorlogstuig heeft altijd wel een tweede leven.  
Het is half acht, nog een half uur voor aanvang, maar er staan al zo'n veertig wachtenden onder de hoge boog van de Menenpoort. Die monumentale poort (1927) staat hier op de plek langs waar honderdduizenden soldaten naar het front zijn vertrokken. Om kwart voor acht tel ik honderdvijftig toeschouwers. Ze kijken rond, zoveel mensen dat hier zijn, en ze wijzen naar de gebeitelde namen, zoveel doden dat hier verzameld zijn. Het zijn er bijna vijfenvijftigduizend.  
Michel Ghesquiere is lid van de  organiserende Last Post Association, hij was klaroenblazer van 1979 tot 2006 en hij zegt dat er al zeker vijftien jaar zoveel volk naar die dagelijkse Last Post komt. Eén uitzondering. Dat was die decemberdag vorig jaar, toen het zoveel gesneeuwd had, "toen hadden we hier een laagterecord van veertig man."
Eén minuut voor acht. Een skateboarder rept zich nog naar de andere kant van de poort, en dan leggen twee agenten alle verkeer stil. De avondzon zoekt nog een paar gesneuvelde namen, ginder hoog onder de flauwe nok van het monument, en dan zetten de vier klaroenblazers van de vrijwillige brandweer zich  midden op de weg. En terwijl hun Last Post ijl over de hoofden klinkt, gaan er bij de omstaanders zeker drie gsm's af, eentje met de ringtone van The Light Cavalry.
Een traditionele tekst wordt voorgedragen, kransen worden neergelegd, Britse mannen en vrouwen met kentekens en militaire baretten stappen in stramme pas over en weer, en dat is wat me tegenhield om hier eerder te komen. Ik heb het niet voor legers en militairen en ik heb het nog minder voor al die Britten die nooit ver weg zijn van hun Union Jack, hun God-Save-The-Queen en hun Brittania-Rule-The-Waves waarmee al die overzeese kolonies zo lang onder de knoet zijn gehouden.  

oude foto burger last post.jpeg

Ik ben naar hier gekomen voor die gewone burgers van de Ieperse brandweer die al meer dan tachtig jaar dat eenvoudige eresaluut van de Last Post brengen. Want militair vertoon en het rumoer van de oorlog, dat is nog elke dag te zien en te horen. Maar dit is de stilte nà de oorlog. Dit zijn burgers die avond na avond de ontelbare vermisten en gesneuvelden van een oorlog herdenken, zoals nergens ter wereld. Ik heb de foto's gezien van de jaren dertig. Drie klaroenblazers in werkmanskiel en met de klak naast het lichaam die eerbiedig de Last Post aanheffen. En dat in een stad die zelf maar traag overeind kroop en die na die Eerste Oorlog nog slechts een gapend gat in de landkaart was.
En nooit is die loyaliteit tegenover die vele slagvelddoden verloren gegaan. Zelfs niet in de jaren vijftig en zestig toen iedereen al werkend vooruit wilde en toen iederéén de Tweede Wereldoorlog zo gauw mogelijk wilde vergeten, toen hadden ze  in Ieper nog altijd de stugge volharding om die Eérste Wereldoorlog te blijven herdenken. Aleen tijdens de  Duitse bezetting van '40-'44 is dat ritueel gedwongen stopgezet.

Tone Verschoot, 86, hij blies al bijna 12.000 keer de Last Post    © Jan Hertoghs

Tone Verschoot, 86, hij blies al bijna 12.000 keer de Last Post © Jan Hertoghs

De Last Post is ten einde. De meeste bezoekers gaan weer de markt op, sommigen blijven na om de blazers te fotograferen of innig te bedanken. Een zestiger wil hen ook iets zeggen, krijgt niks gezegd, neemt dan maar een foto, en naast zijn camera zie ik de tranen van zijn wangen lopen, met schokken en snikken, er is veel verdriet dat van ver naar hier is gedragen. En de klaroeners schudden maar handen en poseren met de glimlach, en ik zie de oudste onder hen, dat is Antoon Verschoot, die is zesentachtig en hij is "al zevenenvijftig jaar op post voor de Last Post"! Hij staat ook overtuigd een sigaret te inhaleren, en dat het geen kwaad kan, want dat hij nog genoeg adem overhoudt om die sonnerie te kunnen blazen.
"Tone" Verschoot
, de 86-jarige, heeft al bijna twaalfduizend keren de Last Post heeft geblazen. Ik wil hem over de stille jaren spreken dat hooguit een passant kwam luisteren. Want hadden zij toen niet hun volharding getoond, dan was de ceremonie allang uitgestorven.
Verschoot heeft een Winston opgestoken en in plaats van een potje kaffie zullen we Schotse whisky drinken. De man is een flamboyante dialectspreker en de uitroeptekens die u verderop ziet, zijn eigenlijk afkortingen van termen als mô vent! mô godverdomme nie! a-ba-neije! joak gedomme! mô ja gedorie! en hoe ist godsmeugelek! Verschoot schudt wat grote enveloppen op tafel en op de foto's is te zien hoeveel groten der aarde hij heeft ontmoet: Boudewijn en Fabiola, Queen Elisabeth, de oude president Bush, Dom Helder Camara, paus Johannes Paulus II en Moeder Theresa. En dan gaan we terug naar 1954.
"Dat jaar hebben ze me gevraagd om bij de klaroeners te komen. Ik was de jongste, 29 jaar, de snotneuze. Ikzelf en alle andere Last-Post-blazers kwamen van de vrijwillige brandweer omdat wij gewend waren van die clairon te gebruiken. Die clairon was nog belangrijk in de jaren vijftig, er was geen gsm of walkie-talkie, alle commando's bij een brand (meer water! minder water!) werden nog op de clairon gegeven. Ik was volontair bij de brandweer, maar van beroep was ik kleermaker, en later loketbediende van de Chistelijke Mutualiteiten.
En zo vertrok ik dus elke avond van thuis: met de fiets of met m'n ouwe Mobylette naar de Menenpoort. Niet dat daar veel volk stond te wachten! In de jaren vijftig, zestig en zeventig bliezen we dikwijls voor niemand. Soms waren de twee agenten die het verkeer tegenhielden onze enige toeschouwers. Soms stond ik zelfs gans alleen. Als de brandweer kort voor acht uur een oproep kreeg, dan moesten alle manschappen de baan op en dan moest ge alleen blazen. Soms waren de gardes ook weggeroepen voor ander politiewerk en dan moesten wij -voor we begonnen te blazen-  met onze hand de auto's doen stoppen die voor en achter kwamen aangereden. 
In die jaren is m'n vrouw heel dikwijls mee gegaan. We waren pasgetrouwd en ze was er elke dag. Samen uit en samen thuis. En andere mannen hadden soms ook hun vrouw of hun kinderen mee. Om niet alleen te zijn, om toch wat publiek te hebben.
Wij hebben in alle weer en wind staan blazen. In dichte mist dat de agenten amper konden zien of er een auto aankwam, en ook bij hevig onweer, dat het hagelde en goot. En wij konden nog zo'n beetje droog onder de poort staan, maar de gardes stonden in de gietende regen, en dan riepen ze : godverdomme, Tone, ge kunt maken dat ge't kort houdt wè!
Eén keer sloeg de bliksem op de toren van de Sint-Jacobskerk, honderd meter achter ons, maar wij bliezen gewoon door!
't Heeft nog geweest dat het hard sneeuwde en dat we niet midden op de steenweg durfden staan, zo glad dat het was. Dat is dan uitzonderlijk dat je op het voetpad blaast. Je moét midd'n up de boane staan! Dat is de regel.
En kou! De winter van '63. Heel het land lag plat, kanalen dicht gevroren, zelfs ijs op de zee, en wij maar blazen. Dat je mondstuk aan je lippen vroor! Dat kan nu niet meer, nu hebben we een mondstuk in plexi, speciaal voor de winter.
En je moet ook maar eens blazen als het stormt! Heb je de storm in 't gat, dan sta je te wiebelen op je schoenen. Heb je de wind tegen, dan staat de storm recht in je clairon, ook niet gemakkelijk! En die Menenpoort is een trekgat! Mô jongens toch, verkoudheden dat wij daar hebben opgedaan! Ik heb ook lang een foto gehad van een Schot die een krans legt, en de wind pakt onder z'n rokske, en je ziet z'n bloot gat. En wij konden ook wat voorhebben! Je staat daar te blazen, je voelt ineens tocht op een rare plek van onderen, ja verdomme, m'n spriet staat open! Dat is zo hé: voor je vertrekt, ga je nog rap naar het toilet en dan de tirette vergeten hé. En het is een serieuze en plechtige aangelegenheid, maar zo'n 'ongelukken' kùnnen gebeuren. Zo zie ik die Engelsman nog de straat oversteken om een krans neer te leggen, zo'n echte Brit, met een paraplu over z'n arm en een bolhoed op z'n hoofd, hij steekt in grote stilte over, bukt zich om de krans te leggen en ... (slaat met z'n hand op tafel) z'n broek valt af! Dat was gelukkig in die stille jaren, er stond niet veel volk te kijken. Maar acht jaar geleden gebeurde dat opnieuw, en met veel méér volk erbij!

(archieffotg kiel)

DSC03964.JPG

In de jaren vijftig was die Last Post nog ver te horen. Als de wind goed zat, klonk het langs de stille straten en over de daken tot op de Dikkebusseweg, dat is zeker anderhalve kilometer. Maar ja, toen was er wel minder verkeer dan nu.
Tot in de jaren tachtig duurde die Last Post ook maar twee-drie minuten en 't was gedaan. Geen gedicht, geen kransen, geen namen afroepen, niks. In die stille jaren was zo'n speciale Last Post heel zeldzaam, er waren er geen vijf op een jaar. En nu is het alle dagen een "speciale" en die duren wel een kwartier of twintig minuten. Het trekt er niet op. Ik vond die gewone Last Post-en van vroeger sympathieker, ik heb dat al dikwijls gezegd tegen het bestuur.  
De laatste vijftien jaar blazen wij in ons brandweeruniform, maar vroeger bliezen wij in onze burgerkleren. In de zomer een broek en een open hemd. En in de winter warme kleren en een gabardine of pardessus. En alleen wanneer het speciale gelegenheden waren, zoals 21 juli of 11 november, dan waren we verplicht om ons uniform te dragen. »
Hij zegt dat hij er niet om treurt, maar er is op die manier wel een traditie verloren gegaan. Tussen 1928 en de jaren tachtig bliezen de Ieperse klaroeners de Last Post in hun gewone kledij. Het moest immers een eerbetoon van gewone mensen blijven, het mocht geen officieel kenmerk dragen “alsof de zaak van hogerhand was ingericht." 

Indianen en Chinezen

«Als blazer zijt ge een week "aan" en een week "af". Als ik van  dienst was, ging de Last Post altijd voor op de familie. Feest of bijeenkomst, je liet alles staan en je ging naar de Menenpoort. De oudere generatie is daarin plichtbewuster. Ik ben in 1997 geopereerd aan m'n hart, vijf overbruggingen, en drie weken later stond ik weer aan de Menenpoort.
Dat blazen kan ik goed aan, maar dat handen schudden nadien, dat is wat anders! Mô zovele! Dat zijn er honderden, duzenden! Met ouder te worden ben ik ook voorzichtiger geworden. Ik hou m'n handschoenen aan. Of ik smeer m'n handen in met hygiënische gel zoals in de ziekenhuizen. Als ge zo oud zijt, zijt ge rap gepakt van de ziekte van een ander. 
En dan vragen ze ook om een handtekening. Want ze hebben een postkaart gekocht met de Last Post-blazers erop en dan moeten wij een handtekening zetten. En dan al die mensen die het opnemen met een bandopnemerke. Mô vele! En dan al die foto's die ze al van ons gepakt hebben. Duzende! Tienduzende! Mô jongens toch! Overal ter wereld liggen er foto's van ons. Ik heb al geposeerd met witten, zwarten, Chinezen en met Indianen! Echte Indianen hé, met staarten in hun haar! Ik heb hier ook Maori's weten komen aan de Menenpoort. Die maken leven (doet apengeluid na), godverdomme toch, die kunnen roepen en tieren. En die staan daar op hun blote voeten en in een rokske!
En zeker zijn er telaatkomers, soms een hele groep tegelijk.  Och menere, en zou je voor ons nog eens willen blazen, we komen helemaal van Engeland en we gaan morgen alweer weg. Maar sorry, dat doen we niet. Die Last post is geen spelleke hé. Vroeger, in die stille jaren, hebben we dat wél gedaan als zo'n bus te laat kwam. Je wist wel dat het niet mocht, maar je wist ook dat niemand het zag. Er was verder toch geen volk! Dan had je dus een Last Post en nog een Aller-Last Post. 
Zelf ben ik maar één keer te laat gekomen op al die jaren.  Ik was op tijd vertrokken bij een vriend waar ik een glas whisky had zitten drinken, maar voor m'n neus doen ze de overweg dicht. En toen kwam er een goederentrein, ik weet niet of je dat kent, maar dat zijn allemaal wagons achter elkaar en dat blijft maar duren hé. En toen heeft m'n collega alleen moeten blazen.

Blijven plakken

De laatste twintig jaar hadden we een habitué die elke dag kwam kijken. Dat was Denise Dael die vlakbij woonde. Mo godverdomme, dat Deniestje! Duizenden keren is die erbij geweest! Zomer en winter! En ze had zo'n pliantje, zo'n vouwstoeltje waarmee ze altijd op haar vaste plaats ging zitten. En ze kon babbelen met de mensen, want ze was geboren in Engeland en haar moeder was daar gestorven. En vorig jaar is ze zelf gestorven, ze was vijfennegentig, en hoeveel Engelsen mij dat al gevraagd hebben! O, the little old lady! where is the little old lady?! En dan moet ik zeggen: the little old lady is dead, sir.
En zeker ben ik meer dan eens 's avonds blijven plakken. En  Engelsen kunnen drinken! Je weet wanneer ze beginnen, maar niet wanneer ze ophouden. En dan heeft m'n vrouw dat een keer gezegd: gij met uw Menenpoort, pakt uw valiezen maar, gaat gij daar maar wonen. Jongens, jongens toch!

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Op een keer kom ik uit het café samen met een Engelsman, 't was een teacher en het bleek dat hij die avond nog niet gegeten had. Kom mee, zei ik, en thuis heb ik frigofrieten en eiers gebakken, en wat boterhammen erbij. En content dat hij was! En alle jaren schrijft 'm. Niet alleen met de kerst, maar ook overal waar hij komt of op reis gaat, van overal stuurt hij kaarten!
Drinkgeld, dat gebeurt weinig. Op dat gebied waren de jaren vijftig beter. Als er dan zo'n Engelse bus kwam, dan zat die vol met échte oudstrijders van '14-'18, en dan ging er ene Brit met zijn klakke rond: veel kleingeld, en nog veel meer sigaretten, Greys en Players, die staken ze soms met vijf  tegelijk in die klakke. En wij rookten allemaal, vaneigens.
Nooit heb ik gedacht van te stoppen, oeioei nénk! O godverdomme nie! Ik heb een straffe adem en ik heb een goeie embouchure (plaatsing van de lippen aan het mondstuk). En tot nu toe gaat het goed. Ik zal maar hout vasthouden (neemt hoofd vast). Het enige wat zwaar begint te vallen, is dat nababbelen. Ge kunt nooit eens recht naar huis. Iedereen wil met je babbelen of een foto nemen. Als je weg zou gaan, ze zouden je tegenhouden! Dus ja, ik twijfel toch wel. Zevenenvijftig jaar, dat heeft nog niemand me voorgedaan. Misschien komt er toch een eind aan.
Waarom ik het zolang volgehouden heb? Moeilijk te zeggen. Je zit daarin, en dan doe je voort, zo simpel is het.  En ik denk wel niet zo dikwijls aan die doden, maar voor hen doe ik het toch. Voor die 54.9OO en oneffen. En soms peins je eens op die gasten. Sommigen waren geen achttien jaar, maar veertien of vijftien. Dat waren kinderen gelijk! En als kind zijn ze de grond ingegaan, de sukkelaars! 

Soms moeten wij de Last Post ook gaan blazen op een kerkhof buiten Ieper. Voor Engelsen, maar ook al voor de Dutschen. Dat was een schoolklas en die hadden ook een viool bij, zo schone, ik kreeg er kiekenvlees van!
En zoveel tranen en wenende mensen dat wij al gezien hebben. En in het begin ben je daarvan gepakt. Maar op de duur wordt dat ook een gewoonte. En dan zeggen we al eens tegen elkaar: 't is weer zover, 't water is gebroken. Dat is deugnieterie natuurlijk, dat moet je niet zeggen, maar wij zien dat alle dagen. It's moving zeggen ze dan. En wij krijgen kussen van die kaken die nog nat zijn van de tranen. En ze beginnen over hun vader, hun grootvader of hun overgrootvader. En ja, ze pakken je zo om de hals en jij pakt ze dan ook goed vast. Je moet troosten he. En zeker bij die oudere mensen. Die denken: wie weet kom ik hier niet meer, wie weet is het de laatste keer!» 

Het is later op de avond. En hier, dichtbij de Menenpoort is het St.-Vincentiuscollege. In die stille jaren was de Last Post daar elke avond te horen in het toenmalige jongensinternaat. Wat is er droefgeestiger dan zo'n internaat in de jaren zestig? De lankmoedigheid van dat avondlijke uur, het rondhangen bij de versleten toppenbiljart, het lege colaflesje op de vensterbank, de kou tegen de donkere ramen en dan in de verte het gedempte weemoedige hoornblazen.

Een avond in 1965. Met op de foto: de twee klaroenblazers Maurice Barrato en Antoon Verschoot en ook de Ieperse familie Ossieur en hun Engelse vrienden. Dat waren die avond de énige aanwezigen. Soms brachten de klaroenblazers hun gezin mee om toch w…

Een avond in 1965. Met op de foto: de twee klaroenblazers Maurice Barrato en Antoon Verschoot en ook de Ieperse familie Ossieur en hun Engelse vrienden. Dat waren die avond de énige aanwezigen. Soms brachten de klaroenblazers hun gezin mee om toch wat toeschouwers te hebben.

De Last Post in Ieper is ouder dan de meeste inwoners van de stad, maar toch is ze niet begonnen na de wapenstilstand van 1918. De ceremonie is pas tien jaar later ontstaan toen de Ieperse politiecommissaris Vandenbraambussche naar een manier zocht waarmee "de Ieperse bevolking haar erkentelijkheid kon uitdrukken voor het offer van de Britse soldaten". En zo is er in de zomer van 1928 begonnen met de dagelijkse uitvoering van de Last Post en van bij het begin deed men beroep op de klaroenblazers van de brandweer. Het blazen van de Last Post is dus geen Brits maar een door en door Belgisch initiatief.
Dat juist de Britten Ieper zo massaal bezoeken, komt door de enorme verliezen die ze hier geleden hebben. Ieper was een killing field omdat de Duitsers de stad kost wat kost wilden innemen. Maar de Britten zetten zich schrap en zo telde dit zompige slagveld meer dan een half miljoen gesneuvelden.

Maurice Barrato, steenkapper en Last-Post-blazer: “Hij stond te blazen onder die poort waarin hij ontelbare namen had gekapt.”

Maurice Barrato, steenkapper en Last-Post-blazer: “Hij stond te blazen onder die poort waarin hij ontelbare namen had gekapt.”

Er is ook een klaroenblazer die aan de bouw van de Menenpoort heeft meegewerkt en dat is Maurice Barrato. De man blies de Last Post van 1939 tot 1979. Zijn dochter Jeanine vertelt:
«Ik was de oudste thuis en ik ging als kind dikwijls mee naar de Menenpoort. We gingen te voet of met de fiets, en dan zat ik op de buis, zo tussen vaders armen. M'n moeder ging soms ook mee. En als er familiebezoek was, nam vader iedereen mee. Naar de Menenpoort was een uitstapje, want in die jaren was er niet veel te doen hé in dat stille Ieper.
Ik wilde er altijd bij zijn als hij de Last Post speelde. Ik had een grote bewondering voor vader. Ik keek naar hem op dat hij zoiets belangrijk deed.
Vader was steenhouwer bij een begrafenisaannemer en hij had meegewerkt aan de bouw van de poort in 1927. Zeventien jaar was hij toen en hij heeft heel veel van die namen gekapt. En toen de Menenpoort beschadigd raakte in de Tweede Wereldoorlog, heeft hij meegeholpen aan de restauratie. Dat was dus niet zomaar de Last Post blazen voor hem, hij stond daar elke avond onder dat monument dat hij mee had helpen maken.   
Vader was ook zeer stipt en plichtsbewust en die Last Post had voorrang op alles. Het mocht sneeuwen, gieten, ijzelen, hij zei nooit wat van het weer. In de winter was er soms geen levende ziel te zien. Maar ook in de andere seizoenen waren er weinig toeschouwers. En toch heb ik hem nooit horen sakkeren dat hij moest gaan. Hij was fier van Last Postblazer te zijn en van dat eerbetoon te mogen doen voor die soldaten. Hij deed dat met hart en ziel.
Hij vertelde soms ook hoe geëmotioneerd sommige toeschouwers waren geweest. Ik heb dat zelf ook gezien. En hoe minder volk er was, hoe meer die aanwezigen geraakt waren. Met weinig volk wordt die Last Post intiemer, dan is er een grote dankbaarheid en aanhankelijkheid tussen die blazers en die paar aanwezigen.
Vader heeft geblazen tot z'n 69ste en geleefd tot z'n 96ste. En die zilveren klaroen moet je teruggeven aan de Last Post Association, geen enkele blazer mag ze houden. Maar hij had zijn koperen klaroen nog van zijn soldatentijd en die is altijd naast hem blijven staan, ook toen hij in het rusthuis was. En toen hij stierf in 2007, reed de lijkwagen na de dienst van de hoofdkerk naar de begraafplaats en onder de Menenpoort hebben ze halt gehouden en is er voor vader een Last Post geblazen en één minuut stilte gehouden. Dat bracht zoveel naar boven bij ons, dat was heel, heel emotioneel. »

Ik wil een beeld te krijgen van De Avonden in die stille jaren vijftig en zestig, en in het stadsarchief kan ik daarvoor bladeren in Het Iepersch Nieuws. Van bijvoorbeeld november 1958. Er zijn vier cinema's en om acht uur 's avonds draaien die onder andere "Sissi, het noodlot van een keizerin" en "Liefdescommando", de meest gewaagde Zweedse film sinds jaren! Op zaterdag 8 november is er Groot Pompiersbal in zaal Lido en op 29 november 20u zijn het de Sint-Elooisfeesten, met als biezondere attractie de "Hula-Hoopdans" oftewel vermageringsdans (wie kent hem niet?!)   Op 11 november 1962 herdenkt men de Wapenstilstand en de avond tevoren is het feest in Zaal Germinal. Teenagers en Twens, dit is Uw avond met Uw muziek! Johnny Carton en het Melodia Orkest spelen voor u: de Madison, de Twist en de Rock and Roll. Brengt uw vrienden mee! En in Cinema Capitole draaide "De Beminde Sheriff" met Elvis Presley in de hoofdrol.  Ik schrijf het allemaal over en ik wéét dat er op elk van die ontspanningsavonden een Last Post is geblazen. Ieper telt intussen geen enkele cinema meer, het Melodia Orkest is opgedoekt, maar de Last Post is gebleven.

Dat ik over Ieper schrijf, komt ook doordat die oorlog van '14-'18 een spoor heeft getrokken in m'n familie. Twee broers van m'n grootvader hebben als jonge twintigers in de loopgraven bij de Ijzer gezeten. De ene is levend teruggekeerd, de andere (Nonkel Gustaf!) is drie weken voor de wapenstilstand van 11 november gesneuveld in Kortemark. Dood op de valreep. De broer die het overleefde (Nonkel Zander!) heb ik enkele keren gezien, op bezoek bij m'n grootvader. Waarom herinner ik me alleen nog de witte haren, de krakende rietstoelen en hun opgestoken sigaren. Waarom heb ik hen toén niks over die oorlog gevraagd?

Albert Verkouter: “De drukte is maar begonnen na het bezoek van de paus in 1985. Al die jaren daarvoor was het stil. Die ingetogen jaren, dat was toch meer het echte herdenken.” (Ingescande foto: Stephan Vanfleteren 2011)

Albert Verkouter: “De drukte is maar begonnen na het bezoek van de paus in 1985. Al die jaren daarvoor was het stil. Die ingetogen jaren, dat was toch meer het echte herdenken.” (Ingescande foto: Stephan Vanfleteren 2011)

Albert "Bertje" Verkouter (69) is ook een veteraan. Albert is beginnen blazen in de zomer van 1963, en hij is pas in 2010 gestopt. Een loopbaan van zevenenveertig jaar Last Post.
«Ik was klaroenblazer geweest bij het leger en toch was ik zenuwachtig de eerste keer dat ik de Last Post moest blazen. Want die galm onder de Menenpoort, dat is niet simpel! Je blaast een noot en tegen dat je de tweede noot blaast, komt de eerste noot in een echo terug. Je moet ook geconcentreerd zijn. Dus niet naar het publiek kijken, want dan raak je afgeleid, je moet je blik fixeren op één punt. Ik fixeerde mij altijd op de Halletoren. "
Ik ben begonnen in de jaren zestig. En dan kon het daar donker zijn onder die poort, zeker in de herfst en in de winter. Er hingen maar drie lampen onder dat hoge gewelf, dat leek wel licht van vijftig watt! En in die schemer moesten we dan op de rijweg gaan staan. Ik stond eens met Daniel Demey te blazen, en van de markt zie ik een rooie Ford Mustang aan komen rijden en zonder snelheid te minderen is die op dertig centimeter van m'n compagnon gepasseerd. Pal rechtendoor. Die chauffeur had niet eens de agenten zien staan, die droegen nog geen fluo in die tijd, die hadden een zwart uniform van kop tot teen. Bij dichte mist hadden ze zelfs geen licht om de auto's te waarschuwen.
Soms had het gesneeuwd, gevroren of geijzeld en dan trokken we  sokken over onze schoenen om op de been te blijven. In de winter van '85 heeft het op een nacht min drieëntwintig gevroren, en om acht uur was het al min zestien. Toen heb ik m'n klaroen op de plaat van het gasvuur gezet, en als ze warm was, heb ik ze in een handdoek gedraaid en onder m'n jas gestoken, en dan lopen-lopen naar de Menenpoort. Jongens toch, daar zijn winters geweest vroeger! Je maakte je lippen nat om te beginnen, je blies die sonnerie, je stopte en ... plèk, het vel van m'n bovenlip! Dan was het gedaan met blazen voor de rest van de week. En dat duurt lang eer die huid weer aangegroeid is!
In de jaren zestig en zeventig bliezen we soms voor niemand, zeker in de winter. En op zo'n avond liep er eens een hond voorbij. En wij lachen, dat er toch één toeschouwer was!
Het was ook zo'n routine. Je ging in het midden van de weg staan, je zette je klaroen aan je lippen en twee minuten later was je klaar. En met je fiets bolde je nog gauw naar de cinema, dan was je nog op tijd voor de film van acht uur, want 't was eerst toch maar reclame en nieuws van Belgavox.  
Als je in 1980 aan een Ieperling zou gevraagd hebben of hij  wist van die dagelijkse Last Post, dan ben ik zeker dat velen zouden gezegd hebben: the Last Post, wat is dat?! In de jaren zestig, zeventig en zelfs tachtig was er op de feestdag van de Wapenstilstand, op 11 november bijna geen levende luis in Ieper. De mensen van Ieper zelf brachten die verlofdag elders door, en bij de Menenpoort stonden een paar groepen Engelsen met hoop en al twintig vlaggen, dat was het. Nu staat heel de Meensestraat en heel de Grote Markt vol volk op 11 november. Vorig jaar waren hier vijf bussen met Britse brandweermannen, meer dan tweehonderdvijftig man. En hoeveel muziekgroepen, pipebands en drumbands dat ge hier ziet! En 's avonds à volonté Leffe en Duvel drinken natuurlijk!

In die eerste jaren dacht ik ook meer aan die gesneuvelde jongens dan in de laatste jaren. Dat is normaal. In die beginjaren kwamen die oudstrijders nog, je zag ze nog in levende lijve. En na de sonnerie kwamen ze bij u staan: ik ben mijn beste vriend verloren op tweehonderd meter van hier, of, onze generaal was een butcher, hij heeft duizenden van m'n kameraden laten afslachten, of, ik ben de enige van mijn regiment die het overleefd heeft. En velen konden niks meer zeggen. Die pakten uw hand, die wilden iets zeggen, maar d'r kwamen alleen nog tranen uit hun ogen.
Eén keer heb ik het ook geweten dat een Engels en een Duits regiment van oudstrijders hier verbroederd hebben. Dat moet in '75 of zo zijn geweest. En die Engelsen legden bloemen op het Duitse kerkhof van Langemark, en de Duitsers legden bloemen hier aan de Menenpoort. En zij zegden: wij waren geen vijanden, meneer. Wij kwamen ook maar van een huis en van een gezin. 
Graven heb ik genoeg gezien in mijn leven, ik heb drieëndertig jaar onderhoud gedaan voor de War Graves Commission. Op een dag was ik op een begraafplaats in Zillebeke en er komen twee oudere dames bij mij, een Britse en een Amerikaanse: ze konden hun broer niet vinden. En daar stonden ze nu! Met de ferry van Engeland gekomen, en met de taxi helemaal van Oostende naar Zillebeke!  En dan heb ik de camion genomen en zijn we op zoek gegaan tot we dat graf van die jongen vonden. Vier maand later krijg ik een pakske uit Amerika. Een karaf en twee whiskyglazen in geslepen glas. Cadeau van die dames. En nog dertig jaar heb ik elk jaar een kerstkaartje gekregen. En nu hoor ik al twee jaar niks meer, nu zijn ze gestorven, denk ik. 

Eén keer ben ik te laat gekomen. Dat was een speciale Last Post voor Poolse oudstrijders van '40-'45, en dat moet ge weten: Ieper is in '44 bevrijd door een Poolse divisie en dat was de veertigste verjaardag van die bevrijding. En ik kwam die dag te laat omdat ze mij een ander tijdstip gezegd hadden. En omdat ik me zo geneerde ben ik me gaan verontschuldigen bij die Polen, en die generaal accepteerde mijn excuses op één voorwaarde: u rijdt heel de week met onze vijf autobussen mee en op alle Poolse begraafplaatsen waar wij komen, in België, Nederland en Duitsland, blaast ù de Last Post! Ik heb dat gedaan... jongens toch, dat was elke avond drinken en nog eens drinken met die Polen. Enfin, na die week ging die generaal in z'n vestzak, en ik kreeg een decoratie! Het zilveren Kruis van Verdienste. Ik denk niet dat er veel Belgen zijn die dat Poolse Kruis in hun bezit hebben. Dus ja, die ene keer te laat komen is toch nog stif goed gekommen.

DSC04001 - kopie.JPG

In de jaren zestig waren we maar met vier klaroeners, twee die bliezen en twee als reserve. Dat was dus krap. Nu zijn ze met acht klaroeners, vier blazers en vier reserve, en als er eentje niet kan, heeft die veel moeite om een reserve te vinden. Er mankeert dus discipline en het bestuur zou de blazers meer op hun plichten moeten wijzen. Wij misten bijna nooit een Last Post. In '91 is mijn pa overleden. 's Middags stierf hij onverwacht, 's avonds stond ik te blazen aan de poort."
Door te spreken over z'n vader komen er foto's op tafel en onder andere ook een portret van zijn jonge vrouw, en dan vertelt hij ineens dat ze mekaar hebben leren kennen onder de Menenpoort! "Dat zat zo. Haar vader en mijn vader kenden elkaar en zo hebben wij mekaar voor het eerst gezien terwijl we een herdenking en de Last Post bijwoonden. En waarschijnlijk hebben we een beetje te dichte bij malkoare gestaan, want de dag nadien was het "aan". En zo werd de Menenpoort onze plaats van afspraak: om te gaan wandelen en een beetje te staan vrijen op de vesten, 't was de beste plek voor een jong koppel, en in '65 zijn we getrouwd."
En dan moet er toch iets van zijn lever. Dat het vroeger doodstil was tijdens het blazen van de Last Post, maar dat het nu rumoeriger is geworden. "Zeker als er Belgische scholen komen met jonge leerlingen. En het ligt ook niet alleen aan die leerlingen. Het ligt ook aan de ceremonie die te lang is geworden. Elke avond is er nu een "speciale" Last Post, soms worden er wel tien kransen neergelegd. Op een gewone dag hé, en allemaal even traag en plechtig. Dan is het te verstaan dat die jonge gastjes ongeduldig worden, zeker als ze achter volwassenen staan en amper iets kunnen zien. Ik heb het al tegen het bestuur gezegd dat het allemaal te lang duurt en dat er daarom zoveel "leven" wordt gemaakt.
Het is allemaal begonnen na het bezoek van de paus in '85. Toen is Ieper en de Last Post een attractie geworden. Alles en iedereen kwam er op af, de scholen, de nonnekes, de vrouwen- en de mannenbond, alleman moest het gezien hebben. Dat wordt hier soms ook gezegd: wij zijn de laatste attractie van Bellewaerde. De mensen zijn na een dagje kust of pretpark onderweg naar huis en hier in Ieper pikken ze nog eventjes de Last Post mee. "

Oorlogsherinnering en recreatie, de grenslijn is dun. Nog elke dag worden vanuit Ieper Battlefield Tours ingericht met minibusjes die in de voor- en de namiddag door de streek toeren. En in september kon je in de Krant Van West-Vlaanderen lezen dat de Ieperse Sandwichbar van overnemer was veranderd: de belegde-broodjes-zaak heet voortaan Beleg Van Ieper. Het is de dualiteit die heel Ieper typeert, dat het hier altijd oorlog is, maar vaak ook etenstijd.

De oorlog is hier nergens verweg. Je kan de ringweg volgen, een zijweg inslaan en na tweehonderd meter parkeer je naast de oorlog. In dit geval het New Irish Farm Cemetery met zijn treurwilg en 4200 graven. Het is een zonnige morgen in de nazomer van 2011, er ligt nog dauw op het gras, en ik sta te kijken van de uitbundige flora bij de witte grafstenen. Er zijn rozen, buxus, riet en pampasgras met lichte pluimen. En dan zijn er ook de bijen, ze vergaren stuifmeel op deze dodenakker, en op een struik zit een dagpauwoog, zo'n vlinder die traag als een hartslag zijn vleugels open en toe vouwt. Het leven van een insect is kort. Zeker in het bijzijn van deze Soldier of the Great War die hier al bijna een eeuw rust moet vinden. En terwijl alle grafstenen zich schaamteloos in de zon koesteren, gaat het leven ginder zijn gewone gang met draaiende windturbines en onvermoeibaar verkeer.

Daniël Demey (links): “Hij was fabrieksarbeider. Elke avond schrobde hij zijn oliebesmeurde handen tot ze proper waren. De Last Post blazen, dat moest met zuivere handen.”

Daniël Demey (links): “Hij was fabrieksarbeider. Elke avond schrobde hij zijn oliebesmeurde handen tot ze proper waren. De Last Post blazen, dat moest met zuivere handen.”

Een kilometer verder heb ik afgesproken met Luc en Marie-Rose, hun vader Daniël Demey is een Last-Post-blazer met vijftig jaar dienst (van 1944 tot 1994). En ook in dit gesprek klinkt de echo van toewijding, plichtsbesef en trouw aan die tachtig jaar oude traditie.  
Luc: «Als het zijn week was, gingen we mee om te kijken. Van heel kleinsaf al. We waren toen nog met zes kinderen thuis, heel die hoop ging soms mee, en moeder natuurlijk ook. En dan waren we preus (=fier) dat we zijn koffertje mochten dragen waarin die zilveren klaroen zat. Elk op zijn beurt mocht dat ding dragen. Wij waren fier op vader en wyder boft'n daarmee op school dat onze pa klaroenblazer was. In die jaren vijftig waren wij dikwijls de enige toeschouwers. En als er geblazen werd, moesten we zo'n beetje in de houding gaan staan, met onze armen naast onze jas.
Was het oudjaar of kerstavond, gingen we op bezoek of naar een feest, dan moest zijn brommer ook mee. En die moest mee opdat hij op tijd zou kunnen vertrekken om te gaan blazen. Als het weer te slecht was voor de brommer, dan nam hij de bus. En als wij ergens moesten zijn waar geen bus reed waarmee hij in Ieper kon geraken, dan hij ging niet mee. Dan bleef hij thuis voor 'zijn' Last Post.
Marie-Rose: "Wij zijn ook nooit langer dan vijf dagen op vakantie geweest. Op reis gaan kon alleen in de week dat hij niet moest blazen. Die Last Post, dat was z'n leven. “
Luc: "De Menenpoort, dat was zijn tweede thuis. Nooit hebben we hem horen klagen dat het hem teveel was, integendeel! Er moest maar iemand ziek zijn en hij stond al klaar om in diens plaats te gaan."
Marie-Rose: «Eerst bliezen ze in hun gewone kleren, en in de jaren tachtig zijn ze dan in hun brandweeruniform begonnen. Hij streek die hemden zelf, en ook het witten en stijven van die handschoenen en manchetten deed hij zelf. Hij had zelfs een systeem bedacht om die koperen knopen van zijn vest te poetsen. Dan schoof hij een zelfgemaakte lat met gaten over die knopen zodat ze vast zaten en zodat hij ze danig kon opwrijven. Die moesten blinken tot en met.
Vader was technieker in de fabriek van Picanol (=weefgetouwen) en later werkte hij in een garage. Hij heeft dus altijd vuil werk gedaan en elke avond kwam hij met zwarte vette handen thuis en elke avond schrobde hij zijn handen met bleekwater en straffe zeep tot ze helemaal proper waren. Dat was allemaal uit respect, hij zou nooit met vuile handen hebben willen blazen.
Luc: "Weet ge nog toen hij dat vals gebit kreeg!
Marie-Rose: "Mô ja, hoelang heeft hij die beslissing uitgesteld! Hij had schrik dat hij met die nieuwe tanden niet meer de juiste embouchure zou hebben, en dus niet meer zou kunnen blazen. Enfin, dat gebit moest er uiteindelijk toch komen. En dan ging hij in de kelder zitten oefenen met dat nieuwe gebit en dat heeft weken geduurd tot hij weer content was. Om maar te zeggen dat hij er alles voor over had.
Kort na de oorlog was hij geopereerd aan de sinussen, hij moest een week in de kliniek blijven, maar al de eerste avond is hij uit dat bed gekomen en steunend op ons moeder is hij toch naar de Menenpoort gegaan, hij kon daar geen dag wegblijven. "
"Op 11 november 1994 heeft hij de laatste keer geblazen en vier maanden later was hij dood. Dat was werkelijk tot de laatste snik, want eigenlijk was hij al ziek in november, maar hij wilde bij die klaroeners blijven. Op de avond voor zijn begrafenis is er voor hem een speciale Last Post geweest. Toen was er bijna duizend man onder de Menenpoort, heel veel Ieperlingen waren daar, want hij was een gekende figuur. En zoveel brieven en bedankkaartjes dat we uit Engeland hebben gehad, een heel pak!
Hij zei wel altijd dat die stille jaren voor hem de schoonste waren. In de jaren negentig vond vader dat het te toeristisch was geworden. Hij vreesde dat het pure herdenken verloren zou gaan."

Foto uit het weekblad Panorama (nov 1960) : rechts op de foto Daniël Demey

Foto uit het weekblad Panorama (nov 1960) : rechts op de foto Daniël Demey

Als ik enkele weken later weer in Ieper sta, is de nazomer voorbij en schuurt er een killere wind langs de namen van de Menenpoort. Ik lees op de onderste rij Goodman, Goodwill, Bodel, Coleman, Lovell, Ebbs, Candy, Wright, Patman, Davies, Rafferty, Thompson, Potts, Stevens, Dixon, Cook, Howard, en de wat vreemdere Zeppenfield. Dat zijn slechts achttien namen  van de vijfenvijftigduizend. Reken twee seconden per naam en dan nog duurt het meer dan dertig uren eer je alle namen van de poort gelezen en uitgesproken hebt.  
Achter een koperen deurtje vind ik het Visitors Book van september. Naast Familienaam, Woonplaats en Datum is er maar zes vierkante centimeter om een comment te schrijven, maar zelfs in die kleine voetnoot is de dankbaarheid heel groot. Very moving (twaalf keer). Moving ceremony. Beautiful tribute. Takes your breath away. In tiefer Trauer um allen Toten. Never war again. Deeply moved. Very emotional. Words fail. Très emouvant. Thought provoking. Many thanks for maintaining this tradition. En terwijl het drukke verkeer langsrijdt, en woorden maar woorden zijn, sta ik hier dwaas te vechten tegen de tranen. Het zijn al die handschriften, al die onbekende woonplaatsen in Rusland, India, Ierland, Canada, Engeland, Spanje en Italië die de droefenis maken. En ook, dat al wat die bezoekers hier heeft gebracht, geen natuurschoon is, maar een grote beestachtige oorlog en een onnoemelijk groot verlies. 

Opgedragen aan m’n grootoom Gustaaf Peeters, Nonkel Gustaf (Tielen °1892) .Hij sneuvelde in Kortemark, drie weken voor het einde van de oorlog. Hij was 25 jaar.

Opgedragen aan m’n grootoom Gustaaf Peeters, Nonkel Gustaf (Tielen °1892) .Hij sneuvelde in Kortemark, drie weken voor het einde van de oorlog. Hij was 25 jaar.


 













 

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De zeldenrijders (2)

Louis Covens: “Ik ben één keer met mijn auto verloren gereden. In Antwerpen op 6 km van mijn huis. Iik dacht dat ik mijn voordeur nooit meer terug zou zien.” (Ingescande foto: Stephan Vanfleteren 1999)

Louis Covens: “Ik ben één keer met mijn auto verloren gereden. In Antwerpen op 6 km van mijn huis. Iik dacht dat ik mijn voordeur nooit meer terug zou zien.” (Ingescande foto: Stephan Vanfleteren 1999)

Humo 20 juli 1999

“Ik woon vlakbij de autostrade. Maar het is dertig jaar geleden dat ik daar nog op durfde rijden.”

Aldus sprak de garagist:" Ge hebt van die mensen bij wie de groentenboer, de melkboer en de bakker aan huis komen. Hun auto dient alleen om naar de kerk te rijden op zondag. Alleen daarvoor hebben ze die auto, want oeioeioei, als ze niet naar de mis zijn geweest, dan denken ze dat ze dood gaan." 

Zalig zij die zelden rijden, deel twee!

Naam: Louis Covens (62)
Auto: Renault 9 GTS (1983)
Jaargemiddelde:
15OO km
Staat van de auto: roest aan de randen van het koetswerk, een deukje in de deur, het achterlicht getapet, maar voor de rest nog flink voor zijn leeftijd van 16 jaar

“Ik koop altijd tweedehands auto’s, van die ouwe bakken die me weinig kosten en waarmee ik kan rijden tot ze uiteen vallen. Dat is zo bij mij, een auto dient om te rijden en niet om mee te stoefen.  Eigenlijk doe ik maar één grote verplaatsing per week en dat is naar mijn lief, dat is heen en terug zestien kilometer, dat is ook één rechte baan om daar naartoe te rijden en voor de rest komt die auto bijna niet buiten. Mijn vorige auto deed nog minder kilometers dan deze, want met die bak reed ik alleen naar het café Bij Josfien. Ik moest starten, gas geven, en voor de rest kon ik mijn stuur loslaten, die auto reed vanzelf naar die staminee, die auto kende maar éne weg hé. Tegenwoordig rij ik met iemand mee als ik op café ga, maar vroeger kwam het wel eens voor dat ik zat achter mijn stuur zat. Het is dan nacht, ge hebt een stuk in uw kloten, en ineens staan ze daar met een rooie fles te zwaaien, dat zijn dan de gendarmes hé. En bij mij roken ze wel de drank, maar ik heb nooit een boete gehad, sterker, ik heb nog nooit in dat zakske moeten blazen. Dat komt omdat ik altijd beleefd en vriendelijk ben tegen de gendarmen, ja mijnheer, nee mijnheer, het is zoals ge zegt mijnheer. Ge moet er ook voor zorgen dat ge niet over uw tong valt als ze u aanspreken. De meeste zatten worden kwaad en maken van hun kloten, ik maak nooit van mijn kloten. En zo heb ik al dikwijls chance gehad. Ge moét chance hebben in uw leven, anders komt ge d’r niet.
Ik heb nog nooit een botsing gehad, daarvoor ben ik te braaf en rij ik te traag, ik rij bijna nooit rapper dan zeventig. Ik heb eens één keer bijna honderd gereden en toen reed ik niet meer met die auto, toen reed die auto met mij. Al die venten die 12O en 14O rijden, die zijn geen baas meer over hun stuur, dat gaat gij mij niet vertellen. Ik rij dus traag, ik ben dus voorzichtig en ik betaal dus ook al jaren verzekering voor nop. 
Eén keer heb ik eens een botsing gehad. Ik kwam uit een stille weg en ineens kwamen er van links twee gasten aangereden op zo’n mountainbike, en maar koersen, die moesten precies op tijd thuis zijn. En boem, die ene rijdt recht op mij, vliegt over zijn stuur en knotst met heel zijn lijf op mijne kapoot. Dat gastje krabbelt recht, zijn fiets zag er slechter uit dan mijn kapoot, en weet ge wat die zegt? ! Mijnheer, zegt hij, ik was in fout, maar ik was ook in mijn recht, want ik ben een zwakke weggebruiker. Amai mijn oren, heb ik gezegd. Gij?! Ne zwakke weggebruiker?! En die krassen op mijn auto dan? Van welk vliegmachien komen die? Die gasten zijn het dan maar rap afgebold en ik heb er nooit meer van gehoord.
Het is tegenwoordig wat met die fietsers. Ze krijgen overal voorrang! Een fietspad, dat was vroeger een pad, nu is dat verdomme zo breed als de rijweg! En een automobilist, die is niet meer vrij op de weg! Vroeger moesten alle hoveningen voor de huizen onteigend worden, want overal wilden ze de banen breder maken. En nu? Nu zijn de banen breed en nu beginnen ze die hofkes terug te zetten, nu zetten ze de weg vol bomen en bloembakken. Als ge niet oppast, zetten ze nog bomen in het midden van de weg! Ge betaalt wegbelasting, maar al wat ze doen is uw weg belasten met van die drempels, dat is toch geen rijden meer. En ‘t is overal ook enkelrichting, hier moogt ge niet in, daar moogt ge niet in, en als ge ergens in moogt, dan is het een woonerf. ‘t Is precies of ge nergens meer moogt komen met uw auto. Weet ge wat ge nog moogt met uw auto? Dat is taksen betalen, ja, dat is alles!
Overal komen er ook verkeerslichten, ge staat verdorie meer stil dan dat ge rijdt! En weet ge wat dat is, bij een stoplicht hebt ge àltijd een klerenwinkel of zo’n lingeriewinkel. En hebt ge een vrouw voor u, dan hebt ge het spek aan uw been, want terwijl het rood is, is die in die winkel aan het kiezen, en dan wordt het groen, en dan verschieten ze en dan pas beginnen ze naar hun eerste versnelling te zoeken, jamaar, ‘t is één van de twee hé! Of rijen of winkelen! 
Weet ge waarvoor ik mijn auto ook gebruik? Om op bosduiven te schieten, ik heb daarvoor een vergunning. Maar duiven zijn rare beesten, jongen. Als ge vijf keren onder hun gat hebt geschoten, dan kennen ze u. Voor alle andere auto’s blijven ze in de bomen zitten, maar zien ze mijn antenne in de verte, dan zijn ze al weg!
Het is hier ook vlakbij Antwerpen, de Grote Markt is maar op zes kilometer van hier, maar ik ga nooit met mijn auto naar de stad. Nooit! Want ge kent er uw weg niet en ze rijden u daar omver voor ge het weet! Eén keer ben ik er geweest en daarna nooit meer! Ik zal u eens vertellen wat ik daar meegemaakt heb. Ge weet, ik kom al eens op café, en daar zit een vrouwke te schreien aan de toog, haar ventje was gestorven, en ze zou zo graag nog eens uitgaan in de stad. Ik was met de auto, ik wist twintig café’s BUITEN de stad, maar nee, zij wist een hele goeie staminee IN de stad, en maar flemen en al eens over mijn been wrijven, ik was toen nog zonder dat lief, dus wat doet ge, ge rijdt naar de stad en ge denkt dat ge de gelukkigste dag van uw leven gaat meemaken. Het café was in de buurt van het slachthuis, we stoppen voor dat café, zoekt gij een plaatske om te parkeren, zegt ze, ik wacht binnen op u en ik hou daar wel een plaatske voor u!
Jongen, ik heb dat wijfke nooit ofte nimmer meer teruggezien, want ik vond daar niks om te parkeren, straat in straat uit, in een mum van tijd was ik mijn weg kwijt. Want al die straten in de stad die lijken op mekaar, en ze waren ook allemaal dood en verlaten. Gelukkig zag ik daar een schipper, en die heeft me zo’n beetje de weg gewezen, en ineens zag ik tram tien. Dat is ‘m, dacht ik. Nu ben ik er! Want tram tien heeft zijn terminus aan de Schotensteenweg in Deurne, dus dat was niet ver van mijn deur, dus wat doe ik, ik hang achter die tram en ik ging die niet meer loslaten. Stopte die tram, dan stopte ik ook, ik verloor ‘m geen seconde uit het oog. Maar ineens moest die tram onder een brug, ALLEEN MAAR VOOR TRAMS stond er op dat bord en ineens was ik de weg kwijt, jongen, vijf minuten later zat ik al op de autostrade naar Gent of naar Luik, één van die twee, ik weet het niet meer. Ik zat op die oprit en ik wou eraf en ik ben er in achteruit weer afgereden! En waar ik nadien nog allemaal geweest ben! (schudt het hoofd) Echt, ik had het niet meer, schrik! schrik! het zweet liep  over mijn gezicht! Ik was misschien maar acht kilometer van mijn huis en ik dacht: geraak ik vanzeleven nog wel thuis? Zal ik mijn huis nog wel terugzien? Ja, jongen, ik dacht echtig en techtig dat ik mijn huis NOOIT MEER ging zien! Gelukkig was daar een brave mens en die is voor mij gaan rijden tot ik thuis was. Nooit, nooit ben ik zo blij geweest als toen ik mijn voordeur zag! Ik heb mijn deur bijna gekust toen ik ze zag! 

De uitbater van het tankstation: Ge hebt mensen die hier elke avond hun bak volgooien, elke avond vijftig liter, van die mannen die op een jaar honderdduizend en meer kilometer aflappen. En dan hebt ge van die ‘klanten’ die ge twee of drie keer per jaar ziet, die tanken en dan ook nog vragen of ge voor de rest van het jaar hun banden wil oppompen?! 

De autoverkoper: Ik heb hier nog iets staan van een ouwe mens. Een Mitsubishi, 15 jaar oud, 34.OOO kilometer. Ha, ge moet die auto niet hebben! Ge moet die mens hebben! Ja, die is dood hé.

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Naam: Flor Luyckx (79)
Auto: Toyota Lite Ace (1983)
Jaargemiddelde:
minder dan 700 km
Staat van de auto: Zopas verkocht aan de garage. Het wachten is op een nieuwe. 

"Eigenlijk hebben wij die auto alleen maar voor onze zwaar gehandicapte zoon. Om met hem uitstapjes te doen of om hem als nodig diréct naar het ziekenhuis te brengen. Vroeger reden wij met onze zoon één keer per jaar naar de Ardennen en twee keer per jaar naar Koksijde, toen deden we nog gemakkelijk duizend kilometer per jaar, maar nu is dat veel minder. De jongen is al flink wat ouder en niet meer zo goed, dus rijden we niet meer zo ver weg, alleen nog naar het bos als het goed weer is, dan is hij toch eens in de buitenlucht. We halen hem dan uit de camionette en we zetten hem met zijn speciale ligstoel naast de camionette. Aan zee ook, daar staat hij met zijn stoel op het strand of op de dijk, maar altijd vlakbij de camionette.
We rijden ook wel eens naar de familie of naar de winkel, maar het gebeurt dat die auto een hele maand stil staat. Deze winter bijvoorbeeld is die niet één keer buiten geweest. Niet dat ik bang ben in het verkeer, ik ben vroeger nog chauffeur geweest bij het leger, ik deed twintigduizend kilometer op een jaar. 
Aan die auto heb ik ook nooit kosten gehad, het enige dat ik af en toe moest kopen was een nieuwe batterij omdat ze dikwijls plat stond door het vele stilstaan. Voor de rest zag die auto er nog uit als nieuw, want elk jaar als ik op de keuring kwam, moesten ze twee, drie keer op mijn papieren zien, ze konden het niet geloven, zestien jaar oud en nog zo nieuw! Dus heb ik ook nooit één gaatje gehad van de keuring. Ik heb zelfs nooit een lekke band gehad, dat reservewiel is nooit gebruikt. Eén keer heb ik wel geluk gehad. Ik had kilometers lang met opgetrokken handrem gereden en toen ik wou remmen, kon ik niet meer, die remmen weigerden alle dienst. Ik ben toen zonder stoppen of remmen over een druk kruispunt gereden, gelukkig heb ik iedereen kunnen ontwijken en aan de overkant was toevallig een garage met een lange oprit en daar heb ik al uitbollend rondgereden tot ik stilstond. 
Nu is het wachten op de nieuwe camionette, die komt binnen twee maanden en is ook weer helemaal ingericht voor mijn zoon, en allicht gaan we daarmee ook weer heel weinig kilometers per jaar  doen. Ge moet dat zo bezien, het is uw vrijheid, ge stapt in en ge zijt weg, ook al is het dan maar voor vijfhonderd km per jaar!”  

De garagist: We hebben hier een dame gehad die alleen maar in haar eigen buurt rondreed. Op een dag moest ze naar de keuring, en omdat wij niet konden gaan, had ze gevraagd om een plannetje te tekenen. Dat heeft me bijna een half uur gekost, want àlles moest erop: alle straten, alle stoplichten, alle kruispunten, alle zebrapaden, alle voorrangswegen, alles waar ze maar enigszins moest stoppen of remmen moest op dat blad. En ik kan me al voorstellen hoe ze gereden is, ze is zeker aan elk kruispunt gestopt. Niet omdat het nodig was, maar omdat ze elke keer op haar blad moest kijken.  

“Als ik auto wil rijden, doe ik dat op de middag, tussen twaalf en één.”

Naam: Hilda (65)
Auto: Suzuki Alto 1OOO GLS (1997)
Jaargemiddelde:
net geen 2000 km  
Staat van de auto: 
nieuw  

“Ze zeggen van oudere mensen dat wij een gevaar op de baan zijn, maar het zijn de jongeren die een gevaar op de baan zijn. Zij schieten u voorbij, over de witte lijn soms, en voor het rood licht staan ze dan vlak voor uw neus. Daarvoor hebben ze dan zo dwaas en zo hard gereden om die vijf meter te winnen! Alles in het leven is zo jachtig geworden, het kan niet rap genoeg gaan. Ik verschiet ervan dat de moeders nog negen maanden in verwachting zijn, als ze konden, ze zouden het op vijf maanden doen!
Ik neem nog regelmatig de snelweg, maar als ik minister was, dan zou ik daar toch iets veranderen. Ik zou al die camions naar de linkerrijstrook sturen, want zoals het nu is, rijdt heel die rechterstrook vol camions, en die zijn zo hoog en zo breed dat ze mijn zicht wegnemen. Ik kan de borden en de wegwijzers niet meer zien. Ja, dat linkervak apart voor de camions, dat moet er komen. Of denkt u dat het beter is om de borden aan de linkerkant te zetten? Dat kan misschien ook.   

Een pomphouder: Ge hebt zo van die mensen, hun ogen zijn niet meer goed, of ze hebben een attakske gehad, of met hun medicamenten mogen ze niet meer rijden van de dokter, maar ja, ze doen het toch nog, hoogstens een paar honderd kilometer per jaar, maar ge ziet het aan hun maneuvers dat ze die auto niet goed onder controle hebben. Ik heb een man gekend, die had een halfverlamde arm en die vrouw stuurde méé in de moeilijke bochten.

Naam: Victor Coopman (79)
Auto: Lancia LX (199O)
Jaargemiddelde:
2OOO km
Staat van de auto: enkele krassen op de binnenbekleding, verder niks op aan te merken.

“Als ik auto wil rijden, dan doe ik dat meestal op de middag, tussen twaalf en één, dan is het niet druk op de weg en vooral niet druk in de supermarkt. Van gepensioneerden zeggen ze soms dat wij nog minder tijd hebben dan de jonge mensen, maar ik ben nooit gehaast en als ik een oude dame bij het zebrapad zie staan dan stop ik altijd! Die hoffelijkheid heb ik in Engeland geleerd, mijn vrouw was een Engelse.
Op een terrein van het Engels leger heb ik in 1946 nog slipschool gevolgd. Zij noemden dat een skidpan, dat was een wegdek volgesmeerd met olie. Glattig dat dat was! Uit uw wagen stappen was nog het gevaarlijkste, voor ge het wist, zat ge op uw gat.
Ik rij al zestig jaar, ik voel me safe en op mijn gemak in de auto, maar ik kom niet meer op de snelweg of in straten die ik niet ken. Moet ik toch in een straat zijn waar ik nooit geweest ben, dan steek ik thuis de CD-Rom van Promedia in de computer en dan kan ik mijn reisweg op het scherm zien. Dat print ik dan uit en dat plannetje neem ik mee in de auto. Ge moet meegaan met uw tijd hé. 
Ik ben een groot stuk van mijn leven zeeman geweest. Ik ben begonnen als kadet op de Mercator in 1938 en later heb ik meest als tweede stuurman gevaren. Met zo’n schip van twee- of driehonderd meter sturen is toch nog wat anders dan met een auto. Want vergeet niet, met een auto kunt ge nog remmen, maar met een schip kunt ge dat niet. Op een schip staan geen remmen, ge kunt die schroef alleen maar in achteruit gooien, dat is alles! En probeer met een schip ook maar eens aan te leggen, dan is parkeren met een auto toch gemakkelijker! 
Over parkeren gesproken, in 1943 was ik in Philadelphia. Daar was parkeren iets apart. Als ge te weinig plaats had tussen twee auto's, dan was het kwestie om die achterste wat naar achteren en die voorste wat naar voren te duwen met uw bumper. Iedereen in Philadelphia deed dat zo, niemand zette zijn handrem op, zodat ge met elke auto heel goed kon 'bumperen'. 

Een kandidaat-zeldenrijder: “De garagist heeft u gezegd dat ik 15OO km per jaar doe? Hm, ik doe er 25OO. Hoezo, dat is teveel voor u?  Had ik dan minder moeten rijden?! En wat had ik dan gekregen? Een premie van de staat of zo?!

Naam: Katrien Van Riel (77)
Auto: Citroën ZX (1992)
Jaargemiddelde:
1964 km
Staat van de auto: Picobello.

“Ik heb een witte Citroën, maar vraag mij niet welk model het is, dat kan ik niet onthouden. Ik weet nog wel dat we hem als occasie gekocht hebben in ’95, het jaar dat we onze gouden bruiloft gevierd hebben.  Ik kan rijden, maar mijne man kan het niet. Die heeft het nooit willen leren. Toen we onze eerste auto kochten in 1964, heb ik het direct geleerd. Dat was in een wei, de garagist heeft me toen op enkele zaterdagen voorgedaan hoe je moest schakelen en sturen, en dan ben ik de baan opgegaan. 
Soms rij ik zelf om boodschappen, soms rijdt mijn man mee. Maar hij zit nooit naast mij, hij zit altijd op de achterzetel. Dat is gelijk Dehaene en de ministers, zegt hij, die hebben ook een chauffeur en die zitten ook altijd achteraan. ‘t Is een brave man, hij zegt niks, hij commandeert niks, hij laat mij gerust aan mijn stuur. 
Ik ben content dat ik die auto heb. De meeste oudere mensen moeten hun kinderen lastig vallen als ze ergens naartoe willen, wij kunnen nog overal zelf naartoe. 
Ik rij altijd rustig en aan een kruispunt wacht ik altijd tot het drukste goed voorbij is. Maar het is niet gemakkelijk tegenwoordig, ge staat soms lang stil eer de baan helemaal vrij is. Als ik mijn kinderen zie rijden, die schieten daar allemaal tussen met hun auto, maar ja, die kunnen optrekken hé. Ik kan dat niet meer, dat optrekken.
Mijn autoradio heb ik weggedaan. Ik betaalde taks en ik luisterde d’r nooit naar. Eén van de kinderen had eens met mijn auto gereden en die had zo’n zender opgezet met van die raastige muziek, dat raasde maar en raasde maar, ik wist niet hoe ik een andere post moest pakken, en dan heb ik tegen de garagist gezegd, haal die radio er maar uit!
Ik ga niet zelf naar de keuring, dat doet de garagist. Ik heb het er niet mee, met die keuring. Pinkers aan, pinkers af, remmen, mistlicht...En ge moet dan over die rollen rijden, en ge moet over een put rijden, en dat moet allemaal zo precies passen, ge valt er misschien in, nee, da’s niks voor mij.

“Overal waar de autostrade naartoe gaat, daar moet ik niet zijn.”

Eén keer ben ik tegengehouden door de politie. Ze deden me stoppen en ze vroegen vanwaar ik kwam? Van de post heb ik gezegd. Maar dat moesten ze niet weten. Of ik wist dat ik verkeerd door die enkelrichtingsstraat was gekomen? Maar ik had die enkelrichting niet gezien, ik wist niet dat dat veranderd was. Dat hebt ge hé, als ge maar één keer per jaar door zo’n dorp komt.
Op de provinciewegen kom ik nog, maar van de autostrade blijf ik weg. Ze ligt hier wel vlakbij, maar dat is niks voor mij, ik kan daar niks gaan doen. Stel nu dat ik de oprit neem, waar moet ik dan naartoe? Ik moet nergens naartoe. Overal waar die autostrade naartoe gaat, daar moet ik niet zijn. ‘t Is zeker twintig dertig jaar geleden dat ik die autostrade nog genomen heb. Maar ik heb er wel één goeie herinnering aan. Toen ze pas openging heb ik koning Boudewijn daar gezien. Hij zat in een grote zwarte auto met allemaal politiemotoren langszij. Hij reed naar de stad en ik reed in de andere richting. Hij ging iets inhuldigen, en ik ging mijn zoon halen in het ziekenhuis. Dat herinner ik me nog, de koning en ik op de autostrade!

Een garagist: De allerstrafste was die gepensioneerde man van 65 die bij ons een Fiat sportmodel kwam kopen, zo’n laag karretje met twee zitplaatsen. Ik weet het nog goed, ik ben die auto bij hem thuis gaan afleveren samen met mijn vader. Na drie maanden belt hij of we de auto konden komen halen, hij had een “botsingske” gehad. We komen daar toe en die teller stond na drie maanden nog altijd op elf kilometer, het aantal dat wij ermee gereden hadden! Mijnheer was achteruit uit zijn garage gereden, tégen een boompje in zijn tuin en was dan maar vooruit terug in zijn garage gereden. Dat was de enige afstand die hij op die drie maanden gereden had! Vier jaar lang horen we niks van hem, ineens belt hij of we een ‘onderhoudje’ konden doen en of we met zijn auto naar de keuring konden gaan. Ik ging ‘m halen, er stond 4OO kilometer op de teller! Na vier jaar! En het vijfde jaar van de keuring stond er 5OO op, en het zesde jaar 6OO, en het zevende jaar 7OO, en het achtste jaar vroeg hij of we ‘t autootje niet terug wilden kopen, want hij reed eigenlijk toch “meer met de fiets”. En we hebben dat bakje teruggekocht, acht jaar oud, achthonderd km op de teller. Dat was in mijn ogen wel de kampioen!!

             (c)  Jan Hertoghs


© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Meer lezen
Jan Hertoghs Jan Hertoghs

De zeldenrijders (1) chauffeurs met 1000 km per jaar

Door het coronavirus wordt onze bewegingsvrijheid beperkt tot de korte noodzakelijke verplaatsingen.
Dat brengt ons bij de “zeldenrijders”: autobestuurders die uit eigen beweging rond de kerktoren toeren, en dat al jàren.
Zij komen hier aan het woord - met amper 1000 km op de teller per jaar.
Een Humo-reportage uit 1999. © Jan Hertoghs

“Mijn schoonbroer doet soms 800 km op een dag. Ik doe 800 km op een half jààr.”

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Vroeger had je die verhalen van autoverkopers en garagisten over nonnen in een Dafke en pastoors in een Volkswagen Kever die op tien jaar tijd géén tienduizend kilometer gedaan hadden. En dat die bakskes nog als nieuw waren, geen spatje roest, nog altijd de éérste lucht in de éérste banden, en in het dashboard een radio “die nooit gebruikt is geweest”. Ik dacht dat het legendes waren, mondelinge folklore, pure storytelling van de putliggers en de bandenopleggers, maar ik heb die mening grondig moeten herzien. Het zijn geen legendes, het is géén folklore, het bestààt. Er zijn chauffeurs die op een jaar tijd geen twintig uur, geen duizend kilometer achter hun stuur zitten.Om ze te vinden ben ik gaan aankloppen bij tankstations, garages en autoverkopers. Soms kenden ze iemand : Julia! die doet geen 6OO km op een jaar! Maar ze ligt wel juist in het ziekenhuis! Soms kenden ze niemand : Als ge nu chauffeurs zou zoeken met 100.000 km op een jaar, ja, zo ken ik er genoeg! Soms waren ze gewoon gesloten: Tussen twaalf en één eet iedereen! Een keer of zes kreeg ik wel een adres, maar kwam de bejaarde achter de kier van de deur niet verder dan een korzelig “we zijn niet geïnteresseerd”. Zeker hebben deze lieden in mij een inbreker gezien die even het interieur kwam opmeten, of op zijn minst een opkoper die onder het mom van een reportage op zoek was naar een super-occasie.
Uiteindelijk heb ik toch tien zeldenrijders gesproken, tien chauffeurs die jaarlijks tussen 1OOO en 15OO km rijden, soms was het iets meer, soms was het zelfs nog minder dan duizend op een jaar. Bij de eerste interviews ging ik er ook vanuit dat zo'n zeldenrijder meestal met klamme handen en gespannen bilspieren door het verkeer sukkelt, maar niks bleek minder waar, de meesten beweerden allerminst schrik te hebben in het verkeer. Maar wel mijden ze allemaal de nacht, de mist en het gladde secundaire wegdek. 
Uit nieuwsgierigheid heb ik zelf ook de kilometers geteld die ik nodig had om de tien korte-afstand-mobilisten te vinden. Het waren er  1OO4. Een afstand waar Jef acht maanden over zou doen.

Naam : Jef (79) 
Auto: Opel Kadett (1988)
Gemiddeld aantal kilometers per jaar: “
rond de 1500”
Staat van de auto: Blinkend. De zetels staan nog strak en bol als nieuw. Op de rubberen vloermatjes zit nog geen millimeter sleet. De wagen staat in de garage onder een waslijn met een zeemvel.

“Ik heb vroeger veel met de auto gereden. Ik was dokwerker en ik reed alle dagen met mijn auto naar de haven, vijftienduizend kilometer op een jaar. Maar het was altijd om te gaan werken, ik ben nooit met de auto op reis geweest, nooit naar de Ardennen, nooit naar de zee. Ik ben al wel al aan de zee geweest, maar dat was dan met de bus van de gepensioneerden. Als ik de auto neem is het om boodschappen te doen of familie te bezoeken. Mijn vrouw rijdt ook nog met die auto, maar die rijdt alleen maar naar de winkel in het dorp, dat is één kilometer van hier. Ze rijdt niet verder en ze dùrft ook niet verder, want ze heeft schrik. Ik heb geen schrik. Of ik nog op de snelweg durf? Ja-at, jong, dat durf ik zeker. Ik durf zelfs nog naar Antwerpen (= 22km) rijden, ik ben vorig jaar zelfs DOOR Antwerpen gereden, maar dan wel over den boulevard en niet langs al die kleine straatjes. 
Weet ge, als ik vroeger ging werken, was ik altijd gejaagd aan het stuur, nu ben ik veel rustiger, nu rij ik altijd op m’n gemakske. Het gebeurt dat ik nu een toerke maak door de gemeente, langs de velden en langs de hei en dat ik dan maar vijftien of twintig per uur rij en dat ik bijna in de beek rij omdat ik zo zit te gapen naar het veld en naar de beesten. Voorbijsteken doe ik maar heel weinig, ze moeten al heel traag gaan voor ik dat durf. Een tractor voorbijsteken, dat gebeurt wel eens, maar een gewone auto inhalen, dat gebeurt niet gemakkelijk. Ik ben degene die ze inhalen, zelfs de camions halen mij in. ‘s Nachts rijden is ook zoiets dat ik bijna nooit doe. Eigenlijk rij ik maar één keer per jaar ‘s nachts en dat is met nieuwjaar, dan ga ik doordoen bij mijn broers, en dan kom ik ‘s nachts terug met de auto, maar dat is maar een afstand van drie kilometer en allemaal kleine weg binnendoor.

“Met mijn velo doe ik zeker 1000 km meer dan met mijn auto.”

Omdat ik zo weinig rij, moet ik ook maar weinig tanken. Ik tank zo’n vier keer per jaar en daar rij ik làng mee. En natuurlijk wilt gij weten of ik de prijs per kilometer al eens uitgerekend heb? Zwijgt daar maar over, vriend, ik heb het er al genoeg over met mijn vrouw. Zij zegt dat onze auto duurder is dan de duurste taxi die er bestaat. En ze heeft gelijk, maar och, een taxi hebt ge niet  voor uw deur staan, en dit beestje is er altijd, ge stapt in en ge zijt weg. En zelfs al doet ge maar weinig kilometers, ge kunt ‘m niet missen hé! Ge hebt ‘m nodig! (neemt me mee naar de garage) Voila, hier is ‘m, en die heeft nog niks gemankeerd, zie maar naar die banden, dat zijn nog altijd de eerste die daarop liggen, daar is bijna niet met gereden hé. Mijn schoonbroer, ja, die doet soms achthonderd kilometer per dag. Wat die op twee dagen doet, daar heb ik een heel jaar voor nodig! Zelf rij ik meer met mijn velo dan met die auto, want met die auto doe ik er 15OO per jaar en met mijn velo zeker 25OO per jaar!”

De autoverkoper-garagist: De meeste van die mensen die heel weinig  rijden, zijn heel precies op hun auto. Extreem voorzichtig zijn ze, voor het minste mankement staan ze bij ons. Zo hadden we een klant, die reed hier alleen maar rond de kerktoren, dus nooit verder dan vijf kilometer van deze garage, maar hij was wel bij Touring Wegenhulp “voor het geval er iets gebeurt”.

Naam: Angèle Van Elsacker, bijna 91 
Auto: Fiat 126  (1989)
Gemiddelde per jaar:
1000 km
Staat van de auto: Beetje dof en uitgeleefd, typisch een ‘buitenslaper’. 

“Zaterdag wilde ik boodschappen doen en ik geraakte niet meer weg, ik kon niet meer starten. Ik heb Touring Secours gebeld en zij zegden dat mijn choke kapot was en ook zagen ze dat ik een lekke band had! En nu zit ik op de garagist te wachten die deze namiddag mijn auto komt halen en terwijl komt u bij mij langs om te vragen hoeveel kilometers ik doe, als dat geen toeval is! Wel, mijnheer, ik doe weinig kilometers, want ik rij alleen nog naar het dorp voor de supermarkt, de gazettenwinkel en het gemeentehuis. En voor de rest doe ik nog wat kleine uitstapjes naar Kapellen, Putte, Berendrecht of Zandvliet, dat ligt ongeveer op vijftien, twintig kilometer van hier. 
Op 1 september 1998 had ik een heel speciale uitstap op het oog. Ik werd die dag negentig jaar en ik wou voor mijn verjaardag naar Lillo rijden! Dat ligt 22 km van hier, maar ik ben er niet geraakt, ze hebben me verteld dat het daar zo hard veranderd is, dat er daar een nieuwe tunnel is gekomen of zoiets (de Liefkenshoektunnel, jh) en iedereen raadde het mij af om naar Lillo te rijden. En dus ben ik niet naar Lillo gereden wat wel spijtig is, want Lillo is een schoon dorpje.
Mijn garagist zegt dat ik de oudste automobiliste van het land ben? Zou dat waar zijn? Ik rij al vierenveertig jaar. Ik was vijfenvijftig toen ik ermee begon en ik vond het helemaal niet moeilijk. Sturen met de fiets of sturen met de auto, dat vond ik juist hetzelfde en die vitessen, dat was ook rap geleerd. 
Ik ben vroeger directiesecretaresse geweest. Ik deed interims bij grote firma’s als BP en SIBP, (lacht) toen reed ik ook met een grotere auto als nu! Maar ik moet geen grote auto hebben, zo’n klein ding is makkelijk om te parkeren en te maneuvreren, en het is nog zuinig ook, ik tank drie of vier keer per jaar voor vijfhonderd frank naft en daarmee kom ik toe. 
Soms rij ik niet zelf, soms rij ik mee met iemand. Met mijn nichtje bijvoorbeeld. Die rijdt zo heel nonchalant, met één vinger vanonder aan het stuur, kent ge dat?! Als ik dat zie, ben ik bang, maar ik durf er niks van te zeggen. - Ik ben content met die auto en ik zit gerust in die auto. Ik wil niet te voet gaan, want dan kan ik vallen, en ik wil ook niet met de fiets gaan, want dan is het helemaal erg als ge valt. Dus is die auto het veiligste. Ik rij ook al tien jaar zonder één accident, (tast onder het plastic tafelkleed, “hout vasthouden!”). Mijn assurantie heeft me zelfs een brief gestuurd om te zeggen dat ik een superchauffeur ben, tien jaar op de baan en niet één keer gebotst! Dat wil toch wat zeggen, want zoals ze tegenwoordig allemaal rijden, dat is véél-véél te rap. En dan vooral op plaatsen waar ze niet rap mogen rijden! 
Die bluts die ge ziet in mijn koffer is niet van een botsing, maar van de wind, het heeft hier een keer zo hard gestormd dat een baksteen uit de schoorsteen op mijn auto is gevallen.
Wat wel een beetje ambetant is, is dat ik geen rijbewijs heb. Ik heb het wel, maar ik weet niet meer waar ik het gelegd heb, het moet hier ergens in huis liggen, maar wààr?! Mijn vorig rijbewijs was ik ook al verloren. Toen ben ik bij de gendarmes een ander gaan halen, maar ik kan toch wééral niet naar de gendarmerie gaan voor een nieuw bewijs, dat is te ambetant. Och, voor die paar honderd kilometer per jaar rij ik wel zonder rijbewijs. ‘t Is de moeite niet hé!

-  

De garagist: Mensen die weinig rijden, blijven meestal binnen in de winter, of als het slecht weer is. Maar schijnt de zon, dan zijn ze er en hun commentaar is altijd hetzelfde. Ja, zeggen ze dan, dat beestje zit altijd maar binnen, hij moet toch eens buiten kunnen komen ook!

Angèle (91) in haar Fiat 126: “Voor mijn verjaardag wilde ik iets wagen: een uitstapje van 22 km.” (Ingescande foto: Stephan Vanfleteren 1999)

Angèle (91) in haar Fiat 126: “Voor mijn verjaardag wilde ik iets wagen: een uitstapje van 22 km.” (Ingescande foto: Stephan Vanfleteren 1999)

-

Daisy is enigszins een uitzondering. Daar waar de anderen nog de moed hebben om zich op hun zeventigste in het verkeer te  storten, is zij op haar zesendertigste al bang om zich in het autogewriemel te begeven. Daisy doet gemiddeld 19OO km per jaar met haar Opel Corsa. 
"Het rare is dat ik de auto voor alles en nog wat wil gebruiken. Ik rij ermee naar de bakker en de krantenwinkel, vijfhonderd meter vind ik al te ver om te voet te gaan, maar vraag mij niet om verder dan tien kilometer van mijn huis te rijden, want dan krijg ik al de zenuwen. Ik rij al zeventien jaar, dat is vrij lang, en vroeger reed ik ook ontspannen, maar nu moet ik zeggen dat ik zeer gespannen achter mijn stuur zit. Het is alsof ik met ouder worden meer bewust ben geworden van de gevaren op de weg. Als ik achter mijn stuur zit, zie ik ook alleen maar de weg, de stoplichten, de zebrapaden en de tegenliggers. De rest zie ik niet, en dat heb ik al dikwijls moeten horen, amai Daisy, ge reed mij voorbij aan de superette, een goeiedag kon er niet af zeker? Niemand in de buurt weet dat ik zo onzeker ben op de weg, ik durf dat aan niemand te vertellen.
Als ik ergens naartoe rij, heb ik thuis in gedachten al heel de weg afgelegd. In mijn gedacht zoek ik dan de kleine straten uit waarlangs ik moet rijden om de drukke punten te vermijden. Ik zal bijvoorbeeld nooit door het centrum van een dorp rijden, elk centrum vind ik te druk. Zo zal ik ook nooit tijdens het spitsuur de weg opgaan, dan blijf ik gewoon thuis. En moet ik over een druk kruispunt, dan zal ik dat proberen te vermijden door een paar straten om te rijden. Van wegomleidingen heb ik ook schrik want dan kan ik mijn weg verliezen, en van wegwerkzaamheden heb ik nog meer schrik. Als ik zie dat twee rijstroken ineens versmallen tot één rijstrook, dan draai ik terug en dan neem ik een andere weg. Ik hou mij ook aan de snelheid. Staat er 5O, dan rij ik 5O. Staat er 7O, dan rij ik 7O. Maar staat er 9O, dan rij ik ook maar 7O, ik durf niet rapper. Ik let heel de tijd op de snelheid, ook als mijn man rijdt. Hij heeft al gezegd dat hij oogkleppen voor mij gaat kopen. Als hij rijdt, zit ik ook constant op een ingebeelde rem te trappen.
Maar het ergste van alles is de autostrade voor mij. De autostrade, dat is mijn dood. Mij kunt ge niet harder straffen dan door mij op de autostrade te jagen. Ik kan nu rijden sinds 1982 en ik ben nog maar vier keer op de autostrade geweest.De eerste keer wou ik er direct af, ik reed zestig en ik dacht dat het allemaal zotten waren die mij voorbij vlogen. En ik ben niet bepaald gelovig, ik ga ‘s zondags niet naar de kerk, maar elke keer dat ik op de autostrade kom, maak ik een kruisteken. Omdat het zo’n verschrikking is. Mijn man werkt in de industriezone van Zaventem, hij gaat altijd met de trein. Maar op een dag was het staking en er was niemand anders om hem te brengen, dus hij reed naar Zaventem, en ik reed met de auto terug. Volg de pijlen richting Oostende, had hij gezegd, maar ik was weer zo gefixeerd op de weg dat ik die pijlen niet gezien heb. Toen die pijlen maar weg bleven, wilde ik ergens afdraaien en terug rijden, maar ineens stond ik op een militair domein, en daar stonden allemaal soldaten met geweren, en ik moest direct uitstappen en meekomen naar hun kantoor. Ik was in paniek, ik zei dat ik de weg kwijt was, en ik was ook helemaal mijn kluts kwijt, want ik begon te wenen en ze hebben me daar een tijdje in dat kantoor laten zitten tot ik beter was. Een militair is me dan voorgereden tot ik op de juiste weg zat naar huis.

“Ik sla een kruisteken voor ik op de snelweg ga.”

Nadien heb ik alleen maar over gewone wegen gereden, ik durfde jarenlang niet meer op de snelweg. Tot op een zondagmorgen, ik werd wakker, het was zes uur, het was nog stil buiten en ik dacht, ik rij een keer naar Zaventem en terug, het is nu rustig, het is het moment om het eens te proberen. Ik kwam op de autostrade en het was er heel kalm, ik dacht nu ga ik er geraken, maar ik ben niet echt in Zaventem geraakt. Het is nochtans heel simpel, ik moest gewoon die borden met dat vliegerke volgen, maar in mijn zenuwachtigheid was ik weer te vroeg afgeslagen en ineens zag ik een bordje Transport BURUNDI, en het was precies of ik in de jungle beland was. Het zweet brak mij uit, ik was verdwaald en het heeft mij twee uur gekost om terug thuis te geraken terwijl ik maar vijfentwintig kilometer van mijn huis was. Ja, de autostrade, ge moet het maar durven, zeg ik. ‘t Is niks voor mij. 

De autoverkoper: We hebben hier zo’n autootje gehad. 1O.OOO kilometer op 14 jaar. Wel, wij kregen dat niet verkocht. De mensen wilden dat niet kopen, want ze betrouwden het niet. Ze dachten dat wij met de teller geknoeid hadden, dat we d’r honderdduizend vanaf hadden gedaan.

Naam : Emiel Van Hofstraeten (76) en Martha Smeyers (73)
Auto: Suzuki Vitara jeep (1993)
Jaargemiddelde: 
800 km  
Staat van de auto: Fonkelnieuw. Drie krasjes op de koffer “vanwege de garagedeur die ineens  dicht vloog bij een hevige wind.”  

“Mijn man en ik hebben vroeger heel veel gereden. Met blokken ijs. Die blokken gingen we ‘s morgens halen in de Kronenburgstraat in Antwerpen en daarmee reden we dan naar de café’s en de beenhouwers in het Waasland, er waren in die tijd nog geen frigo’s en koeltogen zoals nu. Mijn man had een camion en ik had een camionette en in de jaren zestig deden wij gemakkelijk 8O.OOO tot 9O.OOO kilometer op een jaar, wij werkten ook zeven dagen op zeven, van ‘s morgens tot ‘s avonds waren wij op de baan. Soms vertrokken wij zo vroeg van de buiten naar Antwerpen dat er nog stropers in de wei lagen. Martha, niet verschieten hé, riepen ze dan. Het zijn wij maar, wij zitten hier nog te lichtbakken. Ja, ‘t was dikwijls nog nacht als wij al vertrokken. En nu komen we de baan bijna niet meer op. De wagen staat meer stil dan hij rijdt. Dat komt door mijn man. Hij heeft twintig jaar geleden een hersenbloeding gehad en daardoor is hij voor een gedeelte verlamd. Miel heeft nog kunnen rijden tot in 1995, toen was het gedaan, toen moest ik het stuur van ‘m overnemen. Jongen, heb ik toén afgezien! Het was zesentwintig jaar geleden dat ik nog aan een stuur had gezeten! Ik kwam op de weg en het zweet stond op dat stuur, zo’n angst had ik. Maar nu ben ik het gewend, nu gaat het weer vanzelf. Maar het is zo’n gedoe hé, die garagedeuren open doen om te vertrekken, stoppen op de oprit om de garage weer dicht te doen… op die tijd ben ik met mijn fiets al twee keer naar het dorp gereden.
Wij vinden het wel spijtig dat we nog zo weinig uit rijden, want we rijden allebei heel graag. Als mijn man gepensioneerd was, wilden we ook een mobilhome kopen om door heel België te rijden:  de zee, de Ardennen, Brussel en Brugge, we wilden daar overal naartoe. Dat zou onze grote vakantie worden, echt iets dat we verdiend hadden na een leven van lang werken, maar het heeft niet mogen zijn. Het heeft spijtig genoeg niet mogen zijn.

Een pomphouder: Voor mensen die weinig rijden is elke autorit een avontuur. Ik heb een klant die hier tien kilometer vandaan woont, vlakbij zijn huis is een pompstation, maar hij komt helemaal naar hier, want hij moet alleen maar “mijne naft hebben en geen andere!” En als hij een keer verder weg moet dan twintig kilometer dan tankt hij dagen van tevoren, gewoon om gerust te zijn dat die benzine in zijn tank zit. Hij heeft hier eens op een zondag aangebeld, we waren gesloten, maar hij blééf bellen tot we open deden. Ik moet tanken, zei hij, want volgende donderdag moet ik naar Scherpenheuvel!

Naam: Jos (71)
Auto : Citroën Visa (1986)
Jaargemiddelde: 
geen 1000 km per jaar 
Staat van de auto: Ondanks zijn dertien jaar, staat ie nog te blinken in het schuurtje.  

“In het begin had ik een deuxchevaux, zo’n geit zoals ze zeggen. Nu heb ik een Citroën Visa maar daarmee rij ik veel minder omdat ik zo slecht te been ben..Ik was vroeger melkboer, ik heb tot in ‘87 met paard en kar de melk rondgebracht. Zo’n paard, dat had tenminste gevoel, dat luisterde tenminste naar u. Zo’n auto, dat zit daar maar te snorren en te ronken onder uw gat, en ge denkt, hij is content, hij brengt mij overal naartoe, maar als ge ‘m laat stil staan en ge kijkt er niet naar, dan roest ‘m, precies of hij is kwaad op u. Een paard is ook veel goedkoper dan een auto, want hoe meer dat rijdt, hoe minder tijd het heeft om te eten. En bij een auto is het net andersom: hoe meer hij rijdt, hoe meer hij zuipt en geld kost! Met een paard kunt ge ook nog iets zien omdat ge langzaam en langs de kant van de weg rijdt. Maar met een auto ziet ge niks. Ja, ge ziet andere auto’s, ge kijkt van het ene sardineblik in de andere conservendoos. Ik ga met die auto alleen nog naar de winkel, en zelfs dat is me soms teveel. Niet dat ik bang ben in het verkeer, verre van, maar dat parkeren, jongen, dat is er teveel aan. Ik ging hier in de winkelstraat eens naar de winkel, ik zag één gaatje, ik parkeerde, en direct kwam er een vent uit een camionette, allez mijnheer, ik wilde hier juist gaan lossen! Pardon vriend, heb ik gezegd, en ik ben weer vertrokken om een ander plaatsje te zoeken. Dat was VIER straten verder, vlak voor een winkel met velo’s, wel, ik ben daar binnengestapt en ik heb daar gelijk een velo gekocht!! ‘t Is gedaan met auto rijden heb ik gezegd. 
Ge ziet ook veel meer vanop de fiets, en wilt ge iets van nabij zien, dan zet ge uw voet aan de grond en ge staat stil, ge zijt geparkeerd. Met een auto raakt ge nooit geparkeerd. Of ze moesten iets uitvinden waarmee ge boven op een andere auto kunt parkeren.

De garagist: Vroeger had je meneer pastoor in zijn Keverke en de nonnekes in hun Dafke die heel weinig kilometers deden, maar tegenwoordig moet mijnheer pastoor zijn gelovigen in drie parochies gaan zoeken, die doet dus véél kilometers op een jaar.En de nonnekes, ja, de nonnekes, die zijn de dag van vandaag ook mobiel, die rijden tegenwoordig óók naar Bobbejaanland.

De Zeldenrijders (1) in Humo van 13 juli 1999

WELDRA DEEL 2: Achthonderd kilometer op acht jaar

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

 

Meer lezen